Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Zo legtG659 danG3767 af alleG3956 kwaadheidG2549, enG2532 alleG3956 bedrogG1388, enG2532 geveinsdheidG5272, enG2532 nijdigheidG5355, enG2532 alleG3956 achterklappingenG2636;
Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
KJV
Wherefore2
laying aside1
all3
malice,4
and5
all6
guile,7
and8
hypocrisies,9
and10
envies,11
and12
all13
evil speakings,14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En, alsG5613 nieuwgeboreneG738 kinderkensG1025, zijt zeer begerigG1971 naar de redelijkeG3050 onvervalsteG97 melkG1051, opdatG2443 gij doorG1722 dezelveG846 moogt opwassenG837;
En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;
KJV
As1
newborn2
babes,3
desire8
the sincere6
milk7
of the word,5
that9
ye may grow12
thereby:10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Indien gij andersG1512 gesmaaktG1089 hebt, datG3754 de HeereG2962 goedertierenG5543 is.
Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is.
KJV
If so be1
ye have tasted2
that3
the Lord6
is gracious.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
TotG4314 WelkenG3739 komendeG4334, als tot een levendenG2198 SteenG3037, vanG5259 de mensenG444 wel verworpenG593, maarG1161 bij GodG2316 uitverkorenG1588 en dierbaarG1784;
Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
KJV
To1
whom2
coming,3
as unto a living5
stone,4
disallowed9
indeed8
of6
men,7
but11
chosen13
of10
God,12
and precious,14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zo wordt gij ookG2532 zelvenG846, alsG5613 levendeG2198 stenenG3037, gebouwdG3618 tot een geestelijkG4152 huisG3624, tot een heiligG40 priesterdomG2406, om geestelijkeG4152 offerandenG2378 op te offerenG399, die GodeG2316 aangenaamG2144 zijn doorG1223 JezusG2424 ChristusG5547.
Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
KJV
Ye2
also,1
as3
lively5
stones,4
are built up6
a spiritual8
house,7
an holy10
priesthood,9
to offer up11
spiritual12
sacrifices,13
acceptable14
to God16
by17
Jesus18
Christ.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Daarom is ookG2532 vervatG4023 inG1722 de SchriftG1124: ZietG3708, Ik legG5087 inG1722 SionG4622 een uiterstenG204 HoeksteenG3037, Die uitverkorenG1588 en dierbaarG1784 is; enG2532: Die in HemG846 gelooftG4100, zal niet beschaamdG2617 worden.
Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
KJV
Wherefore1
also2
it is contained3
in4
the scripture,6
Behold,
I lay8
in9
Sion10
a chief corner12
stone,11
elect,13
precious:14
and15
he that believeth17
on18
him19
shall22
➔ not be
confounded.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
UG4771 dan, die gelooftG4100, is Hij dierbaarG5092; maarG1161 den ongehoorzamenG544 wordt gezegd: De SteenG3037, DienG3739 de bouwliedenG3618 verworpenG593 hebben, DezeG3778 is gewordenG1096 totG1519 een hoofdG2776 des hoeksG1137, en een steen des aanstootsG4348, en een rotsG4073 der ergernisG4625;
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
KJV
Unto you
therefore2
which3
believe6
he is precious:4
but8
unto them which be disobedient,7
the stone9
which10
the builders13
disallowed,11
the same14
is made15
the head17
of the corner,18
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Dengenen namelijk, dieG3739 zich aan het WoordG3056 stotenG4350, ongehoorzaamG544 zijnde, waartoeG1519 zij ookG2532 gezetG5087 zijn.
Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
Ook in dit vers
[gezegd] SteenG3037
KJV
And1
a stone2
of stumbling,3
and4
a rock5
of offence,6
even to them which7
stumble8
at the word,10
being disobedient:11
whereunto12
also14
they were appointed.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
MaarG1161 gij zijt een uitverkorenG1588 geslachtG1085, een koninklijkG934 priesterdomG2406, een heiligG40 volk, een verkregenG1519 volk; opdat gij zoudt verkondigenG1804 de deugdenG703 Desgenen, Die uG4771 uitG1537 de duisternisG4655 geroepenG2564 heeft tot Zijn wonderbaarG2298 lichtG5457;
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
Ook in dit vers
volkG1484
volkG2992
KJV
But2
ye
are a chosen4
generation,3
a royal5
priesthood,6
an holy8
nation,7
a peculiar10
people;9
that12
ye should shew forth15
the praises14
of him who hath called20
you
out of17
darkness18
into21
his24
marvellous23
light:25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Gij, die eertijdsG4218 geenG3756 volkG2992 waartG1161, maar nu GodsG2316 volkG2992 zijt; die eertijds niet ontfermdG1653 waart, maar nu ontfermdG1653 zijt geworden.
Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.
KJV
Which1
in time past2
were not3
a people,4
but6
are now5
the people7
of God:8
which9
had11
➔ not10
obtained mercy,14
but13
now12
have obtained mercy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
GeliefdenG27, ik vermaanG3870 u alsG5613 inwonersG3941 enG2532 vreemdelingenG3927, dat gij u onthoudtG567 van de vleselijkeG4559 begeerlijkhedenG1939, welke krijg voerenG4754 tegenG2596 de zielG5590;
Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
KJV
Dearly beloved,1
I beseech2
you as3
strangers4
and5
pilgrims,6
abstain from
fleshly9
lusts,10
which11
war12
against13
the soul;15
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En houdtG2192 uw wandelG391 eerlijkG2570 onderG1722 de heidenenG1484; opdatG2443 inG1722 hetgeenG3739 zij kwalijkG2635 van uG4771 spreken, alsG5613 van kwaaddoenersG2555, zij uitG1537 de goedeG2570 werkenG2041, die zij in u zienG2029, GodG2316 verheerlijkenG1392 mogen inG1722 den dagG2250 der bezoekingG1984.
En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.
KJV
Having7
your
conversation2
honest8
among4
the Gentiles:6
that,9
whereas10
they speak against12
you
as14
evildoers,15
they may21
➔ by16
your good18
works,19
which they shall behold,20
glorify
God23
in24
the day25
of visitation.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zijt danG3767 alleG3956 menselijkeG442 ordeningG2937 onderdanigG5293, omG1223 des HeerenG2962 wilG1535; hetzij den koningG935, alsG5613 de opperste machtG5242 hebbende;
Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;
KJV
Submit yourselves1
to every3
ordinance5
of man4
for6
the Lord's sake:8
whether it be9
to the king,10
as11
supreme;12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Hetzij den stadhouderenG2232, alsG5613 die van hemG846 gezondenG3992 worden, totG1519 strafG1557 wel der kwaaddoenersG2555, maarG1161 tot prijsG1868 dergenen, die goed doen.
Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
KJV
Or1
unto governors,2
as3
unto them that are sent6
by4
him5
for7
the punishment8
of evildoers,10
and12
for the praise11
of them that do well.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Want alzoG3779 isG1510 het de wilG2307 van GodG2316, dat gij, weldoendeG15, den mond stoptG5392 aan de onwetendheidG56 der dwazeG878 mensenG444;
Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
KJV
For1
so2
is
the will5
of God,7
that with well doing8
ye may put to silence9
the ignorance14
of foolish12
men:13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
AlsG5613 vrijenG1658, enG2532 nietG3361 de vrijheidG1657 hebbendeG2192 alsG5613 een dekselG1942 der boosheidG2549, maarG235 alsG5613 dienstknechtenG1401 van GodG2316.
Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.
KJV
As1
free,2
and3
not4
using7
your liberty11
for5
a cloke6
of maliciousness,9
but12
as13
the servants14
of God.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EertG5091 een iegelijkG3956; hebt de broederschapG81 liefG25; vreestG5399 GodG2316; eertG5091 den koningG935.
Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
KJV
Honour2
all1
men. Love5
the brotherhood.4
Fear8
God.7
Honour11
the king.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Gij huisknechtenG3610, zijt metG1722 alleG3956 vrezeG5401 onderdanigG5293 den herenG1203, nietG3756 alleen den goedenG18 enG2532 bescheidenenG1933, maarG235 ookG2532 den hardenG4646.
Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.
KJV
Servants,2
be subject3
to your masters8
with4
all5
fear;6
not9
only10
to the good12
and13
gentle,14
but15
also16
to the froward.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 datG3778 is genadeG5485, indienG1487 iemandG5100 omG1223 het gewetenG4893 voor GodG2316 zwarigheidG3077 verdraagtG5297, lijdendeG3958 ten onrechteG95.
Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.
KJV
For2
this
is thankworthy,3
if4
a man9
for5
conscience6
toward God7
endure8
grief,10
suffering11
wrongfully.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WantG1063 wat lofG2811 is het, indienG1487 gij verdraagtG5278, als gij zondigtG264, enG2532 daarover geslagenG2852 wordt? MaarG235 indienG1487 gij verdraagtG5278, als gij weldoetG15, enG2532 daarover lijdtG3958, datG3778 is genadeG5485 bij GodG2316.
Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
KJV
For2
what1
glory3
is it, if,4
when6
ye be buffeted7
for your faults,5
ye shall take it patiently?8
but9
if,10
when ye do well,11
and12
suffer13
for it, ye take it patiently,14
this
is acceptable16
with17
God.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Want hiertoe zijt gij geroepenG2564, dewijlG3754 ookG2532 ChristusG5547 voor ons geledenG3958 heeft, ons een voorbeeldG5261 nalatendeG5277, opdatG2443 gij Zijn voetstappenG2487 zoudt navolgenG1872;
Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;
KJV
For3
even1
hereunto
were ye called:4
because5
Christ7
also6
suffered8
for9
us,
leaving12
us
an example,13
that14
ye should follow15
his18
steps:17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
DieG3739 geen zondeG266 gedaanG4160 heeft, en er is geen bedrogG1388 inG1722 Zijn mondG4750 gevondenG2147;
Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;
KJV
Who1
did4
no3
sin,2
neither5
was guile7
found6
in8
his11
mouth:10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DieG3739, als Hij gescholdenG3058 werd, nietG3756 wederscholdG486, en als Hij leedG3958, nietG3756 dreigdeG546; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijkG1346 oordeeltG2919;
Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
KJV
Who,1
when he was reviled,2
reviled4
➔ not3
again;
when he suffered,5
he threatened7
not;6
but9
committed8
himself to him that judgeth11
righteously:12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
DieG3739 ZelfG846 onze zondenG266 inG1722 Zijn lichaamG4983 gedragenG399 heeft op het houtG3586; opdatG2443 wij, der zondenG266 afgestorvenG581 zijnde, der gerechtigheidG1343 levenG2198 zouden; door Wiens striemenG3468 gij genezenG2390 zijt.
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
KJV
Who1
his own self5
bare6
our
sins3
in7
his own10
body9
on11
the tree,13
that14
we,20
➔ being dead17
to sins,16
should live
unto righteousness:19
by21
whose24
stripes23
ye were healed.25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantG1063 gij waartG2258 alsG5613 dwalendeG4105 schapenG4263; maarG235 gij zijtG1510 nu bekeerdG1994 totG1909 den HerderG4166 enG2532 OpzienerG1985 uwer zielenG5590.
Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.
KJV
For2
ye were
as3
sheep4
going astray;5
but6
are7
➔ now8
returned
unto9
the Shepherd11
and12
Bishop13
of your
souls.15
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
legt dan af alle
Namelijk dewijl gij wedergeboren zijt uit dit onvergankelijk zaad van den levenden God. Want deze vermaning vloeit uit de voorgaande leer.
Hertaald:
legt dan af alle
Namelijk omdat u wedergeboren bent uit dit onvergankelijke zaad van de levende God. Want deze aansporing vloeit voort uit de voorgaande leer.
als nieuwgeborene
Dat is, als mensen, die nu nieuw door Gods Geest en Woord zijt wedergeboren.
Hertaald:
als nieuwgeborene
Dat is: als mensen die nu nieuw wedergeboren zijn door Gods Geest en Woord.
zijt zeer begerig
Namelijk tot uw geestelijk voedsel en versterking van den nieuwen mens, die reeds in u is.
Hertaald:
zijt zeer begerig
Namelijk begerig naar uw geestelijke voedsel en naar de versterking van de nieuwe mens die al in u is.
de redelijke
Dat is, de geestelijke melk, gesteld tegen de lichamelijke melk, die de nieuwgeborene kinderen begeren, gelijk dit Grieks woord logicon ook genomen wordt Rom. 12:1. Anderen nemen het voor woordelijke melk; dat is, die in Gods Woord bestaat, om aan te wijzen, dat gelijk het Woord Gods is het geestelijke zaad van onze wedergeboorte, hetzelfde Woord ook daarin het geestelijke voedsel is.
Hertaald:
de redelijke
Dat is: de geestelijke melk, gesteld tegenover de lichamelijke melk waar de pasgeboren kinderen naar verlangen; zo wordt dit Griekse woord logikon ook gebruikt in Rom. 12:1. Anderen vatten het op als melk van het Woord, dat is: melk die in Gods Woord bestaat. Zo wordt aangewezen dat, zoals het Woord van God het geestelijke zaad van onze wedergeboorte is, hetzelfde Woord daarin ook het geestelijke voedsel is.
onvervalste melk,
Dit doet Petrus daarbij, omdat, gelijk de zuivere melk het rechte voedsel geeft, zo ook het Woord Gods, dat onvervalst is, het rechte voedsel geeft voor de ziel en den geestelijken mens.
Hertaald:
onvervalste melk,
Dat voegt Petrus eraan toe, omdat, zoals de zuivere melk het juiste voedsel geeft, ook het Woord van God dat onvervalst is het juiste voedsel geeft voor de ziel en voor de geestelijke mens.
gesmaakt hebt,
Dat is, gevoeld hebt, waar geworden zijt in uw gemoed, namelijk door de kracht van Gods Woord en Geest. Hij gaat dan nog voort in de gelijkenis van de kinderen, die de rechte melk hunner voedsters van de vervalste gemakkelijk door den smaak plegen te onderscheiden, door de ene aan te nemen, de andere te verwerpen. Zie Joh. 10:4-5.
Hertaald:
gesmaakt hebt,
Dat is: ervaren hebt, in uw gemoed hebt gemerkt, namelijk door de kracht van Gods Woord en Geest. Hij gaat dus verder met de vergelijking met de kinderen, die de echte melk van hun voedster gewoonlijk gemakkelijk aan de smaak van de vervalste onderscheiden, door de ene aan te nemen en de andere te verwerpen. Zie Joh. 10:4-5.
de Heere goedertieren is
Namelijk Jezus Christus, gelijk het volgende vs. medebrengt.
Hertaald:
de Heere goedertieren is
Namelijk Jezus Christus, zoals het volgende vers inhoudt.
Tot Welken komende,
Namelijk Heere Jezus, gelijk de volgende verzen vereisen.
Hertaald:
Tot Welken komende,
Namelijk tot de Heere Jezus, zoals de volgende verzen vragen.
een levenden Steen,
Dat is, een geestelijken steen; en Christus wordt zo genoemd tegen de levenloze stenen van den ceremoniëelen tempel, die een afbeelding was van het geestelijke huis Gods, dat is, van Zijn gemeente, waarin God met zijn Geest en genade woont, 1 Kor. 3:16, waarvan Christus de fondamentsteen is, 1 Kor. 3:11, en de hoeksteen, waarop zowel Joden als heidenen tot een tempel Gods gebouwd worden. Zie ook Ef. 2:20, enz.
Hertaald:
een levenden Steen,
Dat is: een geestelijke steen. Christus wordt zo genoemd tegenover de levenloze stenen van de ceremoniële tempel, die een afbeelding was van het geestelijke huis van God, dat is: van Zijn gemeente, waarin God met Zijn Geest en genade woont, 1 Kor. 3:16. Christus is daarvan de fundamentsteen, 1 Kor. 3:11, en de hoeksteen, waarop zowel Joden als heidenen tot een tempel van God gebouwd worden. Zie ook Ef. 2:20, enzovoort.
van de mensen wel
Dat is, van een groot deel der mensen, wereldse en ongelovige, vooral de Joden en hun oversten.
Hertaald:
van de mensen wel
Dat is: door een groot deel van de mensen, de wereldse en ongelovige mensen, vooral de Joden en hun oversten.
als levende stenen,
Dat is, geestelijke stenen, gelijk in het vervolg verklaard wordt.
Hertaald:
als levende stenen,
Dat is: geestelijke stenen, zoals in het vervolg verklaard wordt.
gebouwd tot
Dat is, door het geloof meer en meer verenigd.
Hertaald:
gebouwd tot
Dat is: door het geloof meer en meer verenigd.
om geestelijke offeranden
Namelijk der dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament nu alleen worden gevorderd van alle gelovigen; als daar is de offerande van onze lichamen, dat is, van onszelf, den Heere tot een eigendom, Rom. 12:1-2, en het offer des lofs en onzer gebeden voor God, mitsgaders der weldadigheid jegens onze naasten; Hebr. 13:15-16; Openb. 8:3-4, en hierna vs.9.
Hertaald:
om geestelijke offeranden
Namelijk offers van de dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament nu als enige van alle gelovigen gevraagd worden: het offer van onze lichamen, dat is: van onszelf, aan de Heere als Zijn eigendom, Rom. 12:1-2; het offer van de lof en van onze gebeden voor God; en het offer van de weldadigheid tegenover onze naasten; Hebr. 13:15-16; Openb. 8:3-4, en hierna vers 9.
door Jezus Christus
Want gelijk onze personen Gode niet aangenaam zijn dan door het geloof in Jezus Christus, Rom. 5:1, en Rom. 8:39; zo kunnen ook onze werken, vanwege hun onvolmaaktheid, Gode niet behagen dan in Christus Jezus, en om Zijnentwil; zie Hebr. 11:4, en Hebr. 13:15, Hebr. 13:21.
Hertaald:
door Jezus Christus
Want zoals onze personen God niet aangenaam zijn dan door het geloof in Jezus Christus, Rom. 5:1 en Rom. 8:39, zo kunnen ook onze werken vanwege hun onvolmaaktheid God niet behagen dan in Christus Jezus en om Zijnentwil; zie Hebr. 11:4 en Hebr. 13:15, Hebr. 13:21.
Daarom is ook
Namelijk ten dele Jes. 8:14, en Jes. 28:16, en ten dele Ps. 118:22; uit welke plaatsen de apostel Petrus deze woorden haalt, latende enige woorden uit, die tot zijn voornemen niet dienden, maar den zin daarvan oprechtelijk aanhalende. Anderen zetten het over: Daarom vervat Hij [namelijk God] ook in de Schrift.
Hertaald:
Daarom is ook
Namelijk gedeeltelijk in Jes. 8:14 en Jes. 28:16, en gedeeltelijk in Ps. 118:22. Aan die plaatsen ontleent de apostel Petrus deze woorden; hij laat enkele woorden weg die niet bij zijn bedoeling pasten, maar geeft de betekenis daarvan zuiver weer. Anderen vertalen het: daarom bevat Hij — namelijk God — ook in de Schrift.
een uitersten Hoeksteen,
Zie hiervoor de aantekeningen vs.4.
Hertaald:
een uitersten Hoeksteen,
Zie hiervoor de aantekeningen bij vers 4.
niet beschaamd worden
Dat is, in zijn verwachting niet bedrogen worden; gelijk Rom. 5:5, en Rom. 10:11.
Hertaald:
niet beschaamd worden
Dat is: in zijn verwachting niet bedrogen worden, zoals in Rom. 5:5 en Rom. 10:11.
dierbaar;
Of eerlijk. Grieks dierbaarheid, of eerlijkheid; dat is, zeer eerlijk of dierbaar.
Hertaald:
dierbaar;
Of: eerbaar. Grieks: dierbaarheid, of eerbaarheid; dat is: zeer eerbaar of dierbaar.
maar den ongehoorzamen
Namelijk in den Ps. 118:22, en Jes. 8:14, waarvan zie de verklaring Matt. 21:42; Ef. 2:20.
Hertaald:
maar den ongehoorzamen
Namelijk in Ps. 118:22 en Jes. 8:14; zie daarover de verklaring bij Matth. 21:42; Ef. 2:20.
Deze is geworden tot
Namelijk voor Gods gemeente, niettegenstaande allen wederstand en woeling, die de ongehoorzamen daartegen hebben gedaan.
Hertaald:
Deze is geworden tot
Namelijk voor Gods gemeente, ondanks alle tegenstand en alle woelingen die de ongehoorzamen daartegen ondernomen hebben.
een steen des aanstoots,
Namelijk voor de ongehoorzamen zelf, die zich tegen dezen steen door ongeloof hebben gekant, gelijk vs.8 verklaart.
Hertaald:
een steen des aanstoots,
Namelijk voor de ongehoorzamen zelf, die zich door hun ongeloof tegen deze steen gekeerd hebben, zoals vers 8 verklaart.
waartoe zij ook
Dat is, waartoe zij ook verordineert zijn, gelijk het woord zetten of stellen ook wordt genomen Joh. 15:16; Hand. 13:47; 1 Thess. 5:9. Niet dat God iemand zou zetten of ordineren om Zijn Woord ongehoorzaam te zijn, voor zo veel dat zonde is. Want zulks zou strijden tegen Gods natuur, Ps. 5:5; Jak. 1:13; maar omdat God door zijn rechtvaardig oordeel deze halsstarrige mensen in hunne halsstarrigheid heeft overgegeven, om deze hun ongehoorzaamheid tegen Christus meer en meer te ontdekken, Luc. 2:34; en zich zelf zo de verdiende straf en toorn Gods met hunne ongehoorzaamheid meer en meer op den hals te halen. Zie Jes. 8:14; Matt. 21:44, en de aantekeningen Rom. 1:24, en Rom. 9:17.
Hertaald:
waartoe zij ook
Dat is: waartoe zij ook bestemd zijn, zoals het woord zetten of stellen ook gebruikt wordt in Joh. 15:16; Hand. 13:47; 1 Thess. 5:9. Niet dat God iemand zou aanzetten of verordenen om Zijn Woord ongehoorzaam te zijn, voor zover dat zonde is; want dat zou strijden met Gods natuur, Ps. 5:5; Jak. 1:13. Maar God heeft deze halsstarrige mensen door Zijn rechtvaardig oordeel aan hun halsstarrigheid overgegeven, om hun ongehoorzaamheid tegenover Christus meer en meer te ontdekken, Luk. 2:34, en zo halen zij met hun ongehoorzaamheid de verdiende straf en de toorn van God meer en meer over zich heen. Zie Jes. 8:14; Matth. 21:44, en de aantekeningen bij Rom. 1:24 en Rom. 9:17.
gij zijt
Namelijk die Christus met waar geloof hebt aangenomen.
Hertaald:
gij zijt
Namelijk u die Christus met een waar geloof hebt aangenomen.
een uitverkoren
Dat is, u komen al deze voorrechten en eretitels metterdaad toe, die het ganse volk van Israël doorgaans en inzonderheid Ex. 19:5-6; Deut. 26:18-19, ten opzichte van het uiterlijk verbond worden gegeven; zie ook Mal. 3:16-17, Rom. 9:8.
Hertaald:
een uitverkoren
Dat is: aan u komen al deze voorrechten en eretitels werkelijk toe, die aan het hele volk Israël telkens gegeven worden en in het bijzonder in Ex. 19:5-6; Deut. 26:18-19, met het oog op het uiterlijke verbond; zie ook Mal. 3:16-17, Rom. 9:8.
een koninklijk priesterdom,
Dat is, koningen en priesters, gelijk Johannes spreekt Openb. 1:6. Mozes zegt Ex. 19:6, een priesterlijk koninkrijk. Doch de apostel volgt de Griekse overzetting, dewijl het één zin heeft.
Hertaald:
een koninklijk priesterdom,
Dat is: koningen en priesters, zoals Johannes zegt in Openb. 1:6. Mozes zegt in Ex. 19:6: een priesterlijk koninkrijk. Maar de apostel volgt de Griekse vertaling, omdat de betekenis dezelfde is.
een verkregen volk;
Grieks een volk tot verkrijging; dat is, dat God Zichzelf door Zijn bloed tot een eigendom heeft verkregen; Hand. 20:28.
Hertaald:
een verkregen volk;
Grieks: een volk tot verkrijging; dat is: een volk dat God Zich door Zijn bloed als eigendom verkregen heeft; Hand. 20:28.
de deugden Desgenen,
Dat is, de eigenschappen, namelijk de wijsheid, mogendheid, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid van God.
Hertaald:
de deugden Desgenen,
Dat is: de eigenschappen, namelijk de wijsheid, macht, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid van God.
uit de duisternis
Namelijk van de onwetendheid en natuurlijke boosheid.
Hertaald:
uit de duisternis
Namelijk uit de duisternis van de onwetendheid en de natuurlijke boosheid.
wonderbaar licht;
Dat is, tot heiligheid en ware kennis van God. Zie Hand. 26:18.
Hertaald:
wonderbaar licht;
Dat is: tot heiligheid en tot ware kennis van God. Zie Hand. 26:18.
Gij, die eertijds
Deze plaats is genomen uit Hos. 2:22, die de apostel hier van de verstrooide Joden, die tot Christus bekeerd waren, en Paulus, Rom. 9:25, ook van de bekeerde heidenen verklaart, die nu beiden een volk van God in Christus zijn; Ef. 2:13, enz.
Hertaald:
Gij, die eertijds
Deze plaats is genomen uit Hos. 2:22. De apostel verklaart die hier van de verstrooide Joden die tot Christus bekeerd waren, en Paulus in Rom. 9:25 ook van de bekeerde heidenen; die beiden zijn nu in Christus één volk van God; Ef. 2:13, enzovoort.
als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt
Of bijwoners, van welk woord, zie de aantekeningen 1 Petr. 1:17.
Hertaald:
als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt
Of: bijwoners; zie over dat woord de aantekeningen bij 1 Petr. 1:17.
tegen de ziel;
Dat is, tegen de zaligheid der ziel, namelijk om die te verderven. Eene andere zaak is het waarvan Paulus spreekt Rom. 7:23, en Gal. 5:17, als hij den strijd van vlees en geest tegen elkander beschrijft.
Hertaald:
tegen de ziel;
Dat is: tegen de zaligheid van de ziel, namelijk om die te verderven. Iets anders is het waarover Paulus spreekt in Rom. 7:23 en Gal. 5:17, wanneer hij de strijd van vlees en geest tegen elkaar beschrijft.
in den dag der bezoeking
Dat is, in dien tijd als de Heere hen zal aanzoeken door Zijn genade tot bekering; zie dergelijke Luc. 1:68, en Luc. 19:44. Anderen nemen het voor den dag, waarin de gelovigen van de ongelovigen verzocht of vervolgd worden; omdat het menigmaal geschiedt, dat de vervolgers, ziende de godzaligheid en lijdzaamheid der vervolgden, daardoor tot nadenken worden gebracht, en dien God zelf beginnen te prijzen, wiens kinderen zij tevoren vervolgden.
Hertaald:
in den dag der bezoeking
Dat is: in de tijd waarin de Heere hen door Zijn genade tot bekering zal roepen; zie iets dergelijks in Luk. 1:68 en Luk. 19:44. Anderen vatten het op als de dag waarop de gelovigen door de ongelovigen verzocht of vervolgd worden, omdat het dikwijls gebeurt dat de vervolgers, wanneer zij de godvrezendheid en de volharding van de vervolgden zien, daardoor tot nadenken gebracht worden en dezelfde God beginnen te prijzen Wiens kinderen zij eerder vervolgden.
menselijke ordening
Grieks menselijke schepping; welke woorden enigen voor de overheid zelf nemen, die zo genoemd wordt omdat zij uit mensen bestaat en door mensen gewoonlijk wordt gesteld. Anderen verstaan het van de ordinantiën en wetten, die de overheid tot onderhouding der burgerlijke enigheid en welvaart maakt. Doch de eerste verklaring komt met de volgende woorden wel zo goed overeen.
Hertaald:
menselijke ordening
Grieks: menselijke schepping. Sommigen vatten die woorden op als de overheid zelf, die zo genoemd wordt omdat zij uit mensen bestaat en gewoonlijk door mensen wordt aangesteld. Anderen verstaan het van de verordeningen en wetten die de overheid maakt om de burgerlijke eenheid en welvaart te bewaren. Maar de eerste verklaring komt beter overeen met de volgende woorden.
onderdanig,
Namelijk in al wat zij u gebieden, zo zulks tegen God en Zijn bevel niet strijdt. Zie Hand. 4:19.
Hertaald:
onderdanig,
Namelijk in alles wat zij u gebieden, voor zover dat niet strijdt met God en Zijn bevel. Zie Hand. 4:19.
om des Heeren wil;
Dat is, omdat het Gods wil is u door dezelve te regeren. Zie Rom. 13:1; 1 Tim. 2:2.
Hertaald:
om des Heeren wil;
Dat is: omdat het Gods wil is u door haar te regeren. Zie Rom. 13:1; 1 Tim. 2:2.
den koning,
Waardoor hier de Roomse keizer wordt verstaan, onder wiens gebied die provinciën toen stonden.
Hertaald:
den koning,
Daaronder wordt hier de Romeinse keizer verstaan, onder wiens gezag die provincies toen stonden.
straf wel der kwaaddoeners,
Of wraak.
Hertaald:
straf wel der kwaaddoeners,
Of: wraak.
den mond stopt
Dat is, hij geen oorzaak hebben om u te lasteren; een gelijkenis, genomen van de paarden of stieren, wien men een gebit in den mond legt of muilbandt, om hun het kwaaddoen te beletten. Zie Matt. 22:34; 1 Kor. 9:9.
Hertaald:
den mond stopt
Dat is: dat zij geen aanleiding hebben om u te belasteren. Dit is een vergelijking, genomen van de paarden of stieren, die men een bit in de mond legt of muilkorft om hun het kwaaddoen te verhinderen. Zie Matth. 22:34; 1 Kor. 9:9.
Als vrijen,
Dat is, als door Christus wel vrijgemaakt, van de heerschappij des duivels en der zonde, maar niet om onder dit deksel u de gehoorzaamheid der overheden te ontrekken of kwaad te doen, maar om God te dienen en zijne wetten te gehoorzamen.
Hertaald:
Als vrijen,
Dat is: als mensen die door Christus wel vrijgemaakt zijn van de heerschappij van de duivel en van de zonde. Maar dat is niet om zich onder die dekmantel aan de gehoorzaamheid aan de overheden te onttrekken of kwaad te doen; het is om God te dienen en Zijn wetten te gehoorzamen.
Eert een iegelijk;
Namelijk met de eer die hem volgens zijn staat en beroep toekomt.
Hertaald:
Eert een iegelijk;
Namelijk met de eer die hem naar zijn positie en beroep toekomt.
de broederschap lief;
Dat is, de broederen en hunne christelijke vergaderingen, gelijk hierna 1 Petr. 5:9.
Hertaald:
de broederschap lief;
Dat is: de broeders en hun christelijke bijeenkomsten, zoals hierna in 1 Petr. 5:9.
met alle vreze
Namelijk niet alleen der straf, maar ook de overtreding van hun geboden en met zorgvuldigheid om hen niet te vertoornen, zo veel in u is.
Hertaald:
met alle vreze
Namelijk niet alleen vrees voor de straf, maar ook vrees om hun geboden te overtreden, en met zorgvuldigheid om hen niet te vertoornen, zoveel als in u is.
onderdanig den heren,
Namelijk in den Heere, gelijk Paulus daarbij voegt; Ef. 6:1.
Hertaald:
onderdanig den heren,
Namelijk onderdanig in de Heere, zoals Paulus eraan toevoegt; Ef. 6:1.
den harden
Grieks den verdraaiden, krommen, slimmen, verkeerden.
Hertaald:
den harden
Grieks: de verdraaide, kromme, sluwe, verkeerde.
dat is genade,
Namelijk bij God, gelijk in het einde van vs.20 daarbij gevoegd wordt; dat is, het is Gode aangenaam.
Hertaald:
dat is genade,
Namelijk genade bij God, zoals aan het einde van vers 20 toegevoegd wordt; dat is: het is God aangenaam.
om het geweten
Grieks om de conscientie Gods; dat is, omdat hij in zijn conscientie zich verbonden houdt God boven allen te dienen en te gehoorzamen.
Hertaald:
om het geweten
Grieks: om het geweten van God; dat is: omdat hij zich in zijn geweten verplicht weet God boven allen te dienen en te gehoorzamen.
zwarigheid verdraagt,
Grieks droefheden.
Hertaald:
zwarigheid verdraagt,
Grieks: droefheden.
Want wat lof is het,
Namelijk voor God, gelijk in het einde van het vers.
Hertaald:
Want wat lof is het,
Namelijk lof bij God, zoals aan het einde van het vers.
als gij zondigt,
Dat is, als gij het wettelijk gebod uwer heren veracht of overtreedt.
Hertaald:
als gij zondigt,
Dat is: wanneer u het wettige gebod van uw heren veracht of overtreedt.
geslagen wordt?
Grieks met vuisten geslagen.
Hertaald:
geslagen wordt?
Grieks: met vuisten geslagen.
weldoet, en daarover
Dat is, God dient en Zijn geboden gehoorzaamt.
Hertaald:
weldoet, en daarover
Dat is: God dient en Zijn geboden gehoorzaamt.
hiertoe zijt gij geroepen,
Namelijk als discipelen van Christus, opdat gij Zijn kruis zoudt dragen; Matt. 10:38, en Matt. 16:24, enz.
Hertaald:
hiertoe zijt gij geroepen,
Namelijk als discipelen van Christus, opdat u Zijn kruis zou dragen; Matth. 10:38 en Matth. 16:24, enzovoort.
een voorbeeld nalatende,
Of patroon, voorschrift; een gelijkenis genomen van de schilders of schrijfmeesters.
Hertaald:
een voorbeeld nalatende,
Of: model, voorschrift; een vergelijking, genomen van de schilders of de schrijfmeesters.
Zijn voetstappen
Namelijk niet alleen in Zijn lijden, maar ook in Zijn lijdzaamheid, gelijk volgt.
Hertaald:
Zijn voetstappen
Namelijk niet alleen in Zijn lijden, maar ook in Zijn volharding, zoals volgt.
gaf het over aan Dien,
Dat is, gaf Zijn zaak over, of beval Zijn zaken. Of gaf Zichzelf over, of gaf de wraak over.
Hertaald:
gaf het over aan Dien,
Dat is: Hij gaf Zijn zaak over, of Hij beval Zijn zaken aan. Of: Hij gaf Zichzelf over, of Hij gaf de wraak over.
Zelf onze zonden
Namelijk als een offerande voor onze zonde, om door de straf, die Hij voor deze in lichaam en ziel leed, de zonde teniet te doen, gelijk den bok der verzoening de zonden van het volk opgelegd werden, Lev. 16:21, en gelijk Jesaja daarvan profeteert, Jes. 53:4, en Paulus verklaart 2 Kor. 5:21.
Hertaald:
Zelf onze zonden
Namelijk als een offer voor onze zonde, om door de straf die Hij daarvoor naar lichaam en ziel leed de zonde teniet te doen, zoals de zonden van het volk op de bok van de verzoening gelegd werden, Lev. 16:21, en zoals Jesaja daarvan profeteert, Jes. 53:4, en Paulus verklaart in 2 Kor. 5:21.
op het hout;
Of aan het hout; dat is, op of aan het kruis.
Hertaald:
op het hout;
Of: aan het hout; dat is: op of aan het kruis.
afgestorven zijnde,
Grieks afgeworden zijnde, of afgescheiden zijnde; namelijk door de kracht zijns doods en zijner voldoening.
Hertaald:
afgestorven zijnde,
Grieks: weggeworden zijnde, of afgescheiden zijnde; namelijk door de kracht van Zijn dood en van Zijn voldoening.
striemen gij genezen zijt
Grieks striem; namelijk die Hij om onzentwil gedragen heeft; welk woord de apostel hier te liever gebruikt, daar de dienstknechten, omdat zij christenen waren, dergelijke striemen van hunne harde heren dikwijls moesten dragen.
Hertaald:
striemen gij genezen zijt
Grieks: striem; namelijk de striem die Hij om ons gedragen heeft. De apostel gebruikt dit woord hier des te liever, omdat de dienstknechten, omdat zij christenen waren, dikwijls zulke striemen van hun harde heren moesten dragen.
als dwalende schapen;
Namelijk in uw onwetendheid en blindheid. En hier ziet de apostel op Jes. 53:6.
Hertaald:
als dwalende schapen;
Namelijk dwalend in uw onwetendheid en blindheid. Hier ziet de apostel op Jes. 53:6.
Opziener uwer zielen
Grieks episcopon; dat is, toeziener of opziener, dat is die zorg draagt voor de zaligheid uwer zielen, al is het dat uwe lichamen hier dikwijls mishandeld worden. Zie Matt. 10:28.
Hertaald:
Opziener uwer zielen
Grieks: episkopon; dat is: toeziener of opziener, dat is: Hij Die zorg draagt voor de zaligheid van uw zielen, ook al worden uw lichamen hier dikwijls mishandeld. Zie Matth. 10:28. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Wie tot Christus komt, "als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar" (1 Petr. 2:4), wordt zelf "als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus" (1 Petr. 2:5). Petrus vat de identiteit van de gemeente samen: "gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petr. 2:9). Bijbelse betekenis: Dit is een ander accent dan Priesterschap naar de ordening van Melchizedek (Hebr. 5 en 7, reeds behandeld), dat over het eigen, unieke hogepriesterschap van Christus gaat. Hier gaat het om het priesterschap van elke gelovige. Het is geen aparte priesterklasse binnen de gemeente, maar de gehele gemeente als "geestelijk huis", geroepen om geestelijke offeranden te brengen — lof, dankzegging, een toegewijd leven — en Gods deugden te verkondigen. Typologie: Dit vervult wat God al bij de Sinaï tot Israël zei: "gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn" (Ex. 19:6); het beeld van het geestelijk huis/gebouw keert terug bij Ef. 2:21, waar de gemeente "opwast tot een heiligen tempel in den Heere." 1 Petr. 2:4-5,9; Ex. 19:6; Ef. 2:21 Petrus tekent Christus als het volmaakte voorbeeld van geduldig lijden: "Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt" (1 Petr. 2:22-23). Tegelijk is dat lijden meer dan een voorbeeld: "Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt" (1 Petr. 2:24). Het hoofdstuk sluit met het beeld van de terugkeer: "gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen" (1 Petr. 2:25). Bijbelse betekenis: Beide waarheden staan naast elkaar zonder elkaar te verdringen. Het lijden van Christus is allereerst plaatsvervangend en zondedragend; geen mens kan Zijn kruisdragen op die manier navolgen. Tegelijk laat Zijn geduldige, wraakloze houding onder onrecht een patroon na dat de lijdende gelovige wél kan en moet navolgen. De titel "Herder en Opziener uwer zielen" verbindt dit weer met Goede Herder (Joh. 10, reeds behandeld) en Opziener (Hand. 20/1 Tim. 3, reeds behandeld): Christus is beide tegelijk. Typologie: Petrus citeert of parafraseert hier voortdurend Jes. 53: "door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jes. 53:5), en "omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is" (Jes. 53:9) — de lijdende Knecht is hier zonder omhaal op Christus toegepast. 1 Petr. 2:21-25; Jes. 53:5,9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Petrus schrijft aan knechten die onrechtvaardig behandeld worden. Hij troost hen niet met de gedachte dat het wel meevalt. Hij wijst hun Iemand aan Die hetzelfde onderging, en het gedeelte loopt uit op Jesaja 53. Wat de profeet zeven eeuwen eerder beschreef, past Petrus regel voor regel toe op het kruis. Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen. Dan volgen vier zinnen die alle uit Jesaja 53 komen. Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt. En dan het hart ervan: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. De kanttekening zegt precies hoe dat gelezen moet worden: namelijk als een offer voor onze zonde. Door de straf die Hij daarvoor naar lichaam en ziel leed, doet Hij de zonde teniet — zoals de zonden van het volk op de bok der verzoening gelegd werden, en zoals Jesaja daarvan profeteert. Zo staat Leviticus 16 in dit vers. Wat Aäron eenmaal per jaar met belijdenis op de kop van de levende bok legde, is hier werkelijk gedragen. Daarop volgt het doel, en dat is geen vrijblijvende troost: opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden. De kanttekening geeft bij dat afsterven: weggeworden of afgescheiden zijnde, door de kracht van Zijn dood en van Zijn voldoening. Het slot brengt het terug bij de lezers zelf: door Wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. Daar is Ezechiël 34 weer, waar God zei dat Hij Zijn schapen zelf zou opzoeken. In het Nieuwe Testament: Jesaja 53:4-9; 2 Korinthe 5:21; Johannes 10:11; Hebreeën 9:28
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Thomas spreekt met een jongen op een Londens treinstation over geloof, God en Jezus Christus. Voor u dan, die gelooft, is Hij kostbaar. 1 Petrus 2:7 Petrus noemt Jezus kostbaar. Maar zelfs hij kon niet uitleggen hóe kostbaar Hij is, en eigenlijk kan… Keer terug, keer terug, o Sulammith! Keer terug, keer terug, zodat wij u kunnen zien! Wat ziet u toch aan Sulammith? Zij is als een reidans van twee… En zij hielden niet op om iedere dag in de tempel en bij de huizen onderwijs te geven en Jezus Christus te verkondigen. (Handelingen 5:42) Lees verder 2 Petrus… Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot de Herder en Opziener uwer zielen. 1 Petrus 2:25 Vriend, laat dit uw troost zijn, dat… Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.… Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zou navolgen; Die Zelf onze zonden in Zijn… En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen. 1 Petrus 2:2 Wanneer de apostel ons met het beeld… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Indien u tenminste geproefd hebt dat de Heere goedertieren is. 1 Petrus 2:3 Er staat in onze tekst het woordje ‘indien’.… ... door Wiens striemen gij genezen zijt. 1 Petrus 2:24 Hebt u de blik wel eens op de zon geslagen, er strak naar gekeken en geprobeerd uw oogleden… ... opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden. 1 Petrus 2:24 Al diegenen onder u die hebben gezien op Jezus Christus, Die uw zonden in… Die Zelf onze zonden op Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. 1 Petrus 2:24 De zonde werd op de Heere Jezus gelegd, want Zijn God had Hem… Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. 1 PETRUS 2:10 Het Woord van God… Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen; En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Is Hij dierbaar? 1 Petrus 2:7 Als de rivieren, die in zee lopen, zo verenigen zich al onze genietingen in de… Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk. 1 Petrus 2:9. De heiligen zijn koningen. Neem de koninklijke taak van de… Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:6 Zondaar, neem de toevlucht tot Christus! Maar je antwoordt: „Ik ben te slecht.” Hoe slechter je bent,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Petrus 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Die onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft — 2:21-25
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Even goed als Jezus?
Dierbare Jezus
Niet in eigen kracht
Christelijke verzoening
Een dwalend schaap bekeerd
Gratie voor een terdoodveroordeelde
Redding uit de 'onmogelijkheid’
Goddelijk voedsel
Indien u tenminste geproefd hebt dat de Heere goedertieren is
Bemin Hem
Christus is voor ons de dood van de zonde
Onze zonden gedragen
De Kerk
Wees oprecht
Is Hij dierbaar?
Koningen
Geen betere arts


1 Petrus 2
1 Petrus 2:1
KruisverwijzingenEfeze 4:31→Jakobus 1:21→Jakobus 4:11→1 Korinthe 14:20→Kolossenzen 3:5→1 Timotheüs 3:11→Hebreeën 12:1→1 Petrus 4:2→— Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
Dit is een van die oude, verderfelijke dingen; leg het dan van u af.
1 Petrus 2:2
KruisverwijzingenHebreeën 5:12→Efeze 4:15→1 Korinthe 3:1→Mattheüs 18:3→2 Petrus 3:18→Markus 10:15→1 Korinthe 14:20→2 Thessalonicenzen 1:3→— En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;
U bent in het gezin van God, maar u bent daarin nog maar kinderen. U moet opgroeien tot de mannelijke rijpheid in Christus Jezus. Wees daarom zeer begerig naar de onvervalste melk van het Woord, opdat u daardoor mag opgroeien. Er is geen andere weg om te groeien.
1 Petrus 2:3-4
Kruisverwijzingen1 Petrus 2:7→Psalmen 34:8→Handelingen 4:11→Psalmen 118:22→Hebreeën 6:5→Psalmen 24:8→Psalmen 63:5→Zacharia 9:17→— Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
Hebt u dit geproefd? Onderzoek uzelf, en zie. Hebt u het geproefd, bewijs het dan door het kwade af te leggen, en te dorsten naar het goede.
1 Petrus 2:5
KruisverwijzingenEfeze 2:20→1 Petrus 2:9→1 Korinthe 3:9→Jesaja 61:6→Filippenzen 4:18→Hebreeën 3:6→Openbaring 5:10→Openbaring 1:6→— Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
Zie wat Jezus Christus gemaakt heeft van u die in Hem gelooft. Door het onvergankelijke bloed en het onvergankelijke zaad heeft Hij u tot een hemels priesterschap gemaakt. U mag vandaag bij het geestelijke altaar staan, en geestelijke offeranden opofferen, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. Zult u niet bidden, zult u niet loven, zult u niet liefhebben? Dat zijn offeranden waarin God een welbehagen heeft.
1 Petrus 2:6-7
KruisverwijzingenJesaja 28:16→Efeze 2:20→Romeinen 9:32→1 Petrus 2:4→Zacharia 10:4→Psalmen 118:22→Efeze 1:4→Daniël 10:21→— Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
Is Hij niet dierbaar? Geniet dan van Zijn kostbaarheid, allen die waarlijk in Hem geloven. Kostbare Christus, kostbaar voor al Zijn volk, kostbaar voor mij!
1 Petrus 2:7-8
KruisverwijzingenJesaja 8:14→Psalmen 118:22→1 Petrus 2:8→Romeinen 9:22→1 Korinthe 1:23→Mattheüs 21:42→Handelingen 4:11→Markus 12:10→— U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
Toen Petrus deze verzen schreef, moet hij aan zijn eigen naam gedacht hebben. Hij werd een steen of een rots genoemd; en eens was hij voor zijn Meester “een steen des aanstoots,” toen hij zich aan Christus’ woord stiet, en zelfs zijn Heere begon te bestraffen. Maar hij werd vergeven en behouden, en nu geeft hij een waarschuwing aan anderen. Zij moeten oppassen niet nog erger te zondigen, door Christus Zelf voor hen tot “een steen des aanstoots, en een rots der ergernis” te maken.
1 Petrus 2:9-10
KruisverwijzingenExodus 19:5→Deuteronomium 7:6→Jesaja 61:6→Openbaring 1:6→Openbaring 5:10→Deuteronomium 14:2→Deuteronomium 10:15→Deuteronomium 26:18→— Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.
Hoor dit, gelovigen, drink deze kostbare waarheid in. Zie Gods verkiezing, die u maakt tot een volk, geboren uit de Heilige Geest: “een uitverkoren geslacht.” Dit is een wonderlijke combinatie: tegelijk koningen en priesters. Alle eer komt op u samen door goddelijke genade: “een koninklijk priesterdom.” U hebt nationale voorrechten. God rekent u niet als een menigte of een kudde mensen, maar als een volk, en een volk met dit bijzondere kenmerk: dat u “een heilig volk” bent. Uw weg is niet de brede weg waarop velen gaan; het is de smalle weg die weinigen vinden. Uw geluk is niet wereldse genoegen, maar de vreugden aan Gods rechterhand, die eeuwig zijn.
1 Petrus 2:11
Kruisverwijzingen1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→Galaten 5:24→Jakobus 4:1→Romeinen 8:13→Hebreeën 11:13→2 Timotheüs 2:22→Romeinen 13:13→— Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
U behoort niet tot de vergankelijke wereld; u bent van een onvergankelijk geslacht.
1 Petrus 2:11-14
KruisverwijzingenMattheüs 5:16→1 Johannes 2:15→1 Petrus 3:16→Filippenzen 2:15→1 Petrus 4:2→Galaten 5:24→Jakobus 4:1→Romeinen 8:13→— Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel; En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende; Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
Christenen behoren goede burgers te zijn. Al zijn zij in zeker opzicht geen burgers van deze wereld, toch behoren zij, nu zij zich erin bevinden, het welzijn te zoeken van hen onder wie zij wonen. Zij behoren voorbeelden van orde te zijn.
1 Petrus 2:15-17
KruisverwijzingenSpreuken 24:21→1 Petrus 2:12→1 Thessalonicenzen 4:3→Romeinen 13:7→Titus 2:8→1 Petrus 3:17→1 Thessalonicenzen 5:18→Romeinen 12:10→— Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen; Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God. Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
Al zijn zij bedelaars, toch zijn zij mensen: eer hen. Gods beeld is in elk mens, hoe geschonden en bevlekt het ook is. Omdat hij een mens is, eer hem, heb medelijden met hem. Zie nooit met minachting op hem neer, maar besef altijd dat er zelfs in die massa vuiligheid een onsterfelijke vonk is.
1 Petrus 2:18-20
KruisverwijzingenTitus 2:9→1 Timotheüs 6:1→Kolossenzen 3:22→1 Petrus 2:19→Jakobus 3:17→Efeze 6:5→Romeinen 13:5→1 Petrus 3:17→— Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden. Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
Ik heb sommigen gekend die dat niet konden. Werden zij maar even vriendelijk toegesproken, dan waren zij meteen geërgerd. Maar wie verdraagt, wanneer hij weldoet, dat is genade bij God. Hier wordt iets gevraagd wat de menselijke natuur te boven gaat. Nu komt de genade te hulp: “dat is genade bij God.”
1 Petrus 2:21-23
KruisverwijzingenJesaja 53:9→1 Johannes 2:6→2 Korinthe 5:21→Mattheüs 16:24→Handelingen 14:22→Jesaja 53:7→Hebreeën 12:3→1 Petrus 3:18→— Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen; Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
Er was geen reden waarom Hij zou moeten lijden, want Hij had niets verkeerd gedaan. Hij werd geslagen zonder eigen schuld, en toch, hoe geduldig verdroeg Hij dat alles! Hij opende Zijn mond zelfs niet om te morren of te klagen. Hij gaf de hele zaak over aan het Hoogste Gerechtshof: “aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt.” Het zal ook voor ons wijs zijn te beseffen dat wij kunnen wachten. Wij weten dat onze Wreker leeft, en dat Hij, op Zijn eigen tijd, alle onrecht zal rechtzetten.
1 Petrus 2:24-25
KruisverwijzingenJesaja 53:4→Ezechiël 34:6→Jesaja 53:6→Romeinen 6:11→Mattheüs 8:17→Lukas 15:4→Jesaja 40:11→Romeinen 6:2→— Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.
Nu u door de rijke genade van God bent teruggebracht, ga dan door met verdragen en verduren, opdat u het middel mag zijn om anderen terug te brengen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
B. Vers 1-10KruisverwijzingenExodus 19:5→Deuteronomium 7:6→Jesaja 28:16→Deuteronomium 14:2→Hebreeën 5:12→Efeze 4:31→Efeze 2:20→Deuteronomium 10:15→
— Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen; En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.
In Hoofdstuk 1: 22 vv. had de apostel zijn lezers gewezen op de wedergeboorte door het onder hen verkondigde en in geloof door hen aangenomen Woord van de Heere en hen uitdrukkelijk vermaand tot onderlinge broederlijke liefde. Nu gaat hij voort hen te dringen tot aflegging van alles wat hun nog van de oude mens aanhangt en tegen deze liefde strijdt. Hij beveelt hun als een voedingsmiddel voor de groei van de nieuwe mens, dat begerig moet worden aangenomen, hetzelfde woord aan, waaruit zij zijn wedergeboren, en waarin zij reeds de vriendelijkheid van de Heere gesmaakt hebben (vs. 1-3). Deze zelfde Heer, waartoe zij in geloof gekomen zijn, stelt Hij hun dan ook voor als de levende steen, waarop zij als op de grondsteen van hun zaligheid moeten opbouwen, om overeenkomstig hun roeping meer en meer tot een geestelijk huis en een heilig priesterschap, die voor God geestelijke, Hem aangename offers brengt, zich te ontwikkelen. Hij stelt hun daarbij voor, in wat een geheel andere verhouding zij tot deze steen, die volgens de profetie door de mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren en dierbaar is, staan, dan de ongelovige Heidenen en Joden, wat een zalige staat zij verkregen hebben door op deze gevestigd te zijn, de deugden te verkondigen van Hem, die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht (vs. 4-10).
Gedraag u dan overeenkomstig uw tegenwoordige staat, omdat u toch uw zielen gereinigd heeft in de gehoorzaamheid van de waarheid (Hoofdstuk 1: 22). a) Leg dan af alle kwaadheid (Jak. 1: 21. 1 Kor. 14: 20 Kol. 3: 8) en alle bedrog (Hoofdstuk 2: 22; 3: 10 1Pe 2. 22) de geveinsdheid (Luk. 12: 1 MATTHEUS. 23: 28) en nijdigheid en alle achterklappingen (2 Kor. 12: 20 Wijsh. 1: 11, evenals de overige zonden, die van uw vroeger heidens leven (Rom. 1: 29 v.) zich nog bij u mochten bevinden.
MATTHEUS. 18: 3 Rom. 6: 4 Efez. 4: 23 Hebr. 12: 1
En als nieuw geboren kinderen, die u volgens de wedergeboorte in Hoofdstuk 1: 23 genoemd sinds uw bekering tot Christus bent (Latijn: Quasi modogeniti, waarvan de eerste Zondag na Pasen zijn naam heeft Joh 20: 19, wees zeer begerig naar de redelijke, met uw tegenwoordige aard overeenstemmende (Rom. 12: 1), onvervalste, van alle schadelijke bijvoeging bewaarde melk van het Evangelie (Hoofdstuk 1: 23), opdat u door deze mag opgroeien en rijp worden voor de zaligheid (Efez. 4: 15 v.).
Als u anders, zoals ik van u mag verwachten (Rom. 8: 9), in uw tegenwoordige Christelijke staat, gesmaakt heeft, dat de Heere goedertieren is (Ps. 34: 9 Hebr. 6: 4 v.) en u nu deze Zijn goedertierenheid nog verder en in volle mate aan uw inwendige mens hoopt te ervaren.
De apostel neemt, zoals duidelijk is uit de woorden “zo legt dan af” de vermaning in Hoofdstuk 1: 22 weer op, die begint met de woorden “hebbende dan uw zielen gereinigd” en weer als voorwaarde van een gedrag, waarvan wij vooraf kunnen verwachten, dat het wel niet hetzelfde is als de daar geëiste broederlijke liefde, maar toch iets zijn zal, inwendig en wezenlijk daarbij behorend. Wat dan in de eerste plaats het afleggen aangaat van zekere onzedelijke gedragingen, dat Petrus in de eerste plaats eist, zo kan dat natuurlijk alleen geëist worden van hem, in wiens persoonlijk leven reeds enige bevrijding kan worden verondersteld van de zondige vleselijke natuur, die tot zo’n gedrag dringt enige zelfstandigheid van het “ik” tegenover haar, dus eigenlijk alleen van de Christen, bij wie die scheiding werkelijk teweeg is gebracht. De objecten van dat afleggen worden vervolgens in drie groepen voorgesteld, die door het drievoudig gebruik van het “alle” zichtbaar worden gemaakt. Vooraan staat het meest algemene “de boosheid. ” Dat is die gezindheid of dat uitwendig gedrag, dat als doel en gevolg enig benadelen van de naaste heeft, van zijn persoon of zijn bezitting, in het geestelijke of lichamelijke. Het tweede “alle” laat een bijzondere soort van die boosheid volgen, die bestaat uit drie bij elkaar behorende openbaringen: bedrog of arglistigheid, die anderen door bedrieglijk gelegde strikken ten val wil brengen; geveinsdheid, die tot uitoefening van bedrog noodzakelijk is en nijd of gedurige opwellingen van wangunst, waaruit het bedrog pleegt te ontstaan. De tweede bijzondere groep, die als derde weer met een “alle” begint, is het achterklappen, waaronder de lasteringen bedoeld zijn als openbaringen van de gezindheid, die er genot in vindt de naaste dat te ontroven, wat men hem niet door nijdige arglistigheid kan ontstelen en zichzelf toe-eigenen, zijn goede naam (“de boosheid heeft een vermaak in het nadeel van de naaste, de nijd heeft verdriet over de bezittingen van de naasten, het bedrog verdubbelt het hart, de huichelarij de tong, het achterklappen schaadt de goede naam” Augustinus). Komt nu het geëiste afleggen van al deze onreinheden nauwkeurig overeen met de bovengestelde eis van een ongeveinsde broederlijke liefde, zo neemt de apostel vervolgens ook de inhoud van Hoofdstuk 1: 23 weer op en specialiseert het daar genoemde algemene begrip van “weer geboren zijn” door de nieuwe momenten van “nieuw” en “kinderen” bij het “geboren zijn”; op die beide momenten aan de ene zijde en op het “opdat u door deze mag opwassen” rust dan de nadruk. Want niet dit is de hoofdzaak, wat zij moeten begeren, zodat het woord “melk” tegenover “vast voedsel” (Hebr. 5: 12. 1 Kor. 3: 2 de nadruk zou hebben, maar op grond waarvan en daarom tot welk einde zij naar het Woord van God begerig moeten zijn, daarop komt hier alles aan. Wat groeien zal, moet voedsel hebben en voor het kind, dat voor alle anderen moet groeien, kan het daartoe gevorderde voedsel slechts melk zijn, die uit de moeder komt, die het ter wereld heeft gebracht. De lezers moeten dan niet alleen, zoals in Hoofdstuk 1: 22 gezegd is, elkaar wederkerig oprecht liefhebben, maar verder erop bedacht zijn, dat gemeenteleven, dat door broederlijke liefde wordt bewaard, ook tot ontwikkeling en volmaking te brengen door getrouw vasthouden aan het woord, dat, evenals het door de wedergeboorte de gemeente hersteld heeft, nu ook in staat is allen in het bijzonder tot steeds degelijker leden van het geheel en zo het geheel steeds volkomener te maken.
De lezers zijn door de wedergeboorte nieuw geboren kinderen en moeten nu als zodanig verlangen naar dat, wat voor zodanig kinderlijk leven hetzelfde is als moedermelk voor het natuurlijk leven van een kind. Omdat zij niet in tegenstelling tot degenen, die reeds langer het nieuwe leven bezitten, nieuw geboren kinderen heten, maar in tegenstelling tot het leven, waarin zij vroeger van de geboorte aan hadden gestaan, zo is ook de melk, die hun verlangen moet zijn, niet in tegenstelling tot het vaste voedsel van gevestigde Christenen, maar in tegenstelling tot hetgeen zij vroeger hadden begeerd. een “redelijke” melk wordt die genoemd, omdat zij geestelijk is, wat de melk uit de moederborst lichamelijk is en “onvervalst” wordt zij genoemd, omdat zij te vergelijken is met de zuivere melk, die het kind aan de moederborst doet groeien. Wat de apostel daarmee bedoelde, sprak voor de lezers vanzelf: hetzelfde woord, waardoor (Hoofdstuk 1: 23 en 25) zij waren wedergeboren, kenden zij ook als het voedsel van het leven. En zij moesten niet hebben gesmaakt, dat de Heere goedertieren is, als zij niet zouden verlangen, om daardoor op te groeien voor de toekomstige zaligheid.
Dit verlangen is het ware verschijnsel van de gezondheid van onze ziel. Zolang het kind begerig is naar de moedermelk, kan men zonder bezorgd te zijn voor het jeugdige, tedere leven; maar als deze kost niet meer smaakt, dan is het gevaarlijk ziek; beproef uzelf daaraan, kind van God.
Heeft u niet gesmaakt, dat de Heere goedertieren is, zegt Paulus, dan predikte ik zeker tevergeefs.
O hoeveel nijd en achterklap komt daarvan, dat men niets beters weet, de vrede in God niet heeft gesmaakt! Die eenmaal gesmaakt heeft, hoeveel zaligheid en zoetheid er is in de omgang met de Heere Jezus, in de overdenking van Zijn woorden, beloften en wegen, die berokkent zich niet graag meer zulke verloren uren, als men bij de oude onreinheid heeft.
Dit heet evenwel gesmaakt, wanneer ik van harte geloof dat Christus zich aan mij gegeven en mijn eigen geworden is en dat mijn onheil het Zijn en Zijn leven het mijne is. Die die ter harte gaat, die smaakt het. Maar zij smaken het het beste, die in doodsnoden verkeren, of wie het kwade geweten kwelt. Daar is de honger een goede kok.
“Als”: dus is dit geen zaak die aan ieder lid van het menselijk geslacht geschonken wordt. “Als” zo bestaat de mogelijkheid en de waarschijnlijkheid dat sommigen niet gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is. “Als”, dan is dit geen algemene, maar een bijzondere genade en is het noodzakelijk dat wij onszelf afvragen, of wij de genade van God door innerlijke ervaring kennen: Er is geen geestelijke genade, die niet een drangreden is tot ernstig onderzoek van het hart. Maar terwijl dit een drangreden tot ernstig en biddend onderzoek behoort te zijn, mag niemand gerust zijn, zolang er een “als” bestaat aangaande het gesmaakt hebben, dat de Heere goedertieren is. Een jaloers en heilig wantrouwen aan zichzelf kan zelfs in het hart van de gelovigen die vraag doen oprijzen, maar het voortduren van die twijfel zou voorwaar zonde worden. Wij moeten niet buiten een wanhopige strijd blijven, ten einde de Zaligmaker in de armen van het geloof te kunnen sluiten en te zeggen: Ik weet, in Wie ik geloofd heb en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren. “Rust niet, o gelovige, voordat u een volkomen verzekering van uw deel in Jezus heeft. Dat niets u voldoende zij, voordat u door het onfeilbare getuigenis van de Heilige Geest met uw geest getuigend, verzekerd bent dat u een kind van God bent. Och beuzel hier niet, laat geen “misschien”, noch “als”, noch “mogelijk” uw ziel tevreden stellen. Bouw op eeuwige waarheden en steun in waarheid op deze. Grijp de zekere weldadigheden van David aan, en grijp ze vast aan. Werp uw anker uit in hetgeen zich binnen het voorhangsel bevindt en zie goed toe, dat uw ziel aan het anker vastgehecht wordt met een kabeltouw, dat niet kan breken. Treed voorwaarts door die dorre “als”; blijf niet langer in de wildernis van twijfel en vrees; doorwaad de Jordaan van het ongeloof en treed het Kanaän van de vrede binnen, waar zich de Kanaäniet nog wel ophoudt, maar welks land niet ophoudt van melk en honing te vloeien.
Door middel van het geloof heeft u een persoonlijke levensgemeenschap met Christus verkregen (Gal. 2: 20), a) en daardoor bij uw bekering gekomen als tot een levende steen (Joh. 4: 10; 6: 48 vv.), door de mensen wel verworpen (Hand. 4: 11 v. 1 Kor. 1: 23), maar bij God, volgens Zijn oordeel (Rom. 2: 13 Jak. 1: 27) uitverkoren en dierbaar (MATTHEUS. 12: 18).
Efeze. 2: 20
Zo wordt u ook zelf in overeenstemming met Zijn staat en Zijn wezen (Hoofdstuk 1: 15), als levende stenen, die u door uw komen tot Hem bent geworden (Joh. 6: 51 vv. ; 10: 28; 14:19, gebouwd op deze grond en hoeksteen (Efeze. 2: 20 vv. Kol. 2: 6 v. Hand. 9: 31) tot a) een geestelijk huis (Hoofdstuk 4: 17. 1 Kor. 3: 16 v. 1 Tim. 3: 15), tot b) een heilige priesterschap (vs. 9 Openbaring 1: 6), om c) geestelijke offeranden op te offeren (Rom. 12: 1 Hebr. 13: 15 v. Jak. 1: 27), die voor God aangenaam zijn, door Jezus Christus (Rom. 15: 16 Efeze. 1: 6).
Hebr. 3: 6 b) Openbaring 5: 10 c) Hebr. 12: 28
De voorstelling, te voren gegeven in verband met Hoofdstuk 1: 23 vv., de voorstelling van het voeden en de groei van het nieuwe leven, wordt door de apostel verlaten, als hij voortgaat: “waartoe komend als tot een levende steen”. Hiermee wordt de Heere voorgesteld als de steen, waaraan wij ons als stenen aansluiten zodat daaruit een gebouw opgroeit. Het woord “komend” geeft het voortdurende komen te kennen, om te herinneren, dat hier van een gemeenschap sprake is die alleen door een voortdurende, aanhoudende overgave van onze zijde wordt onderhouden. Bij zo’n aansluiten aan Hem, de levende steen, worden wij ook zelf als levende stenen bestanddelen van een gebouw namelijk van dat, waarvoor Hij door God is verkoren en in vereniging met elkaar groeien wij op tot een geestelijk huis tot een huis, omdat het door samenvoeging van vele bestanddelen tot de eenheid van een woning is geworden, tot een geestelijk huis, omdat de stenen, waaruit het opgroeit, levende stenen zijn, dat tegenover een stoffelijk gebouw staat. En omdat nu deze levende bouwstenen op priesterlijke wijze Hem dienen, wiens huis, waarin Hij woont (2 Kor. 6: 16), zij vormen, zo worden zij tevens tot een “heilig priesterschap”. Zij zijn dat in een andere zin dan de Aäronietische priesterschap dat was, die ook wel, als door God uitverkoren een heilige was, maar toch slechts in het stoffelijke huis door het brengen van stoffelijke offers diende. Hun werk is integendeel het brengen van zodanige offers, die van geestelijke aard zijn, evenals het huis, dat zij uitmaken, en wel niet krachtens bepalingen van de wet, maar door Jezus Christus, als wiens eigendom zij offeren, voor God aangenaam zijn.
Deze is de bijzondere heerlijkheid van de gemeente van het Nieuwe Testament, dat zij niet alleen zelf het huis van God is, maar tevens de priesterschap, nodig tot de dienst. Als nu deze priesterlijke gemeente heilig wordt genoemd, zo moet zij daardoor niet als een van bijzondere aard tegenover andere priesters worden geplaatst, die niet heilig zouden zijn; maar de heiligheid, die het noodzakelijk attribuut van iedere priester is, wordt hier slechts uitdrukkelijk uitgesproken, omdat de priesterschap, waaraan zij bepaald toekomt, hier diegenen zijn, die overigens juist om het ontbreken van die heiligheid een bijzonder geheiligde priesterschap nodig hadden, de gezamenlijke leden van de gemeente. Hetzelfde, dat de Christen bekwaam maakt, om zelf als een levende steen tot het huis van God te behoren, namelijk het heilige goddelijke leven, dat Hem in de wedergeboorte van Christus ten deel is geworden, juist dat maakt hem ook geschikt onmiddellijk, zonder tussenkomst van een hiertoe in het bijzonder gewijde priester, voor God te staan en Hem in de zaken van dit leven te dienen; want dit leven moet juist de openbaring zijn van de reeds teweeg gebrachte gemeenschap met God en alles, wat werkelijk door deze nieuwe door God teweeggebrachte toestand is, behoort tot de geestelijke offeranden, die hij voor God geeft.
Bij deze gehele beschrijving van de roeping van de Christenen, heeft de apostel niet zozeer op het oog het onderscheid tussen de gemeente van het Oude en die van het Nieuwe Verbond voor te stellen, maar integendeel op de voorgrond te plaatsen, dat in de laatste datgene vervuld wordt en vervuld zal worden, wat aan de eerste reeds was beloofd en bij haar alleen op voorafbeeldende en onvoldoende wijze in het licht was getreden. Daarbij komen dan ook de onderscheidingen duidelijk voor de dag. Israël had een huis van God, maar de Christelijke gemeente is geroepen zelf het huis van God te zijn. Dat huis was van dode stenen gebouwd, dit is uit levende stenen gebouwd en is een geestelijk huis. Israël moest een heilige priesterschap zijn, maar het was dat alleen in de bijzondere priesterstand, die in haar midden was; de Christelijke gemeente is echter geroepen een heilige priesterschap te zijn in die zin, dat ieder in het bijzonder het priesterlijk ambt moet waarnemen; de offers, die de priesters in Israël moesten brengen, waren dieren en dergelijke, de offeranden van de Christenen daarentegen zijn geestelijke offeranden, die voor God door Christus welbehaaglijk zijn.
Christus is de Hogepriester, door God zelf gezalfd; die ook Zijn eigen lichaam voor ons geofferd heeft, wat het hoogste priesterambt is. Daarna heeft Hij aan het kruis voor ons gebeden. Vervolgens heeft Hij ook het Evangelie verkondigd en alle mensen geleerd God en zichzelf te kennen. Deze drie ambten heeft Hij ook aan ons allen gegeven. Daarom, omdat Hij Priester is en wij Zijn broeders zijn, zo hebben alle Christenen macht en last, te prediken en voor God te verschijnen en zichzelf voor God te offeren. En toch, dat niemand zich onderstaat het woord van God te prediken, als hij niet een priester en geestelijk is!
Daarom, omdat het zo Gods raad en wil is, zoals ik straks zei, dat Christus de levende steen zou zijn, waartoe de leden van de Nieuw-Testamentische gemeente komend, zouden worden gebouwd tot een geestelijk huis en een heilige priesterschap, is ook vervat in de Schrift (Jes. 28: 16): “Zie, Ik leg in Zion een uiterste hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is” en: “Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden, maar tot de zaligheid van de zielen, het einde van het geloof (Hoofdstuk 1: 9), komen.
De plaats van Jesaja heeft reeds boven in vs. 4 aanleiding gegeven tot de uitdrukking van de apostel; pas nu wordt zeer uitdrukkelijk de betrekking van de Nieuw-Testamentische gemeente tot Christus, haar fundament, als vervulling van dit woord van de Schrift voorgesteld. Behalve enkele andere afwijkingen van de woorden bij de profeet voegt nu Petrus bij “gelooft” “in Hem”; want hij heeft boven gezegd “waartoe komend” en omdat het “komend” daar gelijk staat met het “gelooft” op deze plaats, zo moest nu ook met het “waartoe” daar iets hier overeenkomen, dat nu door “in Hem” wordt bijgebracht. De eerste helft van het citaat hier neemt in het woord van vs. 4 de laatste plaats in, terwijl het middelste gedeelte op een plaats van de Schrift wijst, die niet door de apostel zelf is aangehaald, maar opnieuw uit vs. 7 hier is overgebracht. Zien wij op de woorden in vs. 4 “door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar” dan zijn hier de mensen geplaatst in tegenstelling tot God en is hetgeen de vorsten van de Joden, die in de Psalm als bouwlieden worden voorgesteld, in de verwerping van Christus, het fundament van een nieuwe mensheid, hebben gedaan, beschouwd als het eenmaal door de mensheid uitgesproken vonnis in zijn strijd tegen het oordeel van God. Die wijze van beschouwen is dan ook geheel juist; want, terwijl het volk Israël, dat uit alle volken tot drager en aanbrenger van de zaligheid was verkoren, in zijn oversten, die aan het hoofd van de theocratie stonden, Hem verwierpen, is werkelijk een beslissing van de zijde van de mensheid uitgesproken; elke latere verhouding van bijzondere personen tot Christus is voortaan of instemmen met dit reeds uitgesproken oordeel van de verwerping of met het oordeel van God, zoals zich dit in de opstanding van de Heere openbaarde (Hand. 2: 36; 13: 27 vv.). Het menselijk oordeel als zodanig valt altijd aan de andere kant en alleen dat oordeel, dat God door Zijn Geest in het een of ander individu werkt, aan deze kant. Eerst moet de mens in boetvaardigheid en afkeer van zijn natuurlijk menselijk wezen het oordeel van de mensheid uitdrukkelijk verwerpen en in gelovige toe-eigening van de prediking van het Evangelie het goddelijk oordeel tot zijn persoonlijk oordeel maken, anders blijft hij behoren tot het “door de mensen verworpen. ” Daarom heeft ook Petrus boven gezegd: “Waartoe komend als tot een levende steen”, dat zeker in een vroegere daad op besliste wijze geschied is, maar toch ook zo ook, ja onophoudelijk steeds weer opnieuw moet geschieden, want voortdurend neigt zich onze oude mens tot de menselijke verwerping van Christus en Zijn zaligheid, het aandoen daarentegen van de nieuwe mens is, wat de zaak aangaat, een en hetzelfde als het komen tot Christus de levende steen.
U dan, die gelooft, is Hij, die steen, waarvan de profeet spreekt, evenals Hij dat bij God is, dierbaar, omdat Hij u bracht tot hetgeen de belofte uitdrukt, namelijk dat u niet beschaamd zult worden. Maar de ongehoorzamen onder de heidenen, zowel als onder Joden, wordt gezegd: a) “De steen, die volgens de profetie in Ps. 118: 22 (vgl. MATTHEUS. 21: 42 Rom. 9: 33) de bouwlieden verworpen hebben, deze is, volgens diezelfde profetie, geworden tot een hoofd van de hoek, zoals die in Jes. 8: 14 wordt genoemd (Rom. 9: 33) en een steen des aanstoots en een rots van ergernis.
Hand. 4: 11
Als de rivieren, die in zee lopen, zo verenigen zich al onze genietingen in de Geliefde. Het licht van Zijn ogen schittert boven de glans van de zon; de schoonheid van Zijn aangezicht is aantrekkelijker dan de schoonste bloemen; geen geur is zoals aan de adem van Zijn lippen. Edelgesteenten uit de mijn en parels uit de zee zijn zaken van generlei waarde, waar zij bij Zijn dierbaarheid worden vergeleken. Petrus zegt ons: dat Jezus dierbaar is, maar hij zegt niet en kan ook niet zeggen hoe dierbaar; niemand van onze kan de waarde berekenen van Gods onuitsprekelijke gave. Woorden kunnen de dierbaarheid van de Heere Jezus voor Zijn volk niet vermelden, noch uitdrukken, hoe onontbeerlijk Hij is voor hun vrede en hun geluk. Gelovige, heeft u niet vaak te midden van overvloed een pijnlijke leegte ondervonden, wanneer uw Heiland er niet was? De zon scheen, maar Christus verborg zich, daarom was alles voor u duister in de wereld; of wel het was nacht, maar omdat de morgenster was verdwenen, kon geen enkele ster een enkele lichtstraal u geven. Wat een woeste wildernis is deze wereld zonder onze Heiland! Zodra Hij Zich voor ons verbergt, verwelken al de bloemen van onze hof, onze aangename vruchten vallen af; de vogeltjes staken hun lied en een stormwind rukt onze hoop omver. Al de kaarsen van de aarde te samen kunnen geen daglicht doen ontstaan, als de Zon der gerechtigheid wordt verduisterd. Hij is de Ziel van onze ziel, het Licht van ons licht, het Leven van ons leven. Lieve lezer, wat zou u toch in de wereld doen zonder Hem, te midden van haar verzoekingen en zorgen? Wat zou u ‘s morgens zonder Hem doen, wanneer u ontwaakt en de strijd van de dag tegemoet gaat? Wat zou u ‘s avonds doen, wanneer u moe en afgetobt thuis komt, als er geen open deur van de gemeenschap tussen Hem en u bestond. Geloofd zij Zijn naam, Hij zal ons niet toelaten ons levensgeluk buiten Hem te beproeven, want Hij verlaat de Zijnen nimmer. Daarom laat de gedachte aan wat het leven buiten Hem zou wezen Zijn dierbaarheid voor u verhogen.
Hij is dat niet in Zijn eigen wezen, als lag het in Zijn wil, om behalve hoeksteen te zijn, ook nog een steen des aanstoots en een rots van ergernis te wezen, maar alleen in de verhouding van de mensen tot Hem. Degenen namelijk is Hij dat, die zich aan het woord stoten, aan hetgeen in het Oude Testament van Hem geschreven staat en in de prediking van het Nieuwe Testament van Hem gezegd wordt, aan dat woord van Christus ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn (Joh. 5: 39).
Onze Schriftverklaarders hebben even als Corn. a Lapide verklaard: “zij waren ook gesteld tot geloof in Christus, maar zij weigeren het geloof, omdat zij niet willen geloven. ” Die verklaring is onjuist. De bedoeling van de woorden is: nadat zij, de ongelovigen vrijwillig zich aan het ongeloof hebben overgegeven, is dat aanstoot nemen niet iets toevalligs voor hen, maar naast het natuurlijk verbod ligt daarin ook een goddelijke regeling uitgesproken, evenals het niet te vermijden is, dat die in het vlees zaait ook uit het vlees verderf zal maaien (Gal. 6: 8). Dat zij niet geloven, merkt Besser aan, is hun schuld; dat zij zich stoten is hun straf en deze straf kunnen zij niet ontgaan; zij zijn daartoe gezet. Die in Christus gelooft zal niet beschaamd worden, maar die niet gelooft, zal beschaamd worden en kan de steen niet tegenhouden, die verpletterend op hen valt (Luk. 20: 17). Wat beweegt toch de heilige apostel tot dit woord “waartoe zij ook gezet zijn? ” Niets anders dan de ijver voor de eer van Jezus Christus, de kostelijke hoeksteen en voor de kracht van het woord, dat onder ons verkondigd is (Hoofdstuk 1: 25). Het heeft toch de schijn alsof het ongeloof van de mensen aan deze steen Zijn eer ontnam; want zij verwerpen Hem, die tot zaligheid van allen gesteld is en Hij laat Zich door hen verwerpen en het woord schijnt machteloos te zijn over hen, die het verachten. Dat is echter niet zo: de ongelovigen kunnen de steen aller zaligheid niet omverstoten, maar zijn door de wreker over hun ongeloof ertoe gezet, dat zij zich aan deze steen te pletter stoten. Zij kunnen het woord, dat hun ter zaligheid wordt verkondigd, niet krachteloos maken door hun ongeloof, maar moeten het bekrachtigen door het oordeel te lijden, waarmee datzelfde woord hen richt naar de verordening van God (Joh. 3: 19; 12: 48 “2Sa 24: 1.
a) Maar u bent het tegendeel van die ongelovige Heidenen en Joden, u, die de gemeente van Jezus Christus uitmaakt. U bent in veel hogere graad en volkomener mate wat van het Oud-Testamentische verbondsvolk vroeger (Jes. 43: 20 Exod. 19: 6 en Deut. 7: 6) is gezegd. U bent een uitverkoren geslacht b), een koninklijke priesterschap een heilig volk, een verkregen volk, een volk van het eigendom (Tit. 2: 14 Mal. 3: 17 En hiertoe bent u gesteld, opdat u, volgens hetgeen in Jes. 43: 21 als Israël’s roeping wordt aangewezen, zou verkondigen de deugden, de heerlijke eigenschappen (Jes. 63: 7) van Degene (Hoofdstuk 1: 15), die u uit de duisternis van uw vroeger heidendom (Kol. 1: 13 Efeze. 4: 17 vv.) geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (Hand. 26: 18). Dat licht gaat in heerlijkheid en zaligheid alle gedachten en begrippen te boven, en daarin bent nu u gebracht, zodat u nu ook door uw gehele leven als kinderen van het licht (Efeze 5: 9. 1 Thessalonicenzen. 5: 5 u behoort te betonen (MATTHEUS. 5: 14).
Deut. 14: 2; 26: 18 Openbaring 1: 6; 5: 10
Zoals Christus de eerstgeboorte heeft met haar eer en waardigheid, zo deelt Hij ze aan al Zijn Christenen mee, dat zij door het geloof ook koningen en priesters zijn met Christus. En dat gaat aldus toe, dat een Christen door het geloof zo hoog boven alle dingen verheven wordt. Want niets kan hem schaden aan zijn zaligheid, hetzij leven, sterven, zonde, vroomheid, goed of kwaad. Dat is voorwaar een hoge, heerlijke waardigheid en een recht alkunnen doende heerschappij, een geestelijk koninkrijk, waar geen ding is, het zij goed of kwaad, dat niet moet dienen ten goede, als ik geloof; en toch heb ik niets nodig van dat alles, maar mijn geloof is mij voldoende. Daarenboven zijn wij ook priesters, dat is nog veel meer, daarom, omdat het priesterdom ons waardig maakt voor God te treden en voor ons en voor anderen te bidden. Wie kan nu de eer en de waardigheid van een Christen doorgronden? Door zijn koningschap heerst Hij over alle dingen. Door zijn priesterambt is hij machtig bij God.
De Christenen zijn een door God tot Zijn eigendom verkoren volk, niet om als zodanig een afgesloten geheel te blijven uitmaken, maar om ook aan anderen de heerlijke eigenschappen van God, die uit hun redding en heiligmaking blijken, te verkondigen. God heeft hen geroepen uit de duisternis van de zonde, van de onwetendheid, van de vertwijfeling, tot Zijn wonderbaar, d. i. verbazend bewonderenswaardig licht. Elke gedachte aan hun vroegere toestand en aan de volheid van licht en leven, die zich sinds hun bekering over hen heeft uitgestort, vervult hen met verbazing. Maar dit moet geen zuivere, werkeloze verwondering blijven.
Dat komt een priester toe, dat hij Gods bode is en van God last heeft Zijn woord te verkondigen. De deugden, d. i. de wonderwerken, die u God gedaan heeft, opdat Hij u van de duisternis tot het licht mocht brengen, moeten u prediken wat het hoogte priesterambt is, dat de ene broeder de ander de grote daden van God verkondigt, zoals wij van zonde, hel en dood en van alle ongeluk door Hem zijn verlost geworden en ten eeuwigen leven geroepen, opdat u een ieder roept tot het licht waaronder u geroepen bent.
a) U, die, om op uw omkering nog een andere profetie, die Israël aangaat, namelijk die in Hos. 2: 23 toe te passen, eertijds geen volk (“een niet-volk” Deut. 32: 21) was, maar nu Gods volk bent, die eertijds niet ontfermd was, geen goddelijke roeping tot zaligheid had ontvangen (Rom. 11: 30), maar nu ontfermd bent geworden (Rom. 9: 25).
Hos. 1: 10
Het verkondigen van de deugden van God, die in het wonderwerk van de ondervonden bekering zich openbaren, de deugden niet alleen van Zijn macht, maar niet minder van Zijn genade en wijsheid en van de heiligheid van Zijn liefde, moet plaats hebben door woord en wandel, niet alleen door de geroepen leraars, maar ook van de hele gelovige gemeente.
God, de Almachtige, had het volk Israël in het bijzonder verkoren het wondergrote eer geschonken, vele profeten gegeven en ook vele wonderen er aan gedaan, omdat Hij uit dit volk Christus Zijn eengeboren Zoon mens wilde laten worden. Alles is omwille van Zijn Zoon geschied, daarom worden zij in de Schrift van God volk genoemd. De profeten hebben dat verder uitgebreid en gezegd, dat deze belofte zich zou uitstrekken ook tot de heidenen; daarom zegt hier Petrus tot zijn lezers: “U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk bent. ” Hieruit blijkt, dat hij deze brief aan de Heidenen en niet aan de Joden heeft geschreven.
C. Vers 11Kruisverwijzingen1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→Galaten 5:24→Jakobus 4:1→Romeinen 8:13→Hebreeën 11:13→2 Timotheüs 2:22→Romeinen 13:13→
— Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
-Hoofdstuk 3: 15a
De beide vorige afdelingen leerden hoe de Christen, die op de toekomstige heerlijkheid hoopt, om zo’n hoop zijn gedrag inwendig jegens God, zijn Vader, jegens Christus, zijn Heiland, jegens de mede-Christenen, zijn broeders en jegens zichzelf als een door Gods woord wedergeborene op de hoeksteen van Gods huis gevestigde moet inrichten. Nu gaat de apostel over tot zijn wandel naar buiten, tot zijn gedrag tegenover de Heidense omgeving en toont zijn lezers aan, op welke wijze zij volgens het te voren gezegde de deugden moeten verkondigen van Degene, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Evenals in een opschrift, dat het thema noemt, vat hij in de eerste plaats de gehele volgende vermaning naar de hoofdgedachte samen in de eis, dat de Christenen als vreemdelingen en bijwoners in deze wereld zich moeten onthouden van de vleselijke begeerlijkheden, die strijd voeren tegen de ziel en onder de Heidenen, in wier midden zij gesteld zijn, tot overwinning van hun vooroordelen tegen het Christendom, eerlijk wandelen (Vs. 11 en 12). Als het eerste en voornaamste stuk van zo’n wandel, waarover in dit verband gehandeld wordt, noemt hij het onderdanig zijn aan alle menselijke ordening, de vrijwillige onderwerping zowel als Christelijke onderdanen aan de Heidense overheid (Vs. 13-17), als ook aan Heidense heren als Christelijke knechten (Vs. 18-25). Omdat echter tot de grondvormen van het gezellig leven ook de huwelijkse staat behoort, vat Petrus bij zijn apostolisch onderricht verder deze in het oog (Hoofdstuk 3: 1-7), om ten slotte nog een vermaning tot allen zonder onderscheid te richten, hoe men zich op een waar, godzalig gedrag jegens elkaar en tegenover de vijandige en Heidense omgeving moet toeleggen (Vs. 8-15 a).
EPISTEL OP DE DERDE ZONDAG NA PASEN, JUBILATE
Het Evangelie van deze dag is, als bijna alle Evangeliën, tussen Pasen en Pinksteren, uit het Evangelie van Johannes, in wel uit die wonderschone laatste woorden van Jezus Christus genomen, die Hij vóór Zijn heengaan tot Zijn discipelen heeft gesproken. Die reden werden gehouden in de nacht, waarin de Heere verraden werd. Zij worden echter in het kerkelijk jaar niet in de lijdenstijd, maar in de blijde dagen van Pinksteren, d. i. in die 50 dagen gelezen, als men denkt aan de verheerlijking van Christus en Zijn heengaan tot de eeuwige Vader. De Heere was in de nacht vóór Zijn lijden zo vol van de gedachte, dat Hij nu in de diepste diepte van Zijn vernedering was, maar van nu aan Zijn weg naar de hoogte zou gaan, dat Zijn reden niet de klank hadden van lijdenstonen, maar veeleer geheel de aard hadden van de vijftig dagen na Pasen, van de verheerlijking en het heengaan tot de eeuwige glorie. Evenals de Israëliet bij het eerste Paasfeest in Egypte het Pascha genoot, als een, die heengaat, zo komt ook in uit Evangelie de Heere voor als een, die weggaat, die verhuist, als een gast en vreemdeling op aarde, die Zichzelf vol vreugde tot het eeuwig Vaderland verheft. Het hele Evangelie geeft, wat toon en inhoud aangaat, deze indruk; de brief staat het waardig terzijde. Naast de wandel van Christus, openbaart zich de wandel van Zijn Bruid, de kerk. Komt nu de Heere voor als een gast en vreemdeling, zo vertoont zich naast Hem in de brief de bruid, de kern, die met Hem heengaat, die op aarde geen vaderland heeft, maar haar overste en bruidegom naijlt naar een beter vaderland. De Christenen hebben hier geen blijvende plaats, zij spoeden zich naar de toekomstige; zij vieren op aarde steeds de paastijd van hun uittrekken, wegtrekken en naar huis trekken; en de Apostel geeft hun in onze hele tekst onderrichting en aanwijzing, hoe zij waardig het eeuwige vaderland als vreemdelingen en pelgrims in de wereld moeten wandelen.
Dit epistel, evenals de voorgaande (vs. 21 vv.), vooral gekozen met het oog op hen, die op Pasen gedoopt zijn, om hen aan hun Christen-plichten en het verkeer met de wereld te herinneren, bevat deels waarschuwingen tegen de vleselijke begeerlijkheden, deels vermaningen tot gehoorzaamheid aan de overheden, ook voor het geval, dat men om weldoen zou moeten lijden.
Hoe een Christen, als pelgrim in deze wereld, zich gedraagt ten opzichte van de wereld en haar kinderen, 1) hij neemt hartelijk deel in vreugde en leed van de wereld, maar rukt zich met beslistheid los van de snode begeerlijkheden van de wereld; 2) hij onderwerpt zich vrijwillig aan alle regelingen en wetten van de wereld, maar de eigenlijke Koning, die hij dient, is toch slechts zijn hemelse Heer; 3) hij draagt gelaten het onverstand en de boosheid van de wereld, maar werkt ook voor zijn deel mee, dat het rijk van God komt en de wereld overwint. Hoe de Christen, hoewel hij in de wereld leeft, zich toch steeds gedraagt als een, die niet van de wereld is: tegenover 1) de vreugde; 2) de ordeningen; 3) de verkeerdheden van de wereld.
De Christen een vreemdeling en bijwoner op aarde: 1) erkent, dat u het bent; 2) als u het erkend heeft, wees dan daarmee tevreden; 3) als u daarin bewilligd heeft, gedraag u dan overeenkomstig.
Waartoe vermaant onze stand ons, die vreemdelingen en bijwoners op aarde zijn, 1) onthoud u van vleselijke begeerlijkheden; 2) leid een oprechte wandel; 3) wees aller menselijke ordening onderdanig.
Vaderland en vreemdelingschap, hoe geeft de Christen aan beide het zijne? 1) wat het vaderland eist, verzuimt hij niet om de vreemde; 2) wat het land van de vreemdelingschap eist, verzuimt hij niet om het vaderland.
De Christen in de wereld; 1) zijn verhouding tot de wereld; 2) zijn wandel in de wereld; 3) zijn vrijwillige onderwerping onder de ordeningen van de wereld; 4) zijn lijden van de wereld.
Het gedrag van de Christen tegenover de wereld: 1) de wereld in hem; 2) de wereld buiten hem; 3) de wereld boven hem.
Geliefden! ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen (Hoofdstuk 1: 1 en 17 a) dat u zich onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden (Gal. 5: 19 vv.), die krijg voeren tegen de ziel, opdat zij haar, die door de wedergeboorte verheven is boven de macht, die haar vroeger beheerste (Rom. 6: 17 v.) weer aan zich dienstbaar maken. Als dat mogelijk was en het vlees weer de bovenhand verkreeg, zou de heiliging teniet worden gedaan en de zaligheid weer ontnomen (Hoofdstuk 1: 9 en 22 v.).
Rom. 13: 14 Gal. 5: 16
Denk eraan dat u de deugden moet verkondigen van Degene, die u geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (vs. 9). a) En houd uw wandel eerlijk onder de heidenen, in wier omgeving u bent gesteld. Waak daartoe b), opdat in hetgeen zij kwalijk van u, Christenen (Hoofdstuk 4: 14), spreken als van kwaaddoeners, alsof Christen en kwaaddoener zijn hetzelfde was (Hoofdstuk 3: 16) c), zij uit de goede werken, die zij in u zien, tot een betere mening over de Christelijke godsdienst komen en zij God verheerlijken (MATTHEUS. 5: 16) mogen d) in de dag van de bezoeking. Het is toch zo hoogst wenselijk, dat zij inzien in hun oordeel over het Christendom misgetast te hebben en zij zich als de tijd van de genadige bezoeking (Luk. 19: 44) komt, tot Christus bekeren.
Rom. 12: 17. 2 Kor. 8: 21 Fil. 2: 15 b) Tit. 2: 8 c) MATTHEUS. 5: 16 d) Luk. 1: 68
Met het liefdevolle woord “geliefden” baant Petrus zich eerst de weg tot het hart van de lezers. Omdat hij noch door persoonlijke bekendheid, noch door een nadere betrekking met hen in verband stond, had hij bij deze vermaning, die tot in de inwendigste en geringste levensomstandigheden haar invloed hebben moest, dubbel aanleiding, om er vooraf op te wijzen, dat hij niet uit al te grote ijver of onbevoegd wantrouwen, maar alleen uit echt apostolische liefde sprak.
Hij noemt hen inwoners of “bijwoners”; dat zijn zij, die in een land of een stad wonen, waar zij geen burgerrecht hebben. Hij noemt hen verder “vreemdelingen” d. i. die slechts evenals op een reis, slechts een korte tijd zich ergens ophouden. Heeft hij in vs. 9 vv. de Christenen hun hoge waarde aangetoond, dan wil hij hen nu ook herinneren aan de vernedering, die op aarde hun deel is.
De Christen is op aarde vreemdeling, pelgrim, zonder vaderland op aarde, vol heimwee en verlangen naar het hemels vaderland. Dat schijnt bij geen apostel meer levendig geworden te zijn dan bij Petrus, die reeds in Hoofdstuk 1: 1 de Christenen in Pontus, Galatië enz. als uitverkoren vreemdelingen, als een diaspora een in verstrooiing levende schare van de Heere Jezus aanspreekt en nu zijn apostolische vermaningen aan de Christenen als pelgrims en vreemdelingen geven wil. Zo wordt vanzelf die vrolijke, wereldse gezindheid van de meeste Christenen veroordeeld, volgens welke hun de wereld geen lastige verbinding, het leven te midden van haar geen last, maar integendeel een voorsmaak van de eeuwige vreugde en een genot voorkomt, waarvoor men de godsdienst van de Heere Jezus als een kroon beschouwt en als het beste, onder al wat goed is.
Als de apostel vermaant: “onthoud u van de vleselijke begeerlijkheden”, dan komen die vleselijke lusten niet voor als iets, dat buiten de Christen is, als iets, dat eigen is aan de omgeving, waarin zij leven, maar als in henzelf bestaande. Dit blijkt uit het bijgevoegde, “die strijd voeren tegen de ziel. ” De Christen kan zich onthouden van de vleselijke lusten en begeerlijkheden, doordat hij niet aan deze gehoorzaamt, als zij zich in zijn aangeboren natuur laten voelen. Hij moet dit doen, omdat zij tegen de ziel strijden, tegen deze krijg voeren, dus deze in vijandschap willen bedwingen, zodat hij, die zich aan deze overgeeft, zijn leven, dat hij als Christen had gered, daardoor verliet. En evenals ter wille van zijn ziel, dus omwille van zichzelf, moet hij het ook doen om diegenen in zijn omgeving, die geen Christenen zijn en die “heidenen” worden genoemd, waaruit weer blijkt, dat de brief bestemd is voor lezers, die Christenen uit de heidenen waren. In het midden van deze moeten de Christenen een leven leiden, dat eerlijk is, dat goed is. Hun leven zou niet goed en prijzenswaardig zijn, als zij zich aan de vleselijke begeerlijkheden wilden overgeven, omdat zij dan zouden doen wat te misprijzen is. Is daarentegen hun wandel te midden van hun volksgenoten goed, zo dient dit daartoe, dat de heidenen, als God hen bezoekt, hen prijzen juist om hetgeen zij nu van de lezers kwalijk spreken als van kwaaddoeners. De apostel doelt daar op de Christelijke staat zelf, die zeker, afgezien van alles, wat overigens van Christenen gezegd zou kunnen worden, voor een afvallen van het volk en misdaad tegen de bestaande orde werd gehouden (Hand. 16: 20 v. ; 17: 7). Zullen de heidenen, zo wil hij zeggen, datgene, waarom zij u nu misdadigers noemen, uw Christelijken staat eenmaal van het standpunt van uw goede werken beschouwen, die naar deze beoordelen, dan zullen zij God daarom prijzen. Daartoe, dat zij voor zo’n indruk van de goede wandel van de Christenen vatbaar worden, om daarnaar het Christendom, dat hen als misdadig voorkomt, te beoordelen, komt het zeker niet vanzelf. Daartoe is een goddelijke bezoeking nodig, die hun gezindheid, nu nog door vooroordeel en gebonden, van deze vrijmaakt, om het goede, ook als het door Christenen wordt gedaan, als zodanig te erkennen.
Nog kwam aan het oppervlakkig oog de broederlijke liefde van de Christenen voor als een geheim verbond, dat gevaarlijk voor de staat was, hun beslistheid als halstarrigheid, hun hemelsgezindheid als haat tegen het menselijk geslacht. Hun breken met de vaderlijke, zondige gewoonten werd aangezien voor verachting en verwerping van alle menselijke ordeningen. Deze beschouwing zal eenmaal veranderen; er zal een tijd komen, dat de heidenen door nauwkeuriger onderzoek over de wandel van de Christenen geleerd zullen worden, als zij God, wiens kinderen de gelovigen zijn, de eer moeten geven.
Men mag bij het “God verheerlijken” niet denken aan een eigenlijk loven van God; als de mensen de goede werken prijzen, verheerlijken zij de hemelse Vader als de meester; die het goede van een kind prijst, prijst zijn opvoeder.
Dit prijzen van God, hoewel eerst een brug tot het geloof, is toch reeds een bewijs van genade, zonder welke geen lichtstraal in de nacht van het harten dringt. Daarop wijst Petrus met de woorden “in de dag van de bezoeking”.
Wij lezen, dat, toen de keizers regeerden en de Christenen vervolgden, men hen van niets anders wist te beschuldigen, dan dat zij Christus aanbaden en voor een God hielden, Plinius schrijft aan keizer Trajanus, dat hij niets kwaads wist dat de Christenen deden, dan dat zij iedere morgen samenkwamen en enige lofzangen zongen, om Christus te eren en het sacrament te ontvangen en dat niemand hen van iets beschuldigen kon.
Justinus, de Martelaar, een kerkleraar van de tweede eeuw, behoort tot hen, die door de goede wandel van de Christenen werden gewonnen. Hij verhaalt zelf, dat hij bij het zien van het geduld en de heldenmoed van de martelaars moest zeggen bij zichzelf: zo sterven geen misdadigers!
De Apostel wijst er op, dat wij niet omwille van onszelf moeten trachten naar een goed gerucht onder de mensen, maar ter verheerlijking van God, die Zich van de heilige levenswandel van de Zijnen bedient als van een voorbereidingsmiddel om de dwalenden op de rechte weg terug te brengen.
a) Wees dan, omdat het nodig is die lastertaal met de daad te weerleggen, alle menselijke ordening, de wel op menselijke wijze tot stand gekomen, maar toch altijd door God gestelde overheid (Rom. 12: 1), onderdanig omwille van de Heere, die het van de Zijnen eist (Matth. 22: 21) en door Zijn voorbeeld zelf daarin is voorgegaan (Matth. 26: 50 vv.), hetzij de koning, de keizer te Rome, als de opperste macht hebbend, de eigenlijke souverein (Joh. 19: 15).
Tit. 3: 1
Hetzij de stadhouders van de provincie (Luk. 2: 2 Hand. 19: 38), de landvoogden Hand. 13: 7; 18: 12, als die door hem gezonden worden, tot straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs, tot bescherming en tot hulp van degenen, die goed doen (Rom. 13: 13 v. 1 Tim. 2: 1 vv.
De Apostel heeft te voren gezegd, dat de Christenen door hun goede wandel de lastering van de ongelovigen moeten veranderen in een verheerlijken van God. Als een hoofdpunt van zo’n wandelen noemt hij nu het onderdanig zijn aan alle menselijke ordening. Het geloof, dat in zijn diepste grond gehoorzaamheid is, ootmoedige onderwerping onder God, kan zich niet verdragen met ongebondenheid en hoogmoedige zelfverheffing, maar leidt met inwendige noodzakelijkheid tot onderdanig zijn en dat niet alleen in zaken van volstrekt goddelijke aard en afkomst, maar ook in die zaken, die in de eerste plaats als menselijke voorkomen, maar daarom evenwel een goddelijke kern in zich hebben, terwijl zij naar de diepste grond rusten op de van God gestelde natuurwetten en wat hun bestaan betreft, voortbrengsel zijn van goddelijke beschikking, wat hun doel aangaat goddelijke doeleinden dienen, in de wijze van beschouwing en behandeling aan een goddelijke regel onderworpen zijn en diensvolgens het geweten van de Christenen op zodanige wijze binden, dat de gehoorzaamheid aan deze, die het werkelijk erkennen van het goddelijke in deze is, tot een integrerend bestanddeel van de gehoorzaamheid aan God zelf wordt. Waarom de Apostel zijn lezers vóór alle dingen tot het openbaren van een goede wandel door onderdanigheid aan de bestaande ordeningen van het maatschappelijk leven vermaant, is duidelijk. Zoals het toch bij de Christen van die tijd voor de hand lag om zijn intreden in de hogere levensorde van het rijk van God, als een verlaten niet alleen van heidense denk- en levenswijze, maar tevens als een recht, om de maatschappelijke leefregels te beschouwen, ze ten minste voor profaan te houden en zijn Christelijke vrijheid daartegenover te stellen, zo moest het aan de andere zijde de heiden voor de hand liggen, om het goddelijke recht van deze regelingen, waarvan ook de heiden wist, daartegenover te doen gelden en zijn oordeel over het Christendom volgens het gedrag van de Christen ten opzichte van deze te vormen.
De overheid wordt daarom een menselijke ordening genoemd, omdat de wereldse staatsinstellingen niet in een bijzonder woord van God haar grond hebben, zoals de ware godsdienst, maar meer door mensen en hun werkzaamheid geregeld zijn, zoals het ten minste ons voorkomt, die het verborgen bestuur van God niet zien.
De Apostel, de geschiedkundige toestanden van zijn tijd op het oog hebbend, haalt twee bestanddelen aan van de staatsmacht, waarin deze zich openbaart. Hij zegt: hetzij de Koning, waarmee hij de Keizer van Rome bedoelt, die Joden en Grieken “Koning” noemden hem voorstellend als degene, die de oppermacht, het hoogste souvereine gezag heeft; of de stadhouders, zo gaat hij dan voort, waaronder de bestuurders van de provincies verstaan moeten worden. Van de laatsten, zegt hij, dat zij door de keizer gezonden waren met het doel om de kwaaddoeners te bestraffen en degenen, die goed doen, met woord en daad te helpen. Daarvoor alleen toch wordt een maatschappelijk samenleven mogelijk, dat de zedelijke regels van deze door straffen tegen de overtreders en door het prijzen van het goede worden in stand gehouden.
Keizer Ferdinand I (1556-1564) heeft van de Evangelischen de volgende getuigenis gegeven: “De Lutheranen hebben twee schone en heerlijke stukken in hun leer, die niemand kan ontkennen; ten eerste, dat zij met zoveel blijdschap Christus Jezus belijden en hun zaligheid alleen op Diens verdiensten bouwen; ten tweede, dat zij de staat van de overheid niet gering zou achten als de paus, maar in deze een ordening van God opmerken”.
Want zo is het de wil van God a), dat u weldoende de mond stopt, door uw oprechte wandel zwijgen opdringt aan de onwetendheid van de dwaze mensen, die kwaad van u spreken. (vs. 12).
Tit. 2: 8
In de zin “het is de wil van God, dat u weldoende de mond stopt aan de onwetendheid van de dwaze mensen”, wordt niet zozeer gedoeld op het “de mond stopt” als wel op de wijze waarop het moet geschieden “weldoende” (door het doen van hetgeen goed is, wil God de onwetendheid van de dwaze mensen tot zwijgen gebracht hebben; u moet n niet met vergeefse pogingen vermoeien en door tegenspraak er een einde aan te maken, dat men het Christendom verklaart voor de staat vijandig en niet te verdragen met de openbare orde; dit “weldoen” geeft te kennen, even als in vs. 12 de eerlijke wandel, het algemene, waaronder het “onderdanig zijn” wordt gerekend, te meer daar de overheid naar haar zedelijk doel is voorgesteld. Met het oog hierop is duidelijk, dat de “onwetendheid” hier niet op God, maar op het gedrag van de Christenen ziet. Dat juist is de onwetendheid van uw tegenstanders, dat zij wat goed is uit onkunde kwaad noemen (vgl. Hoofdstuk 3: 16). Het is dus onwetendheid en onkunde ten opzichte van de werkelijkheid, gepaard met weerspannigheid en verkeerdheid, het is, in plaats van de ogen, de mond altijd open te houden en de dingen te nemen, niet zoals zij zijn, maar zoals eigen verkeerdheid ze wil voorstellen; in deze onwetendheid komt de dwaasheid van het natuurlijk-menselijke hart te voorschijn.
Bij het “stopt” blijft geheel buiten aanmerking, of dit zwijgen slechts uitwendig is, dus tegen de wil, omdat de lust tot lasterlijk spreken steeds blijft voortbestaan, of dat het het zwijgen is van een getroffen geweten en van veranderd inzien, dus het begin van de bekering (vgl. vs. 12). Het ligt niet in de bedoeling van de Apostel deze dubbele mogelijkheid van de aard van de uitwerking aan te wijzen; er is hier alleen spraak daarvan, waardoor een zeker gevolg kan worden bereikt is, dat hij daarom ook natuurlijk slechts geheel algemeen noemt.
a) Als vrije onderdanig zijnde aan alle menselijke ordening (vs. 13) en niet u gedragend als de vrijheid hebbend, als of u Christus bevrijd had van het verbod om kwaad te doen (Gal. 5: 1. 2 Kor. 3: 17) en dus die misbruikende tot een deksel van de boosheid, zoals u doen zou, als u met beroep daarop de overheid wilde tegenstreven (Rom. 13: 2), maar als dienstknechten van God, die in alle toestanden en omstandigheden u door Zijn Woord en Zijn wil laat leiden en daarnaar uw leven richt (Rom. 6: 22).
Joh. 8: 32
De Apostel wil met dit woord het als “weldoen”, in vs. 15 voorgestelde onderdanig zijn nader bepalen en de tegenspraak weerleggen, alsof de onderwerping onder de overheid niet overeenstemde met de Christelijke vrijheid. De vrijheid, die het misverstand tot voorwendsel moet dienen tegen het onderdanig zijn, is niet bepaald de vrijheid van de wet, zoals in Gal. 5: 13 ; of van de zonde, zoals in Rom. 6: 22, maar de vrijheid, die de Christen toekomt volgens zijn verhouding tot God (vs. 9 en 10), vrijheid in tegenstelling tot elke dienstbaarheid. Maar de pseudo-vrijen, die ten onrechte op vrijheid roemen, vergeten twee zaken, die de Apostel hier op de voorgrond stelt, namelijk ten eerste: dat deze vrijheid negatief een bevrijding is van alle goddeloze machten, als ook van het bandeloze van het eigen ik en ten tweede: dat dit positief dienen van God is, een dienen, dat elk ander dienen uitsluit, maar tevens de vrijwillige gehoorzaamheid van de liefde jegens al datgene in zich sluit, waarin de Christen de wil en de ordening van zijn Heer moet erkennen.
Het Evangelie leert geen gemeenschap van goederen, maar brengt teweeg, dat er zijn, die gewillig het hunne gaven, zoals de apostelen en discipelen in Hand. 4: 32 deden, die niet eisten, dat de vreemde goederen van Pilatus en Herodes gemeen goed waren, zoals onzinnige boeren (en de communisten van deze tijd) daarom woelen, maar hun eigen goederen. Onze boeren willen echter de goederen van anderen gemeen hebben en hun eigen voor zichzelf behouden; dat zijn me mooie Christenen!
a) Eert een ieder (Rom. 12: 10 Jak. 3: 9 Gal. 6: 10); b) heb de broederschap lief (Hoofdstuk 1: 22. 1 Joh. 3: 14 vv. ; 4: 20 v.); vrees God (Hoofdstuk 1: 17); c) eer de koning, de Romeinse keizer (Vs. 13 Spr. 24: 21
1 Petrus 5: 5 b) Efeze. 4: 3 Hebr. 13: 1. 1 Petrus 1: 22 c) MATTHEUS. 22: 21
Geredelijk sluiten deze vermaningen zich aan vs. 16 aan: de vrijen betonen zich ware dienstknechten van God, als zij allen eren, want allen zijn schepselen van God; als zij de broeders liefhebben, want deze zijn Gods kinderen; als zij God vrezen, want Hij alleen is de Heere; en als zij de Koning eren, want God de Heere is het, die de koning tot Zijn plaatsbekleder hier op aarde maakt.
De Christen moet allen zonder onderscheid eren, omdat hij verschuldigd is met de daad te tonen dat hij allen erkent als gelijk aan hem geschapen; daarnaast komt vervolgens het tweede, dat de Christen hen liefheeft, die niet alleen zijn mede-mensen, maar zijn broeders in Christus zijn. Dat hij alleen de mede-Christenen zou moeten liefhebben, en medemensen alleen zou moeten eren, ligt echter niet in deze tegenoverstelling (vgl. 2 Petrus 1: 7), omdat in de eerste zinsnede de toon op “een ieder” rust en niet op “eert” en de tweede zin daarentegen meer op “heb lief” dan op “de broederschap” of “de broeders”. De Christen mag niemand de eer onthouden, die de mens aan de mens verschuldigd is, maar hiermee is niet in strijd, dat hij de broeders in Christus die liefde toedraagt, die die nauwere gemeenschap meebrengt. Op dezelfde wijze staan de beide andere zinnen tot elkaar; evenals het naast elkaar kan bestaan, dat men alle mensen eert en de broeders lief heeft, zo kan men ook gelijkelijk God vrezen en de koning eren.
Voor de Christelijke onderdaan vloeit de plicht om de koning te eren geheel uit dezelfde geest voort, waarin de Apostel hen dringt, om jegens ieder vol eerbied te zijn, de broeders lief te hebben en God te vrezen.
U huisknechten! (vgl. Efeze. 6: 5 vv. Kol. 3: 22 vv. 1 Tim. 6: 1 v. Tit. 2: 9 vv.) wees met alle vrees onderdanig, altijd gedenkend dat u verantwoordelijk bent voor hetgeen u doet (Efeze. 6: 5), de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, aan wie het gemakkelijk is te gehoorzamen (MATTHEUS. 8: 9), maar ook de harden en verkeerden (Fil. 2: 15), bij wie het zelfverloochenen kost de bevelen na te komen; laat het u niet tot oproerigheid brengen, als zij ruw en wreed jegens u handelen.
De slotwoorden “maar ook de harden”, “de krommen, valsen, onrechtvaardigen” geven het hoofdpunt aan, waarom de uiteenzetting zich beweegt. Er moet niet worden aangewezen wat in het algemeen plicht van Christelijke dienstknechten is, maar wat de ware verhouding is tegenover de onbillijkheid, die zij van hun meesters te lijden hebben. Dit is het punt, waarbij de begeerten naar valse vrijheid openbaar worden; dit is ook het punt, waarbij de Christelijke denkwijze en gezindheid het scherpst zich scheidt van het menselijk-natuurlijke, en de eigenaardigheid van de Christelijke roeping, als wilskracht tot verdragen, zich in haar wonderbare heerlijkheid openbaart.
Deze tenor van de gehele plaats liet niet toe een bijzondere vermaning tot de heren te richten; er wordt toch aangedrongen op een onderdanig zijn aan alle menselijke ordening. Zo nu Christenen als slaven toebehoorden aan heidense of Christelijke heren, dan kon zeer gemakkelijk de gedachte oprijzen, omdat Christus hen niet met vergankelijk zilver of goud, maar met Zijn dierbaar bloed ten eigendom had gekocht (Hoofdstuk 1: 8 v.), zij ook niet meer een gekocht eigendom van mensen konden zijn; en omdat Christus hen naar lichaam, ziel en geest uit de dienstbaarheid van de zonde had verlost, zij voortaan geen dienstknechten van mensen mochten zijn.
Van twee zijden lag het gevaar van zo’n gedachte voor de hand, als zij niet met goedaardige heren te doen hadden, die het goed met hen meenden, met de omstandigheden rekening hielden en hun eisen daarnaar stelden, maar met wonderlijke en verkeerde, zodat zij van deze verwachten konden, dat zij in eisen en behandeling steeds het tegengestelde zouden zijn van wat goed was.
De kracht, die zodanige onderwerping teweeg brengt en bewaart, moet zijn “alle vrees”, alles wat vrees is, tot de vrees behoort, de vrees zowel naar haar intensieve volheid als naar haar extensieve uitbreiding over alle tijden, omstandigheden en betrekkingen. De vrees, zoals zij hier door de omstandigheid, waarvan gesproken wordt, bepaald is, is het bewustzijn, krachtens hetwelk men de dienstbaarheid als een ordening van God beschouwt en dienvolgens om God en het geweten zich voor onbekwaam en ongerechtigd beschouwt, die te schenden. Zo’n gezindheid laat niet toe, dat de Christelijke dienstknecht het subjectief gevoel van het aangename, of de objectieve toevalligheden van persoonlijke hardheid of zachtheid van de meester tot een grond van beslissing maakt of hij zich zal onderwerpen of niet. Omdat hij echter steeds alleen de ordening van God, die in de persoon van zijn meester, hoe die ook zij, belichaamd is, als het beslissende in het oog houdt, is hij evenzeer de goeden als de harden of verkeerden meester onderdanig. Op deze wordt ook in het volgende nog bijzonder het oog gevestigd; het kan toch bij de algemene verbittering tegen de Christenen in die tijd nauwelijks anders worden verwacht dan dat vele heidense heren hun bijna onbeperkte macht over hun slaven, tegenover de Christenen, die zich daaronder bevonden, misbruikten, om hun haat tegen de Christenen op wrede wijze te koelen.
a) Want dat is genade, dat heeft in zich het bewijs van Gods werk te zijn en brengt weer in gunst en eer bij Hem, aan wiens genade voor ons alles gelegen is, als iemand, om het geweten voor God zwarigheid verdraagt. Dat is groot, als men weet, dat God het aldus van hen eist en men nu ook alles inspant om die wil van God na te leven (Rom. 13: 5) en verdraagt zonder verzet of toorn, lijdend ten onrechte, zonder schuld, wat men ook aandoet.
MATTHEUS. 5: 10
Want wat lof is het, hoe zou u in dat geval op de roem van goede Christenen te zijn aanspraak kunnen maken (MATTHEUS. 5: 47 v.), als u verdraagt als u zondigt, als u te kort komt in uw plicht en daarover geslagen wordt? U ontvangt dan toch slechts wat uw daden hebben verdiend (Luk. 23: 41) en staat op gelijke lijn met de heidense dienstknechten, die zich dat ook moeten laten welgevallen. a) Maar als u verdraagt als u weldoet, uw heren in alle getrouwheid dient, maar daarvoor ondank in plaats van dank, scheldwoorden in plaats van lof, slagen in plaats van handdrukken ontvangt en daarover lijdt, dat alles geduldig en zachtmoedig draagt, dat is genade bij God, dat is voor u tot eer.
1 Petrus 3: 14; 4: 14
Petrus spreekt ons van dienstknechten, zoals deze te zijner tijd waren. Zij waren lijfeigenen, die men verkocht als het vee; zij werden kwalijk behandeld door hun meesters, die zo’n vrijheid hadden, dat zij straffeloos bleven, ook al sloegen zij hun knechten dood. Het was daarom noodzakelijk, dat de Apostel zulke dienstknechten met vele schone, voortreffelijke woorden vermaande en vertroostte, dat zij ook de toornige, de harde heren, wie men niets naar de zin kon doen, onderdanig moesten zijn en getrouw dienen en alles lijden, al deden die hun ook leed en onrecht. Hij toch is lofwaardig, zegt Petrus, die een goed en vrij geweten voor God heeft verkregen door het geloof in Christus en zo denkt: al was mijn heer ook nog eens zo toornig en kwaad, toch wil ik mij daardoor niet laten brengen tot ongehoorzaamheid en wrevel, veel minder kwaad met kwaad vergelden, maar met alle gewilligheid het kwaad verdragen en het onrecht lijden. Al is het toch dat mij ook grotelijks onrecht en leed overkomt, wat is het bij hetgeen Christus, mijn Heer en Verlosser leed, die nooit zonde deed, integendeel aan de wereld de grootste, ja de onuitsprekelijkste weldaden bewezen heeft en Hij is daarvoor toch zo schandelijk beloond, dat Hij als een godslasteraar en oproermaker aan het kruis tussen twee misdadigers moest sterven. Hij heeft geleden omdat Hij weldeed en Hij heeft het zwaarste lijden, zoals geen mens op aarde dat geleden heeft, gedragen. Hem wil ik navolgen; want het juk, dat Hij oplegt, is zacht, en Zijn last is licht.
Kruis is alleen daar, waar Christenen zich wapenen met dezelfde gezindheid, waarin Christus tot de dood aan het kruis voor ons heeft geleden (Hoofdstuk 4: 1) en wij om weldoen lijden en verdragen. Helaas, de roem van een kruis is in dezelfde graad menigvuldig als de waarachtige roem van begenadigde kruisdragers zeldzaam is. Dat geldt ook in het bijzonder ten opzichte van de dienstboden in onze tijd. Waar heden nog enigermate getrouwe en vrijwillige dienst van de onderhorigen wordt gevonden, berust die meestal op de wisselvallige grond van gehechtheid aan goede en zachte meesters; maar dienstboden, die om Gods wil in eenvoudigheid van het hart met alle vrees hun heren onderdanig zijn, hoe zeldzaam zijn die! Welk is uw kruis? Op Golgotha stonden drie kruisen; maar alleen de éne Gekruisigde leed en verdroeg om weldoen, de beide anderen ontvingen wat zij hadden verdiend en van deze de een onder lasteren en misdaad, terwijl de ander wel geduldig leed, maar dat behoorde tot zijn boete, maar was geen “roem”.
Maken de Christenen aanspraak in een staat te zijn, waarin anderen niet zijn, namelijk in een bijzondere genadestaat van gemeenschap met God, waaruit om zo te zeggen bijzondere rechten voor hen voortkomen, dan moet ook van de openbaring van deze staat in alle levensomstandigheden, dus ook van het gedrag van de slaaf, iets bijzonders kunnen gezegd worden, iets dat hoger te achten is dan het gewoon menselijke. Verdiende straf geduldig te lijden is niets bijzonders, maar is ook in de natuurlijke zedenleer eis en wordt in de natuurlijke mensheid ook als werkelijk aanwezig gevonden. Dat is het, wat de Apostel wil zeggen met de woorden: “Wat lof is het, als u verdraagt, als u zondigt en daarover geslagen wordt?”
EPISTEL OP DE TWEEDE ZONDAG NA PASEN, (MISERICORDIAS DOMINI)
Deze Zondag verdient door de lezing van het Evangelie de bijzondere naam van “Zondag van de Goede Herder. ” Hij verdient die ook door de lezing van het epistel, want ook die handelt over de goede Herder en het navolgen van Die. Evangelie en epistel staan in bijzondere gemeenschap met elkaar, in een overeenstemming, die men niet hoeft te zoeken, die ook niet hoeft aangewezen te woorden, maar integendeel zo in het oog lopend is, dat wellicht ieder, die men zou opdragen, bij het Evangelie een ermee overeenkomend epistel te zoeken, naar dezelfde plaats van de Heilige Schrift, naar onze tekst grijpen zou.
Deze epistel 1Pe 2: 11 herinnert ons en drukt op het hart de enige grote hoofdzaak van het leven, de bekering tot de overste Leidsman van de zielen.
Voor hen, die opnieuw geboren zijn, zoals wij de vorige Zondag hebben gehoord, volgt in dit epistel een vermaning tot vertroosting en lering. Evenals in het Evangelie op deze Zondag hun de goede Herder wordt voorgehouden, die hen voor de wolven beschermt en Zijn leven voor hen laat, zo stelt het epistel hun dezelfde Herder en Overste van hun zielen voor, die Zichzelf voor hen heeft opgeofferd. Deze wil hen echter laten zien, dat zij zich onder diens herderlijke zorg geen hemel op aarde moeten dromen, maar moeten bedenken, hoeveel zij onder de wolven moeten lijden.
De Christen is geroepen tot lijden en verdragen: Christus heeft hem 1) daarin een voorbeeld nagelaten, 2) daartoe de kracht verworven. Wie lijdt onder ons naar het voorbeeld van Jezus Christus? Hij, die is 1) in zijn lijden onschuldig 2) in zijn lijden geduldig.
De lijdende Christus als voorbeeld; Hij leed 1) in volmaakte onschuld, 2) in volmaakte zachtmoedigheid, 3) in volmaakte liefde.
In ons lijden kennen wij niets beters doen dan Jezus steeds voor ogen hebben; het zien op Hem 1) maakt ons gewillig tot het lijden, dat wij moeten dragen, 2) leert ons in dit lijden ons wachten voor zonden, 3) geeft ons tot overwinning kracht, 4) maakt ons vrolijk te midden van het lijden.
Hoe de Christen ten opzichte van het lijden gesteld is: 1) hij beschouwt het als met zijn roeping verbonden, 2) hij probeert het te dragen naar het voorbeeld van Christus, 3) hij zoekt de kracht tot het dragen ervan in de verzoening met God.
Wat heeft u aan de lijdende Christus? 1) een voorbeeld, dat u moet navolgen, 2) een Borg, die voor u wil instaan; 3) een Herder, die voor uw heil wil waken.
Het heilige voorbeeld van Jezus Christus, de Herder en Opziener van onze zielen; het is 1) een voorbeeld van goddelijk leven, 2) stil verdragen, 3) opofferend werken.
Want hiertoe, om dat weldoen te lijden en te verdragen (vs. 20 b), bent u, dienstknechten, die Christenen geworden bent (vs. 18), geroepen en met u natuurlijk ook alle andere Christenen, wanneer zij zich in dezelfde toestand als u bent bevinden (Hoofdstuk 3: 9vv.), omdat ook Christus voor ons geleden heeft en dus niet om Zijn eigen misdaad (vs. 20 a) a), ons (volgens andere lezing “u bij Zijn dood als erfenis een voorbeeld nalatend, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen (Rom. 4: 12. 2 Kor. 12: 18 Ro 4. 12).
Joh. 13: 15 Filippenzen 2: 5. 1 Joh. 2: 6
“Want hiertoe bent u geroepen”, u, wie zou dat zijn? Wie anders dan zij, die in de drie voorafgaande verzen zijn aangesproken? Wie anders dan de dienstknechten? Met welk doel zijn zij tot God en Zijn Christus en Zijn kerk geroepen? Zoals duidelijk is, opdat zij volharden in een heilig gedrag, in eerbiedige en hartelijke onderdanigheid jegens hun meesters, wie en hoe die ook mogen zijn en tevens in het lijden, in het verdragen van het kwaad en het dulden van het onrecht. Wat een roeping van de slaaf. Wie heeft een hogere en schonere? Schoon is de roeping om te arbeiden, om goede werken te doen, schoon de roeping van het lijden, maar schoner de dubbele roeping van goede werken en lijden, de roeping om, zonder dank in te oogsten, weldadigheid te oefenen, zonder loon te arbeiden, zonder oogst te zaaien, ja, de ondank van de heren, de onrechtvaardige haat van de meesters en de slagen van de tiran te ontvangen, maar de rug geduldig hun voor te houden, die slaan, het aangezicht niet te verbergen voor speeksel en spuw van de goddelozen en als de tranen stromen en het hart bloedt, daarbij het aangezicht in het stof te leggen en dankbaar in aanbidding te zeggen: “daartoe ben ik geroepen. ” Denk u een slaaf, die dat kan, een die dat doet, denk u in zijn nabijheid en in de dagelijkse ervaring, in het dagelijks aanschouwen van zo’n deugd en zeg mij, of u iets schoners en groters weet, een grotere triomf van het Christendom dan deze!
Tertullianus verzekert, dat in zijn tijd op alle plaatsen heren werden gevonden, die door de predikende wandel van hun getrouwe dienstknechten tot Christus waren gebracht.
Het woord “omdat” of “omdat”, waarmee de apostel het wijzen op Christus’ lijden aanhecht (oti “Lu 1: 1 geeft geen bewijsgrond voor de bewering “hiertoe bent u geroepen”, maar noemt datgene, waarin dit feit zijn grond heeft. Dat uw roeping, zo wil hij zeggen een roeping geweest is tot geduldig dragen, heeft daarin zijn grond, dat Christus voor ons geleden heeft en u daarmee een voorbeeld ter navolging heeft achtergelaten. Die behoren wil tot hen, voor wie Hij heeft geleden, moet ook aan de aanwijzing voldoen, die hij daarmee heeft gegeven. Als het namelijk van die aard is, dat Hij het omwille van ons over Zich liet komen, dan heeft Hij geleden, zonder zelf verdiend te hebben wat Hij leed, waarom het “ook”, dat aan Zijn naam voor het “geleden heeft” is toegevoegd, Zijn lijden voorstelt als gelijksoortig met dat, waarmee Zijn voorbeeld moet worden nagevolgd. Wij volgen Hem na, als een geduldig dragen wat wij te lijden hebben van hen, aan wie niet wij ons hebben verzondigd, maar die zich door hetgeen zij ons aandoen, tegen ons bezondigen.
Voor “voorbeeld” staat in de grondtekst een woord, dat eigenlijk betekent een “voorbeeld om na te schrijven”. In de zin “opdat u Zijn voetstappen zou navolgen” komt dan in de plaats van het beeld van een voorschrift, dat van een leidsman, in wiens voetstappen men op steile, glibberige, overal gevaarvolle wegen nauwkeurig treden moet, als men voor een val wil bewaard worden.
Wat een rijke vermaning en vertroosting ligt er voor de Christen in, op de duistere wegen van zijn lijden de voetstappen van zijn Middelaar te zien lichten, die voorgegaan is en, zo tot heerlijkheid ingegaan, de Zijnen tot navolging roept.
a) Die, zoals reeds Jes. 53: 9 te voren van Hem betuigd heeft, geen zonde gedaan heeft en er is in Zijn mond geen bedrog gevonden, al was het ook dat men op Hem loerde en het er op toelegde iets te vernemen, dat men Hem tot verwijt maken kon.
2 Kor. 5: 21. 1 Joh. 3: 5
a) Die, zoals in Jes. 53: 7 te lezen staat, als Hij gescholden werd, niet terug schold en als Hij leed niet dreigde met Gods oordelen en straffen; maar gaf hetgeen Hij niet met weer schelden of dreigen beantwoordde, over aan Die, die rechtvaardig oordeelt, opdat deze op welke wijze het Hem goed dunken mocht Zijn recht zou handhaven.
MATTHEUS. 27: 39 Joh. 8: 48, 49
Vier relatieve zinnen naast elkaar geplaatst (“die” in vs. 22, 23, 24 en “door wie” van vs. 24) hebben alle betrekking op het subject “Christus” in vs. 11 : de eerste (vs. 22) spreekt de onschuld van Christus uit, de tweede (vs. 23) zegt, dat Hij het onrecht, Hem geschied, gedragen heeft, zoals het in vs. 19 als voor God welgevallig was voorgesteld. Evenals die beide, zegt ook het derde (vs. 24) iets van Christus, waarin Hij voor de lezers (vs. 18) een voorbeeld is geworden, terwijl het vierde (vs. 24 b) van deze iets zegt, dat hun is geschied. Dat het genade is, was (vs. 19 vv.) de ene reden, waarom zij moesten doen wat de Apostel eist; de tweede is, dat Christus’ voorbeeld hun dankbare navolging eist; de aaneensluiting van de een reden aan de andere wordt gevormd door de woorden: “want hiertoe bent u geroepen, omdat Christus voor ons geleden heeft. “
In vs. 22 en 23 komt het voorafbeeldende van het lijden van Christus op tweevoudige wijze ter sprake, in zoverre het namelijk aan de ene zijde een onschuldig en in zoverre het aan de andere zijde een geduldig dragen was. In vs. 24 en 25 is vervolgens sprake van de verplichting en van de mogelijkheid om naar dit voorbeeld te wandelen.
De voorstelling, hoewel over het geheel gegeven met een beslistheid van het Nieuwe Testament, die verder dan de profetie gaat, doet bepaald aan Jes. 53 denken. Als die knecht van God moet hier Christus worden voorgesteld, die de zaligheid niet alleen onder lijden verkondigd, maar als degene, die door Zijn lijden de zaligheid zelf heeft teweeg gebracht.
“Die geen zonde gedaan heeft en er is in zijn mond geen bedrog gevonden. ” Bereken hier zelf, hoe groot die mens moet zijn; want er is toch anders geen op aarde gevonden, die niet in woorden of daden gezondigd heeft, die ook in woorden niet struikelt, zegt Jakobus (Jak. 3: 2) is een volmaakt man. Maar waar is Hij? en hoe heet Hij? Die enige is Christus!
Die, als Hij gescholden werd, niet terug schold en als Hij leed, niet dreigde. Petrus zelf was niet zo stil en berustend geweest, toen hij de Heer smaad en smart zag lijden (Joh. 18: 10); des te dieper was het beeld van het geduldig lam van de martelingen in zijn ziel ingedrukt.
“Hij gaf het over Die, die rechtvaardiglijk oordeelt”. Dit is zeer gepast juist voor slaven opgemerkt, die zo makkelijk tot bedrog, smaad en dreiging in verzoeking kwamen; de gerechtigheid van God is de grond, waarom mishandelden gerust kunnen zijn.
Men krijgt overal de indruk hier een ooggetuige van de gevangenneming, van het verhoor, van de ruwe mishandeling, van de kruisiging zelf voor zich te hebben.
a) Die, wat in Jes. 53: 4 v. en 11 v. van Hem gezegd wordt vervullend, zelf, vrijwillig, onze zonden in Zijn lichaam (Kol. 1: 22 Efeze. 2: 16) gedragen heeft op het hout (Hand. 5: 30; 10: 39), als op het altaar, waar Hij het zoenoffer met Zijn dood wilde brengen (Hebr. 9: 28); opdat wij van de zonde afgestorven zijnde (woordelijk “afgescheiden”, evenals de ziel van het lichaam bij het sterven, Rom. 6: 2 in 11), van de gerechtigheid leven zouden; door wiens striemen (Jes. 1: 6 Hand. 16: 33 Sir. 23: 10; 28: 21u (Jes. 53: 5) genezen bent.
Matth. 8: 17
Als Petrus schrijft: “Christus heeft zelf onze zonden gedragen in Zijn lichaam op het hout”, dan is die uitdrukking te vergelijken met die van de offerdienst, die in Jak. 2: 21 en 1 Makk. 4: 53 gebruikt is. De Apostel heeft die gebezigd, om wat Christus heeft gedaan voor te stellen als een daad, die met die van de offeraar overeenkomt (vgl. Hebr. 7: 27), Hoe het heeft plaats gehad, dat Christus onze zonden op de kruispaal droeg, zegt het “in Zijn lichaam”. Zijn lichaam is opgeheven aan het kruis; wat Hij daardoor dat Zijn lichaam aan het hout werd gehangen, er op gedragen heeft, zijn onze zonden. Het was Hem dus om deze te doen, als Hij Zich in de martelingen begaf en wel om de verzoening van deze en in aansluiting hieraan noemt de volgende zin het doel, “opdat wij, van de zonde afgestorven zijnde, van de gerechtigheid zouden leven”. Het geheel is ene herinnering, die de aangesprokene moet dringen, om wat wij onrechtvaardig leden, zo te dragen, als hun dat vroeger op het hart is gedrukt. Wij moeten lijden onder de zonden van anderen, als hun meesters door onrechtvaardig mishandelen zich tegen hen bezondigen en de wijze, waarop zij dit dragen, kan ertoe dienen, om hun meesters tot nadenken te brengen, dat zij tot zichzelf inkeren en van hun ongerechtigheid afstand doen. In zoverre en in die beide opzichten kan wat zij lijden vergeleken worden bij het lijden, dat Christus Zich heeft gekozen. Heeft Hij echter onder onze zonden op die wijze geleden, dat Hij de kruisdood leed, om ze te verzoenen en heeft Hij dit gedaan, om ons leven in zonden te veranderen in een levenstoestand aan de gerechtigheid gewijd, hoe zouden dan zij, die de vrucht van Zijn lijden genieten, Hem niet tot een voorbeeld nemen, om daarnaar hun onrechtvaardig lijden te beschouwen en dienvolgens zich plaatsen tegenover hen, onder wie zij moeten lijden?
In deze derde zin is in vergelijking met de beide vorige een opklimming niet te miskennen: Christus leed onschuldig, geduldig, plaatsbekledend voor ons.
Drie zaken worden op de voorgrond gesteld: 1) dat het onze zonden waren, waarom Christus geleden heeft; 2) tot welk een smadelijk lijden van de dood Hij zelf deze onze zonden, om ze van ons weg te nemen, op Zijn lichaam genomen heeft; en 3) hoe Zijn doel daarbij is onze vroegere zondige wandel in een leven van de gerechtigheid te veranderen. Hebben wij nu zo’n zegen uit Zijn lijden, hoe zouden wij het navolgen kunnen weigeren! Zo verheft zich nu echter ook deze derde trek in het beeld van de lijdende Middelaar boven de voorafbeelding van Zijn lijden en spreekt de kracht van Zijn lijden uit, die tot navolging verplicht en haar mogelijk maakt.
De aard van zijn genadestaat, die in wegneming zowel van de schuld, alsook van de macht van de zonde bestaat, verplicht de Christen en stelt hem in staat, navolger te worden van zijn Middelaar door een gedrag, dat aan de ene zijde door getrouwe vervulling van de zedelijke roeping geen lijden zichzelf berokkent en aan de andere zijde ook bij onverdiend lijden door geduldig dragen, in plaats van woest zichzelf te helpen, eveneens aan de plicht van zedelijk goed gedrag voldoet.
Petrus verbindt beide weldaden van Christus dood, dat door onze zonden verzoend zijn en dat door de kracht ervan de zonde in ons gedood is.
Christus’ lichaam werd van het hout genomen, waarop Hij onze zonden gedragen had en is opgewekt tot leven in heerlijkheid; zo worden wij ontrukt aan de zonde en geleid tot de gerechtigheid.
Wij waren ook onder de vloek van de wet en vrees voor God, met een tegen Hem vijandig gezind hart, dienstknechten van de zonde, maar nu vrijgesproken van het oordeel van de verdoemenis; verzoend en verenigd met God, is ook inwendig de band losgemaakt, die ons aan de zonde vasthield en wij kunnen nu vrij van de gerechtigheid leven.
Want u was, om nu ook Jes. 53: 6 op u toe te passen a) als dwalende schapen, die elk voor zich de weg gaan, die van de juiste weide en van de bestemming van de Herder steeds verder afvoert; maar u bent nu door de prediking van het Evangelie, die u gelovig heeft aangenomen, bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen, zodat u toch een Heer toebehoort, die u goed verzorgt en getrouw beschermt, al is het ook dat u in ander opzicht lijfeigen van harde meesters bent.
Ezechiël. 34: 6 Luk. 15: 4
Petrus richt weer zijn woord tot de slaven; vooral zij moeten bedenken, dat zij genezen zijn door de woorden van Christus, zij, die vaak op gelijke wijze als de Heere door wrede heren slagen moesten verduren. De uitdrukking “striemen” doelt op de geseling van Christus.
In zeer nauwe betrekking tot deze zin staat die van vs. 25, die de grond aangeeft, dat reeds daaruit blijkt, dat in beide zinnen de Apostel, afwijkende van de profetische plaats, van de eerste persoon meervoud tot een aanspreken overgaat. Hij herinnert de aangesprokenen aan hetgeen zij zijn geweest, namelijk degenen, die in plaats van op de juiste weg, op de dwaalweg gingen, evenals wanneer schapen zijn afgedwaald en vervolgens waartoe zij waren gekomen, namelijk tot een Herder, die hun zielen onder Zijn bescherming houdt.
Ook het beeld van de dwalende schapen kon op de lijfeigenen in de verstrooiing, die vaker van meester en plaats verwisselden, zeer passen; evenzeer is het opmerkelijk, dat Petrus Christus de Herder en Opziener van hun zielen noemt, want de lijfeigenen werden vaak genoeg behandeld alsof zij geen onsterfelijke zielen hadden (vgl. MATTHEUS. 10: 28).
Deze vroeger ellendige, ongelukkige, dwalende schapen zijn nu door Jezus wonden genezen en, van de zonde afgestorven, leven zij nu voor de gerechtigheid en hun moeilijke roeping, om het Lam van God, de Opziener van hun zielen na te volgen met blijdschap, met volhardend geduld en dienen hier hun meesters, ook de harden, in grote vrede, evenals zij Christus dienen. Zij zien en vinden hun waarde en grootheid daarin, dat zij het Lam van God niet alleen in Zijn lijden, maar ook in de deugden van Zijn lijden navolgen, evenals de kudde de Herder navolgt. Zij zien de schitterende gerechtigheid van Jezus Christus in woord en werk en zij begeren hun Herder in woord en werken gelijkvormig te worden, ja gelijkvormig in spreken, in zwijgen, in liefde, in overgave, in zelfopoffering. Zij worden gescholden en schelden niet terug, zij zegenen; zij lijden en dreigen niet, zij bidden; zij geven hun zaak over aan Hem, die rechtvaardig oordeelt en worden ernstige voorbidders, evenals Jezus en met Jezus en worstelen en strijden en bidden voor dat éne, dat hun beledigers en vervolgers, hun meesters en tirannen genezen worden door Jezus wonden, van de zonde afsterven, voor de gerechtigheid leven en als vrome schapen de goede Herder navolgen, zoals en waarheen Hij voorgaat. Wij zien de triomf van de goede Herder; Hij gaat voor en uit de meest verlaten en meest geplaagde mensenkinderen volgt Hem een getrouwe kudde, wier wandel en licht steeds meer licht geeft en die aan de gehele wereld het bewijs geven, dat de heilige godsdienst van de Heere Jezus elke nood kan veranderen in zalige vreugde, ja zelfs de slavernij in een staat van de zaligste navolging van de Heere.
Bij dit hoofdstuk valt het vooral in het oog, hoe vrij de Apostel de woorden van de profeet overbrengt op hen, die vroeger heidenen waren, alsof zij van hen gezegd waren en niet oorspronkelijk van het volk van Israël. Zo is voor hen uit de twee één gemaakt en de omtuining, die tussenbeide was, afgebroken (Efeze. 2: 14 Hand. 18: 28).
De Zoon van God is omwille van ons gekomen, dat Hij onze Herder en Bisschop werd. Hij geeft ons Zijn Geest, weidt ons en leidt ons met Zijn woord, zodat wij nu weten hoe wij gered zijn. Daarom als u erkent dat door Hem uw zouden zijn weggenomen, zo bent u Zijn schaap; Hij is uw Herder; Hij is uw Bisschop; u bent Zijn ziel.
Gehoor gevend aan de stem van ons zinnelijk hart, dwalen wij van nature allen als schapen en wandelen naar de lust van onze ogen en zouden ongetwijfeld gevaar lopen op dit dwaalspoor verloren te gaan, als niet telkens de stem van de goede Herder gehoord werd, die in onze woestenij ons is nagegaan en de armen steeds uitgestrekt heeft om ons op Zijn schouders huiswaarts te dragen. “Als dwalende schapen”, is er treuriger toestand te denken, met droever uitzicht gepaard? Zeker, het klinkt zeer schoon, geheel zijn eigen heer en meester te zijn, maar wat geeft een vrijheid, die het domme schaap niet anders dan tot eigen nadeel gebruikt? Hoe langer het doolt, te verder zwerft het af van de veilige herdersstaf, waaronder het rustig had mogen weiden en grazen; voor de overvloed vindt het gebrek; voor de stille waterbeek de barre woestijn; voor de warme stal de dreigende afgrond; voor de trouwe herdershond de grijpende wolf. Maar wie schetst dan het voorrecht van hem, die zo’n voorleden nu eindelijk achter zich ziet en afliet op zichzelf te staan, omdat hij voortaan tot de kudde van de goede Herder behoort? Zeker, hij mist nu dat alles, wat hem in zijn staat van denkbeeldige vrijheid bekoorde, maar hoeveel meer heeft hij in de plaats van dit alles ontvangen en wat al heerlijks in de toekomst te wachten! Aan de Herder en Opziener van zijn ziel heeft hij een arts, die de wond van de zwerveling volkomen geneest; een Zielenhoeder, die de Zijnen niet slechts leven, maar overvloed schenkt; een Voorganger, die hem met eigen hand omwille van Zijn naam, in het spoor van de gerechtigheid leidt. Vraagt het ieder, die in waarheid een schaap van de goede Herder geworden is, of hij tot de vorige toestand zou willen terugkeren en al schijnt er zelfs een ja op zijn lippen te zweven, in het diepst van zijn ziel zegt hij: Nee; de zinspreuk van een welbekend vorstenhuis: “Nimmer terug” is in leven en sterven de zijne. Geen wonder, uit het leven naar de lust van zijn hart is hij thans weergekeerd tot Hem, die zijn ziel even weinig als het schaap zijn herder kan missen en juist die terugkeer is de ware voortgang tot een leven van licht, van vrede, van vernieuwing en hoop geworden; het afkerig Israël moge in de woestijn naar Egypte terugwensen, de getrouwe trekken onder de Meerdere dan Jozua naar het betere Kanaän voort. “Nu bekeerd” kan het echt ook van ons reeds gezegd worden? Het is niet de vraag, of u dag en uur van uw bekering kunt noemen, maar of God u werkelijk op de weg van de bekering aanschouwt, die toch langer duurt dan slechts een enkele dag; of u echt in uw hart het dwaalspoor verlaten heeft en het eigendom van die Herder geworden bent, die Zijn leven voor de schapen gesteld heeft. Als niet, dank God, dat u nog leeft in de tijd van de belofte: “Zie Ik, ja Ik zal naar mijn schapen vragen en zal ze opzoeken” (Ez. 34: 11). Als ja, zie als Petrus nu en dan ootmoedig terug, maar ook vertrouwend vooruit. Vergeet nooit, wat u oorspronkelijk was; waardeer hoog, wat u aanvankelijk bent en zie toe, dat nooit het omgekeerde van u gezegd moge worden: “u was weergekeerd, maar u bent nu als dwalende schapen. ” Daarvoor beware ons die Herder en Opziener van onze zielen genadig, wie van elk gevonden en weergebracht schaap in eeuwigheid dank en ere zij toegewijd!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel