Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Weest mijn navolgersG3402, gelijkerwijsG2531 ook ikG1473 van ChristusG5547.
Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.
KJV
Be3
ye followers1
of me,
even as4
I also5
am of Christ.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En ik prijsG1867 uG4771, broedersG80, datG3754 gij in allesG3956 mijner gedachtigG3415 zijt, en de inzettingenG3862 behoudtG2722, gelijk ik die uG4771 overgegevenG3860 heb.
En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.
KJV
Now2
I praise1
you,
brethren,4
that5
ye remember
me
in all things,6
and9
keep15
the ordinances,14
as10
I delivered11
them to you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DochG1161 ik wilG2309, dat gijG4771 weetG1492, dat ChristusG5547 het HoofdG2776 isG1510 eens iegelijkenG3956 mansG435, en de manG435 het hoofdG2776 der vrouwG1135, en GodG2316 het HoofdG2776 van ChristusG5547.
Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.
KJV
But2
I would have1
you
know,4
that5
the head9
of every6
man7
is
Christ;11
and14
the head13
of the woman15
is the man;17
and19
the head18
of Christ20
is God.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Een iegelijkG3956 manG435, die bidtG4336 ofG2228 profeteertG4395, hebbendeG2192 iets opG2596 het hoofdG2776, die onteertG2617 zijn eigen hoofdG2776;
Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;
KJV
Every1
man2
praying3
or4
prophesying,5
having8
his head7
covered,6
dishonoureth9
his12
head.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
MaarG1161 een iegelijkeG3956 vrouwG1135, die bidtG4336 ofG2228 profeteertG4395 met ongedektenG177 hoofdeG2776, onteertG2617 haar eigenG1438 hoofdG2776; wantG1063 het isG1510 eenG1520 en hetzelfde, alsofG846 haar het haar afgesnedenG3587 ware.
Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.
KJV
But2
every1
woman3
that prayeth4
or5
prophesieth6
with her head9
uncovered7
dishonoureth10
her13
head:12
for15
that is
even17
all one14
as if19
she were shaven.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantG1063 indien een vrouwG1135 nietG3756 gedektG2619 is, dat zij ookG2532 geschorenG2751 worde; maarG1161 indienG1487 het lelijkG149 is voor een vrouwG1135 geschorenG2751 te zijn, of het haar afgesnedenG3587 te hebben, dat zij zich dekkeG2619.
Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.
KJV
For2
if1
the woman5
be4
➔ not3
covered,16
let her7
➔ also6
be shorn:13
but9
if8
it be a shame
for a woman11
to be shorn
or14
shaven,15
let her be covered.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 de manG435 moetG3784 het hoofdG2776 nietG3756 dekkenG2619, overmits hij het beeldG1504 en de heerlijkheidG1391 GodsG2316 is; maarG1161 de vrouwG1135 is de heerlijkheidG1391 des mansG435.
Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.
KJV
For3
a man1
indeed2
ought5
not4
to cover6
his head,8
forasmuch as he is13
the image9
and10
glory11
of God:12
but15
the woman14
is
the glory16
of the man.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 de manG435 isG1510 uitG1537 de vrouwG1135 nietG3756, maarG235 de vrouwG1135 is uitG1537 den manG435.
Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.
KJV
For2
the man4
is
not1
of5
the woman;6
but7
the woman8
of9
the man.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 ookG2532 is de manG435 nietG3756 geschapenG2936 omG1223 de vrouwG1135, maarG235 de vrouwG1135 omG1223 den manG435.
Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
KJV
Neither3
was4
➔ the man5
created
for6
the woman;8
but9
the woman10
for11
the man.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daarom moetG3784 de vrouwG1135 een machtG1849 opG1909 het hoofdG2776 hebbenG2192, omG1223 der engelenG32 wil.
Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.
KJV
For this
cause1
ought3
the woman5
to have7
power6
on8
her head10
because11
of the angels.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Nochtans is noch de manG435 zonder de vrouwG1135, noch de vrouwG1135 zonder den manG435, inG1722 den HeereG2962.
Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.
KJV
Nevertheless1
neither2
is the man3
without4
the woman,5
neither6
the woman7
without8
the man,9
in10
the Lord.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG1063 gelijkerwijsG5618 de vrouwG1135 uitG1537 den manG435 is, alzoG3779 is ookG2532 de manG435 doorG1223 de vrouwG1135; dochG1161 alleG3956 dingen zijn uitG1537 GodG2316.
Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.
KJV
For2
as1
the woman4
is of5
the man,7
even so8
is the man11
also9
by12
the woman;14
but16
all things17
of18
God.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
OordeeltG2919 gijG4771 onderG1722 uzelven: isG1510 het betamelijkG4241, dat de vrouwG1135 ongedektG177 GodG2316 biddeG4336?
Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?
KJV
Judge4
in1
yourselves:3
is it
comely5
that a woman7
pray11
unto God10
uncovered?8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
OfG2228 leertG1321 uG4771 ook de natuurG5449 zelveG846 niet, datG3754 zoG1437 een manG435 lang haar draagt, het hem een oneerG819 isG1510?
Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?
Ook in dit vers
lang draagtG2863
KJV
Doth1
not even2
nature5
itself3
teach6
you,
that,8
if11
a man9
have long hair,12
it is
a shame13
unto him?14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 zoG1437 een vrouwG1135 lang haar draagt, dat het haar een eerG1391 isG1510; omdatG3754 het langeG2864 haar voor een dekselG4018 haarG846 is gegevenG1325?
Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?
Ook in dit vers
lang draagtG2863
KJV
But2
if3
a woman1
have long hair,4
it is
a glory5
to her:6
for8
her hair10
is given13
her14
for11
a covering.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DochG1161 indienG1487 iemandG1536 schijntG1380 twistgierigG5380 te zijnG1510, wij hebbenG2192 zulke gewoontenG4914 nietG3756, noch de GemeentenG1577 GodsG2316.
Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.
KJV
But2
if any man
seem4
to be
contentious,5
we
have11
no10
such8
custom,9
neither12
the churches14
of God.16
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DitG3778 nuG1161, hetgeen ik u aanzeggeG3853, prijsG1867 ik niet, namelijk dat gij niet tot beterG2909, maar totG1519 ergerG2276 samenkomtG4905.
Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.
KJV
Now2
in this
that I declare3
unto you I praise5
you not,4
that6
ye come together15
not7
for8
the better,10
but11
for12
the worse.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 eerstelijkG4412, als gijG4771 samenkomtG4905 inG1722 de GemeenteG1577, zo hoorG191 ik, dat er scheuringenG4978 zijn onderG1722 uG4771; enG2532 ik geloofG4100 het ten deleG3313;
Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;
KJV
For3
first of all,1
when ye
come together4
in6
the church,8
I hear9
that there be13
divisions10
among11
you;
and14
I partly15
believe17
it.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 er moetenG1163 ookG2532 ketterijenG139 onderG1722 uG4771 zijnG1510, opdatG2443 degenen, die oprechtG1384 zijn, openbaarG5318 mogenG1096 worden onderG1722 uG4771.
Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
KJV
For2
there must1
be
also3
heresies4
among5
you,
that8
they which are approved10
may be made12
manifest11
among13
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Als gijG4771 danG3767 bijeenG1909 samenkomtG4905, dat isG1510 nietG3756 des HeerenG2960 avondmaalG1173 etenG5315.
Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.
KJV
When ye
come together1
therefore2
into4
one place,6
this is
not7
to eat11
the Lord's9
supper.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 inG1722 het etenG5315 neemtG4301 een iegelijkG1538 te voren zijn eigenG2398 avondmaalG1173; en deze is hongerigG3983, en de andere is dronkenG3184.
Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.
KJV
For2
in7
eating9
every one1
taketh before6
other his own4
supper:5
and10
one11
is hungry,13
and15
another14
is drunken.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
HebtG2192 gij dan geen huizenG3614, omG1519 er te etenG2068 enG2532 te drinkenG4095? OfG2228 verachtG2706 gij de GemeenteG1577 GodsG2316, enG2532 beschaamtG2617 gij degenen, dieG3778 niet hebbenG2192? WatG5101 zal ik uG4771 zeggenG2036? Zal ik u prijzenG1867? In dezenG5129 prijsG1867 ik u niet.
Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.
KJV
What?2
have ye5
not
houses3
to eat8
and9
to drink10
in?6
or11
despise ye16
the church13
of God,15
and17
shame18
them that have21
not?1
What22
shall I say
to you?
shall I praise25
you
in27
this?
I praise30
you not.4
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Want ik heb vanG575 den HeereG2962 ontvangenG3880, hetgeenG3739 ik ookG2532 uG4771 overgegevenG3860 heb, dat de HeereG2962 JezusG2424 inG1722 den nachtG3571, in welkenG3739 Hij verradenG3860 werd, het broodG740 namG2983;
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;
KJV
For2
I1
have received3
of4
the Lord6
that which7
also8
I delivered9
unto you,
That11
the Lord13
Jesus14
the same night17
in15
which18
he was betrayed19
took20
bread:21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En als Hij gedanktG2168 had, brakG2806 Hij het, enG2532 zeideG2036: NeemtG2983, eetG5315, datG3778 isG1510 Mijn lichaamG4983, dat voor uG4771 gebrokenG2806 wordt; doetG4160 dat totG1519 MijnG1699 gedachtenisG364.
En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
KJV
And1
when he had given thanks,2
he brake3
it, and4
said,
Take,6
eat:7
this
is
my
body,12
which11
is broken16
for14
you:
this
do18
in19
remembrance22
of me.21
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Desgelijks nam Hij ookG2532 den drinkbekerG4221, naG3326 het eten des avondmaalsG1172, en zeideG3004: DezeG3778 drinkbekerG4221 isG1510 het NieuweG2537 TestamentG1242 in MijnG1699 bloedG129. DoetG4160 datG3778, zo dikwijlsG3740 als gij dien zult drinkenG4095, totG1519 MijnG1699 gedachtenisG364.
Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
KJV
After the same manner1
also2
he took the cup,4
when5
he had supped,7
saying,8
This
cup11
is
the new13
testament14
in16
my18
blood:19
this
do ye,21
as oft as22
ye drink24
it, in25
remembrance28
of me.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 zo dikwijlsG3740 als gij ditG3778 broodG740 zult etenG2068, enG2532 dezenG5124 drinkbekerG4221 zult drinkenG4095, zo verkondigtG2605 den doodG2288 des HeerenG2962, totdat Hij komtG2064.
Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
KJV
For2
as often as3
ye eat4
this
bread,6
and8
drink12
this
cup,10
ye do shew17
the Lord's16
death14
till18
he19
come.21
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Zo dan, wieG3739 onwaardiglijkG371 ditG3778 broodG740 eetG2068, ofG2228 den drinkbekerG4221 des HeerenG2962 drinktG4095, die zal schuldigG1777 zijnG1510 aan het lichaamG4983 enG2532 bloedG129 des HeerenG2962.
Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
KJV
Wherefore1
whosoever2
shall eat4
this
bread,6
and8
drink9
this cup11
of the Lord,13
unworthily,14
shall be
guilty15
of the body18
and19
blood20
of the Lord.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
MaarG1161 de mensG444 beproeveG1381 zichzelvenG1438, en ete alzoG3779 vanG1537 het broodG740, en drinkeG4095 vanG1537 den drinkbekerG4221.
Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.
KJV
But2
let1
➔ a man3
examine
himself,4
and5
so6
let him eat10
of7
that bread,9
and11
drink15
of12
that cup.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WantG1063 die onwaardiglijkG371 eetG2068 enG2532 drinktG4095, die eetG2068 enG2532 drinktG4095 zichzelvenG1438 een oordeelG2917, nietG3361 onderscheidendeG1252 het lichaamG4983 des HeerenG2962.
Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
KJV
For2
he that eateth3
and4
drinketh5
unworthily,6
eateth9
and10
drinketh11
damnation7
to himself,8
not12
discerning13
the Lord's17
body.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Daarom zijn onderG1722 uG4771 veleG4183 zwakkenG772 enG2532 krankenG732, enG2532 velenG2425 slapenG2837.
Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
KJV
For1
➔ this
cause
many5
are weak6
and7
sickly8
among3
you,
and9
many11
sleep.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
WantG1063 indien wij onszelvenG1438 oordeeldenG1252, zo zouden wij nietG3756 geoordeeldG2919 worden.
Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
KJV
For2
if1
we would judge4
ourselves,3
we should6
not5
be judged.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
MaarG1161 als wij geoordeeldG2919 worden, zo worden wij vanG5259 den HeereG2962 getuchtigdG3811, opdatG2443 wij met de wereldG2889 nietG3361 zouden veroordeeldG2632 worden.
Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
KJV
But2
when we are judged,1
we are chastened5
of3
the Lord,4
that
➔ we should11
➔ not
be condemned
with8
the world.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Zo dan, mijn broedersG80, als gij samenkomtG4905 omG1519 te etenG5315, verwachtG1551 elkanderG240.
Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
KJV
Wherefore,1
my
brethren,2
when ye come together4
to5
eat,7
tarry9
one for another.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
DochG1161 zoG1487 iemandG1536 hongertG3983, dat hij te huisG3624 eteG2068, opdatG2443 gij nietG3361 totG1519 een oordeelG2917 samenkomtG4905. De overigeG3062 dingen nuG1161 zal ik verordenenG1299, alsG5613 ik zal gekomenG2064 zijn.
Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.
KJV
And2
if any man
hunger,4
let him eat7
at5
home;6
that
➔ ye come12
➔ not
together
unto10
condemnation.11
And14
the rest15
will I set in order19
when16
I come.18
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Christus
Namelijk navolger ben; namelijk die het volmaaktste voorbeeld is van alle deugden, zodat men de leraars wel moet navolgen, maar zo ver als zij Christus navolgen.
Hertaald:
Christus
Namelijk navolger van Christus, Die het volmaaktste voorbeeld van alle deugden is. Men moet de leraars dus wel navolgen, maar alleen voor zover zij Christus navolgen.
in alles mijner
Of, dat gij al mijne dingen, dat is, leringen en vermaningen, gedenkt.
Hertaald:
in alles mijner
Of: dat u aan al mijn zaken denkt, dat is: aan mijn leringen en vermaningen.
de inzettingen,
Gr. overgevingen, of overleveringen, waardoor dan verstaan worden, gelijk hij zelf daarna verklaart, enige zijner ordinantiën niet die artikelen des geloofs zijn, maar die aangingen de uiterlijke wijze, die in de vergaderingen en het plegen van den godsdienst behoorden gehouden te worden.
Hertaald:
de inzettingen,
Grieks: overleveringen. Daaronder worden verstaan, zoals hij zelf daarna verklaart, enkele van zijn verordeningen — niet de geloofsartikelen, maar bepalingen over de uiterlijke wijze waarop de samenkomsten en de eredienst gehouden behoorden te worden.
dat gij weet
Dat is, dat gij let op de orde van onderwerping, die God onder de mensen in Zijn geestelijk lichaam gesteld heeft, opdat gij niet doet wat daartegen strijdt.
Hertaald:
dat gij weet
Dat is: dat u let op de orde van onderschikking die God onder de mensen in Zijn geestelijke lichaam gesteld heeft, opdat u niet doet wat daarmee in strijd is.
het hoofd is
Dat is, over Hem gesteld, heerschappij over Hem hebbende, gelijk het hoofd doet boven en over de andere leden.
Hertaald:
het hoofd is
Dat is: over hem gesteld, heerschappij over hem hebbend, zoals het hoofd dat heeft boven en over de andere leden.
eens iegelijken mans,
Namelijk behorende tot Zijn geestelijk lichaam, want van dat wordt hier eigenlijk gehandeld. Niet dat Hij ook niet zou zijn het hoofd der vrouw, want Hij is het hoofd van Zijn gehele lichaam; Ef. 5:23 .
Hertaald:
eens iegelijken mans,
Namelijk iedere man die tot Zijn geestelijke lichaam behoort, want daarover gaat het hier eigenlijk. Niet dat Hij niet ook het Hoofd van de vrouw zou zijn, want Hij is het Hoofd van Zijn hele lichaam; Ef. 5:23.
God het hoofd van
Namelijk God de Vader, onder wien de Zoon Gods Jezus Christus staat, niet ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, naar welke Hij den Vader in waardigheid en hoogheid even gelijk is, Joh. 10:30 ; Fil. 2:6 , maar naar Zijn Middelaarsambt, naar hetwelk Hij om onzentwil zichzelven den Vader heeft onderworpen en minder is dan de Vader, Joh. 14:28 ; gelijk een gezant onder de mensen als zodanig minder is dan degene die hem zendt, hoewel zij van nature evengelijk zijn.
Hertaald:
God het hoofd van
Namelijk God de Vader, onder Wie de Zoon van God, Jezus Christus, staat — niet met het oog op Zijn goddelijke natuur, waarnaar Hij de Vader in waardigheid en hoogheid volkomen gelijk is, Joh. 10:30; Filipp. 2:6, maar naar Zijn Middelaarsambt, waarnaar Hij Zich om onzentwil aan de Vader onderworpen heeft en minder is dan de Vader, Joh. 14:28 — zoals een gezant onder de mensen als zodanig minder is dan degene die hem zendt, hoewel zij van nature gelijk zijn.
die bidt of
Dat is, het algemeen gebed in de vergaderingen òf voorzegt, òf aanhoort en mede bidt.
Hertaald:
die bidt of
Dat is: het algemene gebed in de samenkomsten óf voorgaat, óf aanhoort en meebidt.
profeteert,
Of de Schriften der profeten in de vergaderingen voorleest en uitlegt, 1 Kor. 14:3 , 1 Kor. 14:29 , enz. of enige toekomende dingen voorzegt uit goddelijke openbaring. Want die gave werd toen sommigen van God gegeven tot troost van de gemeente, 1 Kor. 14:26 ; Ef. 4:11 ; of die zodanige uitleggingen in de vergaderingen aanhoort.
Hertaald:
profeteert,
Of: de geschriften van de profeten in de samenkomsten voorleest en uitlegt, 1 Kor. 14:3, 1 Kor. 14:29, enzovoort; of bepaalde toekomstige dingen voorzegt uit goddelijke openbaring — want die gave werd toen door God aan sommigen gegeven tot troost van de gemeente, 1 Kor. 14:26; Ef. 4:11; of die zulke uitleggingen in de samenkomsten aanhoort.
iets op het
Namelijk enig deksel, als daar is het lang haar, vs.14, of een hoed, sluier, of dergelijke, vs.7, gelijk de heidenen hunne afgoden met gedekte hoofden plachten te dienen. Zie Vergil. Aen. 3, Sueton. in Vitell.
Hertaald:
iets op het
Namelijk enig deksel, zoals het lange haar, vers 14, of een hoed, sluier of dergelijke, vers 7 — zoals de heidenen hun afgoden met bedekt hoofd plachten te dienen. Zie Vergilius, Aeneis 3; Suetonius, in Vitellius.
die onteert
Namelijk overmits de ontdekking van het hoofd toen een teken was van macht en heerschappij, gelijk nu hedendaags daarentegen degenen, die macht over anderen hebben, hunne hoofden zullen gedekt houden, en die onder anderen staan voor hen hunne hoofden zullen ontdekken. Doch in dezen allen moet men altijd zien op het gebruik van verscheidene tijden en landen, en wat daarin eerlijk en stichtelijk is; 1 Kor. 14:40 ; Fil. 4:8 .
Hertaald:
die onteert
Namelijk omdat het ontbloten van het hoofd toen een teken van macht en heerschappij was — terwijl tegenwoordig juist zij die macht over anderen hebben hun hoofd bedekt houden, en zij die onder anderen staan hun hoofd voor hen ontbloten. Maar bij dit alles moet men altijd letten op het gebruik in verschillende tijden en landen, en op wat daarin fatsoenlijk en stichtelijk is; 1 Kor. 14:40; Filipp. 4:8.
vrouw, die
Namelijk die getrouwd is en onder de macht staat van haren man. Zie vs.3. Hoewel de anderen hier niet uitgesloten worden.
Hertaald:
vrouw, die
Namelijk de vrouw die getrouwd is en onder het gezag van haar man staat. Zie vers 3. Hoewel de anderen hier niet uitgesloten worden.
bidt of
Dat is, die in de vergadering de algemene gebeden, of de uitlegging der profetische schriften aanhoort; want dat ene vrouw openlijk in de vergadering de gebeden zou doen, of de Schrift uitleggen, wordt haar verboden; 1 Kor. 14:34-35 ; 1 Tim. 2:12 , of die met buitengewone gave van bidden of toekomende dingen te voorzeggen, begaafd zijnde, dezelve in de vergadering zal willen voorstellen, daartoe door een goddelijk ingeven gedreven zijnde. Zie Joël 2:28 ; Luc. 2:36 ; Hand. 21:9 .
Hertaald:
bidt of
Dat is: die in de samenkomst de algemene gebeden of de uitlegging van de profetische geschriften aanhoort. Want dat een vrouw in het openbaar in de samenkomst de gebeden zou doen of de Schrift zou uitleggen, wordt haar verboden; 1 Kor. 14:34-35; 1 Tim. 2:12. Of: die, begiftigd met een buitengewone gave om te bidden of toekomstige dingen te voorzeggen, die in de samenkomst naar voren wil brengen, daartoe door een goddelijke ingeving gedreven. Zie Joël 2:28; Luk. 2:36; Hand. 21:9.
onteert haar
Of, beschaamt haar hoofd, doet haar hoofd schande aan; namelijk omdat zij door dat teken schijnt te willen ontkennen, dat zij onder den man staat; en ook enigszins dat Christus niet zou zijn het hoofd Zijner gemeente. Zie vs.4.
Hertaald:
onteert haar
Of: beschaamt haar hoofd, doet haar hoofd schande aan; namelijk omdat zij door dat teken lijkt te willen ontkennen dat zij onder de man staat, en enigszins ook dat Christus het Hoofd van Zijn gemeente zou zijn. Zie vers 4.
een en hetzelfde
Dat is, van enerlei onbetamelijkheid, namelijk als zij het deksel aflegt, dat gemaakt wordt, dat is, zoveel als zij het natuurlijke deksel aflegde.
Hertaald:
een en hetzelfde
Dat is: het is dezelfde onbetamelijkheid; namelijk wanneer zij het deksel aflegt dat gemaakt is, is dat evenveel als wanneer zij het natuurlijke deksel aflegde.
dat zij ook geschoren
Dat is, het is evenveel en even schandelijk, alsof zij geschoren ware.
Hertaald:
dat zij ook geschoren
Dat is: het is even schandelijk alsof zij geschoren was.
geschoren te zijn
Namelijk met de schaar.
Hertaald:
geschoren te zijn
Namelijk met de schaar.
afgesneden te
Namelijk met het scheermes.
Hertaald:
afgesneden te
Namelijk met het scheermes.
het beeld en
Namelijk ten aanzien van zijne macht en heerschappij, die hij heeft over de vrouw. Want anderszins, ten aanzien van de heiligheid en gerechtigheid, is de vrouw zoveel naar het beeld van God geschapen als de man; Gen. 1:26-27 .
Hertaald:
het beeld en
Namelijk met het oog op zijn macht en heerschappij, die hij over de vrouw heeft. Want overigens is de vrouw, wat de heiligheid en gerechtigheid betreft, evenzeer naar het beeld van God geschapen als de man; Gen. 1:26-27.
heerlijkheid Gods
Namelijk omdat God in des mans heerschappij over de vrouw, de heerlijkheid en het gebied doet blijken, dat Hij heeft over Zijne schepselen.
Hertaald:
heerlijkheid Gods
Namelijk omdat God in de heerschappij van de man over de vrouw de heerlijkheid en de macht laat blijken die Hij over Zijn schepselen heeft.
de heerlijkheid des mans
Namelijk omdat de onderdanigheid der vrouw onder den man een bewijs is van de macht, het gezag en de uitnemendheid des mans boven de vrouw.
Hertaald:
de heerlijkheid des mans
Namelijk omdat de onderdanigheid van de vrouw aan de man een bewijs is van de macht, het gezag en de voorrang van de man boven de vrouw.
uit de vrouw niet,
Namelijk eerstmaal van God geschapen. Zie Gen. 2:21-22 . Anderszins worden de mannen nu naar den loop der natuur van vrouwen geboren; Job 14:1 . Zie ook vs.12.
Hertaald:
uit de vrouw niet,
Namelijk in de eerste schepping door God. Zie Gen. 2:21-22. Overigens worden de mannen nu naar de loop van de natuur uit vrouwen geboren; Job 14:1. Zie ook vers 12.
om de vrouw,
Namelijk om haar onderworpen te zijn en alzo te dienen.
Hertaald:
om de vrouw,
Namelijk om aan haar onderworpen te zijn en haar zo te dienen.
om den man
Namelijk om hem tot zijn dienst onderworpen te zijn, en ene hulp te wezen, die bij hem zou zijn; Gen. 2:18 .
Hertaald:
om den man
Namelijk om aan hem tot zijn dienst onderworpen te zijn en een hulp voor hem te zijn; Gen. 2:18.
ene macht op het
Dat is, een deksel, tot een teken dat zij staat onder de macht en het gebied van den man. Zie Gen. 24:65 ; een wijze van spreken, waardoor het teken toegeschreven wordt de naam van de betekende zaak, hetwelk in de sacramenten ook zeer gebruikelijk is.
Hertaald:
ene macht op het
Dat is: een deksel, als teken dat zij onder de macht en het gezag van de man staat. Zie Gen. 24:65. Het is een manier van spreken waarbij aan het teken de naam van de aangeduide zaak gegeven wordt, wat bij de sacramenten ook heel gebruikelijk is.
om der engelen wil
Dit verstaan sommigen van de leraars der gemeente, die in de Schrift ook engelen, dat is, boden of gezanten Gods genaamd worden, Mal. 2:7 ; Openb. 1:20 . Doch kan bekwamelijker verstaan worden van de dienstbare geesten, die vanwege hun ambt eigenlijk engelen doorgaans genaamd worden. Want dewijl dezelve in de vergaderingen der gelovigen tegenwoordig zijn, Ps. 34:8 , en Matt. 18:10 , en door onordelijkheid of ongeschiktheid, die daar zou mogen gepleegd worden, bedroefd worden, zo vermaant de apostel de vrouwen, dat zij deze heilige geesten ook behoren te ontzien, om hen hierin niet te bedroeven.
Hertaald:
om der engelen wil
Sommigen verstaan hieronder de leraars van de gemeente, die in de Schrift ook engelen genoemd worden, dat is: boden of gezanten van God, Mal. 2:7; Openb. 1:20. Maar het kan beter opgevat worden van de dienende geesten, die vanwege hun ambt doorgaans eigenlijk engelen genoemd worden. Want aangezien zij in de samenkomsten van de gelovigen aanwezig zijn, Ps. 34:8 en Matth. 18:10, en bedroefd worden door wanorde of onbetamelijkheid die daar zou kunnen voorkomen, vermaant de apostel de vrouwen dat zij ook deze heilige geesten behoren te ontzien, om hen hierin niet te bedroeven.
Nochtans is noch
Dit doet de apostel daarbij, opdat om dezer heerschappij wil noch de mannen zich verhovaardigen, noch de vrouwen zich bedroeven zouden.
Hertaald:
Nochtans is noch
Dit voegt de apostel eraan toe, opdat de mannen zich vanwege deze heerschappij niet zouden verhovaardigen en de vrouwen zich er niet over zouden bedroeven.
in den Heere
Namelijk Jezus Christus, aan wien, ten aanzien van Zijne genade en verdiensten, de vrouwen zowel gemeenschap hebben als de mannen. Zie Gal. 3:28 .
Hertaald:
in den Heere
Namelijk Jezus Christus, aan Wie de vrouwen, wat Zijn genade en verdiensten betreft, evengoed gemeenschap hebben als de mannen. Zie Gal. 3:28.
uit den man is,
Zie vs.8.
Hertaald:
uit den man is,
Zie vers 8.
door de vrouw;
Namelijk overmits hij van ene vrouw ontvangen en geboren wordt, naar de natuurlijke geboorte. Waarom hij de vrouw ook niet behoort te verachten, maar in ere te houden en lief te hebben, hoewel hij over haar heerschappij heeft.
Hertaald:
door de vrouw;
Namelijk aangezien hij naar de natuurlijke geboorte door een vrouw ontvangen en gebaard wordt. Daarom behoort hij de vrouw ook niet te verachten, maar in ere te houden en lief te hebben, hoewel hij heerschappij over haar heeft.
alle dingen zijn
Dat is, zowel de vrouw als de man, zijn beiden van God geschapen; en zowel de onderdanigheid der vrouw, als de heerschappij des mans zijn beide van God geordineerd. Anderszins is het ook in het algemeen waar, dat alle schepselen van God zijn. Zie Rom. 11:36 ; 1 Kor. 8:6 .
Hertaald:
alle dingen zijn
Dat is: zowel de vrouw als de man zijn beiden door God geschapen; en zowel de onderdanigheid van de vrouw als de heerschappij van de man zijn beide door God verordend. Overigens is het ook in het algemeen waar dat alle schepselen uit God zijn. Zie Rom. 11:36; 1 Kor. 8:6.
Oordeelt gij onder
Of, oordeelt bij uzelven. Gr. in uzelven. De apostel wil tonen dat deze zaak, die hij hier drijft, zo klaar en bekend is dat hij de Corinthiërs zelf tot rechters daarvan wel wil stellen; gelijk 1 Kor. 10:15 .
Hertaald:
Oordeelt gij onder
Of: oordeelt bij uzelf. Grieks: in uzelf. De apostel wil laten zien dat deze zaak die hij hier bepleit zo duidelijk en bekend is, dat hij de Korinthiërs zelf daarover wel tot rechters wil aanstellen, zoals 1 Kor. 10:15.
de natuur zelve
Namelijk die onder anderen het vrouwelijk geslacht van het mannelijke daarmede ook onderscheiden heeft, dat de vrouwen het haar van het hoofd langer en dichter wast dan den mannen, en dat het haar dient tot een sieraard en deksel.
Hertaald:
de natuur zelve
Namelijk de natuur die onder meer ook daarmee het vrouwelijke geslacht van het mannelijke onderscheiden heeft, dat het hoofdhaar van de vrouwen langer en dichter groeit dan dat van de mannen, en dat het haar tot een sieraad en deksel dient.
hem een oneer is?
Namelijk omdat dit lange haar op zijn hoofd als een deksel is, en een teken van onderdanigheid, daar hij het hoofd is der vrouw, en daarom zulk een teken niet behoort te dragen, waarmede hij zijne heerschappij schijnt te verzaken. Daar benevens, omdat hij zich alzo gelijk als herschept in ene vrouw, dragende een sieraad, dat de vrouwen eigen is, en alzo gelijk als zijn geslacht verzaakt, hetwelk God in de wet verbiedt; Deut. 22:5 .
Hertaald:
hem een oneer is?
Namelijk omdat dit lange haar op zijn hoofd als een deksel is en dus een teken van onderdanigheid, terwijl hij het hoofd van de vrouw is en daarom zo'n teken niet behoort te dragen, waarmee hij zijn heerschappij lijkt te verloochenen. Bovendien maakt hij zichzelf daarmee als het ware tot een vrouw, doordat hij een sieraad draagt dat aan vrouwen eigen is, en verloochent hij als het ware zijn geslacht — wat God in de wet verbiedt; Deut. 22:5.
een deksel haar is
Gr. een omwerpsel; namelijk om haar te dienen tot een deksel, en volgens dien ook tot een teken van onderdanigheid, hetwelk dan eer voor haar is, dat zij dezelve hare onderdanigheid, volgens de ordinantie Gods, daarmede bekent.
Hertaald:
een deksel haar is
Grieks: een omhulsel; namelijk om haar tot een deksel te dienen en daarmee ook tot een teken van onderdanigheid. Dat is dan juist een eer voor haar, dat zij die onderdanigheid, volgens de verordening van God, daarmee erkent.
twistgierig te zijn,
Of, twist lief te hebben; dat is, die tegen deze zaak en redenen nog veel zou willen twisten, met hem willen wij niet verder twisten.
Hertaald:
twistgierig te zijn,
Of: twist lief te hebben; dat is: wie tegen deze zaak en deze argumenten nog veel zou willen twisten — met hem willen wij niet verder twisten.
zulke gewoonte niet,
Namelijk om te twisten over zaken, die zo klaar en bekend zijn.
Hertaald:
zulke gewoonte niet,
Namelijk de gewoonte om te twisten over zaken die zo duidelijk en bekend zijn.
De gemeenten Gods
Welker voorbeeld of gebruik in zulke zaken men heilig behoort te volgen.
Hertaald:
De gemeenten Gods
Wier voorbeeld of gebruik men in zulke zaken zorgvuldig behoort te volgen.
Dit nu, hetgeen
Namelijk hetgeen volgt.
Hertaald:
Dit nu, hetgeen
Namelijk wat nu volgt.
aanzeg, prijs
Of, verhaal, vermeld, verkondig.
Hertaald:
aanzeg, prijs
Of: verhaal, vermeld, verkondig.
tot beter, maar
Dat is, niet tot verbetering, maar tot verergering. Want de vergaderingen worden daartoe aangesteld, opdat de gelovigen in dezelve gesticht en gebeterd worden; hetwelk niet geschiedt, wanneer in dezelve ongeschiktheden worden gepleegd.
Hertaald:
tot beter, maar
Dat is: niet tot verbetering, maar tot verergering. Want de samenkomsten worden daartoe gehouden dat de gelovigen daarin gesticht en verbeterd worden, wat niet gebeurt wanneer daarin ongepaste dingen bedreven worden.
in de gemeente,
Dat is, in de vergadering der gelovigen, die toen nog niet werden gehouden in kerken, alzo de Christenen toen nog geen kerken hadden gelijk nu, maar in huizen en andere gelegen plaatsen.
Hertaald:
in de gemeente,
Dat is: in de samenkomst van de gelovigen, die toen nog niet in kerken gehouden werden, aangezien de christenen toen nog geen kerkgebouwen hadden zoals nu, maar in huizen en andere geschikte plaatsen.
zo hoor ik dat
Van wien hij het gehoord had, verklaart hij 1 Kor. 1:11 .
Hertaald:
zo hoor ik dat
Van wie hij het gehoord had, verklaart hij in 1 Kor. 1:11.
scheuringen zijn onder
Scheuring is, wanneer onder de lidmaten van ene gemeente, in het stuk der leer en in de gronden derzelve eens zijnde, om andere misverstanden, onenigheid en verdeeldheid ontstaat, elke partij zijn hoofd en leidsman volgende, waardoor de enigheid des lichaams van Christus gescheurd en verbroken wordt; hetwelk onder de werken des vleesches mede geteld wordt; Gal. 5:20 . Zie breder hiervan 1 Kor. 1:12 .
Hertaald:
scheuringen zijn onder
Er is scheuring wanneer onder de leden van één gemeente, die het over het punt van de leer en de grondslagen daarvan eens zijn, om andere misverstanden onenigheid en verdeeldheid ontstaat, waarbij elke partij haar eigen hoofd en leidsman volgt, waardoor de eenheid van het lichaam van Christus verscheurd en verbroken wordt. Dat wordt ook tot de werken van het vlees gerekend; Gal. 5:20. Zie hierover uitvoeriger 1 Kor. 1:12.
ik geloof het ten
Namelijk dewijl ik sommiger, die onder u zijn, opgeblazenheid en twistgierigheid ken.
Hertaald:
ik geloof het ten
Namelijk aangezien ik de opgeblazenheid en twistzucht van sommigen onder u ken.
moeten ook
Namelijk overmits de oorzaken van ketterijen daar altijd zullen zijn, als opgeblazenheid, vermetelheid, eergierigheid en stoutheid van sommige mensen, die daardoor aangedreven worden om ketterijen te verwekken en aan te hangen. Zolang er zulke mensen zullen zijn, zo moeten er ook ketterijen wezen. Zie dergelijke wijze van spreken en nadere verklaring daarvan Matt. 18:7 .
Hertaald:
moeten ook
Namelijk aangezien de oorzaken van ketterijen er altijd zullen zijn: opgeblazenheid, vermetelheid, eerzucht en brutaliteit van sommige mensen, die daardoor gedreven worden om ketterijen te verwekken en aan te hangen. Zolang er zulke mensen zullen zijn, moeten er ook ketterijen zijn. Zie een soortgelijke manier van spreken, met nadere verklaring, in Matth. 18:7.
ketterijen
Ketterij is een twist, ontstaande over de leer, wanneer sommigen enige dwalingen hardnekkiglijk drijven of aannemen, strijdende tegen de grondstukken der zaligmakende leer. Zodat ketterij erger en schadelijker is dan scheuring. En hiermede geeft de apostel reden, waarom hij gelooft dat er onder hen scheuringen zijn, omdat er ook nog erger kwaad onder hen gevonden werd, namelijk ketterij, die hij daarna beschrijft en wederlegt; 1Co 15 .
Hertaald:
ketterijen
Ketterij is een twist die over de leer ontstaat, wanneer sommigen bepaalde dwalingen hardnekkig doordrijven of aannemen die strijden met de grondstukken van de zaligmakende leer. Ketterij is dus erger en schadelijker dan scheuring. Hiermee geeft de apostel de reden waarom hij gelooft dat er onder hen scheuringen zijn: omdat er onder hen nog erger kwaad gevonden werd, namelijk ketterij, die hij daarna beschrijft en weerlegt; 1 Kor. 15.
onder u zijn,
Dat is, in het midden van de gemeente. Zie Hand. 20:30 ; 1 Joh. 2:19 .
Hertaald:
onder u zijn,
Dat is: midden in de gemeente. Zie Hand. 20:30; 1 Joh. 2:19.
die oprecht zijn,
Gr. die beproefd zijn; dat is, die in de beproeving door scheuringen en ketterijen standvastig blijven bij de enigheid der gemeente en bij de gezonde leer, en alzo oprecht bevonden worden; ene gelijkenis, genomen van goud, dat in de proef door het vuur bestaat; 1 Petr. 1:7 .
Hertaald:
die oprecht zijn,
Grieks: die beproefd zijn; dat is: zij die in de beproeving door scheuringen en ketterijen standvastig blijven bij de eenheid van de gemeente en bij de gezonde leer, en die zo oprecht bevonden worden. Het is een vergelijking, ontleend aan goud dat de proef in het vuur doorstaat; 1 Petr. 1:7.
openbaar mogen
Dat is, bekend dat zij oprecht zijn. Wanneer de gemeente in vrede is, zonder scheuring of ketterij, zo worden allen, die den godsdienst belijden, voor oprecht gehouden; maar als er scheuring en ketterij ontstaat, zo wordt het openbaar en bekend, wie bij de enigheid der kerk en bij de gezondheid der leer standvastig blijven of niet, gelijk het kaf van het koren door den wan gescheiden wordt; Matt. 3:12 .
Hertaald:
openbaar mogen
Dat is: bekend wordt dat zij oprecht zijn. Wanneer de gemeente in vrede is, zonder scheuring of ketterij, worden allen die de godsdienst belijden voor oprecht gehouden. Maar wanneer er scheuring en ketterij ontstaat, wordt het openbaar en bekend wie er bij de eenheid van de kerk en bij de gezondheid van de leer standvastig blijven en wie niet — zoals het kaf door de wan van het koren gescheiden wordt; Matth. 3:12.
dat
Namelijk hetgeen gij doet.
Hertaald:
dat
Namelijk wat u doet.
is niet des
Namelijk overmits het onwettelijk eten is als niet eten. Of, overmits zulks niet is des Heeren, maar zijn eigen Avondmaal eten, gelijk in vs.21.
Hertaald:
is niet des
Namelijk aangezien onwettig eten hetzelfde is als niet eten. Of: aangezien dat niet het Avondmaal van de Heere is, maar het eten van hun eigen avondmaal, zoals in vers 21.
in het eten neemt
Dit wordt verstaan van het eten van enige spijs, die de rijken medebrachten als men het Avondmaal des Heeren zou houden, om daarna met de armen een maaltijd te houden; welke maaltijden in het Grieks genaamd worden Agapai; dat is maaltijden van liefde. Zie hiervan Jud. 1:12 .
Hertaald:
in het eten neemt
Dit wordt opgevat als het eten van spijs die de rijken meebrachten wanneer men het Avondmaal van de Heere zou houden, om daarna met de armen een maaltijd te houden. Die maaltijden worden in het Grieks agapai genoemd, dat is: liefdemaaltijden. Zie hierover Judas 1:12.
een iegelijk
Namelijk van de rijken, zonder de armen te verwachten. Of, een iegelijk met degenen, die het met hen hielden.
Hertaald:
een iegelijk
Namelijk ieder van de rijken, zonder op de armen te wachten. Of: ieder met hen die het met hem hielden.
te voren
Namelijk eer de armen daarbij zijn gekomen. Of, eer het Avondmaal des Heeren gehouden wordt.
Hertaald:
te voren
Namelijk voordat de armen erbij gekomen waren. Of: voordat het Avondmaal van de Heere gehouden werd.
zijn eigen Avondmaal;
Dat is, een Avondmaal, dat niet in het algemeen van de gehele gemeente gehouden wordt, gelijk des Heeren Avondmaal gehouden moet worden, maar dan van enigen alleen met uitsluiting van anderen in het bijzonder wordt gehouden.
Hertaald:
zijn eigen Avondmaal;
Dat is: een avondmaal dat niet in het algemeen door de hele gemeente gehouden wordt, zoals het Avondmaal van de Heere gehouden moet worden, maar dat door enkelen apart gehouden wordt met uitsluiting van anderen.
deze is hongerig
Dat is, de armen zijn hongerig, omdat men hen niet wil verwachten, en de rijken zijn dronken, omdat zij bij elkander op die maaltijden dikwijls tevoren zo toefden, dat zij beschonken werden.
Hertaald:
deze is hongerig
Dat is: de armen zijn hongerig omdat men niet op hen wil wachten, en de rijken zijn dronken omdat zij bij die maaltijden vaak zo lang bij elkaar zaten dat zij beschonken raakten.
geen huizen,
In welke gij tevoren kunt eten en uwen honger stillen, zonder dat gij zulks openlijk in de plaatsen der vergaderingen doet. Zie vs.34.
Hertaald:
geen huizen,
Waarin u van tevoren kunt eten en uw honger stillen, zonder dat u dat openlijk doet op de plaatsen van de samenkomst. Zie vers 34.
veracht gij de
Dat is, past gij niet op de ergernissen, die daardoor in de gemeente ontstaan?
Hertaald:
veracht gij de
Dat is: let u niet op de ergernissen die daardoor in de gemeente ontstaan?
beschaamt gij
Dat is, de armen, die tot zulke maaltijden niet konden toebrengen, die gij òf niet wilt toelaten tot dezelve, òf niet wilt verwachten, en alzo openlijk betoont hen te verachten.
Hertaald:
beschaamt gij
Dat is: de armen, die aan zulke maaltijden niets konden bijdragen, die u óf niet wilt toelaten óf niet wilt afwachten, waarmee u openlijk toont hen te verachten.
In dezen prijs ik
Dat is, in deze misbruiken des Avondmaals kan ik u geen gelijk geven; of prijzen als wel gedaan.
Hertaald:
In dezen prijs ik
Dat is: in deze misbruiken van het Avondmaal kan ik u geen gelijk geven, of u niet prijzen alsof het goed gedaan was.
Want ik heb
De apostel, om deze misbruiken te beteren, houdt hun voor de instelling des Heilig Avondmaals, zoals hetzelve van Christus eerst is ingesteld; hetwelk de beste en zekerste wijze is om misbruiken te beteren en weg te nemen, alzo alles naar de instelling Gods en Christus in den godsdienst moet gericht worden.
Hertaald:
Want ik heb
Om deze misbruiken te verbeteren houdt de apostel hun de instelling van het Heilig Avondmaal voor, zoals dat door Christus eerst ingesteld is. Dat is de beste en zekerste manier om misbruiken te verbeteren en weg te nemen, aangezien in de eredienst alles gericht moet worden naar de instelling van God en Christus.
van den Heere
Namelijk en niet van mensen; Gal. 1:12 . Dit is geschied door openbaringen, die de Heere Christus zelf aan Paulus dikwijls gedaan heeft.
Hertaald:
van den Heere
Namelijk en niet van mensen; Gal. 1:12. Dat is gebeurd door openbaringen die de Heere Christus Zelf vaak aan Paulus gedaan heeft.
overgegeven heb,
Of, overgeleverd; dat is, getrouwelijk heb geleerd, niet als mijne leer, maar des Heeren Christus zelven.
Hertaald:
overgegeven heb,
Of: overgeleverd; dat is: trouw geleerd, niet als mijn eigen leer maar als die van de Heere Christus Zelf.
dat de Heere Jezus
De verklaring van deze volgende instelling des Avondmaals, zie Matt. 26:26 , enz.
Hertaald:
dat de Heere Jezus
Zie de verklaring van deze instelling van het Avondmaal die nu volgt bij Matth. 26:26, enzovoort.
Testament in mijn
Of, verbond, Ex. 24:8 . Dat is, een teken en zegel des Nieuwen Testaments of verbonds. Want de beker is het verbond zelf niet, maar een teken en zegel daarvan.
Hertaald:
Testament in mijn
Of: verbond, Ex. 24:8. Dat is: een teken en zegel van het Nieuwe Testament of verbond. Want de beker is niet het verbond zelf, maar een teken en zegel daarvan.
dit brood zult
Het is dan brood, dat in het Avondmaal gegeten wordt.
Hertaald:
dit brood zult
Het is dus brood dat in het Avondmaal gegeten wordt.
drinkbeker zult
Dat is, den wijn die in den drinkbeker is: een oneigenlijke wijze van spreken.
Hertaald:
drinkbeker zult
Dat is: de wijn die in de drinkbeker is; een oneigenlijke manier van spreken.
zo verkondigt den
De dood des Heeren moet in het Avondmaal verkondigd worden, zo van de dienaars des Woords, die bij de bediening het volk moeten onderwijzen, dat dit gebroken brood en deze wijn een teken en verzegeling is van den bitteren dood van Christus aan het kruis, en van de weldaden daardoor voor ons verkregen, alsook van degenen, die het genieten, die in hun hart moeten overdenken, geloven en met dankzegging belijden, dat de Heere Christus voor hen is gestorven om hen van den eeuwigen dood te verlossen en zalig te maken, hetwelk alles door de woorden: Doet dit tot mijne gedachtenis, vs.25, te kennen gegeven is.
Hertaald:
zo verkondigt den
De dood van de Heere moet in het Avondmaal verkondigd worden, zowel door de dienaars van het Woord, die bij de bediening het volk moeten onderwijzen dat dit gebroken brood en deze wijn een teken en verzegeling zijn van de bittere dood van Christus aan het kruis en van de weldaden die daardoor voor ons verkregen zijn, als door hen die het gebruiken, die in hun hart moeten overdenken, geloven en met dankzegging belijden dat de Heere Christus voor hen gestorven is om hen van de eeuwige dood te verlossen en zalig te maken. Dat alles is te kennen gegeven met de woorden: doet dat tot Mijn gedachtenis, vers 25.
totdat Hij komt
Namelijk om te oordelen des levenden en de doden; want gelijk de sacramenten des Ouden Testaments duurden tot op de eerste toekomst van Christus in het vlees, zo zullen de sacramenten des Nieuwen Testaments duren tot zijn tweede komst in heerlijkheid.
Hertaald:
totdat Hij komt
Namelijk om de levenden en de doden te oordelen. Want zoals de sacramenten van het Oude Testament duurden tot aan de eerste komst van Christus in het vlees, zo zullen de sacramenten van het Nieuwe Testament duren tot aan Zijn tweede komst in heerlijkheid.
onwaardiglijk dit brood
Dat geschiedt wanneer de personen niet recht gesteld zijn, die ten Avondmaal gaan, zijnde òf openbare ergerlijke mensen, die ook daarvan moeten geweerd zijn, òf bedekte huichelaars, en in twist staande met hunnen naaste, en met haat, nijd, gierigheid en ongerechtigheid beladen, òf ook wanneer de gelovigen zelf zich daartoe niet behoorlijk hebben bereid, òf met behoorlijke aandacht het niet nuttigen.
Hertaald:
onwaardiglijk dit brood
Dat gebeurt wanneer de personen die tot het Avondmaal gaan niet in de juiste gesteldheid verkeren: hetzij openlijk aanstootgevende mensen, die daar ook van geweerd moeten worden, hetzij verborgen huichelaars, of mensen die in twist leven met hun naaste en beladen zijn met haat, nijd, hebzucht en ongerechtigheid; of ook wanneer de gelovigen zelf zich daar niet naar behoren op voorbereid hebben, of het niet met de gepaste aandacht gebruiken.
zal schuldig zijn aan
Namelijk omdat hij het teken des lichaams en bloeds van Christus door zulke misbruiken smaadheid aandoet. Want de smaadheid, die men des konings zegel aandoet, wordt gehouden alsof zij den koning zelf aangedaan ware.
Hertaald:
zal schuldig zijn aan
Namelijk omdat hij door zulke misbruiken het teken van het lichaam en bloed van Christus smaadheid aandoet. Want de smaad die men het zegel van de koning aandoet, wordt beschouwd alsof die de koning zelf aangedaan was.
beproeve zichzelven,
Dat is, onderzoeke zijn gemoed en conscientie, of hij ook in zijn hart gevoelt een recht leedwezen en droefheid over zijne zonden, alsook een vast geloof en vertrouwen op de verdiensten van Jezus Christus, en daarenboven een ongeveinsd voornemen om de zonden meer en meer af te sterven, en in een nieuw godzalig leven voor God te wandelen. Zie Gen. 17:1 ; 2 Kor. 13:5 .
Hertaald:
beproeve zichzelven,
Dat is: laat hij zijn gemoed en geweten onderzoeken of hij in zijn hart ook een oprecht leedwezen en droefheid over zijn zonden ervaart, en ook een vast geloof en vertrouwen op de verdiensten van Jezus Christus, en daarbij een ongeveinsd voornemen om de zonden meer en meer af te sterven en in een nieuw godzalig leven voor God te wandelen. Zie Gen. 17:1; 2 Kor. 13:5.
ete alzo
Namelijk nadat hij zichzelven terecht zal beproefd en alzo bevonden hebben.
Hertaald:
ete alzo
Namelijk nadat hij zichzelf terdege beproefd en zo bevonden heeft.
van het brood
Gr. uit.
Hertaald:
van het brood
Grieks: uit.
van den drinkbeker
Gr. uit.
Hertaald:
van den drinkbeker
Grieks: uit.
een oordeel,
Dat is, ene schuld of straf. Zie Matt. 23:14 ; Luc. 23:40 ; Rom. 2:3 , en Rom. 5:16 , en Rom. 13:2 ; Jak. 3:1 . Hetwelk verstaan wordt, òf van de eeuwige straffen ten aanzien van de huichelaars; òf van de tijdelijke kastijdingen ten aanzien van de gelovigen, het Avondmaal niet waardiglijk gebruikende, gelijk hierna verklaard wordt vs.30.
Hertaald:
een oordeel,
Dat is: een schuld of straf. Zie Matth. 23:14; Luk. 23:40; Rom. 2:3, Rom. 5:16 en Rom. 13:2; Jak. 3:1. Dat wordt opgevat óf van de eeuwige straffen, met het oog op de huichelaars, óf van de tijdelijke kastijdingen, met het oog op de gelovigen die het Avondmaal niet waardig gebruiken, zoals hierna in vers 30 verklaard wordt.
niet onderscheidende het
Dat is, dewijl hij geen onderscheid maakt tussen het brood des Avondmaals, hetwelk een heilig teken is van des Heeren lichaam, en tussen algemene spijs; en alzo zonder beproeving en eerbiedigheid hetzelve eet, gelijk ander algemeen brood.
Hertaald:
niet onderscheidende het
Dat is: aangezien hij geen onderscheid maakt tussen het brood van het Avondmaal, dat een heilig teken van het lichaam van de Heere is, en gewone spijs, en het zo zonder zelfbeproeving en zonder eerbied eet, als ander gewoon brood.
Daarom zijn onder
Dat is, om dit misbruik des heiligen Avondmaals.
Hertaald:
Daarom zijn onder
Dat is: vanwege dit misbruik van het heilig Avondmaal.
slapen
Dat is, zijn alrede gestorven. Zie Matt. 9:24 , en Matt. 27:52 ; Joh. 11:11 ; 1 Kor. 7:39 , en 1 Kor. 15:6 , 1 Kor. 15:18 ; 1 Thess. 4:13 .
Hertaald:
slapen
Dat is: zijn al gestorven. Zie Matth. 9:24 en Matth. 27:52; Joh. 11:11; 1 Kor. 7:39 en 1 Kor. 15:6, 1 Kor. 15:18; 1 Thess. 4:13.
oordeelden, zo zouden
Of, onderscheiden; dat is, na een goede en ernstige beproeving van onszelven, recht oordeelden hoe het met ons gesteld is, of wij waardiglijk aan de tafel des Heeren mogen gaan of niet; en zo wij ons bevinden onwaardig, dat wij ons onthouden van die heilige spijs, totdat wij ons leven zullen gebeterd hebben.
Hertaald:
oordeelden, zo zouden
Of: onderscheidden; dat is: wanneer wij, na een goede en ernstige zelfbeproeving, juist oordeelden hoe het met ons gesteld is en of wij waardig aan de tafel van de Heere mogen gaan of niet — en wanneer wij, als wij onszelf onwaardig bevinden, ons van die heilige spijs onthouden totdat wij ons leven verbeterd zullen hebben.
geoordeeld worden
Dat is, gestraft of gekastijd van den Heere met zodanige plagen, als tevoren verhaald zijn vs.30.
Hertaald:
geoordeeld worden
Dat is: door de Heere gestraft of gekastijd met zulke plagen als tevoren in vers 30 genoemd zijn.
Maar als wij
Deze troost doet de apostel daarbij, opdat de gelovigen door de hardheid van de voorgaande bestraffingen niet te zeer zouden verslagen worden. De troost bestaat in twee delen: Eerstelijk, dat zulke plagen geen straffen eigenlijk zijn, maar vaderlijke kastijdingen of tuchtigingen; ten tweede, dat zij tot een goed einde van God toegezonden worden, namelijk tot onze zaligheid, opdat wij daardoor tot ware bekering gebracht worden en met de goddelozen niet verdoemd worden.
Hertaald:
Maar als wij
Deze troost voegt de apostel eraan toe, opdat de gelovigen door de hardheid van de voorgaande bestraffingen niet al te zeer terneergeslagen zouden worden. De troost bestaat uit twee delen: ten eerste dat zulke plagen eigenlijk geen straffen zijn maar vaderlijke kastijdingen of tuchtigingen, en ten tweede dat zij door God met een goed doel gezonden worden, namelijk tot onze zaligheid, opdat wij daardoor tot ware bekering gebracht worden en niet met de goddelozen verdoemd worden.
om te eten,
Namelijk het Avondmaal des Heeren, of ook om daarna te houden de maaltijden der liefde, in welke de rijken de armen niet verwachtten, uit verachting derzelven.
Hertaald:
om te eten,
Namelijk om het Avondmaal van de Heere te houden, of ook om daarna de liefdemaaltijden te houden, waarbij de rijken uit verachting niet op de armen wachtten.
verwacht elkander
Namelijk totdat gij alle bijeengekomen zijt; of dat de ene wacht totdat de ander aan de tafel zal geweest zijn, om niet ongeschikt elkander te verdringen.
Hertaald:
verwacht elkander
Namelijk totdat u allen bijeengekomen bent; of dat de een wacht totdat de ander aan de tafel geweest is, om elkaar niet ongepast te verdringen.
dat hij tehuis ete,
Dat is, zo iemand zolang niet kan vasten, totdat het Avondmaal des Heeren is gehouden, dat hij liever in zijn huis zich ontnuchtere, eer hij in de vergadering komt en aan de tafel des Heeren gaat.
Hertaald:
dat hij tehuis ete,
Dat is: wanneer iemand niet zo lang kan vasten totdat het Avondmaal van de Heere gehouden is, laat hij dan liever thuis zijn honger stillen voordat hij in de samenkomst komt en aan de tafel van de Heere gaat.
tot een oordeel
Dat is, met onordelijkheid en ongeschiktheid u ene straf op den hals haalt. Zie vs.29.
Hertaald:
tot een oordeel
Dat is: dat u door wanorde en onbetamelijkheid een straf over u haalt. Zie vers 29.
De overige dingen
Namelijk aangaande de goede orde, die in het plegen van den uiterlijken godsdienst in uwe vergaderingen moet onderhouden worden; want daarvan spreekt hij hier, en niet van zaken die de leer of zeden aangaan, gelijk het woord ordineren, hetwelk hij hier gebruikt, ook medebrengt.
Hertaald:
De overige dingen
Namelijk de dingen die de goede orde betreffen die bij de uitoefening van de uiterlijke eredienst in uw samenkomsten onderhouden moet worden. Want daarover spreekt hij hier, en niet over zaken die de leer of de zeden betreffen — zoals ook het woord verordenen, dat hij hier gebruikt, meebrengt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Korinthe is het samenkomen ontspoord: de een eet zijn eigen maal vooruit, de ander heeft niets, en er zijn er die dronken zijn. Paulus grijpt in door hun terug te geven wat hij zelf ontvangen heeft. Het Avondmaal kijkt drie kanten uit: terug naar de nacht waarin Hij verraden werd, naar binnen bij wie aangaat, en vooruit totdat Hij komt. Paulus begint met de herkomst van wat hij doorgeeft: “Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb.” Het is dus geen inzetting van de gemeente. En dan noemt hij het uur: dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam. Van alle tijdsbepalingen kiest hij die ene. De maaltijd is ingesteld op de avond waarop de verrader aan tafel zat. De woorden die volgen zijn kort: neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. En bij de drinkbeker: deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Dan zegt Paulus wat er bij dat eten gebeurt, en dat is meer dan gedenken: want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. De kanttekening werkt dat verkondigen uit. Het gebeurt door de dienaars van het Woord, die bij de bediening het volk moeten onderwijzen. Zij hebben te zeggen dat dit gebroken brood en deze wijn een teken en verzegeling zijn van de bittere dood van Christus aan het kruis, en van de weldaden die daaruit voortkomen. Er wordt dus niet alleen iets herdacht maar iets gezegd — aan tafel, aan elkaar, met brood in de hand. En er staat een grens bij: totdat Hij komt. Het Avondmaal is nadrukkelijk voorlopig. Het duurt precies zolang Hij er niet lichamelijk is, en houdt op wanneer Hij er wél is. Wat Paulus daarna zegt over onwaardig eten en over zichzelf beproeven, hangt aan diezelfde ernst. Wie de tafel behandelt als een gewone maaltijd, gaat voorbij aan Wie er verkondigd wordt. Het slot is opvallend praktisch voor zo'n hoog gedeelte: wacht op elkander. Wie honger heeft, ete tehuis. De verkondiging van de dood des Heeren begint hier bij op elkaar wachten. In het Nieuwe Testament: Lukas 22:14-20; Exodus 12:14; Mattheüs 26:26-29; Openbaring 19:9
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Spurgeon roept op tot persoonlijk zelfonderzoek en levend geloof vóór deelname aan het Heilig Avondmaal. Een preek uitgesproken op zondagavond 7 januari 1855, door C.H. Spurgeon, in de New Park Street Chapel, Southwark. Doe dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthe 11:24 Het blijkt… De Geest is het Die levend maakt, het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. (Johannes 6:63) Lees verder… Zeg tegen de hele bevolking van het land en tegen de priesters: Wanneer u deze zeventig jaar gevast en rouw bedreven hebt in de vijfde en in de… ... totdat Hij komt. 1 Korinthe 11:26 Wat zie ik op de tafel? Ik zie er brood. Dan krijg ik daaruit deze verootmoedigende les: wat het geestelijke voedsel… ... totdat Hij komt. 1 Korinthe 11:26 Er is iets waardoor het Avondmaal nog belangrijker wordt. Dat is dat het gehouden moet worden ‘totdat Hij komt.’ Het is… ... doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthe 11:24 Doet dat tot Mijn gedachtenis.’ U weet hoe teder het op u overkomt wanneer een stervende echtgenoot of echtgenote… ... doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthe 11:24 Het Avondmaal is door Christus Zelf ingesteld, en Hijzelf heeft als Eerste het voorbeeld gegeven hoe we het moeten… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Doe dat tot Mijn gedachtenis.1 Korinthe 11 vers 24 Volgens deze tekst kunnen dus zelfs christenen Christus vergeten. Deze vermaning zou… De preek benadrukt de betekenis van het Heilig Avondmaal: liefdevol Jezus gedenken en ontvangen, niet verdienen, maar geloven in Hem. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 11
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Totdat Hij komt — 11:23-34
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Het afschermen van de tafel
De nagedachtenis van Christus - Avondmaal
Gedachten aan Jezus Christus
God of mijzelf?
Nederig komen aan de tafel des Heeren
Totdat Hij komt
Als u Hem liefhebt, kom dan aan Zijn tafel
Zijn lijden voor ons
Doe dat tot Mijn gedachtenis
De juiste viering van het Heilig Avondmaal


1 Korinthe 11
1 Korinthe 11:17
Kruisverwijzingen1 Korinthe 11:22→1 Korinthe 11:2→Hebreeën 10:25→1 Korinthe 14:23→1 Korinthe 11:34→1 Petrus 2:14→Jeremia 7:9→1 Korinthe 14:26→— Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.
Het is een zeer slechte staat van zaken wanneer wij samenkomen voor de eredienst en weer uiteengaan zonder enige verbetering, of zoals deze Korinthiërs, “niet tot beter, maar tot erger samenkomt.”
1 Korinthe 11:18
Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:3→1 Korinthe 1:10→1 Korinthe 6:1→1 Korinthe 5:1→— Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;
Het was heel genadig en vriendelijk van de apostel om het zo zacht te zeggen, en hij geeft ons het voorbeeld niets tegen onze broeders te snel te geloven: “ik geloof het ten dele.”
1 Korinthe 11:19-21
Kruisverwijzingen1 Johannes 2:19→Judas 1:12→Lukas 17:1→Deuteronomium 13:3→2 Petrus 2:13→Handelingen 20:30→Mattheüs 18:7→Titus 3:10→— Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten. Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.
Deze Korinthiërs schenen het Avondmaal als een gewoon feestmaal te beschouwen, waarvoor zij elk hun eigen proviand meebrachten. Zonder op elkaar te wachten, onteerden zij de tafel van de Heere door hun schandelijke gedrag. Ieder nam van tevoren zijn eigen maaltijd, zodat de een hongerig was en de ander dronken. Zij hadden geen ministerieel toezicht, en handelden daarin als sommige broeders die wij ook tegenwoordig kennen. Het resultaat was zeer betreurenswaardig.
1 Korinthe 11:22
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:32→Handelingen 20:28→Spreuken 17:5→1 Korinthe 11:2→1 Korinthe 11:17→1 Timotheüs 3:15→Jakobus 2:5→1 Timotheüs 3:5→— Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.
Zonder twijfel hoopten zij geprezen te worden, en verwachtten zij alles op de juiste manier gedaan te hebben. Misschien geloofden zij zelfs dat zij handelden onder de ingeving van de Geest, en daarom niets verkeerd konden doen. Maar de apostel gaat zeer eerlijk met hen om, en vertelt hun hoe het Avondmaal gevierd moet worden. Hoeveel hebben wij niet gewonnen door de fouten van anderen! Nu de geïnspireerde apostel ons de juiste wijze leert om deze instelling te onderhouden, mogen wij bijna dankbaar zijn dat de Korinthiërs hierin dwaalden. Toch mogen wij hun fouten betreuren. “Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken?” Daar is uw eigen plaats voor een maaltijd. Ga naar huis, eet en drink daar; kom niet naar het heiligdom voor zo’n doel.
1 Korinthe 11:23-24
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:3→Lukas 22:19→Mattheüs 26:26→Markus 14:22→Galaten 1:11→Mattheüs 26:17→Deuteronomium 4:5→1 Korinthe 11:23→— Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
Dit zijn de woorden van de Heere Jezus Zelf, en daarom komen zij tot ons met heel het gewicht van Zijn onfeilbaar gezag. Van vers 23 tot 26 zien wij het gewicht van het Heilig Avondmaal. Het is gewichtig, ten eerste, omdat het door de Heere Zelf geopenbaard is. Paulus leerde het niet uit de tweede hand; het behaagde de Heere aan Paulus persoonlijk, rechtstreeks en duidelijk te verklaren hoe het Avondmaal gevierd moest worden. Nadat de Heere Jezus in heerlijkheid was opgevaren, waren Zijn openbaringen schaars, en toch was dit er een van. Zo mogen wij er zeker van zijn dat Hij dit Avondmaal met de grootste plechtigheid en het hoogste gezag wilde omgeven. Ten tweede is dit Avondmaal gewichtig omdat Christus het Zelf heeft ingesteld, en Zelf het eerste voorbeeld van de viering gaf. Hij zegende en brak eerst het brood, en zei: “Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.” Bedenk ook dat Hij het instelde op een bijzondere gelegenheid: “in den nacht, in welken Hij verraden werd.”
1 Korinthe 11:25-26
KruisverwijzingenLukas 22:20→Hebreeën 9:15→1 Korinthe 4:5→Johannes 21:22→Johannes 14:3→2 Korinthe 3:6→Hebreeën 13:20→1 Korinthe 15:23→— Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
Bedenk ook het gewicht van deze instelling vanwege het persoonlijke motief waarmee Jezus haar instelde. Hij zei: “doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.” Hij heeft ons een vergeet-mij-nietje nagelaten. Nog iets voegt aan het gewicht van dit Avondmaal toe: het moet gevierd worden “totdat Hij komt.” Dit was geen instelling enkel voor de eerste eeuwen van het christendom. Wij moeten aan Zijn tafel blijven samenkomen, dankzeggen, brood breken en Zijn dood verkondigen, totdat de bazuin van de aartsengel ons doet opschrikken: totdat Hij komt. Wat wordt er verkondigd? “Den dood des Heeren.” Wij tonen en beelden de dood van Christus uit; Zijn dood is het hart van het Evangelie. Hij gaf Zijn ziel tot een rantsoen voor velen (Markus 10:45); deze waarheid moet verkondigd worden, wordt zij weggelaten, dan worden mensen niet zalig. Hoe wordt de dood van de Heere verkondigd? In de tekenen zelf: hier zijn het brood en de vrucht van de wijnstok, afzonderlijk; het brood dat Zijn vlees voorstelt, de vrucht van de wijnstok die Zijn bloed voorstelt. Doordat brood en wijn gescheiden worden, zijn zij tekenen van Zijn lijden voor ons en voor onze zonde, van Zijn gebroken lichaam en Zijn vergoten bloed. En hoe lang moet de dood van Christus door dit Avondmaal verkondigd worden? Totdat Hij komt. Dit leert ons dat er door alle eeuwen heen waarde zal blijven in Christus’ wonderbare dood. God zou ons geen ding laten voorstellen dat zonder waarde is; de verzoening is nog altijd krachtig, nog altijd vol kracht. Wij vieren deze instelling totdat Hij komt, omdat de vergeving door Christus’ dood nog altijd beschikbaar is voor allen die op Hem vertrouwen. Door aan dit Avondmaal deel te nemen totdat Christus komt, houden wij deze wegwijzer omhoog voor allen die naar de hemel willen reizen.
1 Korinthe 11:27
KruisverwijzingenJohannes 6:51→Numeri 9:10→Numeri 9:13→Johannes 13:18→Johannes 6:63→Mattheüs 22:11→Leviticus 10:1→1 Korinthe 10:21→— Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
Heeft iemand “dit brood” met verachting behandeld, dan heeft hij het lichaam en bloed van de Heere met verachting behandeld; het zal hem zo worden toegerekend. Velen zijn door dit vers verontrust geweest. Zij zeiden: wij zijn onwaardig. Dat is waar, maar de tekst zegt niets over uw onwaardig zíjn. Paulus gebruikt een bijwoord, geen bijvoeglijk naamwoord: “wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt”, dat wil zeggen, op een ongepaste manier, om er iets mee te winnen. Zo namen sommigen vroeger het zogenaamde ‘sacrament’ om bepaalde ambten te verkrijgen, of kwamen sommigen ter tafel omwille van de liefdegaven voor de armen van de gemeente. Achteloos komen, minachtend komen, zeggen “het maakt mij niet uit of ik christen ben of niet, maar ik zal toch ter tafel gaan” — dat is onwaardiglijk eten en drinken. Wij zijn allen onwaardig voor dit heilige feest, en kon onwaardigheid ons buitensluiten, wie zou dan durven komen?
1 Korinthe 11:28
Kruisverwijzingen2 Korinthe 13:5→Galaten 6:4→Klaagliederen 3:40→Psalmen 26:2→1 Johannes 3:20→Numeri 9:10→1 Korinthe 11:31→Zacharia 7:5→— Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.
Paulus zegt niet: laat een mens zichzelf beproeven, en dan niet eten of drinken aan het Avondmaal. De beproeving moet leiden tot bekering en geloof, en hem dan brengen tot de tafel van de gemeenschap in de rechte gemoedsgesteldheid. De beproeving is geen deur die hem buitensluit van de instelling, maar een deur waarbij hij een ogenblik kan stilstaan om te zien of hij in de juiste toestand is om binnen te gaan. Is hij dat niet, laat hij dan trachten dat te worden, en dan binnengaan. Laat een mens zichzelf onderzoeken zoals een advocaat een getuige ondervraagt, of zoals iemand geld onderzoekt om te zien of het echt goud is. Laat hij komen als een waarachtig gelovige, oprecht; niet volmaakt, maar waarachtig; niet alles wat hij behoort te zijn, maar in Christus.
1 Korinthe 11:29
Kruisverwijzingen1 Korinthe 11:27→Hebreeën 5:14→1 Korinthe 11:32→Jakobus 3:1→Romeinen 13:2→Prediker 8:5→1 Korinthe 11:24→1 Korinthe 11:30→— Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
“Oordeel” is het woord in de grondtekst, niet ‘verdoemenis’; dat is geen eerlijke vertaling en drukt de waarheid niet uit. Wie onwaardiglijk eet en drinkt, veroordeelt zichzelf daarmee; hij komt onder het oordeel voor die daad. Hij ziet de betekenis van het teken van Christus’ dood niet; hij verlaagt het symbool door het de plaats te laten innemen van wat het voorstelt. Hij ziet het brood, maar niet het lichaam, en schaadt zichzelf door zo te eten. Hij is eerder een verliezer dan een winnaar door onwaardig te eten en te drinken.
1 Korinthe 11:30
KruisverwijzingenPsalmen 38:1→1 Koningen 13:21→Handelingen 13:36→Openbaring 3:19→Psalmen 89:31→Amos 3:2→Psalmen 78:30→1 Korinthe 15:51→— Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
Het schijnt dat God deze gemeente te Korinthe met ziekte bezocht, en door de dood vele leden wegnam. Dat was omdat zij de tafel van de Heere ontheiligd hadden en wanordelijk voor Zijn aangezicht gewandeld hadden. Paulus bedoelde niet te zeggen dat deze personen verloren waren. Maar hij wilde hun medeleden, en allen die zijn brief zouden lezen, eraan herinneren dat God gemeenten op deze manier bezoekt met tucht en kastijding vanwege ongepast gedrag, dat Hem altijd zo mishaagt.
1 Korinthe 11:31-32
KruisverwijzingenHebreeën 12:5→Psalmen 118:18→Openbaring 3:19→1 Johannes 1:9→Job 5:17→Psalmen 94:12→1 Korinthe 11:30→Spreuken 3:11→— Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
Zijn wij Gods volk, dan worden wij hier door Hem geoordeeld voor ons kwaad doen. Wij worden niet, zoals de wereld, overgelaten aan de oordeelsdag, maar wij worden nu al geoordeeld. Een vader zal veel verkeerds zien bij kinderen op straat, en er niets van zeggen. Maar is het zijn eigen kind dat kwaad uithaalt, dan geeft hij het een flinke tik. Zo kunt u, behoort u aan God toe, niet diep zondigen zonder een tegenwoordig oordeel, een tegenwoordige tucht te ondervinden. Daar behoort u dankbaar voor te zijn, hoe pijnlijk het op dat moment ook mag lijken. Want als wij geoordeeld worden, worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
1 Korinthe 11:33-34
Kruisverwijzingen1 Korinthe 4:19→1 Korinthe 11:21→1 Korinthe 7:17→Titus 1:5→1 Korinthe 16:5→1 Korinthe 16:2→— Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander. Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.
Hoe zachtmoedig spreekt Paulus tot deze Korinthiërs! Zij verdienen een uitbrander, maar hij is zeer teder met hen. Hij zegt als het ware: moet u zo samenkomen, heb dan ten minste de welgemanierdheid op elkaar te wachten. En komt u ter gemeenschap van de Heere, behandel die dan met het respect en de eerbied die zij verdient. Moge de gemeente dit feest in goede orde vieren, onder de kracht van de Heilige Geest, en mogen wij er een zegen in vinden tot Gods lof!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Wees a) mijn navolgers, dat u tot heden maar al te zeer heeft verzuimd (Hoofdstuk 4: 16), zoals ook ik een navolger ben van Christus, dat hoogste toonbeeld van zelfverloochenende, alleen anderer zaligheid zoekende gezindheid en denkwijze (Fil. 2: 4 vv. Rom. 15: 3. Matth. 11: 29).
Fil. 3: 17. 1 Thess. 1: 6. 2 Thess. 3: 9.
Het onderricht over het eten van offervlees is geëindigd. Nu volgen met (vs. 31) een “dan”, dat hier uit het bijzondere gevolgtrekkingen tot het algemene maakt, nog enige vermaningen, waarin de leidende zedelijke grondstellingen voor het hele ware Christelijk gedrag worden uitgedrukt.
Alles zo te doen, dat het God tot verheerlijking is, in alles zich zo te gedragen, dat men aan niemand aanstoot geeft, dat is de som van de leringen van de apostel, niet alleen omtrent het genieten van het geofferde, maar in het algemeen over alle vragen, die op de Christelijke vrijheid betrekking hebben. Hij kan hiervoor in het algemeen, zoals zijn aanwijzing luidt, zichzelf als voorbeeld ter navolging stellen, omdat hij van zijn kant Christus tot voorbeeld neemt, evenals Christus in alle opzichten voor allen op die manier leeft, dat het hun tot redding dient.
Paulus wil niet zelf het beeld zijn, waarnaar de Korinthiërs hun gedrag moeten richten, hij voegt erbij: “zoals ik een navolger van Christus ben”, alsof hij wilde zeggen: “mijn manier van handelen heb ik niet zelf verzonnen, ik heb geleerd van het heilig voorbeeld van de mensheid.”
Zeker staat de apostel het gehele levensbeeld van Christus voor ogen; dan moest hij een geschiedkundig beeld van Christus doen en laten bezitten, een beeld, zoals ons dat door de evangelisten is geschilderd, een grond temeer tegen de mythische opvatting van het leven van Jezus!
OVER ENIGE VORMEN BIJ HET GEBED EN OVER HET WAARDIG GEBRUIKEN VAN HET HEILIG AVONDMAAL
III. Vs. 2 Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 2:15→1 Korinthe 4:17→1 Korinthe 15:2→1 Korinthe 11:22→2 Thessalonicenzen 3:6→1 Korinthe 11:17→1 Thessalonicenzen 4:1→Spreuken 31:28→
— En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.
– Hoofdstuk 14:40. Hier volgen in verdere aansluiting aan hetgeen de Korinthiërs in hun schrijven hadden meegedeeld, leringen en terechtwijzingen over zaken die de goede orde in de Christelijke gemeente betreffen. De aansluiting heeft plaats aan dat gedeelte van hun brief, waar zij onder verzekering van hun vasthouden aan zijn instellingen of overleveringen omtrent een punt kennis gaven, waarin een ander gebruik was ontstaan, dat naar hun mening onverschillig en zonder bedenking was.
a. Vers 2-16KruisverwijzingenGenesis 3:16→1 Korinthe 3:23→Kolossenzen 1:18→2 Thessalonicenzen 2:15→Efeze 4:15→1 Timotheüs 2:13→1 Korinthe 4:17→Kolossenzen 2:19→
— En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb. Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware. Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil. Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.
Paulus begint met een prijzen van de gemeente, dat, zoals zij zelf van zich heeft verzekerd, zij alles hield en regelde, als de voortdurende herinnering aan hem meebracht en dat zij zijn onderrichtingen niet veronachtzaamde. Vervolgens gaat dat prijzen over in een onderrichting, die de gemeente tot helderheid moest brengen over dat punt van de Christelijke zeden, waarin zij meenden zich een afwijking te mogen veroorloven. De apostel zegt niet over welk punt gehandeld wordt; maar wij kunnen het echter wel raden, als hij met een algemene waarheid begint als het gezichtspunt, waaruit de bijzondere zaak moet worden beschouwd. Die waarheid is deze, dat de vrouw tot de man in een verhouding staat, die haar verhouding tot God tot een andere maakt, dan waarin de man door zijn betrekking tot Christus staat en zo is het dan het niet-omsluieren van de biddende of voorzeggende vrouwen, wat te Korinthe tegen de algemene gewoonte probeerde door te dringen en welke nu hier als een verkeerdheid door Paulus wordt bestreden.
En ik prijs u, broeders, dat u, zoals u mij schrijft, in alles van mijn gedachtig bent, mijn lessen en bepalingen niet vergeet en de inzettingen behoudt, die de gebruiken van het leven van de gemeente aangaan (2 Thess. 3: 6), zoals ik die ter opvolging deels mondeling, deels schriftelijk in mijn vorige brief u overgegeven heb (1 Kor. 5: 9).
Maar ik wil dat u over dat punt, waarvoor u een uitzondering denkt te maken (vs. 5 en 13), weet, omdat u door uw uitzondering maken deze waarheid verloochent, dat Christus het hoofd is van een ieder man (Kol. 1: 18. Efeze. 4: 15) en de man het hoofd van de vrouw (Efez. 5: 23) a) en God het hoofd van Christus (Hoofdstuk 3: 23; 15: 28).
Joh. 14: 28.
Hoe graag de apostel hun gehoorzaamheid erkent, waar die betoond was, vindt hij toch nodig de volgende lessen aan hun ernstige overdenking aan te bevelen. Het is niet te betwijfelen dat gebeurtenissen te Korinthe aanleiding hadden gegeven, dat de gemeente daar haar neiging, om uit een vals begrip van vrijheid de juiste grenzen buiten aanmerking te laten, ook daardoor aan de dag legde, dat de vrouwen haar plaats vergaten en dit ook in het uitwendige lieten zien. Vandaar de uitvoerigheid van de volgende onderrichting, die een op zichzelf zuiver uitwendig voorschrift terugleidt tot gronden, die dieper liggen.
De vrouwen te Korinthe overschreden namelijk daardoor haar grenzen, dat zij in de vergaderingen van de gemeente met ongedekt hoofd biddend en profeterend optraden. De apostel keurt beide af, zowel het optreden om te bidden en te profeteren, als het verwijderen van de sluier; hier berispt hij echter alleen het laatste en wacht met het eerste tot Hoofdstuk 14: 34 Om de bronnen terug te voeren binnen haar grenzen herinnert hij haar dat zij onderworpen zijn aan de man, aan wie hij eveneens zijn plaats aanwijst in de zedelijke rangorde en deze opvoert tot God toe.
Het verkeerde, dat Paulus zo sterk en beslist bestraft, moet eerst na het vertrek van de apostel van Korinthe, waarschijnlijk door onbetamelijke uitbreiding van de grondstelling van de Christelijke vrijheid, om het deel hebben aan de gaven van de Geest (vgl. vs. 4 met 1Co Hand. 21: 9) en zeker onder inwerking van de grotere ongebondenheid van de dracht van de Helleense vrouwen zijn ingeslopen, omdat hij het, aanwezig zijnde, niet zou hebben laten opkomen. De brief van de Korinthiërs zelf moet, waar hij van het opvolgen van de apostolische aanwijzingen te Korinthe heeft gesproken een vraag hebben ingehouden over dat punt in het bijzonder.
Als de apostel het misbruik, dat de vrouwen bij het openbaar bidden en profeteren het woord nemen, tot het veertiende hoofdstuk uitstelt, dan is hier een dergelijk geval als wij in Hoofdstuk 8: 10 vonden in vergelijking met Hoofdstuk 10: 20 v.
De man, zo verklaart Paulus in de eerste plaats, is alleen onderworpen aan Christus als aan zijn hoofd, van wie hij genade en gaven niet alleen voor zich, maar ook het goddelijk regeren van zijn huis ontvangt; maar de vrouw aan de man, ook buiten huwelijksverband, omdat het bestuur ook in de kerkinrichting bij de man berust. Dat moet haar niet zwaar vallen, omdat zelfs tussen God en Christus over het werk van onze verzoening zo’n uit- en terugvloeien plaats heeft en Christus alles uit deze volheid neemt en tot dit hoofd terugvoert, wat Hij als onze Middelaar op ons brengt.
Waarom beperkt Paulus de verhouding tot Christus als het hoofd op de man, zodat die slechts als door middel van de man voor de vrouw schijnt te kunnen bestaan? De verheffing van de man door dit verbond met Christus moet slechts relatief worden genomen. In zijn huis, zijn bijzondere omstandigheden is hij alleen van Christus afhankelijk, in het burgerlijk leven geniet hij zeker een hogere zelfstandigheid dan de vrouw en heeft hij niet die bescherming en dat in de plaats optreden nodig, zoals zij dat behoeft. Zo ook is hij in het openbare leven van de gemeente boven haar bevoorrecht en tot de dienst van de Heere als Zijn orgaan geschikt gemaakt, zoals zij het niet is. Hier is dus sprake van uitwendige omstandigheden bij deze voorrang, maar niet van de hogere sferen van het uitwendig leven in geloof, waarbinnen het onderscheid van de geslachten en de voorrang van de een boven de ander is weggenomen en opgeheven (vgl. Gal. 3: 18).
Zal een huwelijk gelukkig en voor God welgevallig zijn, dan moet 1) de man Christus als zijn hoofd erkennen en zich door Hem, door Zijn Geest laten besturen; 2) moet hij zich inderdaad betonen het hoofd van de vrouw te zijn en zijn vrouw goed besturen, niet zo, dat zij blode, schuw en vreesachtig wordt; 3) de vrouw moet de man als haar hoofd erkennen en zich betamelijk aan hem onderwerpen en niet de meester proberen te spelen.
Het “God het hoofd van Christus” wordt niet van het wezen gezegd, maar van het ambt: de Zoon als Middelaar ontvangt Zijn ambt door Gods raadsbesluit, zoals Hij zelf zegt: “de Vader heeft Mij gezonden.”
Maar ten tweede: een iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd, omdat dit niet versierd is met het teken van eerbare vrouwen, maar in plaats daarvan een teken heeft aangenomen, dat haar in een hele andere klasse verplaatst; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden was. Zij staat voor het openbaar oordeel, dat door dit verschijnsel wordt bestuurd, op volkomen gelijke lijn met haar, die het gesneden haar van een boeleerster draagt.
Men heeft gemeend, omdat de apostel de beide gevallen noemt en beoordeelt, dat een man met bedekt en dat een vrouw met ongedekt hoofd bad en profeteerde, dan ook beide in de gemeente moesten zijn voorgekomen. Maar dat hij alleen het eerste geval noemt omdat hij het voor het tweede wil laten dienen, blijkt uit de manier waarop hij bij het laatste stilstaat, als ook uit het slot van zijn uiteenzetting in vs. 13-15 dat alleen over dit geval handelt.
Met ongedekt hoofd in de gemeente te bidden en te profeteren, is het ereteken van de man. Hij zou zijn hoofd onteren als hij het bedekte. Met zulke ogen beschouwden de Grieken de zaak en de apostel wordt voor de Grieken een Griek, als hij zich op hun standpunt, in hun manier van beschouwing plaatst. Zo maakt Zich de Geest van God meester van de gewoonte van het volk, waar zij overigens geen omkering maar uitdrukking is van de oorspronkelijke orde van de natuur en wijst de achtergrond aan van de goddelijke regels bij velerlei zaken, die daarom “zedelijk zijn”, omdat zij geen “landsgewoonten” zijn. Evenals in de ogen van de Grieken een man, die bij openbare plechtigheden iets op het hoofd had, zijn eer als man zou hebben verloochend, zo zou een Christelijke Griek door zijn hoofd te verbergen een teken hebben aangenomen, als was hij niet het zichtbare hoofd van zijn vrouw en als stond hij onder een ander dan Christus, als onder zijn hoofd. Daarentegen onteerde een vrouw haar hoofd, als zij ongedekt of ongesluierd zich in het openbaar vertoonde, omdat zij zich als het ware tot een hoofd over haar man opwierp en zich uitwendig gelijk stelde met de liederlijke vrouwspersonen, die men ten teken van haar schaamteloosheid en ongebondenheid het hoofd beschoor.
Want als een vrouw bij de godsdienst niet gedekt is, dat zij ook geschoren wordt, om haar geheel naardat zij verdient van het vrouwelijk sieraad te beroven; a) maar als het gelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haarafgesneden te hebben, dat zij zich, om zo’n smaad voor het openbaar leven te ontgaan, dekt zodra zij in de godsdienstige vergadering komt, of daar biddend en profeterend optreedt.
Num. 5: 18. Deut. 22: 5.
Paulus stelt op de voorgrond dat het gevoel van welvoeglijkheid bij een zedige vrouw tegen het afsnijden van het haar strijdt. Daarom kan hij haar het ongevoegelijke om zich met gedekt hoofd te laten zien, niet beter doen voelen, dan door de drang, om met de eerste verkeerde stap ook de tweede te doen. Schaamt zij zich echter daarvoor, omdat het lelijk staat dat een vrouw afgesneden haren heeft of geheel geschoren is, dan trekt zij ook de eerste onvrouwelijke stap terug en bedekt het hoofd.
De bedoeling van de apostel moet aldus worden begrepen: het lange haar is een onderscheidingsteken van de vrouw; wil zij nu de man gelijk zijn, dan ontdoet zij ook zichzelf van deze onderscheidende eigenaardigheid. Acht zij dit echter een gemis van iets bijzonders, dat haar past, dan moet zij ook haar onderscheiding van de man daarin zien, dat zij het gebruik van het sluier bewaart, waardoor zij van haar kant die onderscheiding bevestigt.
Want de man, om de rede weer tot deze terug te leiden (vs. 4) moet in tegenstelling tot de vrouw, die het zeker moet doen (vs. 18), het hoofd niet dekken als hij biddend of profeterend voor God in de gemeente staat. Hij moet dit niet doen a) omdat hij hetbeeld en de heerlijkheid van God is. Hem is iets van Gods majesteit als heerser eigen, waardoor hij in zijn kring gebied voert met een macht en vrijheid aan die van God gelijk (Gen. 1: 26 vv.); maar de vrouw is de heerlijkheid van de man; zij is niet zijn beeld, alsof zich in haar afspiegelde wat de man is, maar wel zijn heerlijkheid, als die in haar vrouwelijk bestuur de macht van de man vertegenwoordigt.
Gen. 5: 1; 9: 6.
Deze verhouding van hogere en mindere heerlijkheid tussen man en vrouw rust op een regeling door God van het begin gesteld; want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw uit de man (Gen. 2: 21-23).
Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man (Gen. 2: 18-20).
De apostel maakt de noodzakelijkheid duidelijk om vast te houden aan de strenge gewoonte. Hij doet dit nader uit de verhouding van man en vrouw naar aanleiding van het Mozaïsche scheppingsverhaal. De man is Gods beeld en heerlijkheid, de vrouw is de heerlijkheid van de man. Dit verwijst naar Gen. 1: 27, waarop plaats het heersen als het hoofdkarakter van het goddelijk evenbeeld op de voorgrond wordt geplaatst. Dit openbaart zich in de man meer dan in de vrouw. Alleen daarom en alleen voor zo verre schrijft Paulus aan de man en niet aan de vrouw toe Zijn evenbeeld te zijn. Zij is in een afhankelijke toestand, haar persoon en haar werken moet ertoe dienen om de man te dienen, hem in zijn hoge, veelbetekende plaats te doen uitkomen. Dit moet de uitdrukking “heerlijkheid van de man” betekenen, waarbij de apostel de parallel met het “beeld” laat vallen. Om vervolgens de afhankelijkheid van de vrouw van de man nog duidelijker in het licht te plaatsen, voegt hij er nog een nadere aanwijzing bij uit het tweede hoofdstuk van het eerste boek van Mozes en maakt hij voor zijn doel gebruik van de omstandigheid, dat de vrouw uit de rib van de man gevormd werd en de bestemming ontving hem tot een hulp te zijn.
Paulus brengt het “van de man” terug tot hetgeen daarin is uitgedrukt “omwille van de man” en komt zo tevens op de afkomst van de vrouw uit de man, volgens de geschiedenis van haar schepping omwille van hem.
Het Christendom heeft geen schuld aan de onbetamelijke vergoding van de dames, zoals die vaak bij de volken heeft bestaan; toch is daarom de vrouw niet gering geacht.
Daarom, omdat de verhouding van de vrouw tot de man is, zoals zo-even werd voorgesteld, moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, in de sluier een teken dragen, dat de macht van een ander over haar is. Zij moet dit omwille van de engelen, die onzichtbaar tegenwoordig zijn in de vergadering van de gemeente, als zij haar godsdienstige bijeenkomsten heeft en die door elke schending van de welvoeglijkheid gekrenkt worden en verdreven, terwijl zij graag daar zijn, waar alles eerlijk en met orde toegaat (Hoofdstuk 14: 40).
Onder de “macht op het hoofd” is zeker een bedekking van het hoofd bedoeld. Waarom zij deze naam draagt, die overigens in deze betekenis niet voorkomt, kan alleen uit het verband van onze plaats worden opgemaakt. De vrouw moet een macht op het hoofd hebben, d. i. het teken van een macht, waaronder zij staat, namelijk die van de man, aan wie zij ondergeschikt is, die haar als hoofd van God (vs. 3) is gegeven, zodat zij niet voor God mag komen, zonder gepaste ootmoed, het teken van haar afhankelijkheid te dragen.
Het vrije ongedekte hoofd is het teken van onafhankelijkheid en heerschappij, het gedekte en omhulde van onderworpenheid, zoals ook reeds de lang haren zo’n teken van onderwerping zijn. Het hoofd van de overspeelsters werd ontbloot (Num. 5: 18), met geschoren hoofd te gaan was, behalve in rouw, een teken van schaamteloosheid. De man is Gods beeld en eer, dat is Zijn afschijnsel en in zoverre ook zijn verheerlijking (1 Kor. 11: 7), de vrouw is die van de man, namelijk met betrekking tot heerschappij en onderdanigheid, want eerst uit de ribbe van de man is de vrouw geschapen, (Gen. 2: 21, 22); hij is eerst geschapen (1 Tim. 2: 13) de vrouw uit hem. De man is reeds op zichzelf een geheel en op zichzelf volledig mens en kan (zoals Christus heeft getoond) zijn bestemming op aarde volledig vervullen, zonder dat de vrouw hem als ter voltooiing nodig was, maar de vrouw is slechts met het oog op de man, omwille van hem geschapen. Daarom moet de vrouw het teken van haar onderdanigheid steeds dragen “omwille van de engelen” omdat, al zagen mensen er niet op en al telden deze het niet, Gods boden, de hogere reine geesten, die belang stellen in de aanbidding van God, door de zijnen op aarde en hun gebeden voor Hem brengen, hun vreugde hebben over de ingetogenheid en eerbaarheid van de Christelijke vrouwen en omdat hun nabijheid de gemeente steeds met eerbied moet vervullen. Willen daarom elders, zegt de apostel, de vrouwen gesluierd verschijnen, zo betaamt haar zulks waarlijk in de gemeente het meest van al, waar alles met de meeste eerbaarheid, orde en betamelijkheid moet toegaan. Geen aanzien van mensen, al veroorloven haar deze ongesluierd en zo zonder teken van afhankelijkheid te verschijnen, moet haar gedragingen te dien aanzien besturen, omdat ook de Engelen van God aanwezig zijn, zoals de cherubijnen in de tempel van de Heere waren afgebeeld ter herinnering aan de tegenwoordigheid van de hemelse geesten. Tevens herinnert de apostel ook aan de diepe eerbied van de Serafijnen, die hun aangezicht voor God met hun vleugelen bedekken (Jes. 6: 2), terwijl Gods aangezicht ongedekt is. Zoals de Engelen in verhouding tot God staan, zo staat de vrouw in verhouding tot de man. En de vrouw als de zwakkere meer aan de verzoeking blootgestelde, behoeft, zoals de kleinen (Matth. 18: 10), de bescherming van de engelen nog meer.
Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man in de Heere, in haar betrekking tot Christus. In die gemeenschap, waarin beiden grond en doel van hun geestelijk leven hebben, wordt het onderscheid opgelost in een wederzijdse afhankelijkheid.
Deze verhouding, die in de zedelijke orde van het Christendom bestaat, heeft reeds haar grond in de orde en de schepping gesteld. Want zoals, wat de schepping aangaat, (Gen. 2: 21 v.), de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw, wat de later daarvoor in de plaats gekomen geboorte betreft, zodat alle mannen uit vrouwen geborenen zijn (Matth. 11: 11. Gal. 4: 4), maar alle dingen, die op de wederkerige verhouding van de beide geslachten tot elkaar betrekking hebben en het een zo en het ander zo bepaald hebben, zijn uit God. Hij heeft het zo geregeld en daarmee die verhouding geheiligd.
Wat Paulus van vs. 7 af gezegd heeft kan door de mannen verklaard worden van verachting van de vrouwen en door de vrouwen tot minachting van haar eigen standpunt. Daarom dit woord om mogelijke strijd tussen beide geslachten te voorkomen. Tussen beide vindt in de Christelijke levenssfeer zo’n verhouding plaats, dat noch de vrouw afgezonderd is van de man, d. i. buiten verband van gemeenschap met hem en op eigen hand, noch ook omgekeerd; zij zijn als Christelijke echtgenoten verenigd tot wederkerige hulp, zij vullen elkaar aan en behoren tot elkaar; geen deel is op zichzelf een afzonderlijk persoon. Als dat zo niet was, was het Christendom in strijd met de natuurlijke regeling van God.
Beide zijn op het hun aangewezen standpunt tot wederkerige aanvulling voor elkaar onmisbaar. Daarom zou het een misdaad zijn tegen de goddelijke orde, als zij wilden beproeven die band op geestelijk gebied buiten aanmerking te laten of te misbruiken.
Oordeelt u onder uzelf; laat geheel onafhankelijk van hetgeen sommige woordvoerders u voorhouden, of de ogenblikkelijke dwaling van uw eigen gedachten u voorspiegelt, uw natuurlijk gezond oordeel beslissen (Hoofdstuk 10: 15. Hand. 4: 19) ; is het betamelijk of iets, dat strijdt tegen de welvoeglijkheid, dat de vrouw ongedekt God bidt?
De apostel heeft de gronden van zijn afkeuring van hetgeen hij voor onbetamelijk verklaart, afgeleid uit feiten, die behoren tot hetgeen de Heilige Schrift aangeeft over de verhouding van man en vrouw. Hij beroept zich nu ook op het oordeel van zijn lezers zelf, waartoe zij door de natuur van de zaak werden geleid. Onder het woord “natuur”, vs. 14 moet die orde van de zaken worden begrepen, die met de schepping overeenstemt en dus voor ieder kenbaar is. Het “zelf” geeft te kennen, dat zij voor zich, afgezien van de uitspraken van de Heilige Schrift, zelfstandig het onbetamelijke konden inzien van hetgeen in zijn ogen onwelvoegelijk is.
Deze spreekwijze van de apostel, waarin hij op de natuur zelf wijst, is in de Heilige Schrift zeer zeldzaam, terwijl gewoonlijk de natuur wordt opgevat als absoluut afhankelijk van God en daarom ook bij zuiver fysische strekkingen, in plaats van deze, liever God wordt genoemd.
De plaats, die voor ons ligt, wijst aan dat het thans heersend spraakgebruik, om alles tot de natuur terug te brengen, wel niet op zichzelf verwerpelijk is, maar wel de zorgvuldigheid, waarmee de naam van God wordt vermeden, hetgeen zeker een gevolg is van het ongeloof; men wil de natuur hebben opgevat zonder enige betrekking op God.
Bij de stelling: dat een vrouw ongedekt tot God moet bidden, bepaalt Paulus zich tot het gebed en gaat het profeteren (vs. 4 en 5) voorbij, of omdat dit de meer heilige functie was, of, hetgeen wel mogelijk was, dit ook vaker door vrouwen gebeurde.
Als de vrouwen, wanneer zij bij het openlijk uitspreken van een gebed zich aan de mannen gelijkstelden (1 Tim. 2: 8), juist daarom ook, evenals deze, ongedekt meenden te mogen optreden, dan is het te treffender dat hij haar wijst op het onbetamelijke van haar handelswijze in het openlijk verkeer met God, in wiens wil de orde van zaken berust welke daardoor gekrenkt wordt.
Maar als een vrouw lang haar draagt, omdat zij daardoor openlijk haar staat, door God haar aangewezen, erkent, dat het haar een ere is, omdat het lange haar, dat haar hoofd omgeeft, voor een deksel haar is gegeven? Het is als een natuurlijke sluier voor haar en daarmee is reeds door de natuur de sluier aangegeven als hetgeen voor haar welvoegelijk is.
Laat men aan de natuur, aan de natuurlijke aard en aanleg van de geslachten vrije loop, dan blijkt dat bij een vrouw het hoofdhaar langer groeit dan bij de man. Bijna zonder uitzondering bij alle volken en in alle tijden heeft zich aan dit natuurlijk feit ook het natuurlijk gevoel vastgeknoopt, dat het voor de man een oneer is als hij lange haren draagt, omdat het hem als een vrouw doet uitzien en omgekeerd voor de vrouw een eer, als zij lange haren draagt, omdat dit met de vrouwelijke aard overeenkomstig is, De ijdelheid van de vrouwen heeft van het lange haar een tooisel, een opschik gemaakt (1 Petr. 3: 3. 1 Tim. 2: 9 Paulus ziet echter in die natuurlijke haardos een teken van een echt vrouwelijk sieraad (1 Petr. 3: 5), als hij zegt: “het haar is haar als een deksel gegeven. ” De natuur zelf heeft aan de vrouw iets van die macht gegeven, die zij op het hoofd moet hebben omwille van de engelen (vs. 10) en het is billijk dat zij bij de gave van de natuur een uitdrukking voegt van haar wil door genade gevormd en haar hoofd bedekke tot een teken van vrouwelijke onderwerping.
Uitzonderingen op de regel, die door de natuur voorgeschreven was, zoals bij de Nazareeërs (Num. 6: 5. Richt. 13: 5) waren de apostel niet onbekend (Hand. 18: 18). Deze hadden echter haar grond in bijzondere omstandigheden, in een bijzondere gelofte van afhankelijkheid, die de Nazareeër op zich nam. Over de gehele afdeling moet worden gezegd, dat wat de vraag aangaat, die hij in de eerste plaats behandelt over het ontbloten of bedekken van het hoofd van mannen of vrouwen bij gebed en godsdienst, de nationale gewoonte gedeeltelijk veranderde. De apostel heeft ook voor zo’n uitwendige zaak niet een volstrekt verbindende wet willen geven, maar volgens de natuur van de evangelische orde van het heil die kunnen geven. Zo is de gewoonte, waarop hij zich hier beroept, niet onveranderlijk, omdat toch aan nationale manier van beschouwing en aan de gewoonte ruimte wordt gelaten. Daarentegen zijn de grondstellingen over de verhouding van de geslachten zelf onveranderlijk, zoals die in vs. 3, 7-9 en 11-12 zijn uitgesproken en elke omkering van deze zal zich wreken door zedelijke schade aan hen, die ze veroorzaken.
Men ziet, er is hier geen sprake van de sluier op zichzelf, maar van de verhouding van de vrouw tot de man, van die storing haar uitdrukking vond in hetgeen de apostel hier ter zijde gesteld wil hebben. Hij probeert niet het gebruik van de sluier als zodanig door te voeren, hij denkt integendeel de mogelijkheid, dat ook tegenwerpingen kunnen worden gemaakt, maar wil zich, zoals het volgende vers ons zegt, niet inlaten met een voortzetten van deze beschouwing, dat tot een twisten zou worden.
a) Maar als iemand twistgierig schijnt te zijn, lust heeft om te twisten en gelijk wil hebben, wij, ik en mijn bondgenoten, hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten van God. Zij hebben niet de manier om gelijk te willen hebben; laat ons daarom de gehele behandeling van de zaak hiermee sluiten, nu alles voor hen, die het om recht en waarheid te doen is, reeds duidelijk genoeg verklaard en aangewezen is. Met een verder dispuut over deze zaak laat ik mij niet in.
1 Tim. 6: 4.
Ware leden van de Kerk zullen hun overigens wel gegronde mening aan niemand opdringen noch daarover twisten; zij laten zulke twistgierigen lopen en laten het voor hun eigen verantwoording over.
b. Vers 17-34Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:3→1 Johannes 2:19→1 Korinthe 15:3→Lukas 22:20→Judas 1:12→1 Korinthe 11:22→1 Korinthe 1:10→Lukas 17:1→
— Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt. Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele; Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten. Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet. Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
Wat de apostel in de afdeling, die nu volgt, behandelt, hangt niet samen met een vraag van de gemeente, maar met het bericht, dat hem over toestanden in de gemeente te Corinthiërs gegeven was (vs. 18). Het behoort dus in zo verre niet tot dit tweede deel van de brief, dat van Hoofdstuk 7-14 gaat, maar tot het eerste (vgl. de inl. op 1 Kor. 1: 10). Het is echter in tweeërlei opzicht nauw met de vorige afdeling verbonden. In tegenstelling met de apostolische mening, straks ontwikkeld, die zich nog altijd moet laten welgevallen, dat ook andere gezichtspunten zich zouden doen gelden (vs. 16) wordt nu een apostolisch bevel uitgesproken en tegenover de lof, waarmee daar de rede begint (vs. 2) komt nu een strenge berisping, een zwaar verwijt in de aanvang. Het geheel staat daar als een episode of tussen verhandeling, evenals wij bij de behandeling van de vraag omtrent het vlees van het afgodenoffer in Hoofdstuk 8: 1-11: 1 een vrij vergaande digressie of uitweiding in Hoofdstuk 9: 1-10: 13 vonden, die bestemd was om de zaak grondig uiteen te zetten en ieder vraagpunt naar alle kanten duidelijk te stellen. Terwijl nu de berisping, die hier volgt, daarvan uitgaat, dat als ergste verkeerdheid bij de vergaderingen van de gemeente een uiteen gaan in verschillende groepen werd opgemerkt, dat tenslotte nog daartoe moest leiden, dat afzonderlijke genootschappen in de gemeente kwamen, bedoelt het bevel de wegneming van die verkeerdheid, die bij de Corinthiërs was ingeslopen bij de gemeenschappelijke maaltijden, waarbij men dan volgens gewoonte het avondmaal van de Heere hield, die verkeerdheid een werkelijke viering van het heilige avondmaal tot een volstrekte onmogelijkheid voor hen maakte.
Dit volgende nu is, hetgeen ik u aanzeg, u bevolen. Bij het voorgaande onderwerp van de bespreking in vs. 3-15 lag niet zozeer een gebod van de Heere ten grondslag, waarvoor ik zou hebben moeten strijden, als wel alleen een mening van mijn kant, die u overeenkomstig uw eigen inzicht (vs. 2) tot richtsnoer moest stellen (Hoofdstuk 7: 25, 40). Bij het onderwerp, waarop deze verhandeling in (vs. 33 v.) uitloopt, heb ik echter een bepaling van de Heere zelf (vs. 23 vv.). Ten eerste heb ik u te straffen, want dit prijs ik niet, dat u niet tot beter worden maar tot een erger worden samenkomt. Bij zo’n wijze, als waarop dat plaats heeft is bevordering van gemeenschap met de Heere niet te wachten, maar wel zal het gevolg zijn, dat u hoe langer hoe meer van elkaar vervreemdt en het tot scheuringen komen zal.
In een zaak van enkel gewoonte wilde de apostel niet gebieden, hier in een andere zaak gebiedt hij zeker. Daarom maakt hij de overgang met het woord “maar dit moet ik bevelen.”
Nu sluit zich niet onmiddellijk een gebod aan, maar de uiteenzetting, die hier begint, is van de vorige daardoor onderscheiden, dat zij op een gebod uitloopt, de gehele uiteenzetting is een blootleggen van de reden, waarom de gemeente over dat deel van haar gemeenteleven, waartoe de weg te nemen verkeerdheid behoorde, geen lof verdiende.
Er wordt hier niet gesproken over een gebruik, dat zo en anders kan zijn en waarover de gemeenten van God naar tijd en omstandigheden mogen schikkingen maken, maar over een regeling, die de apostel beveelt (Hoofdstuk 7: 10). Hij moet die bevelen om het welzijn van de gemeente, als haar getrouwe wachter en zorgvuldige regeerder en de gemeente moet zo’n bevel opvolgen als zij Christus niet wil verzoeken en tot toorn verwekken. De zaak wordt pas in de beide laatste verzen van het hoofdstuk bij wijze van een bevel uitgesproken, waarop het aanwijzend voornaamwoord “dit” wijst.
Als de uiteenzettingen, in vs. 18-32 de lezer voorgehouden, in vs. 33 en 34 in de meest bepaalde vorm van een bevel worden voorgelegd, dan is het toch zeker dat het voorafgaande veel verder gaat, dan die uitwendige bepalingen en aanwijzingen bevat, die veel dieper gaan. In vs. 2 kon de apostel beginnen met het erkennen van hun gehoorzaamheid; hier moet hij dadelijk en ten ernstigste berispen. Zij komen niet tot beter maar tot erger samen, d. i. zo, dat er geen verbetering als vrucht van blijft, maar dat integendeel door de aard van hun samenkomsten de staat van hun Christendom moet zinken, slechter moet worden. Er is sprake van de Christelijke samenkomsten tot viering van de gemeenschappelijke liefdemaaltijden, die met het heilig avondmaal eindigen en dit tot hun eigenlijk doel hadden. Daarbij scheidde zich, zoals het volgende vers zegt, de gemeente dadelijk van elkaar, terwijl naar eigen keus en willekeur enkelen zich bij elkaar plaatsten en daardoor een soort van gesloten kring vormden, die zich van de overigen afzonderde.
Ik heb het voornemen niet alle verkeerdheden op de rij in het bijzonder voor te stellen, maar moet toch verscheidene opnoemen (Rom. 1: 8; 3: 2) en de oorzaak van veel andere in de eerste plaats noemen. Want ten eerste, als u samenkomt in de gemeente, zo hoor ik dat er scheuringen zijn onder u, omdat men zich groepsgewijs neerzet; en ik geloof hetgeen mij daaromtrent is meegedeeld ten dele, al moet ik erkennen dat vele geruchten op verkeerde opvatting of overdreven voorstelling berusten.
a) Want er moeten ook ketterijen b) onder u zijn; ik voorzie dat de Heere het zo ver met u zal laten komen, dat er zich zelfs afzonderlijke genootschappen vormen, die naast de éne gemeente in het bijzonder willen bestaan (Gal. 5: 20). Dit zal dan weer ten goede dienen, opdat degenen, die oprecht zijn in hun overgave aan de goddelijke waarheid en in hun vasthouden aan ons allerheiligst geloof openbaar mogen worden onder u, in onderscheiding van hen, die naar de begeerlijkheden van hun eigen goddeloos bestaan wandelen (Judas 1: 18 vv.)
MATTHEUS. 18: 17. Luk. 7: 1. b) Hand. 20: 30. 1 Joh. 2: 19.
Aan de schromelijkste afdwaling, waarbij de Corinthiërs zelfs het heiligste feest van de gemeente door hun scheuringen ontwijdden, wil de apostel slechts ten dele geloof hechten. Desalniettemin ook om hetgeen hij ervan gelooft bestraft hij haar zo ernstig, dat hij zegt: niet alleen scheuringen, maar zelfs sekten, d. i. afscheiding van de gemeente in verschillende sekten (Gal. 5: 20), moeten er onder u bestaan; u bent zo diep bedorven, dat om de schade te helen, deze openbaar dient te worden, opdat dan de echte Christenen zich zouden kunnen afscheiden van de twistgierigen, van de schijn-Christenen, die alleen het hunne zoeken.
Omdat het kwaad eenmaal aanwezig is in de menselijke natuur, moet tot redding en bewaring van de goeden en ten gerichte van de ongeneeslijken van tijd tot tijd naar de ordening van God zelf de goddeloosheid openlijk uitkomen. Ditzelfde denkbeeld wordt in de Heilige Schrift vaak herhaald, bijvoorbeeld Luk. 17: 1, 2. Joh. 9: 39. Hand. 2: 23. Rom. 5: 20 : “Er zal geen tijd zijn, waarin niet vele goddelozen zijn; zij worden door de geest van de satan geregeerd en ten kwade verleid en dat is steeds het streven van de duivel, dat hij de eenheid van de kerk verbreekt. Daarom vloeit dit moeten, waarvan Paulus spreekt, niet voort uit ijzeren nooddwang. Voorts wendt de Heere naar Zijn wonderbare wijsheid de verderfelijke listen af tot heil van Zijn gelovigen. Vandaar de bedoeling dat die oprecht zijn openbaar worden. De scheuringen kunnen, als iets kwaads zijnde, ook slechts kwaad teweeg brengen, maar God kan, als die naar Zijn almachtige heiligheid het wezen van de dingen omzet, God kan het bewerken, dat Zijn uitverkorenen ten leven dient wat de satan tot hen verderf heeft uitgedacht. Maar wij weten tevens, satan drijft de goddelozen op zo’n manier tot het kwade aan, dat zij even zowel met vrije wil gedreven worden, als zij zelf het kwade drijven. Daarom hebben zij geen verontschuldiging.
De apostel hield de geruchten, die hij vernomen had, voor overdreven; maar dat ze niet geheel verdicht waren, daarvoor stond hem borg de kennis van de wegen van God, die steeds over een gemeenschap ziftingen laat komen, om de verkeerden af te scheiden en zo de oprechten openbaar te laten worden.
God leidt alles ten beste: de most moet gisten en koken, zal er wijn van komen; zo moet de kerk bestreden worden door ketterijen en misbruiken; wat verkeerd is schuimt dan af. Zo leert men zich kennen en de huichelaar scheidt zich van de Christen af (vgl. 1 Joh. 2: 18 v.).
Als u dan, om nu tot die verkeerdheid over te gaan, die buiten die scheuringen in het algemeen (vs. 18) nog op bijzondere manier zich bij u bevinden en een bijzonder woord van mij nodig maken – als u dan bijeenkomt op de plaats van de gemeenschappelijke maaltijden, van de liefdemaaltijden Ac 2: 43 dat is niet bij zo’n gedrag, als daar het uwe is, van het avondmaal van de Heere eten. Met zo iets kan het denken aan het lijden en sterven van de Heere niet gepaard gaan.
Want in het eten, bij het maal van de gemeente, dat aan de Avondmaalsviering voorafgaat, neemt een ieder tevoren zijn eigen avondmaal. En deze, de arme, die slechts weinig kon meebrengen, is omdat hij zich met dat weinige tevreden heeft moeten stellen, hongerig als het tot het avondmaal komt en de andere is dronken. Beiden, die niet verzadigd zijn van brood, als die oververzadigd zijn van wijn, zijn niet in de juiste toestand om het sacrament te ontvangen. De hongerige eet het brood, dat hem wordt gegeven, als een gewoon voedsel ter verzadiging en de dronkene drinkt de wijn uit de drinkbeker van de Heere niet anders, dan hij tevoren zijn eigen gedronken heeft.
De naam agapen (liefdemaaltijden) komt het eerst voor in Judas 1: 12 en 2 Petrus 2: 13 Jude 1. 12 2Pe Wat de zaak aangaat hangen zij samen met de oorspronkelijke inzetting van het heilig avondmaal zelf. Hij had dit maal ingesteld bij de maaltijd, het Joodse paasmaal en gezegd: “doet dit, zo vaak u die drinkt, tot Mijn gedachtenis” (vs. 24). Hiermee wilde de Heere zeggen dat voortaan het avondmaal afgescheiden van de paasmaaltijd moest worden gevierd. Het werd daarom voortaan met een bijzondere, gewone maaltijd verbonden en maakte het slot daarvan uit. Deze maaltijd vond waarschijnlijk in de eerste Christelijke gemeenten dagelijks plaats (Hand. 2: 42, 46) en wel ‘s avonds, afgezonderd van de overige godsdienstige vergaderingen.
Onder de maaltijd, waarvan de apostel spreekt, bedoelt hij de verbinding van de maaltijden van de gemeente met de avondmaalsviering, zoals die volgens oud apostolisch gebruik in de Christelijke gemeenten plaats vond, overeenkomend met de inzetting van het heilig avondmaal, die aan een maaltijd verbonden was. Het was een maal, waarvoor ieder iets meebracht en waarvan het eigenlijk avondmaal van de Heere het slot uitmaakte. Wat door de personen in het bijzonder werd medegebracht, moest echter gemeenschappelijk worden genoten, zodat de gemeenschap van de liefde duidelijk zichtbaar werd, waarin alle afzondering is weggenomen. Zo was het een geschikte voorbereiding tot de maaltijd van de Heere in engere zin, als allen van één brood aten en uit één drinkbeker dronken. Te Corinthiërs kon echter deze maaltijd, waarbij allen als één familie voorkwamen, die van een gemeenschappelijk eigendom leeft, niet tot stand komen, omdat ten gevolge van een verkoeling van de liefde ieder voor zich behield en genoot wat hij meebracht, zodat het onderscheid tussen rijkeren en armeren, dat in de eenheid van de gemeente moest verdwijnen, weer te voorschijn kwam en wel in zo’n mate, dat, terwijl in de een een gevoel van niet verzadigd zijn achterbleef, het bij de anderen tot oververzadiging kwam, dat in bijzondere gevallen zelfs een zich bedrinken of dronken zijn werd.
In plaats van een eensgezind eten in de Heere, een eten in tweespalt op eigen hand, waarbij de rijken overvloed en de armen gebrek hadden. Kwam het na zo’n “liefdemaal” zonder liefde nog tot de hoofdzaak, het eten en drinken van het bloed van de Heere, dan was de een hongerig en nam hij het sacramentele brood als tot gewone verzadiging, de ander was dronken, alsof hij een vrolijk maal had gehouden en dronk uit de gezegende kelk niet als iemand die de kruisdood van de Heere verkondigt. Misbruiken, zoals hier bestraft worden, hebben aanleiding gegeven tot het opheffen van de agapen of liefdemaaltijden.
Het was ook veel beter dat zij ophielden, dan dat de viering van het heilig Avondmaal ook zou lijden onder dergelijke misbruiken. (V.).
Heeft u dan, als uw avondmaalvieren niets anders is dan zo’n gewoon eten en drinken, geen huizen, om er te eten en te drinken? Waarom gebruikt u die niet liever om u daar te verzadigen? Of, als u het evenwel de vorm van een gemeentemaal geeft, veracht u de gemeente van God in die leden, die u van het door u meegebrachte niets wilt meedelen, alsof zij u niet aangingen en beschaamt u zo degenen, die niet hebben, zodat hun armoede tegenover uw overvloed voor hen drukkend moet worden (Jak. 2: 5 v.)? Wat zal ik u zeggen? zal ik u prijzen? In deze prijs ik u niet.
Met de woorden “om er te eten en te drinken”, wil Paulus het gewone eten, de zinnelijke bevrediging van behoefte te kennen geven. Dit verwijst hij tot het huisgezin, uit de heilige vergadering van de gemeente, die men zeker daartoe niet nodig had. Daaraan sluit zich aan de andere streng berispende rede: “of veracht u de gemeente van God? ” Zo’n doelloos, ja verkeerd gebruik maken van de vergadering van de gemeente tot bevrediging van lichamelijke behoeften is misdadig verachten van de gemeente van God, ontwijding van haar heilige waarde en bestemming voor Gods gemeenschap en verering. Deze wordt daardoor tot een zuiver menselijke vereniging met aardse bedoelingen vernederd. Zij is echter niet alleen een verlaging en verachting van de gemeente van God in haar geheel, maar nog in het bijzonder van enkele klassen en leden, waarvan zij, in wier nadeel dat onrecht was, zich terugtrokken, dus van de armen; en juist van deze waren er niet weinigen in de gemeente, ja, zij maakten het hoofdbestanddeel ervan uit (Hoofdstuk 1: 26 v.). Echter werden hier de armen beschaamd, omdat men hun armoede als een kloof tussen hen en de rijken, die hen van hun tafelgemeenschap uitsloten, op vernederende manier deed voelen en tot aanleiding misbruikte om hen in hun heilige gemeenschapsrechten te krenken.
De gemeente had de apostel verzekerd van haar vasthouden aan zijn onderricht op een manier die te kennen gaf, dat zij zeker was daarvoor door hem geprezen te zullen worden. Hij heeft haar daarvoor ook in het algemeen geprezen (vs. 2), maar nu hij in zo’n belangrijk stuk van het leven van de gemeente zo veel verkeerds te berispen vindt, laat hij niet na hen te doen opmerken dat hun verwachting van door hem geprezen te worden een was, die niet zou onvoorwaardelijk gerechtvaardigd was. Hij vraagt met snijdende scherpte, of dit iets zou zijn, waarom hij ze zou prijzen en antwoordt met een “ik prijs u niet”, dat als antwoord op zo’n vraag gevoeliger is, dan als hij zei dat hij er hen om berispte.
EPISTEL OP GROENE DONDERDAG. Vs. 23-32
Vgl. de voorafgaande opmerkingen bij Joh 13: 1 vv. “Joh 13: 1”
Het heilig avondmaal: 1. Wat het ons geeft. 2. Wat het van ons verlangt.
De tafel van de Heere onderscheidt zich: 1. door de waardigheid van de Gever, die deze bereidde; 2. door de rijkdom van de gaven, die zij aanbiedt; 3. door het getal van de gasten, die zij bevredigt; 4. door de duur van de tijd, waarin zij bestond en bestaan zal.
De verheven betekenis van het heilig avondmaal; deze zal ons blijken als wij zien: 1. op de persoon van de Stichter. 2. op de tijd van de inzetting; 3. op de daar aangebodene genadegiften; 4. op de van ons gevorderde belijdenis; 5. op de zware vloek, die op het onwaardig genieten daarvan zal volgen.
Dringende opwekkingen tot een waardig genieten van het heilig avondmaal; de apostel grondt die 1. op de instelling van dit maal zelf; 2. op de onvergelijkelijk heerlijke gave, die ons daarin wordt meegedeeld: 3. op de treurige gevolgen, die het onwaardig genieten daarvan na zich sleept.
Hoe gaat de Christen met zegen tot het heilig avondmaal? 1. geef uw verstand gevangen en geloof; 2. geef aan Jezus uw hart en tegelijk uw wil; 3. wandel naar Zijn voorbeeld in liefde en ootmoed.
Doe dat tot mijn gedachtenis. Wij proberen de zin van deze woorden te begrijpen en de zegen daarin gelegen te verkrijgen, door ze in deze beide helften te verdelen: 1. doe dat; 2. tot Mijn gedachtenis.
Want Ik heb het van de Heere door bijzondere openbaring (1 Kor. 15: 3. Gal. 1: 12) ontvangen, hetgeen ik ook, omdat en geheel zoals ik het van de Heere ontvangen heb, u overgegeven heb, namelijk hoe het met de instelling van het heilig avondmaal gelegen is. Ik wil u echter nog eens herhalen, omdat u het zo geheel vergeten schijnt te hebben, dat de Heere Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd en in de handen van de zondaars is overgeleverd, het brood nam, dat nog van de paasmaaltijd overgebleven was.
De apostel vindt zich nu genoopt de gehele geschiedenis van het heilig avondmaal in zijn brief op te nemen, opdat hij deze heilige instelling in haar oorspronkelijke reinheid, van alle misbruiken die zich te Corinthiërs daaraan hebben gehecht, bevrijd, hen voor ogen stellen mocht. Meer dan alle woorden van vermaning moest de indruk daarvan tonen, hoe verre hun gemeenschappelijke maaltijden van de strekking en bedoeling van het sacrament verwijderd waren. Dit verhaal van de instelling van het heilige avondmaal is voor ons in meer dan een opzicht merkwaardig. Paulus haalt nergens woorden of berichten aan van Jezus, die in de Evangeliën voorkomen, maar dit bericht komt bijna woordelijk overeen met hetgeen dienaangaande in de drie eerste Evangeliën vermeld wordt. Wij zien daaruit, dat hij de aanhaling van de Evangelieverhalen niet daarom naliet, omdat hij ze als goddelijke openbaringsverhalen niet zou hebben gekend, maar omdat hij geroepen was door de hem verleende onmiddellijke verlichting van de gemeente een eigendommelijke voorstelling van de Evangelieleer te geven. Voorts bewijst deze overeenstemming, dat in het algemeen de grote verwantschap van de Evangeliegeschiedenissen voornamelijk door de verhalen van de apostelen in de Christelijke gemeente is overgegaan. Paulus hecht dit verhaal met een “want” aan het voorafgaande, omdat het de grond van zijn vermaningen in vs. 17 bevat. De woorden “Ik heb het van de Heer ontvangen”, geven in het Grieks te kennen, dat het van de Heere afkomstig is, niet dat het door Hemzelf is meegedeeld. Toch doet de manier, waarop hij met deze woorden tot het navolgende leidt, zien, dat het niet is geweest een overlevering, die door vele handen gegaan en dus misschien gewijzigd en verminkt is, maar als een onmiddellijke openbaring van de Heere zelf, die hij met apostolisch gezag de gemeente verkondigt en als zodanig beschouwd wil zien. Meende hij alleen dat het verhaal van de instelling van het heilige avondmaal hem op dezelfde manier en langs dezelfde weg ter ore was gekomen, zoals alle Christenen, die er niet bij tegenwoordig waren geweest, zo is er geen reden, waarom hij zo plechtig zegt: “Ik heb het ontvangen”, in plaats van “wij hebben. ” Hij had het dus vanwege de Heere ontvangen op een manier en langs een weg verschillend van anderen, zodat hij zijn openbaring met apostolisch gezag aan de gemeente kon voordragen. Dit schijnt ook ten aanzien van geheel de geschiedenis van Christus gezegd te mogen worden. (V.).
In de woorden: “ik (op dit woord ligt een nadruk) heb het van de Heere ontvangen”, plaatst Paulus met sterke nadruk zijn apostolische autoriteit en de goddelijke authenthie van Zijn instelling van de avondmaalsviering in de gemeente op de voorgrond. Het “ontvangen” wordt vooral gebruikt van mondeling onderricht, vooral ook van godsdienstig onderricht en wel van zo een, waarbij in het algemeen niets van eigen scheppen en medewerken, maar een zuiver receptieve toestand plaats vindt. Het “van de Heere” zou wel wat het woord betreft, dat in de grondtekst voor “van” gebruikt is, toelaten aan een indirect, door mensen veroorzaakt ontvangen te denken, het woord schijnt echter hier niet zozeer deze manier van ontvangen als wel het uitgaan van een hoger en veelbetekenend punt te moeten aanwijzen en is volkomen gepast, als het wordt afgeleid van de ten hemel verheven Heer. Ook spreekt de innige betrekking, waarin de apostel zich tot de Heere stelt, het op de voorgrond stellen van zijn persoon in het eigenaardig uitgedrukte “ik”, dat bij een enkel indirecte betrekking, die ook op andere Christenen toepasselijk was, geen zin zou hebben, ook hier voor de overigens door Paulus zozeer bewaarde onmiddellijke, van alle menselijke lering onafhankelijke betrekking tot de Heere.
Zeker kunnen wij niet aannemen dat elke historische bijzonderheid uit het leven van de Heere, de apostel onmiddellijk door Christus zou zijn meegedeeld. Over het heilig avondmaal was dit iets anders; de dogmatische idee daarin was zo na verbonden met de historische grondstelling, dat het een van het andere niet kon worden gescheiden; in dit geval is daarom een onmiddellijke mededeling van de Heere geheel op haar plaats. Wilde Paulus alleen aanspraak maken op een ontvangen van de apostelen als ooggetuigen, dan stond hij met alle andere Christenen gelijk, die het avondmaal ook van de apostelen hadden. Hij kent zich echter hier iets bijzonders toe en was nu dat ontvangen door middel van een persoonlijke verschijning van Christus en niet maar door openbaring van de Geest geschied, waarop het voor “van” gebruikte woord in de grondtekst misschien moet wijzen, dan hadden wij hier een authentieke verklaring van de herrezen Heere zelf over Zijn sacrament, waarom ook de kerk haar vanouds af voor de belangrijkste verklaring van het Nieuwe Testament over het avondmaal heeft beschouwd.
Ook de historische kant van de zo belangrijke zaak moest voor Paulus even goddelijk zeker zijn als de anderen apostelen, zou hij ze met dezelfde autoriteit als zij kunnen meedelen.
En toen Hij gedankt had, brak Hij het en zei: “Neem, eet (deze woorden hebben waarschijnlijk eerst niet in de tekst gestaan, maar zijn uit MATTHEUS. 26: 28 ingelast vgl. Luk. 22: 19), dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt (volgens een andere lezing: dat voor u is), dat tot uw heil dient (Joh. 6: 51), namelijk daardoor dat daaraan wordt volbracht, wat het breken van het brood te kennen geeft, namelijk verbreking met geweld; doet dat tot Mijn gedachtenis (Luk. 22: 19).
Paulus geeft als tijd, waarop de Heere datgene gedaan heeft, waaraan hij wil herinneren, de nacht op, waarin Hij werd overgeleverd, in handen van de vijandige macht kwam. Dit wijst ons op het verband, dat voor de Heere bestond tussen de toestand van de nacht en de handeling, die Hij onderging.
Het was de laatste daad van de Heere, toen Hij Zijn dood tegemoet ging. Het stelde Hem tevoren voor ogen wat Hem wachtte, evenals de latere viering een herinnering aan Zijn offerdood moest zijn.
Het gebed, de daad, waarmee elke aardse maaltijd gewijd en gezegend wordt (1 Tim. 4: 5), was en is in geheel bijzondere zin de wijding van het veelbetekenend maal tot symbool en onderpand van het hoogste geestelijk genot. Deze dankzegging zag zonder twijfel op de hoogste aller ontfermingen en weldaden van God, op het werk van de verlossing. Het breken, dat naar de aard van die broodkoeken plaats had, is betekenisvol voor het avondmaal als teken van verbond en gemeenschap (Hoofdstuk 10: 17), maar ook als herinneringsmaal van de offerdood van Christus. Bij de handeling en bij het teken komen vervolgens de eigenlijke woorden van de stichting en instelling, die gedeeltelijk woorden zijn ter verklaring, deels woorden van inzetting voor volgende tijden.
De Corinthiërs hielden het heilig genademaal op een manier, dat bij hen in vergetelheid kon raken wat ons Christenen door Christus zelf is voorgehouden om te eten en te drinken. Daarom laat de apostel het avondmaals-testament van de Heere voorafgaan aan zijn avondmaalsvermaning. Het brood, dat wij breken (Hoofdstuk 10: 16), is de voortzetting van het brood dat de Heere Jezus nam, toen Hij dankte en het brak en sprak: neem, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. Volgens belangrijke handschriften ontbreekt in de tekst het woord “gebroken” en staat er alleen: “dat is mijn lichaam voor u. ” Zeker is het, dat “gebroken” dezelfde zin heeft als “gegeven” (Luk. 22: 19); of echter niet alleen de overgave in de dood, maar ook de aanbieding tot het eten onder velen daardoor wordt te kennen gegeven, is niet met zekerheid te beslissen.
Zo ook nam Hij ook de drinkbeker na het eten van het avondmaal om daarmee op dezelfde manier eerst te handelen, d. i. daarover de dankzegging uit te spreken. Hij nam de kelk, die Hij volgens de gewoonte aan de paastafel de Zijnen als een Vader nog ten slotte had over te geven en zei (zie bij Hoofdstuk 10: 16): Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed 1), daarom omdat het teken van Mijn bloed daarin is (vgl. Ex. 24: 8). Doe dat, zo vaak als u die drinkbeker van het Nieuwe Testament in Mijn bloed zult drinken tot Mijn gedachtenis 2).
Opmerkelijk is de tijdsbepaling (zie boven “in de nacht, waarin Hij verraden werd: “na het avondmaal” (vgl. Luk. 22: 10), d. i. na het paasmaal, waarvan het breken van het brood het slot was, zoals dit tevens het begin was van de nieuwe inzetting. Zeker wil Paulus daardoor het onderscheid tussen het nieuwe en het oude en tussen de heilige instelling en een gewoon aards maal, waarmee de inzetting van het Oude Verbond, het paasmaal veel meer overeenkomst had, ook door de tijd te scheiden, nog op de voorgrond stellen. Mogelijk is het ook, dat, zoals enigen menen, door deze uitdrukking de drinkbeker van het avondmaal moest worden onderscheiden van de drinkbeker bij het paasmaal, waarbij volgens Luk. 22: 17 v. de Heere ook gesproken heeft.
De Heere ziet in de wijn van de drinkbeker niets anders dan Zijn bloed. Christus’ bloed werd daardoor, dat het werd vergoten, het zoenmiddel, waardoor het nieuwe verbond werd gesticht (Rom. 3: 25), het genadeverbond, waarin van de kant van de mensen niet, zoals in het Oude Verbond, de vervulling van de wet, maar het geloof in Christus en van de kant van God de genadige vergeving, rechtvaardiging, heiligmaking en gave van de eeuwige Messiaanse zaligheid is vastgesteld (2 Kor. 3: 6). De Heere ziet de drinkbeker aan als dit verbond, omdat Hij in de wijn van de beker Zijn bloed ziet, waardoor het verbond wordt gesloten. Zo is voor Hem in deze diep levende plastiek van beschouwing de drinkbeker als die het verbondsbloed bevat, het verbond zelf.
In vs. 24 konden de woorden: “doe dat tot Mijn gedachtenis”, volgens het woordverband op Jezus zelf worden gebracht, van wiens handelwijze bij het avondmaal tot hiertoe sprake was: de Zijnen moeten doen, wat Hij nu heeft gedaan, d. i. het brood met dankzegging breken en uitdelen tot uitwendige vertegenwoordiging van Zijn persoon in zelfopoffering voor hen. Hier, in vs. 25, daarentegen heeft het “doe” evenals de bijvoeging “zo vaak u die drinkt” duidelijk aanwijst, betrekking op het gebruiken van de drinkbeker en dan is het de herinnering, die de vriend aan de vriend, de geredde aan de Redder, de gezaligde aan de Zaligmaker beoefent. Het avondmaal is echter daarom niet een middel tot herinnering, maar een feitelijke verkondiging, zoals de apostel in het volgende nader uiteenzet.
Zo is, zoals ik reeds in vs. 20 v. betuigde, de wijze, waarop hij het maal van de gemeente houdt, niet verenigbaar met het avondmaal van de Heere, dat daarmee verbonden is. Want zo vaak als u dit brood in het sacrament zult eten en deze drinkbeker zult drinken, behoort u te handelen naar het woord van de Heere: “doe dat tot Mijn gedachtenis”; doe dat zo vaak als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis (vs. 24 en 25) en verkondig de dood van de Heere a) totdat Hij komt en persoonlijk weer op aarde zal zijn, wanneer het nieuwe maal in Zijn rijk begint (MATTHEUS. 26: 29. Mark. 14: 25. Luk. 22: 16 en 18). Wanneer u dat echter uitwendig met de mond doet, zodat de één hongerig is en de ander dronken, is dat een geheel onwaardige manier van verkondiging.
Joh. 14: 3. Hand. 1: 11.
Op de geschiedenis en de woorden van de instelling volgen nu weer de woorden van de apostel. Hoofdzakelijk praktische bepalingen en toepassingen. Overal en herhaalde malen (vs. 26-29) wordt bepaald uitgesproken, dat de plechtigheid van de avondmaalsviering plaats had onder beiderlei gestalten.
De Roomsen vergissen zich als zij in het “of”, dat in vs. 27 wordt gebruikt, de viering van het avondmaal vinden uitgesproken als onder één gestalte toegedeeld, of ten minste als geoorloofd zien voorgesteld. Wilde men het woord opvatten in zo’n scheidende zin, dan moest evengoed de beker zonder brood, als het brood zonder beker kunnen worden genomen.
Waar de drinkbeker ontbreekt, daar is het een nietswaardig avondmaal, zoals Christus dan ook niet met het brood, maar met de beker Zijn bloed heeft vermaakt.
Nadat Paulus de inzetting van het heilige avondmaal uit authentieke bron heeft uitgesproken, verbindt hij zijn verdere gezegden aan het “doe dit tot Mijn gedachtenis”. In de plaats van de “gedachtenis” van de Heere wordt hier gesproken van het verkondigen van de dood van de Heere, een plechtig uitspreken daarvan, dat de Heere de offerdood voor Zijn gemeente heeft ondergaan en haar daardoor verlossing heeft teweeggebracht een belijdenis met verheerlijking verbonden bij de handeling zelf en door haar zelf reeds te kennen gegeven, is het ook dat dit bij ieder in het bijzonder geschiedde en voortkwam uit een gemoed, van de liefde van de Heere doordrongen, of niet.
Hoe dit verkondigen, dat niet als een zuiver feitelijk, maar tevens als een mondeling verkondigen kan worden opgevat, heeft plaats gehad, is ons onbekend. Misschien was toen reeds een liturgisch element ontstaan van avondmaalsviering, die reeds meer dan een vierde eeuw plaats had, evenals ook hij het Joodse paasfeest in Ex. 12: 27; 13: 8, uitdrukkelijk belijden is voorgeschreven.
Het verkeerde van de Corinthiërs was, dat zij het avondmaal aten in een toestand, waarin zij met hun hart de dood van de Heere vergaten, die zij met de mond verkondigden; want hoe kunnen zij van de Heere dood in hun hart bepeinzen, die vleselijke twisten hebben en vleselijk genot hebben.
De verkondiging van de dood van de Heere moet niet alleen zo vaak plaats hebben als het avondmaal gevierd wordt, maar deze viering en daarom ook de daaraan verbonden verkondiging moet duren tot de wederkomst van de Heere, dus gedurende de hele tegenwoordige loop van de wereld tot aan het avondmaal van het Lam in het rijk van God.
Het geheim van het avondmaal verbindt begin en einde van de tijd van het Nieuwe Testament. Wat ons door het heengaan van Christus schijnt ontnomen te zijn, wordt ons door het heilig avondmaal vergoed, zodat wij van het afscheid van de Heere tot aan Zijn zichtbare en heerlijke wederkomst Hem, die wij een tijd lang niet zien, toch lichamelijk bezitten, zoals Leo de Grote schrijft: “Het zichtbare van onze Heiland is in de sacramenten overgegaan.
a) Zo dan, bedenk het wel, wie onwaardig dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt, zo daarvan eet en drinkt, als in strijd is met de waardigheid van dit voedsel en van deze drank, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere, bevindt zich ten opzichte van deze ineen toestand van schuld en zal ook de straf niet ontgaan, die op het ontwijden is gesteld (Jak. 2: 10).
Num. 9: 10, 13. Joh. 6: 51, 63 v. ; 13: 27. 1 Kor. 10: 21.
Het “of” in de zin “die onwaardig dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt”, staat niet in de plaats van “en”, maar de zin is: “als iemand het een of andere onwaardig geniet, dan is hij schuldig. ” Noch bij het brood, noch bij de wijn mag een onwaardig genieten plaats hebben (hetgeen duidelijk in betrekking staat tot het “de een is hongerig, de ander is dronken” in vs. 21). De schuld van de ene zowel als van de andere, die onwaardig eet of drinkt, is een en dezelfde, daarom staat in de nazin niet weer “of”, maar “die is schuldig aan het lichaam en bloed van de Heere. ” Paulus bepaalt niet nader, op welke manier het onwaardig genieten plaats kan hebben, zoals dan ook een onwaardig genieten in concrete gevallen zeer vaak plaats vindt. Hij laat het voor het ogenblik aan de lezers over om hun manier van avondmaalvieren te beproeven; pas in vs. 29 karakteriseert hij de bijzondere vorm van het onwaardig genieten, die bij hen plaats vond.
Van het onwaardig eten van het brood en drinken van de drinkbeker van de Heere zegt de apostel, dat dit bezoedelt met een schuld aangaande het lichaam en bloed van de Heere. Hoe dit mogelijk is, leert de uitspraak van de Heere over hetgeen het eten en drinken van dit brood en van deze drinkbeker is. Zoals die luidt, is het een eten van Zijn lichaam en drinken van Zijn bloed en bezondigt dus hij, die dat op onwaardige manier doet, zich dadelijk aan Zijn lichaam en aan Zijn bloed.
Het bezondigen aan lichaam en bloed van de Heere bestaat in de lichtzinnige ontheiliging van het maal, deels in zo verre het een herinneringsteken is van de offerdood van de Heere, deels en vooral in zo verre het een middel is waardoor de geofferde Heiland Zichzelf, Zijn vlees en bloed meedeelt.
a) Maar de mens, dat is een ieder (vgl. Hoofdstuk 4: 1), moet zichzelf beproeven, of hij in een stemming is om het sacrament waardig te ontvangen, voordat hij daaraan deelneemt en moet zo eten, wanneer hij bij dat onderzoek heeft bevonden, dat hij werkelijk in zo’n toestand verkeert, als daartoe vereist wordt, van het brood en drinken van de drinkbeker.
2 Kor. 13: 5.
Om zijn eigen welzijn verzuimt hij niet te doen wat ik hier heb bevolen: want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel van de verwerping of verdoemenis (Rom. 3: 8; 13: 2., al is het ook niet dadelijk dat van de eeuwige verdoemenis en dit is naar recht, omdat hij het als gewoon voedsel neemt, niet onderscheidend het lichaam van de Heere en dit dus op die manier ontwijdend.
“Beproeven” wil zeggen: zich goed bedenken of men bekwaam is. Daarom eist het onderzoek, dat men niet zijn eigen gedachten of de mening van anderen meteen gelooft, maar die zo lang betwijfelt totdat men de zaak voor God overeenkomstig zijn woord wel heeft overlegd. Hiertoe is een zekere geschiktheid nodig, zodat geen onbekeerde zichzelf kan onderzoeken, tenzij dat de voorafgaande en vernederende genade van God in zijn hart komt en een vonkje goddelijk licht bij hem ontstaat.
Op de vermaning van de apostel: “de mens beproeft zichzelf” bouwt men in de Lutherse kerk het doelmatige van de voorbereiding door de biecht (bij ons wordt wellicht te veel het “belijdt elkaar uw zonden” voorbijgezien). De paraenetische geest van dit woord is in strijd met de wettische en priesterdwang van een biecht van de kleinste bijzonderheden van elk in het bijzonder, zoals de Roomse kerk die eist.
Deze zelfbeproeving bestaat daarin, dat men toeziet dat men berouw en geloof heeft. Niet een volkomen berouw en een volkomen geloof, zoals sommigen een volkomenheid eisen, die nergens te vinden is en daarmee alle mensen voor altijd van het avondmaal afhouden, maar als u met volkomen verlangen van het hart naar Gods gerechtigheid smacht en door de kennis van uw ellende terneergedrukt, geheel en al op Christus’ genade vertrouwt, dan bent u een waardige gast aan deze tafel, want “waardig” heet, die de Heere niet uitstoot, al ontbrak u nog zoveel. Immers het aanvankelijk geloof maakt ons, onwaardigen, waardig.
De viering van het avondmaal eist voorafgaande kennis van zichzelf. Het wil een bevestiging van de wil opwekken, om een leven te leiden overeenkomstig met de idee van het avondmaal, omdat het de mens onmiddellijk de zekerheid geeft dat de roeping, die hij moet volbrengen, in Christus reeds volbracht is en dat dus de werkelijkheid van een goddelijk vrij leven, zoals hij dat voor zich begeert, niet onmogelijk is.
Die daarentegen misdadig genoeg is om dit maal niet te onderscheiden van andere maaltijden en zo onbedachtzaam en onnadenkend, zo lichtzinnig en zondig nadert, alsof hij naar een gewone maaltijd zich begaf, die zal zijn straf niet ontgaan, zijn oordeel niet ontvluchten. Is dat oordeel ook niet de eeuwige verdoemenis, maar volgens vs. 32 daarvan onderscheiden en wordt het juist daartoe gehouden, opdat hij niet met de wereld veroordeeld wordt, dan blijft de zaak toch altijd nog ernstig genoeg en wat de Heere tot bestraffing van ons onwaardig avondmaal houden over ons brengt, dat is altijd zo groot en zo vol van betekenis, dat wij alle reden hebben om ons te beproeven en de onbedachtzame en oneerbiedige manier van ons ten avondmaal gaan na te laten.
In de tijd van de genade is het oordeel ook niet het oordeel van de eeuwige verdoemenis, integendeel kan het voor hen, die zich daaronder verootmoedigen, een middel zijn tot afwending van het oordeel van de verdoemenis. Bij hen echter, die zich tegen het oordeel van straf verharden, wordt het tot een oordeel van de verdoemenis.
De opvatting alsof een onwaardig avondmaalsvieren de eeuwige verdoemenis zou aanbrengen of met de zonde tegen de Heilige Geest gelijk staat, kan door afschrikking zeer tot schade zijn van het gebruiken van het Heilige Avondmaal. Merkwaardig zijn in dit opzicht de belijdenissen van Goethe, die zegt door deze vrees het eerst van Kerk en sacrament te zijn afgeschrikt.
Daarom, omdat het bij u veeltijds ontbrak aan dat onderscheid maken en u dus werkelijk reeds het oordeel heeft gegeten en gedronken, zijn onder u vele zwakken en zieken en velen slapen, zijn reeds in de doodsslaap weggezonken (Hoofdstuk 15: 6).
Een lichamelijke ziekte had in Corinthiërs vele Christenen aangetast, velen zelfs reeds ten grave gesleept (zij slapen, zegt de Apostel, om daarmee te kennen te geven dat zij toch ook nog zalig ontslapen kunnen zijn, omdat deze uitdrukking bij voorkeur van de dood van de gelovigen wordt gebruikt. (Hoofdstuk 15: 16, 18, 20, 51. MATTHEUS. 27: 52. Joh. 11: 11. Hand. 7: 59; 13: 36. 1 Thessalonicenzen. 4: 13-14). De Apostel betuigt aan de gemeente dat dit de goddelijke straf is wegens de ontheiliging van het Avondmaal. Ofschoon ten allen tijde dergelijke goddelijke straffen door zodanige misdrijven worden uitgelokt, stonden toch de eerste gemeenten meer bijzonder in dit opzicht onder Gods leiding (vergel. Hand. 5: 1).
Het begin van Christus’ kerk en de Christocratie in haar eiste dergelijke wonderen tot zegenen en bestraffen als het begin van de theocratie van het Oude Verbond, waaraan de Apostel in Hoofdstuk 10: 6 vv. zo sterk herinnert. Andere uitleggers wijzen op de theocratische uitroeiing uit het volk, die op de profanatie van het Paaslam was gesteld.
Uit het “slapen”, de uitdrukking die Paulus gebruikt voor de reeds gestorvenen, zou kunnen volgen dat deze, om hun het verkeerd gebruik van het avondmaal gestorvenen nog vóór hun einde met God verzoend waren en in vrede waren heengegaan, want in het Nieuwe Testament komt het woord alleen in gunstige zin voor. Had Paulus het tegendeel willen zeggen, dan stond wel een dergelijke uitdrukking als in Hoofdstuk 10: 5 tot zijn beschikking.
Wij achten het beter deze uitdrukkingen: “zieken, zwakken, slapenden” te verklaren met geestelijke kwijning en dodigheid, vgl. Rom. 11: 8. Efeze. 5: 14.
a) Want als wij door middel van zelfonderzoek, zoals ik in vs. 28 dat verlangde, onszelf oordeelden, dan zouden wij niet geoordeeld worden; wij zouden dan niet komen in zulke gerichten, als de zo-even genoemde, waardoor de Heere ons met kracht de ogen voor onze toestand wil openen, die wij moedwillig voor onszelf bedekken.
Ps. 32: 5. Spr. 18: 17.
Maar als wij, zoals dat met u reeds het geval is (vs. 30) geoordeeld worden, dan worden wij door de Heere getuchtigd (Hebr. 12: 6. Tit. 2: 12. 2 Tim. 2: 25 v., opdat wij met de wereld niet veroordeeld zouden worden (Hoofdstuk 5: 5).
Laat ons, om niet schuldig te worden, erkennen dat wij schuldig zijn! Ja, laat ons belijden dat wij straf en tuchtiging waard zijn, ook om zo menig zondig gebruiken van het avondmaal, dan zal God van Zijn toorn aflaten en ons genadig verschonen, Zijn tijdelijke tuchtroede matigen en ons ten beste keren en de eeuwige verdoemenis, die wij verdiend hebben, niet over ons laten komen omwille van Jezus Christus, onze Heere.
Hoe strenger de mens tegen zichzelf is, des te verschonender is God. Zelfverschoning brengt alleen onheil aan. Klaag uzelf aan en veroordeel uzelf, dan zal God u vergeven. Maar houdt God door tijdelijke straffen ons onze schuld voor ogen en wij laten ons trekken, dan worden het heilzame kastijdingen.
Het oordelen van zichzelf is, wat de zaak aangaat, een onderscheiden van de zedelijke toestand, waarin men is, van zijn norma, van de goddelijke regel hoe men moest zijn, een erkennen van zichzelf, waarbij men zich bewust is wat men is en wat men niet is. Die op deze manier zelf het oordeel over zich velt, die hoeft de Heere niet door kastijdende bezoekingen eerst de ogen te openen. Ondervindt men nu een tuchtigen door een door God toegezonden tijdelijk onheil, dan is dat een oordelen van de Heere, dat van het veroordelen onderscheiden is. De wereld laat Hij veel haar weg gaan, maar haar einde is de verdoemenis. “Met Zijn kinderen neemt Hij het echter nauw op, Hij straft hun verkeerdheden snel, opdat zij voor de wegen van de wereld bewaard blijven en niet in haar ondergang worden meegesleept.
Zo dan, mijn broeders, om nu, nadat ik wat bij u is af te keuren heb berispt, u nu ook de middelen ter wegneming van die verkeerdheid en goede raad, hoe u zich moet gedragen, op grond van de vorige uiteenzettingen te geven, als u tot het zogenaamde liefdemaal (vs. 20) samenkomt, om te eten, neemt niemand zijn eigen maal vooraf (vs. 21), maar verwacht elkaar, de rijkere wachte de armere en deelt hem van het zijne mede.
Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik ordineren als ik zal gekomen zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel