Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 55 — Treasury of David

Titel
“Voor den opperzangmeester, op de Neginoth.” Dit lied werd begeleid door snaarinstrumenten. De toon wisselt: soms klaagt het, soms klinkt het zacht en zoet. De leider van de zang moest er goed op letten dat de muziek echt het gevoel van de woorden weergaf.
“Een onderwijzing.” Dit is niet zomaar een persoonlijk loflied. Er zit onderwijs in voor ons allemaal. En op de plaatsen waar onze Heere doorschemert in David, die Zijn voorafschaduwing is, ligt een grote diepte van betekenis.
“Van David.” Deze man maakte heel verschillende dingen mee. Hij werd zwaar beproefd en rijk gezegend, vervolgd maar ook bevrijd en verhoogd. Juist daardoor kon hij uit eigen ervaring zulke kostbare verzen schrijven. Hij beschrijft hierin niet alleen het verdriet van gewone pelgrims, maar ook dat van de Heere van de weg Zelf.
Onderwerp
Het zou ijdel zijn om met stelligheid een tijd en een aanleiding voor deze psalm aan te wijzen. Toch leest hij als een lied uit de dagen van Absalom en Achitofel. David had eerder in vrede God kunnen aanbidden (Ps. 55:15). Hij woonde in een stad, of was daar net weggegaan (Ps. 55:10-12). En hij dacht terug aan zijn eerdere zwerftochten door de woestijn. Alles bij elkaar denken we aan die droevige tijd waarin de koning werd verraden door zijn vertrouwde raadsman. Het geestelijk oog ziet steeds opnieuw de Zoon van David opdoemen, samen met Judas en de overpriesters. Ze verschijnen en verdwijnen op het gloeiende doek van deze psalm.
Indeling
In Ps. 55:2-9 legt de bidder zijn zaak in het algemeen aan God voor. In Ps. 55:10-12 schetst hij zijn vijanden. In Ps. 55:13-15 noemt hij één verrader in het bijzonder en roept hij om wraak, of kondigt hij die aan in Ps. 55:16. In Ps. 55:17-20 troost hij zich met gebed en geloof. In Ps. 55:21-22 heeft hij het opnieuw over de trouweloze verbondsbreker. Hij sluit af met een bemoedigende oproep aan de heiligen (Ps. 55:23) en met de aankondiging dat de goddelozen en bedriegers zullen worden verwoest (Ps. 55:24).
Uitleg
Vers 2
“O God! neem mijn gebed ter oren.” Het is zo vertrouwd dat we er bijna overheen lezen. Anders zouden we verbaasd zijn hoe vanzelfsprekend en hoe vaak de heiligen in tijden van nood hun toevlucht tot het gebed nemen. Van de grote Oudste Broer tot het allerkleinste kind in Gods gezin: ze vinden allemaal vreugde in bidden. In moeilijke tijden rennen ze net zo natuurlijk naar de genadetroon als kuikentjes naar de kloek wanneer er gevaar dreigt. Maar let op: alleen het bidden zelf stelt een godvrezend mens nooit tevreden. Hij verlangt een audiëntie in de hemel en een antwoord van de troon. Met minder neemt hij geen genoegen. Een gebed dat nergens aankomt, is voor hem geen gebed.
“Verberg U niet voor mijn smeking.” Sluit Uw oor niet en houd Uw hand niet terug. Wie zijn naaste in nood zag en er met opzet aan voorbijliep, van hem zei men dat hij zich voor die ander verborg. De psalmdichter smeekt dat de Heere hem niet zo zal behandelen. Toen Jezus op het hout onze zonden droeg, verborg Zijn Vader Zich inderdaad. Dat was het ergste van alle angst die de Zoon van David doorstond. Wij mogen allemaal bidden dat zo’n ramp ons bespaard blijft: dat God onze hulpkreten niet wil horen.
Vers 3
“Merk op mij, en verhoor mij.” Dit is de derde keer dat hij hetzelfde bidt, in andere woorden maar met dezelfde bede. Hij meent het, tot in zijn diepste ellende. Als zijn God niet luistert, is het met hem gedaan. Daarom smeekt hij Hem om te luisteren én te antwoorden.
“Ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier.” Hij laat zijn verdriet de vrije loop. Zijn gemoed mag zijn pijn opsommen en uitstorten in de woorden die op dat moment opkomen, of die nu samenhangen of niet. Wat een troost dat we zo vertrouwelijk met onze God mogen omgaan! We mogen niet over Hem klagen, maar wel tot Hem. Onze warrige gedachten, als verdriet ons verdooft, mogen we bij Hem neerleggen, ook als het meer lawaai is dan taal. Hij luistert zo aandachtig dat Hij ons begrijpt. Vaak vervult Hij wensen die wijzelf nooit in begrijpelijke woorden hadden kunnen zeggen. “Onuitsprekelijke zuchtingen” zijn vaak gebeden die niet kunnen worden afgewezen. Onze Heere Zelf bracht Zijn gebeden op met sterk geroep en tranen, en is verhoord uit de vreze.
Vers 4
“Om den roep des vijands.” De vijand had een grote mond en wist altijd wat te zeggen. Zijn godvrezende slachtoffer had niet meer dan “getier”. Laster heeft zelden woorden tekort. Ze kwebbelt en kletst maar door. Noch David, noch onze Heere, noch een andere heilige ontkwam aan giftige tongen. In elk van die gevallen was dit kwaad de oorzaak van diepe en bittere pijn.
“Vanwege de beangstiging des goddelozen.” De onrechtvaardigen drukten de rechtvaardige neer en onderdrukten hem. Als een ondraaglijke last verpletterden ze hem en brachten ze hem op zijn knieën voor de Heere. Dit verhaal is al driemaal verteld en zal tot het einde der tijden waar blijven: wie naar het vlees geboren is, vervolgt wie naar de Geest geboren is. Het grote Zaad van de vrouw kreeg een vermorzelde hiel.
“Want zij schuiven ongerechtigheid op mij.” Ze besmeuren mij met hun roetzakken, gooien het stof van hun leugens over mij heen en spuiten het zuur van hun laster over mij uit. Ze proberen mij te laten struikelen. En als ik niet val, beweren ze dat ik toch val. “En in toorn haten zij mij.” Ze verfoeiden die heilige man met hart en ziel. Dit was geen sluimerende vijandschap, maar een bittere wrok die in hun borst heerste. We hoeven de lezer niet uit te leggen hoe goed dit bij onze Heere past.
Vers 5
“Mijn hart smart in het binnenste van mij.” Zijn geest kronkelde van doodsangst, als een arme worm. Geestelijk had hij net zoveel pijn als een vrouw in barensnood lichamelijk. Zijn diepste ziel was geraakt, en een gewonde geest, wie kan die dragen? Als David dit schreef toen zijn eigen lievelingszoon hem aanviel en hem schandelijk uit zijn hoofdstad verjoeg, dan had hij alle reden voor deze woorden.
“En verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.” Doodsangst greep hem aan. Hij voelde zich als iemand die plotseling omringd wordt door het donker van de schaduw des doods, alsof de eeuwige nacht ineens over hem neerdaalt. Hij werd van binnen en van buiten gekweld, door angst in zijn hart en door vijanden om zich heen. Zijn grootste schrik leek zelfs van boven te komen, want hij zegt: “op mij gevallen”. Hij gaf zichzelf verloren. Hij voelde zich al zo goed als dood. Het diepste punt van zijn bestaan trilde van ontzetting.
Denk aan onze Heere in de hof, met Zijn “Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe”. Dan zie je een gelijkenis met de smart van de psalmdichter. Misschien ben je, beste lezer, deze donkere weg nog niet gegaan. Dan zul je hem waarschijnlijk snel gaan. Let dan goed op de voetsporen van je Heere op dit modderige stuk van de weg.
Vers 6
“Vrees en beving komt mij aan.” Als inbrekers drongen deze rovers zijn ziel binnen. De onderdrukte smekeling raakte in angst, als iemand die een flauwte voelt aankomen. Zijn vrees was zo groot dat hij beefde. Hij wist niet wat er hierna zou gebeuren en hoe snel het ergste zou komen. Het stiekeme, geheimzinnige gefluister van laster maakt een edel mens vaak banger dan open tegenstand. Tegen een vijand die zich openlijk laat zien, kunnen we dapper zijn, want dan weten we waar we aan toe zijn. Maar laffe, samenzwerende complotten brengen ons in verwarring en maken ons radeloos.
“En gruwen overdekt mij.” Hij was als iemand die in een duisternis gehuld is die je kunt voelen. Zoals Jona in de zee wegzonk, zo leek David af te dalen in diepten van gruwel. Hij had alle kracht verloren, was verward en verkeerde in een afschuwelijke spanning en doodsangst.
Vers 7
“Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.” Als hij niet als een arend kon standhouden, dan wilde hij als een duif ontsnappen. Snel en ongezien zou hij op sterke, onvermoeibare vleugels wegvliegen, weg van de plaatsen van laster en goddeloosheid. Zijn liefde voor vrede deed hem hevig verlangen om het strijdtoneel te ontvluchten.
“Och, had ik in een wijde wildernis een hut,
Een eindeloos gebied van schaduw en van stilte,
Waar het gerucht van onderdrukking en bedrog
Mij nimmer meer bereiken zou!”
We zijn allemaal maar al te geneigd om deze vergeefse wens uit te spreken, want vergeefs is hij. Geen duiven- of arendsvleugels kunnen ons wegdragen van het verdriet van een bevend hart. Innerlijk leed trekt zich niets aan van plaats. Je neemt het gewoon overal mee naartoe. Bovendien is het laf om de strijd te ontlopen die God ons wil laten strijden. We kunnen het gevaar beter onder ogen zien, want voor onze rug hebben we geen wapenrusting. Wie aan laster wil ontsnappen, heeft een snellere vlucht nodig dan duivenvleugels. Wie niet vlucht maar zijn zaak aan zijn God toevertrouwt, vindt rust.
Zelfs de duif van vroeger vond geen rust voordat ze terugkeerde naar haar ark. Wij mogen midden in al ons verdriet rust vinden in Jezus. We hoeven nergens heen. Alles komt goed als we op Hem vertrouwen.
Vers 8
“Ziet, ik zou ver wegzwerven.” Toch verlangde David, toen hij ver weg was, juist naar Jeruzalem terug. Zo denken we in onze slechte tijden altijd dat het vroeger beter was dan nu. Wat we hebben, lijkt ons nooit genoeg. We zullen nog ver genoeg weg moeten vliegen, en misschien gaan we dan met tegenzin. Laten we ons geen ijdele voorstellingen maken over een voortijdige ontsnapping van deze aarde.
“Ik zou vernachten in de woestijn.” Toen hij er was, vond hij de woestijn niet zo’n fijne woonplaats. En toch neemt hij nu het besluit om er voorgoed te gaan wonen. Als zijn wens was vervuld, had hij zich al snel gevoeld als Selkirk in de versregels van de dichter:
“O eenzaamheid, waar is de glans
Die wijzen zagen in uw blik?
Liever wonen waar gevaren dreigen
Dan heersen op deze gruwelijke plek.”
Onze Heere was vrij van alle ijdele wensen. Toch putte Hij veel kracht uit eenzaamheid. Hij hield van de bergtop om middernacht en van de stille schaduw van de olijfbomen van Gethsemane. Het is beter om afzondering in de praktijk te gebruiken dan er zuchtend naar te verlangen. Toch is het natuurlijk om ons terug te willen trekken als alle mensen ons onrecht doen. Maar de natuur moet wijken voor de genade. We moeten de tegenspraak van zondaars tegen ons verdragen en niet moede worden, niet bezwijken in onze ziel.
Sela. Na zo’n vlucht mag de geest even rusten. Als we te snel gaan en te gemakkelijk toegeven aan spijt, is het goed om “halt” te roepen en een tijdje stil te staan, tot nuchterder gedachten terugkomen.
Vers 9
“Ik zou haasten, dat ik ontkwame.” Hij probeerde stil te staan, maar dat lukte niet. Hij was als een paard dat nog een stuk doorglijdt als je het inhoudt, door de vaart waarmee het ging. David zegt dat hij geen ogenblik zou verspillen en niet zou blijven om afscheid van zijn vrienden te nemen. Hij zou meteen opstaan en weggaan, zonder om te kijken, bang om te laat te zijn, en omdat hij het geschreeuw van zijn vijanden niet langer kon verdragen.
“Van den drijvenden wind, van den storm.” Er trok een storm op. Als een duif zou hij er voor uit vliegen en een rustiger streek bereiken. Hij zou sneller vliegen dan de stormwolk, om te ontkomen aan de stortbui en de bliksemflits.
Helaas, arme ziel, zulke vleugels heb jij niet. Je moet hier nog blijven en de storm voelen. Maar houd moed! Binnenkort spreid jij je vleugels uit voor een stoutere vlucht. De hemel zal je ontvangen. Daar komt een einde aan je verdriet, in zaligheid, tussen de vogels van het paradijs.
Vers 10
“Verslind hen, HEERE!” Sla mijn vijanden op de vlucht, zodat ze niets meer kunnen beginnen. Laat het zwaard hen verslinden, want zij hebben het tegen mij getrokken. Wat anders kon je van de verbannen vorst verwachten dan dit gebed tegen de opstandige benden van Absalom en de listige plannen van Achitofel?
“Deel hun tong.” Maak van hun vergaderingen, hun beraadslagingen en krijgsraden een tweede Babel. Zet hen tegen elkaar op. Verdeel de meute, zodat de opgejaagde kan ontkomen. De verdeeldheid van de dwaling is de hoop van de waarheid.
“Want ik zie wrevel en twist in de stad.” De menigte en haar leiders smeedden en beraamden plannen, raasden en vochten tegen hun koning. Ze renden achter duizend dwaze ideeën aan. De wetteloosheid had onder hen gegist. De koning hoopte dat juist die wetteloosheid die hem verbannen had, nu zijn vijanden zou verzwakken.
De revolutie verslindt haar eigen kinderen. Wie sterk is door geweld, merkt vroeg of laat dat zijn kracht zijn dood is. Absalom en Achitofel konden het gepeupel wel opruien, maar het was veel moeilijker om het te regeren, of om hun eigen beleid zo snel te regelen dat ze trouwe vrienden bleven. Davids gebed werd verhoord. De opstandelingen raakten al snel verdeeld in hun raadsvergaderingen. Achitofel ging heen om zich met een touw op te hangen, en Absalom om zonder touw opgehangen te worden.
Vers 11
“Dag en nacht omringen zij haar op haar muren.” De stad, de heilige stad, was een broeinest van goddeloosheid geworden. Samenzweerders kwamen in het donker bijeen en fluisterden in kleine groepjes op straat, zelfs overdag. Intussen werd het land tot opstand aangezet. De verraders buiten de stad dreigden haar te omsingelen en samen te werken met de oproerkraaiers binnen. Ongetwijfeld smeulde er onder de as al een gesmoord vuur van opstand. Absalom stak het aan en blies erin. David had het al enige tijd voordat hij Jeruzalem verliet met schrik zien naderen. Toen hij de stad verliet, sloeg het uit in een open vlam.
“En ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.” Arme hoofdstad! Door vijanden omsingeld, door haar vorst verlaten en vol van al die onrust die kwaad en moeite voortbrengt. Arme koning! Hij moest toezien hoe het onheil zich voltrok dat hij niet kon afwenden, en hoe de stad verwoest werd die hij zo liefhad. Er was nog een andere Koning, Wiens vele tranen de opstandige stad natmaakten. Hij zei: “Jeruzalem, Jeruzalem! … hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.”
Vers 12
“Enkel verderving is binnen in haar.” Het hart van de stad zelf was verdorven. In haar machtscentra ging misdaad hand in hand met rampspoed. Alle woeste en goddeloze elementen kwamen naar boven. Het gepeupel voerde het bevel en het uitschot dreef boven. Gerechtigheid was niets meer waard en het volk was volledig zedeloos geworden. De welvaart was verdwenen en de orde met haar.
“List en bedrog wijkt niet van haar straat.” Overal waar mensen samenkwamen, probeerden sluwe tongen het volk te overreden met bedrieglijke woorden. Handige volksmenners leidden het volk bij de neus. Hun goede koning werd op alle manieren belasterd. Toen ze hem zagen vertrekken, begonnen ze de bestuurders die ze zelf gekozen hadden te beschimpen. Het forum was de burcht van het bedrog en de congreszaal een vergadering van sluwheid.
Wat is het treurig voor arm Jeruzalem, de heilige stad, om zo het slachtoffer te zijn van zonde en schande! De deugd werd bespot en de ondeugd regeerde. Haar plechtige samenkomsten werden verstoord, haar priesters waren gevlucht en haar koning was verbannen. Benden roekeloze schurken trokken door haar straten, koesterden zich op haar muren en spuugden hun lasteringen uit op haar heilige plaatsen. Hier was reden genoeg voor het verdriet dat zich zo klagend uitspreekt in deze verzen.
Vers 13
Let eens op hoe precies de psalmdichter zijn eigen psalm beschreef toen hij zei: “Ik bedrijf misbaar in mijn klacht”. Of liever: “ik laat mijn gedachten de vrije loop”. Hij springt van het ene punt van zijn verdriet naar het andere. Hij dwaalt voort als iemand in een doolhof, houdt weinig pauzes en geeft nauwelijks aan dat hij van onderwerp verandert.
Nu wendt zijn geest zich van de onrustige stad naar de valse raadsman. “Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen.” Het was geen openlijke vijand, maar een schijnvriend. Hij liep over naar het andere kamp, bij de vijanden van zijn vriend, en probeerde zijn verraad geloofwaardig te maken door zijn oude vriend te belasteren. Niemand is zo’n echte vijand als een valse vriend. Zijn haat is des te scherper omdat hij van dichtbij komt. Smaad van mensen met wie we vertrouwelijk omgingen en die we vertrouwden, snijdt ons door de ziel. Meestal kennen ze onze zwakke plekken zo goed dat ze weten waar ze ons het gevoeligst raken. Ze spreken precies zo dat het ons de meeste schade doet.
De lasteringen van een open tegenstander zijn zelden zo gemeen en laf als die van een verrader. Omdat er geen ondankbaarheid en trouweloosheid bij zit, zijn ze ook minder zwaar te dragen. Wat we van Simeï kunnen verdragen, kunnen we van Achitofel niet verduren. “Het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.” Voor open vijanden kunnen we een schuilplaats vinden, maar wie kan aan verraad ontkomen? Als onze vijanden hoogmoedig over ons opscheppen, spannen we onze ziel tot verzet. Maar als mensen die beweerden van ons te houden ons minachtend uitgrijnzen, waar moeten we dan heen?
Onze gezegende Heere moest in de ergste vorm het bedrog en de trouweloosheid van een bevoorrechte leerling ondergaan. Laten we ons dus niet verbazen als wij geroepen worden om de weg te gaan die getekend is door Zijn doorboorde voeten.
Vers 14
“Maar gij zijt het.” Nu ziet hij hem voor zich. De dichterlijke vervoering grijpt David aan, en hij ziet de verrader alsof die in levenden lijve voor hem staat. Hij pikt hem eruit, wijst met de vinger naar hem en daagt hem recht in zijn gezicht uit. Maar jij! Et tu, Brute. Ook jij, Achitofel, ben jij hier? Judas, “verraadt gij den Zoon des mensen?” Jij, “o mens, als van mijn waardigheid”! Ik behandelde je als iemand van mijn eigen stand, ik keek nooit op je neer en ik had je lief als een vertrouweling.
Jij was “mijn leidsman”, een raadsman zo wijs dat ik op jouw advies vertrouwde en het verstandig vond ernaar te luisteren. Jij was “mijn bekende”. Ik stond op de innigste voet met je, ik kende je zoals jij mij kende, want we deelden onze diepste gedachten. Je was geen vreemde met wie je zo nu en dan een praatje maakt, maar een dierbare vriend, die tot mijn geheimste kring was toegelaten. Dat zo iemand vals van hart bleek, was duivels verraad. Voor zulke gemeenheid bestaat geen enkel excuus.
Judas stond tegenover onze Heere in bijna dezelfde verhouding. Hij werd als gelijke behandeld, kreeg als penningmeester het vertrouwen en werd in die rol vaak om raad gevraagd. Hij wist waar de Meester Zijn eenzaamheid zocht. Ja, hij kende al de gangen van de Meester, en toch verried hij Hem aan Zijn meedogenloze tegenstanders. Met alle recht had de Heere naar hem kunnen wijzen en kunnen zeggen: “Maar gij!” Maar Zijn zachtere geest waarschuwde de zoon des verderfs op de mildste manier. En was Iskariot niet tienmaal meer een kind van de hel geweest, dan had hij van zijn afschuwelijke plan afgezien.
Vers 15
“Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden.” Dit was geen overleg zoals mensen dat in het openbaar voeren, of over alledaagse zaken. Hun omgang was warm en vertrouwelijk geweest. De verrader was liefdevol bejegend en kreeg veel vertrouwen. Uit hun innige gesprekken was wederzijdse, opbeurende troost gegroeid. Er waren geheimen tussen hen van een bijzondere soort. Ziel had met ziel gesproken, althans van Davids kant. Hoe gehuicheld de genegenheid van de trouweloze ook was, zijn bedrogen vriend had hem nooit koel behandeld en nooit zijn woorden voor hem op een goudschaaltje gewogen. Schande over die ellendeling, die zo’n band kon loochenen en zo’n vertrouwen kon beschamen!
“Wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.” Het geloof had hun omgang heilig gemaakt. Ze hadden samen aanbeden en over hemelse dingen gesproken. Als er al banden zijn die onaantastbaar moeten blijven, dan zijn het banden van geloof. Het is een bijzonder verfoeilijke goddeloosheid om de band te schenden tussen mensen die zeggen God te vrezen. Zal Gods eigen altaar met huichelarij worden besmet? Zullen de samenkomsten in de tempel worden bevuild door verraad? Dat gold voor Achitofel, en tot op zekere hoogte voor Judas. Hij was met de Heere verbonden op grond van geloof.
Ze deelden de heiligste ondernemingen, en Judas was op de genadigste zending uitgezonden. Maar hij werkte met Jezus samen om zijn eigen verfoeilijke doelen te dienen. Daarmee stempelde hij zichzelf tot de eerstgeborene van de hel. Het was beter voor hem geweest als hij nooit geboren was.
Laten alle huichelachtige belijders door zijn lot gewaarschuwd zijn. Want net als Achitofel ging hij door eigen hand naar zijn eigen plaats, en hij houdt een gruwelijke voorrang in de lijst van beruchte misdaden. Dit was één bron van hartzeer voor de Verlosser, en Zijn volgelingen delen erin. Uit het slangengebroed zijn nog altijd enkele adders over. Ze steken de hand die hen warm hield, en ze verkopen voor zilver wie hen hebben opgetild tot de positie waarin ze zo verfoeilijk trouweloos konden zijn.
Vers 16
“Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen.” Zó zou Jezus niet bidden. Maar de ruwe krijgsman David stortte op deze manier zijn angst uit. Hij leed onder verraad en boosaardigheid die zelden zijn geëvenaard en waar hij geen enkele aanleiding toe had gegeven. Een krijger wenst zijn vijanden de ondergang. Daar vecht hij immers voor. En zuiver juridisch had David gelijk met deze wens. Hij voerde een rechtvaardige verdedigingsoorlog tegen mensen die niets gaven om waarheid en recht. Lees deze woorden dus als de vervloeking van een krijgsman.
“Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle.” Verraders als deze verdienen te sterven. Je kunt niet met hen leven, want de aarde wordt besmet door hun voetstappen. Als spionnen worden gefusilleerd, dan zeker deze sluipende schurken. “Dat zij als levend ter helle nederdalen.” Nu ze nog in de kracht van hun leven staan, laat hen wegzinken in de Sheol. Laat hen plotseling het genot van de levenden ruilen voor het graf van de doden. Toch hoeven we dit vers niet als een vloek te lezen. Het is eerder een zekere verwachting, een profetie. David was er zeker van dat God hen zou verwoesten en hen uit het land der levenden zou werpen, naar de oorden van de doden.
“Want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.” Ze zijn te slecht om gespaard te worden. Hun huizen zijn schuilplaatsen van de misdaad en hun harten bronnen van onheil. Ze zijn een pest voor de samenleving, een zedelijke plaag, een geestelijke besmetting, die moet worden uitgeroeid door de wetten van mensen en door Gods voorzienigheid. Zowel Achitofel als Judas maakten snel een einde aan hun eigen leven. Absalom bleef hangen in de eik, en de opstandelingen kwamen in het woud met grote aantallen om.
Er is gerechtigheid in het heelal, en de liefde zelf eist haar. Medelijden met opstandelingen tegen God, als opstandelingen, is geen deugd. We bidden voor hen als schepselen van God, maar we verafschuwen hen als vijanden van God. In onze tijd moeten we veel meer op onze hoede zijn voor de vermomde ongerechtigheid die met het kwaad meevoelt en straf wreedheid vindt, dan voor de hardheid van vroeger tijden. We hebben zo ver van Scylla weggestuurd dat Charybdis ons nu opslokt.
Vers 17
“Mij aangaande, ik zal tot God roepen.” De psalmist wilde de plannen van zijn tegenstanders niet met tegenplannen beantwoorden, en hun voortdurende geweld niet nadoen. Lijnrecht tegenover hun goddeloze gedrag zou hij steeds zijn toevlucht nemen tot zijn God. Zo deed Jezus, en het is de wijsheid van alle gelovigen geweest hetzelfde te doen. Het laat zien hoe verschillend hun karakter is, en het voorspelt ook hoe verschillend hun einde zal zijn. De rechtvaardigen zullen opstijgen naar hun God, de goddelozen zullen wegzinken in het verderf.
“En de HEERE zal mij verlossen.” Jehova zal mijn wens vervullen en Zichzelf verheerlijken in mijn redding. De psalmist is er zeker van. Hij weet dat hij zal bidden, en hij is net zo zeker dat hij verhoord zal worden. De naam waarmee God Zich in het verbond bekendmaakt, is het onderpand van de belofte in dat verbond.
Vers 18
“Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen.” Vaak, maar niet te vaak. Tijden van grote nood vragen om veel momenten van aanbidding. De drie gekozen tijdstippen zijn heel passend. De dag beginnen met God, voortzetten met God en eindigen met God is de hoogste wijsheid. Waar de tijd zelf een grens heeft getrokken, laten we daar een altaarsteen oprichten. De psalmist bedoelt dat hij altijd zal bidden. Hij zal een lijn van gebed recht door de dag trekken en met zijn smeekbeden de zon volgen. Dag en nacht zag hij zijn vijanden bezig (Ps. 55:11). Daarom zou hij hun drukte beantwoorden met onophoudelijk gebed.
“En getier maken.” Hij zou zijn klacht een stem geven. Hij zou met grote ernst bij de hemel pleiten. Sommigen roepen luid die geen woord zeggen. Het is de bel van het hart die het hardst klinkt in de hemel. Sommigen lezen het zo: “Ik zal zuchten en mompelen.” Diepe gedachten van het hart horen vergezeld te gaan van onduidelijke maar hevige uitingen van verdriet. God zij dank: kreunen kan in de hemel worden verstaan. Het hart van een vader leest het hart van zijn kind.
“En Hij zal mijn stem horen.” Hij is er zeker van dat hij zal overwinnen. Hij twijfelt er niet aan dat hij wordt verhoord. Hij spreekt alsof hij al antwoord had gekregen. Als ons venster naar de hemel openstaat, staan de vensters van de hemel voor ons open. Heb alleen een smekend hart, en God zal een overvloedige hand hebben.
Vers 19
“Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij.” De redding is gekomen. Joab heeft de opstandelingen verslagen. De Heere heeft de zaak van Zijn gezalfde recht gedaan. Het geloof ziet net zo goed als het vooruitziet. Voor het geloof is vooruitzien hetzelfde als zien. David is niet alleen veilig maar ook kalm: “in vrede verlost”, vrede tot in zijn diepste ziel.
“Want met menigte zijn zij tegen mij geweest.” Of misschien erkent hij dankbaar dat de Heere hem onverwachte bondgenoten liet opstaan. Hij bracht hem hulp toen hij die het hardst nodig had, en maakte de vriendenloze vorst weer tot het hoofd van een groot leger. De Heere kan onze situatie snel veranderen, en Hij doet dat vaak wanneer onze gebeden vurig worden. De beslissende wending in een mensenleven vindt meestal plaats op de geheime plek van het worstelen met God. De Jabbok maakte Jakob tot een overwinnend vorst. Hij Die ons van alle vrienden beroofde, zodat we Hem Zelf zouden zien in hun afwezigheid, kan ze ons in groter getal teruggeven, zodat we Hem nog blijer zien in hun aanwezigheid.
Vers 20
“God zal horen, en zal hen plagen.” Zij maken net zoveel lawaai als ik, en God zal hen horen. De stem van laster, boosaardigheid en hoogmoed wordt niet alleen gehoord door wie ze kwetst. Ze reikt tot de hemel, ze dringt door tot het oor van God, ze eist wraak, en ze zal die krijgen. God hoort en bevrijdt Zijn volk, Hij hoort en vernietigt de goddelozen. Hun wrede spot, hun lage leugens, hun laffe beledigingen en hun brutale godslasteringen worden gehoord. De eeuwige Rechter zal ze hun betaald zetten.
“Als die van ouds zit.” Hij zit in de eeuwigheid, voor eeuwig op de troon als Rechter. Alle gebeden van de heiligen en alle godslasteringen van de zondaars liggen voor Zijn rechterstoel, en Hij zal erop toezien dat er gerechtigheid komt. Sela. De zanger houdt stil, overweldigd door ontzag in de tegenwoordigheid van de eeuwige God.
“Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.” Zijn eigen eerbied doet hem denken aan de brutale goddeloosheid van de goddelozen. Hij voelt dat zijn eigen beproevingen hem naar zijn God hebben gedreven. En hij zegt dat hun onafgebroken voorspoed de reden was dat zij zo onverschillig leefden tegenover de Allerhoogste. Het is een duidelijk feit dat lang gemak en plezier de slechtste invloed hebben op mensen zonder genade. Moeiten bekeren hen niet, maar zonder moeiten krijgt hun verdorven natuur alle ruimte om uit te groeien. Stilstaand water gaat rotten. Zomerhitte brengt schadelijk gedierte voort. Wie geen zorgen heeft, heeft vaak ook geen God. Het is een krachtig bewijs van menselijke verdorvenheid dat de mens Gods barmhartigheid verandert in voedsel voor de zonde. De Heere behoede ons daarvoor.
Vers 21
De psalmist kan het gedrag van de verrader niet vergeten. Hij komt er steeds op terug om erover na te denken. “Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden.” Hij slaat hen aan wie hij de hand van vriendschap had gegeven. Hij verbreekt de banden van het verbond. Hij is trouweloos tegenover mensen die gerust leefden op grond van zijn vriendelijke belijdenis. “Hij ontheiligt Zijn verbond.” Het plechtigste verbond heeft hij ontheiligd. Eden en beloften telden voor hem niet.
Vers 22
“Zijn mond is gladder dan boter.” Hij prees de man die hij hoopte te verslinden, en smeerde hem in. Hij besmeerde hem met vleierij en sloeg hem daarna neer met boosheid. Wees op je hoede voor een man met te veel honing op zijn tong. Waar het lokaas zo verleidelijk is, moet je een valstrik vermoeden. Zachte, gladde, olieachtige woorden vind je het meest waar waarheid en oprechtheid het zeldzaamst zijn. “Maar zijn hart is krijg.” Hij bracht boter in een prachtige schaal, maar hij had een tentpin klaar voor de slapen van zijn gast. Als hart en lippen zo ver uit elkaar liggen, is zo’n man een monster, en wie hij aanvalt is er diep ongelukkig aan toe.
“Zijn woorden zijn zachter dan olie.” Niets kon zalvender en vloeiender klinken. Er zat geen enkele aanstootgevende lettergreep in, geen wanklank of valse noot. Zijn woorden waren zo meegaand als het fijnste sap van de olijf. En toch waren ze getrokken zwaarden, ontblote degens, wapens die gezwaaid werden voor de strijd. Ach! Gemene ellendeling, je vleit je slachtoffer terwijl je van plan bent het te verslinden! Je probeert het in de val te lokken alsof het een roofdier was. Zo iemand ben je zelf, dat is zeker.
Vers 23
“Werp uw zorg op den HEERE.” Of wat God je ook oplegt: werp het op de Heere. Zijn wijsheid legt het op je schouders, en het is jouw wijsheid het op Hem te werpen. Hij wierp jouw lot voor je, werp jouw lot op Hem. Hij geeft je jouw deel van het lijden. Aanvaard het met een blij gemoed, en breng het dan naar Hem terug met je rotsvaste vertrouwen.
“Hij zal u onderhouden.” Je brood wordt je gegeven, je water zal niet opdrogen. Overvloedig voedsel maakt je geschikt om al je werk en alle beproevingen te dragen. Zoals je dagen, zo zal je kracht zijn.
“Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.” Hij mag heen en weer bewegen als de takken van een boom in een storm, maar hij zal nooit bewogen worden als een boom die met wortel en al wordt uitgerukt. Wie in God staat, staat vast. Velen zouden de heiligen willen vernietigen, maar God heeft dat niet toegelaten en Hij zal het nooit toelaten. Als pilaren staan de godvruchtigen onwrikbaar, tot eer van de grote Bouwmeester.
Vers 24
Voor de goddelozen staat een zekere, verschrikkelijke en dodelijke ondergang klaar. Hoe hoog ze ook klimmen, de put gaapt al voor hen. God Zelf zal hen erin laten afdalen, en daar zal het verderf hun deel zijn. Bloeddorstige en bedrieglijke mensen, belast met de dubbele schuld van wreedheid en sluwheid, zullen de helft van hun dagen niet halen. Ze worden afgesneden in hun twisten, of ze gaan dood van ergernis als hun listen mislukken. In hun hart waren ze moordenaars van anderen, en in werkelijkheid werden ze moordenaars van zichzelf. Twijfel er niet aan: deugd verlengt het leven, en ondeugd verkort het.
“Ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.” Wat een wijze, praktische slotsom! We kunnen geen betere grond voor vertrouwen hebben. De Heere is alles, en meer dan alles wat het geloof nodig kan hebben als fundament voor een rustig vertrouwen. Heere, vermeerder ons geloof, steeds opnieuw.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Maschil. Dit woord staat vaak boven de psalmen waarin David zegt dat God hem tuchtigt, want het doel van tuchtiging is onderwijs. — Simon de Muis, 1587-1644.
Gehele psalm
Een gebed van de Mens Christus in Zijn vernedering, veracht en verworpen door de mensen, toen Hij zonde werd gemaakt voor Zijn volk, opdat zij Gods gerechtigheid zouden worden in Hem. Hij stond op het punt hun straf te dragen, hun schuld te betalen en hun losprijs te voldoen. De inwoners van Jeruzalem waren door en door verdorven. De Messias werd verraden door een van de twaalf die Hij tot apostel had aangesteld, en die Hem op al Zijn reizen in Zijn ambt voortdurend vergezelde. De verrader Judas stierf vroegtijdig en als straf, net als anderen die samenspanden om de Heere der heerlijkheid te kruisigen. — John Noble Coleman, M.A., in “A Revision of the authorised English Version of the Book of Psalms,” 1863.
Vers 2
In het eerste zinsdeel gebruikt hij het Hebreeuwse woord ((Hebr.)). Daarmee laat hij zien dat hij van God alleen rechtvaardigheid vroeg, zoals van een Rechter. In het tweede zinsdeel smeekt hij om Gods gunst. Want als het gebed om gerechtigheid minder gepast is voor hem als zondaar, mag God hem Zijn genade toch niet weigeren. — Hermann Venema.
Vers 2
“Verberg U niet voor mijn smeking.” Dit beeld komt van een koning die een overtreder verbiedt zijn gezicht te zien (2 Sam. 14:24). Of van een vijand die zich verbergt voor de os van zijn tegenstander, enzovoort. Dat wil zeggen: hij doet alsof hij het dier niet ziet en loopt weg, en laat het in de steek (zie Deut. 22:1,3,4 en Jes. 58:7). Of van een valse vriend of een onvriendelijk mens. Die voorziet dat een ellendig en arm man hem om hulp zal smeken, laat zich daarom niet zien en probeert te ontsnappen. — Martin Geier, 1614-1681.
Vers 3
“Ik bedrijf misbaar.” Zoals iemand die door verdriet is neergedrukt en een treurig geluid maakt. — Henry Ainsworth, 1662.
Vers 3
“Ik bedrijf misbaar”, enzovoort. Een treurende smekeling verliest noch zijn gebeden noch zijn tranen. Want “ik bedrijf misbaar” wordt genoemd als reden voor zijn hoop dat God zal luisteren en horen. — David Dickson.
Vers 3
Ik bedrijf misbaar in mijn klacht. De letterlijke vertaling van deze woorden is: ‘Ik laat mijn gedachten dwalen.’ Dat wil zeggen: ik laat mijn gemoed vrij rondzwerven, en ik laat mijn gedachten gaan waarheen zij willen. — J. A. Alexander.
Vers 3
In mijn klacht. Heiligen hebben genoeg te klagen. Ze klagen over hun eigen zonden en verdorvenheid, over hun dorheid en onvruchtbaarheid, en over het wegkwijnen van het levende geloof in hen. Ze klagen over de lage toestand van Sion, over de dalende invloed van de zaak van Christus en over het geringe resultaat van Zijn evangelie. In al die klachten treuren en kreunen ze over hun eigen zonden en over de zonden van anderen, van belijders en van goddelozen. Ze treuren ook onder allerlei verdrukking, tijdelijke en geestelijke, hun eigen nood en die van de kerk.
Ook Christus had in de dagen van Zijn vlees Zijn klachten: over de verdraaidheid en het ongeloof van de mensen onder wie Hij leefde, over de koppigheid, de hoogmoed en de twisten van Zijn discipelen, over de smaad, de spot en het onrecht van Zijn vijanden, en over de verlating door Zijn God en Vader. Vaak treurde Hij om een van deze dingen, want Hij was een Man van smarten en verzocht in krankheid. — John Gill.
Vers 3
In mijn klacht. Het woord dat hier staat, betekent meestal ‘gesprek’ of ‘overpeinzing’. Hier heeft het de betekenis van klacht, zoals in Job 7:13; 9:27; 21:4; 23:2; Psalm 142:3 en 1 Samuël 1:16. Het wordt niet gebruikt voor klagen in de zin van vitten, aanklagen of beschuldigen, en ook niet om het gevoel dat ons onrecht is aangedaan. Dat is niet wat het woord hier betekent, en elders in de Schrift in het algemeen evenmin. Dit is de taal van een angstige geest, niet van een gekrenkte geest. — Albert Barnes, 1868.
Vers 3
Belijdenis. Als de ziel smelt van heilige schaamte en droefheid over de zonden die ze voor de Heere uitspreidt, voelt ze van binnen een heilige pijn en smart. Dan speelt iemand geen treurspel met een vrolijk hart. Chrysostomus zegt: “Tranen schilderen is erger dan een gezicht schilderen.” Hier is echte vurigheid, hier is echte gloed: Ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier. Het buskruit kan opflitsen terwijl er geen schot uit het geweer komt, en een harde wind kan blazen zonder dat er regen valt. David maakte lawaai met zijn stem én treurde in zijn geest. — William Gurnall, 1617-1679.
Vers 4
Om den roep des vijands: daar hoor je hun gescheld. Vanwege de beangstiging des goddelozen: daar zie je hoe ze hem gewelddadig van zijn bezit beroven. Zij schuiven ongerechtigheid op mij: daar horen we hun lasterlijke aantijgingen en hun valse beschuldigingen tegen hem. In toorn haten zij mij: daar zien we hoe wreed ze hem naar het leven staan. — David Dickson.
Vers 4
Want zij schuiven ongerechtigheid op mij. Ze rollen die op hem af, zoals mensen stenen of andere zware dingen op hun belegeraars laten rollen om hun schade te doen. Zo gooiden deze mannen zonde, schande, werkelijk alles op de onschuldige David, om hem gehaat te maken. — John Trapp.
Vers 5
Smart, of: beeft van pijn. Het woord wijst meestal op de pijn die een vrouw voelt bij de bevalling. — Henry Ainsworth.
Vers 5
Verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. Mijn hart, zei de gekwelde psalmist, smart in het binnenste van mij. En hoewel ik vaak gerustgesteld ben over mijn aandeel in de liefde en gunst van God, zijn nu toch de verschrikkingen des doods over mij gekomen. Wat David overkomt, is niet alleen voor hem bestemd. Het tekent in de treffendste kleuren een gemoedstoestand die veel voorbeeldige christenen vaak kennen, soms zelfs voortdurend. Velen hebben hun hoop op de juiste grond gebouwd, namelijk op Christus Jezus, en leiden een gelijkmatig en consequent leven. Toch worden ze bijna onophoudelijk gekweld door de knagende angst voor de dood…
Het zal een boeiend en nuttig onderzoek zijn om de echte oorzaken van die angst te onderzoeken. Want ze voedt aan de ene kant zwaarmoedigheid en moedeloosheid, en ze vernietigt aan de andere kant ons geluk. Om dit doel te bereiken, wil ik twee dingen bekijken:
- De verschillende oorzaken van de angst voor de dood.
- De argumenten die die angst kunnen wegnemen.
Er zijn maar weinig mensen die zo verhard zijn in het kwaad, of zo onverschillig voor elke waarschuwing, dat ze aan het ontzagwekkende ogenblik van het sterven kunnen denken zonder schrik en ontzetting. Er is iets diep indrukwekkends in de gedachte aan een verandering die we nog nooit hebben meegemaakt, en aan een toestand die niemand van ons heeft beproefd. Zelfs de stoutste oudgedienden hebben toegegeven hoe verschrikkelijk dat vooruitzicht eruitziet.
Een van de eerste oorzaken van de angst voor de dood is bewust schuldbesef: we weten van onze schuld. De meest verharde mens is zich bewust van veel dingen die hij liever niet bekent. En ook de meest zelfgerechtige kent veel misdaden die hij handig probeert te verbergen. Zolang de christen alleen naar zijn eigen gewoonten en karakter kijkt, kan hij niet anders dan ellendig zijn en zal hij dat ook blijven. Maar zodra hij opziet naar de grote Borg, Christus Jezus, verandert zijn sombere toekomst al snel in vreugde.
Gehechtheid aan deze wereld is een (tweede) oorzaak. Een (derde) oorzaak is de drang tot zelfbehoud. Onze lichamen worden vertroeteld door hoogmoed en gevoed door genot. Dat ze straks aan het stille graf worden overgegeven en zelfs voedsel voor wormen worden, is een vernederende gedachte voor de opgeblazen waardigheid van de mens. Bovendien komt de natuur in opstand tegen haar eigen ontbinding. Daarom is er in ons de duidelijke, ingeplante wens om in leven te blijven. Ook mag de duivel (ten vierde) vaak het geweten van mensen angst aanjagen, en zo de angst voor de dood nog groter maken.
Ongeloof is een (vijfde) oorzaak. Als ons geloof vaker werd geoefend, zouden we voorbij de sombere woningen van het graf kunnen kijken, met een hoop vol onsterfelijkheid. Soms komt onze angst voor de dood ook doordat we in onszelf een volmaaktheid zoeken die we nooit gemakkelijk zullen vinden.
Bekijk nu de argumenten die de angst voor de dood kunnen wegnemen. Eerst moeten we opmerken dat de troost van het geloof alleen bedoeld is voor echte christenen. Wie God niet vreest, heeft immers goede reden om bang te zijn als de dood nadert. Maar wie zich gebogen heeft onder het besef van zijn eigen onwaardigheid en naar Christus is gevlucht voor vergeving en zaligheid, hoeft noch de pijn noch de gevolgen van de dood te vrezen. Want ten eerste is de angel van de dood weggenomen. Ten tweede is de dood geen vijand meer maar een vriend.
In plaats van ons met ellende te bedreigen, nodigt hij ons uit tot geluk. Ten derde rust de veiligheid van onze toestand op de eed, het voornemen en de beloften van God. Een vierde argument is de gedachte aan het voordeel dat de dood ons oplevert. En een vijfde argument zijn de weldaden die gelovigen van Christus ontvangen bij de opstanding. — Samengevat uit een preek van John Grove, M.A., F.A.S., 1802.
Verzen 5-6
In de vertaling van de Psalmen in het Gebedenboek staat dit vers eenvoudiger en directer, bijna huiselijk: “Mijn hart is verontrust in mij, en de vrees voor den dood is op mij gevallen. Vrees en beving komt mij aan, en een gruwelijke schrik heeft mij overdekt.”
De vrees voor de dood heerst over alle vlees. Het is geen teken van mannelijkheid om haar niet te voelen. Haar overwinnen op de weg van de plicht is moed. De dood geduldig tegemoet treden is geloof. Maar hem helemaal niet vrezen is óf een gave van bijzondere genade óf een gevaarlijke ongevoeligheid. Ongetwijfeld hebben grote heiligen kunnen zeggen: “Hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn.” En velen zijn naar het martelaarschap gesneld alsof ze naar de liefde en de armen van hun Heere renden. Maar voor de anderen, de menigte van Zijn kudde, die geen moedwillige zondaars zijn en toch niet bij de heiligen te tellen, is de gedachte aan de dood een gedachte vol angst.
Zodra ze maar één voet hebben gezet op het pad naar het graf, voelen ook goede mensen “de verschrikking des doods” en “een gruwelijke schrik”, die elke polsslag jaagt en laat bonken. Hun hele wezen, lichaam én ziel, beeft tot in het diepst van zichzelf, en hun hart is “verontrust” en “pijnlijk getroffen”. Laten we nagaan wat de oorzaken of redenen zijn van die “vrees voor den dood.”
De eerste moet wel het besef van eigen zondigheid zijn. We voelen ons ongeschikt om God te ontmoeten en onvoorbereid om te sterven. We zien een menigte persoonlijke tekortkomingen, boze neigingen, gedachten en verlangens. We herinneren ons ontelbare zonden, grote nalatigheid en lauwheid in alles wat met ons geloof te maken heeft, de geringe liefde en dankbaarheid die we God tonen, en hoe onvolmaakt ons berouw is. Al deze dingen samen doen ons beven bij de gedachte dat we rekenschap moeten afleggen. Het voelt alsof het onmogelijk is dat wij gered worden. Schaamte, vrees en “een gruwelijke schrik” overvallen ons. — Henry Edward Manning, M.A., 1850.
Vers 6
Vrees en beving komt mij aan. Leer uit deze erbarmelijke gemoedstoestand dat het niet strijdig is met een godvrezend leven om in tijden van gevaar sterk door angst bewogen te worden. Natuurlijke gevoelens worden bij de bekering niet weggenomen. Ze worden geheiligd en in toom gehouden. — David Dickson.
Vers 6
Vrees. Wat een levensecht beeld! Hij verkeert in nood, hij treurt, hij maakt lawaai, hij snikt en zucht, zijn hart is gewond en hij verwacht niets dan de dood. Dat brengt vrees voort, dat brengt beving voort, en het eindigt in dat diepe voorgevoel van naderend, onvermijdelijk verderf dat hem met afgrijzen overweldigt. Nooit heeft iemand zo overtuigend een gewond hart beschreven als David. — Adam Clarke.
Vers 7
Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. Waar de psalmist ook keek, overal las hij hetzelfde opschrift: ijdelheid en kwelling des geestes. Een zondvloed van zonde en ellende bedekte de wereld. Net als Noachs duif vond hij hier beneden geen plekje om zijn voet neer te zetten. Daarom zet hij koers naar de hemel en zegt: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. Maar rust is geen burger van deze wereld. Alleen de hemel der hemelen is in rust, en daar alleen vestigt hij zich. — Thomas Sharp (1630-1693), in “Divine Comforts.”
Vers 7
Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave enzovoort. Koning David was wat onschuld betreft niet alleen een duif maar de feniks onder de duiven. Zo was hij een bijzonder opvallend beeld van Christus, op Wie de Heilige Geest neerdaalde in de gedaante van een duif. Toch was zijn hele leven niets anders dan bellum sine induciis: een voortdurende vervolging zonder onderbreking. Dat was ook het deel van Christus, de Heere van David. En dat zal tot het einde van de wereld het lot zijn van allen die Christus’ erfdeel zijn. Mijn tekst houdt niet minder in.
Historisch gezien is het de stem van David, opgejaagd door zijn vijanden. Profetisch is het de stem van Christus in Zijn lijden. Mystiek is het de stem van die mystieke duif, de onschuldige ziel, omringd en omsingeld door de strikken des doods. Ja, het is ook generalis quoendam querela (zegt Pellicanus): een algemene klacht over de boosheid van de goddelozen die de rechtvaardigen vervolgen. Want (helaas dat het zo moet zijn, maar zo is het) —
“Non rete accipitri tenditur, neque milvio,
Qui male facinunt nobis; illis qui nil faciunt tenditur.” — Terentius.
“Het net wordt niet uitgezet voor roofvogels als de havik en de wouw, maar voor arme, onschuldige vogels die nooit kwaad in de zin hebben.” En
“Dat veniam corvis, vexat censura columbas.”
“De duif wordt zeker beschoten, terwijl de aaskraai ongestraft wegkomt.” — Juvenalis.
Het zal je dan geen nieuws zijn dat de gelovige ziel, de bruid, de duif van Christus, verlangt “als een vogel uit haar kooi bevrijd te worden” zodra nood en zwaarmoedigheid haar in hun greep krijgen en de beken van Belial haar omringen (tanquam avis e cavea liberari cupit, zoals de heilige Augustinus zegt over de kloosterlingen van zijn tijd). Neem Jonas, wiens naam door uitlegging ‘duif’ betekent. Na drie dagen en drie nachten gevangenschap in de buik van de walvis kon hij niet anders dan verlangen naar vrijheid. Zo gaat het ook de duifachtige ziel van de mens, wanneer ze langer vastzit.
Ze zit niet drie dagen, maar vele dagen, maanden en jaren gevangen in het lichaam. Dan groeit er een hunkerend verlangen om verruimd te worden en op te vliegen naar God, Die haar maakte. Zo treurt ze als een duif in vrome smeking en stijgt ze op als een duif in hemelse overpeinzing, en dan barst ze los in deze droeve klaagzangen: “Och, dat ik vleugelen had!” en “Helaas dat ik geen vleugelen heb! O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! … hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Wie zal mij vleugelen geven?” enzovoort.
Het is alsof de arme, bedroefde ziel haar verlaten toestand als pelgrim ontroerend beweent en zich dan nog uitvoeriger uitbreidt: “Mijn Bruidegom is al hoger opgevaren dan de winden, dan de wolken, dan de hoogste hemelen. En ik, arme ziel, ben als een weduwe zonder man, als een wees zonder voogd, als een balling zonder troost. Ik ben eenzaam en troosteloos achtergelaten in dit dal van tranen. Er is niemand die zich om mij bekommert, niemand die mij troost, totdat ik Hem heb teruggewonnen Die ik liefheb en in Wie ik leef. Ja, en wat erger is: mijn eigen vertrouwde vriend, mijn naaste en dierbaarste gezel, mijn lichaam, is mij zelfs een last. Het gewicht ervan, en vaak ook de zonden die er zo vast aan kleven, houden mij zo tegen en leggen mij zo in de boeien, plakken en nagelen mij zo vast aan de aarde, dat ik mij niet kan verheffen naar de hemel. Laat Hij daarom afdalen om mij te verlichten, want ik ben fila, sponsa, soror: Zijn dochter, Zijn bruid en Zijn zuster. Of laat Hij mij vleugelen geven om naar Hem op te stijgen, onder Wiens vleugelen ik zeker veilig zal rusten.”
“Ik moet bekennen dat het de bittere uiterste nood was die mij ertoe dwong Hem lief te hebben, hoewel Hij in Zichzelf niet minder lieflijk is dan de liefde zelf. De scherpe saus van het lijden gaf mijn verlangens een scherpe rand en maakte mijn eetlust scherp naar die zoete ‘spijs, die blijft tot in het eeuwige leven.’ Maar nu ik een klein voorsmaakje van Hem heb gehad, ben ik, zelfs in een heilige vervoering, zo verrukt en meegesleept door een vurig verlangen naar Hem en Zijn tegenwoordigheid, dat ubi sum, ibi non sum; ubi non sum, ibi animus est:” “waar ik ben, ben ik niet; en waar ik niet ben, daar ben ik.” Want anima est ubi amat, non ubi animat (Erasmus): “De ziel is waar zij liefheeft, niet waar zij leeft.” Nu zucht ik niet zozeer om de gevaren van dit ogenblik, die ik zou willen ontlopen, als wel om mijn afwezige Liefde, naar Wie ik het meest verlang. Wie zal mij vleugelen geven?” enzovoort.
Als je dit vers met mij ontleedt, zul je opmerken:
- De werkende oorzaak, degene die deze vleugelen schenkt: God. Wie zal mij geven? Wie? Dat wil zeggen: wie anders dan God alleen?
- De stof van de wens: vleugelen. “Wie zal mij vleugelen geven?”
- De vorm van die vleugelen: duifachtig. Wie zal mij vleugelen geven gelijk aan een duif?
- Het tussendoel: vliegen. Dan zou ik henenvliegen.
- Het einddoel: rusten. En ik zou rusten.
(a) “Wie zal mij geven?” Daar spreekt christelijke nederigheid.
(b) “Wie zal mij vleugelen geven?” Daar spreekt verstandige spoed.
(c) “Vleugelen gelijk aan een duif.” Daar spreekt onschuldige eenvoud.
(d) “Dan zou ik henenvliegen.” Daar spreekt godvruchtige verheffing.
(e) “En ik zou rusten.” Daar spreekt blijvende veiligheid.
— John Rawlinson, in “The Dove like Soule. A Sermon preached before the Prince’s Highness at Whitehall,” 19 februari 1618.
Vers 7
Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave enzovoort. Over deze tekst zijn enkele van de meest verbazingwekkende preken ooit gehouden. Oude godgeleerden hielden er erg van. Ze doorzochten de boeken van Plinius en Aldrovandus naar de wildste fabels over duiven, over hun ogen, hun levers, hun kroppen en zelfs hun uitwerpselen. Daarna gingen ze in elk feit en elke fabel een beeld van christenen zoeken.
Griffith Williams gaat uitvoerig in op het feit dat David geen vleugelen wenste als van een sprinkhaan, die van bloem naar bloem springt, zoals haastige zielen die in het geloof wel springen maar niet met volharding lopen. Ook geen vleugelen als van een struisvogel, die op de grond blijft hoewel hij een vogel is, zoals huichelaars doen die nooit opstijgen naar hemelse dingen. En ook niet als van een arend, een pauw, een kever, een kraai, een wouw of een vleermuis. Nadat hij op vele manieren heeft laten zien hoezeer godvrezenden op duiven lijken, verwijst hij ons voor meer naar Hugo Cardinalis en anderen.
Wij denken niet dat het tot stichting zou strekken om deze bladzijden te beladen met zulke zonderlinge dingen en gezochte vondsten. Eén enkele zin van bisschop Patrick is ze allemaal waard: “Hij wenste eerder te ontkomen dan dat hij het hoopte.” Hij zag geen uitweg behalve via een of ander onwaarschijnlijk of onmogelijk middel. — C. H. S.
Vers 7
Toen de Galliërs de wijn van Italië hadden geproefd, wilden ze weten waar de druiven groeiden. Ze rustten niet voordat ze er zelf waren. Zo kun je ook uitroepen: “Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.” Een gelovige is graag bereid de wereld te verliezen om van Gods genade te kunnen genieten. En hij is bereid de wereld te verlaten om de heerlijkheid te mogen beleven. — William Secker.
Vers 7
Vleugelen, als ener duive. Een duif is een van de snelste vogels die er zijn. — Uit het “Book of Psalms, with Preface and Explanatory Notes” van de Religious Tract Society.
Vers 7
Een oude schrijver zegt dat het eervoller was geweest als David om de kracht van een os had gevraagd om zijn beproevingen te dragen, in plaats van om de vleugelen van een duif om ze te ontvluchten. — William Jay, 1769-1853.
Vers 7
Duif. Ik neem aan dat hier de tortelduif bedoeld is. In bepaalde jaargetijden hoor je hun lage, droeve klacht de hele dag door in de olijfgaarden en in de eenzame, schaduwrijke dalen tussen deze bergen. Het meest heeft het me getroffen in de uitgestrekte boomgaarden rond Damascus. Het klinkt daar zo gedempt en zo diep treurig tussen de bomen, waar de lucht zacht zucht en kleine beekjes hun zachte gemurmel door de bloemrijke lanen laten vloeien. Deze vogels laten zich nooit temmen. In een kooi kwijnen ze weg en zuchten ze, net als Cowper, naar
“Een hut in een wijde wildernis — een eindeloos gebied van schaduw.”
En zodra ze vrijgelaten worden, vliegen ze als een vogel naar hun berg. Ps. 11:1. David speelt op die gewoonte van de duif in als zijn hart hem pijn doet: “Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn.” Daar, in de woestijn, kom je deze schuwe vogels tegen, ver weg van de plekken waar wrede jagers rondlopen. Van hun gezelschap zijn de duiven bijzonder op hun hoede. — W. M. Thomson, in “The Land and the Book,” 1859.
Vers 7
“Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave”, enzovoort. —
“Eerst houdt zij moeder aarde dierbaar,
Zij klemt zich aan de wereld en wat werelds is;
Zij vliegt laag langs de grond en blijft hier fladderen,
En stijgt niet op met haar hemelse vleugels.
Maar onder de hemel vindt zij niets
Dat past bij haar hemelse natuur;
Zij vindt geen rust, haar denken vindt geen houvast,
In deze wereld wordt zij nooit tevreden.
Dan, als een bij die tussen onkruid neerstrijkt
Dat op zoete bloemen lijkt, zo fris en stralend,
Strijkt zij neer op dit en dat en proeft van alles,
Maar door niets voldaan stijgt zij weer op en vliegt;
Zo keert de ziel, die hier geen ware vrede vindt
En, als Noachs duif, nergens vaste voet kan zetten,
Terug naar waar zij eens vandaan gezonden werd,
En vliegt naar Hem Die haar de vleugels gaf.”
— Sir John Davies, 1569-1626.
Vers 8
Ziet, ik zou ver wegzwerven, enzovoort. Een passage uit de “Octavia” van Seneca wordt aangehaald als verwant aan deze woorden van David. Ze staat in het antwoord van Octavia aan het Koor, bedrijf 5, vers 914-923.
“Wie kan mijn smart genoeg bewenen?
Welk lied vertolkt mijn diepe nood?
Zelfs Philomela, hoe zoet zij zingt,
Zou met haar klaagzang tekortschieten.
Had ik haar vleugels, ik vloog weg
Naar waar geen smart mij meer kon raken;
Op haar veren door de lucht gedragen,
Zocht ik streken ver van alle mensen.
In een woud waar droeve stilte heerst,
Zou ik alleen op een tak gaan zitten;
Daar zou ik schril mijn weeklacht zingen
En jammerend mijn klachten uitstorten.”
— J. B. Clarke (uit Adam Clarke, bij dit vers.)
Vers 9
“Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.” Buiten woedde een stormwind met onweer. En wat erger is: binnen in zijn gedachten heerste rumoer en verwarring. Aan uiterlijke onrust kan een mens ontkomen, maar hoe moet hij voor zichzelf op de vlucht slaan? Al is hij buiten het bereik van alle bloedzuigers op aarde en van alle furiën in de hel, toch heeft hij geen andere folteraars nodig als hij achtervolgd en geplaagd wordt door zijn eigen onstuimige, onbeheersbare gedachten. Deze heilige man had het dus dubbel zwaar.
Een storm buiten en een aardbeving thuis maakten zijn toestand zeer droevig. Maar voor beide had hij een uitweg. Hij gaat niet met de vossen van deze wereld op pad om zichzelf lucht te geven met slimme streken en gekonkel, met vleselijke uitvluchten en politiek gesjoemel. Dat is een ijdelheid, waarmee wie de dood zoeken heen en weer worden geslingerd. Nee, zijn ene grote toevlucht is omhoog te gaan: op te stijgen tot God. — Thomas Sharp.
Vers 10
“Verslind hen, HEERE! deel hun tong.” Allereerst werden hun tongen echt verslonden en werden de mensen zelf verdeeld, toen de getuigenissen van de twee valse getuigen niet met elkaar klopten. Daarnaast gebeurde het ook door het tegenstrijdige verhaal van de soldaten die de wacht hielden bij het graf. — Michael Ayguan (1416), in J. M. Neale’s Commentary, 1860.
Vers 10
Deel hun tong: dat wil zeggen, laat hen met elkaar in tegenspraak komen en tegenstrijdige meningen geven. — French en Skinner, 1842.
Vers 11
“Ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.” Abenezra merkt op dat de stad als een cirkel was. Geweld en twist liepen als een lijn om haar heen, terwijl onheil en smart het middelpunt vormden. Die twee gaan meestal samen, want waar onheil is, volgt snel smart. — John Gill.
Vers 13
“Anders zou ik het hebben gedragen.” Het is opmerkelijk dat de Heere alle andere onuitsprekelijke smarten en benauwdheden van Zijn lijden in volmaakte, wonderbaarlijke stilte onderging, maar dat Hij alleen over dít ene leed Zijn klacht liet ontsnappen. Hij beklaagde Zich bij Zijn discipelen dat een van hen Hem zou verraden. En toen Hij gegrepen werd, richtte Hij Zich tot die ene met deze verwijtende woorden: “Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?” — Frau Thome de Jesu, 1582.
Vers 13
“Anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.” Een openlijke vijand kun je meestal gemakkelijk uit de weg gaan. Maar hoe kun je op je hoede zijn voor een trouweloze vriend? — A. R. Fausset, in “A Commentary, Critical, Experimental, and Practical,” 1866.
Vers 14
“O mens, als van mijn waardigheid.” De Septuagint geeft het hier niet slecht weer: isoquce (“van gelijke ziel”), en Hieronymus: unanimus mens (“van één gemoed”). — Hermann Venema.
Vers 15
“Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden.” Het woord ((Hebr.)) betekent “zoet zijn”, en ((Hebr.)) betekent gewoonlijk “geheim”. De uitdrukking ((Hebr.)) moet dus letterlijk gelezen worden als: we maakten ons geheim zoet. Dat kan een sierlijke manier zijn om te laten zien hoe prettig zijn vriendschap was, of hoe fijn het was geheimen met hem te delen. — Henry Hammond.
Vers 15
Het eerste zinsdeel spreekt over persoonlijke innigheid. Het volgende gaat over het samen optrekken in het openbaar, vooral bij de grote feesten en optochten van de tempel. — J. J. Stewart Perowne, 1864.
Vers 15
“In gezelschap.” Aan het einde van het vers kan ((Hebr.)) vertaald worden met: met een geruis. Zo lijkt de Chaldeeuwse vertaling het te hebben opgevat, want die leest: met haast. De Joodse leraars stemmen daarmee in. Volgens hen moet je haastig en met spoed naar de synagoge gaan, maar heel langzaam weer terugkeren. — Henry Hammond.
Vers 16
“Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen.” Het laatste stuk van het leven van zondaars, hun einde, is voor hen het slechtst. Ze hebben in hun leven druk gehandeld in de wereld: kopen en verkopen, winst maken en zich breed maken. Maar intussen raken ze door hun zonden diep in de schuld bij God. En omdat ze geen deel hebben aan Christus als hun borg, loopt het bij de dood (misschien wel plotseling) uit op wat de psalmist zegt: “Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen.” De dood overvalt hen onverwacht, als een gerechtsdienaar of bode.
Hij gooit hen in de gevangenis, en dat wordt uitgedrukt in hun levend ter helle nederdalen (zoals Korach en zijn rotgezellen deden, Num. 16:32-33). — Anthony Tuckney, 1599-1670.
Vers 16
Laat de dood hen overvallen op goddelijk gezag en laat hen levend ter helle varen. Laat hen in één ogenblik dood, begraven en verdoemd zijn, want boosheid zit overal waar zij zijn, midden in hen. De zielen van onboetvaardige zondaren gaan levend ter helle, want ze voelen hun ellende volkomen. Daarom blijven ze leven, opdat ze ellendig blijven. Dit gebed is een profetie van de totale, de definitieve, de eeuwige ondergang van allen die, heimelijk of openlijk, de Messias van de Heere weerstaan en tegen Hem in opstand komen. — Matthew Henry.
Vers 16
Levend, dat wil zeggen: in leven, zoals Korach, Datan en Abiram. — Uit “The Psalms chronologically arranged, By Four Friends,” 1867.
Vers 16
In deze hele reeks psalmen lijkt aan elke soort overtreding een eigen straf verbonden te zijn. Of anders gezegd: elke vorm van verzet tegen God vindt een passend einde. De goddelozen, dat wil zeggen de onreligieuzen en onverschilligen, leggen voor zichzelf een kwade vergelding op wanneer Gods toorn zal worden geopenbaard (Ps. 54:7). Maar op valse en trouweloze belijders valt een onmiddellijke straf. Paulus sprak “anathema” uit over allen die het evangelie van Christus in de gemeenten van Galatië verdraaiden. Zo kondigt ook deze psalm met de woorden “Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen” het ontzaglijke oordeel van Jehova aan, zoals het eens Datan en Abiram trof.
Die straf legt door haar plotselingheid en bekendheid tegelijk de schuld bloot en maakt Gods mishagen daarover openbaar. — R. H. Ryland, in “The Psalms restored to Messiah,” 1853.
Vers 18
“Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen.” Dit was de gewoonte van de vrome Hebreeën. Zie Dan. 6:11. De Hebreeën begonnen hun dag in de avond, en daarom noemt David eerst de avond. De rabbijnen zeggen dat je drie keer per dag moet bidden, omdat de dag drie keer verandert. In de eerste kerk hield men zich hieraan, al verschilden de tijden per plaats. Het oude Psalter geeft er een opmerkelijke draai aan: “Des avonds zal ik Zijn lof vertellen, wat de Christus was aan het Kruis; en des morgens zal ik Zijn lof tonen, toen Hij opstond uit den dood. En zo zal Hij mijn stem horen op den middag, dat is zittende ter rechterhand van Zijn Vader, waarheen Hij opvoer op den middag.” — Adam Clarke.
Vers 18
“Des avonds, en des morgens,” enzovoort. De drie hoofddelen van de dag worden genoemd. Dat is niet bedoeld als aanwijzing van vaste gebedstijden, maar als dichterlijke uitdrukking voor “de hele dag”, “te allen tijde”, “zonder ophouden”. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 18
Onze arme, zwakke lichamen hebben drie keer per dag voedsel nodig om op krachten te komen. Wie zijn eigen zwakheid kent, zal dan toch niet beweren dat onze arme, zwakke geesten niet net zo vaak verkwikking nodig hebben? — William S. Plumer, 1867.
Vers 18
Ik kan niet geloven dat iemand veelvuldig en geestelijk is in schietgebeden als hij de tijd van het plechtige gebed verzuimt. Net zomin geloof ik dat iemand elke dag van de week een sabbat houdt als hij die ene dag verzuimt die God heeft ingesteld. — William Gurnall, 1617-1679.
Vers 18
In het hof van de hemel is geen beperkte tijd om verzoekschriften te horen. Het is niet als het hof van aardse vorsten, want er is vrije toegang op elke dag van de week, op elk uur van de dag of de nacht, elke minuut van het uur. Zoals de rechtsgeleerde over de koning zegt, als het gaat om het verkrijgen van zijn recht: Nullum tempus occurrit regi, zo mag ik over de godvruchtige zeggen, als het gaat om het bidden en het ontvangen van zijn verzoeken: Nullum tempus occurrit fidelibus. Geen tijd is ongelegen, als het hart maar met geloof gekruid is. In Gods hof van verzoekschriften is er geen rechtsvakantie.
Hij houdt voortdurend open huis voor iedereen die komt en gaat, en eigenlijk meer voor wie komen dan voor wie gaan. Zijn ogen staan altijd open om onze tranen te zien. Zijn oren staan altijd open om onze zuchten te horen. Ook Zijn hart en Zijn ingewanden staan altijd open. Ze zijn nooit zo stevig gesloten dat ze niet zullen ontroeren en zich in Hem omkeren, hoe gering onze ellende ook is. Want zoals we geen Hogepriester hebben tot Wie we bidden “die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden”, zo hebben we ook geen God tot Wie we bidden, Die ons in nood zal zien, ons zal horen roepen en schreeuwen, en nooit bewogen zal worden. — Zachary Bogan (1625-1659), in “Meditations of the Mirth of a Christian Life.”
Vers 18
“En getier maken.” Het woord dat hier gebruikt wordt, betekent eigenlijk mompelen: een zoemend geluid maken, zuchten, grommen, kreunen. De bedoeling is dat hij zijn diepe gevoelens zou uiten in passende klanken, of het nu woorden, zuchten of kreunen zijn. — Albert Barnes.
Vers 18
“En Hij zal mijn stem horen.” En wat levert dit luide klagen op? Zonder twijfel een gehoor, zo verzekert hij zichzelf: Hij zal mij horen. Niet dat God welke gebeden dan ook hoort, of Hij nu wil of niet (zoals mensen soms doen als iemand blijft aandringen op iets wat ze niet willen). Nee, Hij heeft geen wil en geen zin om zulke gebeden níét te horen, de gebeden van wie luid tot Hem roepen. — Joseph Caryl, 1602-1673.
Vers 19
“Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd.” Midden in de oorlog kan de Heere een mens even veilig bewaren als in vredestijd, en in het uiterste gevaar behoedt Hij hem voor onheil. Wie in tijden van nood op God steunt, heeft méér met zich mee dan er tegen hem kunnen zijn, ook al staat een heel leger tegenover hem, omdat God met hem is. — David Dickson.
Vers 19
“Want.” Dit “want” noemt de reden waarom God ingreep om hem te verlossen: het algemene beginsel dat God verlichting geeft wanneer Zijn volk het uiterste bereikt. — A. R. Fausset.
Vers 19
“Want met menigte zijn zij tegen mij geweest.” Het is twijfelachtig of hier vijanden of vrienden bedoeld zijn. Gaat het om vijanden, dan kan het zo opgelost worden: want met velen (met een grote menigte) waren zij strijders tegen mij. Gaat het om vrienden, dan kan het verstaan worden van Gods engelen, die in groten getale bij hem waren en hun legerplaats opsloegen om hem te helpen (Ps. 34:8). Zoals Elisa zei: “Die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.” 2 Kon. 6:16-17. De Chaldeeuwse vertaling legt het zo uit: “Want in vele verdrukkingen was Zijn woord tot mijn hulp.” — Henry Ainsworth.
Vers 20
“Als die van ouds zit.” God heeft Zichzelf al sinds lang laten zien als de rechtvaardige Koning en Rechter. Denk aan de oordelen over de goddelozen in het land Sinear (Ps. 55:10), over de bende van Korach (Ps. 55:10,19) en over de steden van de vlakte (Ps. 55:16). Ze zijn een onderpand dat Hij nog steeds klaarstaat om in te grijpen. Hij Die al zo lang op de troon zit, moet Zich nu ook laten zien als Koning en Rechter. Hij kan, zo laat in de tijd, niet ineens een ander zijn geworden. — E. W. Hengstenberg, 1845.
Vers 20
“Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.” Dat wil zeggen: er is niets nieuws onder hen, geen buitengewone wendingen in Gods leiding, geen oordelen die hun leven omgooien. Hun voorspoed gaat rustig door. En omdat ze zien dat alles in de oude gang van de voorzienigheid verder gaat, gaan zij ook verder in hun oude gang van zonde. Ze vrezen God niet. Dat laat zien dat zulke veranderingen altijd vrees zouden moeten wekken, en dat ze dat gewoonlijk ook doen. En als de Heere maar zou willen veranderen, en hen heen en weer zou werpen en laten tuimelen door allerlei moeilijke beschikkingen, dan zouden ze Hem zeker vrezen. — Joseph Caryl.
Vers 20
“Dewijl bij hen gans geen verandering is,” enzovoort. Of: bij wie ook geen veranderingen zijn, en toch vrezen zij God niet. Als we veranderingen opvatten als wisselingen in hun tijdelijke toestand en welvaart, zoals in Job 10:17 (daar staat hetzelfde woord als hier, ((Hebr.))): “verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij”, dan geeft de eerste vertaling (“dewijl”, enzovoort) een reden voor hun volharding in goddeloosheid en hun minachting van God: hun voortdurende, ononderbroken wereldse voorspoed. Volgens de tweede vertaling (“bij wie geen veranderingen zijn, en toch”, enzovoort) maakt het hun onboetvaardigheid nog veel zwaarder dat ze, ondanks alle goedheid die hun geschonken is, toch zo ondankbaar blijven dat ze zo slecht vergelden, of zo gevoelloos en onbesuisd zijn dat ze de Gever niet erkennen.
Maar als de veranderingen, zoals velen doen, op de ziel worden betrokken, dan is de betekenis dat ze door langdurig zondigen en volharden in de zonde, door Gods rechtvaardig oordeel, helemaal verhard en onbuigzaam zijn geworden. Dan is het geen wonder dat niets hen tot bekering beweegt. “Zal ook een Moorman zijn huid veranderen?” enzovoort. Jer. 13:23.
Maar deze veranderingen kunnen ook een andere betekenis hebben. De Grieken zeiden vaak: streptai esylwn, dat de gemoederen of harten van goede mensen veranderlijk zijn. Ze bedoelen daarmee dat goede mensen barmhartig zijn. Quos quisque est major, magis est placabilis ira: et faciles motus mens generosa capit, zoals het Latijnse spreekwoord het zegt. Je kunt daarom zeggen dat zij door hun wrede onbarmhartigheid laten zien dat ze geen vrees of besef van God hebben. Anders zouden ze Hem vrezen, Wiens barmhartigheid ze zelf zo hard nodig hadden, en bedenken dat de mensen die ze zo fel vervolgen, evengoed Zijn schepselen zijn als zijzelf. — Westminster Assembly’s Annotations.
Vers 20
“Bij hen gans geen verandering is”, enzovoort. Wie zijn die mensen zonder veranderingen? Blijkbaar degenen die God, zo zegt Hij Zelf, vernedert en tuchtigt. En wat betekent het woord ‘veranderingen’ hier precies? Veel uitleggers denken aan een verandering van binnen: ‘mensen zonder omkeer van hart en zonder beterschap.’ Maar zo wordt het woord nergens gebruikt. Eigenlijk gaat het om ‘een verandering’ in de zin van een afwisseling, een opeenvolging. Denk aan een set schone kleren, aan soldaten die de wacht aflossen, aan knechten die hun werk neerleggen, en dergelijke. Voor het gedrag van mensen zou het daarom eerder dit betekenen: ‘mensen die nooit tot stilstand komen op hun weg (omdat ze bijvoorbeeld niet als wachters worden afgelost), die steeds maar doorgaan en volharden in hun slechte leven.’ Calvijn en anderen denken aan een omslag van het lot, dus aan ‘mensen die altijd voorspoed hebben.’ Maar ook dat past niet bij hoe het woord gebruikt wordt. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 20
“En zij God niet vrezen.” De vrees die hier bedoeld wordt, is: God vrezen als God, zoals Hij Zich laat kennen onder deze naam, Elohim. Die naam wijst allereerst op macht en kracht (want El is Deus fortis, de machtige God; en zoals er geen liefde is zonder ontzag, is er ook geen ontzag zonder macht). Toch drukt de naam eigenlijk Gods oordeel uit, Zijn orde, Zijn zorg voor de wereld, Zijn beschikkingen en Zijn bestuur over Zijn schepselen. Het is de naam die door heel Gods scheppingswerk loopt, en door Zijn beschikken over alle schepselen, in het eerste hoofdstuk van Genesis.
Daar noemt de Schrift Hem met geen enkele andere naam dan met deze: God. Niet met Jehova, de naam voor Zijn oneindige majesteit. Niet met Adonai, de naam voor Zijn absolute macht. Niet met Tsebaoth, de naam voor kracht en overwinning. Alleen met de naam God, Zijn naam als Bestuurder.
Alles komt hierop neer: God vrezen is Hem aanhangen, op Zijn weg, zoals Hij Zich aan ons heeft laten zien en bekend heeft gemaakt. Dat wil zeggen: God zoals Hij geopenbaard is in Christus, in de Schriften, en zoals de kerk Hem ons uit diezelfde Schriften brengt. Dus niet rusten in de natuur zonder God, en ook niet in God zonder Christus. — John Donne, 1573-1631.
Vers 22
“Zijn mond is gladder dan boter”, enzovoort. Zo klinkt het gepraat van huichelaars, de goedheid van schijnheiligen en fanatici, de vriendelijkheid van atheïsten, de beloften van de wereld, de lokroep van het vlees en de verleidingen van Satan, wanneer hij het slim vindt om op te treden als een engel des lichts. — George Horne, 1730-1792.
Vers 22
Boter. Oosterse boter lijkt helemaal niet op het vaste spul dat we in onze koudere streken onder die naam kennen. Ze is vloeibaar en glijdt gemakkelijk, zoals blijkt uit verschillende plaatsen in de Schrift, vooral Job 29:6 en 20:17, en zoals de verhalen van reizigers van nu bevestigen. In werkelijkheid lijkt ze dus meer op “room”. Volgens Vitringa is dat ook precies wat het woord hier eigenlijk betekent. — Richard Mant, 1776-1849.
Vers 22
Het handigste middel om alle moeilijkheden te omzeilen, is de weergave van de Septuagint over te nemen van ((Hebr.)) diemerisyhsan: zij werden verdeeld, of worden verdeeld. Daarmee worden de ledematen van de goddeloze man bedoeld, over wie daar gesproken wordt: ze liggen ver uit elkaar. ((Hebr.)): boter zijn mond, of: zijn mond is boter. ((Hebr.)): en oorlog zijn hart, of: zijn hart is oorlog. Dit lijkt de eerlijkste weergave te zijn. — Henry Hammond, 1605-1660.
Vers 22
Een valse vriend lijkt veel op een krokodil: die vergiftigt terwijl hij lacht en verslindt terwijl hij huilt. Of op de hyena, die de stem van een mens heeft en het hart van een wolf, die als een vriend praat en als een duivel verslindt. Of op de vleiende sirenen, die zoet de schipbreuk van de zeeman bezingen. Of op de fluit van de vogelaar, die zacht de dood van de vogel speelt. Of op de bij, die honing in haar mond draagt en een angel in haar staart. Of op de buxusboom, waarvan de bladeren altijd groen zijn, maar het zaad vergif is.
Zo is zijn gezicht vriendelijk en zijn woorden zijn aangenaam, maar zijn bedoeling is gevaarlijk en zijn daden zijn ongezond. Zijn streek is vleien en vangen wat hij kan; is zijn doel bereikt, dan geeft hij geen vijg meer om zijn man.
— L. Wright, 1616.
Vers 22
“Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.” Toen ik weer bij de rechter kwam, stond daar de heer Foster uit Bedford. Hij kwam uit een andere kamer en zag mij bij het licht van de kaars, want het was donkere nacht toen ik daar aankwam. Hij zei tegen mij: “Wie is daar? John Bunyan?” Hij deed zo hartelijk dat hij me bijna om de hals leek te willen vliegen om me te kussen (een echte Judas). Ik verbaasde me daar wel over. Zo’n man, die ik nauwelijks kende en die bovendien altijd een felle tegenstander van de wegen van God was geweest, behandelde mij met zoveel liefde!
Maar toen ik later zag wat hij deed, schoten me deze woorden te binnen: “Zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden”, en ook: “Wacht u voor de mensen”, enzovoort. Ik antwoordde hem dat het mij, God zij dank, goed ging. Daarop zei hij: “Wat is de reden dat u hier bent?”, of iets in die trant. Ik vertelde hem dat ik op een samenkomst was, een eindje verderop, om de mensen daar een woord van vermaning toe te spreken. Maar de rechter had dat gehoord (zei ik) en had de vriendelijkheid gehad zijn bevel te sturen om mij voor hem te halen, enzovoort. — John Bunyan. Over de gevangenschap van J.B., door hemzelf beschreven. Uitgave van Offor, deel 1, blz. 52.
Vers 22 (eerste zinsdeel)
—
“Zijn woorden zijn glad, zijn stem is zoet als honing,
Maar in zijn hart wonen oorlog en duister bedrog.”
— Moschus (250 v. Chr.)
Vers 23
“Werp uw zorg op den HEERE”, enzovoort. De remedie die de psalm aanwijst, en misschien de enige toevlucht in een nood als deze, waarin de vijanden van de ware godsdienst strijden onder de schijn van vriendschap, wordt met een stem als van een orakel uit naam van God aangekondigd: “Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.” — R. H. Ryland.
Vers 23
“Werp uw zorg op den HEERE”, enzovoort. De beste manier om lichter te worden, is je last op God te leggen. Hij tilt hem op en draagt ook jou. Er zijn genoeg mensen die graag zelf zouden lopen als een ander maar hun last voor hen wilde dragen. Maar als je je last op God werpt, draagt Hij niet alleen die last, maar ook jou. Het maakt Hem niet uit hoeveel gewicht een christen op zijn rug legt. Een echte Israëliet mag zich ontlasten en behaagt zijn God daar tegelijk het meest mee.
God vindt het niet fijn om tranen in je ogen te zien of bleekheid op je gezicht. Je kreunen en zuchten zijn geen muziek in Zijn oren. Hij wil liever dat je je last kwijtraakt door hem op Hem te werpen, zodat Hij Zich kan verheugen in jouw blijdschap en troost. Echt vertrouwen op God, rusten in God, haalt de last van je af én brengt Gods kracht binnen om je te dragen en voor vallen te behoeden. Wil je God dus erkennen als je sterkte, en kracht putten uit God voor je ziel? Rust dan op God, rol jezelf op Hem, en doe dat:
- In tijden van de grootste zwakheid.
- In tijden van de zwaarste dienst.
- In tijden van de zwaarste beproevingen.
— Samuel Blackerby, 1674.
Vers 23
Werp uw last op Hem, zoals het schip in een storm zijn last op het anker werpt, dat zich vastklampt aan zijn vaste grond. Naar mijn mening is dat de mooiste van de twee betekenissen. Wie die betekenis eenmaal verstaat, kan haar volgen in deze prachtige verzen:
“Ik zie het goede schip daar liggen op een gevaarlijke rede;
Aan lij buldert het lage rif; de deining van de oceaan
Slaat zee na zee van voor- tot achtersteven; de grote mast is overboord;
De verschansing weg, het roer verdwenen, de sloepen stukgeslagen bij de kettingen.
Maar houd moed, dappere zeelui: het anker houdt nog stand!
Het wijkt geen duimbreed, behalve als jullie hemelhoog worden opgeworpen;
Dan beweegt het even zijn kop, alsof het zegt: ‘Vrees niet, hier ben ik!’”
— J. M. Neale’s Commentary.
Vers 24
“Zult die doen nederdalen in den put des verderfs.” Dit wijst op een gewelddadige dood, zoals die van de geslachte os, van wie men zegt dat hij ‘neerdaalt’ wanneer hij onder de slag valt. Bedoeld is de put van de verrotting, waarin het lijk vergaat. Het woord staat hier niet alleen voor het graf, maar voor de schandelijke toestand van een lijk dat is weggegooid, zoals wanneer iemand het in een put werpt. — Hermann Venema.
Vers 24
“De mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen.” Een goddeloze leeft nooit de helft van zijn dagen. Of hij wordt weggerukt voordat hij de helft van de gewone levensloop heeft bereikt, of voordat hij een kwart van de levensloop van zijn begeerten heeft gehaald, of hij leeft niet half zo lang als hij zou willen. Laat hij dus sterven wanneer hij wil: zijn dood zit vol schrik, moeite en verwarring, omdat hij sterft buiten het seizoen. Hij hield nooit tijd of seizoen met God, en God zal zeker geen rekening houden met zíjn tijd of seizoen. — Joseph Caryl.
Vers 24
De helft van hun dagen. Bij de Joden gold zestig jaar als de levensduur van een mens. Wie daarvoor stierf, ging in hun ogen ontijdig heen. Die dood noemden ze ((Hebr.)), ‘uitroeiing’, waarvan ze zesendertig graden onderscheidden. De helft van iemands levensdagen niet halen betekent in hun taal dus: sterven vóór je dertigste. — Henry Hammond.
Vers 24 (tweede zinsdeel)
Hoe meer zonden we doen, hoe meer we onze eigen dood dichterbij halen. Want de wijze zegt: “De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort” (Spr. 10:27), en de profeet David zegt: De mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen. Zonde verkort namelijk alles: ze vreet onze rijkdom op, ze beperkt onze vrijheid, ze tast onze gezondheid aan, ze maakt ons leven korter en brengt ons snel naar ons graf. — Griffith Williams, 1636.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2 (tweede zinsdeel)
- Een kwaad om te vrezen: “Verberg U niet”, enzovoort.
(a) Door lang te wachten terwijl de nood hoog is.
(b) Bij de zondaar: door een volledige weigering om te horen.
- Wat dit kwaad kan veroorzaken.
(a) Bij de mens zelf.
(b) In het gebed zelf.
(c) In de manier van bidden.
- De gevolgen die eruit voortkomen — een rij die de prediker zelf gemakkelijk kan bedenken.
- Middelen tegen het kwaad. Er is geen reden dat het blijft duren. Onderzoek van het hart, berouw, volharding, pleiten op de naam van Jezus, enzovoort, zullen ertoe leiden dat het wordt weggenomen.
Vers 3
De grote Hoorder.
- Met welke woorden richten we ons tot Hem?
- Wat voor aandacht willen we van Hem?
- Hoe krijgen we die?
- Wat is onze plicht daartegenover? Op Hem letten en naar Hem luisteren.
Vers 3 (tweede zinsdeel)
Klagen mag.
- Niet over God, maar tot God.
- Vooral over onszelf.
- Over de wereld, voor zover die tegen God en het recht ingaat.
- Altijd met heilig verdriet, nooit met zelfzuchtige ergernis.
Vers 5
De verschrikkingen van de dood. Zie de preek van Grove bij de Aantekeningen.
Vers 8
Eenzaamheid.
- De voordelen die we ons ervan inbeelden.
- De zware verzoekingen die erbij horen.
- De voordelen die ze soms werkelijk heeft.
- De zoete troost die ze geeft.
Vers 9
Te haastig vluchten voor beproeving.
- Het zou verzet tegen God laten zien.
- Het zou een laf gebrek aan geloof verraden.
- Het zou betekenen dat we nuttige ervaring mislopen.
- Het zou ons in andere en zwaardere beproevingen brengen.
- Het zou ons beletten God te verheerlijken.
- Het zou onze gelijkvormigheid aan Christus en onze gemeenschap met Zijn volk schaden.
- Het zou de waarde van de hemel verkleinen.
Vers 10 (eerste zinsdeel)
De Babel van de dwalingen. Noodzakelijk, want de waarheid is één. Onvermijdelijk, want de beweegredenen van dwaalleraars botsen. Door God beschikt, want zo verzwakken ze elkaar. Als gerechte straf, want zo kwellen ze elkaar.
Vers 11 (eerste zinsdeel)
De bedrijvigheid van het kwaad.
Vers 11 (tweede zinsdeel)
De duivelse tweeling: oorzaak en gevolg.
Vers 15
De kringen van gelovigen die uit het geloof voortkomen.
- Ze staan op een goede grondslag.
- Ze leveren winst op — raad.
- Ze geven plezier — zoet.
- Ze wekken geestdrift — wandelden in gezelschap.
- Ze verdienen het om heilig bewaard te worden.
- Maar we moeten er wel goed op letten.
Vers 17
Het tegenbeeld.
- Een kind van God zal anderen geen onrecht aandoen zoals zij hem aandoen.
- Hij zal God aanroepen, wat zij niet doen.
- God zal hem horen, zoals Hij de goddeloze niet hoort.
- God zal uiteindelijk anders met hem omgaan dan met hen.
Vers 18
- David zal vurig bidden: “ik zal klagen en getier maken.”
- Hij zal vaak bidden: elke dag, en driemaal per dag, ’s avonds, ’s morgens en ’s middags. — Matthew Henry.
Vers 19
Onze gevechten, hoe we bijna werden verslagen, onze Helper, onze verlossingen, onze lof.
Vers 20
Gods eeuwige bestuur is een dreigement voor de goddelozen.
Vers 20 (tweede deel)
Voorspoed die atheïsme voortbrengt. Dit houdt in —
- Ondankbaarheid — ze zouden juist toegewijder moeten zijn.
- Onbeschaamdheid — ze denken zelf als God te zijn.
- Vergeetachtigheid — ze vergeten dat er veranderingen zullen komen.
- Onwetendheid — ze weten niet dat ononderbroken voorspoed vaak een tijdlang het deel van de vervloekten is.
- Waanzin — want hun gedrag is niet redelijk.
- Rotting — ze worden klaargemaakt om voor eeuwig te worden weggegooid.
Vers 22
De mond van de huichelaar.
- Hij heeft veel woorden.
- Ze komen alleen uit zijn mond.
- Ze zijn spiegelglad.
- Ze verbergen zijn bedoeling eerder dan dat ze die laten zien.
- Ze snijden en doden.
- Ze zullen hemzelf doden.
Vers 23 (eerste zinsdeel)
Hier zien we dat de gelovige heeft —
- Een last die hem op de proef stelt.
- Een plicht die hem bezighoudt: “Werp uw zorg”, enzovoort.
- Een belofte die hem aanmoedigt: “Hij zal u onderhouden”, enzovoort. — Ebenezer Temple, 1850.
Vers 23 (laatste zinsdeel)
Wie zijn de rechtvaardigen? Wat bedoelt de tekst met hun wankelen? Wiens toestemming is nodig om dat te laten gebeuren? Zal Hij die geven? “In eeuwigheid niet.” Waarom niet?
Vers 24 (laatste zinsdeel)
Het grote “Ik zal.” Het vat de psalm samen.
- Wanneer ik bid, Ps. 55:2-4.
- Wanneer ik bezwijk, Ps. 55:5-8.
- Wanneer ik hard bestookt word, Ps. 55:10-12.
- Wanneer ik verraden word, Ps. 55:13-15,21-22.
- Wanneer anderen omkomen, Ps. 55:16.
- Nadat ik verlost ben, Ps. 55:19.
- In elke toestand, Ps. 55:23.
Werk over de vijfenvijftigste psalm
Een uitleg van deze psalm staat in Chandler’s “Life of David”, deel 2, blz. 305-315.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas