Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 24 — Treasury of David

Titel
Een psalm van David. Het opschrift vertelt ons alleen wie de dichter is. Toch is dat bijzonder. Je ziet eraan hoe wonderlijk de Geest werkte in het hart en de gedachten van Israëls lieflijke zanger. Hij liet hem in Psalm 22 een treurige snaar aanslaan, in Psalm 23 zachte tonen van vrede laten klinken, en hier majestueuze, zegevierende klanken. Alles kunnen we doen of zingen, als de Heere ons kracht geeft.
Dit heilige lied is waarschijnlijk geschreven om te zingen toen de ark van het verbond uit het huis van Obed-Edom werd weggehaald en binnen de tentgordijnen op de berg Sion zou blijven. De woorden passen goed bij de heilige vreugdedans waarmee David die blijde dag voorging. Toch keek de dichter verder dan die optocht van de ark, een beeld van iets groters. Hij zag de verheven hemelvaart van de Koning der ere. We noemen dit daarom het Lied van de Hemelvaart.
Indeling
Deze psalm hoort bij Psalm 15; samen vormen ze een paar. Hij heeft drie delen. Het eerste verheerlijkt de ware God en bezingt Zijn heerschappij over alles. Het tweede beschrijft het ware Israël, dat met Hem mag omgaan. Het derde laat de opgang zien van de ware Verlosser, Die de poorten van de hemel heeft geopend voor Zijn uitverkorenen.
Uitleg
Vers 1
Wat een verschil met de onwetende en bekrompen manier waarop de Joden in de tijd van onze Zaligmaker over God dachten! Zij zeiden: “Het heilige land is van God, en het nageslacht van Abraham is Zijn enige volk.” Maar hun grote Koning had hun allang geleerd: “De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid.” De hele wereld wordt hier voor Jehova opgeëist. En “die daarin wonen” zijn Zijn onderdanen.
Denk eens aan hoe bekrompen de Joden in de dagen van Christus waren. Ze werden woedend toen onze Heere zei dat er veel weduwen in Israël waren, maar dat de profeet tot geen van hen werd gestuurd, alleen tot de weduwe van Sarepta. En dat er veel melaatsen in Israël waren, maar dat niemand van hen werd gereinigd, behalve Naäman de Syriër. Ze werden ook razend toen ze hoorden dat Paulus naar de heidenen werd gezonden. Dan sta je werkelijk verbaasd dat ze zo blind konden blijven en toch deze psalm zongen. Die laat toch zo duidelijk zien dat God niet alleen de God van de Joden is, maar ook van de heidenen!
Wat een terechtwijzing is dit voor de betweters die over mensen met een donkere huidskleur en andere verachte volken praten, alsof de God van de hemel niet naar hen omkijkt! Zodra iemand maar een mens is, eist de Heere hem op. Wie durft hem dan te behandelen als een gewoon stuk koopwaar? Ook de geringste mens woont in de wereld en hoort dus bij Jehova. Jezus Christus heeft een einde gemaakt aan het grenzen trekken tussen volken. Er is geen barbaar of Scyth meer, geen slaaf of vrije; we zijn allemaal één in Christus Jezus.
De mens woont op “de aarde”. Hij verdeelt haar grond onder zijn namaakkoningen en dictators. Maar de aarde is niet van de mens. Hij is maar een pachter die elk moment weg kan, wanneer de eigenaar dat wil, een huurder met het onzekerste contract dat er bestaat, en hij kan zo uit zijn huis gezet worden. De grote Landheer, de echte Eigenaar, houdt Zijn hof boven de wolken. Hij lacht om de eigendomsaktes van wormen in het stof. Het volle eigendom ligt niet bij de heer van het landgoed of de vrije grondbezitter. Het ligt bij de Schepper.
Met de “volheid” van de aarde kunnen haar oogsten bedoeld zijn, haar rijkdom, haar leven of haar aanbidding. In al die betekenissen is God de hoogste Eigenaar van alles. De aarde is vol van God. Hij heeft haar vol gemaakt en Hij houdt haar vol, hoeveel levende wezens ook van haar voorraad nemen. De zee blijft vol, ondanks alle wolken die eruit opstijgen. De lucht blijft vol, ondanks alle leven dat haar inademt. De bodem blijft vol, al halen miljoenen planten er hun voeding uit. Onder de geoefende hand van de mens wordt de wereld zelfs voller dan ooit, maar alles is van de HEERE. Het veld en de vrucht, de aarde en al haar wonderen: ze zijn van Jehova.
We kijken ook uit naar een nog grotere volheid. Als de wereld straks echt een wereld voor God is, in de heerlijkheid van het duizendjarig rijk, zal het het allerduidelijkst zijn dat de aarde van de HEERE is en haar volheid. Deze woorden staan nu op de Royal Exchange in Londen. Op een dag staan ze in letters van licht over de hele hemel geschreven.
Het woord “wereld” wijst op de bewoonbare streken, waar Jehova als Heerser erkend moet worden. God regeert over de vissen van de zee en de vogels van de hemel. Dan mag de mens, Zijn edelste schepsel, Hem zeker niet ongehoorzaam zijn. Jehova is de Koning van het heelal. Alle volken staan onder Zijn gezag. Hij is de ware Alleenheerser over iedereen; keizers en tsaren zijn Zijn slaven. Mensen zijn niet van zichzelf. Ze mogen hun lippen, hun hart en hun bezit niet hun eigendom noemen, want ze zijn Jehova’s rechtmatige dienaren. Dit geldt vooral voor ons, die uit de hemel geboren zijn. We horen niet bij de wereld of bij de satan. Door schepping en verlossing zijn we het bijzondere bezit van de Heere.
Paulus gebruikt dit vers twee keer. Zo laat hij zien dat geen enkel voedsel onrein is en dat niets echt het eigendom van valse goden is. Alles is van God. Er rust geen vloek op de schepping, niets is gewoon of onrein. De hele wereld is Gods wereld. Het eten dat op de markt wordt verkocht, is heilig omdat het van mijn Vader komt. Ik hoef er dus geen gewetensbezwaar tegen te hebben om ervan te eten.
Vers 2
In het tweede vers lezen we meteen waarom de wereld van God is: Hij heeft haar gemaakt. Een sterkere aanspraak op eigendom bestaat er niet; daar valt niets tegenin te brengen. “Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën.” God tilt de aarde omhoog uit de zee. Daardoor blijft het droge land bewaard voor de vloeden, terwijl het anders in een oogwenk onder water kon verdwijnen, zoals in de dagen van Noach. De hongerige kaken van de oceaan zouden het land opslokken, als het machtige woord van de Almachtige het niet voortdurend beschermde.
“En heeft ze gevestigd op de rivieren.” De wereld is van Jehova omdat Hij haar van geslacht tot geslacht onderhoudt en draagt, nadat Hij haar fundament heeft gelegd. Voorzienigheid en Schepping zijn de twee wettige zegels op de eigendomsbewijzen van de grote Eigenaar van alles. Wie het huis heeft gebouwd en zijn fundament nog steeds draagt, heeft er zeker het eerste recht op.
Let wel op hoe onzeker alle aardse dingen gegrondvest zijn. Gegrond op de zeeën! Bevestigd op de rivieren! God zij geprezen: de christen kijkt uit naar een andere wereld en bouwt zijn hoop op steviger grond dan deze arme wereld te bieden heeft. Wie op wereldse dingen vertrouwt, bouwt op de zee. Maar wij hebben door Gods genade onze hoop gelegd op de Rots der eeuwen. We rusten op de belofte van een onveranderlijke God en leunen op de trouw van een betrouwbare Verlosser.
O wereldlingen, u hebt uw burchten van vertrouwen, uw paleizen van rijkdom en uw prieeltjes van genot op de zeeën gebouwd en op de rivieren vastgezet. Hoe snel zal uw bouwwerk zonder fundament wegsmelten, als schuim op het water! Zand is verraderlijk genoeg, maar wat moeten we dan zeggen van de nog veel onvastere zee?
Verzen 3-6
Hier zien we het ware Israël, het volk dat God toebehoort, beschreven. De mensen die als hovelingen in het paleis van de levende God mogen staan, worden niet onderscheiden naar hun volk, maar naar hun karakter. Het zijn niet alleen Joden en niet alleen heidenen, ook niet één bepaalde tak van de mensheid. Het is een volk dat gereinigd is en geschikt gemaakt om te wonen op de heilige berg van de HEERE.
Vers 3
“Wie zal klimmen op den berg des HEEREN?” Voor een schepsel is het zwaar klimwerk om bij de Schepper te komen, een weg die steil omhoog gaat. Waar is die machtige klimmer die zulke torenhoge hoogten kan beklimmen? En het gaat niet alleen om hoogte, het gaat ook om heerlijkheid. Wiens oog zal de Koning in Zijn schoonheid zien en in Zijn paleis wonen? In de hemel regeert Hij op Zijn heerlijkst. Wie mag Zijn koninklijke tegenwoordigheid binnengaan? God heeft alles gemaakt, maar Hij zal niet iedereen redden. Er is een uitverkoren schare, een kleine groep, die de bijzondere eer krijgt om bij Hem te wonen in Zijn hoge huis. Deze uitgelezen mensen verlangen naar gemeenschap met God, en hun wens zal vervuld worden.
De ernstige vraag van de tekst wordt in een andere vorm herhaald: wie zal daar kunnen “staan”, wie kan daar blijven? Hij wijst de goddelozen af, wie kan dan in Zijn huis blijven? Wie kan naar de Heilige kijken en blijven staan in de gloed van Zijn heerlijkheid? Niemand mag het wagen om gemeenschap met God te zoeken op grond van de wet. Maar Gods genade kan ons geschikt maken om het gezicht van Zijn tegenwoordigheid te zien.
Deze vraag moet iedereen zichzelf stellen. En niemand mag rustig zijn voordat hij een antwoord van vrede heeft gekregen. Laten we met zorgvuldig zelfonderzoek vragen: “Ben ik het, Heere?”
Vers 4
“Die rein van handen …” Een heilig leven dat je kunt zien, is een heel kostbaar en onmisbaar kenmerk van Gods genade. Je handen in water wassen zoals Pilatus is niets waard. Maar jezelf wassen in onschuld is van het allergrootste belang. Het valt te vrezen dat veel belijders de leer van de rechtvaardiging door het geloof zo hebben verdraaid dat ze goede werken minachten. Doen ze dat, dan krijgen ze op de laatste grote dag eeuwige minachting terug. Het heeft geen zin om te kletsen over wat je innerlijk hebt ervaren, als je dagelijks leven niet vrij is van onreinheid, oneerlijkheid, geweld en onderdrukking. Wie dicht bij God wil komen, moet “rein van handen” zijn. Welke vorst laat bedienden met vuile handen aan zijn tafel serveren? Wie in ceremoniële zin onrein was, kon het huis van de Heere niet binnengaan, dat met handen gemaakt was. Dan zal wie moreel bevlekt is, zeker niet de geestelijke gemeenschap met een heilig God mogen genieten. Zijn onze handen nu onrein? Laten we ze dan meteen wassen in het kostbare bloed van Jezus, en zo tot God bidden terwijl we reine handen opheffen.
Maar “rein van handen” zijn is niet genoeg, als men niet ook “zuiver van hart” is. Echte godsdienst is hartenwerk. We kunnen de buitenkant van de beker en de schotel wassen zoveel we willen. Als de binnenkant vuil is, zijn we in Gods ogen helemaal vuil. Want ons hart is meer onszelf dan onze handen. We kunnen onze handen verliezen en toch blijven leven. Maar zonder hart blijven we niet in leven. Het leven zelf zit in ons binnenste, en daarom moet het binnenin zuiver zijn. Er moet een werk van genade zijn in de kern van het hart, net zo goed als in de palm van de hand. Anders is onze godsdienst een waan. Geve God dat de Heilige Geest onze innerlijke krachten reinigt, zodat we heiligheid liefhebben en alle zonde verafschuwen.
De reinen van hart zullen God zien. Alle anderen zijn blinde vleermuizen. Wie stenen in zijn hart heeft, wordt stekeblind aan zijn ogen. Vuil in het hart strooit stof in de ogen, en wie stof in zijn ogen heeft, ziet God niet. De ziel moet verlost worden van het genoegen in het kruipende speelgoed van de aarde. Wie voor de hemel geboren is, is iemand “die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid.” Alle mensen hebben hun vreugde, die hun ziel doet opveren. De wereldling heft zijn ziel op in vleselijke genoegens, en die zijn niets dan ijdelheid. Maar de heilige houdt van dingen die echt waarde hebben. Net als Josafat wordt hij opgeheven in de wegen van de HEERE. Wie tevreden is met de schillen, hoort bij de varkens. Als we onze troost drinken aan de borsten van de wereld, bewijzen we dat we haar eigen kinderen zijn.
Geeft de wereld je voldoening? Dan heb je je loon en je deel al in dit leven. Maak er dus maar veel van, want een andere vreugde zul je niet kennen.
“Die niet bedriegelijk zweert.” Heiligen blijven mensen van eer. Het woord van een christen is al zijn eed. Maar dat is evenveel waard als twintig eden van anderen. Leugens sluiten ieder mens buiten de hemel. Een leugenaar komt Gods huis niet binnen, wat hij ook belijdt of doet. God wil niets met leugenaars te maken hebben, behalve om ze in de poel van vuur te gooien. Elke leugenaar is een kind van de duivel en wordt naar zijn vader teruggestuurd.
Een valse verklaring, een bedrieglijke mededeling, een gekookte rekening, een laster, een leugen: het past misschien allemaal in de kring van de goddelozen, maar echte heiligen walgen ervan. Hoe zouden ze anders gemeenschap kunnen hebben met de God van de waarheid, als ze niet elke valse weg haatten?
Vers 5
Denk niet dat de mensen die zo door hun innerlijke en uiterlijke heiligheid worden beschreven, gered worden door wat hun werken verdienen. Hun werken zijn alleen het bewijs waaraan je ze herkent. Het vers waar we nu zijn, laat zien dat in de heiligen de genade regeert, en alleen de genade. Zulke mensen dragen de heilige livrei van de grote Koning, het dienstkleed van Zijn hof, omdat Hij hun dat uit vrije liefde heeft aangetrokken. De ware heilige draagt het bruiloftskleed. Maar hij erkent dat de Heer van het feest het hem gaf, zonder geld en zonder prijs.
“Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.” Dus ook heiligen hebben redding nodig! Ze ontvangen gerechtigheid, en “de zegen” is een gave van God, hun Zaligmaker. Ze klimmen niet als gevers de berg van de HEERE op, maar als ontvangers. Ze dragen geen eigen verdiensten, maar een gerechtigheid die ze gekregen hebben.
Een heilig leven brengt als beloning een zegen van de driemaal heilige God. Maar het is zelf ook een zegen van het Nieuwe Verbond en een heerlijke vrucht van de Geest. God geeft ons eerst goede werken en beloont ons er daarna voor. Gods eis van heiligheid verduistert de genade niet; ze wordt er juist hoog door verheven. Want we zien hoe de genade de heilige met juwelen siert en kleedt in prachtig wit linnen. Al die rijke tooi is een vrij geschenk van Gods barmhartigheid.
Vers 6
“Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob!” (Engels: die Uw aangezicht zoeken, o Jakob) Dit zijn de wedergeborenen, de nieuw geborenen van God. Dit zijn de mensen uit de lijn van de genade, het rechtmatige nageslacht. Toch zijn ze maar zoekers. Daaruit leren we dat echte zoekers in Gods ogen heel kostbaar zijn en in Zijn boek zijn opgeschreven. Zelfs het zoeken heeft al een heiligende werking, nog voordat je gevonden hebt. Wat een wijdende kracht moet er dan zitten in het vinden en genieten van het gezicht en de gunst van de Heere! Verlangen naar gemeenschap met God reinigt.
O, dat we steeds meer hongeren en dorsten naar een helder zicht op Gods aangezicht! Dat brengt ons ertoe onszelf te reinigen van alle vuil en met hemelse omzichtigheid te wandelen. Wie verlangt om zijn vriend te zien als die voorbijkomt, let erop dat hij de damp van het raam veegt. Zo loopt zijn vriend niet ongemerkt voorbij.
Echt wakker geschudde zielen zoeken de Heere boven alles. Dat is niet wat de meeste mensen willen, dus vormen zij een geslacht op zichzelf: een volk dat door mensen veracht wordt, maar door God bemind. De uitdrukking “o Jakob” is erg moeilijk, tenzij het inderdaad zo is dat de God van Jakob Zich hier verwaardigt Jakob genoemd te worden en de naam van Zijn uitverkoren volk op Zich neemt.
De verzen hiervoor temperen de overdreven grootspraak van die Joden, die zich als lievelingen van de hemel zagen. Zij horen hier dat hun God de God van de hele aarde is. Hij is heilig, en Hij laat alleen heiligen in Zijn nabijheid toe. Wie alleen maar belijdt, moet bij het lezen van deze verzen goed luisteren naar de stem die zegt: “de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.”
“Sela.” Pak de harp erbij en zing mee, want er komt een nóg mooier lied: een lied over onze Welbeminde.
Vers 7
In deze laatste verzen ontmoeten we de grote Vertegenwoordiger van alle mensen. Hij voldeed volledig aan het beschreven karakter, en daarom beklom Hij op eigen recht de heilige berg Sion. Onze Heere Jezus Christus kon opgaan naar de berg van de HEERE, omdat Zijn handen rein waren en Zijn hart zuiver. Worden ook wij door het geloof in Hem steeds meer aan Zijn beeld gelijk, dan zullen ook wij binnengaan.
Hier zien we een schilderij van de glorieuze hemelvaart van onze Heere. We zien Hem opstijgen uit het kleine groepje op de Olijfberg. Zodra de wolk Hem opneemt, brengen engelen Hem met diep ontzag naar de poorten van de hemel.
De eeuwenoude poorten van de eeuwige tempel worden hier als personen toegesproken, en wel door de scharen van jubelende geesten die Hem vergezellen.
“Zie, Zijn zegewagen staat gereed,
Terwijl de engelen hun plechtig loflied zingen:
„Heft uw hoofden op, gij hemelpoorten,
Gij eeuwige deuren, opent u voor Hem!”
Die poorten krijgen het bevel “Heft uw hoofden op”, alsof zij, hoe groots ook, nog niet groot genoeg zijn voor de Alheerlijke Koning. Alles moet zijn uiterste best doen om zo’n groot Vorst te eren. Zelfs de hoogste hemel moet zich buitengewoon verheffen voor “de Koning der ere.”
Hij komt zojuist van het kruis en uit het graf en rijdt nu door de poorten van het Nieuwe Jeruzalem. Hij is hoger dan de hemelen! Hoe groot en eeuwig die parelpoorten ook zijn, ze zijn Hem volstrekt onwaardig. Voor Hem zijn zelfs de hemelen niet rein, en Hij beschuldigt Zijn engelen van dwaasheid. “Heft uw hoofden op, gij poorten.”
Vers 8
De wachters bij de poort horen het lied. Ze kijken over de muren en vragen: “Wie is de Koning der ere?” Dat is een vraag vol betekenis, die het waard is om in de eeuwigheid over na te blijven denken. Wie is Hij? Wat is Zijn persoon, Zijn natuur, Zijn karakter, Zijn ambt en Zijn werk? Waar komt Hij vandaan? Wat is Zijn rang en wat is Zijn geslacht?
Het antwoord klinkt als een machtige golf van muziek: “De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.” We kennen de kracht van Jezus aan de strijd die Hij gevoerd heeft en aan de overwinningen die Hij op zonde, dood en hel heeft behaald. We klappen in onze handen als we Hem zien optrekken in de majesteit van Zijn kracht, met de gevangenschap zelf als gevangene achter Zich aan. O, had ik een hart om Zijn lof te zingen! Machtige Held, wees voor eeuwig gekroond als Koning der koningen en Heere der heren.
Vers 9
“Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!” De woorden worden herhaald, maar met een mooie variatie. Er zijn momenten van diepe, oprechte ontroering waarop herhaling niet leeg is, maar juist vol kracht. In het Oosten haalde men de deuren vaak uit hun hengsels om een gast welkom te heten. Sommige deuren gingen als een valpoort omhoog en omlaag en staken misschien boven uit. Dan hieven ze dus echt hun hoofd op.
Het beeld is bijzonder dichterlijk. Het laat zien hoe wijd de poort van de hemel openstaat sinds de hemelvaart van onze Heere. Gode zij dank: sindsdien zijn die poorten nooit meer gesloten. De open poorten van de hemel nodigen zelfs de zwakste gelovige uit om binnen te komen.
Beste lezer, misschien zegt u: “Ik zal nooit binnengaan in de hemel van God, want ik heb geen reine handen en geen zuiver hart.” Kijk dan naar Christus. Hij heeft de heilige berg al beklommen. Hij is binnengegaan als de Voorloper van iedereen die op Hem vertrouwt. Volg Hem in Zijn voetstappen en rust op Zijn verdienste. Hij rijdt zegevierend de hemel binnen, en u rijdt er ook naartoe als u Hem vertrouwt.
“Maar hoe kom ik aan het karakter dat hier beschreven wordt?” vraagt u. Dat geeft de Geest van God u. Hij schept in u een nieuw hart en een rechte geest. Het geloof in Jezus is het werk van de Heilige Geest, en alle deugden zitten erin besloten. Het geloof staat bij de fontein die gevuld is met bloed. Terwijl het zich daarin wast, krijgt het reine handen en een zuiver hart, een heilige ziel en een waarachtige tong.
Vers 10
Het slot is onuitsprekelijk groots. Jehova der heirscharen, Heere van mensen en engelen, Heere van het heelal, Heere van alle werelden: Hij is de Koning der ere! Alle ware heerlijkheid is bij de ware God samengebracht. Elke andere heerlijkheid is maar een voorbijtrekkende optocht, de beschilderde pracht van één uur. Hier wordt de opgevaren Zaligmaker uitgeroepen tot het Hoofd en de Kroon van het heelal, de Koning der ere. Onze Immanuël wordt bezongen in de allerhoogste tonen. Jezus van Nazareth is Jehova Sebaoth!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm is duidelijk geschreven om in wisselzang te worden gezongen, door twee koren. Om hem helemaal te begrijpen moeten we weten dat de Joden Jeruzalem, als de stad van God, zagen als een beeld van de hemel. Zo komt het ook in Openbaring voor, en daarom hebben wij het overgenomen in onze dichterlijke en godsdienstige verlangens. Het voorhof van de tabernakel was de plek waar de Heere het meest rechtstreeks woonde: de tabernakel was Zijn paleis en de ark Zijn troon. Met die leidende gedachte in het hoofd kan zelfs de vluchtigste lezer (als er al vluchtige lezers van de Bijbel bestaan) niet anders dan getroffen worden door de schoonheid en verhevenheid van dit lied en door hoe goed het bij de gelegenheid past. De voorzanger, in dit geval waarschijnlijk de koning zelf, lijkt het heilige lied te zijn begonnen met een plechtige, krachtige voordracht van deze regels:
“De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid,
de wereld, en die daarin wonen.
Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen,
en heeft ze gevestigd op de rivieren.”
Daarna nam het zangkoor het lied over en zong dezelfde woorden in een melodieuzere, rijker uitgewerkte harmonie. De instrumenten en het hele koor van het volk vielen in en lieten de machtige verklaring ten hemel stijgen. Er is veel reden om te denken dat het volk, of een groot deel ervan, goed genoeg geoefend was om aan deze grote plechtigheid mee te doen. In de geschiedenis staat: “David en het ganse huis Israels speelden voor het aangezicht des HEEREN, met allerlei snarenspel …,” enz. We mogen aannemen dat het koor zich daarna in tweeën deelde, dat beide helften om beurten zongen en dat ze aan het slot samen zongen:
“Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen,
en heeft ze gevestigd op de rivieren.”
Waarschijnlijk duurde dit deel van de muziek tot de stoet de voet van Sion bereikte of de berg in zicht kreeg. Gezien de ligging van het ommuurde terrein kan dat pas als je er vlakbij bent. Dan moet de koning naar voren zijn gestapt en opnieuw zijn begonnen, in plechtige, ernstige toon:
“Wie zal klimmen op den berg des HEEREN,
en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?”
Het eerste koor antwoordt hierop:
“Die rein van handen, en zuiver van hart is,
die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert.”
Daarna antwoordt het tweede koor:
“Die zal den zegen ontvangen van den HEERE,
en gerechtigheid van den God zijns heils.”
Ook van dit deel van het heilige lied mogen we aannemen dat het duurde tot ze de stadspoort bereikten. Toen begon de koning opnieuw, in deze machtige, verheven toon:
“Heft uw hoofden op, gij poorten,
en verheft u, gij eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere inga!”
Het algemene koor herhaalde dit, net als eerder. Dan vragen de mannen die op deze feestdag de poorten bewaken:
“Wie is de Koning der ere?”
Het eerste koor antwoordt hierop:
“De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in den strijd.”
Het tweede koor herhaalt dit dan op dezelfde manier als eerder, en het grote algemene koor sluit af: “Die is de Koning der ere! Die is de Koning der ere!”
We moeten ons voorstellen dat de instrumenten dezelfde tonen opnemen en doorspelen tot de ingang van het voorhof van de tabernakel. Daar begint de koning opnieuw:
“Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren!
opdat de Koning der ere inga!”
Ook hier volgt weer hetzelfde antwoord als eerder. Alles klinkt samen: de instrumenten spelen, het koor zingt, het volk roept:
“De HEERE der heirscharen.”
— John Kitto’s “Daily Bible Illustrations”
Gehele psalm
De komst van de Heere der heerlijkheid, de hoge eisen die dat aan Zijn volk stelt en de absolute noodzaak om je waardig op Zijn aankomst voor te bereiden: daar gaat deze psalm over. — E. W. Hengstenberg.
Gehele psalm
Van de rabbijnen leren we dat dit een van de psalmen was die bij de Joodse eredienst op elke dag van de week werden gezongen:
Psalm 24 op de 1e, de dag des Heeren, onze zondag.
Psalm 48 op de 2e
Psalm 82 op de 3e
Psalm 94 op de 4e
Psalm 81 op de 5e
Psalm 93 op de 6e
Psalm 92 op de 7e, de Joodse sabbat.
Deze psalm was dus toegewezen aan de dag des Heeren, onze zondag. Hij was bedoeld om de opstanding van de Messias en Zijn hemelvaart te vieren: hoe Hij daar als Priester op Gods troon gaat zitten en van daaruit neerdaalt met zegeningen en barmhartigheid voor Zijn volk. — R. H. Ryland.
Gehele psalm
Een loflied dat werd uitgevoerd toen de poorten van Jeruzalem hun hoofden optilden om de ark te ontvangen. Alleen Israëlieten die ceremonieel rein waren, mochten de ark tot het voorhof van de tabernakel vergezellen. Een psalm van David. Vers 1 en 2: koor. Vers 3: eerste stem. Vers 4 en 5: tweede stem. Vers 6: koor. Vers 7: half koor dat de ark vergezelt. Vers 8: stem van binnen de poorten. Vers 8: koor van priesters dat de ark vergezelt. Vers 9: koor van priesters en volk met de ark. Vers 10: stem van binnen de poorten. Vers 10: groot koor. — Uit “The Psalms, with Prefatory Titles, etc., from the Port Royal Authors,” door Mary Anne Schimmelpenninck, 1825.
Gehele psalm
Hoe anderen erover denken, kan ik niet zeggen, en ik beweer ook niet dat ik het kan beschrijven. Maar wat mij betreft: ik heb geen besef dat iemand ooit iets zo groots, zo plechtigs en zo hemels heeft gezien of gehoord aan deze kant van de poorten van de hemel. — Patrick Delany, D.D., 1686-1768.
Vers 1
“De aarde is des HEEREN”, dat wil zeggen: van Christus, Die de “Heere der heren” is (Openbaring 19:16). De hele wereld en alles wat daarin is, behoort Hem namelijk toe op twee gronden. Ten eerste omdat God, Zijn Vader, het Hem geschonken heeft. Christus is immers “… gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Mattheüs 28:18), en alles wat de Vader heeft, is ook van Hem (Johannes 16:15). Daarom is Hij “gesteld tot een Erfgenaam van alles.” Hebreeën 1:2. Ten tweede is de aarde met alles erop van Christus door de schepping. Want “Hij heeft ze gegrond”, zegt onze profeet, en wel op een wonderlijke manier: “op de zeeën, … op de rivieren.” . . . Alles is dus van Christus. Door de schepping, want het is Hij door Wie “alle dingen zijn … gemaakt” (Johannes 1:3). Door de instandhouding, want Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht (Hebreeën 1:3). En door het bestuur, want Hij reikt van het ene einde tot het andere en ordent alle dingen liefelijk (Wijsheid 8:1). In één woord: “Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen.” Romeinen 11:36.
Hieruit leren we allereerst (1) dat Christus “de Koning der ere” is, “Heere der heirscharen”, ja, almachtig God. Want Hij Die alles gemaakt heeft, is “Heere van allen”. Wie de Schepper van hemel en aarde is, is almachtig, zoals onze Geloofsbelijdenis zegt: in staat om te doen wat Hij wil, en nog meer dan Hij wil. Zijn absolute macht reikt verder dan wat Hij werkelijk doet. Hij “kan … Abraham kinderen verwekken” uit de stenen van de straat zelf, ook al brengt Hij zo’n geslacht in werkelijkheid niet voort. Zijn almacht bewijst duidelijk dat Hij God is, en Zijn grondvesting van de wereld bewijst Zijn almacht. Want “de goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.” Jeremia 10:11.
(2.) De wereld in haar hele omvang en allen die daarin wonen zijn van de Heere. Het is dus duidelijk dat de gemeente niet binnen de grenzen van één streek is opgesloten en ook niet als het ware aan één zetel vastgeplakt zit. Vroeger wilden de Donatisten de gemeente alleen aan Cartenna in Afrika binden, en in onze tijd doen de Papisten dat met Rome in Italië. Maar de Schriften zeggen duidelijk dat de gouden kandelaren van de ene plaats naar de andere worden verplaatst. Het koninkrijk van God wordt van het ene volk weggenomen en gegeven aan een ander land dat er vruchten van voortbrengt. In elk volk is wie God vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam. Handelingen 10:35. — John Boys.
Vers 1
“De aarde is des HEEREN.” Het begin van de psalm wil laten zien dat de Joden uit zichzelf niets hadden dat hun meer recht gaf dan de heidenen om dichter of vertrouwelijker tot God te naderen. God houdt de wereld door Zijn voorzienigheid in stand. Zo reikt de macht van Zijn bestuur evengoed tot alle mensen, en moeten ze Hem allemaal aanbidden. Net zo toont Hij aan alle mensen zonder uitzondering de vaderlijke zorg die Hij voor hen heeft. — J. Calvijn.
Vers 1
“De aarde is des HEEREN.” Zij is van Christus door de schepping (vers 2; Johannes 1:1, 2). Ze is ook van Hem door de opstanding (Mattheüs 28:18) en door Zijn glorieuze hemelvaart naar de hemel, waar Hij als Koning van de wereld in Zijn menselijke natuur op de troon zit. Deze psalm neemt de taal over van de eerste hemelvaartspsalm (Psalm 8). — Christopher Wordsworth, D.D., op deze plaats.
Vers 1
Sint Chrysostomus leed onder keizerin Eudoxia. Hij vertelt zijn vriend Cyriacus hoe hij zich van tevoren wapende (Grieks): “Ik dacht: zal zij mij verbannen? ‘De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid.’ Mijn goederen afnemen? ‘Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren.’ Zal zij mij stenigen? Dan dacht ik aan Stefanus. Mij onthoofden? Dan kwam Johannes de Doper in mijn gedachten,” enz.
Zo hoort het te zijn bij iedereen die rustig wil leven en sterven. Ze moeten, zoals wij zeggen, iets opzijleggen voor een regenachtige dag. Ze moeten zich voorzien van genade, beloften opslaan en zich uitrusten met ervaringen van Gods goedertierenheid, aan anderen en ook aan henzelf. Dan kunnen ze er op de boze dag veel goeds van ontvangen. — John Spencer.
Vers 1
“De aarde is des HEEREN.” Als jonge man hoedde David zijn kudden op Bethlehems vruchtbare vlakten. Toen daalde de Geest van de Heere op hem neer. Zijn zinnen gingen open en zijn verstand werd verlicht, zodat hij de zangen van de nacht kon verstaan. De hemelen verkondigden de heerlijkheid van God. Fonkelende sterren vormden het grote koor. Hun harmonieuze melodie klonk over de aarde, en de zoete volheid van hun stemmen trilde door tot aan haar uiterste grenzen.
“Licht is het gelaat van de Eeuwige,” zong de ondergaande zon. “Ik ben de zoom van Zijn mantel,” antwoordde de zachte, rozige schemering. De wolken verzamelden zich en zeiden: “Wij zijn Zijn tent voor de nacht.” Het water in de wolken en de holle stemmen van de donder vielen in, in dit machtige koor: “De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.”
“Hij vliegt op mijn vleugelen,” fluisterden de winden. De zachte lucht voegde eraan toe: “Ik ben de adem van God, de zucht van Zijn goede nabijheid.” “Wij horen overal lofzangen,” zei de dorstige aarde. “Rondom mij klinkt lof, alleen ik ben treurig en stil.” Toen antwoordde de dauw die neerdaalde: “Ik zal je voeden, zodat je opleeft en blij wordt, en je kinderen zullen bloeien als de jonge roos.”
“Wat bloeien wij blij!” zongen de verkwikte weiden. De volle korenaren wuifden terwijl ze zongen: “Wij zijn Gods zegen, Gods legers tegen de hongersnood.” “Wij zegenen je vanuit de hoogte,” zei de zachte maan. “Wij ook,” antwoordden de sterren. En de vlugge sprinkhaan tjirpte: “Mij zegent Hij óók, in de glinsterende dauwdruppel.” “Hij heeft mijn dorst gelest,” zei het ree. “En mij nieuwe kracht gegeven,” vervolgde het hert. “En Hij geeft ons te eten,” zeiden de dieren van het woud. “En Hij kleedt mijn lammeren,” voegde het schaap er dankbaar aan toe.
“Hij heeft naar mij geluisterd,” krasde de raaf, “toen ik verlaten en alleen was.” “Hij heeft naar mij geluisterd,” zei de wilde steenbok van de rotsen, “toen mijn tijd gekomen was en ik jongen kreeg.” De tortelduif kirde, en de zwaluw en andere vogels vielen in met hun lied: “Wij hebben onze nesten gevonden, onze huizen! Wij wonen bij het altaar van de Heere en slapen onder de schaduw van Zijn vleugel, in rust en vrede.”
“En vrede,” antwoordde de nacht, en de echo rekte de klank nog even uit. Toen wekte de haan de dageraad en kraaide het uit van blijdschap: “Open de poorten, zet de poorten van de wereld wijd open! De Koning der ere komt eraan. Word wakker! Sta op, mensenkinderen! Geef lof en dank aan de Heere, want de Koning der ere komt eraan.”
De zon kwam op en David ontwaakte uit zijn zoete verrukking. Maar zolang hij leefde, bleven de klanken van de harmonie van de schepping in zijn ziel hangen, en elke dag riep hij ze opnieuw op uit de snaren van zijn harp. — Uit de “Legend of the Songs of the Night” in de Talmoed, aangehaald in “Biblical Antiquities,” door F. A. Cox, D.D., LL.D., 1852
Vers 1
Een vroom hart ziet alle dingen in God, en God in alle dingen. — Ingram Cobbin, 1839
Vers 2
“Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.” Dat de aarde op de zeeën rust en op de rivieren wordt vastgezet, is zó wonderlijk dat de almachtige God Zijn knecht Job vroeg: “Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken?” Job 38:6. Xerxes beval zijn soldaten het water van de Hellespont in boeien te slaan. Zo bindt ook God de vloeden als het ware in kluisters, zoals Sint Basilius het helder zegt: “Ligatum est mare præcepto Creatoris quasi compedibus”, de zee is op bevel van de Schepper als met boeien gebonden. Hij zegt tegen de zee: “Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.” “Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren” (Job 38:11; Psalm 33:7). Zonder Zijn toestemming kan dus geen enkele druppel het land overspoelen. — John Boys
Vers 2 (Nieuwe vertaling.)
“Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en op stromen maakt Hij ze vast.” Het gaat hier ongetwijfeld om het scheppingsverhaal in Genesis. Het droge land kwam uit het water op en leek daarop te rusten. (Vergelijk 136:6; Spreuken 8:29.) Toch zou het helemaal misplaatst zijn om in zulke woorden een theorie te zoeken, populair of wetenschappelijk, over hoe het aardoppervlak in elkaar zit. Job zegt (26:7): “Hij hangt de aarde aan een niet.” Dit is duidelijk dichterlijke taal. Zie Job 38:6. — J. J. Stewart Perowne
Vers 2
“Op de zeeën” wil zeggen: op die grote waterdiepte onder de aarde, opgesloten in enorme holle ruimten. Daaruit ontspringen de bronnen van de rivieren, en daaruit welt ook ander water op aan de oppervlakte. — John Diodati
Vers 2
“Boven de rivieren heeft Hij ze bevestigd.” Het Hebreeuwse woord (Al) staat in beide zinsdelen van dit vers en kan twee dingen betekenen. Het kan “boven” betekenen, zoals wij het hebben vertaald. Dan verwijst het naar Genesis 1:9, 10: Jehova liet droog land uit het midden van de zeeën opkomen, gaf het een vaste plaats boven de vloeden en trok voor die vloeden een grens, zodat ze nooit meer terugkeren om het te overstromen (zie Job 38:8; Psalm 104, die tijdens het schrijven in volgorde van ontstaan na Psalm 7:9 komt). Het kan ook “bij” of “aan” betekenen, zoals het vaak doet, en dan verwijst het naar dezelfde Bijbelplaatsen en dezelfde almacht van God. Onze aarde ligt dan vlak bij de vloeden. Ze wordt omringd door machtige wateren, waarvan één enkele golf haar voorgoed zou kunnen begraven. Toch heeft de Heere haar zo vastgezet dat dit nooit zal gebeuren. Dat is een krachtige reden waarom de aarde met alles erop en erin van Jehova is. — Benjamin Weiss
Vers 2
Hiermee wordt in beeldtaal bedoeld dat Hij Zijn gemeente boven de wateren van tegenspoed heeft geplaatst. Hoe hoog die wateren ook stijgen, de gemeente wordt er steeds veilig boven gehouden, en dat zal voor eeuwig zo blijven. Het kan ook zo samengaan: Hij zal alle volken opnemen in Zijn genade, omdat ze allemaal Zijn schepselen zijn. Hij maakte voor hen vanaf het begin zo’n prachtige woonplaats en houdt die nog steeds in stand. Daarmee laat Hij zien hoeveel Hij van hen vindt. Daarom zal Hij Zijn gunst nu nog verder over hen uitstrekken en hen aannemen als Zijn volk. — Augustinus, aangehaald door Mayer
Vers 3
“Wie zal klimmen?” Als alleen mag opklimmen wie rein en zuiver is, zonder ijdelheid en bedrog, dan is de vraag snel beantwoord: niemand. Want niemand is zo. Stof is onze stof, dus we zijn niet rein. Onze natuur is bevlekt, dus we zijn niet zuiver. De zwaarsten van ons zijn lichter dan ijdelheid, en de besten van ons zijn bedrieglijk op de weegschaal. Voor ons is er dus geen klim die zo hoog reikt.
Toch horen we van Eén, of we hadden vandaag van Hem kunnen horen, Die is opgestaan en omhoog is gevaren. Hij was precies zoals de psalmist het beschrijft: helemaal rein en zuiver, zonder kaf, en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden. 1 Petrus 2:22. Maar er was slechts Eén Die zo was, zult u zeggen, wat heeft dat met alle anderen te maken? Toch wel iets. Hij was ons Hoofd. Als het Hoofd eenmaal is opgestaan en omhooggegaan, dan volgen de leden allemaal, ieder op zijn tijd. — Mark Frank
Vers 3
“De berg des HEEREN” kan niets anders zijn dan een berg van heerlijkheid. Zijn heilige plaats is niets minder dan de plek en de zetel van de heerlijkheid zelf. Zo’n plek, kun je niet anders denken, is moeilijk te bereiken. Zelfs de kleine glorie van deze wereld is dat al.
Dit is een berg van heerlijkheid: moeilijk te beklimmen, lastig te bedwingen, rotsachtig, steil om overheen te klauteren. Er loopt geen vlakke, gemakkelijke weg naartoe. De brede, makkelijke weg gaat ergens anders heen (Mattheüs 7:13). De weg hierheen is smal (vers 14), ruw en vol moeite. Tot de ware, trouwe dienaren van Christus behoren is geen kleinigheid. Het is een strijd, een wedloop, een voortdurende veldtocht. Vasten en waken, kou en gebrek aan kleding, honger en dorst, boeien, gevangenissen, gevaren en benauwdheden, smaad en hoon, verdrukking en vervolging, de haat van de wereld en het wegblijven van onze vrienden. Alles wat wij zwaar of moeilijk noemen, ligt op de weg die we moeten gaan.
Niemand kan een lust achter zich laten, slecht gezelschap van zich afschudden, een zondig leven opgeven, de weg van de deugd inslaan, zijn geloof belijden of eraan vasthouden, niemand kan dus de geestelijke berg beklimmen zonder dat hij een van deze dingen tegenkomt om mee te worstelen en te strijden. Maar het gaat niet alleen om opklimmen. Het gaat ook om daar blijven staan, want dat is wat het woord betekent. Je moet op zo’n hoogte volharden, standvastig blijven in waarheid en godsvrucht. Dat zal werkelijk moeilijk zijn, en het brengt nog meer strijd met zich mee. — Mark Frank
Vers 3, 4
De psalm begint met een bezorgde vraag, geeft daarna een bevredigend antwoord en eindigt met een prachtige, vervoerende aanspraak. Dit is de vraag: “Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?”
Dit is het antwoord: “Die rein van handen, en zuiver van hart is.” “Die zal den zegen” van volledige vergeving “ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.” Het is die volmaakte gerechtigheid die de mens niet zelf verdient, maar die Jehova schenkt. De heilige verricht haar niet, de zondaar ontvangt haar. Zij is de enige stevige grondslag voor onze hoop op geluk, het enige pleidooi dat geldt voor toegang tot de woningen van vreugde.
Dan volgt de aanspraak. De profeet ziet de hemelvaart van Christus en Zijn heiligen vooruit, op weg naar het koninkrijk der hemelen. Hij ziet zijn Heere vooropgaan aan het hoofd van de verloste wereld en hen leiden naar plaatsen van eer en vreugde. Bij zo’n gezicht past dat hij zich, in een bijzonder mooie dichterlijke toon, richt tot de poorten van de hemel: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Met alle erfgenamen van Zijn genade en gerechtigheid zal Hij Zijn zegevierende intocht houden, en nooit meer uitgaan. — James Hervey
Vers 3, 4
Het gaat niet om wie zo goed zingt of zoveel psalmen zingt. Niet om wie zoveel dagen vast of waakt, niet om wie zijn bezit onder de armen verdeelt, niet om wie anderen predikt, niet om wie rustig, vriendelijk en gezellig leeft. Het gaat zelfs niet om wie alle wetenschappen en talen kent, noch om wie alle deugdzame en goede werken doet waarover een mens ooit sprak of las. Het gaat alleen om hem die zuiver is, van binnen en van buiten. — Maarten Luther
Vers 4
“Die rein van handen, en zuiver van hart is.” Zal ik u dan zeggen wie in Gods ogen een oprecht mens is? Het is iemand die zich buigt voor Gods wet als de hoogste maatstaf van wat goed is. Iemand die in alles wat hij doet wordt gestuurd door diep ontzag voor God. Iemand die de andere geboden vanzelf houdt, omdat hij het eerste en grote gebod heeft gehoorzaamd: “Geef mij uw hart.” Zijn gedrag richt zich niet naar gewoonte of eigenbelang, maar naar één vaste, onveranderlijke maatstaf van plicht.
Breng deze man voor de rechter en laat hem getuigen: hij zal geen vals getuigenis geven. Vertrouw hem ontelbare schatten toe: hij zal niet stelen. Vertrouw hem het kostbaarste toe van uzelf of uw gezin: u bent veilig, want hij heeft een levend beginsel van waarheid en eerlijkheid in zijn borst. In het donker is hij net zo betrouwbaar als op klaarlichte dag. Hij is een oprecht mens, niet omdat zijn reputatie of belang dat vraagt, niet omdat de blik van het publiek op hem rust, maar omdat de liefde tot God en het ontzag voor Hem het hart van deze man beheersen. — Ebenezer Porter, D.D., 1834
Vers 4
Voorwaarden die op niemand passen behalve op Christus. (Bellarminus.) “Die rein van handen …”, “de reine van handen”, zegt de kanttekening. Het zijn de handen waaruit kracht en genezing voortkwamen. Handen die steeds opgeheven waren in gebed tot God of in zegen over mensen. Handen die aan het kruis werden uitgestrekt om de hele wereld te reinigen. — Isaac Williams, bij deze tekst
Vers 4
“Die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid” wordt door Arias Montanus gelezen als: “Die zijn ziel niet tevergeefs heeft ontvangen.” Och, hoevelen hebben hun ziel tevergeefs ontvangen! Ze doen er niets beters mee dan de varkens, van wie de wijsgeer zegt: “cujus anima pro sale”, hun ziel dient alleen als zout om hun lichaam tegen het stinken te behoeden. Wie zou niet treuren bij de gedachte dat zo’n uitgelezen kostbaarheid voor zo’n waardeloos doel wordt gebruikt! — George Swinnock
Vers 4
“En die niet bedriegelijk zweert.” Dat wil zeggen: wie zijn tong niet heeft laten wennen aan enige andere taal uit de bedorven omgang van de hel, tot oneer van God of om anderen te misleiden. Meineed wordt hier als voorbeeld genoemd voor alle andere zonden, omdat het een van de ergste is. Maar Peraldus telt vierentwintig verschillende zonden van de tong op. Elke burger van het Nieuwe Jeruzalem wacht zich zorgvuldig voor ze allemaal, als voor het gekwijl van de duivel, dat helemaal niet past bij zijn zuivere lippen. — John Trapp
Vers 4
Nu komen we bij de vier voorwaarden die nodig zijn om zo’n klim mogelijk te maken. Eén: niets kwaads doen. “Die rein van handen …” Twee: niets kwaads denken. “En zuiver van hart is.” Drie: de plicht doen waarvoor je op aarde gezonden bent. “Die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid”, of, zoals de Vulgaat het geeft: “Die zijn ziel niet tevergeefs heeft ontvangen.” Vier: de geloften nakomen waarmee je aan God gebonden bent. “En die niet bedriegelijk zweert.”
In de volste zin was er maar Eén in Wie dit alles vervuld was. Daarom kon Hij op de vraag: “Wie zal klimmen op den berg des HEEREN?” met recht antwoorden: “Niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” Johannes 3:13. “Daarom staat er terecht geschreven,” zegt Sint Bernardus, “dat zo’n Hogepriester bij ons paste, want Hij kent hoe moeilijk die klim naar de hemelse berg is. Hij kent de zwakheid van ons die moeten opklimmen.” — Lorinus en Bernardus, aangehaald door J. M. Neale
Vers 4
De hemel win je niet met mooie woorden en een fraaie belijdenis. De christen die doet wat hij zegt, zal blijven staan wanneer de lege opschepper over zijn geloof valt. Wie het meest over godsdienst praat, doet vaak het minst. Zijn godsdienst is zinloos als zijn belijdenis geen bewijs van een heilig leven kan tonen. — William Gurnall
Vers 5
“Die zal den zegen ontvangen”, zoals eerder staat: “Gij zet hem tot zegeningen.” Psalm 21:7. Zijn naam is nooit zonder zegen. In Hem zullen alle volken van de aarde gezegend worden. Op de berg van Zijn zaligsprekingen, op de hemelse berg Sion, gekroond als “de Zoon des gezegenden Gods.” “Van den HEERE”, ja, van “de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.” Efeze 1:3. — Isaac Williams
Vers 5
“Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid.” Over onze eigen gerechtigheid, die we buiten Hem hebben, zegt Jesaja dat ze “een wegwerpelijk kleed” is. Sint Paulus noemt haar zelfs maar “drek”. Dat zijn twee heel alledaagse vergelijkingen, maar het zijn die van de Heilige Geest Zelf. En toch nog lang niet zo alledaags als in de grondtekst. Daar zijn ze zo weerzinwekkend dat we niet hebben durven vertalen om wat voor bevlekt kleed of wat voor drek het precies gaat.
Onze eigen gerechtigheid is dus niet beter, en daarom worden we gedreven om haar elders te zoeken. “Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid”, zegt de profeet, en “de gave der rechtvaardigheid”, zegt de apostel. Filippenzen 3:8, 9; Romeinen 5:17. Het moet dus een andere gerechtigheid zijn, die ons gegeven en door ons ontvangen wordt, en die we moeten zoeken. Waar moeten we heen om haar te krijgen? Job behandelt dit punt in zijn eentje (hoofdstuk 15:15; 4:18; 25:5). Niet naar de hemelen of de sterren, want die zijn onrein in Zijn ogen. Niet naar de heiligen, want in hen vond Hij dwaasheid. Niet naar de engelen, want ook in hen vond Hij geen standvastigheid. Als geen van deze ons kan helpen, zien we een dwingende reden waarom Jehova deel moet zijn van deze naam: “De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.” Jeremia 23:6. — Lancelot Andrewes
Vers 6
“Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken.” Christenen moeten zoekers zijn. Echt, zo is het. Dit is het geslacht van zoekers. Wie ooit in de hemel wil komen, moet bij dat geslacht horen. In de hemel zijn we vinders, bezitters en genieters van God. Maar hier op aarde zijn we zoekers. Er ontbreekt ons altijd iets, dus blijven we zoeken naar wat we nog niet hebben. Zelfs op ons best missen we nog de volheid van ons geluk. Dit leven is een leven van zoeken, omdat het een leven van gebrek is. Laten we nu eens kijken naar het zoeken van Gods aangezicht, van Zijn tegenwoordigheid. . . . Met die tegenwoordigheid bedoelt de psalmist de nabijheid die God laat voelen als we in nood zijn en in Zijn verordeningen. In onze nood laat Hij Zijn kinderen een genadige tegenwoordigheid ervaren, een vriendelijk gelaat. Weten we de weg niet, dan geeft Hij licht om ons te leiden. Zijn we zwak, dan laat Hij ons Zijn kracht zien. Zitten we in angst en verlegenheid, dan komt Hij met Zijn troostrijke nabijheid om ons te bemoedigen. In benauwdheid geeft Hij ons hart ruimte, precies afgestemd op wat nodig is. Zo is God dichtbij Zijn kinderen als ze in nood zijn: Hij wijst hun de weg, troost hen en sterkt hen, wanneer ze dat nodig hebben. — Richard Sibbes
Vers 6
“Dat is het geslacht.” Met het woordje “dat” haalt de psalmist alle nagemaakte Israëlieten van de lijst van Gods dienaren af. Zij vertrouwen alleen op hun besnijdenis en op het offeren van dieren, en vinden het niet nodig zichzelf aan God aan te bieden. Toch dringen zij zich zonder enige schroom, allemaal tegelijk, de gemeente binnen. — Johannes Calvijn
Vers 6
“Die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob!” (Engels: die Uw aangezicht zoeken, o Jakob) In Spreuken 7:15 en 29:26 betekent “het aangezicht zoeken van” iemands gunst zoeken, of vreugde in iemand hebben. Hun vreugde ligt niet bij Ezau, die “de vettigheden der aarde” (Genesis 27:39) als zijn deel kreeg. En misschien hebben de schrijvers gelijk die in Jakob een naam voor de Messias zien, aan Wie het ware eerstgeboorterecht en de zegen toebehoren. — Andrew A. Bonar
Vers 6
“Die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob!” (Engels: die Uw aangezicht zoeken, o Jakob) Hij is “het zaad van Jakob”. Hij is “de Heilige Israëls”. “Het aangezicht Uws gezalfden” is het gezicht van Hem Die God én mens is. Want “wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.” — Isaac Williams
Vers 6
“Dat is Jakob!” (Engels: o Jakob), of: o God van Jakob. Zoals 1 Korinthe 12:12 de gemeente “Christus” noemt, zo heet God hier “Jakob”. Zo innig is de band tussen Hem en Zijn volk, zo dicht staan ze bij elkaar. Of lees het zo: dit is Jakob. Zo worden de echte zoekers terecht genoemd. Ten eerste omdat ze Israëlieten in waarheid zijn (Johannes 1:47; Romeinen 9:6). Ten tweede omdat ze God van aangezicht tot aangezicht zien, zoals Jakob in Pniël (Genesis 32:24-30). Ten derde omdat ook zij, net als hij, een zegen meedragen (Hosea 12:4): namelijk “gerechtigheid van den God zijns heils”, zoals in het vers hiervoor. — John Trapp
Vers 7
“Heft uw hoofden op, gij poorten.” De tempelpoorten waren inderdaad hoog en prachtig, passend bij de enorme afmetingen van dat bijzondere gebouw. Maar met “Heft uw hoofden op” wordt niet zozeer hun hoogte bedoeld. Het gaat om het bovenste deel, dat zo gemaakt was dat het omhoog kon, terwijl het onderste deel openging als vleugeldeuren. — Robert Jamieson, in “Paxton’s Illustrations of Scriptures”
Vers 7
“Heft uw hoofden op, gij poorten.” Bij het kasteel van Banias in Syrië staan nog resten van een oude poort die, net als een jaloezie, omhoog werd getrokken. De poort schoof daarbij in groeven. Daarmee is de uitdrukking volkomen duidelijk. — John Gadsby
Vers 7
“Heft op.” Dit is een uitdrukking uit de wereld van triomfbogen en grote zuilengangen, de poorten en zuilenhallen van een stad. Die werden opgericht, verfraaid en versierd voor de intocht van machtige veldheren die als overwinnaar terugkeerden. — John Diodati
Vers 7
“Verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Sommigen leggen dit uit van de deuren van ons hart, naar het woord uit Openbaring 3:20: “Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen,” enzovoort. In de evangeliën zien we dat Christus op vier manieren werd ontvangen. Sommigen namen Hem op in hun huis, maar niet in hun hart, zoals Simon de Farizeeër (Lukas 7:44), die Hem geen kus gaf en geen water voor Zijn voeten. Anderen namen Hem op in hun hart, maar niet in hun huis, zoals de gelovige hoofdman (Mattheüs 8:8), die zichzelf te onwaardig vond om Christus onder zijn dak te laten komen. Weer anderen lieten Hem noch in hun huis noch in hun hart toe, zoals de goddeloze Gergesenen (Mattheüs 8:34). En nog anderen ontvingen Hem in allebei, huis én hart, zoals Lazarus, Maria en Martha. Johannes 3:15; Lukas 10:38.
Opdat Christus echt door het geloof in ons hart woont en onze lichamen tempels van Zijn Heilige Geest zijn, moeten we onze zielen opheffen, zoals onze profeet ons hier aanspoort. Wat dat inhoudt? Met de woorden van Paulus (Kolossenzen 3:2): onze genegenheid moet gericht zijn op de dingen die boven zijn, en niet op die op de aarde. Willen we ons hart opheffen naar Christus’ waarheid, dan mogen we het niet opheffen naar de ijdelheid van de wereld. We mogen onze liefde dus niet te veel hechten aan de dingen van dit leven, maar aan de genietingen aan Gods rechterhand, die eeuwig zijn. Zo dragen we, na het beeld van de eerste Adam te hebben gedragen, die aards was, ook het beeld van de tweede Adam, dat hemels is. 1 Korinthe 15:49.
De wereldse mens zonder God zingt Christus een “Nunc dimittis” toe, een afscheidslied. Hij zegt wat de duivelen zeiden: “Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener?” (Markus 1:24). Hij zegt het ook zoals Job zijn woorden weergeeft: “Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.” Job 21:14. De godvrezende ziel daarentegen, die de Zaligmaker bezit, zingt een vrolijk “Magnificat” en een lieflijk “Te Deum”. Zij zegt tot Christus wat Ruth tot Naomi zei (Ruth 1:16): “Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren.” Zelfs de dood zal ons niet scheiden. Want als ik uit de gevangenis van mijn lichaam ben bevrijd, hoop ik bij Christus te zijn. Zoals Ittaï tot David sprak, zo zeg ik tot Jezus: “Zo waarachtig als de HEERE leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!” 2 Samuël 15:21.
O Heere, U bent de God van mijn heil. Ik hef mijn hart naar U op en verlang U te zoeken, op de juiste “ubi”, waar U te vinden bent, en op het juiste “quando”, terwijl U te vinden bent. Psalm 18:47; 25:1. Open mijn dove oren en mijn harde hart, opdat Uw Zoon, mijn Zaligmaker, binnenkomt en bij mij woont. Geef mij genade dat ik steeds luister terwijl Hij roept, opendoe terwijl Hij klopt, en Hem ook vasthoud als ik Hem heb. Dan mag ik Uw berg beklimmen en in Uw heilige plaats staan. Dan verblijf ik niet alleen in Uw tabernakel, maar rust en woon ik ook op de berg van Uw heiligheid. — John Boys
Vers 7
“Eeuwige deuren.” De poorten van de hemel heten “eeuwig”, omdat ze eeuwig blijven bestaan, of omdat ze de deuren zijn naar het leven dat eeuwig is. — John Boys
Vers 7
Wat we ook van deze dingen denken: David vond het hoog tijd om zo’n bode welkom te heten en zijn hart te openen om zijn God te ontvangen. Hoor wat hij tegen zijn eigen hart en tegen anderen zegt: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Maar de deur van het menselijk hart zit helaas op slot, gegrendeld en gesloten. Mensen slapen diep en horen het kloppen aan de poort niet, hoe luid het ook is, en al is het een koning. Daarom klopt David opnieuw: “Verheft u, gij eeuwige deuren.”
Waarom zo’n haast, zegt de zondaar? Waarom die haast? Wel, de Koning staat aan je poorten! En dat is geen gewone koning. Hij is een Koning vol heerlijkheid, een Koning Die jou groot wil maken. Doe je snel open, dan eert Hij je zozeer dat Hij bij je binnengaat, in je huis Zijn intrek neemt en bij je woont. Toch doet de ziel, ondanks dit alles, nog steeds niet open. Ze blijft twijfelend staan, alsof daar eerder een vijand dan een vriend voor de deur staat, en vraagt: “Wie is Hij, deze Koning der ere?” Wie? Hij antwoordt opnieuw: “De HEERE der heirscharen.” Doe je niet snel en ook dankbaar open, dan kan Hij je huis zo om je oren laten storten. Hij is de HEERE der heirscharen, de Koning Die altijd een machtig leger tot Zijn beschikking heeft, dat klaarstaat voor Zijn bevel. Dan pas zou je weten wie je tot vriend had kunnen hebben. “Heft uw hoofden op, gij poorten.” Doe snel open, jij die God liever tot vriend hebt dan tot vijand.
O, waarom roept de ziel van elke zondaar niet uit: Heere, de deur zit op slot en U hebt de sleutel. Ik heb alles geprobeerd, maar het slot is zo roestig dat ik de sleutel onmogelijk kan omdraaien. Maar Heere, ruk de deur dan uit haar scharnieren, alles wat U wilt, als U maar binnenkomt en hier woont. Kom, o machtige God! Breek door deuren van ijzer en grendels van koper, en baan U een weg met Uw liefde en macht. Kom, Heere, en maak U hier thuis, wees welkom. Alles wat ik heb, staat tot Uw dienst. O maak mijn ziel geschikt om U te ontvangen! — James Janeway
Vers 7
Hij heeft ons de Geest als onderpand nagelaten en ons het onderpand van ons vlees afgenomen. Dat vlees heeft Hij met Zich meegenomen naar de hemel, als pand dat het geheel zal volgen. — Tertullianus
Vers 7
Christus is als overwinnaar naar de hemel gegaan. Zonde, satan, dood, hel en al Zijn vijanden voert Hij in triomf mee aan de wielen van Zijn wagen. Hij heeft Zijn vijanden niet alleen voor Zichzelf overwonnen, maar voor heel Zijn volk. Ook hen zal Hij overwinnaars maken, ja, “meer dan overwinnaars”. Zoals Hij heeft overwonnen, zo zullen zij overwinnen. En zoals Hij als overwinnaar naar de hemel is gegaan, zullen zij in triomf volgen. In de hemel is Hij Zaligmaker. Toen Hij uit de hemel kwam, kwam Hij als Zaligmaker. Toen Hij op aarde was, verwierf Hij eeuwige zaligheid. In de hemel leeft Hij als Zaligmaker. Als Hij weer uit de hemel komt, zal Hij komen als Zaligmaker. En als Hij terugkeert, keert Hij terug als Zaligmaker. Hij is ook als de rechtmatige erfgenaam naar de hemel gegaan. Niet als vreemdeling, maar als “Erfgenaam van alles”. Hij is de erfgenaam van alle hemelse heerlijkheid en gelukzaligheid, en gelovigen zijn “erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus”. — Henry Pendlebury, 1626-1695
Vers 7
“Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang. … God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.” Psalm 47:2, 6. Deze Ark, die de wereld van de ondergang heeft gered, rust eindelijk op de berg, nadat ze op een vloed van bloed heeft gedreven. Deze onschuldige Jozef, wiens deugd door de synagoge werd onderdrukt, wordt uit de kerker gehaald om een kroon te ontvangen. Deze onoverwinnelijke Simson heeft de poorten van de hel weggedragen en trekt in triomf naar de eeuwige heuvelen. Deze zegevierende Jozua is over de Jordaan getrokken met de ark des verbonds en heeft het land der levenden in bezit genomen. Deze Zon der gerechtigheid, Die tien graden was ondergegaan, keert terug naar de plaats die Hij had verlaten. Hij Die bij Zijn geboorte “een worm” was, een Lam in Zijn lijden en een Leeuw in Zijn opstanding, stijgt nu als een Arend naar de hemel op. En Hij moedigt ons aan Hem daarheen te volgen. Op deze dag leert de hemel de aanwezigheid van de mens te verdragen, en leren mensen boven de sterren te wandelen. Het hemelse Jeruzalem ontvangt zijn rechtmatige Koning, de gemeente haar Hogepriester, het huis van God zijn Erfgenaam, de hele wereld haar Heerser. “Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!” Psalm 47:7-9. “God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.” “De edelen der volken zijn verzameld” tot Hem; “Hij is zeer verheven” boven hen. — Uit “The Life of Jesus Christ in Glory”, vertaald uit het Frans van James Nouet
Vers 7, 8
Toen Christus bij de deuren van de hemel aankwam, begonnen de hemelse geesten die Hem vergezelden te roepen: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Enkele engelen binnen kenden Zijn persoon wel, maar stonden verbaasd over Zijn majesteit en heerlijkheid. Zij vroegen weer: “Wie is de Koning der ere?” Toen kregen zij dit antwoord: “De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.” Daarop gingen de twaalf poorten van de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, vanzelf open, en Jezus Christus ging met al Zijn dienende geesten naar binnen.
O mijn ziel, wat zou dit je vreugde moeten verhogen en je troost vergroten: Christus is nu in heerlijkheid opgenomen! Elk gezicht op Christus is heerlijk, werkelijk elk gezicht, en bij elk zicht moet je op de Heere Jezus Christus wachten voor heerlijke openbaringen van Hemzelf. Kom, leef naar dit grote geheimenis van de godsvrucht. Kijk naar Christus terwijl Hij in heerlijkheid binnengaat, en je zult dezelfde glans van heerlijkheid op je hart vinden. O! Dit gezicht verandert je: “Wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.” 2 Korinthe 3:18. — Isaac Ambrose
Vers 7, 8
Jullie die zo de levende tempels van de Heere zijn en Zijn heiligende Geest al in jullie hebben opgenomen: hef jullie harten op in het gebruik van de heilige verordeningen, door het geloof, met blijde verlangens en vaste verwachting van Hem. Ja, wees rijkelijk opgeheven door het geloof in het gebruik van de heilige middelen, jullie die de eeuwige woning zijn van een eeuwige God, en heet Hem blij en overtuigd welkom. Zo nodigen jullie de hoge en machtige Heerser, de Heere Christus, uit in jullie ziel, en ontvangen jullie Hem ongetwijfeld, met de heerlijke openbaring en verrukkende werking van Zijn liefde, weldaden en genaden.
Weet ook, alle gelovigen en gehoorzamen, tot jullie moed en troost, wie en wat voor Koning deze heerlijke Koning is, de Heere Jezus, Die de wereld veracht maar jullie eren. Hij is de almachtige God, met alle macht die nodig is om Zijn volk en gemeente te behoeden en te verdedigen. Dat volk bemint en dient Hem, vol vertrouwen op Hem. Hij beschermt het tegen alle kracht en macht van mensen en duivels die zich tegen hen keren of zullen keren, en Hij verslaat die. Wij, Zijn Israël naar de letter, hebben dat ondervonden, tot jullie onderricht en versterking, die Zijn volk naar de geest zijn. — George Abbot, in “Brief notes upon the whole Book of Psalms”, 1651
Verzen 7-10
Welke tong van de hoogste aartsengel kan onder woorden brengen hoe U werd verwelkomd, Koning der ere, in deze gezegende gewesten van onsterfelijkheid? De hoogste hemel heeft nog nooit met zóveel vreugde weerklonken: God is opgevaren met gejuich en de Heere met bazuingeklank! Wij zijn zwakke, eindige schepselen. Het is niet aan ons om te doorgronden hoe de heerlijke Drie-eenheid de zegevierende, nu verheerlijkte menselijke natuur van Christus ontving. Dat gaat ons begrip te boven: het is geestelijk en goddelijk, en wij kunnen het niet in woorden vangen.
Toen God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld bracht, zei Hij al: “En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.” Hoeveel te meer nu Hij “opgevaren is in de hoogte, … de gevangenis gevangen genomen” heeft, en God “Hem een Naam gegeven” heeft, “welke boven allen naam is; opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie.” De heilige engelen zongen al bij Zijn geboorte, bij het begin van Zijn weg van vernedering en zwakheid. Met welk een triomf ontvingen zij Hem dan nu Hij terugkeerde, nadat Hij de verlossing van de mens volkomen had voltooid!
Toen David, Zijn voorafbeelding, Goliath had verslagen en diens hoofd naar Jeruzalem had gebracht, kwamen de meisjes hem tegemoet met dansen en trommelen. Hoe moeten die engelengeesten dan niet hebben gejubeld, denken wij bij de ontmoeting met de grote Overwinnaar van hel en dood! Hoe zongen zij: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Want zoals Hij is heengegaan, zo zal Hij komen. “Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; … duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem.”
Het is alsof ik hen hoor, uit al die engelenmonden, die zalige toejuiching: “Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. … Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.” En jij, mijn ziel, waarom zing je niet mee in dat gelukkige koor van de hemel? Waarom word je niet in vervoering uit mijn boezem weggerukt, als je ziet hoe onze eigen menselijke natuur is verheven boven alle machten van de hemel? Engelen, aartsengelen, cherubs en serafs en al die machtige, heerlijke geesten aanbidden haar. Daar zit zij, gekroond met oneindige heerlijkheid en majesteit! — Joseph Hall
Verzen 7-10
In de vierentwintigste psalm lezen we hoe Christus werkelijk de hemel binnentrok. Denk aan de koning van Engeland die Londen wil binnengaan door Temple Bar. De poort is voor hem gesloten, dus de heraut eist toegang: “Open de poort.” Van binnen klinkt een stem: “Wie is daar?” De heraut antwoordt: “De koning van Engeland!” Meteen gaat de poort open. De koning trekt binnen, te midden van het blije gejuich van zijn volk.
Dat is een oud gebruik, en op dat gebruik zinspeelt deze psalm. Zo moeten we het ons voorstellen. “God vaart op met gejuich.” Hij kwam bij de hemelse poort aan, en de heraut in Zijn gevolg eiste toegang: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” De hemelse wachters binnen vragen: “Wie is de Koning der ere?” De heraulden antwoorden: “De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.” Vraag en antwoord worden nog een keer herhaald. Dan heffen de poorten hun hoofden op en gaan de eeuwige deuren open. De Vorst gaat het paleis van Zijn Vader binnen, begroet door de toejuichingen van de hemel. Alle hemelbewoners stemmen samen in één kreet van onuitsprekelijke vreugde: “De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere!” — Christmas Evans
Verzen 7-10
Volg onze Verlosser eens in Zijn hemelvaart naar Zijn plaats aan Gods rechterhand. Daar is Hij aangesteld als Heere van alles. Engelen, overheden en machten zijn Hem onderworpen, en Hij zit daar totdat Zijn vijanden “tot een voetbank Zijner voeten” zijn gelegd. Dan zien we hoe de vloed van de hemelse zaligheid hoger en hoger stijgt, tot hij zijn hoogste punt bereikt.
Stel je een geliefde vorst voor die zijn land heeft gered door zijn leven te wagen. Als hij terugkeert, raakt een heel volk in vervoering. In elk gezelschap gaat het over hem, en al hun gedachten en vreugde draaien om hem. Kijk dan naar de Koning der koningen. Door Zijn dood heeft Hij de dood onttroond en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht. Hij heeft de machten van de duisternis hun buit afgenomen en al hun plannen verwoest. Zie Hem in triomf terugkeren!
Iets van die triomf was er al toen Hij Jeruzalem binnenreed. De hele stad kwam in beroering en vroeg: “Wie is Deze?” De menigte antwoordde: Dit is Jezus, de profeet van Nazareth. Zelfs de kinderen zongen: “Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!” Hoeveel groter moet de triomf zijn wanneer Hij het hemelse Jeruzalem binnentrekt! Zou niet de hele stad dan “beroerd” worden en vragen: “Wie is Deze?” Zie duizenden engelen Hem vergezellen, en tienduizend maal tienduizend Hem tegemoetkomen! Toen de ark de stad van David binnenging, was dat slechts een schaduw hiervan. De beurtzangen die er toen werden gezongen, passen hier veel beter. — Andrew Fuller
Verzen 7-10
Waarom wordt dit lied herhaald? Waarom worden de eeuwige poorten voor de tweede keer opgeroepen hun hoofden op te heffen? Hier niet, en op geen enkele andere plaats in de Schrift, mogen we beweren dat we de hele betekenis van de goddelijke psalmen kennen. Maar zou de herhaling ons eraan kunnen herinneren dat de hemelvaart van onze Zaligmaker zich ook zal herhalen? Hij zal natuurlijk niet meer sterven. De dood heeft geen heerschappij meer over Hem, en “er blijft geen slachtoffer meer over voor de zonden.” Ook zal Hij niet opnieuw opstaan. Maar aan het einde van de wereld komt Hij terug om levenden en doden te oordelen. Na die komst moet Hij dus weer opvaren. Ik zeg: deze tweede hemelvaart kan de psalmist bedoelen, wanneer hij de eeuwige deuren voor de tweede keer oproept hun hoofden op te heffen en plaats te maken voor de Koning der ere.
Let nu op het antwoord dat deze tweede keer klinkt: “Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere.” Eerst was het: “De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.” Nu is het: “De HEERE der heirscharen.” Wanneer Christus voor het eerst opvaart om aan de rechterhand van Zijn Vader voor ons te bidden, heet Hij “de HEERE, geweldig in den strijd”. Wanneer Hij voor de tweede keer opvaart, nadat de wereld is geoordeeld en goeden en kwaden voor eeuwig zijn gescheiden, heet Hij “de HEERE der heirscharen”. Waarom dit verschil in Zijn goddelijke titels?
Wij mogen met eerbied denken dat het ons iets zegt over het verschil tussen Zijn eerste en tweede komst op aarde, tussen Zijn eerste en tweede hemelvaart. Zijn eerste komst gebeurde in alle opzichten in grote nederigheid. Ook hierin, dat Hij schijnbaar alleen kwam. De engelen stonden wel om Hem heen te wachten, maar onzichtbaar, zonder heerlijkheid. “Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij.” Hij worstelde alleen met dood, hel en satan. Alleen stond Hij op uit de doden. En alleen, voor zover mensen konden zien, ging Hij op naar de hemel. Zo liet Hij aan iedereen zien dat Hij “de HEERE, geweldig in den strijd” is: geweldig in dat ene gevecht, waarin Hij als onze kampioen, onze David, zegevierend streed tegen onze grote vijand.
Maar wanneer Hij voor de tweede keer neerdaalt en opvaart, zal Hij Zich tonen als “de HEERE der heirscharen”. Hij daalt dan niet alleen neer in geheimzinnige stilte, zoals bij Zijn wonderbare menswording. Alle legers van de hemel zullen Hem volgen. “Den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!” “Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen.” “De Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen.” “Duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem.” In plaats van de stilte van die rustige kamer in Nazareth en van de schoot van de heilige maagd, klinken dan de stem van de aartsengel en de bazuin van God. Zo daalt Hij neer als de HEERE der heirscharen, en als de HEERE der heirscharen vaart Hij weer op naar Zijn Vader.
Na het oordeel gaat Hij opnieuw door de eeuwige deuren, met een groter gevolg dan ooit. Want Hij voert allen mee de hemelse woning in die uit hun graven zijn opgewekt en waardig bevonden. Hoor hoe iemand dit ontzagwekkende gezicht beschrijft, die ongetwijfeld een hoge plaats zal hebben op die dag, dicht bij de Rechter. De grote apostel en profeet Paulus zegt: “De Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” — John Keble, M.A.
Verzen 7-10
In Zijn gezegend leven zie ik het pad, in Zijn dood de prijs,
En in Zijn heerlijke hemelvaart het hoogste bewijs
Van de onsterfelijkheid. En is Hij opgestaan?
Hoort het, gij volken! Hoort het, gij doden!
Hij is opgestaan! Hij is opgestaan! Hij brak de boeien van de dood.
Heft uw hoofden op, o eeuwige poorten,
En laat de Koning der ere binnengaan.
Wie is de Koning der ere? Hij Die Zijn
Troon der heerlijkheid verliet voor de smarten van de dood.
Heft uw hoofden op, o eeuwige poorten,
En laat de Koning der ere binnengaan.
Wie is de Koning der ere? Hij Die de wrede vijand versloeg,
Die heel het mensdom in ellende joeg.
De Koning der ere, Wiens heerlijkheid
De hemel vervulde met verwondering over Zijn liefde tot de mens,
En Die met goddelijk welbehagen aanschouwde
Hoe zelfs de hoogste machten zich over dit geheim verwonderden.
— Edward Young
Verzen 7-10
Heft uw hoofden op, gij poorten, en maakt u gereed,
Gij eeuwige deuren, opent u wijd!
De Koning der ere komt!
Wie is toch die Koning der ere? Hij is het
Die Abaddon door Zijn macht heeft overwonnen,
Die de helse machten van de duisternis
In sterke, onverbreekbare ketenen heeft gebonden;
Hij Die, bekleed met heerlijkheid, met de Vader regeert,
Almachtig, onsterfelijk en zonder einde!
— James Scott
Vers 8
“Wie is de Koning der ere?” Christus is op twee manieren “de Koning der ere”. Ten eerste omdat alle eer en heerlijkheid Hem van nature toekomt. Van Hem is “het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid” (Mattheüs 6:13), en daarom heet Hij de “Heere der heerlijkheid” (1 Korinthe 2:8). Ten tweede omdat Christus ons laat meedelen in Zijn heerlijkheid. Daarom heet Hij onze heerlijke Heere Jezus (Jakobus 2:1).
Als de HEERE der heirscharen, sterk en geweldig in de strijd, de Koning der ere is, dan is Christus dat ongetwijfeld in Zichzelf. Hij heeft al Zijn vijanden overwonnen en tot Zijn voetbank gemaakt. Hij triomfeert over de dood; over de duivel, de grondlegger van de dood; over de zonde, de angel van de dood; over het graf, de gevangenis van de dood; en over de hel zelf, het eigen gebied van de duivel en de dood. Bovendien is Hij gestorven voor onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking en opgevaren naar de hoogte om de mensen gaven te geven: in dit leven genade, in het volgende heerlijkheid. Wat is Hij dan anders dan, in alle opzichten, een “Koning der ere” voor ons? Alleen van Hem en door Hem worden zij die Zijn strijd strijden, bevrijd uit de handen van allen die ons haten. Zo worden zij overwinnaars (1 Korinthe 15:57), ja, “meer dan overwinnaars” (Romeinen 8:37). — John Boys
Vers 8
“De HEERE, sterk en geweldig.” Dat wil zeggen: sterk en geweldig in het overwinnen van alle tegenstanders, en in de overwinning op de dood en op de duivel, die de macht van de dood had. — Ludolphus, aangehaald door Isaac Williams
Vers 10
“De HEERE der heirscharen”. In het Hebreeuws staat hier Jehova Tsebaoth. De apostelen gebruiken het woord ook zo, onvertaald in het Grieks als Sabaoth (Romeinen 9:29). Het betekent heirscharen of legers die klaarstaan in slagorde, en het omvat alle schepselen in hemel en op aarde, die gereed zijn om Gods wil te doen. — Henry Ainsworth
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
De grote Eigenaar: Zijn landgoederen en Zijn dienaren, Zijn rechten en wat daartegenin gaat.
Vers 1
“De aarde is des HEEREN.”
I. Noem de andere eisers: afgoden, de paus, de mens, de duivel enzovoort.
II. Onderzoek de zaak.
III. Voer het vonnis uit. Gebruik wat we bezitten, predik overal en eis alle dingen op voor God.
IV. Zie hoe prachtig de aarde eruitziet wanneer zij de naam van haar Meester draagt.
Vers 1 (laatste zinsdeel)
Alle mensen horen bij God. Of ze Zijn zonen zijn of Zijn onderdanen, Zijn dienaren of Zijn lijfeigenen, Zijn schapen of Zijn bokken, enzovoort.
Vers 2
God voert Zijn plannen uit, en gebruikt daarvoor bijzondere middelen.
Vers 2
Gegrond op de zeeën. Hoe wankel de aardse dingen zijn.
Vers 3
De vraag waar alles van afhangt.
Vers 4 (eerste zinsdeel)
Hoe uiterlijk fatsoen samenhangt met innerlijke zuiverheid.
Vers 4 (tweede zinsdeel)
Mensen worden beoordeeld naar wat zij met vreugde najagen.
Vers 4
“Rein van handen.”
I. Hoe krijgen we ze rein?
II. Hoe houden we ze rein?
III. Hoe maken we ze vuil?
IV. Hoe worden ze weer rein?
Verzen 4 en 5
Wie iemand is, komt aan het licht, en dan volgt Gods gunst.
Vers 5 (tweede zinsdeel)
De goede mens ontvangt gerechtigheid en heeft toch redding nodig. Of: wat plaatsen die op het eerste gezicht over de wet lijken te gaan, in het evangelie betekenen.
Vers 6
Zij die oprecht de gemeenschap met God zoeken.
Vers 7
Pas de tekst toe op de intocht van Jezus Christus in onze harten.
I. Er zijn hindernissen: “poorten” en “deuren”.
II. Wij moeten bereid zijn ze weg te nemen: “heft op”.
III. Genade moet ons daartoe in staat stellen: “verheft u”.
IV. Onze Heere zal binnenkomen.
V. Hij komt binnen als “Koning”, en als “Koning der ere”.
Vers 7
De hemelvaart en wat zij ons leert.
Verzen 7-10
I. Zijn titel: de HEERE der heirscharen.
II. Zijn overwinningen, vervat in de woorden: de HEERE, sterk en geweldig in de strijd.
III. Zijn titel als Middelaar: de Koning der ere.
IV. Zijn machtige intocht in de heilige plaats.
— John Newtons “Messiah”
Vers 8
De machtige Held. Waar Hij vandaan komt, Zijn kracht, Zijn gevechten, Zijn overwinningen.
Vers 10
Gods oppermacht en heerlijkheid in Christus.
Werk over de vierentwintigste psalm
In de “Works” van John Boys, 1626, folio, blz. 908-913, staat een uitleg van deze psalm.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas