Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 150 — Treasury of David

Nu staan we op de laatste bergtop van het hele gebergte van de Psalmen. Hij reikt hoog op tegen het heldere blauw. Zijn top glanst in het zonlicht van de eeuwige wereld van aanbidding. Het is één en al verrukking. De dichter-profeet zit vol inspiratie en geestdrift. Hij is niet uit op redeneren, onderwijzen of uitleggen. Hij roept met brandende woorden: “Looft Hem, looft Hem, looft den HEERE.”
Uitleg
Vers 1
“Hallelujah!” Deze oproep geldt alles wat er op aarde en in de hemel is. Behoren zij niet allemaal de heerlijkheid te verkondigen van Hem, tot Wiens heerlijkheid zij bestaan en geschapen werden? Jehova, de enige God, moet het enige doel van onze aanbidding zijn. Zelfs het kleinste stukje van Zijn eer aan een ander geven is schandelijk verraad. Hem die eer onthouden is harteloze diefstal. “Looft God in Zijn heiligdom.” Prijs El, de Sterke, op Zijn heilige plaats. Zie hoe macht en heiligheid hier samenkomen in de wisseling van de namen. De lofprijzing begint thuis.
Spreek in Gods eigen huis Zijn lof uit. De heilige plaats moet vol zijn van lofprijzing. Zo vulde de hogepriester ooit het Allerheiligste met de rook van heerlijk geurende wierook. In Zijn gemeente hier beneden en in Zijn voorhoven boven moeten voortdurend hallelujaʼs klinken. In de Persoon van Jezus heeft God een heilige woonplaats, een heiligdom. Daarin moet Hij uitbundig worden geprezen. Je kunt ook zeggen dat Hij in heiligheid woont, want al Zijn wegen zijn recht en goed. Daarom moeten we Hem verheffen met hart en stem. Wanneer we samenkomen voor heilige doelen, moet ons voornaamste werk zijn: lof brengen aan de Heere, onze God.
“Looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte.” Het is een grote zegen dat heiligheid en macht in onze God samenkomen. Macht zonder gerechtigheid zou onderdrukking zijn. Gerechtigheid zonder macht zou te zwak zijn om iets te kunnen. Maar zet die twee in oneindige mate bij elkaar en we hebben God. Wat een ruimte hebben we in het grenzeloze hemelgewelf van Gods macht! Laat het helemaal gevuld worden met lofprijs. Laat de hemelen, zo groot en sterk, weergalmen van de lof van de driewerf heilige Jehova. En laat de heiligdommen op aarde de Almachtige groot maken.
Vers 2
“Looft Hem vanwege Zijn mogendheden.” Hier staat een reden om te prijzen. In deze machtige daden zien we Hem Zelf. Zijn almacht staat altijd in dienst van waarheid en gerechtigheid. Zijn werken in de schepping, in Zijn wereldbestuur en in de verlossing vragen allemaal om lof. Het zijn Zijn daden, en het zijn Zijn machtige daden. Laat Hij er dus voor geprezen worden. “Looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid.” Zijn bestaan kent geen grenzen. Zijn lof moet daarbij passen. Hij bezit een overvloed aan grootheid, een volheid, en daarom verdient Hij een uitbundige lofprijs.
Er is niets kleins aan God. En er is niets groots buiten Hem. Letten we er altijd op dat onze aanbidding past bij onze grote Heere? Dan zingen we een stuk mooier! Dan aanbidden we met veel meer eerbied! Zulke voortreffelijke daden verdienen voortreffelijke lof.
Vers 3
“Looft Hem met geklank der bazuin.” Laat de luidste en helderste klank het volk bijeenroepen. Iedereen moet weten dat we ons niet schamen om te aanbidden. Roep ze met een geluid dat niemand kan negeren: kom, buig je voor je God. De klank van de bazuin hoort bij de grootste en plechtigste gebeurtenissen. Denk aan het geven van de wet, het afkondigen van het jubeljaar, de kroning van Joodse koningen en het woeden van de oorlog. We moeten er ook aan denken bij de komst van onze Heere als Hij wederkomt en de doden opwekt.
Kunnen we op dit krijgshaftige instrument niet spelen? Laat dan onze lofprijs minstens even stellig en moedig klinken, alsof we een stoot op de hoorn konden geven. Laten we nooit een bazuin voor ons uit blazen om zelf geëerd te worden. Al ons trompetteren bewaren we voor Gods heerlijkheid. Is het volk met bazuingeschal bijeengeroepen? Ga dan verder en “looft Hem met de luit en met de harp”. Naast blaasinstrumenten, die door de wind klinken, moeten ook snaarinstrumenten worden gebruikt. Zachte, lieflijke tonen moeten net zo goed aan God gewijd worden als schrikwekkende geluiden. De betekenis voor het evangelie is dat al onze krachten en vermogens de Heere moeten prijzen.
Alle soorten mensen, in alle omstandigheden en met allerlei aanleg, moeten eer bewijzen aan de Heere van allen. Is er enige deugd? Is er enig talent? Is er enige invloed? Laat het dan allemaal gewijd worden aan de dienst van de Weldoener van iedereen. Harp en lier, het beste en het mooiste dat er is, moeten helemaal van onze Heere zijn.
Vers 4
“Looft Hem met de trommel en fluit” (Engels: met tamboerijn en dans). Deze manier van aanbidden, met tamboerijn en dans, hoort bij de bevrijding bij de Rode Zee. Het was de meest jubelende en uitbundige vorm van aanbidding die er is. Handen en voeten deden allebei mee, en het hele lichaam bewoog mee met de ledematen. Zijn er geen momenten in het leven dat we zo blij zijn dat we wel van vreugde zouden willen dansen? Laten we zulke opgetogenheid niet verspillen aan de gewone dingen van elke dag. Laat de Naam van God ons in vervoering brengen. Laten we jubelen en uitroepen:
Driewerf gelukkig ben ik in het hemelse Lam,
en mijn hart, het danst bij de klank van Zijn Naam.
Ons heilige geloof geeft genoeg om de hoogste graad van verrukte blijdschap op te wekken en te rechtvaardigen. Wie sloom is in de aanbidding van de Heere onze God, leeft niet naar de aard van zijn geloof. “Looft Hem met snarenspel en orgel.” Hier hebben we de drie soorten muziekinstrumenten: trommels, die je slaat, en snaren, en pijpen. Laat iedereen worden opgevoed om de Heere te prijzen. Niets is gewoon of onrein. Alles kan worden geheiligd voor de hoogste doelen. Er zijn veel mensen en veel gedachten, en die zijn even verschillend als snaren en pijpen.
Maar er is maar één God. Die ene God moeten allen aanbidden. Het woord dat met “orgel” is vertaald betekent pijp. Dat is een eenvoudiger blaasinstrument dan het latere, ingewikkelder orgel. Ongetwijfeld heeft menige vrome herder zijn God groot gemaakt met mooie herdersliederen, geblazen op een rietfluit of een haverhalm.
Vers 5
“Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid.” Het kletteren van de luidste muziek is voor de Heere. Het vrolijke schallen van de hoogste tonen is helemaal voor Hem. De lofzang heeft de tamboerijn geslagen, de harp bespeeld en de bazuin geblazen. Nu gaat ze er een laatste keer voor. Ze wil de zwaarste slapers wakker maken en de meest onverschillige toeschouwers laten schrikken. Daarom slaat ze de koperen schijven tegen elkaar. Met klanken die even luid als hoog zijn, roept ze de heerlijkheid van de Heere uit.
Vers 6
“Alles, wat adem heeft, love den HEERE!” “Laat alle adem Hem prijzen”: dat wil zeggen, alle levende wezens. Hij heeft hun adem gegeven. Laat hen Zijn lof ademen. In het Hebreeuws bestaat Zijn Naam eerder uit ademtochten dan uit letters. Dat laat zien dat alle adem van Hem komt. Laat die adem daarom voor Hem gebruikt worden. Zing allemaal mee in het eeuwige lied, alle levende wezens. Of je nu de kleinste bent of de grootste: houd je lof niet achter. Wat een dag zal het zijn wanneer alle dingen op alle plaatsen samen de enige levende en ware God verheerlijken!
Dat is de uiteindelijke en volledige zegepraal van de gemeente van God. “Hallelujah!” Nog één keer: Hallelujah! Zo wordt de psalm afgerond met een toon van lofprijs. En zo wordt ook het Psalmenboek besloten met een gloeiend woord van aanbidding. Lezer, wil je niet op dit moment even stilstaan en de Heere, je God, aanbidden? Hallelujah!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Elk van de laatste vijf psalmen begint en eindigt met Hallelujah! Prijst de Heere. Elke psalm groeit verder in lof, liefde en blijdschap, tot de laatste. Die is lofprijs in volle vervoering. De uitverkoren ziel, de erfgenaam van God, wordt helemaal verteerd door de liefde tot God. Hij begint elke zin met Hallelujah. Zijn zinnen zijn heel kort, want hij heeft haast om zijn volgende hallelujah uit te spreken, en zijn volgende, en zijn volgende. Hij lijkt buiten adem van geestdrift. Of hij staat op zijn tenen, op het punt om van de aarde naar de hemel op te stijgen.
Tussen twee hallelujaʼs staan hoogstens vier woorden, en dat maar één keer. Overal elders staan er tussen de ene en de andere hallelujah maar twee woorden. Het lijkt wel of de ziel haar hele leven en al haar gevoel in dat ene woord kwijt wil: Hallelujah! De woorden “Looft God!” of “Looft Hem!” “Looft Hem!” “Looft Hem!” worden in een korte psalm van zes korte verzen maar liefst twaalf keer herhaald. — John Pulsford, in “Quiet Hours”, 1857.
Gehele psalm
In de allerlaatste psalm horen we nu een echo van de eerste psalm. De eerste psalm begon met “Welgelukzalig” en eindigde met “Welgelukzalig”: “Welgelukzalig zijn allen die Gods wet overdenken en haar doen.” Dat was het thema van de eerste psalm. Nu zien we in deze psalm de vrucht van die gelukzaligheid. Hij begint en eindigt met Hallelujah. — Christopher Wordsworth.
Gehele psalm
In zijn “Cours de Littérature” zegt de beroemde Lamartine het volgende. Hij beschouwt de laatste vier psalmen (de hallelujaʼ-psalmen) waarschijnlijk als één geheel, zoals ook Hengstenberg doet: “De laatste psalm besluit met een koor tot eer van God. De dichter roept daarin alle volken op om mee te zingen, alle instrumenten van de heilige muziek, alle elementen en alle sterren. Dit is het verheven slot van een opera die zestig jaar duurde! De herder, de held, de koning en de grijsaard hebben haar gezongen! Deze slotpsalm laat ons de bijna woordeloze vervoering van de lyrische dichter voelen. De woorden stromen zo snel naar zijn lippen. Meteen stijgen ze weer op naar God, hun bron. Ze zijn als de rook van een groot vuur in de ziel, aangeblazen door de storm! Hier horen we David, of liever het menselijke hart zelf, met alle tonen van smart, vreugde, tranen en aanbidding die God het gaf. Poëzie wordt hier geheiligd en bereikt haar hoogste vorm. Het is een kruikje parfum, stukgeslagen op de drempel van de tempel. De geur gaat van het hart van David naar het hart van de hele mensheid! Hebreeër, christen of zelfs mohammedaan: elke godsdienst, elke klacht en elk gebed heeft uit dit kruikje geput, uitgegoten op de hoogten van Jeruzalem, om woorden te vinden. De kleine herder is de meester van het heilige koor van het heelal geworden. Op aarde wordt nergens gebeden zonder zijn woorden of gezongen zonder zijn stem. Een snaar van zijn harp is te horen in alle koren, overal en voor altijd, in één klank met de echo’s van Horeb en Engedi! David is de psalmist van de eeuwigheid. Wat een lot! Wat een macht heeft poëzie als God haar inspireert!
“Wat mijzelf betreft: is mijn geest opgewonden, vroom of bedroefd, en zoekt hij een echo voor zijn geestdrift, zijn toewijding of zijn zwaarmoedigheid? Dan pak ik Pindarus, Horatius of Hafiz niet. Dat zijn zuiver academische dichters. Ook in mijzelf vind ik geen gemurmel waarmee ik mijn gevoel kan uitdrukken. Wat doe ik wel? Ik sla het boek der Psalmen open. Daar vind ik woorden die uit de ziel van de eeuwen lijken op te wellen en die tot in het hart van alle geslachten doordringen. Gelukkig is de dichter die zo het eeuwige lied is geworden, de belichaamde bede en klacht van de hele mensheid!
“Denk terug aan dat verre tijdperk, toen zulke liederen over de wereld klonken. De lyrische poëzie van de meest verfijnde volken bezong toen alleen wijn, liefde, bloed en de overwinningen van wagenpaarden bij de spelen van Elis. Bedenk je dat, dan treft de mystieke taal van de herder-profeet ons met diepe verbazing. Hij spreekt met God, de Schepper, zoals een vriend met een vriend. Zijn grote werken begrijpt hij, en hij prijst ze. Zijn gerechtigheid bewondert hij, en om Zijn ontferming smeekt hij. Zo wordt hij als het ware een voorbode van de evangelische poëzie, en spreekt hij de zachte woorden van Christus nog vóór Zijn komst. Of christen of twijfelaar hem nu een profeet noemt of niet: niemand kan ontkennen dat deze dichter een inspiratie had die geen andere mens ooit is gegeven. Lees Griekse of Latijnse poëzie na een psalm en zie hoe flets zij erbij is.” — William Swan Plumer.
Gehele psalm
Het aantal verzen van de eerste en van de laatste psalm is gelijk. Allebei zijn ze kort en gemakkelijk te onthouden. Maar waar ze naartoe willen, is heel anders. Psalm 1 leert ons uitvoerig wat onze plicht is. Zo maakt hij ons klaar voor de troost van onze godsvrucht. Deze psalm is daarentegen pure verrukking en vervoering. Misschien is hij er juist geschreven om al die heilige liederen af te sluiten. Dan toont hij waar zij allemaal voor bedoeld zijn: ons helpen God te prijzen. — Matthew Henry.
Gehele psalm
Dertien hallelujaʼs, naar het getal van de stammen (Levi, Efraïm en Manasse tellen voor drie), één voor elke stam. — Johann Heinrich Michaelis, 1668-1738.
Gehele psalm
Volgens sommigen zongen de Israëlieten deze psalm wanneer ze de eerstelingen naar het heiligdom brachten, met de manden op hun schouders. Het woord prijzen staat dertien keer in deze korte psalm. Kimchi denkt dat dit komt door dertien volmaaktheden of eigenschappen van God. Dat is het niet. Het staat er zo vaak en in elke zin om te tonen hoe vurig de psalmist wil dat de Heere geprezen wordt. Het geeft ook weer hoe waardig Hij volgens hem is om geprezen te worden. En het wijst erop dat we alle wegen en middelen moeten gebruiken om Hem te prijzen. Alles is immers nog te weinig om Zijn eer en heerlijkheid uit te drukken. — John Gill.
Gehele psalm
Er hoort een boeiende herinnering bij deze psalm die het waard is om vastgelegd te worden. Vroeger, toen het gieten van kerkklokken nog meer een godsdienstige plechtigheid was, zongen de broeders van het gilde deze psalm. Ze stonden daarvoor rond de oven, terwijl het gesmolten metaal werd klaargemaakt om in de mal te lopen die het moest opvangen. We kunnen ons zo wel voorstellen hoe die zwartgeblakerde zonen van de oven daar stonden, met de rode gloed van het vuur op hun gezichten. Hun diepe stemmen lieten dit loflied over de omgeving klinken. — Barton Bouchier.
Vers 1
“Hallelujah!” Prijs God met een sterk geloof. Prijs Hem met heilige liefde en vreugde. Prijs Hem door je volledig op Christus te verlaten. Prijs Hem door gelovig te juichen over de machten van de duisternis. Prijs Hem door vurig naar Hem te verlangen en volkomen voldaan te zijn in Hem. Prijs Hem door voor al Zijn geboden eerbied te hebben, waar het ook is. Prijs Hem door blij te buigen voor alles wat Hij beschikt. Prijs Hem door te jubelen over Zijn liefde en rust te vinden in Zijn grote goedheid. Prijs Hem door het koninkrijk van Zijn genade vooruit te helpen. Prijs Hem met een levende hoop op het koninkrijk van Zijn heerlijkheid, en met vol verwachting uit te zien naar dat koninkrijk. — Matthew Henry.
Vers 1
“Looft God in Zijn heiligdom.” bᵉqodsjo. Over de schakering die dit woord hier heeft, bestaan onder de uitleggers veel meningen. De vorm is namelijk anders dan in Ps. 20:3, miqqodesj (vanuit het heiligdom). De Vulgaat zet het in het meervoud: in sanctis ejus, “in Zijn heilige plaatsen”. Campensis geeft: ob insignem sanctitatem ipsius, “om Zijn uitnemende heiligheid”. Sommigen horen in het woord een toespeling op de heilige tent van de Godheid: het vlees van Christus. Luther schrijft in zijn Duitse vertaling: in seinem Heiligthum, “in Zijn heiligheid”. Beide helften van dit vers klinken op elkaar aan, zoals dat ook gebeurt in 1 Kon. 8:13, 49 en Jes. 63:15.
De plaats van aanbidding is een heiligdom. Daar hoort God bij uitstek gebed en neemt Hij lof aan. Het uitspansel is ook een heiligdom. Daar vliegen engelen op Zijn bevel en bedekken ze hun gezicht in aanbidding. Hier wordt het heiligdom duidelijk gezien als de tempel van de genade en het uitspansel als de tempel van de macht. Het vers roept dus genade én heerlijkheid uit. — Martin Geier.
Vers 1
“Looft God in Zijn heiligdom.” De Septuagint, de Latijnse Vulgaat en de oosterse vertalingen hebben: “in Zijn heiligen”. Dat is te midden van Zijn heiligen, in hun vergadering, waar Hij gevreesd en geprezen moet worden.
Het kan ook vertaald worden als “in Zijn Heilige”. Dan wordt Christus bedoeld, zoals Cocceius het opvat. … Weer anderen vertalen: “vanwege Zijn heiligheid”. Dat is de volmaakte heiligheid in Hem. Daarin is Hij heerlijk en ontzagwekkend als Hij geprezen wordt, en ze komt aan het licht in al Zijn werken van wereldbestuur en genade. — John Gill.
Vers 1
“Looft God.” Op veel plaatsen lezen we het samengestelde woord halelu-jah: prijst Jehova. Maar nergens eerder staat halelu-el: prijst God, of de sterke God. Prijs Hem Die Jehova is: het oneindige Wezen Dat uit Zichzelf bestaat. Prijs Hem ook als God, als El of Elohim, de grote God Die met de mensheid een verbond heeft gesloten om hen te zegenen en te redden tot het eeuwige leven. — Adam Clarke.
Vers 1
Ps. 150:1-6 brengt Jehova de volle lof onder een dubbele naam: het heiligdom en het uitspansel van Zijn kracht. Alles wat Hij doet en wat uit het uitspansel van Zijn kracht voortkomt, was namelijk altijd in overeenstemming met het heiligdom, waar Hij over Israël regeerde en waar Hij Zichzelf openbaarde en Zijn woord waarmaakte. — John Nelson Darby, 1800-1882.
Vers 2
“Looft Hem vanwege Zijn mogendheden” enzovoort. Hier staan de redenen voor de lofprijs die alle verstandige schepselen en vooral verloste mensen aan Jehova verschuldigd zijn. We prijzen Jehova “in Zijn heiligdom”: de plek waar Zijn heerlijkheid woont en waar Zijn heiligheid met onbeschrijflijke pracht straalt.
We prijzen Hem in de wijde ruimte waarin Hij de tekenen van Zijn macht heeft neergezet, in de hemel boven of op de aarde beneden. We prijzen Hem om de almachtige daden waarmee Hij heeft bewezen dat Hij boven alle goden staat. We prijzen Hem op een wijze die past bij de voortreffelijke majesteit van Hem Die alle hemelen aanbidden en Die wonderlijk is in raad en voortreffelijk in werk. Zijn heiligheid, de oneindige omvang van Zijn werken, de wonderbaarlijke kracht die Hij heeft getoond en het smetteloze van Zijn bestuur vragen om de luidste lofzangen. Ze vragen die van ieder die met zijn verstand de grote Allerhoogste kan overdenken. — John Morison.
Vers 2
“Looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid.” Wie wil prijzen, heeft bijzonder inzicht en kennis nodig. Hij moet weten wat voor barmhartigheid het is waarvoor hij prijst en wat die waard is. God wil namelijk niet door elkaar en onduidelijk geprezen worden. Hij wil geprezen worden met heldere woorden, passend bij wat Hij doet. “Looft Hem vanwege Zijn mogendheden”: dat moet het eerste en eigenlijke onderwerp zijn van hun hoge lofzang. Het gaat om Zijn eigen, bijzondere hoge daden, die dan herdacht moeten worden. Dat staat uitvoerig in de lofzang van Mozes voor de bijzondere barmhartigheid dat zij veilig door de Rode Zee kwamen (Ex. 15:1-27).
En ook in de hoge lofzang van Debora voor de redding uit het leger van Sisera (Richt. 5:1-31). Daar bestaat het belangrijkste en hoogste deel van het vieren en groot maken van God uit het vertellen en gedenken van de bijzonderheden van Gods eigen goedheid in de redding die zij op dat moment beleefden. Je ziet dus dat God allereerst lofprijs zoekt die past bij Zijn daden: grote lof voor een grote God Die grote dingen doet, en hoge lofprijs voor een hoge God Die hoge dingen doet. — Samuel Fairclough.
Vers 2
“Looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid.” Of, zoals de woorden ook gelezen kunnen worden: “naar de veelheid van Zijn grootheid”. Staat er in de Schrift “God is groot”? Dan lezen we dat als een overtreffende trap, al staat er een gewone trap. “God is groot” wil zeggen: Hij is de grootste, groter dan alles en iedereen. Hij is zo groot dat alle personen en dingen naast Hem klein zijn, ja, niets. Jes. 40:15-17: “Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof! En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer. Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.” Wat is God groot! Naast Hem zijn de grootste dingen klein. Ja, de grootste dingen zijn niets! — Joseph Caryl.
Vers 3
In de wet staan alleen voor bazuinen en hoorns echte voorschriften. Andere instrumenten worden daar niet aangewezen. — James Anderson.
Vers 3
“Bazuin.” Elke uitgebreide collectie oudheden bewijst dat hoorns uit de natuur, en instrumenten in hoornvorm, al heel lang worden gebruikt en overal bekend zijn. … Het Hebreeuwse woord shofar, dat met “bazuin” is weergegeven, wijst volgens mij eerst op de rechtere soort hoorns, waaronder waarschijnlijk ook die van runderen. Daarnaast hoort ook elk instrument erbij dat later als kopie en verbetering van zulke hoorns is gemaakt. Shofar betekent helder of klaar.
Het instrument is waarschijnlijk zo genoemd om zijn heldere, scherpe klank. Zo noemen wij een instrument ook “klaroen” en zeggen wij van een muzikale toon dat hij “schitterend” of “helder” is. In de dienst van God diende deze shofar of bazuin alleen om iets bekend te maken. Ook riep hij het volk samen bij heilige plechtigheden, in oorlog, bij opstand of bij een andere belangrijke gebeurtenis. Zijn sterke klank zou een koor van zangers eerder hebben overstemd dan hun muziek hebben verheven. (John Kitto.) De shofar is voor ons bijzonder boeiend, want het is het enige Hebreeuwse instrument dat bij sommige plechtige gelegenheden nog altijd lijkt te worden gebruikt.
Engel is zoals gewoonlijk betrouwbaar te werk gegaan. Hij heeft een paar exemplaren in moderne synagogen opgespoord en onderzocht. Van de twee op onze gravure komt de ene uit de synagoge van de Spaanse en Portugese Joden in Bevis Marks. Volgens hem is die één voet lang. De andere hangt in de Grote Synagoge in St. James’s Place, Aldgate, en meet eenentwintig inch. Beide zijn van hoorn gemaakt. — James Stainer.
Vers 3
De “luit” had tien snaren. Je leest er steeds over in één adem met de “harp”. Op de luit sloeg men met een plectrum. De harp bespeelde men zachter, met de vingers. Luit en harp zijn voor ons een afbeelding, een beeld van “wet en evangelie”. — Thomas Le Blanc.
Vers 3
Over de “luit” (nebel) kun je lezen bij Ps. 144:9. Over de “harp” staat iets bij Ps. 149:3.
Verzen 3-5
Augustinus zegt hierover: “Er wordt hier geen enkel vermogen vergeten. Ze worden allemaal opgeroepen om God te prijzen.” Onze adem gaat in het blazen op de bazuin. De vingers tokkelen aan de snaren van luit en harp. Een hele hand slaat op de trommel. De voeten dansen. Dan zijn er de snaarinstrumenten (in het Hebreeuws gewoon: snaren). Er is het orgel (de ugab, de syrinx), opgebouwd uit veel pijpen, een indrukwekkend geheel. En de cimbalen slaan tegen elkaar en klinken. — C. Wordsworth.
Verzen 3-5
Wat een verscheidenheid aan instrumenten! Sommige werden in de legerplaats gebruikt, zoals bazuinen. Andere hoorden meer bij vredestijd, zoals luiten en harpen. De één klonk als je er wind in blies. De ander als je hem zacht aanraakte, zoals de snaarinstrumenten. Weer een ander als je er fel op sloeg, zoals tamboerijnen, trommels en cimbalen. Sommige klonken door aanraken én blazen tegelijk, zoals orgels. Elk gaf een eigen klank, de ene stiller en de andere luider. Het ene instrument klonk al mooi alleen. Het andere werd pas een geheel met andere instrumenten of met de bewegingen van het lichaam in de dans.
Het ene had dit doel en het andere dat. Maar allemaal dienden ze om Gods heerlijkheid uit te dragen en bekend te maken. Ze waren een schaduwbeeld van de plicht van wie God aanbidt en van de voorrechten van de heiligen. Die veelheid en verscheidenheid van instrumenten, zeg ik, paste om de verschillende gemoedstoestanden van de geestelijke mens uit te beelden, en hoe groot zijn vreugde in God is. Ze leerden hoe onze gevoelens en de krachten van onze ziel, en wij onderling, tot de aanbidding van God gewekt moeten worden. Ze leerden ook welke harmonie er onder de aanbidders van God hoort te zijn en welke melodie ieder bij zichzelf moet laten klinken, als hij met genade in zijn hart God zingt.
En ze lieten zien hoe voortreffelijk de lof aan God is. Geen enkel middel en geen enkel instrument kan haar genoeg uitdrukken, en ook geen beweging van het lichaam erbij, in deze oproepen om God te prijzen met bazuin, luit enzovoort. — David Dickson.
Verzen 3-5
Bij de vele muziekinstrumenten in Ps. 149:1-9 maakt Patrick een boeiende opmerking. Die nemen we hier over: “De oude bewoners van Etrurië bliezen op de bazuin, de Arcadiërs op de fluit, de Sicilianen op de pektis, de Kretenzen speelden de harp, de Thraciërs de hoorn, de Lacedemoniërs de pijp, de Egyptenaren sloegen de trom en de Arabieren de cimbaal.” (Clemens, Paedag. ii. 4.) Mogen we niet zeggen dat de opsomming van instrumenten in deze psalm verwijst naar het verschil tussen mensen? Zij uiten hun vreugde op verschillende manieren en wekken op verschillende manieren gevoelens op. — Andrew A. Bonar.
Vers 4
“Snarenspel.” Het woord minnim komt van een wortel die “verdeling” of “uitdeling” betekent. Zo kwam men bij snaren uit. Het staat in Ps. 45:9 en Ps. 150:4. Volgens sommigen is het een bepaald snaarinstrument. Mij lijkt het eerder een dichterlijke toespeling op de snaren van welk instrument ook. In Ps. 45:9 zouden we dan lezen: “Uit de ivoren paleizen hebben de snaren (dat wil zeggen: muziekconcerten) u blij gemaakt.” En zo ook in Ps. 150:4: “Looft Hem met snaren (snaarinstrumenten) en ugabs.” — John Kitto.
Vers 4
“Orgel.” ʿugab is het woord dat in onze vertaling met “orgel” is weergegeven. De Targum geeft het gewoon weer als abuba, een pijp. De Septuagint wisselt: ze heeft kithara in Genesis, kalamos in Job en organon in de Psalmen. Die laatste betekenis is overgenomen door de Arabische, Syrische, Latijnse en Engelse vertalingen, en door de meeste andere. Het woord organon betekent eenvoudig een dubbele of meervoudige pijp. Het slaat dus vooral op de panfluit of herdersfluit, die we nog altijd “mondorgel” noemen. (Kitto.) Neem buizen van verschillende grootte, aan de ene kant dicht en aan de andere kant open om op te blazen, en zet ze bij elkaar: dan krijg je het instrument dat panfluit heet, in het Grieks syrinx. … Was de ugab een syrinx of een orgel?
De syrinx lijkt van de twee de oudste. Bovendien komt de ugab voor in de allereerste zinspeling op muziekinstrumenten in de Bijbel. Het is dus redelijk om meteen te zeggen dat het een syrinx was. Zeker omdat dit instrument in verschillende delen van Azië veel gebruikt werd en nog wordt. Toch zou het vreemd zijn als een instrument als dit was uitgekozen voor de eredienst. Dat de ugab daarvoor wel werd gebruikt, bewijst Ps. 150:4 buiten twijfel: “Looft Hem met de minnim en ugab.” De ugab staat hier dus tegenover een verzamelnaam voor snaarinstrumenten. Dat wijst er zeker op dat hij belangrijker was dan een handvol rivierriet dat met was aan elkaar vastzit.
Denk eraan dat we voor één rij van ongeveer vijftig pijpen, misschien in een klein kamertje, precies dezelfde naam gebruiken als voor het machtige instrument van vijfduizend pijpen, dat zoveel ruimte inneemt als een gewoon woonhuis. Beide heten orgel. Is het niet mogelijk dat de ugab van Gen. 4:21 een eenvoudig blaasinstrument was, tegenover het eenvoudige snaarinstrument, de kinnor? En dat hij veel minder voortreffelijk was dan het instrument dat in Ps. 150:1-6 genoemd wordt als het naast een woord voor de hele kracht van de snaren staat? — J. Stainer.
Vers 5
“Hel klinkende cimbalen … cimbalen van vreugdegeluid.” Deze belangrijke passage laat duidelijk twee instrumenten zien die dezelfde naam dragen. We kunnen eruit afleiden dat de Hebreeën zowel handcimbalen als vingercimbalen (of castagnetten) kenden. Welke van de twee in een bepaalde tekst precies bedoeld is, valt niet altijd makkelijk te zeggen. — John Kitto.
Vers 5
(Prayer Book Version). “Prijst Hem op welgestemde cimbalen, prijst Hem op luide cimbalen.” Elke maand hoorde ik deze woorden in onze kerken voorlezen. Dan schoot het me telkens te binnen: willen we God met onze cimbalen eren, dan is luid genoeg niet de enige zorg.
Eerst moeten ze goed gestemd zijn. Anders is het hoe luider, hoe erger. IJver is uitstekend. Elk deel van Gods dienst heeft er veel, ja onmisbaar baat bij. Zonder ijver klinkt de cimbaal vlak. Dan zit er geen leven of geest in en klinkt hij niet luid genoeg. Maar als zachtmoedigheid, vredelievendheid en matiging de cimbaal niet eerst goed stemmen, maakt de luidheid hem alleen maar onaangenamer voor wie hem bespeelt en voor wie hem hoort. — Robert Sanderson, 1587-1662.
Vers 6
“Alles, wat adem heeft, love den HEERE!” Net als het leven van de gelovigen en de geschiedenis van de gemeente loopt ook het Psalmenboek, met al zijn kreten uit de diepte, uit in een hallelujaʼ. — E.W. Hengstenberg.
Vers 6
“Hallelujah!” Hebben we alles gezegd wat wij maar tot Gods lof kunnen zeggen? Dan moeten we toch opnieuw beginnen. Dat leert ons de oproep die steeds terugkomt aan het slot van verschillende psalmen, en ook nu aan het einde van alle psalmen: “Hallelujah!” — David Dickson.
Vers 6
“Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!” “Alle adem” is dubbelzinnig, en juist daardoor krijgt deze slotzin een bijzondere rijkdom aan betekenis. Ze begint bij het simpele beeld van de blaasinstrumenten die zojuist zijn genoemd. Dan voert ze ons met een mooie overgang naar de gezongen, verstaanbare, doordachte lofprijs van levende mensen die hun adem gebruiken, in plaats van levenloze instrumenten. Tot slot stijgen we vanzelf op naar de gedachte uit de gewone vertaling: “alles, wat adem heeft”. Dat is niet alleen alles wat leeft, maar alles wat een stem heeft om God te prijzen.
Nergens in het Psalmenboek staat iets majestueuzers of schoners dan dit korte maar veelzeggende slot. De toon is vooral plechtig. Toch doet dat niets af aan de opgetogenheid die het slot van het Psalmenboek lijkt te willen wekken. Het is als een beeld van de zege die op de gemeente en al haar leden wacht, wanneer zij door veel verdrukking heen de rust binnengaan. — Joseph Addison Alexander.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
“Looft God in Zijn heiligdom.”
- In Zijn eigen heiligheid.
- In de Persoon van Zijn Zoon.
- In de hemel.
- In de vergadering van de heiligen.
- In de stilte van het hart.
Verzen 1-6
God hoort geprezen te worden. Op welke plaats? (Ps. 150:1). Om welke reden? (Ps. 150:2). Met welke middelen? (Ps. 150:3-5). Door wie? (Ps. 150:6). — C.A.D.
Vers 2
Zijn voortreffelijke grootheid. Waarin Gods grootheid het meest voortreffelijk is, en waar je die het beste ziet.
Vers 2
“Looft Hem vanwege Zijn mogendheden.”
- Voor ons. Verkiezing. Verlossing. Inspiratie.
- In ons. Het werk van verlichting in het verstand, reiniging in het hart, levendmaking in het geweten en onderwerping in de wil.
- Door ons. Door ons heen gedacht, door ons heen gevoeld, door ons heen gesproken, door ons heen gewerkt. Hem zij alle heerlijkheid! — W.J.
Vers 2
“Looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid.”
- Met eerbied, naar de grootheid van Zijn wezen.
- Met dankbaarheid, naar de grootheid van Zijn liefde.
- Met een blik terug, naar de grootheid van Zijn gaven.
- Met een blik vooruit, naar de grootheid van Zijn beloften. — W.J.
Vers 2
Wat de oproep van ons vraagt.
- Dat mensen Gods werken bestuderen en daarin Gods heerlijkheid opmerken.
- Dat zij Zijn grootheid overpeinzen totdat zij de voortreffelijkheid ervan beseffen.
- Dat zij openlijk de eer verkondigen die Hem toekomt.
- Dat zij in hun leven niet tegenspreken wat zij als lof uitspreken.
— J.F.
Vers 3
“Looft Hem met geklank der bazuin.”
- Als je strijdt.
- Als je overwint.
- Als je samenkomt.
- Als je Zijn Woord verkondigt.
- Als je het jubeljaar verwelkomt.
Verzen 3-6
- De verscheidenheid van de oude eredienst, die om serieuze uitgaven vroeg, om wijding van groot talent en om hard, voortdurend werk.
- De lessen van een dienst als deze.
a) God moet koninklijk worden aanbeden.
b) De inspanningen van het grootste talent zijn de schatting die Hem rechtmatig toekomt.
c) Geen enkel menselijk vermogen kan een waardig offer aan Zijn voeten leggen.
- De ziel en het wezen van echte aanbidding.
- Wat God in onze tijd van ons vraagt als het om aanbidding gaat. — W.B.H.
Vers 6
- De verheven Gever van “het leven en den adem, en alle dingen”.
- Hoe je de gaven van het leven goed en op de juiste manier gebruikt.
- Het gevolg: de aarde wordt omhuld door een gewijde sfeer en door hallelujaʼs van het vrederijk. — W.B.H.
Vers 6
Een passend slot voor het Psalmenboek, of we het zien als een wens, een gebed of een vermaning.
- Als wens beseft het welke heerlijkheid God toekomt, welke aanbidding de mens verheft en welke houding van het hart de hele wereld tot een heilige broederschap zou maken.
- Als gebed vraagt het om de ondergang van alle bijgeloof, om de verbreiding van de waarheid over de hele wereld en om de bekering van elke ziel.
- Als vermaning is het duidelijk, raak, zuiver in zijn vroomheid en volmaakt in zijn liefde. — J.F.
Hallelujah!
—–
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas