Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

1 Samuël 27

1 David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 DavidH1732 nu zeideH559 in zijn hartH3820: Nu zal ik eenH259 der dagenH3117 door SaulsH7586 handH3027 omkomenH5595; mij is nietH369 beterH2896, dan datH3588 ik haastelijkH4422 ontkomeH4422 in het landH776 der FilistijnenH6430, opdat SaulH7586 vanH4480 mij de hoop verliezeH2976, om mij meerH5750 te zoekenH1245 in de ganseH3605 landpaleH1366 van IsraelH3478; zo zal ik ontkomenH4422 uit zijn handH3027. David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.

KJV And David2 said1 in his heart,4 I shall now perish6 one8 day7 by the hand9 of Saul:10 there is nothing better13 for me than that14 I should speedily15 escape16 into the land18 of the Philistines;19 and Saul22 shall despair20 of me, to seek23 me any more in any coast26 of Israel:27 so shall I escape28 out of his hand.29

1 וַיֹּ֤אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 דָּוִד֙ H1732 David, Davids David 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 לִבּ֔וֹ H3820 hart, harten, harte [phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom 5 עַתָּ֛ה H6258 nu, dan henceforth, now, straightway, this time, whereas 6 אֶסָּפֶ֥ה H5595 ombrengen, omkomen, omkomt add, augment, consume, destroy, heap, join, perish, put 7 יוֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 8 אֶחָ֖ד H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 9 בְּיַד H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 10 שָׁא֑וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 11 אֵֽין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 12 לִ֨י 13 ט֜וֹב H2896 goed, goede, beter beautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured) 14 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 15 הִמָּלֵ֥ט H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 16 אִמָּלֵ֣ט H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 17 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 18 אֶ֣רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 19 פְּלִשְׁתִּ֗ים H6430 Filistijnen, Filistijn, Filistijns Philistine 20 וְנוֹאַ֨שׁ H2976 buiten hoop, hoop verlieze, mismoedigen (cause to) despair, one that is desperate, be no hope 21 מִמֶּ֤נִּי H4480 van, uit, dan above, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with 22 שָׁאוּל֙ H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 23 לְבַקְשֵׁ֤נִי H1245 zoeken, zoekt, zocht ask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for) 24 עוֹד֙ H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 25 בְּכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 26 גְּב֣וּל H1366 landpale, landpalen, palen border, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space 27 יִשְׂרָאֵ֔ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 28 וְנִמְלַטְתִּ֖י H4422 ontkomen, ontkwam, bevrijden deliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely 29 מִיָּדֽוֹ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 Toen maakte zich DavidH1732 op, en hij gingH5674 door, hijH1931 en de zeshonderdH8337 mannenH376, die bijH5973 hem waren, totH413 AchisH397, den zoonH1121 van MaochH4582, den koningH4428 van GathH1661. Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.

KJV And David2 arose,1 and he passed over3 with the six5 hundred6 men7 that were with him unto Achish,11 the son12 of Maoch,13 king14 of Gath.15

1 וַיָּ֣קָם H6965 opstaan, stond, Sta abide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising) 2 דָּוִ֔ד H1732 David, Davids David 3 וַיַּעֲבֹ֣ר H5674 doorgaan, voorbij, gegaan alienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath 4 ה֔וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 5 וְשֵׁשׁ H8337 zes, zeshonderd, zestien six(-teen, -teenth), sixth 6 מֵא֥וֹת H3967 honderd, tweehonderd, honderden hundred((-fold), -th), [phrase] sixscore 7 אִ֖ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 8 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 9 עִמּ֑וֹ H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 10 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 11 אָכִ֥ישׁ H397 Achis Achish 12 בֶּן H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 13 מָע֖וֹךְ H4582 Maoch Maoch 14 מֶ֥לֶךְ H4428 koning, konings, koningen king, royal 15 גַּֽת H1661 Gath Gath
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 En DavidH1732 bleefH3427 bijH5973 AchisH397 te GathH1661, hijH1931 en zijn mannenH582, een iegelijkH376 met zijn huisH1004; DavidH1732 met zijn beideH8147 vrouwenH802, AhinoamH293, en JizreelietischeH3159, en AbigailH26, de huisvrouwH802 van NabalH5037, de KarmelietischeH3762. En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.

KJV And David2 dwelt1 with Achish4 at Gath,5 he and his men, every man7 with his household,9 even David10 with his two11 wives,12 Ahinoam13 the Jezreelitess,14 and Abigail15 the Carmelitess,18 Nabal's17 wife.16

1 וַיֵּשֶׁב֩ H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 2 דָּוִ֨ד H1732 David, Davids David 3 עִם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 4 אָכִ֥ישׁ H397 Achis Achish 5 בְּגַ֛ת H1661 Gath Gath 6 ה֥וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 7 וַאֲנָשָׁ֖יו H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 8 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 9 וּבֵית֑וֹ H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 10 דָּוִד֙ H1732 David, Davids David 11 וּשְׁתֵּ֣י H8147 twee, twaalf, beide both, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two 12 נָשָׁ֔יו H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 13 אֲחִינֹ֨עַם֙ H293 Ahinoam Ahinoam 14 הַיִּזְרְעֵאלִ֔ית H3159 Jizreelietische Jezreelitess 15 וַאֲבִיגַ֥יִל H26 Abigail Abigal 16 אֵֽשֶׁת H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 17 נָבָ֖ל H5037 Nabal Nabal 18 הַֽכַּרְמְלִֽית H3762 Karmelietische Carmelitess

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 Toen aan SaulH7586 geboodschaptH5046 werd, datH3588 DavidH1732 gevluchtH1272 was naar GathH1661, zo voerH3808 hij niet meerH5750 voortH3254 hem te zoekenH1245. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.

KJV And it was told1 Saul2 that David5 was fled4 to Gath:6 and he sought10 no more again8 for him.

1 וַיֻּגַּ֣ד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 2 לְשָׁא֔וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 3 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 4 בָרַ֥ח H1272 vluchtte, vlood, gevloden chase (away); drive away, fain, flee (away), put to flight, make haste, reach, run away, shoot 5 דָּוִ֖ד H1732 David, Davids David 6 גַּ֑ת H1661 Gath Gath 7 וְלֹֽא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 8 יָסַ֥ף H3254 voortaan, toedoen, voort add, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield 9 ע֖וֹד H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 10 לְבַקְשֽׁוֹ H1245 zoeken, zoekt, zocht ask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 En DavidH1732 zeideH559 totH413 AchisH397: IndienH518 ik nu genadeH2580 in uw ogenH5869 gevondenH4672 heb, men geveH5414 mij een plaatsH4725 in eenH259 van de stedenH5892 des landsH7704, dat ik daarH8033 woneH3427; want waaromH4100 zou uw knechtH5650 in de koninklijkeH4467 stadH5892 bijH5973 u wonenH3427? En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?

KJV And David2 said1 unto Achish,4 If I have now found7 grace8 in thine eyes,9 let them give10 me a place12 in some13 town14 in the country,15 that I may dwell16 there: for why should thy servant20 dwell19 in the royal22 city21 with thee?

1 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 דָּוִ֜ד H1732 David, Davids David 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 אָכִ֗ישׁ H397 Achis Achish 5 אִם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 6 נָא֩ H4994 toch, doch, Och I beseech (pray) thee (you), go to, now, oh 7 מָצָ֨אתִי H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 8 חֵ֤ן H2580 genade, aangenaam, gunst favour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured 9 בְּעֵינֶ֨יךָ֙ H5869 ogen, oog, verf affliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves) 10 יִתְּנוּ H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 11 לִ֣י 12 מָק֗וֹם H4725 plaats, plaatsen, plaatse country, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever) 13 בְּאַחַ֛ת H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 14 עָרֵ֥י H5892 stad, steden, vrijstad Ai (from margin), city, court (from margin), town 15 הַשָּׂדֶ֖ה H7704 veld, velds, akker country, field, ground, land, soil, [idiom] wild 16 וְאֵ֣שְׁבָה H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 17 שָּׁ֑ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 18 וְלָ֨מָּה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 19 יֵשֵׁ֧ב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 20 עַבְדְּךָ֛ H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 21 בְּעִ֥יר H5892 stad, steden, vrijstad Ai (from margin), city, court (from margin), town 22 הַמַּמְלָכָ֖ה H4467 koninkrijk, koninkrijken, koninkrijks kingdom, king's, reign, royal 23 עִמָּֽךְ H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 Toen gafH5414 AchisH397 te dien dageH3117 ZiklagH6860; daaromH3651 isH1961 ZiklagH6860 van de koningenH4428 van JudaH3063 geweest totH5704 op dezenH2088 dagH3117. Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.

KJV Then Achish3 gave1 him Ziklag7 that day:4 wherefore Ziklag10 pertaineth unto the kings11 of Judah12 unto this day.14

1 וַיִּתֶּן H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 2 ל֥וֹ 3 אָכִ֛ישׁ H397 Achis Achish 4 בַּיּ֥וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 5 הַה֖וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 6 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 7 צִֽקְלָ֑ג H6860 Ziklag Ziklag 8 לָכֵ֞ן H3651 daarom, alzo, zo [phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you 9 הָיְתָ֤ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 10 צִֽקְלַג֙ H6860 Ziklag Ziklag 11 לְמַלְכֵ֣י H4428 koning, konings, koningen king, royal 12 יְהוּדָ֔ה H3063 Juda Judah 13 עַ֖ד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 14 הַיּ֥וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 15 הַזֶּֽה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 Het getalH4557 nu der dagenH3117, dieH834 DavidH1732 in het landH7704 der FilistijnenH6430 woondeH3427, wasH1961 een jaarH3117 en vierH702 maandenH2320. Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.

KJV And the time2 that David6 dwelt5 in the country7 of the Philistines8 was a full year3 and four10 months.11

1 וַֽיְהִי֙ H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 מִסְפַּ֣ר H4557 getal, tellen, geteld [phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time 3 הַיָּמִ֔ים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 4 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 5 יָשַׁ֥ב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 6 דָּוִ֖ד H1732 David, Davids David 7 בִּשְׂדֵ֣ה H7704 veld, velds, akker country, field, ground, land, soil, [idiom] wild 8 פְלִשְׁתִּ֑ים H6430 Filistijnen, Filistijn, Filistijns Philistine 9 יָמִ֖ים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 10 וְאַרְבָּעָ֥ה H702 vier, vierhonderd, veertien four 11 חֳדָשִֽׁים H2320 maand, maanden, nieuwe maan month(-ly), new moon
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 DavidH1732 nu toogH5927 op met zijn mannenH582, en zij overvielenH6584 de GesurietenH1651, en de GirzietenH1511, en de AmalekietenH6003 (wantH3588 deze zijn vanouds geweest de inwonersH3427 des landsH776), dat gij gaat naarH413 SurH7793, en tot aan EgyptelandH776. David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.

KJV And David2 and his men went up,1 and invaded4 the Geshurites,6 and the Gezrites,7 and the Amalekites:8 for those10 nations were of old14 the inhabitants11 of the land,12 as thou goest15 to Shur,16 even unto the land18 of Egypt.19

1 וַיַּ֤עַל H5927 optrekken, toog, opkomen arise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work 2 דָּוִד֙ H1732 David, Davids David 3 וַֽאֲנָשָׁ֔יו H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 4 וַֽיִּפְשְׁט֛וּ H6584 uittrekken, ingevallen, overvielen fall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self) 5 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 6 הַגְּשׁוּרִ֥י H1651 Gezurieten, Gesuri, Gesurieten Geshuri, Geshurites 7 וְהַגִּזְרִ֖י H1511 Girzieten Gezrites 8 וְהָעֲמָלֵקִ֑י H6003 Amalekieten, Amalekiet, Amalekietischen Amalekite(-s) 9 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 10 הֵ֜נָּה H2007 zij, deze (vrouwelijk meervoud) [idiom] in, [idiom] such (and such things), their, (into) them, thence, therein, these, they (had), on this side, whose, wherein 11 יֹשְׁב֤וֹת H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 12 הָאָ֨רֶץ֙ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 13 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 14 מֵֽעוֹלָ֔ם H5769 eeuwigheid, eeuwige, eeuwig alway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד) 15 בּוֹאֲךָ֥ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 16 שׁ֖וּרָה H7793 Sur Shur 17 וְעַד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 18 אֶ֥רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 19 מִצְרָֽיִם H4714 Egypte, Egyptenaren, Egyptenaars Egypt, Egyptians, Mizraim

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 En DavidH1732 sloegH5221 dat landH776, en lietH3808 noch manH376 noch vrouwH802 levenH2421; ook namH3947 hij de schapenH6629 en runderenH1241, en de ezelenH2543, en kemelsH1581, en klederenH899, en keerdeH7725 weder en kwamH935 totH413 AchisH397. En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.

KJV And David2 smote1 the land,4 and left neither man7 nor woman8 alive,6 and took away9 the sheep,10 and the oxen,11 and the asses,12 and the camels,13 and the apparel,14 and returned,15 and came16 to Achish.18

1 וְהִכָּ֤ה H5221 sloeg, slaan, geslagen beat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound 2 דָוִד֙ H1732 David, Davids David 3 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 הָאָ֔רֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 5 וְלֹ֥א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 6 יְחַיֶּ֖ה H2421 leven, leefde, levend keep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole 7 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 8 וְאִשָּׁ֑ה H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 9 וְלָקַח֩ H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 10 צֹ֨אן H6629 schapen, kudde, klein vee (small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds) 11 וּבָקָ֜ר H1241 runderen, rund, koeien beeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox 12 וַחֲמֹרִ֤ים H2543 ezel, ezelen, ezels (he) ass 13 וּגְמַלִּים֙ H1581 kemelen, kemels, kemel camel 14 וּבְגָדִ֔ים H899 klederen, kleed, ambtsklederen apparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe 15 וַיָּ֖שָׁב H7725 wederkeren, keerde, keren ((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw 16 וַיָּבֹ֥א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 17 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 18 אָכִֽישׁ H397 Achis Achish
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Als AchisH397 zeideH559: Waar zijt gijlieden hedenH3117 ingevallenH6584? zo zeideH559 DavidH1732: Tegen het zuidenH5045 van JudaH3063, en tegen het zuidenH5045 der JerahmeelietenH3397, en tegen het zuidenH5045 der KenietenH7017. Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.

KJV And Achish2 said,1 Whither3 have ye made a road4 to day?5 And David7 said,6 Against the south9 of Judah,10 and against the south12 of the Jerahmeelites,13 and against the south15 of the Kenites.16

1 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אָכִ֔ישׁ H397 Achis Achish 3 אַל H408 niet, geen, niemand nay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than 4 פְּשַׁטְתֶּ֖ם H6584 uittrekken, ingevallen, overvielen fall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self) 5 הַיּ֑וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 6 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 דָּוִ֗ד H1732 David, Davids David 8 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 9 נֶ֤גֶב H5045 zuiden, zuidwaarts, Zuiden south (country, side, -ward) 10 יְהוּדָה֙ H3063 Juda Judah 11 וְעַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 12 נֶ֣גֶב H5045 zuiden, zuidwaarts, Zuiden south (country, side, -ward) 13 הַיַּרְחְמְאֵלִ֔י H3397 Jerahmeelieten Jerahmeelites 14 וְאֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 15 נֶ֖גֶב H5045 zuiden, zuidwaarts, Zuiden south (country, side, -ward) 16 הַקֵּינִֽי H7017 Keniet, Kenieten, Kain Kenite
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
11 En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

11 En DavidH1732 lietH3808 noch manH376 noch vrouwH802 levenH2421, om te GathH1661 te brengenH935, zeggendeH559: Dat zij misschien van ons niet boodschappenH5046, zeggendeH559: AlzoH3541 heeft DavidH1732 gedaanH6213! En alzoH3541 was zijn wijzeH4941 alH3605 de dagenH3117, dieH834 hij in der FilistijnenH6430 landH7704 gewoondH3427 heeft. En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.

KJV And David5 saved4 neither man1 nor woman2 alive, to bring6 tidings to Gath,7 saying,8 Lest they should tell10 on us, saying,12 So did14 David,15 and so will be his manner17 all the while19 he dwelleth21 in the country22 of the Philistines.23

1 וְאִ֨ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 2 וְאִשָּׁ֜ה H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 3 לֹֽא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 4 יְחַיֶּ֣ה H2421 leven, leefde, levend keep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole 5 דָוִ֗ד H1732 David, Davids David 6 לְהָבִ֥יא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 7 גַת֙ H1661 Gath Gath 8 לֵאמֹ֔ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 9 פֶּן H6435 opdat niet, anders (lest) (peradventure), that...not 10 יַגִּ֥דוּ H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 11 עָלֵ֖ינוּ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 12 לֵאמֹ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 13 כֹּֽה H3541 zo, alzo, aldus also, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder 14 עָשָׂ֤ה H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 15 דָוִד֙ H1732 David, Davids David 16 וְכֹ֣ה H3541 zo, alzo, aldus also, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder 17 מִשְׁפָּט֔וֹ H4941 recht, rechten, gericht [phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong 18 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 19 הַ֨יָּמִ֔ים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 20 אֲשֶׁ֥ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 21 יָשַׁ֖ב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 22 בִּשְׂדֵ֥ה H7704 veld, velds, akker country, field, ground, land, soil, [idiom] wild 23 פְלִשְׁתִּֽים H6430 Filistijnen, Filistijn, Filistijns Philistine
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
12 En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

12 En AchisH397 geloofdeH539 DavidH1732, zeggendeH559: Hij heeft zich ten enenmaalH887 stinkendeH887 gemaakt bij zijn volkH5971, in IsraelH3478; daarom zal hij eeuwiglijkH5769 mij tot een knechtH5650 zijn. En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.

KJV And Achish2 believed1 David,3 saying,4 He hath made his people7 Israel8 utterly5 to abhor6 him; therefore he shall be my servant11 for ever.12

1 וַיַּאֲמֵ֥ן H539 getrouw, geloven, geloofd hence, assurance, believe, bring up, establish, [phrase] fail, be faithful (of long continuance, stedfast, sure, surely, trusty, verified), nurse, (-ing father), (put), trust, turn to the right 2 אָכִ֖ישׁ H397 Achis Achish 3 בְּדָוִ֣ד H1732 David, Davids David 4 לֵאמֹ֑ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 5 הַבְאֵ֤שׁ H887 stinkende, stinken, stonk (make to) be abhorred (had in abomination, loathsome, odious), (cause a, make to) stink(-ing savour), [idiom] utterly 6 הִבְאִישׁ֙ H887 stinkende, stinken, stonk (make to) be abhorred (had in abomination, loathsome, odious), (cause a, make to) stink(-ing savour), [idiom] utterly 7 בְּעַמּ֣וֹ H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 8 בְיִשְׂרָאֵ֔ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 9 וְהָ֥יָה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 10 לִ֖י 11 לְעֶ֥בֶד H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 12 עוֹלָֽם H5769 eeuwigheid, eeuwige, eeuwig alway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 27:1 1 Samuël 16:1 1 Samuël 21:10 Spreuken 3:5 Klaagliederen 3:26 Spreuken 13:12 Jesaja 51:12 1 Samuël 28:1 1 Samuël 16:13
1 Samuël 27:2 1 Samuël 21:10 1 Samuël 25:13 1 Koningen 2:39 1 Samuël 30:8
1 Samuël 27:3 1 Samuël 25:42 1 Samuël 30:3 1 Samuël 30:5 1 Samuël 25:18 1 Samuël 25:3
1 Samuël 27:4 1 Samuël 26:21
1 Samuël 27:5 2 Korinthe 6:17 Genesis 46:34
1 Samuël 27:6 Nehemia 11:28 Jozua 15:31 1 Samuël 30:1 2 Samuël 1:1 1 Samuël 30:14 1 Kronieken 12:1 1 Kronieken 12:20 1 Samuël 19:5
1 Samuël 27:7 1 Samuël 29:3
1 Samuël 27:8 1 Samuël 15:7 Jozua 13:2 Jozua 13:13 Jozua 16:10 Richteren 1:29 1 Samuël 30:1 2 Samuël 14:32 2 Samuël 14:23
1 Samuël 27:9 1 Samuël 15:3 Jozua 6:21 Exodus 15:22 Genesis 25:18 1 Samuël 15:7 Genesis 16:7 Deuteronomium 25:17
1 Samuël 27:10 Richteren 1:16 1 Kronieken 2:25 1 Kronieken 2:9 1 Samuël 30:29 Richteren 4:11 1 Samuël 15:6 1 Samuël 23:27 Spreuken 29:25
1 Samuël 27:11 Spreuken 29:25 1 Samuël 22:22 Spreuken 12:19
1 Samuël 27:12 Genesis 34:30 1 Samuël 13:4
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 27 vers 1

in zijn hart Dat is, bij zichzelven. Dit is een bewijs van de zwakheid Davids in het geloof en het vertrouwen op de voortreffelijke beloften Gods.

Hertaald: in zijn hart Dat is: bij zichzelf. Dit is een bewijs van de zwakheid van David in het geloof en het vertrouwen op de voortreffelijke beloften van God.

der dagen Dat is, den een of anderen tijd.

Hertaald: der dagen Dat is: op een of andere dag.

mij is niet beter, Dat is de raad van het zwakke vlees geweest. Zie 1 Sam. 22:5, waar de profeet Gath David in gelijke zaak bestraft heeft.

Hertaald: mij is niet beter, Dit was de raad van het zwakke vlees. Zie 1 Sam. 22:5, waar de profeet Gad David in een soortgelijke zaak bestraft heeft.

dat ik haastelijk ontkome Hebreeuws, ontkomende ontkome.

Hertaald: dat ik haastelijk ontkome Hebreeuws: ontkomende ontkome.

1 Samuël 27 vers 2

hij ging door, Vermoedelijk eerst vrijgeleide van Achis begeerd en verkregen hebbende, om daar te mogen komen en blijven; en niet voor zijn persoon alleen, gelijk hij eerst gedaan heeft, boven, 1 Sam. 21:10, maar met al de mannen en vrouwen die bij hem waren.

Hertaald: hij ging door, Vermoedelijk had hij eerst vrijgeleide van Achis gevraagd en gekregen om daar te mogen komen en blijven; en niet alleen voor zichzelf, zoals hij eerst gedaan had, hierboven, 1 Sam. 21:10, maar met alle mannen en vrouwen die bij hem waren.

Gath In der Filistijnen land gelegen, uit welke stad Goliath was, boven 1 Sam. 6:17.

Hertaald: Gath Gelegen in het land van de Filistijnen, de stad waar Goliath vandaan kwam, hierboven, 1 Sam. 17:4.

1 Samuël 27 vers 3

de huisvrouw van Nabal, Dat is, die Nabals huisvrouw geweest was. Aldus wordt zij ook genoemd onder 1 Sam. 30:5.

Hertaald: de huisvrouw van Nabal, Dat is: die de vrouw van Nabal geweest was. Zo wordt zij ook genoemd in 1 Sam. 30:5.

1 Samuël 27 vers 5

men geve mij een plaats David zocht ergens alleen te wonen met de zijnen, om te ontgaan het gevaar zo des lichaams als der ziel, hetwelk hem van de Filistijnen had mogen overkomen.

Hertaald: men geve mij een plaats David wilde ergens alleen wonen met de zijnen, om het gevaar te ontlopen, zowel voor het lichaam als voor de ziel, dat hem van de Filistijnen had kunnen overkomen.

want waarom zou uw knecht David verstond wel hoe zorgelijk het was voor vreemdelingen, [inzonderheid die van enig vermogen zijn] bij een koning in zijn eigen stad te wonen. Daarom wilde hij deze jaloezie gaarne voorkomen. Maar hij geeft het een anderen naam, alsof hij zeide: Deze eer komt mij niet toe, heer koning.

Hertaald: want waarom zou uw knecht David begreep goed hoe riskant het voor vreemdelingen was, [vooral voor hen die enig vermogen hadden] om bij een koning in zijn eigen stad te wonen. Daarom wilde hij deze jaloezie graag voorkomen. Maar hij geeft het een andere naam, alsof hij zei: deze eer komt mij niet toe, heer koning.

1 Samuël 27 vers 6

Ziklag; Deze stad heeft eerst den naam van Juda toegekomen, zoveel hun God die steden des lands geschonken had, gelijk te zien is Joz. 15:31; maar de Filistijnen hadden haar den Israëlieten afgenomen en tot dezen tijd toe ingehouden. Nu geeft Achis hem aan David.

Hertaald: Ziklag; Deze stad had eerst aan Juda toebehoord, voor zover hun God die steden van het land geschonken had, zoals te zien is in Joz. 15:31; maar de Filistijnen hadden haar de Israëlieten afgenomen en tot dan toe in bezit gehouden. Nu geeft Achis haar aan David.

1 Samuël 27 vers 7

was een jaar en vier maanden Hebreeuws, was dagen en vier maanden. Het woord dagen in het getal van vele, wordt dikwijls bij de Hebreën voor een jaar genomen; zie Lev. 25:29. David is te Ziklag gebleven tot den dood van Saul, toen kwam hij te Hebron, 2 Sam. 2:1. Sommigen nemen het aldus: [Eenige] dagen en vier maanden.

Hertaald: was een jaar en vier maanden Hebreeuws: was dagen en vier maanden. Het woord dagen wordt bij de Hebreeën, in het meervoud, vaak gebruikt voor een jaar; zie Lev. 25:29. David is te Ziklag gebleven tot de dood van Saul; toen kwam hij naar Hebron, 2 Sam. 2:1. Sommigen vatten het op als: [enige] dagen en vier maanden.

1 Samuël 27 vers 8

Gesurieten, Zie de aantekeningen Joz. 12:5, en Joz. 16:3.

Hertaald: Gesurieten, Zie de aantekeningen bij Joz. 12:5, en Joz. 16:3.

Girzieten, Voor Gizrieten. Dit waren Kanaänieten, die tevoren te Gezer of te Gazer gewoond hadden, in het land Efraïm. Dezen, vandaar ook verdreven zijnde, gingen wonen tegen het zuiden van het land Kanaän.

Hertaald: Girzieten, In plaats van Gizrieten. Dit waren Kanaänieten, die eerder in Gezer of Gazer gewoond hadden, in het land Efraïm. Nadat zij ook daarvandaan verdreven waren, gingen zij wonen in het zuiden van het land Kanaän.

Amalekieten Dezen waren van de nakomelingen van Ezau, welken God Saul geboden had geheellijk uit te roeien en te verdelgen. Doch hij heeft enigen laten overblijven, tegen welken David hier den oorlog voert.

Hertaald: Amalekieten Dezen stamden af van Ezau; God had Saul geboden hen volledig uit te roeien en te vernietigen. Maar hij heeft er enkelen laten leven, tegen wie David hier oorlog voert.

deze zijn vanouds geweest Te weten, de Gesurieten en Girzieten. Dezen hebben eertijds het land Kanaän bewoond.

Hertaald: deze zijn vanouds geweest Namelijk: de Gesurieten en Girzieten. Dezen hebben eerder het land Kanaän bewoond.

des lands Te weten, van het Joodse land, beide aan deze en gene zijde der Jordaan.

Hertaald: des lands Namelijk: van het Joodse land, zowel aan deze als aan de overkant van de Jordaan.

1 Samuël 27 vers 9

land, Dat is, de inwoners des lands. Dit nu moet verstaan worden van al de Amalekieten, die hij daar vond, welken God bevolen had uit te roeien, Ex. 17:14; Deut. 25:19, en 1 Sam. 15:3.

Hertaald: land, Dat is: de inwoners van het land. Dit moet begrepen worden als alle Amalekieten die hij daar aantrof, die God bevolen had uit te roeien, Ex. 17:14; Deut. 25:19, en 1 Sam. 15:3.

en liet noch man noch vrouw leven; Dit deed hij daarom, opdat zij hem niet zouden verklappen bij de Filistijnen, welken hij zocht wijs te maken dat hij in het land de Israëlieten gevallen was.

Hertaald: en liet noch man noch vrouw leven; Dit deed hij zodat zij hem niet zouden verraden bij de Filistijnen, aan wie hij wilde doen geloven dat hij het land van de Israëlieten was binnengevallen.

1 Samuël 27 vers 10

Tegen het zuiden van Juda, Maar niet in het land Juda, gelijk Achis dat verstond en ook David scheen te zeggen; maar David is gevallen in die landen, die daaraan paalden, te weten, in het land der Amalekieten en van hun naburen en alzo heeft David den koning Achis, uit menselijke zwakheid, bedrogen door dubbelzinnige woorden.

Hertaald: Tegen het zuiden van Juda, Maar niet in het land Juda, zoals Achis het opvatte en David ook leek te zeggen; maar David was in de gebieden geweest die daaraan grensden, namelijk in het land van de Amalekieten en van hun buren, en zo heeft David koning Achis, uit menselijke zwakheid, met dubbelzinnige woorden bedrogen.

der Jerahmeëlieten, Deze waren inwoners van het land Juda, nakomelingen van Hezron, 1 Kron. 2:9, 1 Kron. 2:25.

Hertaald: der Jerahmeëlieten, Dezen waren inwoners van het land Juda, nakomelingen van Hezron, 1 Kron. 2:9, 1 Kron. 2:25.

der Kenieten Dezen waren de nakomelingen van Jethro, den schoonvader van Mozes. Zie de aantekeningen Richt. 1:16.

Hertaald: der Kenieten Dezen waren de nakomelingen van Jethro, de schoonvader van Mozes. Zie de aantekeningen bij Richt. 1:16.

1 Samuël 27 vers 11

David liet noch man noch vrouw leven, Dit deed David daarom, opdat niemand tijding aan Achis brengen zou, gelijk straks gezegd wordt. Doch zo lag ook Ziklag zo ver van Gath, dat ook derhalve de tijding hiervan niet haast aan Achis kon gebracht worden. Ondertussen voerde David de wraak van God uit over deze verbannen volken.

Hertaald: David liet noch man noch vrouw leven, Dit deed David omdat hij niet wilde dat iemand aan Achis nieuws zou brengen, zoals hierna gezegd wordt. Overigens lag Ziklag zo ver van Gath dat het bericht hierover ook daarom niet snel bij Achis kon komen. Ondertussen voerde David de wraak van God uit over deze verboden volken.

zeggende Dat is, bij zichzelven denkende.

Hertaald: zeggende Dat is: bij zichzelf denkend.

Dat zij misschien van ons niet boodschappen, Versta hierbij: Ik moet wel toezien.

Hertaald: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, Versta hierbij: ik moet wel oppassen.

1 Samuël 27 vers 12

zeggende Te weten, bij zichzelven.

Hertaald: zeggende Namelijk: bij zichzelf.

ten enenmaal stinkende gemaakt Hebreeuws, stinkende makende stinkende gemaakt; dat is, zo stinkende, gehaat en verachtzaam gemaakt, dat zijn eigen volk hem niet kan verdragen. Zie de aantekeningen Gen. 34:30.

Hertaald: ten enenmaal stinkende gemaakt Hebreeuws: stinkende makende stinkende gemaakt; dat is: zo gehaat en verafschuwd gemaakt dat zelfs zijn eigen volk hem niet kan verdragen. Zie de aantekeningen bij Gen. 34:30.

eeuwiglijk Dat is, altoos, of zijn levenlang.

Hertaald: eeuwiglijk Dat is: altijd, of zijn hele leven.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Namen Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Ahinoam  — broeder van liefelijkheid, of: mijn broeder is lieflijk

De dochter van Ahimaäz en vrouw van koning Saul, moeder van onder anderen Jonathan en van Sauls dochters Merab en Michal (1 Sam. 14:50).

David  — beminde

De jongste zoon van Isaï, herder over zijn vaders schapen, door Samuël in het geheim tot koning gezalfd nadat Saul door de HEERE verworpen was (1 Sam. 16:1-13). Zijn spel op de harp bracht Saul verlichting van de boze geest die hem kwelde (1 Sam. 16:14-23). Hij zou uitgroeien tot Israëls grootste koning, en in zijn geslachtslijn zou uiteindelijk de Heere Jezus Christus geboren worden.

Nabal  — dwaas

Een rijke man uit Maon met bezittingen bij Karmel, 'hard en boosaardig van daden' (1 Sam. 25:2-3). Toen David hem, na zijn mannen bescherming geboden te hebben aan Nabals kudden, om levensmiddelen liet vragen, wees Nabal dit grof af. David trok woedend op om hem te doden, totdat Nabals vrouw Abigaïl hem met geschenken en wijze woorden tot bedaren bracht. Tien dagen later trof de HEERE Nabal, en hij stierf (1 Sam. 25:36-38).

Abigaïl  — mijn vader is vreugde

De verstandige en schone vrouw van de dwaze Nabal. Toen haar man David beledigde en daarmee zijn en zijn hele huis' leven in gevaar bracht, ging zij hem zonder Nabals medeweten tegemoet met geschenken, wist Davids toorn te bedaren en hield hem af van bloedvergieten (1 Sam. 25:14-35). Na Nabals dood door Gods hand nam David haar tot vrouw (1 Sam. 25:39-42).

Achis  — onbekende betekenis, mogelijk: toornig

De Filistijnse koning van Gath, bij wie David tot tweemaal toe zijn toevlucht zocht voor Saul (1 Sam. 21:10-15; 27:1-12). De tweede keer vertrouwde Achis David zozeer, dat hij hem de stad Ziklag gaf om te bewonen, van waaruit David zonder Achis' medeweten tegen omliggende vijandelijke volken streed.

Saul  — gebeden, verzocht

De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.

Alle bijbelse namen in één overzicht →

Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas

Bijbelse Begrippen Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Davids toevlucht bij de Filistijnen  — moedeloos denkend "Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen", vlucht David naar Achis, koning van Gath, en woont een jaar en vier maanden in het land der Filistijnen, terwijl hij zijn gastheer misleidt over wie hij daadwerkelijk overvalt (1 Sam. 27:1-12)

David overweegt, zonder dat de tekst vermeldt dat hij eerst de HEERE raadpleegt: "Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen" (1 Sam. 27:1). Achis geeft hem de stad Ziklag (1 Sam. 27:2-6). Vandaar onderneemt David strooptochten tegen omliggende volken, maar laat, om zijn ware doelwitten geheim te houden voor Achis, niemand in leven om te kunnen berichten — en misleidt Achis met de suggestie dat hij Juda zelf overvalt (1 Sam. 27:8-11). Achis vertrouwt hem volledig: "Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn" (1 Sam. 27:12).

Bijbelse betekenis: Dit hoofdstuk laat een andere kant van David zien dan de vorige: geen raadpleging van de HEERE, geen openlijk vertrouwen, maar een periode van vermoeide zelfredzaamheid en misleiding. De tekst veroordeelt dit niet met een uitdrukkelijk woord, maar registreert het evenmin als voorbeeldig — in schril contrast met Davids eerdere gewoonte om bij elke beslissing de HEERE te vragen. Zelfs een man naar Gods hart kent periodes waarin de vervolging hem meer op eigen overleving dan op God doet vertrouwen.

Typologie: Dezelfde genade die een gelovige juist in zijn zwakheid draagt, ervoer Paulus: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone" (2 Kor. 12:9).

1 Sam. 27:1-12

Alle bijbelse begrippen in één overzicht →

© Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

1 Samuël 27

1 Samuël 27:1.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:11 Samuël 21:10Spreuken 3:5Klaagliederen 3:26Spreuken 13:12Jesaja 51:121 Samuël 28:11 Samuël 16:13
— David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
David kon zijn vinger op geen enkele aantekening in zijn dagboek leggen en daarvan zeggen: “Hier is een bewijs dat God mij verlaten zal.” Wanneer hij terugzag op heel zijn leven — van de tijd dat hij de schapen van zijn vader hoedde en de leeuw en de beer doodde, tot de dag dat hij de Filistijn tartte, en tot op dit ogenblik waarop hij pas aan zijn bloeddorstige vervolger ontkomen was — kon hij geen enkel feit vinden dat een bewijs zou zijn dat God van gedachten veranderd was en Zijn gezalfde in de handen van zijn wrede vijand zou laten vallen.

Ik tart hemel en aarde en hel om enig bewijs bij te brengen dat God onwaarachtig is. Uit de diepten der hel roep ik de boze geesten, en van deze aarde roep ik de beproefde en verdrukte gelovigen, en tot de hemel wend ik mij en tart ik de lange ervaring van de door bloed gewassen schare — en in de drie gebieden is er niet één te vinden die getuigenis kan geven van een feit dat de goedheid van God zou weerspreken of Zijn recht om door Zijn dienstknechten vertrouwd te worden zou verzwakken.

Wat wij van onze getrouwe God gekend hebben, dient om te tonen dat Hij ons tot het einde toe bewaren zal, en dat Hij zelfs tot het laatste onze Helper zal zijn.

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Spurgeon Citaten

Ik tart hemel en aarde en hel om enig bewijs bij te brengen dat God onwaarachtig is.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content