Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1DavidH1732 nu zeideH559 in zijn hartH3820: Nu zal ik eenH259 der dagenH3117 door SaulsH7586handH3027omkomenH5595; mij is nietH369beterH2896, dan datH3588 ik haastelijkH4422ontkomeH4422 in het landH776 der FilistijnenH6430, opdat SaulH7586vanH4480 mij de hoop verliezeH2976, om mij meerH5750 te zoekenH1245 in de ganseH3605landpaleH1366 van IsraelH3478; zo zal ik ontkomenH4422 uit zijn handH3027.David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
KJVAnd David2said1in his heart,4I shall now perish6one8day7by the hand9of Saul:10there is nothing better13for me than that14I should speedily15escape16into the land18of the Philistines;19and Saul22shall despair20of me, to seek23me any more in any coast26of Israel:27so shall I escape28out of his hand.29
2Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Toen maakte zich DavidH1732 op, en hij gingH5674 door, hijH1931 en de zeshonderdH8337mannenH376, die bijH5973 hem waren, totH413AchisH397, den zoonH1121 van MaochH4582, den koningH4428 van GathH1661.Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
KJVAnd David2arose,1and he passed over3with the six5hundred6men7that were with him unto Achish,11the son12of Maoch,13king14of Gath.15
1וַיָּ֣קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid3וַיַּעֲבֹ֣רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath4ה֔וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who5וְשֵׁשׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth6מֵא֥וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore7אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9עִמּ֑וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11אָכִ֥ישׁH397AchisAchish12בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13מָע֖וֹךְH4582MaochMaoch14מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal15גַּֽתH1661GathGath
3En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En DavidH1732bleefH3427bijH5973AchisH397 te GathH1661, hijH1931 en zijn mannenH582, een iegelijkH376 met zijn huisH1004; DavidH1732 met zijn beideH8147vrouwenH802, AhinoamH293, en JizreelietischeH3159, en AbigailH26, de huisvrouwH802 van NabalH5037, de KarmelietischeH3762.En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
KJVAnd David2dwelt1with Achish4at Gath,5he and his men,every man7with his household,9even David10with his two11wives,12Ahinoam13the Jezreelitess,14and Abigail15the Carmelitess,18Nabal's17wife.16
1וַיֵּשֶׁב֩H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry2דָּוִ֨דH1732David, DavidsDavid3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אָכִ֥ישׁH397AchisAchish5בְּגַ֛תH1661GathGath6ה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7וַאֲנָשָׁ֖יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)9וּבֵית֑וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)10דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid11וּשְׁתֵּ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two12נָשָׁ֔יוH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English13אֲחִינֹ֨עַם֙H293AhinoamAhinoam14הַיִּזְרְעֵאלִ֔יתH3159JizreelietischeJezreelitess15וַאֲבִיגַ֥יִלH26AbigailAbigal16אֵֽשֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English17נָבָ֖לH5037NabalNabal18הַֽכַּרְמְלִֽיתH3762KarmelietischeCarmelitess
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen aan SaulH7586geboodschaptH5046 werd, datH3588DavidH1732gevluchtH1272 was naar GathH1661, zo voerH3808 hij niet meerH5750voortH3254 hem te zoekenH1245.Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.
KJVAnd it was told1Saul2that David5was fled4to Gath:6and he sought10no more again8for him.
1וַיֻּגַּ֣דH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter2לְשָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4בָרַ֥חH1272vluchtte, vlood, gevlodenchase (away); drive away, fain, flee (away), put to flight, make haste, reach, run away, shoot5דָּוִ֖דH1732David, DavidsDavid6גַּ֑תH1661GathGath7וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8יָסַ֥ףH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield9ע֖וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)10לְבַקְשֽׁוֹH1245zoeken, zoekt, zochtask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for)
5En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En DavidH1732zeideH559totH413AchisH397: IndienH518 ik nu genadeH2580 in uw ogenH5869gevondenH4672 heb, men geveH5414 mij een plaatsH4725 in eenH259 van de stedenH5892 des landsH7704, dat ik daarH8033woneH3427; want waaromH4100 zou uw knechtH5650 in de koninklijkeH4467stadH5892bijH5973 u wonenH3427?En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?
KJVAnd David2said1unto Achish,4If I have now found7grace8in thine eyes,9let them give10me a place12in some13town14in the country,15that I may dwell16there: for why should thy servant20dwell19in the royal22city21with thee?
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִ֜דH1732David, DavidsDavid3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אָכִ֗ישׁH397AchisAchish5אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet6נָא֩H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh7מָצָ֨אתִיH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on8חֵ֤ןH2580genade, aangenaam, gunstfavour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured9בְּעֵינֶ֨יךָ֙H5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)10יִתְּנוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield11לִ֣י12מָק֗וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)13בְּאַחַ֛תH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,14עָרֵ֥יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town15הַשָּׂדֶ֖הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild16וְאֵ֣שְׁבָהH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry17שָּׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither18וְלָ֨מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why19יֵשֵׁ֧בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry20עַבְדְּךָ֛H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant21בְּעִ֥ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town22הַמַּמְלָכָ֖הH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal23עִמָּֽךְH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
6Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Toen gafH5414AchisH397 te dien dageH3117ZiklagH6860; daaromH3651isH1961ZiklagH6860 van de koningenH4428 van JudaH3063 geweest totH5704 op dezenH2088dagH3117.Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
KJVThen Achish3gave1him Ziklag7that day:4wherefore Ziklag10pertaineth unto the kings11of Judah12unto this day.14
1וַיִּתֶּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2ל֥וֹ3אָכִ֛ישׁH397AchisAchish4בַּיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger5הַה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7צִֽקְלָ֑גH6860ZiklagZiklag8לָכֵ֞ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you9הָיְתָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10צִֽקְלַג֙H6860ZiklagZiklag11לְמַלְכֵ֣יH4428koning, konings, koningenking, royal12יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah13עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet14הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger15הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
7Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Het getalH4557 nu der dagenH3117, dieH834DavidH1732 in het landH7704 der FilistijnenH6430woondeH3427, wasH1961 een jaarH3117 en vierH702maandenH2320.Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
KJVAnd the time2that David6dwelt5in the country7of the Philistines8was a full year3and four10months.11
1וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִסְפַּ֣רH4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time3הַיָּמִ֔יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5יָשַׁ֥בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6דָּוִ֖דH1732David, DavidsDavid7בִּשְׂדֵ֣הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild8פְלִשְׁתִּ֑יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine9יָמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger10וְאַרְבָּעָ֥הH702vier, vierhonderd, veertienfour11חֳדָשִֽׁיםH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon
8David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8DavidH1732 nu toogH5927 op met zijn mannenH582, en zij overvielenH6584 de GesurietenH1651, en de GirzietenH1511, en de AmalekietenH6003 (wantH3588 deze zijn vanouds geweest de inwonersH3427 des landsH776), dat gij gaat naarH413SurH7793, en tot aan EgyptelandH776.David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
KJVAnd David2and his menwent up,1and invaded4the Geshurites,6and the Gezrites,7and the Amalekites:8for those10nations were of old14the inhabitants11of the land,12as thou goest15to Shur,16even unto the land18of Egypt.19
1וַיַּ֤עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3וַֽאֲנָשָׁ֔יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4וַֽיִּפְשְׁט֛וּH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6הַגְּשׁוּרִ֥יH1651Gezurieten, Gesuri, GesurietenGeshuri, Geshurites7וְהַגִּזְרִ֖יH1511GirzietenGezrites8וְהָעֲמָלֵקִ֑יH6003Amalekieten, Amalekiet, AmalekietischenAmalekite(-s)9כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10הֵ֜נָּהH2007zij, deze (vrouwelijk meervoud)[idiom] in, [idiom] such (and such things), their, (into) them, thence, therein, these, they (had), on this side, whose, wherein11יֹשְׁב֤וֹתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry12הָאָ֨רֶץ֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world13אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14מֵֽעוֹלָ֔םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)15בּוֹאֲךָ֥H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way16שׁ֖וּרָהH7793SurShur17וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet18אֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world19מִצְרָֽיִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
9En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En DavidH1732sloegH5221 dat landH776, en lietH3808 noch manH376 noch vrouwH802levenH2421; ook namH3947 hij de schapenH6629 en runderenH1241, en de ezelenH2543, en kemelsH1581, en klederenH899, en keerdeH7725 weder en kwamH935totH413AchisH397.En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.
KJVAnd David2smote1the land,4and left neither man7nor woman8alive,6and took away9the sheep,10and the oxen,11and the asses,12and the camels,13and the apparel,14and returned,15and came16to Achish.18
1וְהִכָּ֤הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound2דָוִד֙H1732David, DavidsDavid3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world5וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6יְחַיֶּ֖הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole7אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8וְאִשָּׁ֑הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English9וְלָקַח֩H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win10צֹ֨אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)11וּבָקָ֜רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox12וַחֲמֹרִ֤יםH2543ezel, ezelen, ezels(he) ass13וּגְמַלִּים֙H1581kemelen, kemels, kemelcamel14וּבְגָדִ֔יםH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe15וַיָּ֖שָׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw16וַיָּבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way17אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)18אָכִֽישׁH397AchisAchish
10Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Als AchisH397zeideH559: Waar zijt gijlieden hedenH3117ingevallenH6584? zo zeideH559DavidH1732: Tegen het zuidenH5045 van JudaH3063, en tegen het zuidenH5045 der JerahmeelietenH3397, en tegen het zuidenH5045 der KenietenH7017.Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
KJVAnd Achish2said,1Whither3have ye made a road4to day?5And David7said,6Against the south9of Judah,10and against the south12of the Jerahmeelites,13and against the south15of the Kenites.16
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אָכִ֔ישׁH397AchisAchish3אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than4פְּשַׁטְתֶּ֖םH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)5הַיּ֑וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger6וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7דָּוִ֗דH1732David, DavidsDavid8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9נֶ֤גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)10יְהוּדָה֙H3063JudaJudah11וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12נֶ֣גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)13הַיַּרְחְמְאֵלִ֔יH3397JerahmeelietenJerahmeelites14וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15נֶ֖גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)16הַקֵּינִֽיH7017Keniet, Kenieten, KainKenite
11En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En DavidH1732lietH3808 noch manH376 noch vrouwH802levenH2421, om te GathH1661 te brengenH935, zeggendeH559: Dat zij misschien van ons niet boodschappenH5046, zeggendeH559: AlzoH3541 heeft DavidH1732gedaanH6213! En alzoH3541 was zijn wijzeH4941alH3605 de dagenH3117, dieH834 hij in der FilistijnenH6430landH7704gewoondH3427 heeft.En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.
KJVAnd David5saved4neither man1nor woman2alive,to bring6tidings to Gath,7saying,8Lest they should tell10on us, saying,12So did14David,15and so will be his manner17all the while19he dwelleth21in the country22of the Philistines.23
1וְאִ֨ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)2וְאִשָּׁ֜הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English3לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4יְחַיֶּ֣הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole5דָוִ֗דH1732David, DavidsDavid6לְהָבִ֥יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7גַת֙H1661GathGath8לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9פֶּןH6435opdat niet, anders(lest) (peradventure), that...not10יַגִּ֥דוּH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter11עָלֵ֖ינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder14עָשָׂ֤הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15דָוִד֙H1732David, DavidsDavid16וְכֹ֣הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder17מִשְׁפָּט֔וֹH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong18כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)19הַ֨יָּמִ֔יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger20אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21יָשַׁ֖בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry22בִּשְׂדֵ֥הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild23פְלִשְׁתִּֽיםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
12En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En AchisH397geloofdeH539DavidH1732, zeggendeH559: Hij heeft zich ten enenmaalH887stinkendeH887 gemaakt bij zijn volkH5971, in IsraelH3478; daarom zal hij eeuwiglijkH5769 mij tot een knechtH5650 zijn.En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
KJVAnd Achish2believed1David,3saying,4He hath made his people7Israel8utterly5to abhor6him; therefore he shall be my servant11for ever.12
1וַיַּאֲמֵ֥ןH539getrouw, geloven, geloofdhence, assurance, believe, bring up, establish, [phrase] fail, be faithful (of long continuance, stedfast, sure, surely, trusty, verified), nurse, (-ing father), (put), trust, turn to the right2אָכִ֖ישׁH397AchisAchish3בְּדָוִ֣דH1732David, DavidsDavid4לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הַבְאֵ֤שׁH887stinkende, stinken, stonk(make to) be abhorred (had in abomination, loathsome, odious), (cause a, make to) stink(-ing savour), [idiom] utterly6הִבְאִישׁ֙H887stinkende, stinken, stonk(make to) be abhorred (had in abomination, loathsome, odious), (cause a, make to) stink(-ing savour), [idiom] utterly7בְּעַמּ֣וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8בְיִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9וְהָ֥יָהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10לִ֖י11לְעֶ֥בֶדH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant12עוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 27:1— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→Klaagliederen 3:26→Spreuken 13:12→Jesaja 51:12→1 Samuël 28:1→1 Samuël 16:13→
1 Samuël 27:2— Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.1 Samuël 21:10→1 Samuël 25:13→1 Koningen 2:39→1 Samuël 30:8→
1 Samuël 27:3— En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.1 Samuël 25:42→1 Samuël 30:3→1 Samuël 30:5→1 Samuël 25:18→1 Samuël 25:3→
1 Samuël 27:4— Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.1 Samuël 26:21→
1 Samuël 27:5— En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?2 Korinthe 6:17→Genesis 46:34→
1 Samuël 27:6— Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.Nehemia 11:28→Jozua 15:31→1 Samuël 30:1→2 Samuël 1:1→1 Samuël 30:14→1 Kronieken 12:1→1 Kronieken 12:20→1 Samuël 19:5→
1 Samuël 27:7— Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.1 Samuël 29:3→
1 Samuël 27:8— David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.1 Samuël 15:7→Jozua 13:2→Jozua 13:13→Jozua 16:10→Richteren 1:29→1 Samuël 30:1→2 Samuël 14:32→2 Samuël 14:23→
1 Samuël 27:9— En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.1 Samuël 15:3→Jozua 6:21→Exodus 15:22→Genesis 25:18→1 Samuël 15:7→Genesis 16:7→Deuteronomium 25:17→
1 Samuël 27:10— Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.Richteren 1:16→1 Kronieken 2:25→1 Kronieken 2:9→1 Samuël 30:29→Richteren 4:11→1 Samuël 15:6→1 Samuël 23:27→Spreuken 29:25→
1 Samuël 27:11— En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.Spreuken 29:25→1 Samuël 22:22→Spreuken 12:19→
1 Samuël 27:12— En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.Genesis 34:30→1 Samuël 13:4→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 27 vers 1— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
in zijn hart
Dat is, bij zichzelven. Dit is een bewijs van de zwakheid Davids in het geloof en het vertrouwen op de voortreffelijke beloften Gods.
Hertaald:in zijn hart
Dat is: bij zichzelf. Dit is een bewijs van de zwakheid van David in het geloof en het vertrouwen op de voortreffelijke beloften van God.
der dagen
Dat is, den een of anderen tijd.
Hertaald:der dagen
Dat is: op een of andere dag.
mij is niet beter,
Dat is de raad van het zwakke vlees geweest. Zie 1 Sam. 22:5, waar de profeet Gath David in gelijke zaak bestraft heeft.
Hertaald:mij is niet beter,
Dit was de raad van het zwakke vlees. Zie 1 Sam. 22:5, waar de profeet Gad David in een soortgelijke zaak bestraft heeft.
dat ik haastelijk ontkome
Hebreeuws, ontkomende ontkome.
Hertaald:dat ik haastelijk ontkome
Hebreeuws: ontkomende ontkome.
1 Samuël 27 vers 2— Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
hij ging door,
Vermoedelijk eerst vrijgeleide van Achis begeerd en verkregen hebbende, om daar te mogen komen en blijven; en niet voor zijn persoon alleen, gelijk hij eerst gedaan heeft, boven, 1 Sam. 21:10, maar met al de mannen en vrouwen die bij hem waren.
Hertaald:hij ging door,
Vermoedelijk had hij eerst vrijgeleide van Achis gevraagd en gekregen om daar te mogen komen en blijven; en niet alleen voor zichzelf, zoals hij eerst gedaan had, hierboven, 1 Sam. 21:10, maar met alle mannen en vrouwen die bij hem waren.
Gath
In der Filistijnen land gelegen, uit welke stad Goliath was, boven 1 Sam. 6:17.
Hertaald:Gath
Gelegen in het land van de Filistijnen, de stad waar Goliath vandaan kwam, hierboven, 1 Sam. 17:4.
1 Samuël 27 vers 3— En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
de huisvrouw van Nabal,
Dat is, die Nabals huisvrouw geweest was. Aldus wordt zij ook genoemd onder 1 Sam. 30:5.
Hertaald:de huisvrouw van Nabal,
Dat is: die de vrouw van Nabal geweest was. Zo wordt zij ook genoemd in 1 Sam. 30:5.
1 Samuël 27 vers 5— En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?
men geve mij een plaats
David zocht ergens alleen te wonen met de zijnen, om te ontgaan het gevaar zo des lichaams als der ziel, hetwelk hem van de Filistijnen had mogen overkomen.
Hertaald:men geve mij een plaats
David wilde ergens alleen wonen met de zijnen, om het gevaar te ontlopen, zowel voor het lichaam als voor de ziel, dat hem van de Filistijnen had kunnen overkomen.
want waarom zou uw knecht
David verstond wel hoe zorgelijk het was voor vreemdelingen, [inzonderheid die van enig vermogen zijn] bij een koning in zijn eigen stad te wonen. Daarom wilde hij deze jaloezie gaarne voorkomen. Maar hij geeft het een anderen naam, alsof hij zeide: Deze eer komt mij niet toe, heer koning.
Hertaald:want waarom zou uw knecht
David begreep goed hoe riskant het voor vreemdelingen was, [vooral voor hen die enig vermogen hadden] om bij een koning in zijn eigen stad te wonen. Daarom wilde hij deze jaloezie graag voorkomen. Maar hij geeft het een andere naam, alsof hij zei: deze eer komt mij niet toe, heer koning.
1 Samuël 27 vers 6— Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
Ziklag;
Deze stad heeft eerst den naam van Juda toegekomen, zoveel hun God die steden des lands geschonken had, gelijk te zien is Joz. 15:31; maar de Filistijnen hadden haar den Israëlieten afgenomen en tot dezen tijd toe ingehouden. Nu geeft Achis hem aan David.
Hertaald:Ziklag;
Deze stad had eerst aan Juda toebehoord, voor zover hun God die steden van het land geschonken had, zoals te zien is in Joz. 15:31; maar de Filistijnen hadden haar de Israëlieten afgenomen en tot dan toe in bezit gehouden. Nu geeft Achis haar aan David.
1 Samuël 27 vers 7— Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
was een jaar en vier maanden
Hebreeuws, was dagen en vier maanden. Het woord dagen in het getal van vele, wordt dikwijls bij de Hebreën voor een jaar genomen; zie Lev. 25:29. David is te Ziklag gebleven tot den dood van Saul, toen kwam hij te Hebron, 2 Sam. 2:1. Sommigen nemen het aldus: [Eenige] dagen en vier maanden.
Hertaald:was een jaar en vier maanden
Hebreeuws: was dagen en vier maanden. Het woord dagen wordt bij de Hebreeën, in het meervoud, vaak gebruikt voor een jaar; zie Lev. 25:29. David is te Ziklag gebleven tot de dood van Saul; toen kwam hij naar Hebron, 2 Sam. 2:1. Sommigen vatten het op als: [enige] dagen en vier maanden.
1 Samuël 27 vers 8— David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
Gesurieten,
Zie de aantekeningen Joz. 12:5, en Joz. 16:3.
Hertaald:Gesurieten,
Zie de aantekeningen bij Joz. 12:5, en Joz. 16:3.
Girzieten,
Voor Gizrieten. Dit waren Kanaänieten, die tevoren te Gezer of te Gazer gewoond hadden, in het land Efraïm. Dezen, vandaar ook verdreven zijnde, gingen wonen tegen het zuiden van het land Kanaän.
Hertaald:Girzieten,
In plaats van Gizrieten. Dit waren Kanaänieten, die eerder in Gezer of Gazer gewoond hadden, in het land Efraïm. Nadat zij ook daarvandaan verdreven waren, gingen zij wonen in het zuiden van het land Kanaän.
Amalekieten
Dezen waren van de nakomelingen van Ezau, welken God Saul geboden had geheellijk uit te roeien en te verdelgen. Doch hij heeft enigen laten overblijven, tegen welken David hier den oorlog voert.
Hertaald:Amalekieten
Dezen stamden af van Ezau; God had Saul geboden hen volledig uit te roeien en te vernietigen. Maar hij heeft er enkelen laten leven, tegen wie David hier oorlog voert.
deze zijn vanouds geweest
Te weten, de Gesurieten en Girzieten. Dezen hebben eertijds het land Kanaän bewoond.
Hertaald:deze zijn vanouds geweest
Namelijk: de Gesurieten en Girzieten. Dezen hebben eerder het land Kanaän bewoond.
des lands
Te weten, van het Joodse land, beide aan deze en gene zijde der Jordaan.
Hertaald:des lands
Namelijk: van het Joodse land, zowel aan deze als aan de overkant van de Jordaan.
1 Samuël 27 vers 9— En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.
land,
Dat is, de inwoners des lands. Dit nu moet verstaan worden van al de Amalekieten, die hij daar vond, welken God bevolen had uit te roeien, Ex. 17:14; Deut. 25:19, en 1 Sam. 15:3.
Hertaald:land,
Dat is: de inwoners van het land. Dit moet begrepen worden als alle Amalekieten die hij daar aantrof, die God bevolen had uit te roeien, Ex. 17:14; Deut. 25:19, en 1 Sam. 15:3.
en liet noch man noch vrouw leven;
Dit deed hij daarom, opdat zij hem niet zouden verklappen bij de Filistijnen, welken hij zocht wijs te maken dat hij in het land de Israëlieten gevallen was.
Hertaald:en liet noch man noch vrouw leven;
Dit deed hij zodat zij hem niet zouden verraden bij de Filistijnen, aan wie hij wilde doen geloven dat hij het land van de Israëlieten was binnengevallen.
1 Samuël 27 vers 10— Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
Tegen het zuiden van Juda,
Maar niet in het land Juda, gelijk Achis dat verstond en ook David scheen te zeggen; maar David is gevallen in die landen, die daaraan paalden, te weten, in het land der Amalekieten en van hun naburen en alzo heeft David den koning Achis, uit menselijke zwakheid, bedrogen door dubbelzinnige woorden.
Hertaald:Tegen het zuiden van Juda,
Maar niet in het land Juda, zoals Achis het opvatte en David ook leek te zeggen; maar David was in de gebieden geweest die daaraan grensden, namelijk in het land van de Amalekieten en van hun buren, en zo heeft David koning Achis, uit menselijke zwakheid, met dubbelzinnige woorden bedrogen.
der Jerahmeëlieten,
Deze waren inwoners van het land Juda, nakomelingen van Hezron, 1 Kron. 2:9, 1 Kron. 2:25.
Hertaald:der Jerahmeëlieten,
Dezen waren inwoners van het land Juda, nakomelingen van Hezron, 1 Kron. 2:9, 1 Kron. 2:25.
der Kenieten
Dezen waren de nakomelingen van Jethro, den schoonvader van Mozes. Zie de aantekeningen Richt. 1:16.
Hertaald:der Kenieten
Dezen waren de nakomelingen van Jethro, de schoonvader van Mozes. Zie de aantekeningen bij Richt. 1:16.
1 Samuël 27 vers 11— En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.
David liet noch man noch vrouw leven,
Dit deed David daarom, opdat niemand tijding aan Achis brengen zou, gelijk straks gezegd wordt. Doch zo lag ook Ziklag zo ver van Gath, dat ook derhalve de tijding hiervan niet haast aan Achis kon gebracht worden. Ondertussen voerde David de wraak van God uit over deze verbannen volken.
Hertaald:David liet noch man noch vrouw leven,
Dit deed David omdat hij niet wilde dat iemand aan Achis nieuws zou brengen, zoals hierna gezegd wordt. Overigens lag Ziklag zo ver van Gath dat het bericht hierover ook daarom niet snel bij Achis kon komen. Ondertussen voerde David de wraak van God uit over deze verboden volken.
zeggende
Dat is, bij zichzelven denkende.
Hertaald:zeggende
Dat is: bij zichzelf denkend.
Dat zij misschien van ons niet boodschappen,
Versta hierbij: Ik moet wel toezien.
Hertaald:Dat zij misschien van ons niet boodschappen,
Versta hierbij: ik moet wel oppassen.
1 Samuël 27 vers 12— En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
zeggende
Te weten, bij zichzelven.
Hertaald:zeggende
Namelijk: bij zichzelf.
ten enenmaal stinkende gemaakt
Hebreeuws, stinkende makende stinkende gemaakt; dat is, zo stinkende, gehaat en verachtzaam gemaakt, dat zijn eigen volk hem niet kan verdragen. Zie de aantekeningen Gen. 34:30.
Hertaald:ten enenmaal stinkende gemaakt
Hebreeuws: stinkende makende stinkende gemaakt; dat is: zo gehaat en verafschuwd gemaakt dat zelfs zijn eigen volk hem niet kan verdragen. Zie de aantekeningen bij Gen. 34:30.
eeuwiglijk
Dat is, altoos, of zijn levenlang.
Hertaald:eeuwiglijk
Dat is: altijd, of zijn hele leven.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Ahinoam — broeder van liefelijkheid, of: mijn broeder is lieflijk
De dochter van Ahimaäz en vrouw van koning Saul, moeder van onder anderen Jonathan en van Sauls dochters Merab en Michal (1 Sam. 14:50).
David — beminde
De jongste zoon van Isaï, herder over zijn vaders schapen, door Samuël in het geheim tot koning gezalfd nadat Saul door de HEERE verworpen was (1 Sam. 16:1-13). Zijn spel op de harp bracht Saul verlichting van de boze geest die hem kwelde (1 Sam. 16:14-23). Hij zou uitgroeien tot Israëls grootste koning, en in zijn geslachtslijn zou uiteindelijk de Heere Jezus Christus geboren worden.
Nabal — dwaas
Een rijke man uit Maon met bezittingen bij Karmel, 'hard en boosaardig van daden' (1 Sam. 25:2-3). Toen David hem, na zijn mannen bescherming geboden te hebben aan Nabals kudden, om levensmiddelen liet vragen, wees Nabal dit grof af. David trok woedend op om hem te doden, totdat Nabals vrouw Abigaïl hem met geschenken en wijze woorden tot bedaren bracht. Tien dagen later trof de HEERE Nabal, en hij stierf (1 Sam. 25:36-38).
Abigaïl — mijn vader is vreugde
De verstandige en schone vrouw van de dwaze Nabal. Toen haar man David beledigde en daarmee zijn en zijn hele huis' leven in gevaar bracht, ging zij hem zonder Nabals medeweten tegemoet met geschenken, wist Davids toorn te bedaren en hield hem af van bloedvergieten (1 Sam. 25:14-35). Na Nabals dood door Gods hand nam David haar tot vrouw (1 Sam. 25:39-42).
Achis — onbekende betekenis, mogelijk: toornig
De Filistijnse koning van Gath, bij wie David tot tweemaal toe zijn toevlucht zocht voor Saul (1 Sam. 21:10-15; 27:1-12). De tweede keer vertrouwde Achis David zozeer, dat hij hem de stad Ziklag gaf om te bewonen, van waaruit David zonder Achis' medeweten tegen omliggende vijandelijke volken streed.
Saul — gebeden, verzocht
De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Davids toevlucht bij de Filistijnen — moedeloos denkend "Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen", vlucht David naar Achis, koning van Gath, en woont een jaar en vier maanden in het land der Filistijnen, terwijl hij zijn gastheer misleidt over wie hij daadwerkelijk overvalt (1 Sam. 27:1-12)
David overweegt, zonder dat de tekst vermeldt dat hij eerst de HEERE raadpleegt: "Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen" (1 Sam. 27:1). Achis geeft hem de stad Ziklag (1 Sam. 27:2-6). Vandaar onderneemt David strooptochten tegen omliggende volken, maar laat, om zijn ware doelwitten geheim te houden voor Achis, niemand in leven om te kunnen berichten — en misleidt Achis met de suggestie dat hij Juda zelf overvalt (1 Sam. 27:8-11). Achis vertrouwt hem volledig: "Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn" (1 Sam. 27:12).
Bijbelse betekenis: Dit hoofdstuk laat een andere kant van David zien dan de vorige: geen raadpleging van de HEERE, geen openlijk vertrouwen, maar een periode van vermoeide zelfredzaamheid en misleiding. De tekst veroordeelt dit niet met een uitdrukkelijk woord, maar registreert het evenmin als voorbeeldig — in schril contrast met Davids eerdere gewoonte om bij elke beslissing de HEERE te vragen. Zelfs een man naar Gods hart kent periodes waarin de vervolging hem meer op eigen overleving dan op God doet vertrouwen.
Typologie: Dezelfde genade die een gelovige juist in zijn zwakheid draagt, ervoer Paulus: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone" (2 Kor. 12:9).
1 Samuël 27:1.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→Klaagliederen 3:26→Spreuken 13:12→Jesaja 51:12→1 Samuël 28:1→1 Samuël 16:13→ — David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. David kon zijn vinger op geen enkele aantekening in zijn dagboek leggen en daarvan zeggen: “Hier is een bewijs dat God mij verlaten zal.” Wanneer hij terugzag op heel zijn leven — van de tijd dat hij de schapen van zijn vader hoedde en de leeuw en de beer doodde, tot de dag dat hij de Filistijn tartte, en tot op dit ogenblik waarop hij pas aan zijn bloeddorstige vervolger ontkomen was — kon hij geen enkel feit vinden dat een bewijs zou zijn dat God van gedachten veranderd was en Zijn gezalfde in de handen van zijn wrede vijand zou laten vallen.
Ik tart hemel en aarde en hel om enig bewijs bij te brengen dat God onwaarachtig is. Uit de diepten der hel roep ik de boze geesten, en van deze aarde roep ik de beproefde en verdrukte gelovigen, en tot de hemel wend ik mij en tart ik de lange ervaring van de door bloed gewassen schare — en in de drie gebieden is er niet één te vinden die getuigenis kan geven van een feit dat de goedheid van God zou weerspreken of Zijn recht om door Zijn dienstknechten vertrouwd te worden zou verzwakken.
Wat wij van onze getrouwe God gekend hebben, dient om te tonen dat Hij ons tot het einde toe bewaren zal, en dat Hij zelfs tot het laatste onze Helper zal zijn.
I. Vs. 1-7.Kruisverwijzingen1 Samuël 29:3→1 Samuël 25:13→1 Samuël 25:42→Nehemia 11:28→Jozua 15:31→1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→ — David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath. En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag. Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden. David, vrezende nog tenslotte in de handen van Saul te vallen, verlaat met de zijnen het vaderland en begeeft zich tot de koning van de Filistijnen, tot Achis van Gath; van hem ontvangt hij op zijn bede een eigen stad tot woonplaats, namelijk Ziklag in het zuiden van Juda. Hij vertoeft 1 jaar en 4 maanden in het land van de Filistijnen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→Klaagliederen 3:26→Spreuken 13:12→Jesaja 51:12→1 Samuël 28:1→1 Samuël 16:13→— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
David nu zei, hoewel hij voor het ogenblik van het najagen door zijn vervolger weer vrij geworden was (26: 25), in zijn hart, omdat hij de veranderlijkheid van de koning en de invloed, die de lasteraars op hem uitoefenden, kende: Nu zal ik nog een van de dagen door Sauls hand omkomen, 1) wanneer ik langer in het land blijf; mij is niet beter, dan dat ik haastig ontkom in het land van de Filistijnen opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in het gehele gebied van Israël, zo zal ik ontkomen uit zijn hand, 2) want de Filistijnen, die steeds in strijd met Israël zijn, zullen mij aan hem niet uitleveren.
Er is groter gevaar, wanneer onze vijanden vriendelijk zijn en zich schijnbaar met ons verzoend hebben, dan wanneer zij openlijk tegen ons opstaan.
Is dit diezelfde man, die nog kort tevoren de spies en waterfles uit Sauls tent heeft gehaald? Het is dezelfde man, maar waar wij hem toen zagen op de hoogte van het geloof, daar aanschouwen wij hem hier als verzonken in de moerassen van twijfel en kleingeloof. David in zijn grootheid en kleinheid is voor ons een beeld van de gelovige, hetzij de genade hem ondersteunt, hetzij deze haar gevoelige invloeden niet doet ervaren.
Kruisverwijzingen1 Samuël 21:10→1 Samuël 25:13→1 Koningen 2:39→1 Samuël 30:8→— Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
Hieruit blijkt deels, hoe de godvruchtigsten zelfs aan grote zwakheden onderworpen zijn, en hoe nodig het is, dat men Gods genade en Zijn bescherming en hulp dagelijks, ja, gedurig zoekt; deels, hoe God hierdoor Zijn eigen raad volbrengen wilde in David af te trekken van de Israëlieten, opdat Saul met hen zou vallen, door de hand van de Filistijnen, zonder dat men David iets kon verwijten, vermits hij op die tijd afwezig was en in ballingschap.
Toen maakte zich David op, zonder vooraf door de hogepriester of een profeet (22: 5) God om raad te vragen, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, de zoon van Maoch (= verdrukking) of Maächa (1 Koningen .2: 39), de koning van Gath, dezelfde, tot wie hij reeds vroeger zijn toevlucht genomen had (21: 10), want sedert die tijd waren er 8 jaar verlopen, en Achis was toen reeds geneigd geweest, hem bij zich te behouden, hadden zijn hovelingen hem niet opgezet. Het was niets anders, dan het ontvluchten van zijn kruis, dat David tot deze stap bewoog, hij was dat dag en nacht rusteloos voortgezet omzwerven moe en verlangde naar meer rustige en stille dagen. Dit ontvluchten van zijn kruis ontstond weer uit gebrek aan vertrouwen op de Heere en uit kleingeloof; zijn geloof was niet te vergelijken met de helderen glans van de dag, maar slechts met het morgenlicht, dat nog met duisternis vermengd is. En welke trouwe navolgers heeft David aan ons in het ontvluchten en schuwen van het kruis? Ieder mens is een tegenzin tegen kruis en lijden aangeboren; hij wil slechts altijd genieten, zich verheugen, overvloed hebben en gelukkig zijn, en meent, dat dit alleen “leven” kan heten. Komen dan dagen, die aan vlees en bloed niet bevallen, zo zoekt hij de last af te schudden en zijn macht te bestrijden; of, wanneer dit onmogelijk is, die tenminste te ontvluchten. Dwaze mensen! het kruis is een genade van God en gij werpt God Zijn gave voor de voeten en wilt haar niet? Het kruis komt van de hemel en leidt naar de hemel en gij wilt liever met uw denken en genieten op aarde blijven? Het kruis weet u overal te vinden, het gaat u na, waar gij ook gaat, ook over bergen en rivieren en zeeën: geen plaats is zo ver, waar het u niet bereiken kan; en gij beeldt u in, het te kunnen ontvluchten? O vlucht niet, staat stil voor de Heere: ge vlucht slechts van kleiner in groter lijden en uit uiterlijke nood in innerlijke verzoeking. Wij kunnen met zeggen, dat David tegen de duidelijke aanwijzing van de Heere heeft gehandeld, toen hij opnieuw naar Gath uitweek. Zijn handelwijze bleef eigenmachtig en was de vrucht van ongeloof en gemis aan geloofsvertrouwen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 25:42→1 Samuël 30:3→1 Samuël 30:5→1 Samuël 25:18→1 Samuël 25:3→— En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
En David bleef 1) bij Achis die hem gastvrij in zijn hoofdstad opnam, te Gath, hij en zijn mannen, een ieder met zijn huis, met zijn familie; David met zijn beide vrouwen (25: 42vv.)Ahinoam, de Jizreëlitische, en Abigaïl de vrouw van Nabal, de Karmelitische.
Waar hier gezegd wordt, dat David blijft bij Achis te Gath, hij zelf en zijn mannen, zijn huis en zijn twee vrouwen, daaruit blijkt tevens de verwonderlijke genade van God, die de harten van de Filistijnen gebogen heeft, opdat zij David en de zijnen vriendelijk zouden ontvangen. Het is toch niet waarschijnlijk, dat zij vergeten hadden, het lied, dat door de meisjes en de vrouwen was gezongen: dat Saul zijn duizenden, maar David zijn tienduizenden had verslagen, en genoeg hadden zij het kunnen weten, welke verliezen David hun had toegebracht. En daarom kon het niet anders, of zij hadden zware grieven tegen hem en hem liever duizend zwaarden op de keel gezet. Waarom wij moeten erkennen, dat het een daad is van de Goddelijke Voorzienigheid, dat David bij die mensen genade heeft gevonden, die alle liever vreselijk tegen hem hadden gewoed. Maar dit doet de Heilige Schrift dikwijls uitkomen, dat God de harten van de mensen buigt naar Zijn wil, en wel die van de goddelozen, en alzo de toorn van de leeuwen zo breekt, dat zij in lammeren worden veranderd niet wel zo, dat zij voor altijd hun natuur veranderen, maar meer, dat Hij hun woede en toorn tegen de Zijnen tempert en bedwingt.
Kruisverwijzingen2 Korinthe 6:17→Genesis 46:34→— En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?
En David zei tot Achis, nadat hij enige tijd met de zijnen te Gath vertoeft had, en zich daar hoe langer hoe meer benauwd voelde, het meest, omdat hij zijn godsdienst niet ongestoord kon uitoefenen (26: 19), deels ook, omdat de medevorsten van Achis hem met wantrouwende ogen aanzagen (29: 3vv.): Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de kleinere steden van het land, dat ik daar woon: want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen, 1) hoe kan ik, die uw knecht ben, als een tweede koning naast u hier blijven?
Om Achis gemakkelijk te kunnen bewegen, aan zijn wens te voldoen, stelt David het voor, dat het is om het belang van de koning zelf. Dit was natuurlijk ook zo. Het was voor Achis eerder een last dan een genot David met 600 man bij zich te hebben. David verbergt echter het ware doel. Het was hem te eng in Gath. Hij kon er de Heere niet dienen, zoals hij dit wenste en moest ieder ogenblik vrezen, dat de gezindheid van de koning ten ongunste zou veranderen, op aanblazen van zijn hovelingen. Want al was Achis hem gunstig, de hovelingen niet, zoals duidelijk genoeg blijkt uit het vervolg van de geschiedenis. Woonde David nu in een besloten stad, dan kon hij op tegenweer bedacht zijn en zich met de zijnen tegen een onverhoedse aanval verdedigen. Ook nu neigt God het hart van de koning, om Zijn knecht ter wille te zijn.
KruisverwijzingenNehemia 11:28→Jozua 15:31→1 Samuël 30:1→2 Samuël 1:1→1 Samuël 30:14→1 Kronieken 12:1→1 Kronieken 12:20→1 Samuël 19:5→— Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
Toen gaf hem Achis, die misschien vreesde, dat zijn koninklijk aanzien zou lijden, als David langer bij hem bleef, op die dag Ziklag, 1) (= uitstorting van een fontein); daarom, ten gevolge van deze schenking, is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
Ziklag lag in het westelijk gedeelte van het zuiden van het land van de Filistijnen: nauwkeuriger is de ligging niet te bepalen (Joz.15: 31). Oorspronkelijk behoorde zij tot de stam Simeon (Joz.19: 5). De Filistijnen hadden haar kort geleden veroverd, nu was zij door de bewoners verlaten. Deze stad ontving David niet slechts als woonplaats, maar als een blijvend bezit, omdat Achis die held aan zich wilde verbinden.
Kruisverwijzingen1 Samuël 29:3→— Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, tot hij na Sauls dood naar Hebron verhuisde en daar koning over Juda werd (2 Samuel .2: 1vv.), was één jaar en vier maanden. Gedurende deze tijd liepen altijd meerdere dappere en aanzienlijke mannen uit de verschillende stammen van Israël tot hem over, zelfs van Sauls bloedverwanten, zoals ons in 1 Kronieken 12 vermeld wordt. Zijn leger werd daar hoe langer hoe meer een eigenlijk leger van God (1 Kronieken 12: 22). Wat werkelijk een Israëlitisch hart had maakte zich van het onder Saul steeds zieker geworden staatslichaam los en nam de toevlucht tot David. Terwijl toch het gehele volksbestaan van Israël dreigde teniet te gaan door uiterlijke en innerlijke vijanden, droeg David de kracht van het volksbewustzijn zo krachtig en rein in zich, dat men mocht vertrouwen, dat hij de vervallen gemeente zou herstellen en tot een nieuwe trap van grootheid en heerlijkheid zou verheffen.
II. Vs. 8-12.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:7→Jozua 13:2→Richteren 1:16→Jozua 13:13→1 Samuël 15:3→1 Kronieken 2:25→1 Kronieken 2:9→Jozua 16:10→ — David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland. En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis. Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten. En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft. En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn. Van Ziklag onderneemt David met zijn mannen verschillende strijdtochten tegen de volksstammen, die tegen Israël vijandig zijn en aan het zuiden van Kanaän grenzen; hij maakt rijke buit. Tegen Achis houdt hij zich, alsof hij tegen zijn eigen stamgenoten en hun bondgenoten streed om vertrouwen en gunst hij de koning te verwerven. Opdat deze niet door vluchtelingen de ware stand van zaken vernemen zou, doodt hij mannen en vrouwen onder de beoorloogde volken, een ieder, die hem in handen valt.
Kruisverwijzingen1 Samuël 15:7→Jozua 13:2→Jozua 13:13→Jozua 16:10→Richteren 1:29→1 Samuël 30:1→2 Samuël 14:32→2 Samuël 14:23→— David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
David nu trok van Ziklag op met zijn mannen naar de in het zuiden aan Palestina grenzende woestijn, en zij overvielen de Gesurieten (Joz.13: 2), niet te verwisselen met zij, die in het noordoosten van Palestina (Deuteronomium 8: 14 Joz.12: 5; 13: 11,13) wonen, en tegen de Girzieten, waarschijnlijk dezelfde als de in 2 Makk.13: 24 genoemde Gerrenen, bewoners van de stad Gerra, tussen Rhinocolura en Pelusium, en tegen de Amalekieten, die bij de vernietiging van Amalek door Saul (15: 7) nog overgebleven waren, (want deze zijn van ouds geweest de inwoners van het land), omdat gij gaat naar Sur en tot aan Egypte: deze volken woonden in de landstreken, die aan de weg naar Sur tot aan Egypte grensden en hadden misschien volgens hun plunderzieke aard een inval gedaan in het aan David onderworpen gebied.
Kruisverwijzingen1 Samuël 15:3→Jozua 6:21→Exodus 15:22→Genesis 25:18→1 Samuël 15:7→Genesis 16:7→Deuteronomium 25:17→— En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.
En David sloeg dat land, en liet om wijze redenen (vs.11vv.), van degenen, die in zijn handen vielen, noch man noch vrouw leven; ook nam hij van de kudden van deze bedoeïenen de schapen en runderen, en de ezels en kamelen en kleren 1) als buit, en keerde terug naar het land van de Filistijnen en kwam tot Achis om de koning van alles bericht te geven, vóórdat hij door anderen daarvan vernam, en wist de zaak zo om te keren, dat Achis zou menen, dat de uit Israël verbannene werkelijk een vijand van zijn volk was geworden en de Filistijnen hielp om het te beoorlogen. Hem lag er toch veel aan gelegen, dat Achis hem vertrouwde, opdat deze hem niet weer uit zijn land zou verdrijven en hij opnieuw aan de vervolgingen van Saul zou blootstaan.
Dat David een verdelgingsstrijd voerde tegen de stammen, die in vs.8 worden opgesomd, is om het doel, dat hij daarmee had (vs.11), beide uit een godsdienstig en een zedelijk oogpunt, ten zeerste te veroordelen. Men zie evenwel niet voorbij, dat deze volken onder de ban lagen.
Al wordt het ons niet meegedeeld, toch mogen wij het ervoor houden, dat deze nomadenvolken Israël dikwijls benauwd hadden, en dat daarom David hen strafte, omdat zij ook onder de ban van God lagen. Dat hij het echter doet voorkomen, dat hij tegen Israël gestreden heeft, is zeer verkeerd, èn met de waarheid, èn daarom met de vrees voor God in strijd.
KruisverwijzingenRichteren 1:16→1 Kronieken 2:25→1 Kronieken 2:9→1 Samuël 30:29→Richteren 4:11→1 Samuël 15:6→1 Samuël 23:27→Spreuken 29:25→— Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
Dergelijke tochten ondernam hij ook verder en hij bracht aan Achis geschenken van de buit. Toen Achis, die gewoon was uit David’s mond, zo dikwijls hij kwam, bericht van een onderneming te ontvangen, dan zei: Waar zijt gij heden ingevallen? zo zei David gewoonlijk, als de eerste maal (vs.8vv.): Tegen het zuiden van Juda (Joz.15: 21-32 vgl. 19: 1-9) en tegen het zuiden van het tot deze stam behorende geslacht van de Jerahmeëlieten, nakomelingen van Jerahmeël (= hij zal barmhartigheid van God verkrijgen) de eerstgeboren zoon van Hezron (1 Kronieken 2: 9, 25vv. vgl. “2 Samuel 7: 1), en tegen het zuiden van de Kenieten,
de bondgenoten van Juda (1 Samuel .15: 6).
Dat David, door Achis ondervraagd vanwaar hij de buit heeft gehaald, antwoordt uit het zuiden van Juda, daarom is hij te veroordelen, welke schuld echter God hem vergeven heeft, terwijl het voor Hem geen verhindering is geweest om hem Zijne genade te schenken. Laten wij hieruit leren dat, ofschoon wij aan het een of andere zwak zijn lijdende, en wij niet zo volmaakt zijn, als wij moesten zijn, God echter op ons neerziet en zich over ons ontfermt, maar laten wij ondertussen ons ervoor wachten, David zodanig na te volgen, zoals vele mensen wel gewoon zijn, hun gebreken met diens voorbeeld te dekken, zeggende: God heeft ook wel de zondigende David gedragen, waarom zou Hij dan met ons onredelijker handelen? En daaruit nemen zij gelegenheid om aan hun ondeugden toe te geven. Laten wij veeleer erkennen, hoe groot de zwakheid van de mensen is, die overeenkomstig hun krachten, hun ijver op de deugden richten, en niettemin echter in vele zeer dikwijls te kort komen. David nu heeft nooit zo’n ongebreideld verlangen gekoesterd, dat hij begeerde van de gehoorzaamheid aan God ontslagen te zijn, maar daarentegen heeft hij zich met alle ijver daarop toegelegd. Ondertussen is hij echter in zo grote moeilijkheid gebracht, dat hij niet vermocht staande te blijven. Indien nu dit gebeurde met zo groot een man, die in zoveel dingen helder uitblonk, wat, bid ik u, kan dan ons armen niet overkomen?.
KruisverwijzingenGenesis 34:30→1 Samuël 13:4→— En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
En Achis, door die berichten misleid, geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten ene maal, volkomen, stinkende, gehaat gemaakt bij zijn volk, in Israël, omdat hij het zo veel schade doet, daarom zal hij, omdat hij nooit in zijn vaderland kan terugkeren of men zou hem ombrengen, eeuwig mij tot een knecht tot een vazal zijn, wiens krijgsmansmoed en kennis mij te pas zullen komen. Hoezeer David door zijn vlucht naar de Filistijnen uit kleiner lijden in groter, uit uiterlijke nood in innerlijke verzoeking raakte (1 Samuel 27: 2), blijkt hier duidelijk; hij moest tegenover Achis een valse rol spelen om zijn gunst te blijven genieten. “Zo gebeurt het, dat edele mensen door zelfverblinding dingen doen, waarvan men zeggen moet: “het is onbegrijpelijk, hoe zij dit met hun geweten kunnen overeenbrengen!” En toch doen wij op onze beurt zulke dingen, al is het niet op zo grote schaal als David. Maar het was niet de rechte, koninklijke weg, het waren kromme wegen, die David wel met God, maar God niet met David wilde bewandelen.
Ware hij in Juda gebleven (volgens het bevel van de Heere in 22: 5), dat alles was niet gebeurd. Omdat hij uit vrees voor lijden eigen wegen koos en uit de school van de Heere wilde lopen, kwam hij onder de aartsvijanden van zijn volk in het grootste gedrang, en wist hij zich niet anders te redden, dan door dubbelzinnige antwoorden, door veinzerij en onoprechtheid; had hij nu zijn kwaad niet erger gemaakt? In Juda had hij slechts een vijand, Saul, onder het volk echter enkel vrienden; hier wordt hij met de zijnen door enkel vijanden bespied. In Juda was hij slechts in gevaar, het met één te bederven; hier daarentegen kon hij, o zo makkelijk, zich allen tot vijanden maken. In Juda hield hij zijn geweten rein en zijn geloof vrij; te Ziklag daarentegen zweefde hij in bestendige verzoekingen en in strijd tussen de liefde tot zijn volk en de dankbaarheid aan Achis, die hem reddend en beschermend had opgenomen. En wat zou het eindelijk worden, wanneer een nieuwe strijd tussen Israël en de Filistijnen uitbrak, zoals dit zo goed mogelijk en bij de haat van beide volken tegen elkaar zeer waarschijnlijk was? Wat daarvan worden kon zal de verdere geschiedenis ons leren (29: 1vv.). De wonderbaar genadige leidingen van God hebben echter David’s hart niet verhard tot zonde, en Saul de vrees ontnomen (1 Samuel 14: 46), maar integendeel door de ontferming van zijn God, die hem in zijn zwakheid droeg, is hij gekastijd, en dit heeft die haat tegen de leugen, dat verlangen naar waarheid in hem opgewekt, dat wij zo dikwijls uit zijn mond horen (Psalm 32: 2; 51: 8; 63: 12; 139: 23vv.; 1 Kronieken 29: 17 Daarom kon nu ook de tijd spoedig komen, dat er aan zijn lijden een einde en hij werkelijk in het bezit van de koningskroon kwam. Omdat wij hier aan de drempel van deze gebeurtenissen staan, letten wij op het onderscheid tussen die beide eerste koningen van Israël, om te zien welk onderscheid er is tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen hem die God dient en hem die Hem niet dient (Mal.3: 18). “Saul was wel goed begonnen, en het stond aan hem, naar de mens gesproken, zijn roeping en verkiezing vast te maken, maar Saul deed het niet, zijn regering lijkt op een bloem, die zich spoedig opent en, door de vorst geraakt, begint te verwelken, totdat zij eindelijk geheel versterft. Evenals zijn naam (de geëiste) zijn gehele geschiedenis bevat (deze koning was niet door Gods genade geschonken, het volk had hem afgeperst) zo is het ook bij David het geval. Zijn naam is “de geliefde”, want hij is de man naar Gods hart, de koning door Gods genade, die de Heere eerst heeft opgevoed en door een lange school tot heerser gevormd.” Wanneer zo Sauls koningschap van begin af aan op menselijk ongeduld en eigen werk rust, evenals de geboorte van Ismaël ten gevolge van menselijke zwakheid was (Genesis16), en het deze oorsprong niet verloochende, maar zijn onreine natuur steeds meer ontwikkelde, totdat het eindelijk vernietigd werd, terwijl het koninkrijk van David dat van de belofte is en aan Izaak gelijk, de zoon van de vrije (Genesis21), zo behoeven wij ons niet te verwonderen, dat David door Saul vervolgd is evenals in zijn tijd de naar het vlees geboren vervolgde degene, die naar de Geest geboren was (Gal.4: 21vv.). Er zijn enige zaken in de geschiedenis van het rijk van God, die zich gedurig herhalen en herhalen moeten.
Wat een menigte van zonden is het gevolg van het ongeloof! Wanneer wij de van God ontvangen weldaden vergeten en Zijn genadige beloften, wij zullen vervuld worden met wanhopige vrees en dien ten gevolge genoodzaakt worden verlagende middelen aan te grijpen om uit onze ellende te komen. Zijn zij er niet, die in angstige bezorgdheid voor hun eigen behoud en dat van hun betrekkingen, zeer schadelijke verbintenissen met godsdienstlozen gemaakt hebben, en zo van de ene ongerijmdheid tot de andere zijn voortgegaan? Niets kan ons zozeer bevestigen in godvruchtige gevoelens en daden en ons voor ongevallen bewaren, als een vast, onwankelbaar vertrouwen op de beloften van God in Christus Jezus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Ik tart hemel en aarde en hel om enig bewijs bij te brengen dat God onwaarachtig is.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
1 Samuël 27
1 Samuël 27:1.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→Klaagliederen 3:26→Spreuken 13:12→Jesaja 51:12→1 Samuël 28:1→1 Samuël 16:13→
— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
David kon zijn vinger op geen enkele aantekening in zijn dagboek leggen en daarvan zeggen: “Hier is een bewijs dat God mij verlaten zal.” Wanneer hij terugzag op heel zijn leven — van de tijd dat hij de schapen van zijn vader hoedde en de leeuw en de beer doodde, tot de dag dat hij de Filistijn tartte, en tot op dit ogenblik waarop hij pas aan zijn bloeddorstige vervolger ontkomen was — kon hij geen enkel feit vinden dat een bewijs zou zijn dat God van gedachten veranderd was en Zijn gezalfde in de handen van zijn wrede vijand zou laten vallen.
Ik tart hemel en aarde en hel om enig bewijs bij te brengen dat God onwaarachtig is. Uit de diepten der hel roep ik de boze geesten, en van deze aarde roep ik de beproefde en verdrukte gelovigen, en tot de hemel wend ik mij en tart ik de lange ervaring van de door bloed gewassen schare — en in de drie gebieden is er niet één te vinden die getuigenis kan geven van een feit dat de goedheid van God zou weerspreken of Zijn recht om door Zijn dienstknechten vertrouwd te worden zou verzwakken.
Wat wij van onze getrouwe God gekend hebben, dient om te tonen dat Hij ons tot het einde toe bewaren zal, en dat Hij zelfs tot het laatste onze Helper zal zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-7.Kruisverwijzingen1 Samuël 29:3→1 Samuël 25:13→1 Samuël 25:42→Nehemia 11:28→Jozua 15:31→1 Samuël 16:1→1 Samuël 21:10→Spreuken 3:5→
— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath. En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag. Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
David, vrezende nog tenslotte in de handen van Saul te vallen, verlaat met de zijnen het vaderland en begeeft zich tot de koning van de Filistijnen, tot Achis van Gath; van hem ontvangt hij op zijn bede een eigen stad tot woonplaats, namelijk Ziklag in het zuiden van Juda. Hij vertoeft 1 jaar en 4 maanden in het land van de Filistijnen.
David nu zei, hoewel hij voor het ogenblik van het najagen door zijn vervolger weer vrij geworden was (26: 25), in zijn hart, omdat hij de veranderlijkheid van de koning en de invloed, die de lasteraars op hem uitoefenden, kende: Nu zal ik nog een van de dagen door Sauls hand omkomen, 1) wanneer ik langer in het land blijf; mij is niet beter, dan dat ik haastig ontkom in het land van de Filistijnen opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in het gehele gebied van Israël, zo zal ik ontkomen uit zijn hand, 2) want de Filistijnen, die steeds in strijd met Israël zijn, zullen mij aan hem niet uitleveren.
Er is groter gevaar, wanneer onze vijanden vriendelijk zijn en zich schijnbaar met ons verzoend hebben, dan wanneer zij openlijk tegen ons opstaan.
Is dit diezelfde man, die nog kort tevoren de spies en waterfles uit Sauls tent heeft gehaald? Het is dezelfde man, maar waar wij hem toen zagen op de hoogte van het geloof, daar aanschouwen wij hem hier als verzonken in de moerassen van twijfel en kleingeloof. David in zijn grootheid en kleinheid is voor ons een beeld van de gelovige, hetzij de genade hem ondersteunt, hetzij deze haar gevoelige invloeden niet doet ervaren.
Hieruit blijkt deels, hoe de godvruchtigsten zelfs aan grote zwakheden onderworpen zijn, en hoe nodig het is, dat men Gods genade en Zijn bescherming en hulp dagelijks, ja, gedurig zoekt; deels, hoe God hierdoor Zijn eigen raad volbrengen wilde in David af te trekken van de Israëlieten, opdat Saul met hen zou vallen, door de hand van de Filistijnen, zonder dat men David iets kon verwijten, vermits hij op die tijd afwezig was en in ballingschap.
Toen maakte zich David op, zonder vooraf door de hogepriester of een profeet (22: 5) God om raad te vragen, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, de zoon van Maoch (= verdrukking) of Maächa (1 Koningen .2: 39), de koning van Gath, dezelfde, tot wie hij reeds vroeger zijn toevlucht genomen had (21: 10), want sedert die tijd waren er 8 jaar verlopen, en Achis was toen reeds geneigd geweest, hem bij zich te behouden, hadden zijn hovelingen hem niet opgezet. Het was niets anders, dan het ontvluchten van zijn kruis, dat David tot deze stap bewoog, hij was dat dag en nacht rusteloos voortgezet omzwerven moe en verlangde naar meer rustige en stille dagen. Dit ontvluchten van zijn kruis ontstond weer uit gebrek aan vertrouwen op de Heere en uit kleingeloof; zijn geloof was niet te vergelijken met de helderen glans van de dag, maar slechts met het morgenlicht, dat nog met duisternis vermengd is. En welke trouwe navolgers heeft David aan ons in het ontvluchten en schuwen van het kruis? Ieder mens is een tegenzin tegen kruis en lijden aangeboren; hij wil slechts altijd genieten, zich verheugen, overvloed hebben en gelukkig zijn, en meent, dat dit alleen “leven” kan heten. Komen dan dagen, die aan vlees en bloed niet bevallen, zo zoekt hij de last af te schudden en zijn macht te bestrijden; of, wanneer dit onmogelijk is, die tenminste te ontvluchten. Dwaze mensen! het kruis is een genade van God en gij werpt God Zijn gave voor de voeten en wilt haar niet? Het kruis komt van de hemel en leidt naar de hemel en gij wilt liever met uw denken en genieten op aarde blijven? Het kruis weet u overal te vinden, het gaat u na, waar gij ook gaat, ook over bergen en rivieren en zeeën: geen plaats is zo ver, waar het u niet bereiken kan; en gij beeldt u in, het te kunnen ontvluchten? O vlucht niet, staat stil voor de Heere: ge vlucht slechts van kleiner in groter lijden en uit uiterlijke nood in innerlijke verzoeking. Wij kunnen met zeggen, dat David tegen de duidelijke aanwijzing van de Heere heeft gehandeld, toen hij opnieuw naar Gath uitweek. Zijn handelwijze bleef eigenmachtig en was de vrucht van ongeloof en gemis aan geloofsvertrouwen.
En David bleef 1) bij Achis die hem gastvrij in zijn hoofdstad opnam, te Gath, hij en zijn mannen, een ieder met zijn huis, met zijn familie; David met zijn beide vrouwen (25: 42vv.)Ahinoam, de Jizreëlitische, en Abigaïl de vrouw van Nabal, de Karmelitische.
Waar hier gezegd wordt, dat David blijft bij Achis te Gath, hij zelf en zijn mannen, zijn huis en zijn twee vrouwen, daaruit blijkt tevens de verwonderlijke genade van God, die de harten van de Filistijnen gebogen heeft, opdat zij David en de zijnen vriendelijk zouden ontvangen. Het is toch niet waarschijnlijk, dat zij vergeten hadden, het lied, dat door de meisjes en de vrouwen was gezongen: dat Saul zijn duizenden, maar David zijn tienduizenden had verslagen, en genoeg hadden zij het kunnen weten, welke verliezen David hun had toegebracht. En daarom kon het niet anders, of zij hadden zware grieven tegen hem en hem liever duizend zwaarden op de keel gezet. Waarom wij moeten erkennen, dat het een daad is van de Goddelijke Voorzienigheid, dat David bij die mensen genade heeft gevonden, die alle liever vreselijk tegen hem hadden gewoed. Maar dit doet de Heilige Schrift dikwijls uitkomen, dat God de harten van de mensen buigt naar Zijn wil, en wel die van de goddelozen, en alzo de toorn van de leeuwen zo breekt, dat zij in lammeren worden veranderd niet wel zo, dat zij voor altijd hun natuur veranderen, maar meer, dat Hij hun woede en toorn tegen de Zijnen tempert en bedwingt.
En David zei tot Achis, nadat hij enige tijd met de zijnen te Gath vertoeft had, en zich daar hoe langer hoe meer benauwd voelde, het meest, omdat hij zijn godsdienst niet ongestoord kon uitoefenen (26: 19), deels ook, omdat de medevorsten van Achis hem met wantrouwende ogen aanzagen (29: 3vv.): Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de kleinere steden van het land, dat ik daar woon: want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen, 1) hoe kan ik, die uw knecht ben, als een tweede koning naast u hier blijven?
Om Achis gemakkelijk te kunnen bewegen, aan zijn wens te voldoen, stelt David het voor, dat het is om het belang van de koning zelf. Dit was natuurlijk ook zo. Het was voor Achis eerder een last dan een genot David met 600 man bij zich te hebben. David verbergt echter het ware doel. Het was hem te eng in Gath. Hij kon er de Heere niet dienen, zoals hij dit wenste en moest ieder ogenblik vrezen, dat de gezindheid van de koning ten ongunste zou veranderen, op aanblazen van zijn hovelingen. Want al was Achis hem gunstig, de hovelingen niet, zoals duidelijk genoeg blijkt uit het vervolg van de geschiedenis. Woonde David nu in een besloten stad, dan kon hij op tegenweer bedacht zijn en zich met de zijnen tegen een onverhoedse aanval verdedigen. Ook nu neigt God het hart van de koning, om Zijn knecht ter wille te zijn.
Toen gaf hem Achis, die misschien vreesde, dat zijn koninklijk aanzien zou lijden, als David langer bij hem bleef, op die dag Ziklag, 1) (= uitstorting van een fontein); daarom, ten gevolge van deze schenking, is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
Ziklag lag in het westelijk gedeelte van het zuiden van het land van de Filistijnen: nauwkeuriger is de ligging niet te bepalen (Joz.15: 31). Oorspronkelijk behoorde zij tot de stam Simeon (Joz.19: 5). De Filistijnen hadden haar kort geleden veroverd, nu was zij door de bewoners verlaten. Deze stad ontving David niet slechts als woonplaats, maar als een blijvend bezit, omdat Achis die held aan zich wilde verbinden.
Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, tot hij na Sauls dood naar Hebron verhuisde en daar koning over Juda werd (2 Samuel .2: 1vv.), was één jaar en vier maanden. Gedurende deze tijd liepen altijd meerdere dappere en aanzienlijke mannen uit de verschillende stammen van Israël tot hem over, zelfs van Sauls bloedverwanten, zoals ons in 1 Kronieken 12 vermeld wordt. Zijn leger werd daar hoe langer hoe meer een eigenlijk leger van God (1 Kronieken 12: 22). Wat werkelijk een Israëlitisch hart had maakte zich van het onder Saul steeds zieker geworden staatslichaam los en nam de toevlucht tot David. Terwijl toch het gehele volksbestaan van Israël dreigde teniet te gaan door uiterlijke en innerlijke vijanden, droeg David de kracht van het volksbewustzijn zo krachtig en rein in zich, dat men mocht vertrouwen, dat hij de vervallen gemeente zou herstellen en tot een nieuwe trap van grootheid en heerlijkheid zou verheffen.
II. Vs. 8-12.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:7→Jozua 13:2→Richteren 1:16→Jozua 13:13→1 Samuël 15:3→1 Kronieken 2:25→1 Kronieken 2:9→Jozua 16:10→
— David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland. En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis. Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten. En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft. En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
Van Ziklag onderneemt David met zijn mannen verschillende strijdtochten tegen de volksstammen, die tegen Israël vijandig zijn en aan het zuiden van Kanaän grenzen; hij maakt rijke buit. Tegen Achis houdt hij zich, alsof hij tegen zijn eigen stamgenoten en hun bondgenoten streed om vertrouwen en gunst hij de koning te verwerven. Opdat deze niet door vluchtelingen de ware stand van zaken vernemen zou, doodt hij mannen en vrouwen onder de beoorloogde volken, een ieder, die hem in handen valt.
David nu trok van Ziklag op met zijn mannen naar de in het zuiden aan Palestina grenzende woestijn, en zij overvielen de Gesurieten (Joz.13: 2), niet te verwisselen met zij, die in het noordoosten van Palestina (Deuteronomium 8: 14 Joz.12: 5; 13: 11,13) wonen, en tegen de Girzieten, waarschijnlijk dezelfde als de in 2 Makk.13: 24 genoemde Gerrenen, bewoners van de stad Gerra, tussen Rhinocolura en Pelusium, en tegen de Amalekieten, die bij de vernietiging van Amalek door Saul (15: 7) nog overgebleven waren, (want deze zijn van ouds geweest de inwoners van het land), omdat gij gaat naar Sur en tot aan Egypte: deze volken woonden in de landstreken, die aan de weg naar Sur tot aan Egypte grensden en hadden misschien volgens hun plunderzieke aard een inval gedaan in het aan David onderworpen gebied.
En David sloeg dat land, en liet om wijze redenen (vs.11vv.), van degenen, die in zijn handen vielen, noch man noch vrouw leven; ook nam hij van de kudden van deze bedoeïenen de schapen en runderen, en de ezels en kamelen en kleren 1) als buit, en keerde terug naar het land van de Filistijnen en kwam tot Achis om de koning van alles bericht te geven, vóórdat hij door anderen daarvan vernam, en wist de zaak zo om te keren, dat Achis zou menen, dat de uit Israël verbannene werkelijk een vijand van zijn volk was geworden en de Filistijnen hielp om het te beoorlogen. Hem lag er toch veel aan gelegen, dat Achis hem vertrouwde, opdat deze hem niet weer uit zijn land zou verdrijven en hij opnieuw aan de vervolgingen van Saul zou blootstaan.
Dat David een verdelgingsstrijd voerde tegen de stammen, die in vs.8 worden opgesomd, is om het doel, dat hij daarmee had (vs.11), beide uit een godsdienstig en een zedelijk oogpunt, ten zeerste te veroordelen. Men zie evenwel niet voorbij, dat deze volken onder de ban lagen.
Al wordt het ons niet meegedeeld, toch mogen wij het ervoor houden, dat deze nomadenvolken Israël dikwijls benauwd hadden, en dat daarom David hen strafte, omdat zij ook onder de ban van God lagen. Dat hij het echter doet voorkomen, dat hij tegen Israël gestreden heeft, is zeer verkeerd, èn met de waarheid, èn daarom met de vrees voor God in strijd.
Dergelijke tochten ondernam hij ook verder en hij bracht aan Achis geschenken van de buit. Toen Achis, die gewoon was uit David’s mond, zo dikwijls hij kwam, bericht van een onderneming te ontvangen, dan zei: Waar zijt gij heden ingevallen? zo zei David gewoonlijk, als de eerste maal (vs.8vv.): Tegen het zuiden van Juda (Joz.15: 21-32 vgl. 19: 1-9) en tegen het zuiden van het tot deze stam behorende geslacht van de Jerahmeëlieten, nakomelingen van Jerahmeël (= hij zal barmhartigheid van God verkrijgen) de eerstgeboren zoon van Hezron (1 Kronieken 2: 9, 25vv. vgl. “2 Samuel 7: 1), en tegen het zuiden van de Kenieten,
de bondgenoten van Juda (1 Samuel .15: 6).
Dat David, door Achis ondervraagd vanwaar hij de buit heeft gehaald, antwoordt uit het zuiden van Juda, daarom is hij te veroordelen, welke schuld echter God hem vergeven heeft, terwijl het voor Hem geen verhindering is geweest om hem Zijne genade te schenken. Laten wij hieruit leren dat, ofschoon wij aan het een of andere zwak zijn lijdende, en wij niet zo volmaakt zijn, als wij moesten zijn, God echter op ons neerziet en zich over ons ontfermt, maar laten wij ondertussen ons ervoor wachten, David zodanig na te volgen, zoals vele mensen wel gewoon zijn, hun gebreken met diens voorbeeld te dekken, zeggende: God heeft ook wel de zondigende David gedragen, waarom zou Hij dan met ons onredelijker handelen? En daaruit nemen zij gelegenheid om aan hun ondeugden toe te geven. Laten wij veeleer erkennen, hoe groot de zwakheid van de mensen is, die overeenkomstig hun krachten, hun ijver op de deugden richten, en niettemin echter in vele zeer dikwijls te kort komen. David nu heeft nooit zo’n ongebreideld verlangen gekoesterd, dat hij begeerde van de gehoorzaamheid aan God ontslagen te zijn, maar daarentegen heeft hij zich met alle ijver daarop toegelegd. Ondertussen is hij echter in zo grote moeilijkheid gebracht, dat hij niet vermocht staande te blijven. Indien nu dit gebeurde met zo groot een man, die in zoveel dingen helder uitblonk, wat, bid ik u, kan dan ons armen niet overkomen?.
En Achis, door die berichten misleid, geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten ene maal, volkomen, stinkende, gehaat gemaakt bij zijn volk, in Israël, omdat hij het zo veel schade doet, daarom zal hij, omdat hij nooit in zijn vaderland kan terugkeren of men zou hem ombrengen, eeuwig mij tot een knecht tot een vazal zijn, wiens krijgsmansmoed en kennis mij te pas zullen komen. Hoezeer David door zijn vlucht naar de Filistijnen uit kleiner lijden in groter, uit uiterlijke nood in innerlijke verzoeking raakte (1 Samuel 27: 2), blijkt hier duidelijk; hij moest tegenover Achis een valse rol spelen om zijn gunst te blijven genieten. “Zo gebeurt het, dat edele mensen door zelfverblinding dingen doen, waarvan men zeggen moet: “het is onbegrijpelijk, hoe zij dit met hun geweten kunnen overeenbrengen!” En toch doen wij op onze beurt zulke dingen, al is het niet op zo grote schaal als David. Maar het was niet de rechte, koninklijke weg, het waren kromme wegen, die David wel met God, maar God niet met David wilde bewandelen.
Ware hij in Juda gebleven (volgens het bevel van de Heere in 22: 5), dat alles was niet gebeurd. Omdat hij uit vrees voor lijden eigen wegen koos en uit de school van de Heere wilde lopen, kwam hij onder de aartsvijanden van zijn volk in het grootste gedrang, en wist hij zich niet anders te redden, dan door dubbelzinnige antwoorden, door veinzerij en onoprechtheid; had hij nu zijn kwaad niet erger gemaakt? In Juda had hij slechts een vijand, Saul, onder het volk echter enkel vrienden; hier wordt hij met de zijnen door enkel vijanden bespied. In Juda was hij slechts in gevaar, het met één te bederven; hier daarentegen kon hij, o zo makkelijk, zich allen tot vijanden maken. In Juda hield hij zijn geweten rein en zijn geloof vrij; te Ziklag daarentegen zweefde hij in bestendige verzoekingen en in strijd tussen de liefde tot zijn volk en de dankbaarheid aan Achis, die hem reddend en beschermend had opgenomen. En wat zou het eindelijk worden, wanneer een nieuwe strijd tussen Israël en de Filistijnen uitbrak, zoals dit zo goed mogelijk en bij de haat van beide volken tegen elkaar zeer waarschijnlijk was? Wat daarvan worden kon zal de verdere geschiedenis ons leren (29: 1vv.). De wonderbaar genadige leidingen van God hebben echter David’s hart niet verhard tot zonde, en Saul de vrees ontnomen (1 Samuel 14: 46), maar integendeel door de ontferming van zijn God, die hem in zijn zwakheid droeg, is hij gekastijd, en dit heeft die haat tegen de leugen, dat verlangen naar waarheid in hem opgewekt, dat wij zo dikwijls uit zijn mond horen (Psalm 32: 2; 51: 8; 63: 12; 139: 23vv.; 1 Kronieken 29: 17 Daarom kon nu ook de tijd spoedig komen, dat er aan zijn lijden een einde en hij werkelijk in het bezit van de koningskroon kwam. Omdat wij hier aan de drempel van deze gebeurtenissen staan, letten wij op het onderscheid tussen die beide eerste koningen van Israël, om te zien welk onderscheid er is tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen hem die God dient en hem die Hem niet dient (Mal.3: 18). “Saul was wel goed begonnen, en het stond aan hem, naar de mens gesproken, zijn roeping en verkiezing vast te maken, maar Saul deed het niet, zijn regering lijkt op een bloem, die zich spoedig opent en, door de vorst geraakt, begint te verwelken, totdat zij eindelijk geheel versterft. Evenals zijn naam (de geëiste) zijn gehele geschiedenis bevat (deze koning was niet door Gods genade geschonken, het volk had hem afgeperst) zo is het ook bij David het geval. Zijn naam is “de geliefde”, want hij is de man naar Gods hart, de koning door Gods genade, die de Heere eerst heeft opgevoed en door een lange school tot heerser gevormd.” Wanneer zo Sauls koningschap van begin af aan op menselijk ongeduld en eigen werk rust, evenals de geboorte van Ismaël ten gevolge van menselijke zwakheid was (Genesis16), en het deze oorsprong niet verloochende, maar zijn onreine natuur steeds meer ontwikkelde, totdat het eindelijk vernietigd werd, terwijl het koninkrijk van David dat van de belofte is en aan Izaak gelijk, de zoon van de vrije (Genesis21), zo behoeven wij ons niet te verwonderen, dat David door Saul vervolgd is evenals in zijn tijd de naar het vlees geboren vervolgde degene, die naar de Geest geboren was (Gal.4: 21vv.). Er zijn enige zaken in de geschiedenis van het rijk van God, die zich gedurig herhalen en herhalen moeten.
Wat een menigte van zonden is het gevolg van het ongeloof! Wanneer wij de van God ontvangen weldaden vergeten en Zijn genadige beloften, wij zullen vervuld worden met wanhopige vrees en dien ten gevolge genoodzaakt worden verlagende middelen aan te grijpen om uit onze ellende te komen. Zijn zij er niet, die in angstige bezorgdheid voor hun eigen behoud en dat van hun betrekkingen, zeer schadelijke verbintenissen met godsdienstlozen gemaakt hebben, en zo van de ene ongerijmdheid tot de andere zijn voortgegaan? Niets kan ons zozeer bevestigen in godvruchtige gevoelens en daden en ons voor ongevallen bewaren, als een vast, onwankelbaar vertrouwen op de beloften van God in Christus Jezus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel