Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 94 — Treasury of David

Onderwerp
De dichter ziet hoe slechte mensen de macht in handen hebben, en hij lijdt onder hun onderdrukking. Eerder, in de vorige psalm, bezong hij Gods soevereiniteit. Dat besef brengt hem er nu toe een beroep te doen op God, Die als grote Rechter over heel de aarde staat en alles ziet wat er gebeurt. Zijn roep is heftig en vol aandrang, want de zweep van de onderdrukker laat hem duidelijk niet los. Voor hem staat vast: God is er, en Hij houdt eigenhandig bij wat mensen uitrichten. Daarom wijst hij zijn goddeloze tegenstanders terecht, en hij jubelt dat hij in zijn God de overwinning heeft.
Ook ziet hij in dat de zware wegen van de Voorzienigheid in werkelijkheid leerzame tuchtigingen zijn. Daarom prijst hij gelukkig wie ze doormaakt. Deze psalm is opnieuw een ontroerende uitwerking van het oude raadsel: “Waarom gaat het de goddelozen goed?” Weer zien we een goed mens die ten einde raad is omdat het de goddelozen zo voor de wind gaat. Hij richt zijn hart weer op door eraan te denken dat er tóch een Koning in de hemel zit, en dat Hij alles ten goede overheerst.
Indeling
In Ps. 94:1-7 uit de dichter zijn klacht over de goddeloze onderdrukkers. Daarna, in Ps. 94:8-11, brengt hij een redenering in tegen hun spottende idee dat God niet ziet wat de mensen doen. Dan toont hij dat de Heere Zijn volk wél zegent en zal verlossen, ook al kastijdt Hij het een tijd lang, Ps. 94:12-15. In Ps. 94:16 smeekt hij opnieuw om hulp, en in Ps. 94:17-19 belijdt hij dat hij helemaal van God afhankelijk is om bewaard te blijven. Voor de derde keer brengt hij zijn klacht naar voren, Ps. 94:20-21. Hij sluit af met de vaste verzekering dat zijn vijanden, en met hen alle andere goddelozen, zeker het loon zullen krijgen dat bij hun daden past: “ja, de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.”
Uitleg
Vers 1
“O HEERE, God der wraken! verschijn blinkende”, of: God van de vergelding, Jehova, God van de vergelding, straal uit! Dit gebed komt vanzelf in ons op, bij ieder die onrecht ziet, helemaal vanzelf, wanneer onschuld wordt vertrapt en goddeloosheid de baas speelt! Recht doen is iets goeds. Wie zal dat tegenspreken? Dan mag je er ook gerust om vragen. Het is dan geen persoonlijke wraakzucht, want met zulke gevoelens zou niemand het wagen bij God aan te kloppen. Het is liefde voor het recht en meeleven met mensen die zonder schuld moeten lijden.
Wie kan dat zien zonder dat het hem aangrijpt? Kun je een heel volk in slavernij zien, of zelfs één mens die wordt vertrapt, zonder tot de Heere te roepen dat Hij opstaat en voor het recht opkomt? Dat onrecht zomaar gebeurt en niemand het stopt, komt volgens de dichter doordat de Heere Zich schuilhoudt. Hij bedoelt ook: als de tirannen Hem maar zien, schrikken ze al zo dat ze hun onderdrukking stoppen. God hoeft Zich alleen maar te tonen en de goede zaak is gewonnen. Hij komt, Hij ziet, Hij overwint! Ja, wat hebben wij in deze kwade dagen behoefte aan een zichtbaar bewijs van Zijn kracht!
De eeuwenoude vijanden van God en mensen strijden weer om de macht. Winnen zij, dan is er geen hoop voor de heiligen van God.
Vers 2
“Gij, Rechter der aarde.” Ga zitten op Uw rechterstoel en word erkend als Heerser over alle mensen. Rijs ook op zoals iemand die uit alle macht wil uithalen. De zonde van de mensen groeit zo hoog dat zij een zware slag van Uw hand verdient. “Breng vergelding weder over de hovaardigen”: betaal hun terug met dezelfde munt, eerlijk en slag om slag. De trotsen kijken neer op de arme gelovigen en slaan hen van bovenaf neer, zoals een reus zijn vuisten laat vallen op wie voor hem staat. Doe hetzelfde, o Heere, en rijs op.
“Breng vergelding weder over de hovaardigen”, en laat hen merken dat U oneindig veel hoger staat dan zij ooit staan kunnen boven het geringste van hun medemensen. Zo vraagt de dichter in gewone, rechtstreekse taal om de vergelding van het recht. Zijn bede is dezelfde die de lijdzame onschuld zwijgend omhoog zendt, wanneer haar pijnlijke blik naar de hemel gaat.
Vers 3
“HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?” Blijft onrecht voor eeuwig aan de macht? Komt er nooit een eind aan slavernij, roof en tirannie? In de hemel zit toch een rechtvaardige God, met almachtige kracht! Dan moet de heerschappij van het kwaad vroeg of laat breken. Dan krijgt de onschuld op een dag een verdediger. Die woorden “hoe lang?” zijn de bittere klacht van alle rechtvaardigen, in elke eeuw. Ze drukken verbazing uit over het grote raadsel van Gods bestuur: hoe kan het kwaad bestaan, en zelfs overheersen? “Hoe lang?” klinkt bijna als jammeren, een van de droefste kreten waarmee de ellende zichzelf uitspreekt.
Hoe vaak is die klacht niet opgeklonken in de kerkers van de Inquisitie, het kerkelijke gerecht dat ketters opspoorde en strafte, bij de geselpalen van de slavernij en in de cellen van de onderdrukking. God zal op Zijn tijd antwoord geven, maar het einde is er nog niet.
Vers 4
“Hoe lang zullen zij uitstorten en harde dingen spreken?” Goddelozen houden het niet bij onrechtvaardige daden. Ze zetten er harde taal bij: opscheppen, dreigen, de heiligen bespotten. Kan de Heere dit eindeloos aanzien? Laat Hij Zijn eigen kinderen nog veel langer vogelvrij zijn voor hun vijanden?
Zal de brutale taal van Zijn tegenstanders, die ook hún tegenstanders zijn, Zijn gerechtigheid niet eindelijk wakker schudden? Woorden raken vaak dieper dan zwaarden. Ze steken niet in het lijf maar in de ziel. Voor het hart zijn ze zo hard als stenen voor het lichaam. Goddelozen gieten ze er rijkelijk uit, want dat is de kracht van het woord dat met “uitstorten” is weergegeven. En ze doen het zo gewoon dat het hun vaste manier van praten wordt (zij “storten ze uit en spreken ze”). Zal dit altijd maar worden getolereerd?
“Zullen alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?” Ze praten zelfs in zichzelf, tegen zichzelf en over zichzelf, in hoogmoedige geest, alsof ze een goede daad verrichten als ze arme en behoeftige mensen verpletteren en hun venijn spuien op mensen die genade kennen.
Wie onrecht doet, schept van nature op, zoals goede mensen van nature nederig zijn. Zal de grote Rechter dat gepoch altijd maar laten gebeuren? Hij hoort toch elk woord dat zij zeggen! Al zo lang hebben zij het podium voor zich alleen, en wat is er luid, heel luid gelasterd tegen God en gescholden op Zijn heiligen! Komt niet snel de dag dat hun het beloofde erfdeel van schande en eeuwige verachting wordt uitgedeeld? Zo pleiten de onderdrukten bij hun Heere. Zal God Zijn eigen uitverkorenen dan niet rechtmaken? Zal Hij niet uit de hemel de vijand toespreken en zeggen: “Waarom vervolgt gij Mij?”
Vers 5
“O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk”: ze malen hen fijn met onderdrukking en pletten hen met minachting.
En die mensen die zij kapotmaken zijn nota bene Gods eigen volk, vervolgd om wie ze zijn. Dat is een sterke reden voor God om in te grijpen. “En zij verdrukken Uw erfdeel”: ze storten hen in diepe schaamte en drukken hun hart helemaal omlaag. “Uw erfdeel” herinnert aan de keuze die God voor Zijn heiligen maakte. Het verwijst naar Zijn eigen belangstelling en vreugde in hen, en naar het verbond dat Hij al zo lang met hen en hun vaderen heeft. Ook daaruit kunnen ze putten, want het is een voorraadkamer vol redenen om voor te leggen aan hun trouwe God.
Zal Hij dan niet opkomen voor wat van Hem is, en het beschermen tegen wie het aantast? Geeft iemand zijn erfdeel zomaar prijs, of kijkt hij toe terwijl het wordt leeggeplunderd? Wie hier wordt vermalen en vertrapt, is geen vreemde die er niets mee te maken heeft, maar iemand die de Heere Zelf heeft uitgezocht en uitgekozen, mensen die van Hem zijn. Hoe lang geeft Hij hen nog prijs aan meedogenloze vijanden?
Vers 6
“De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.” Juist degenen die duidelijk onze barmhartigheid nodig hebben, behandelen ze het meest aanmatigend.
Gods wet legt deze armen uitdrukkelijk aan goede mensen voor. Alleen een bijzondere boosheid kiest hen uit als slachtoffer, niet alleen van oplichting maar zelfs van moord. Moet zulk onmenselijk gedrag de Heere niet in toorn doen ontsteken? Zullen weduwen vergeefs huilen, vreemdelingen vergeefs zuchten en het bloed van wezen vergeefs vloeien? Zo waar als er een God in de hemel is, zal Hij met de daders afrekenen. Hij heeft lang geduld met hen, maar Hij neemt toch wraak, en wel snel.
Vers 7
“En zeggen: De HEERE ziet het niet.” Hier lag de oorzaak van hun hoogmoed en het hoogtepunt van hun boosheid.
Ze waren blindelings slecht, omdat ze zich een blinde God voorstelden. Wie gelooft dat Gods ogen dof zijn, laat zijn wilde driften natuurlijk de vrije loop. Deze mensen droegen niet alleen een goddeloos ongeloof in hun hart. Ze durfden het hardop te zeggen, met die gruwelijke leer dat God te ver weg is om de daden van mensen te zien. “En de God van Jakob merkt het niet.” Wat een afschuwelijke godslastering, en wat een doorzichtige leugen! God is echt de God van Zijn volk geworden en heeft Zijn zorg voor hen in duizend genadedaden getoond.
Hoe durven goddelozen dan te beweren dat Hij het onrecht dat hun wordt aangedaan niet zal zien? Een trotse mens kent in zijn onheiligheid geen grens. Zelfs zijn verstand houdt hem niet tegen. Hij heeft de grenzen van het gezonde verstand overschreden. Bij de beek Jabbok luisterde Jakobs God naar hem. Jakobs God begeleidde en bewaarde hem heel zijn leven en zei over hem en zijn gezin: “Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.” En toch zeggen deze redeloze mensen te geloven dat Hij het leed van het uitverkoren volk niet ziet en er niets om geeft!
Bij zulke ongelovigen wordt zeker waar wat de wijze zegt: wie de Heere wil vernietigen, laat Hij los in de waanzin van hun eigen bedorven hart.
Vers 8
“Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk.” Zij beweerden dat God niets in de gaten had. In de grondtekst staat hetzelfde woord, en nu beveelt de dichter de goddelozen zélf goed te kijken en de waarheid serieus te nemen. Hij noemt hen domme, botte boeren, varkensachtige mensen, en dat was een verdiende naam. Ze moeten begrijpen en nadenken, tenminste als ze daartoe in staat zijn. Ze vonden zichzelf wijs, de enige slimme mensen ter wereld zelfs, maar hij noemt hen “everzwijnen onder het volk”. Goddeloze mensen zijn dwazen, en hoe meer ze weten, hoe dwazer ze juist worden, hoe geleerd ze ook zijn.
“Geen dwaas als een geleerde dwaas” is een waar spreekwoord. Wie met God klaar is, is ook klaar met zijn menszijn en met alles wat een mens tot mens maakt. Hij is gezakt tot het niveau van de os en de ezel, nee, daar nog onder, want “een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren”. Voor wetenschappelijke ongelovigen hoeven we ons niet te schamen. We moeten ze eerder beklagen. Zij gedragen zich alsof ze op ons neerkijken, maar wij hebben veel meer reden om op hén neer te zien. “En gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden?” Is het niet hoog tijd?
Jullie kennen de paden van de dwaasheid, maar wat winnen jullie ermee? Is er helemaal geen rest van rede over? Geen sprietje gezond verstand? Brandt er in jullie gedachten nog een klein lichtje, hoor dan het betoog aan en denk na over de vragen die jullie zo meteen worden gesteld.
Vers 9
“Zou Hij, Die het oor plant, niet horen?” Hij heeft dat wonderlijke orgaan ontworpen en op de handigste plek gezet, vlak bij de hersenen. Zou Hij Zelf dan doof zijn? Hij kan zoiets bedenken en maken, en toch zou Hij niet merken wat er gebeurt in de wereld die Hij schiep? Hij heeft jullie het gehoor gegeven, en dan zou Hij Zelf niet kunnen horen? Op deze vraag valt niets terug te zeggen! Ze maakt de twijfelaar sprakeloos en beschaamt hem. “Zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?” Door Hem kunnen wij zien.
Is het voorstelbaar dat Hij Zelf blind zou zijn? Met vaardige hand maakte Hij de oogzenuw, de oogbol en heel dat ingenieuze mechanisme. Het gaat ons verstand te boven dat Hij Zelf niet zou kunnen zien wat Zijn schepselen doen. Als er een God is, dan is Hij een persoon met verstand en inzicht, en aan wat Hij weet is geen grens te stellen.
Vers 10
“Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen?” Hij berispt complete volken. Zou Hij dan geen afzonderlijke mensen kunnen berispen? Heel de geschiedenis laat zien dat Hij de zonde van een volk met een oordeel over dat volk treft. Zou Hij dan niet kunnen omgaan met één enkele persoon? De vraag die erop volgt is even sterk. Ze wordt zo vurig gesteld dat de spreker zich inhoudt en de vraag niet afmaakt. Ze begint met: “Hij, Die den mens wetenschap leert”, en dan valt er een stilte. De vertalers hebben die stilte opgevuld met de woorden: “zou Hij het niet weten?” Maar zulke woorden staan niet in de grondtekst.
Daar breekt de zin plotseling af, alsof de conclusie zo voor de hand ligt dat ze niet eens meer gezegd hoeft te worden, en alsof de schrijver zijn geduld verloor met die redeloze mensen met wie hij had gediscussieerd. Ernstige gelovigen hebben vaak het gevoel dat ze zouden willen zeggen: “Kom, met jullie valt niet te redetwisten! Als jullie redelijke mensen waren, zou het te vanzelfsprekend zijn om het nog in jullie bijzijn te hoeven uitspreken. Ik zwijg erover.” Wat de mens weet, heeft hij van God. De wetenschap werd in haar eerste beginselen al aan onze stamvader Adam geleerd, en elke vooruitgang daarna danken we aan Gods hulp. Zou Hij Zelf, Die alle kennis bedacht en ons geopenbaard heeft, het dan niet weten?
Vers 11
Mensen kunnen toegeven dat God het weet of dat ontkennen, maar één ding wordt hier vastgesteld: “de HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn”. Niet alleen hun woorden komen bij Hem aan en hun daden worden door Hem gezien. Hij leest ook wat zich diep in hun binnenste roert. De mensen zelf zijn voor Hem immers niet moeilijk te doorgronden. Als Hij hen aankijkt, zijn zij zelf niet meer dan ijdelheid. Voor de Heere is het geen grote opgave om de gedachten te kennen van zulke doorzichtige stukjes ijdelheid als wij mensen zijn.
In een oogwenk heeft Hij ze gewogen: arme, lege dingen. Dat is de betekenis in de grondtekst. Maar wat de Authorised Version zegt, is ook waar: de gedachten, het beste deel van de mens, het meest geestelijke stuk van zijn wezen, ook die zijn ijdelheid zelf, en niets beters. Arme mens! En toch schept dit schepsel op, speelt het voor koning, tiranniseert het zijn medewormen en daagt het zijn God uit! Waanzin vermengt zich met de menselijke ijdelheid, zoals rook zich vermengt met mist: het wordt er vuiler van, maar niet steviger dan het al was.
Wat zijn ze dwaas, die denken dat God niet weet wat zij doen, terwijl Hij zelfs hun lege gedachten opmerkt! Wat is het ongerijmd om God voor niets te rekenen, terwijl wijzelf in Zijn ogen niets zijn.
Vers 12
“Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien.” In de psalmist keert de rust terug. Hij klaagt niet meer tegen God en gaat niet langer in discussie met mensen. Hij stemt zijn harp op zachtere klanken, want zijn geloof ziet dat het met de zwaarst beproefde gelovige toch goed zit. Misschien voelt hij zich niet gezegend zolang de roede van de tuchtiging hem pijn doet, maar hij is het wel. Hij is kostbaar in Gods ogen. Anders zou de Heere de moeite niet nemen hem te corrigeren, en de uitkomst van die correctie zal zeer gelukkig zijn.
De psalmist noemt de getuchtigde een “man” in de mooiste zin van het woord. Het Hebreeuwse woord dat hij gebruikt, heeft met kracht te maken. Wie door de Heere wordt onderwezen en gevormd, is echt een man. “En dien Gij leert uit Uw wet.” Het boek en de roede, de wet en de tuchtiging, horen bij elkaar. Samen zijn ze dubbel zo nuttig. Verdrukking zonder het Woord is een oven voor het metaal, maar zonder smeltmiddel dat het zuiveren helpt. Het woord van God voorziet in dat gebrek en maakt van de vurige beproeving iets wat werkt.
Het is ten slotte veel beter om te horen bij wie Gods hand laat lijden dan bij wie anderen laat lijden. Het is veel beter om als “man” onder de hand van onze hemelse Vader neer te liggen en te roepen, dan als een redeloos beest te brullen en te razen en een dodelijke slag over jezelf af te roepen van de Vernietiger van het kwaad. De beproefde gelovige zit op school. Hij wordt klaargemaakt voor iets hogers en beters, en alles wat hem overkomt werkt mee voor zijn grootste goed. Daarom is hij een gezegend mens, hoe sterk zijn omstandigheden aan de buitenkant ook anders doen vermoeden.
Vers 13
“Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.” De tuchtigende hand en het lerende boek worden voor ons geheiligd, zodat wij leren rusten in de Heere. Wij zien dat Zijn doel is dat het ons eeuwig goed gaat. Daarom blijven wij kalm in elke zware beproeving en bij elke bittere vervolging, en wachten we op ons uur. De Machtige Jager graaft de kuil voor de redeloze mensen. Op dit moment sluipen zij rond en verscheuren zij de schapen, maar binnenkort zitten zij gevangen en worden zij vernietigd.
Daarom leert het volk van de Heere te rusten in tijden van tegenspoed en geduldig te wachten op wat hun God goedvindt. Misschien zijn goddeloze mensen nog niet rijp voor de straf, en is de straf nog niet klaar voor hen. De hel is een plaats die klaarstaat voor een volk dat daarvoor klaar is. Zoals de dagen van genade heiligen laten rijpen voor de heerlijkheid, zo laten dagen van losbandigheid zondaars wegrotten tot het bederf van de eeuwige ondergang.
Vers 14
“Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.” Hij kan hen neerhalen, maar Hij kan hen nooit wegstoten. Tijdens felle vervolgingen dachten de heiligen vaak dat de Heere Zijn eigen schapen had verlaten en aan de wolf had uitgeleverd. Zo is het echter nooit geweest en zo zal het nooit zijn, want de Heere trekt Zijn liefde niet terug en laat Zijn erfdeel niet in de steek. Een tijdlang kan Hij de Zijnen aan zichzelf overlaten, om hen er een zegen mee te geven, maar nooit kan Hij hen helemaal opgeven.
“Hij kan tuchtigen, Hij kan terechtwijzen,
maar nooit kan Hij verwaarlozen.
Hij kan in trouw bestraffen,
maar nooit kan Hij ophouden lief te hebben.”
Vers 15
“Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid.” De grote Rechter komt. De heerschappij van het recht gaat beginnen. Alles wordt nog in de goede richting gestuurd, en dan zullen alle vromen zich verheugen. De zegewagen van het recht wordt in triomf door onze straten getrokken, en alle oprechten van hart volgen die in een blije optocht. Hier klinkt een heerlijke hoop, uitgesproken in dichterlijke beelden van grote schoonheid. Een tijd lang lag het bestuur van de wereld in handen van mensen die het misbruikten voor de laagste en slechtste doeleinden. Maar het geroep van het gebed zal het recht terugbrengen op de troon, en dan krijgt elk oprecht hart zijn deel van de vreugde.
Vers 16
De psalmist was er rotsvast van overtuigd dat het uiteindelijk goed zou komen. Toch kon hij op dat moment niemand ontdekken die naast hem zou staan in de strijd tegen het kwaad. Geen voorvechter van het recht liet zich zien, en de getrouwen waren uit de mensenwereld verdwenen. Ook dit is een bittere beproeving, een zwaar kwaad onder de zon. Toch heeft het zijn doel, want het drijft het hart nóg dieper naar de Heere en dwingt het om alleen bij Hem rust te zoeken. Als wij bij anderen vrienden konden vinden, zou onze God ons misschien minder dierbaar zijn.
Maar roepen we hemel en aarde om hulp, en komt er geen bijstand dan alleen van de eeuwige arm, dan leren we onze God op prijs stellen en op Hem te steunen met een ongedeeld vertrouwen. De ziel is nooit veiliger of rustiger dan wanneer zij, nu alle andere helpers tekortschieten, alleen op de Heere leunt. Dit vers is een passende kreet nu de kerk ziet hoe de dwaling van alle kanten binnenstroomt. Trouwe predikers zijn zeldzaam, en nog zeldzamer zijn zij die dapper genoeg zijn om “op te staan” en de vijanden van de waarheid te trotseren.
Waar zijn onze Luthers en onze Calvijnen? Valse mildheid heeft de meeste dappere mannen van Israël krachteloos gemaakt. Onze John Knox zou op dit moment goud waard zijn, maar waar is hij? Onze grote troost is dat de God van Knox en Luther nog altijd bij ons is, en dat Hij te zijner tijd Zijn uitverkoren voorvechters zal oproepen.
Vers 17
“Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.” De psalmist zegt dat hij zonder de hulp van Jehova direct zou zijn gestorven. Dan was hij naar het land van de stilte gegaan, waar niemand meer kan getuigen van de levende God. Of hij bedoelt dat hij geen woord meer had kunnen zeggen tegen zijn vijanden, maar sprakeloos van schaamte had moeten zwijgen. Gode zij dank, zover is het met ons nog niet, want de almachtige Heere helpt nog steeds iedereen die naar Hem opziet. Onze diepste ziel buigt zich neer wanneer wij de Heere Zijn vijanden zien zegevieren. Wij kunnen dat niet verdragen en slaan de hand voor de mond van verwarring. Maar Hij zal nog opstaan en Zijn eigen zaak verdedigen, en daarom houden wij hoop.
Vers 18
“Als ik zeide: Mijn voet wankelt”, ja, nu al wegglijdt: ik zag het gevaar en riep van schrik, en juist op het moment van mijn grootste nood kwam de hulp waar ik om vroeg: “Uw goedertierenheid, o HEERE, ondersteunde mij.” Zo gaat het ons vaak genoeg. We voelen onze zwakte en zien het gevaar, en in angst en beven roepen we om hulp. Dan kan alleen genade ons nog redden. We kunnen ons op geen enkele ingebeelde verdienste beroepen, want we voelen dat onze ingeboren zonde onze voeten zo snel laat wankelen. Ons geluk is dat de genade eeuwig duurt en altijd dichtbij is om ons uit het gevaar te trekken en vast te houden, op plaatsen waar we anders ten verderve zouden vallen.
Wel tienduizend keer is dit vers waar gebleken voor sommigen van ons, en vooral voor wie dit commentaar schrijft. Het gevaar was dreigend en lag al op ons. We gleden weg. De dreiging was zichtbaar, we zagen ze en schrokken ons dood. Ons eigen hart gaf het op, en we dachten dat het met ons gedaan was. Maar toen greep de Almachtige in: we vielen niet, een onzichtbare hand hield ons vast, de plannen van de vijand liepen stuk en wij zongen van vreugde. O trouwe Bewaarder van onze zielen, wees geprezen tot in alle eeuwigheid! We zullen de Heere zegenen te allen tijde. Zijn lof zal voortdurend in onze mond zijn.
Vers 19
“Als mijn gedachten binnen in mij.” Soms word ik heen en weer geslingerd door allerlei overwegingen, afleidingen, vragen en boze voorgevoelens. Dan vlucht ik naar mijn ware rust, want “Uw vertroostingen verlustigen mijn ziel”. Weg van mijn zondige gedachten, mijn ijdele gedachten, mijn droevige gedachten, mijn verdriet, mijn zorgen en mijn strijd haast ik mij naar de Heere. Bij Hem zijn goddelijke vertroostingen te vinden, en die troosten mij niet alleen: ze verlustigen mij echt. Wat zijn de vertroostingen van de Geest zoet! Wie denkt na over eeuwige liefde, onveranderlijke besluiten, beloften van het verbond, de volbrachte verlossing, de opgestane Zaligmaker, Zijn eenheid met Zijn volk en de heerlijkheid die komt, en voelt zijn hart dan niet opspringen van vreugde?
Het kleine wereldje in ons is net als de grote wereld om ons heen vol onrust en strijd. Maar zodra Jezus er binnenkomt en fluistert: “Vrede zij u”, wordt het stil, ja, dan voelen we een vervoering van geluk. Laten we onze blik afwenden van het droevige beeld van mensen die anderen onderdrukken en van de overmacht die de goddelozen nu hebben. Laten we gaan naar die heilige plek van zuivere rust die wij vinden in de God van alle troost. Zijn goede wil jegens ons, en dat Hij ons enig bewijs en enige zekerheid geeft van Zijn liefde en gunst voor ons: dat zijn Zijn vertroostingen.
“Verlustigen.” Dit is een buitengewoon krachtig woord, een hoogtepunt waartoe de Heilige Geest in de pen van de profeet David opstijgt. Het was al heel wat geweest om te zeggen dat ze mijn ziel bevredigen, of dat ze mij tot rust brengen, en niet meer dan dat. Meer kan een verward gemoed zich niet wensen. Wie hevige pijn heeft, is allang blij met wat verlichting. Aan genot en verlustiging durft zo iemand niet te denken, want dat gaat boven wat hij kan verwachten. Maar zie nu hoe wonderlijk deze goddelijke vertroostingen werken. Ze stillen het gemoed niet alleen, ze maken het ook blij.
Ze geven het niet alleen genoeg, ze vervoeren het. Ze brengen het niet alleen tot rust, ze verlustigen het. “Uw vertroostingen verlustigen mijn ziel.” Dat betekent: ze nemen niet alleen het verdriet van dit moment weg, maar zetten er een onuitsprekelijke troost voor in de plaats. Zo verjaagt de zon niet alleen het donker, maar vult ze het ook met schitterend licht.
Vers 20
“Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die?” Zulke tronen bestaan, en hun bezitters beroepen zich op een recht dat van God zou komen. Maar die aanspraak heeft geen grond. Ze is een oplichterij van de mensheid en een belediging van de hemel. God sluit geen bondgenootschap met onrechtvaardig gezag en geeft Zijn goedkeuring niet aan wetten die niet recht zijn. “Die moeite verdicht bij inzetting?” Ze maken roof en geweld legaal en zeggen dan dat het de wet van het land is. Dat klopt misschien, maar het blijft kwaad. Mensen bedenken met veel zorg verordeningen om elk protest de mond te snoeren, zodat onrecht een vaste instelling wordt.
Toch ontbreekt er voor echt conservatisme één ding: gerechtigheid. Zonder die moeten alle regelingen van de machthebbers uiteindelijk instorten, en elk besluit dat zij nemen wordt na verloop van tijd uit het wetboek geschrapt. Niets blijft eeuwig bestaan, behalve onpartijdig recht. Onrecht kan niet blijven, want God zet er Zijn zegel niet onder en wil er niets mee te maken hebben. Het móet dus vallen, en gelukkig is de dag waarop wij het zien vallen.
Vers 21
“Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen.” Het zijn er zo veel dat hun vergaderzalen overvol zitten, en ze zetten hun harde maatregelen met enthousiasme door. Ze vormen de populaire partij en zijn er happig op de heiligen de mond te snoeren. Ze zijn eensgezind in hun overleg en in hun daden. Hun enige doel is hun tirannieke positie te behouden en de vrome partij te breken. “En zij verdoemen onschuldig bloed.” Ze zijn uitgekookt in laster en valse beschuldiging, en voor moord deinzen ze niet terug. Geen misdaad is voor hen te erg, als ze de dienaren van de Heere maar kunnen vertrappen.
Wat hier staat, is historisch waar voor tijden van vervolging. Het is in Engeland uitgekomen, en het kan weer gebeuren als het pausdom de komende tijd even snel oprukt als de afgelopen jaren. De heersende stroming heeft de wet aan haar kant en roept luid dat zij de staatskerk is. Maar een wet die de ene godsdienst vestigt en betaalt, en de andere niet, is in de kern onrechtvaardig. God wil er niets mee te maken hebben. Daarom wordt de synagoge van het ritualisme nog eens een stank in de neus van alle weldenkende mensen.
Wat voor kwade tijden ons wachten, is niet aan ons om te voorspellen. Dat staat ons niet vrij. Wij moeten de zaak in de handen leggen van Hem Die Zich nooit met een onderdrukkend stelsel kan verbinden en Die niet eeuwig zal toezien hoe pauselijke afgoden en hun priesters Hem in Zijn gezicht beledigen.
Vers 22
Laat de goddelozen samenscholen zoveel ze willen: de dichter is niet bang. Hij zingt zacht en vol vertrouwen: “De HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.” Jehova’s liefde is zo stevig als een rots, en daar gaan wij schuilen. Bij Hem, bij Hem alleen, vinden we veiligheid, hoe de wereld ook tekeergaat. We vragen geen hulp van mensen. We zijn tevreden als we kunnen vluchten in de armen van de Almachtige.
Vers 23
Onderdrukking loopt vanzelf uit op de ondergang van de tiran. Zijn eigen zonden slaan hem binnen afzienbare tijd neer. De Voorzienigheid brengt vergeldingen tot stand die even opmerkelijk als rechtvaardig zijn. Zware misdaden roepen uiteindelijk zware oordelen over zich af, die slechte mensen van de aardbodem wegvagen. Ja, God Zelf komt op een bijzondere manier tussenbeide en breekt de loopbaan van tirannen af midden in hun misdaden. Goddeloze mensen worden vaak op heterdaad gegrepen door de gerechtsdienaren van Gods gerechtigheid, met het bewijs van hun schuld nog in hun handen. “En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen.” Het gestolen brood zit nog in hun mond, en de toorn doodt hen.
De oneerlijk verkregen goudstaaf ligt nog in hun tent, en het oordeel haalt hen in. God Zelf treedt zichtbaar naar hen toe en toont Zijn eigen macht in hun val: “ja, de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.” Hier eindigt dus de zaak, en zo hoort ze ook te eindigen. Het geloof leest wat er nu gebeurt in het licht van de toekomst en sluit zijn lied af zonder één trillende toon.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 1
“O HEERE, God der wraken.” Het lijkt misschien niet erg te passen bij iemand die van vroomheid houdt om zo sterk bij God aan te dringen dat Hij Zich als wreker tegen de goddelozen laat zien, en om Hem wakker te schudden alsof Hij dralend en uitstellend bleef treuzelen. Maar deze smeekbede moet goed begrepen worden. David bidt immers niet, en wij horen dat ook niet te bidden, dat God wraak neemt op de goddelozen zoals mensen die vaak doen, ontstoken in woede en haat, wanneer ze zich op hun vijanden wreken. Hij vraagt dat God hen straft op Zijn eigen goddelijke manier en met Zijn eigen maat.
Gods wraak is meestal een medicijn tegen het kwaad, maar de onze richt soms schade aan, zelfs bij wat goed is. Daarom is de Heere werkelijk alléén de God van de wraak. Want als wij denken dat we onze vijand gestraft hebben, vergissen we ons vaak sterk. Wat heeft het lichaam van onze vijand ons ooit misdaan? Toch leggen we al onze bitterheid erin als we hem daarvan beroven. Wat jou pijn en schade en schande bezorgde, was de geest van je vijand. Die kun je niet grijpen en vasthouden, maar God kan het wel.
Hij alleen heeft zoveel macht dat de geest zijn kracht en sterkte op geen enkele manier kan ontlopen. Laat de wraak aan Hem over, en Hij zal vergelden. Hij waarschuwt ons dat we onszelf dieper kunnen schaden dan onze vijand als we zelf onze pijn en onze krenkingen willen wreken. Want nemen we wraak op hem, dan verwonden we inderdaad zijn lichaam en doen we dat geweld aan, een lichaam dat op zichzelf weinig voorstelt en weinig waard is. Maar in ons eigen beste en kostbaarste deel, onze geest, krijgen wijzelf een diepe smet als we ons geduld verliezen.
Deugd en menselijkheid worden daaruit verdreven, en intussen laden we schuld op ons die daar weer verzoend moet worden. Daarom smeken we God Zelf onze wreker te worden. Alleen Hij weet immers goed hoe je wreekt, en Hij kan het ook. Wij vragen Hem zo’n wreker te zijn dat alleen díe zaak wordt gestraft die ons heeft gekrenkt. Heeft een hebzuchtig mens je in geld bedrogen, laat Hem dan de hebzucht in hem straffen. Heeft een hoogmoedig mens je met minachting behandeld, laat Hem dan zijn hoogmoed vernietigen, enzovoort. Dit is de wraak die God het meest waard is om uit te voeren, en die wij het meest moeten zoeken. — Jacopo Sadoleto, 1477-1547.
Vers 1
Ik denk dat wij te weinig letten op het verschil tussen wraakzucht en wraak. “Wraakzucht”, zegt dr. Johnson, “is een daad van hartstocht, wraak een daad van gerechtigheid. Krenkingen worden gewroken uit wraakzucht, misdaden worden gestraft.” Omdat dit wezenlijke verschil over het hoofd wordt gezien, komt de spotter tot zulke goddeloze opmerkingen. Dan klinkt het alsof de Almachtige een wraakzuchtige geest heeft en er plezier in vindt zich op een tegenstander uit te leven. De psalmist roept hier tot God als tot de God Wiens de wraak is. Dat is niets anders dan wanneer hij had gezegd: “O God, Wiens de gerechtigheid is!” Wraak is waarlijk niet aan de mens, want met de gevoelens en neigingen van de mens zou zij altijd verworden tot wraakzucht.
“Ik zal het hem betaald zetten”, zegt de natuur. “Ik zal boven hem staan”, zegt de genade. — Barton Bouchier.
Vers 1
De twee goddelijke namen (El en Jehova, God en Heere) erkennen God als almachtig, eeuwig, uit Zichzelf bestaand, door een verbond aan Zijn volk gebonden, en als de Enige Die het recht heeft wraak te nemen. — J. A. Alexander.
Verzen 1-6
“Wreek, o Heere, Uw geslachte heiligen, wier beenderen
verstrooid liggen op de koude bergen van de Alpen;
ook hen die Uw waarheid zo zuiver hebben bewaard in vroeger tijd,
toen al onze vaderen nog hout en steen aanbaden.
Vergeet hen niet: schrijf in Uw boek hun kermen op.
Zij waren Uw schapen, en in hun oude schaapskooi
zijn ze gedood door de bloeddorstige Piemontezen, die
moeder met kind de rotsen af lieten rollen. Hun gejammer
kaatsten de dalen dubbel terug naar de heuvels, en die
weer naar de hemel. Zaai hun martelaarsbloed en as
uit over alle Italiaanse velden, waar nog altijd
de driedubbele Tiran heerst, opdat daaruit honderdvoudig
een geslacht mag opgroeien dat, Uw weg geleerd,
tijdig de Babylonische ellende ontvlucht.” — John Milton.
Vers 3
“Hoe lang zullen de goddelozen, hoe lang, enz.” Hij zegt het tweemaal, omdat de goddelozen dag in dag uit zo overmoedig en gewelddadig opscheppen, alsof niemand hun iets te zeggen heeft. — John Trapp.
Vers 3
“Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?” Voor “opspringen van vreugde” staat in het Hebreeuws wzley, en dat betekent “verheffen”. Ze geven zichzelf dus ijdel applaus om hun voorspoed en maken hun succes bekend met woorden en met lichaamstaal, als pauwen die hun veren uitspreiden. “Hoe lang zullen zij uitstorten?” enz. Voor “uitstorten” staat in het Hebreeuws weyby: ze zullen vloeien, ze zullen uitgieten. Het beeld komt van bronnen die met kracht en overvloedig water uit de rots omhoogwellen. Daarmee wordt de overvloed van woorden aangeduid, hun overhaaste roekeloosheid, hun verkwisting en overdaad, hun lawaai en hun vurigheid, hun volharding en hoe moeilijk het is om hen te stoppen. — Le Blanc.
Vers 3
“Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?” Wat moeten we hierop antwoorden? Wanneer komt er een einde? Welke datum zetten we achter dit “Hoe lang?” Het antwoord staat in Ps. 94:23: “En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen”, enz. Het is alsof de dichter daarmee zegt: als de Heere hen niet wegvaagt in hun boosheid, houden ze nooit op met kwaad doen. Het zijn mensen van het soort waarvoor geen genezing bestaat, mensen die niet te genezen zijn. Ze zijn pas klaar met kwaad doen als de dood hen wegneemt.
Daarom dreigt God met de dood: Hij wil mensen met die dreiging van de zonde terugschrikken. Een godvrezend mens zegt: “Al doodde God mij, toch zal ik op Hem vertrouwen.” En sommige goddeloze mensen zeggen (in de praktijk, zo niet letterlijk): “Zolang God ons niet doodt, blijven wij tegen Hem zondigen.” — Joseph Caryl.
Verzen 3-4
“Opspringen van vreugde, uitstorten en spreken, zich beroemen.” Juist in de woorden waarmee de dichter klaagt dat de goddelozen maar de overhand houden, ligt een reden tot troost. Er staan drie woorden (eigenlijk vier, zoals in de Authorised Version) voor praten en slechts één, “werkers”, voor doen. Daaruit leren we dat ze met hun tong veel sterker zijn dan met hun handen. — Hugo Cardinalis, aangehaald door Neale.
Vers 5
“Zij verbrijzelen Uw volk.” Ze stampen neer, ze malen fijn, ze pletten. Het Hebreeuwse woord betekent vaak: onder de voet verpletteren, erop stampen. Zo komt het aan de betekenis van onderdrukken. Klaagl. 3:34, Jes. 3:15. — Albert Barnes.
Vers 6
“De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.” Een oude Joodse schrijver (Philo Judaeus) merkte op hoe goed de namen weduwe en wees bij het Hebreeuwse volk pasten. Dat volk had immers geen helper behalve God alleen, en niemand anders stond aan zijn zijde. Door zijn eigen riten en gewoonten stond het ook los van alle andere volken. De heidenen daarentegen hadden door hun onderlinge verbonden en contacten als het ware een hele schare familieleden om hen in nood bij te staan. — J. M. Neale.
Vers 7
“Zij zeggen: De HEERE ziet het niet.” Dat is alsof ze zeiden: ook als God Zich zou voornemen ons op te sporen, en graag zou willen zien wat wij uitvoeren, dan nog ziet Hij het niet.
We pakken het zo stiekem en slim aan dat Gods oog ons niet te pakken krijgt. Hun daden waren zo vuil en bloederig, zo afschuwelijk, dat de zon zich zou kunnen schamen om ernaar te kijken. En ze waren zo geheim dat ze meenden dat God er niet op kon letten en hen er niet mee kon beschamen. — Joseph Caryl.
Vers 7
“De HEERE… de God van Jakob.” De namen van God zeggen, zoals altijd, iets. Dat de eeuwige God, Die uit Zichzelf leeft, niet zou zien, is overduidelijk onzinnig. En bijna even onzinnig is het dat de God van Israël Zijn eigen volk zou laten afslachten zonder dat Hij het ook maar merkt. Het laatste werkwoord betekent: letten op, noteren, in zich opnemen en opmerken. — J. A. Alexander.
Verzen 8-11
In deze woorden vallen de volgende punten op.
- Sommige mensen worden beschuldigd van een bepaalde geestelijke ziekte, namelijk duisternis en blindheid van geest. Die blijkt uit hun onwetendheid en dwaasheid.
- Die ziekte is ernstig: wie eraan lijdt, is een dwaas. “En gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden?” Ze brengt hen zelfs tot een staat van redeloosheid, zodat ze op dieren gaan lijken: “Gij redelozen onder het volk.” Hun onwetendheid en dwaasheid gingen zo ver dat ze mensen op beesten deden lijken.
- Deze ziekte is hardnekkig, zoals die vraag laat zien: “Wanneer zult gij verstandig worden?” Hun blindheid en dwaasheid waren niet alleen groot, maar ook diep ingeworteld en vastgezet.
Elke poging tot genezing liep erop stuk.
- Wat voor soort blindheid het is. Ze zit vooral in dingen die met God te maken hebben. Ze wisten op een vreemde manier niets van Zijn deugden, net als dieren die daar niets van begrijpen. Ze hadden domme ideeën over Hem, alsof Hij niet zag en niet wist, en alsof Hij geen recht zou doen door goddeloze mensen te tuchtigen en te straffen.
- Hun idee over God was onredelijk en dom, het idee namelijk dat Hij niet hoorde en geen acht sloeg op hun lasteringen tegen Hem en Zijn volk. Dat Hij het oor geplant heeft, weerlegt hen. Het is heel onredelijk om te denken dat Hij, Die aan anderen de gave gaf om woorden op te vangen, die woorden Zelf niet zou opvangen. Ook was het dom van hen dat ze Gods alziende oog niet voelden, en vooral niet dat Hij hun slechte daden zag. Want God is Degene Die het oog heeft gevormd en anderen de gave van het zien gaf.
Dom is ook hun denkbeeld dat Hij niet zou weten wat zij doen, want Hij is de bron en oorsprong van alle kennis. En onredelijk is hun verwachting dat ze Gods rechtvaardige tuchtiging en oordelen over de zonde zouden ontlopen. Dat blijkt hieruit dat Hij zelfs de heidenen tuchtigt. Die zondigden niet tegen zoveel licht en zoveel barmhartigheid als de goddelozen in Israël, en hadden ook nooit zo’n belijdenis uitgesproken als zij.
- Verder zien we dat deze vreselijke ziekte aan de mensheid in het geheel wordt toegeschreven: “De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.” De dichter had eerst laten zien hoe ijdel en onredelijk de gedachten van sommige mensenkinderen zijn. Meteen daarna stelt hij vast dat deze ijdelheid en dwaasheid in het denken bij alle mensen voorkomt, als een natuurlijke eigenschap. Uit al deze punten mogen we terecht deze lering trekken: dat er een uiterste, redeloze blindheid voor de dingen van de godsdienst bestaat, die van nature de harten van de mensen in bezit heeft. — Jonathan Edwards.
Verzen 8-15
God beschikt over vermogen, ontferming en trouw. Vermogen: “Zou Hij, Die het oog gemaakt heeft, niet zien? Zou Hij, Die het oor geplant heeft, niet horen?” Ps. 94:8-11. Ontferming: Hij kastijdt de Zijnen alleen, Hij verstoot hen niet, Ps. 94:12-14. Trouw: dit duurt maar tot er een kuil voor de goddeloze is gegraven, Ps. 94:13. Mordechai wordt bekeken met een frons, maar alleen tot er een galg voor Haman is getimmerd, en dan keert het gericht terug tot de gerechtigheid. — Nicholas Lockyer.
Vers 9
“Zou Hij, Die het oor geplant heeft, niet horen?” enz. De dichter zegt niet: heeft Hij, Die het oor plant, geen oor? Heeft Hij, Die het oog vormde, geen ogen? Nee, hij zegt: “Zou Hij niet horen?” “Zou Hij niet zien?” Waarom zegt hij het zo? Om te voorkomen dat we God menselijk maken, en Hem ledematen of lichaamsdelen toeschrijven, terwijl Hij de oneindige Geest is. — Adam Clarke.
Vers 9
“Die het oor.” Het gehoororgaan zit als een wortel die in de grond is geplant diep in het hoofd, en het is aan het oog onttrokken. — Bagster’s Comprehensive Bible.
Vers 9
Dat het oor als het ware is geplant, diep in het hoofd, en dat het zo wonderlijk in elkaar zit, wordt verduidelijkt door dit uittreksel: “Het orgaan of werktuig van het gehoor ligt in zijn belangrijkste delen zo diep in het hoofd verborgen dat we de bouw ervan niet kunnen zien door er van buiten naar te kijken. Wat we in gewone taal het oor noemen, is alleen de buitenportiek, de voorhal van een bijzondere reeks ingewikkelde, kronkelende gangen. Zoals de gangen van een groot gebouw leiden ze van de buitenlucht naar de binnenkamers. Sommige van die gangen zijn gevuld met lucht, andere met vloeistof. Hun vliezen zijn als perkamenten gordijnen op verschillende plaatsen dwars door de gangen gespannen. Ze kunnen gaan trillen of beven, zoals het vel van een trom of een tamboerijn doet als je er met een stok of je vingers op slaat. Tussen twee van die perkamentachtige gordijnen loopt een ketting van heel kleine botjes. Die spant de vliezen of ontspant ze, en geeft de trillingen eraan door. Helemaal in het binnenste liggen rijen fijne draden, zenuwen genaamd. Ze lopen als pianosnaren van de uiterste punten waar de trillingen of schokken komen, naar binnen tot aan de hersenen. Gaan deze draden of zenuwen kapot, dan verdwijnt het gehoor even zeker als een piano of viool geen klank meer geeft wanneer de snaren zijn gebroken.”
We weten echter veel minder van het oor dan van het oog.
Het oog is één kamer die helemaal openligt voor het licht. We kunnen er van buiten in kijken en met eigen ogen zien wat daar gebeurt. Het oor bestaat uit veel kamers, en de kronkelende tunnels erin, door het rotsachtige bot van de schedel, zijn smal en voor ons verborgen als de kerkers van een kasteel. Net als die zijn ze ook helemaal donker. Zoveel weten we wel, en daar mogen we zeker van zijn: in de binnenste hoeken van die onverlichte ivoren gewelven wordt de geest zich van geluid bewust. In deze sombere cellen, net als in de heldere kamer van het oog, komt de ziel voortdurend langs om nieuws te vragen uit de wereld daarbuiten.
En telkens weer weerklinken echo’s langs de omringende muren, zoals vroeger in verborgen grotten onder de grond, waar mensen in stilte en duisternis luisterden naar de uitspraken van orakels. Antwoorden bereiken dan de wakkere geest, terwijl de wereld haar stem verheft en tot de ziel spreekt. Het geluid is dat van een gedempte stem, een zacht maar helder gefluister. Want zoals we maar een vage schaduw van de buitenwereld zien, zo horen we ook maar een zwakke echo van de buitenwereld. — George Wilson, in “The Five Gateways of Knowledge”, 1861.
Vers 9
“Hij, Die het oor geplant heeft”, enz. Zou de Maker van deze zintuigen zelf zonder zintuigen zijn, zelf zonder gevoel?
Onze God is niet als die Jupiter van Kreta, die zonder oren werd afgebeeld en geen tijd had om zich met kleine dingen bezig te houden. Hij is “geest en verstand” (nous), en ook “helemaal oog” (holophthalmos), alle oog en alle oor. We lezen van een volk dat Panotii werd genoemd, “helemaal oor”. Maar strikt genomen is God alleen zo. — John Trapp.
Vers 9
“Het oog formeert.” Voor het scheppen van het oog staat in de grondtekst niet gewoon “gemaakt”, zoals de vertaling in het Prayer Book het weergeeft, maar “gevormd”, plasav, finxit. Zo vestigt de tekst onze aandacht op de wonderlijke bouw van de ogen en daarmee op de ongelooflijke vaardigheid van de Kunstenaar. — J. M. Neale.
Vers 9
“Zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?” Het woord dat hier staat, wordt vaak gebruikt voor het werk van een pottenbakker. De gedachte is dat God het oog heeft gekneed en gevormd zoals een pottenbakker de klei vormt. Hoe meer we de bouw van het oog onderzoeken en bestuderen, hoe dieper we onder de indruk raken van Gods wonderlijke vaardigheid en wijsheid. — Albert Barnes.
Vers 9
“Het oog.” Om de wijsheid te laten zien die in het oog zit, hebben we het volgende uitgekozen. “Voor ons lichamelijk welzijn is het nodig dat we de wereld kunnen opnemen in alle opzichten waarin materie of haar krachten ons lichaam kunnen raken.” De zintuigen voorzien volledig in die behoefte… We neigen er te veel toe ons te beperken tot de loutere werking van oog of oor. Dan denken we niet na over hoe de zintuigen elkaar aanvullen, en ook niet over de voorziening in de wereld zelf, zodat ze een passende plek is om de zintuigen te gebruiken.
Het oog zou nutteloos zijn zonder alle eigenschappen van het licht. Het oor zou niets kunnen in een wereld zonder dampkring. Door het zien kunnen we gevaar ontlopen en verre noodzakelijke dingen opzoeken. Hoeveel tijd en zware moeite zou een blinde nodig hebben om te leren wat één enkele blik van het oog geeft aan iemand die wél kan zien! Een volk van louter blinden zou op deze aarde niet kunnen bestaan en overleven.
Het zien alleen al, als middel waardoor wij in de wereld passen, zou ons door wat het ons oplevert met verbazing vervullen. Het zou ons lijken te komen van de hoogste intelligentie, die middelen precies op doelen afstemt, als we niets wisten van de aanpassingen waaraan het zien zijn bestaan dankt. We kunnen ons heel goed voorstellen dat zien een rechtstreekse waarneming is, zonder licht en zonder een bijzonder orgaan als het oog. Maar zoals wij nu eenmaal gemaakt zijn, zien wij alleen met behulp van licht. Licht zien we alleen met een speciaal orgaan, en voorwerpen alleen door de eigenaardige bouw van dat orgaan.
Geen van al die verbanden is voor de materie op zichzelf een noodzakelijke voorwaarde: niet die tussen licht en voorwerpen, niet die tussen licht en oog en niet die tussen de onderdelen van het oog onderling. Er zijn eindeloos veel inrichtingen denkbaar, maar alleen de inrichting waarin zoveel dingen zo samenwerken dat we verre voorwerpen kunnen waarnemen, bereikt wat beoogd wordt… Wie het orgaan bedacht waarmee wij waarnemen, kende alle eigenschappen van het licht tot in de puntjes, en kende ook de behoeften van het wezen dat dit orgaan zou gebruiken. Het menselijk oog reikt maar tot een bepaalde afstand.
Toch geeft het alles wat het gewone leven van ons vraagt, en het geeft dat ruimschoots. En heeft de mens een groter bereik nodig, dan hoeft hij alleen het oog zelf te bestuderen en instrumenten te maken die het sterker maken. Zo kan hij, zodra zijn beschaving er rijp voor is, door wetenschap en kunst bijna al zijn lichamelijke vermogens krachtiger maken. Voor het dagelijks leven is geen telescoop of microscoop in het oog zelf nodig, dus ook geen ingebouwde vergroting. Maar het oog geeft niet alleen het zicht dat de mens zo hard nodig heeft.
Het is ook een krachtig werktuig, opgebouwd uit afzonderlijke delen: vaste en vloeibare stoffen, doorzichtig en ondoorzichtig weefsel, gordijnen, lenzen en schermen. We kunnen de werking nauwkeurig onderzoeken en het nut van elk onderdeel even goed begrijpen als bij elk ander werk van mensenhanden. We bekijken elk deel net zoals we een microscoop onderdeel voor onderdeel zouden bekijken. Eerst is er de stevige kas die alle onderdelen moet omsluiten en waaraan de koorden en katrollen van de kunstige opstelling zijn vastgemaakt. Dit omhulsel is ondoorzichtig, wit en glanzend als zilver aan de achterkant en de zijkanten van het oog.
Vooraan, waar het licht moet binnenkomen, wordt het ineens doorzichtig als het zuiverste kristal. Daarbinnen zit een tweede laag. Aan de voorkant verandert die even plotseling in een ondoorzichtig scherm waar geen lichtstraal doorheen komt. Dat scherm stelt zichzelf bij en regelt zichzelf, met een netwerk dat geen menselijke kunst ooit heeft geëvenaard. Of het scherm zich nu opent of sluit, de opening in het midden blijft altijd een volmaakte cirkel, in grootte afgestemd op de felheid van het licht dat erop valt. Hoeveel licht het oog binnenkomt, beslist het scherm zelf, geheel zonder onze hulp, zonder dat wij iets hoeven te doen.
Dan moet er een verbinding met de hersenen zijn, de zetel van het wezen voor wie dit alles is voorzien. Beide lagen hebben aan de achterkant een opening. Door die opening loopt een draad die uit de hersenen komt en binnen in het oog wordt uitgespreid tot een fijn scherm waarop alle indrukken moeten vallen. Het grootste deel van de ruimte is gevuld met heldere gelei. Daarin ligt een lens, gemaakt met een kunde die geen kunstenaar kan benaderen, om het licht te breken en het beeld op het scherm te werpen waarmee we waarnemen.
Voor die lens zit weer een andere vloeistof, niet zo dik als gelei, omdat daarin de tere franje van de iris moet drijven, en dat kan alleen in een waterige vloeistof. Zo komt hier een enorme verscheidenheid aan materialen bij elkaar, alles op één plaats. Ze zijn van precies de juiste kwaliteit, in precies de benodigde hoeveelheid, op precies de plek waar ze horen, en zo volmaakt op elkaar afgestemd dat de mens het oog hoogstens kan nabootsen, zonder ooit te hopen dat hij het evenaart.
De bijzondere bouw van het oog zelf is niet het enige dat onze aandacht verdient. Als het werktuig klaar is, moet het ook worden ingebouwd om te gebruiken. In massief bot is daarvoor een holte gemaakt, met groeven en gaten voor alle benodigde onderdelen. Het oog wordt, zodra het op zijn plaats ligt, omringd met zachte, veerkrachtige kussentjes. Het hangt aan snaren en katrollen, zodat het alle kanten op kan bewegen en dat razendsnel doet. Het buitenste omhulsel bedekt het als het niet wordt gebruikt en beschermt het wanneer er gevaar dreigt. De tere franje langs de rand hoeft nooit te worden geknipt.
Ze staat als een goed opgestelde verdedigingslinie, alle uiteinden sierlijk naar achteren gebogen, zodat geen lichtstraal wordt tegengehouden. Boven het oog zorgt de wenkbrauw voor een tweede bescherming, die scherpe vochtigheid van het voorhoofd opzijleidt. Vlak bij het oog zit een klier die het hele orgaan wast met een heldere, rustgevende vloeistof, zodat er geen wrijving ontstaat en de buitenste lens vrij van stof en gepolijst blijft voor onophoudelijk gebruik. Bekijken we dit alles, hoe volmaakt het oog bij onze behoeften past, hoe elk onderdeel is ingericht volgens strikte principes van mechanica en optica en hoe het ook nog allemaal wordt beschermd, dan noemen we dit werktuig volmaakt.
Het is het werk van een Wezen dat op een mens lijkt, maar dat oneindig ver uitgaat boven de bekwaamste menselijke vakman. En wat moeten we zeggen als we horen dat dit werktuig lang vóór het gebruik is klaargemaakt? Dat er een mechanisme in zit dat het voortdurend onderhoudt en in goede staat houdt? Dat de Maker niet alleen de materialen heeft afgestemd, maar ook de scheikundige was Die al deze stoffen uit het stof van de aarde heeft gevormd? Misschien zegt iemand ons dat de bouwer dat stof al kant-en-klaar aantrof, en dat het er sinds alle eeuwigheid al was.
Wij kunnen misschien het tegendeel niet bewijzen, en dat is voor dit betoog ook niet nodig. Het is voor ons doel genoeg te weten dat onze ogen, die wonderlijk ingewikkelde en volmaakte werktuigen, nog niet lang geleden gewone aarde waren, stof waar we misschien overheen gelopen zijn. We kunnen de werking van het oog begrijpen en de wijsheid doorgronden die het bedacht. Maar de voorbereiding van de grondstoffen en het op elkaar afstemmen van de delen wijzen op een macht en een kunde die de mens nooit zal bereiken. Als hij ziet dat zijn vernuftigste handwerk wordt overtroffen, in het plan én in de uitvoering, kan hij dan het ontwerp nog ontkennen?
“Zullen wij een bouwer niet herkennen wanneer wij zulk een werk beschouwen?” — P. A. Chadbourne, in “Lectures on Natural Theology”; of: Nature and the Bible, van dezelfde auteur. New York, 1867.
Vers 9
“Zou Hij, Die het oor plant, niet horen?” Stel dat een god of een heilige werkelijk met een zuiver oog tot in het geweten van zijn aanbidder zou kijken. Dan zou hij niet lang meer worden geloofd en aanbeden. Rond het heiligdom van die afgod zou weer gras gaan groeien. Een ziende god voldoet niet, want de afgodendienaar wil een blinde god. Afgoderij ontstaat doordat een onrein hart wil ontsnappen aan de blik van de levende God. Daarvoor was alleen een dood beeld geschikt, want alleen dat keek niet terug. — William Arnot.
Vers 9
Hij Die de zon zelf heeft gemaakt en haar laat draaien, terwijl zij toch maar een klein deel van Zijn werken is, als je haar naast het geheel zet: zou Hij dan niet alle dingen kunnen waarnemen? — Epictetus.
Vers 9
Wat de rabbijnen aanraden, is wijs: de drie beste beschermers tegen het vallen in zonde zijn deze. Denk er ten eerste aan dat er een oor is dat alles hoort. Denk er ten tweede aan dat er een oog is dat alles ziet. En denk er ten derde aan dat er een hand is die alles opschrijft in het Boek van de Kennis, dat bij het Oordeel zal worden geopend. — J. M. Neale.
Verzen 9-10
Het kon geen beperkte kracht zijn die dit oog liet zien, dit oor liet horen en dit hart liet begrijpen. Als het oog dat Hij ons gaf alles kan zien wat in ons blikveld ligt, als het oor dat Hij plantte alle geluiden kan horen die binnen ons bereik vallen, en als het hart dat Hij ons gaf alle zaken kan kennen die wij kunnen bevatten: hoeveel verder reikt dan het zien, het horen en het weten van die Oneindige Geest, Die geen grenzen toelaat! Zijn kennis omvat alle daden en gebeurtenissen van alle schepselen, en die liggen allemaal open voor Hem Die hen gemaakt heeft! — Joseph Hall.
Vers 10
“Hij, Die den mens wetenschap leert.” De vraag stopt halverwege (want de woorden in cursief zijn geen Schrift), omdat de toepassing te vanzelfsprekend is om nog uit te spreken. “Hij, Die den mens al zijn wetenschap leert.” (Maak de rest zelf af. Denk: wat dan?) — Henry Cowles.
Vers 10
“Hij, Die den mens wetenschap leert.” Welke kennis hebben wij anders dan wat van Hem Zelf komt of uit de wereld om ons heen? En wat is die wereld anders dan Zijn schepping? En wat is schepping anders dan het samenstellen, opbouwen en ordenen van alle dingen naar wat Hij van tevoren heeft bedacht, gepland en gewild, en wat Hij heeft bevolen? Als wij de schepping bestuderen, op welk gebied ook, bestuderen wij dus Zijn denken. Alles wat wij ervan kunnen leren, moet dan wel Zijn ideeën, Zijn bedoelingen en Zijn werken zijn, en niets anders.
Geen schrijver in zijn boeken en geen ambachtsman in zijn machines kan zijn talent en zijn ideeën waarachtiger aan anderen tonen dan de onzichtbare Schepper Zijn gedachten en inzicht aan ons toont in de stelsels en stoffen die Hij heeft gevormd, en die Hij ons voortdurend laat bekijken en overdenken. In die zin is de Natuur een voortdurende openbaring daarvan aan ons. — Sharon Turner.
Vers 11
“De HEERE weet de gedachten.” De gedachten van het menselijk hart: wat zijn het er miljoenen, op één enkele dag! Een oogwenk gaat niet zo snel als de flits van een gedachte, want een gedachte is nog veel sneller.
Toch kent God al die duizenden en duizenden gedachten die uit jou opkomen, zo veel dat je ze niet kunt tellen. — Anthony Burgess.
Vers 11
“De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.” Wat een vernederende gedachte wordt ons hier voorgehouden! Laten we haar eens nauwkeurig onderzoeken.
- Was de ijdelheid alleen toegeschreven aan de geringere delen van de schepping, aan alle levenloze en redeloze wezens, die leven als een schaduw en niet weten waar ze vandaan komen of waar ze heen gaan, dan had dat ons vrijwel overeenkomstig onze eigen denkbeelden geleken. Maar deze vernederende waarheid geldt voor de mens, de heerser over de lagere schepping. Hij is die bijzondere schakel in de keten van wat bestaat, en in zijn persoon verenigt hij sterfelijkheid en onsterfelijkheid, hemel en aarde. “De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.”
- Was ijdelheid alleen toegeschreven aan ons zinnelijke of sterfelijke deel, aan wat wij met de andere dieren gemeen hebben, dan was het minder vernederend geweest.
Maar de aanklacht richt zich op wat juist de bijzondere eer van de mens is: zijn verstand, zijn gedachten. Als we ergens de schepselen overtreffen die om ons heen zijn gezet, dan hier. We kunnen nadenken over ons eigen bestaan, in verleden en toekomst duiken en begrijpen waar we vandaan komen en waar we heen gaan. Toch worden wij juist op dit gevoelige punt geraakt en bij de wortel getroffen. Zelfs de “gedachten” van de mens zijn ijdelheid.
- Was de ijdelheid alleen toegeschreven aan de losse, nietige uitstapjes van de verbeelding, waar onze keuze niets over te zeggen heeft, aan dat komen en gaan van gedachten dat altijd door ons hoofd zweeft als insecten in de lucht op een zomeravond, dan had dat minder diepe indruk gemaakt. De menselijke ziel lijkt nooit stil te kunnen zitten en is altijd in beweging. Alles wat wij zien, horen, proeven, voelen of merken, werkt op ons denken in. Dat beweegt mee, zoals de bladeren aan de bomen bij elk zuchtje wind. Maar met “gedachten” worden hier ook de bezigheden van de geest bedoeld waar hij zelf voor kiest of waar hij zich intens op richt, waarin wij het serieus menen, zelfs al onze plannen, bedenksels en voornemens.
Je zou verwachten dat, als er in de mens íets is dat meetelt en waard is om serieus te nemen, het juist die bezigheden zijn waarin zijn verstand ernstig en met volle kracht aan het werk is. Toch weet de Heere dat ook die ijdelheid zijn.
- Was in onze kinderjaren en onze jeugd alleen ijdelheid aan onze gedachten toegeschreven, dan had het minder verbaasd. Talloze ouders weten uit pijnlijke ervaring dat dit waar is, en zij hebben er verdriet van gehad. En ook de kinderen zelf beseffen het meestal wel als ze opgroeien tot volwassenen. Voor ijdelheid in die levensfase bestaat echter enige verontschuldiging. De koppigheid en domheid van sommige jonge mensen wekken wel afkeer, maar roepen ook vaak een traan van medelijden op. Maar de beschuldiging wordt tegen de mens ingebracht: “Immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid.”
- Dit oordeel komt uit een hoek waar geen hoger beroep tegen mogelijk is: “De HEERE weet” het. Gedachten die onze soort onteren, kunnen soms voortkomen uit onwetendheid, soms uit slechte stemming en teleurstelling, en soms uit een somber karakter dat de mensheid door een vertekende bril bekijkt. Maar het oordeel in deze tekst is het oordeel van Hem Die niet kan dwalen. Dus ook al hadden we geen ander bewijs, dan nog past het ons om met dat oordeel in te stemmen en het te aanvaarden. — Andrew Fuller.
Vers 11
“Dat zij ijdelheid zijn.” In de Syrische vertaling staat: “Want zij zijn een damp.” Vergelijk Jak. 4:14. — John Gill.
Vers 12
“Welgelukzalig is de man”, enz. Ik zal de verschillende voordelen van verdrukking laten zien, wanneer de Geest van God die verdrukking heiligt voor wie erdoor wordt geoefend. (1.) De grote God heeft van verdrukking een gelegenheid gemaakt om zondaren te bekeren en hen geestelijk met Christus, Zijn Zoon, te laten kennismaken. Zie Jes. 48:10. (2.) God maakt van verdrukking niet alleen aan het begin een gelegenheid om zondaren te bekeren. Ook na de bekering heiligt Hij het lijden van de heiligen, om wat er in hen overblijft van de inwonende zonde te verzwakken en hen bevreesd te maken om in de toekomst tegen Hem te zondigen. (3.) Als God de heiligen verdrukt, laat Hij daarmee het goede werk van de genade groeien dat Zijn Geest in hen heeft geplant.
God laat Zijn heiligen groeien in de genade wanneer Hij hen tuchtigt met de roede van het leed. Door tijdelijke moeiten en benauwdheden maakt Hij de heiligen meer aan Zichzelf gelijk. Hebr. 12:10-11. (4.) God verdrukt de heiligen om hun kennis van goddelijke dingen te laten toenemen. De psalmist zegt in de woorden van de tekst: “Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.” Zie ook Ps. 119:71. (5.) Door de heiligen te verdrukken brengt de grote God hen dichter en vaker bij Zich, in gebed en smeking. (6.) God verdrukt de heiligen om hen beter te laten kennismaken met de deugden van Zijn wezen. (7.) Om hen meer te laten lijken op Christus, Zijn Zoon. (8.) Om de hoogmoed van hun hart te breken en hen nederiger te maken. (9.) In de tijd van hun verdrukking laat God de heiligen vaak duidelijker zien welke genade Hij in hen heeft geplant, en Hij verkwikt hun ziel met de troost van Zijn Geest. (10.) God verdrukt de heiligen om hun hart losser te maken van de liefde tot de wereld en hen beter gereed te maken voor de hemel. — Schets van een preek van John Farmer, 1744.
Vers 12
Let hier eerst in het algemeen op wat verdrukkingen ons leren, of liever: wat God Zijn kinderen door verdrukkingen leert. Het is precies hetzelfde als wat Hij in Zijn Woord leert, zoals een schoolmeester zijn leerlingen met de roede hetzelfde leert als met woorden. Het Woord is dus de schatkamer van alle onderwijs. Verwacht niet dat verdrukking je een nieuwe, andere leer bijbrengt die niet al in het Woord staat; zoek die dus ook niet. Want wat verdrukking ons leert, komt hierop neer: ze maakt ons ontvankelijk voor het Woord. Ze breekt en verbrijzelt de koppigheid van ons hart en maakt het buigzaam en ontvankelijk voor wat het Woord erin drukt.
Zo zegt de apostel dat de wet onze leermeester is tot Christus, Gal. 3:24. De wet laat ons immers onze ziekte zien, en daardoor worden we naar de Geneesheer gedreven. Zo kun je ook zeggen dat verdrukkingen leermeesters zijn tot de wet. Zolang wij het goed hebben en voorspoed kennen, kunnen de zonen van de donder ons nog zo schrikbarend toeroepen met de angstaanjagende donderslagen van de dreigingen van de wet, wij blijven als doven en laten ons er niet door raken. Maar als verdrukking ons heeft vernederd en klein gemaakt, ligt de weg open voor de schrikwekkende kracht van de wet.
Dan gaan we er met enig ontzag en aandacht naar luisteren en ons oor eraan lenen. Als God ons dus een verdrukking zendt, moeten we weten dat Hij ons dan naar de wet en naar het getuigenis zendt. Hij leert ons wel degelijk in onze verdrukking, maar Hij doet het uit Zijn wet. Willen we in onze verdrukking dus iets leren, dan moeten we Gods boek ter hand nemen en het zorgvuldig en ernstig doorlezen. Dan zal blijken dat onze verdrukkingen onze leraren zijn geweest, als ze ons hebben aangespoord tot meer ijver, vuur en ontzag bij het lezen en horen van het Woord…
De profeet heeft van vers 1 tot en met vers 8 zijn klacht over de vijanden van de kerk aan de Heere voorgelegd. Dan wendt hij zich van God af, en met een plotselinge omkeer in zijn spreken richt hij zich niet meer tot Hem bij Wie hij zich beklaagde, maar tot degenen over wie hij zich beklaagde: de wrede onderdrukkers van de kerk. Hij jaagt hun schrik aan met Gods rechtvaardige oordelen, die hen uiteindelijk zullen treffen, en zo bemoedigt en troost hij ook de benarde kerk. Maar de ondergang van haar vijanden is voor de kerk zelf geen voldoende reden tot troost.
Daarom volgt in dit twaalfde vers een tweede argument, voor verdere en veel krachtiger troost. Het is ontleend aan de gelukkige toestand van de kerk, juist terwijl ze door die tijgerachtige, tirannieke vervolgers wordt overweldigd. De profeet brengt dit argument naar voren, niet door zijn woorden tot de kerk te richten, maar door de kerk plotseling zelf, in eigen persoon, te laten optreden. Zij wendt haar woorden af van haar vijanden, met wie ze redetwistte, naar God Zelf, en breekt uit in deze aangrijpende uitroep: “Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.” Uit het verband van deze woorden met wat eraan voorafgaat, zien we dat de uiterlijke ellende van onze vijanden maar een schrale troost is, tenzij we ook overtuigd zijn van ons eigen innerlijke geluk…
Het kind heeft er weinig aan dat het de roede in het vuur ziet gooien, als het er zelf vervolgens achteraan in wordt geworpen. Daarom denkt de kerk, die hier heeft nagedacht over Gods rechtvaardige oordelen die haar tegenstanders te zijner tijd zullen treffen, en daarin geen voldoende troost vindt, in dit vers verder na over haar eigen toestand en omstandigheden. Daarbij lijkt ze bij zichzelf zo te redeneren: wat dan als deze vijanden van mij hun verdiende einde vinden? Wat dan als ik weet dat ze bewaard worden voor schande en verwarring? Wat voor verlichting kan dat brengen aan mijn gemoed, dat nu bedrukt is en zichzelf even ellendig acht als deze vijanden van mij?
Nu deze twijfelende gedachten haar enigszins verontrusten, geeft de Geest van God haar in dit vers verdere troost. Daardoor kan ze het bezwaar beantwoorden dat ze tegen zichzelf had: ze weet zeker dat, terwijl het haar vijanden ellendig vergaat, zij zelf ten hoogste gelukkig en gezegend is. — Daniel Dyke, in “The Schoole of Affliction”, 1633.
Vers 12
“Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt”, enz. Als je ziel door uiterlijke verdrukkingen meer onder Gods innerlijke onderwijzing komt, dan zijn je verdrukkingen ongetwijfeld uit liefde. Alle tuchtiging ter wereld zal een mens nooit gezegend maken, als God hem niet ook onderwijst. Wie merkt dat de straf gepaard gaat met onderricht en de zweep met leren, die is een gelukkig mens. Leert God je door de verdrukking die op je ligt de zonde meer te verafschuwen, de wereld meer onder je voeten te treden en meer met God te wandelen, dan zijn je verdrukkingen uit liefde.
Leert God je door verdrukkingen meer te sterven aan de zonde, meer te sterven aan je naasten en meer te sterven aan je eigenbelang, dan zijn je verdrukkingen uit liefde. Leert God je door verdrukkingen meer te leven voor Christus, Christus meer te verhogen en meer naar Christus te verlangen, dan zijn je verdrukkingen uit liefde. Leert God je door verdrukkingen zekerheid te krijgen van een beter leven en voortdurend in genadige bereidheid te staan voor de dag van je sterven, dan zijn je verdrukkingen uit liefde. Leert God je door verdrukkingen meer op de hemel te letten en je meer voor de hemel gereed te maken, dan zijn je verdrukkingen uit liefde.
Leert God door verdrukkingen je trotse hart lager te buigen, je harde hart nederiger te worden, je kritische hart liefdevoller te worden, je vleselijke hart geestelijker te worden en je weerspannige hart rustiger te worden, enz., dan zijn je verdrukkingen uit liefde. Pambo, een ongeletterde domkop, zoals de geschiedschrijver hem noemt, was negentien jaar bezig met het leren van één les: “Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong”, en toch had hij haar nog niet geleerd. Ach, we moeten vrezen dat er velen zijn die al ruim negentien jaar op deze school van de verdrukking zitten en al die tijd nog geen enkele les hebben geleerd die hen redt.
Hun verdrukkingen zijn zeker niet uit liefde, maar uit toorn. Waar God liefheeft, verdrukt Hij uit liefde, en overal waar God uit liefde verdrukt, zal Hij zulke zielen vroeg en laat lessen leren die hun tot in eeuwigheid goed doen. Geniet je in je verdrukking van Gods bijzondere tegenwoordigheid bij je geest, dan is je verdrukking uit liefde. Heb je een bijzondere tegenwoordigheid van God bij je geest, die hem sterkt, hem tot rust brengt, hem verzadigt, hem opvrolijkt en hem troost? “Bij de menigte mijner gedachten”, dat wil zeggen van mijn verontruste, ingewikkelde, verstrikte, in elkaar verstrengelde en verwarde gedachten, zoals de takken van een boom door een harde wind in elkaar worden gedraaid, wat het Hebreeuwse woord eigenlijk betekent, “verlustigen Uw vertroostingen mijn ziel”.
Zie, hier is een tegenwoordigheid van God bij de ziel, hier zijn vertroostingen en verlustigingen die de ziel bereiken, hier is een hartversterking om de geest te sterken. — Thomas Brooks.
Vers 12
Uit geheiligde verdrukkingen kun je een bijzonder blij geloof putten, en dat moet je ook doen. Bijvoorbeeld zo: “Wie God tuchtigt en onderwijst, die heeft Hij lief, die is gezegend (Ps. 94:12, Hebr. 12:6). Maar God doet dat bij mij, dus…” Er worden veel smeekschriften en gebeden om barmhartigheid opgezonden, maar wie let op de uitkomst, op het onderricht, op het heilige nut? Geheiligde verdrukkingen zijn heel goede bewijzen en daarom ook zeer troostrijk. Er zijn mensen die hun lijden, hun verzoekingen en hun verdrukkingen voor niets ter wereld zouden willen missen. De gezegende Geest heeft hun langs die weg menige goddelijke waarheid uit het Woord door en door bijgebracht.
Ze voelen dat, en daaruit leiden ze de liefde van God in Christus voor hen af. Daaruit krijgen ze vreugde en troost, een vreugde die engelen niet kunnen geven en duivels niet kunnen afnemen. Geheiligde moeiten zijn tekenen van bijzondere liefde. — Christopher Fowler (1610-1678), in “The Morning Exercises”.
Vers 12
Hebben we alleen de roede, dan hebben we niets aan de roede. Ja, hebben we alleen het Woord, dan zullen we ook nooit voordeel hebben van het Woord. De Geest wordt met het Woord gegeven, en de Geest wordt met de roede gegeven. Door Hem hebben we baat bij allebei, of bij een van beide. Tuchtiging en goddelijk onderwijs moeten samengaan, anders levert de tuchtiging niets op. — Joseph Caryl.
Vers 12
God ziet dat de verdrietige dingen van het leven ons goed doen. Zaad dat in de winter het diepst onder de sneeuw ligt, bloeit in het voorjaar het mooist. De wind slaat een vlam neer en blaast haar daardoor hoger en heter op. En als we willen dat een vuur feller brandt, sprenkelen we er water op. Zo tempert ook de Heere onze vreugde en dankbaarheid met de tranen van verdrukking, als Hij die wil laten toenemen. — H. G. Salter.
Vers 12
“En dien Gij leert.” Bij onderwijs hoort een schoolmeester, een leraar die lesgeeft, en horen ook lessen die geleerd worden. Van dit onderwijs worden hier beide aangeduid. Eerst de schoolmeester. Er zijn er twee. 1. De uiterlijke verdrukking en tuchtiging: “Wie Gij tuchtigt, die leert Gij”, met andere woorden: wie Gij leert door hem te tuchtigen. 2. God Zelf, Die de voornaamste en eigenlijke hoofdonderwijzer is, terwijl de eerste maar een ondermeester is die onder Hem staat: “Dien Gij leert.” En de lessen die geleerd worden, liggen in het algemeen in de woorden: “uit Uw wet.” We beginnen dus met de schoolmeesters, en eerst met de eerste.
Die eerste schoolmeester is de verdrukking. Dat is een scherpe, strenge schoolmeester die er flink op los slaat, en daarom zeer geschikt voor zulke koppige, onhandelbare leerlingen als wij. Aan vriendelijkheid geven wij ons niet over, dus moeten we hard worden aangepakt. God verdrukt ons namelijk niet graag. Hij wordt daartoe gedwongen door de kracht van de verdorvenheid in ons, die anders niet te bedwingen is. Zo moeten ook artsen en chirurgen soms snijden, openen en branden, als mildere middelen niet helpen. Laten we daaraan zien hoe hard ons hart is. Die braakliggende grond kan alleen worden omgeploegd met deze scherpe ploeg van de verdrukking.
Wat zijn we toch een sufferds en botterikken! Hoe traag zijn we in het begrijpen van geestelijke dingen. Met woorden krijgen we ze niet in ons hoofd, tenzij ze er bijna met slagen in worden geramd en gedreven. De voorhuid die over onze onbesneden oren en harten ligt, is zo dik en taai dat geen leer erdoor komt, tenzij ze er door de vuisten van deze zure, nijdige schoolmeester in wordt gepend, gehamerd en geslagen.
De tweede schoolmeester is God Zelf. Verdrukkingen alleen zijn strenge leraren, maar ze kunnen ons niets goeds bijbrengen, tenzij God met Zijn Geest komt en ons hart van binnen onderwijst. Laten we daarom bidden dat we, zoals in de bediening van Gods Woord, zo ook in die van Zijn werken en oordelen allemaal door God onderwezen worden. Want Zijn Geest maakt de uiterlijke middelen levend en bezield, en zonder Hem zijn ze dode letters. Daarom zijn veel mensen door hun verdrukkingen eerder slechter geworden dan beter: Gods Geest ging niet met de verdrukking mee om er leven en geest in te brengen, zoals Mozes ook bij de Israëlieten opmerkte, Deut. 29:24. — David Dyke.
Vers 13
“Om hem rust te geven.” Meestal al hier, maar zeker hierna. “Mors aerumnarum requies”, de dood is rust na de moeiten, was het motto van Chaucer. Wie in de Heere sterft, rust van zijn arbeid. Ondertussen tuchtigt de Heere de Zijnen, zodat ze niet met de wereld veroordeeld hoeven te worden. 1 Kor. 11:32. — John Trapp.
Vers 13
“Om hem rust te geven.” Dit is het doel van Gods onderwijs: Zijn dienaar kan geduldig wachten, onaangetast door de dagen van het kwaad en veilig voor hen (vergelijk Ps. 49:5). Hij ziet het kwaad overal om zich heen de kop opsteken, maar ook de verborgen, geheimzinnige vergelding die zich langzaam maar zeker voltrekt. In dit verband is de “rust” die van een kalme, beheerste geest, zoals in Jes. 7:4, 30:15, 32:17, 57:20. Met “om hem te geven” wordt bedoeld “opdat Gij hem geeft”. — J. J. S. Perowne.
Vers 13
“Rust.” Laat er een herleving komen van de lijdzame deugden. Mr. Hume noemt ze de “monnikendeugden”. Velen spreken er minachtend over, zeker in vergelijking met de schitterende eigenschappen die in de wereld zo hoog staan aangeschreven. Maar een rustig gemoed en een stille geest zijn, net als een gebroken hart, zeer kostbaar in Gods ogen. Sommigen lijken te zijn vergeten dat zwijgen en zachtmoedigheid vruchten van de genade zijn. — William S. Plumer.
Vers 13
“Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.” Rusten van de dagen van tegenspoed wil zeggen dat je er niet zo door wordt opgejaagd dat je gaat klagen of de moed opgeeft. Je vertrouwt op God en verwacht met een stil gemoed en stille gevoelens dat Hij je verlost. Zie Jes. 7:4, Jes. 26:20, enz. Bovendien zegt hij niet ymyk “in”, maar ymym “van” de dagen van tegenspoed. Die uitdrukking is eleganter en heeft een ruimere betekenis. Ze verwijst namelijk naar de grondbetekenis van het werkwoord vqv, “zinken, bezinken”.
Zo zakt de droesem van een opgeroerde vloeistof naar de bodem. Hier wordt het gebruikt voor de geest die door een grote storm van zorgen is geschokt en vol bitterheid zit. De droesem, die door de dagen van tegenspoed is opgewoeld, wordt dus voorgesteld als bezinkend. Dat betekent niet alleen rust van de geest terwijl het kwaad nog duurt, maar ook terwijl het aan het verdwijnen is. Want m, “van”, heeft hier, zoals wel vaker, een ontkennende kracht. — Venema.
Vers 13
“Totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.” Zie, nu ken je Gods plan, en je weet waarom Hij de goddeloze nog laat leven: voor de zondaar wordt een kuil gegraven. Jij wilt hem direct in het graf leggen, maar het graf is nog niet klaar, het wordt nog uitgehouwen. Wees dus niet gehaast om hem te begraven. — Augustinus.
Vers 15
Mijn tekst heeft twee delen: Gods voorzienigheid over Zijn volk, en de voorspoed van die voorzienigheid onder hen. Gods zorg voor Zijn volk kent vaak een omslag aan het eind van het spel.
God lijkt eerst van de Zijnen weg te gaan, en dan lijken de goddelozen te winnen. Even later is Hij er weer, en dan trekt Zijn volk aan het langste eind. “Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid”, of: de gerechtigheid zal wederkeren tot het gericht. Dat is een uitdrukking die in het Oude Testament vaak wordt gebruikt voor vergelding, quid pro quo, gelijk om gelijk. Net als de uitdrukking is ook de term duidelijk, en hij helpt de bedoeling van de Geest van God hier te begrijpen: qru van qru, se asseruit, de gerechtigheid zal zichzelf laten gelden.
Christus zal Zijn volk, Zijn beloften en Zijn dreigementen laten gelden. “Zal wederkeren”, retro-agi: wat slechte mensen goede mensen aandoen, wordt hun teruggedaan, door God op hen teruggebracht. Ook kan deze wortel, die hier met “wederkeren” is vertaald, worden weergegeven met “blijven en rusten”. In Ps. 23:6 is hij zo vertaald: “En ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.” Soms gaat de gerechtigheid als het ware van huis, wanneer ze bij de heiligen langsgaat. Maar ze keert terug naar haar huis en woning, dat wil zeggen naar de goddelozen.
Zolang ze niet bij de goddelozen terug is, is de gerechtigheid als het ware van huis. Daar blijft ze en daar woont ze. “De gerechtigheid zal wonen en rusten in het gericht”, dat is in het voltrekken van straffen aan goddeloze mensen. jpvm, van jpv, judicium exercuit, wijst op het uitoefenen en uitvoeren van gerechtigheid. Iets rust in zijn doel. De gerechtigheid woont en rust in het gericht, dat is in haar uitvoering, in het doel waarvoor, waartoe en waarover ze is aangesteld. — Nicholas Lockyer, 1612-1684/5.
Vers 15
“Zullen hetzelve navolgen.” De juiste lezing staat in de kantlijn: “zullen erachter zijn”, of daarna, dat wil zeggen: (1) zullen het opmerken. “Hij stort verachting uit over vorsten, Hij verheft den arme uit de ellende, wie wijs is, zal deze dingen in acht nemen”, enz., Ps. 107:43. Deze Schriftplaats verklaart volgens mij voor een deel de tekst. (2) “Zullen erachter zijn”, dat wil zeggen: zullen het belijden en erkennen. Het is niet gering om mensen zover te brengen dat ze erkennen dat God in Zijn handelen rechtvaardig is. (3) “Zullen erachter zijn”, dat wil zeggen: zullen daarin zegevieren; dat kan worden vergeleken met Ps. 58:10-11 en daardoor opgehelderd. (4) “Zullen erachter zijn”, dat wil zeggen: Gods werken zullen krachtig uitwerken dat ze wie oprecht van hart is meer brengen tot liefde voor God en gehoorzaamheid aan Hem. Zo kan het worden vergeleken met Ps. 31:23. — Nicholas Lockyer.
Vers 16
“Wie zal voor mij staan”, enz. Ik denk dat we David hier in zijn openbare rol moeten zien, als vorst of overheid. In die rol betreurt hij hoe de goddeloosheid toeneemt en hoe zelfverzekerd ze is. Nadat hij zich in gebed in God heeft versterkt, besluit hij, in de woorden van de tekst, de plicht van zijn ambt te doen. Hij wil alle macht die God hem had gegeven gebruiken om de goddeloosheid uit te roeien en een goddeloos volk te hervormen. Dringend roept hij iedereen erbij die moed of kracht had voor zo’n taak, omdat hij heel goed wist hoe zwaar die taak was.
Ik kies voor deze uitleg, want zij past het mooist bij Davids ijver en geloof. Ze sluit ook het best aan bij de geest en de toon van een aantal andere psalmen die erop lijken, en de Targum en de Septuaginta lijken haar mij duidelijk te steunen. In de woorden zoals ze zo zijn uitgelegd, vinden we deze drie dingen:
- De treurige toestand van Israël. Dat kunnen we gemakkelijk afleiden uit de vorm en de manier waarop David zich hier uitdrukt: “Wie zal voor mij opstaan? of wie zal mijn zaak voor zich nemen?” Hij bedoelt als het ware: de goddelozen zijn zo talrijk en zo sterk dat ik de hervorming waar mijn hart naar uitgaat, nauwelijks tot stand kan brengen als goede mensen mij niet bijstaan en niet samen met mij aan de slag gaan. En toch, helaas, hoe weinig steun mag ik van hen met recht verwachten! Hoe weinig mensen zijn er echt voor het goede! Hoe wijdverbreid is de lauwheid en onverschilligheid waarmee mensen tegenover de dingen van God staan!
- De plicht van de overheid. Dat is duidelijk wat hier bedoeld wordt: de goddeloosheid in toom houden, haar bedwingen en een hervorming van het hele volk op gang brengen.
- De plicht van alle goede mensen. Zij moeten, voor zover zij daartoe in staat zijn, de overheid bijstaan in dit goede werk en haar daarbij aanmoedigen en steunen. — Richard Lucas, 1697.
Vers 16
“Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners?” In alle eeuwen hebben mensen die God niet vreesden en niemand ontzagen de handen ineengeslagen en bondgenootschappen gesloten om het werk van de duisternis te doen. Daarin zijn ze slim geweest voor hun soort, want zo hebben ze het koninkrijk van hun vader, de duivel, meer vooruitgebracht dan ze anders hadden gekund. Aan de andere kant hebben mensen die God wel vreesden en het geluk van hun medemensen zochten, het in elke tijd nodig gevonden zich aaneen te sluiten. Zo konden ze het werk van de duisternis tegengaan, de kennis van God, hun Zaligmaker, verspreiden en Zijn koninkrijk op aarde vooruithelpen.
Hij heeft hun dat ook Zelf geleerd. Sinds er mensen op aarde zijn, heeft Hij hun geleerd dat ze zich samen in Zijn dienst moeten stellen en zich daarin moeten verenigen. Door één Geest heeft Hij hen tot één lichaam gemaakt. Juist daarom heeft Hij hen aan elkaar verbonden, “opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”: eerst in wie al verenigd zijn, en door hen bij de mensen om hen heen. — John Wesley, in een preek over deze woorden, gehouden voor de Society for Reformation of Manners, 30 januari 1763.
Vers 17
“Mij een Hulp geweest.” Dit woord betekent niet alleen hulp, maar summum et plenum auxilium: een volle, volkomen hulp. In het Hebreeuws staat er een letter meer dan gewoonlijk, om de betekenis te versterken, zoals de geleerde Mr. Leigh opmerkt. Het is dus de volheid van hulp. — Nathaniel Whiting, in “The Saints’ Dangers, Deliverances, and Duties”, 1659.
Vers 19
“Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden”, enz. Dat wil zeggen: precies toen die gedachten in mij op hun hoogtepunt waren gekomen, helemaal op hun uiterste punt. Gods vertroostingen komen op het goede moment. Ze letten op de juiste tijd, niet te vroeg en niet te laat, maar “als”, dus op het kritieke punt, op het exacte ogenblik. Er wordt nog iets anders genoemd. Het gaat om “gedachten”, en om het “vermenigvuldigd” worden van die “gedachten”. Het gaat niet om rustig, onbewogen nadenken maar om verwarring, niet om een paar gedachten maar om een overvloed.
Onze uiterste nood is Gods gelegenheid. “Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden.” Als we gedacht en gedacht en nog eens gedacht hebben wat we konden, en niet meer weten wat we nog moeten denken, dan behaagt het God Zijn vertroostingen aan ons aan te bieden en te laten zien. . . . In de woorden “binnen in mij” zien we vervolgens hoe diep en nabij dit leed zit. Het Hebreeuwse woord is ykzrk, in medio mei. In het Arabisch be-kalbi, in corde meo. En zo ook in de Septuaginta, en te kardia mou, in mijn eigen hart. Dit wordt erbij gezegd om de huidige nood nog sterker en zwaarder te laten uitkomen.
Ten eerste laat dit zien hoe verborgen dit leed is. Wat uiterlijk is en in het lichaam zit, wil iedereen graag beklagen, bewenen en opmerken. Voor de mensen die daaraan lijden, voelt men dan ook veel medelijden. Maar de smarten die innerlijk zijn, die in de geest zitten, zijn zulke die niemand kent behalve God Zelf. “Het hart kent zijn eigen bittere droefheid”, zegt Salomo, Spr. 14:10.
Ten tweede laat dit zien dat dit kwaad vastzat en wortel had geschoten. Het zat in hem en het zat in zijn hart. Dat wil zeggen: het was diep geworteld en vastgegroeid, en het had een stevige basis en grondslag in hem. Zo waren deze beangstigende “gedachten”. Ze zaten in zijn binnenste en ingewanden en waren er dus niet gemakkelijk weer uit te krijgen.
Ten derde wijst dit ook op de indruk die ze op hem maakten, en op wat hij er zelf van voelde. Ze kwelden hem zwaar en doorboorden hem, ze gingen hem na aan het hart en raakten hem diep. Ze drongen door tot in zijn hart en troffen hem als het ware op het gevoeligste punt, zo zwaar waren ze. Op een andere plaats spreekt hij net zo over de smaad van zijn vijanden, Ps. 42:11: “Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?”
Welke “vertroostingen” van God bedoelt de psalmist hier nu in het bijzonder? Kort gezegd: de vertroostingen die voortkomen uit onze omgang met Hem. De troost van Zijn eigenschappen, de troost van Zijn beloften en de troost van Zijn genadige tegenwoordigheid, die onze ziel nadert wanneer het Hem behaagt over ons te schijnen en Zich te openbaren aan “mijn ziel”. We hebben eerder laten zien dat het leed in de geest zat, en daarom moet ook de troost daar zitten, zodat het geneesmiddel bij de ziekte past. Lichamelijk genoegen kan een verwarde geest niet tevredenstellen. Niets geeft de ziel verlichting dan alleen troost die bij haarzelf past, en dat zijn deze vertroostingen van God, die hier genoemd worden. Ze verlustigen de ziel. — Thomas Horton.
Vers 19
Gedachten op zichzelf bevatten niets wat verdriet of kwaad is. Het zijn de eigen, natuurlijke vruchten en uitstromingen van de ziel, die er heel gemakkelijk en met veel genoegen uit voortkomen. Maar hier wordt bedoeld dat ze buitensporig en ongeregeld zijn. Ze komen niet gelijkmatig en ordelijk voort zoals het hoort, maar met een soort haperingen. Dat lijkt het woord in de tekst ook te betekenen: het Hebreeuwse sagnaphim is verwant aan segnaphim, dat afkomstig is van een wortel die eigenlijk “tak” betekent. Aan een tak vallen twee dingen op die voor ons doel van belang zijn.
Ten eerste is er de verwarring. Ten tweede is er de beweging. Takken blijven meestal haken en raken in elkaar verstrengeld, en ze worden gemakkelijk heen en weer bewogen door de wind. Is er maar een heel klein beetje lucht of adem op komst, dan verraden de takken dat meteen en voelen ze het. Deze uitdrukking past dus heel goed om de verwarring en onrust van gedachten uit te beelden, waar David nu last van had en waarover hij klaagt omdat ze hem zo pijn doen en kwetsen. Het waren niet zomaar gedachten, in welke zin dan ook, maar gedachten van onrust, gedachten die verdriet en moeite meebrachten.
De vertalers van de Septuaginta zagen dat zo duidelijk dat ze “gedachten” helemaal weglieten en het alleen weergaven met “smarten”: kata to plethos ton odunon mou, naar de menigte van mijn smarten. Maar vollediger en beter passend bij het woord is het om beide samen te nemen: mijn pijnlijke en droevige gedachten, gedachten die door de manier waarop ze verlopen en zich ordenen verdriet en smart met zich meebrengen. En hier kunnen we terloops opmerken dat God niet ver hoeft te zoeken om mensen te straffen en te kwellen, als Hij dat wil. Hij kan het al met hun eigen gedachten doen, en meer dan dat is er niet voor nodig.
Hij kan van deze takken een roede binden en van deze kronkels een zweep maken waarmee Hij hen geselt, en dat flink. Als Hij maar een storm in het gemoed laat opsteken en de gedachten tegen elkaar laat razen en woelen, is er ellende genoeg, al was er verder niets aan de hand. Het maakt niet uit of de dingen zelf er reden toe geven. Het is genoeg dat het zo in de inbeelding en het vermoeden bestaat. God kan een verzinsel, een louter speelgoedding van de verbeelding, zo gebruiken en op de ziel loslaten dat zij geen rust en geen kalmte meer vindt. — Thomas Horton.
Vers 19
Let op hoe groot de nood van deze man was. De tekst drukt dat krachtig uit, al zie je het in onze vertaling nauwelijks. Het woord dat daarin met “gedachten” is weergegeven, betekent oorspronkelijk de kleine takken van bomen, zeggen de geleerden. Wat de dichter voor ogen staat, lijkt dit: “Kijk naar een boom, met takken die alle kanten op schieten, in elkaar haken en zich om elkaar heen draaien. Laat de wind erin komen, en zie hoe de takken het voelen. Ze worden rusteloos en door elkaar gehaald, ze slaan tegen elkaar aan en worstelen met elkaar. Nu, mijn geest is als die boom. Ik heb er heel veel gedachten in, en gedachten die steeds verschuiven en veranderen. Het zijn verwarde, opgejaagde gedachten, die met elkaar vechten.” De geest kan er niet rustig onder blijven.
Ze brengen wanorde in hem, en ook verdriet. En let op het woord “menigte” in de tekst. Daar zit precies hetzelfde beeld in. Het betekent meer dan een aantal: het betekent verwarring. Denk aan een menigte die bij elkaar is gekomen en rondrent. “Zo”, zegt de dichter, “zijn mijn gedachten. Er is een hele menigte van in mijn geest, een onrustige, verwarde menigte. Eén pijnlijke gedachte is al erg genoeg, maar ik heb er vele, een menigte, bijna ontelbaar, een gejaagde stoet.” Nu begrijpen we wat er aan de hand is. Het verdriet van deze man kwam op dat moment voort uit onrustige gedachten in zijn eigen borst, en zijn verdriet was groot omdat die gedachten zo talrijk waren en tegelijk zo stormachtig.
Als de dichter zegt: “Uw vertroostingen”, bedoelt hij meer dan vertroostingen waarvan God de Bewerker of Gever is. God is de Bewerker en Gever van al onze vertroostingen, ook van alle aardse vertroostingen om ons heen. Ze zijn allemaal het werk en de gave van Zijn genadige hand… Hier moeten we vertroostingen verstaan die in bijzondere en volle zin van God zijn, die rechtstreeks uit God voortkomen. Ze komen niet van Hem via schepselen naar ons toe, maar van Hem meteen naar ons, zonder tussenkomst van schepselen. Het zijn de vertroostingen die we krijgen uit Zijn eigenschappen, als we erover nadenken en ze, zoals wij dat noemen, tot ons laten doordringen.
Het zijn de vertroostingen uit Zijn beloften, als we in Hem geloven en op Hem hopen. En het zijn de vertroostingen van Zijn tegenwoordigheid, omdat Hij onze zielen nadert en erin schijnt. Dan weten we dat Hij dichtbij is, en we merken dat aan het licht, het geluk en de nieuwe kracht in ons. “Uw vertroostingen”: de troost die we krijgen van de Heere Jezus Christus, doordat we naar Hem zien en Hem overwegen. We denken aan Zijn persoon, Zijn ambten, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn voorspraak, Zijn verhoging, Zijn heerlijkheid en Zijn wederkomst, en eraan dat we Hem zullen ontmoeten, Hem zullen zien en aan Hem gelijk zullen zijn.
“Uw vertroostingen”: de troost die van de Heilige Geest komt, “de Trooster”. Hij opent de Schriften voor ons, of Hij spreekt door middel van de inzettingen en verordeningen, of getuigt in ons dat God ons als Zijn kinderen heeft aangenomen. Hij laat Zijn licht schijnen op Zijn eigen genadewerk in onze harten. Hij maakt ons in staat dat werk te zien en daarin Gods bijzondere, eeuwige liefde voor ons te zien. Hij slaat niet het boek des levens voor ons open om onze namen daarin te laten zien. Maar Hij doet iets wat ons bijna net zo blij maakt als wanneer dat boek was geopend: Hij laat ons Gods hand in onze eigen ziel zien, Zijn bekerende, reddende hand, Zijn hand die ons als de Zijnen vastgrijpt.
Zo voelen we als het ware Zijn greep van liefde, en voelen we ook dat Hij die greep nooit zal loslaten. — Charles Bradley.
Vers 19
“Uw vertroostingen mijn ziel.” Xerxes beloofde grote beloningen aan wie een nieuw genoegen kon bedenken. Maar de vertroostingen van de Geest geven voldoening, ze verkwikken het hart. Er is evenveel verschil tussen hemelse en aardse vertroostingen als tussen een feestmaal dat werkelijk wordt genuttigd en een feestmaal dat op de muur is geschilderd. — Thomas Watson.
Vers 19
“Uw vertroostingen.” Moeiten kunnen we zelf veroorzaken, maar echte vertroosting komt alleen uit die oneindige bron, de God van alle vertroosting, want zo heeft Hij Zichzelf genoemd. — Thomas Adams.
Vers 19
“Vertroostingen mijn ziel.” In de grondtaal betekent het woord wevevy: “iemand van blijdschap laten springen of dansen”. Het Engels laat niet toe dat we dit beeld op de ziel toepassen, hoewel we wel zeggen dat iets “het hart doet opspringen van vreugde”. — Samuel Horsley.
Vers 19
Er is eerst een boosaardig leger binnengevallen in het gebied van mijn tekst. Bekijk daarom met mij: 1. De rebellen of muiters: “gedachten”. 2. Hun aantal, zeker niet minder dan een “menigte”. 3. De aanvoerder wiens vaandel ze dragen: een onrustig gemoed, “mijn gedachten”. 4. Het slagveld waar gevochten wordt: het hart, apud me, “binnen in mij”. In het andere leger zien we: 1. Quanta, hoe sterk ze zijn: het zijn vertroostingen. 2. Quota, hoeveel het er zijn: dat is niet precies bepaald, het is overvloedige troost. 3. Cujus, van wie ze zijn: van de Heere, Hij is hun Bevelhebber: “Uw vertroostingen”. 4. Quid operantur, wat ze doen: ze verlustigen de ziel.
Hun aard is troost, dus brengen ze rust. Hun aantal is groot, dus is er genoeg. Hun bezitter is God, dus staat er almacht achter: het zijn immers Uw vertroostingen. Hun uitwerking is dat ze de ziel verlustigen, en dus zijn we veilig. — Uit de preek van Thomas Adams met de titel “Man’s comfort”.
Vers 19
Een tekst als deze laat ons sterk voelen wat Gods genade in een mensenhart vermag, hoeveel ze kan doen om het hart te steunen en te verblijden. Een gelovige kan door de wereld gekweld worden en pijn lijden. Maar is de genade die God hem gaf werkzaam in zijn ziel, dan kan de wereld hem niet ongelukkig maken. Haar kwade behandeling voegt eerder iets toe aan zijn geluk, want ze drijft God en zijn ziel naar elkaar toe. God is immers de bron van alle geluk, en bij Hem vindt zijn ziel rust en voldoening.
Wie deze psalm schreef, leed duidelijk diep. Hij vertelt dat de goddelozen over hem triomfeerden, en dat zij dat al heel lang deden. Niemand op aarde kon hij vinden om het voor hem tegen hen op te nemen. “Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners?” vraagt hij in Ps. 94:16, “Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?” Het leek ook alsof God hem had losgelaten. Zijn vijanden dachten dat, en hij leek het zelf bijna te geloven. Maar hoe lag het in werkelijkheid? Al die tijd goot de Heere in het geheim troost in zijn ziel, en uiteindelijk maakte Hij die troost overvloedig.
Op het oog was hij een ongelukkig man, maar in werkelijkheid was hij gelukkig: hij leed en werd toch getroost. Ja, de tekst zegt zelfs dat hij verlustigd werd: “Uw vertroostingen verlustigen mijn ziel.” — Charles Bradley, 1845.
Vers 20
“De stoel der schadelijkheden… die moeite verdicht bij inzetting.” Goddeloze mensen hebben drie dekmantels voor wat ze onschuldigen aandoen. Eerst is er hun troon, dan de wet, en dan hun raad. Wat zou een tiran nog meer kunnen verlangen? Maar voor tirannen die zich niet bekeren, heeft God een verschrikkelijke hel klaargezet. Ze belanden erin lang voordat ze denken de wereld te verlaten. — William Nicholson.
Vers 20
“De stoel der schadelijkheden… die moeite verdicht bij inzetting.” Als zulke tronen nooit hadden bestaan, zou de Schrift er niet over spreken. Maar ze hebben bestaan. Die van Jerobeam was er zo een. Hij liet het volk niet toe om, zoals God had bevolen, naar Jeruzalem te gaan om God te aanbidden, Die daar Zijn naam had gevestigd. In plaats daarvan spande hij netten voor wie wel gingen, over Mizpa, en legde hij strikken op de berg Tabor (Hos. 5:1). Sindsdien zijn er helaas nog veel meer van zulke tronen geweest. De psalmist zegt terecht: “Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen?” Nee, nee, God houdt Zich ver van hen.
Wat wij “stinkende mesthopen” noemen, is voor God minder afstotend dan tronen van ongerechtigheid. Hij zal ze nooit goedkeuren en ze ook niet laten staan. Blijf nog even wachten, christenen, en “Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid”: de wereld zal merken dat Hij ze op Zijn tijd stuk voor stuk omverhaalt. — Samuel Slater, in “The Morning Exercises”.
Vers 20
“Die moeite verdicht bij inzetting”, dat betekent: wie verkeerde wetten maakt, of onder het mom van wet en recht onschuldige mensen onderdrukt. Summum jus, summa injuria: hoe strenger het recht, hoe groter het onrecht. Onrecht kan worden gedaan, en wordt maar al te vaak gedaan, ex prava interpretatione legis, door een kwaadaardige uitleg van de wet. Met wie onrecht pleegt met het zwaard van het recht, wil God niets te maken hebben. — William Nicholson.
Vers 23
“En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren”, enz. Wat de goddelozen doen, is slecht werk. Ze smeden de ketenen voor hun eigen voeten en bouwen huizen die op hun eigen hoofd zullen instorten. Zo schadelijk is de zonde van nature, dat ze haar eigen bewerkers kwaad doet en te gronde richt. — William Greenhill.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
- Vergelden mag God alleen.
- In welke opzichten mogen wij Hem vragen om te vergelden?
- Hoe en wanneer Hij deze rechtvaardige wens zeker zal vervullen.
Vers 1
- De wraak is van God en niet van de mens.
- Wraak is veiliger en beter in Gods handen dan in de handen van mensen. Laten wij liever in de handen van God vallen, enz. — G. R.
Vers 2
Waarom de zonde van hoogmoed, en de ondeugden die erbij horen, zo tartend is. Welke uitwerking ze heeft op de hoogmoedigen zelf, op de mensen om hen heen en op God Zelf.
Vers 3
- Wat de goddelozen zoet vinden: hun overwinning op dit moment.
- Wat die zoetheid bitter maakt: ze is maar tijdelijk, en er wordt tegen gebeden. — C. A. Davis.
Verzen 5-10
- Brute onderdrukking door goddelozen (Ps. 94:5-6).
- Koude onverschilligheid voor het toezicht dat God houdt (Ps. 94:7).
- Een heldere aantoning dat God alles weet en wraak neemt (Ps. 94:8-10). — C. A. D.
Verzen 6-9
- Een zichtbare zonde.
- Een onzinnige veronderstelling.
- Een overtuigend bewijs.
Vers 8
Hoe lang het kwaad zal regeren.
- Tot het de maat van zijn schuld vol gemaakt heeft.
- Tot het zelf heeft bewezen hoe dwaas het is.
- Tot het de genadegaven en de gebeden van de heiligen tot ontwikkeling heeft gebracht.
- Tot het de mens heeft ontdaan van elk vertrouwen op mensen, en ons ertoe heeft gebracht alleen naar de Heere te zien, naar Zijn Geest en Zijn komst.
Vers 8
Atheïsten in de praktijk.
- Naar waarheid beschreven.
- Verstandig terechtgewezen. — C. A. D.
Verzen 8-11
- De oproep (Ps. 94:8).
- De bestraffing (Ps. 94:9-10).
- De verzekering (Ps. 94:11). — G. R.
Verzen 9-10
Echt rationalisme, of: hoe de rede God openbaart. — C. A. D.
Vers 11
- Bedenk, wat het huidige leven betreft, hoeveel menigten gedachten voor niets worden ingezet.
(a) Door bevrediging te zoeken waar ze niet te vinden is.
(b) Door te piekeren over gebeurtenissen die we niet terug kunnen halen.
(c) Door onheil te verwachten dat ons nooit overkomt.
(d) Daaraan kunnen we toevoegen dat wij onszelf hoog aanslaan om dingen die weinig of niets voorstellen.
(e) Door plannen te smeden die toch in het honderd moeten lopen.
- Laten we kijken wat de mens denkt over de godsdienst en over zaken die het leven na dit leven betreffen.
(a) Wat zijn de gedachten van de heidense wereld over godsdienst?
(b) Wat zijn de gedachten van de christelijke wereld in het geheel, waar Gods gedachten worden genegeerd?
(c) Wat is dat praktische atheïsme waardoor menigten leven alsof er geen God bestaat?
(d) Wat zijn al die ongelovige, zelfvleiende voorstellingen van goddeloze mensen, alsof God het niet zou menen met wat Hij verklaart en waarmee Hij dreigt?
(e) Wat zijn de waanbeelden van wie zichzelf rechtvaardig acht, waarmee ze hun gemoed bezighouden met ijdele hoop, terwijl ze weigeren zich te buigen voor Gods gerechtigheid? — Andrew Fuller.
Vers 11
Hoe goed God de mens kent. Een schokkende waarheid. Een vernederende waarheid.
Verzen 12-13
De school van Christus. De Meester, het Boek, de roede, de gezegende leerling en wat zijn opleiding hem oplevert.
Verzen 12-13
- De gezegende. (a) Door God onderwezen. (b) Door God getuchtigd.
- De zegen. (a) Rust te midden van verdrukking. (b) Rust na verdrukking. — G. R.
Vers 14
- Er wordt gevreesd. Dat God zal verwerpen, verlaten, enz.
- Die vrees wordt weggenomen. God zal niet verwerpen, Hij zal niet verlaten. — G. R.
Vers 14
- Zijn heldere leer laten zien tegen een donkere achtergrond. Wat als het omgekeerde waar zou zijn? Overwegingen waardoor wij kunnen gaan vrezen dat het waar is.
- Met blijdschap naar de stralende waarheid zelf kijken. De leer die hier wordt verkondigd. De redenen die worden aangevoerd (Zijn volk. Zijn erfdeel). Het vertrouwen dat hier wordt uitgesproken. — C. A. D.
Vers 15
- Het gericht uitgesteld.
- Het gericht teruggekeerd.
- Het gericht erkend. — G. R.
Vers 16
- De vraag die de kerk aan haar voorvechters stelt.
- Het antwoord van ieder mens met een oprecht hart.
- Het nog bemoedigender antwoord van haar Heere.
Verzen 16-17
De enige bron van hulp.
- Een luide roep om hulp. Als om een voorvechter of verdediger.
- Het antwoord van de aarde. Een doodse stilte, die alleen door een echo wordt onderbroken (Ps. 94:17).
- De hulpvaardige stem die de stilte doorbreekt: die van de Heere (Ps. 94:17). — C. A. D.
Vers 18
Hoe gezegend het is om je zwakheid te belijden.
- De belijdenis.
- De hulp.
- Het moment.
- De erkentelijkheid. — C. A. D.
Vers 19
- Te midden van mijn menigte ongelovige gedachten verlustigen Uw vertroostingen mijn ziel.
- Te midden van mijn menigte boetvaardige gedachten verlustigen Uw vertroostingen, enz.
- Te midden van mijn menigte wereldse gedachten, enz.
- Te midden van mijn menigte gedachten over gezin of omgeving, enz.
- Van mijn moedeloze gedachten, enz.
- Van mijn gedachten over de toekomst, enz.
Of: 1. De mens vindt in zichzelf geen troost.
- Hij vindt ook geen troost in andere schepselen.
- Zijn enige troost is in God. — G. R.
Vers 19
- De ziel die heen en weer wordt geduwd op de drukke weg van angstige gedachten.
- Het heerlijke gezelschap dat ze toch geniet. — C. A. D.
Vers 20
“Die moeite verdicht bij inzetting”: hoever dit gezag reikt, zowel in aardse als in geestelijke zaken.
Vers 20
- God kan geen gemeenschap hebben met de goddelozen.
- De goddelozen kunnen geen gemeenschap hebben met God. — G. R.
Vers 20
Politiek volgens God.
- Er zijn tronen opgericht tegenover Gods troon, “tronen van ongerechtigheid”. Zoals tronen die de burgerlijke vrijheid schenden, die de gelijkheid in geloofszaken aantasten, die hun inkomsten halen uit kwalijke handel, enz.
- Wat zulke tronen ook beweren: ze zijn uitgesloten van gemeenschap met God. Tussen hen en God ligt een diepe kloof. — C. A. D.
Verzen 21-22
- Het gevaar voor de rechtvaardigen (Ps. 94:21).
- Hun verdediging (Ps. 94:22). — G. R.
Verzen 21-23
- Het vonnis dat in de rechtszaal van het onrecht wordt uitgesproken (Ps. 94:21).
- Een punt in de zaak waarmee de rechtbank geen rekening hield (Ps. 94:22).
- Het vonnis dat daardoor op de juiste hoofden neerkomt (Ps. 94:23). (Deze passage laat, onder een zeer dun sluiertje, Christus zien. Matth. 27:1.) — C. A. D.
Vers 23
- Niemand mag Gods vijanden straffen behalve Hij Zelf. “Hij zal hun… vergelden”, enz.
- Niemand hoeft hen te straffen behalve Hij Zelf. (a) Het zal volledig zijn: “zal hen verdelgen”. (b) Het is zeker: “Ja”, enz. — G. R.
Werk over de vierennegentigste psalm
In de Werken van kardinaal Sadoleto (1477-1547), blz. 895-972, staat een uitleg van deze psalm, uitgave in 8 delen, Anno Domini 1607.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas