Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 141 — Treasury of David

Titel
“Een psalm van David.” Ja, een David die onder verdenking staat. Hij is half bang om iets te zeggen, uit angst dat hij zich verspreekt terwijl hij zichzelf probeert vrij te pleiten. Een David die wordt belasterd en door vijanden omringd. Een David die zelfs door heiligen wordt bekritiseerd, en dat vriendelijk accepteert. Een David die treurt over de toestand van de godvrezende groep waarvan hij de erkende leider was. Een David die vol vertrouwen op God wacht. Deze psalm hoort bij een groep van vier en lijkt opvallend veel op de andere drie.
Zijn betekenis ligt zo diep dat hij op sommige plekken heel duister is. Maar zelfs aan de oppervlakte glinstert al goudstof. Aan het begin baadt de psalm in de gloed van de avond, terwijl het reukwerk naar de hemel stijgt. Daarna volgt een nacht van woorden waarvan we de zin niet kunnen zien. Die nacht gaat over in het licht van de ochtend, waarin onze ogen op de Heere gericht zijn.
Indeling
De psalmist roept dat zijn gebed wordt aangenomen (Ps. 141:1-2). Dan smeekt hij dat hij mag worden bewaard in zijn spreken, behoed in hart en daad, en dat hij elke vorm van omgang met goddelozen mag ontlopen. Hij laat zich liever door genadige mensen terechtwijzen dan door goddelozen vleien. Zijn troost is de zekerheid dat de godvrezende groep hem op een dag zal begrijpen, en dat hij hen tot troost zal zijn (Ps. 141:3-6). In de laatste verzen laat de belasterde heilige zien hoe het de vervolgde kerk vergaat. Hij kijkt omhoog naar God, smeekt om redding van zijn wrede vijanden en vraagt om straf voor zijn onderdrukkers.
Uitleg
Vers 1
“HEERE! ik roep U aan.” Dit is mijn laatste toevlucht: het gebed laat mij nooit in de steek. Mijn gebed is pijnlijk en zwak, en het is eigenlijk al veel om het een roep te noemen. Maar het is een roep tot Jehova, en dat maakt hem edel. Ik heb tot U geroepen, ik roep nog altijd tot U en ik ben van plan dat altijd te blijven doen. Waar zou ik anders heen moeten? Wat kan ik anders doen? Anderen vertrouwen op zichzelf, maar ik roep tot U. Het wapen van het gebed kan de gelovige altijd bij zich dragen, en in elke noodsituatie gebruiken.
“Haast U tot mij.” Zijn nood was groot, en daarom pleitte hij om haast. Gods tijd is de beste tijd. Maar als we zwaar worden bedrukt, mogen we met heilig aandringen de stappen van Gods barmhartigheid versnellen. Hulp die op zich laat wachten, komt vaak te laat. En we mogen bidden dat zo’n ramp ons bespaard blijft.
“Neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.” Merk op dat hij nu voor de tweede keer over roepen spreekt. Bidden was zijn gewone bezigheid geworden, ja zijn voortdurende bezigheid. In een paar woorden zegt hij twee keer dat hij roept.
Wat verlangt hij ernaar om gehoord te worden, en wel meteen! In elke roep, elke zucht en elke traan van Gods kinderen klinkt een stem naar de grote Vader. Hij begrijpt wat ze bedoelen, ook als ze het zelf helemaal niet onder woorden kunnen brengen. Het maakt de heiligen onrustig als ze bang zijn dat niemand een welwillend oor neigt naar hun treurige hulpgeroep. Ze vinden geen rust voordat hun “tot U” wordt beantwoord met een “tot mij”. Als bidden iemands enige toevlucht is, doet alleen al de gedachte dat het hem tekort zou schieten hem diepe pijn.
“Dat zou een verdriet zijn dat ik niet kon dragen,
als U het gebed niet hoorde en verhoorde;
maar een God Die het gebed hoort en verhoort
schraagt mij onder elke last.”
Vers 2
“Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht.” Reukwerk wordt zorgvuldig klaargemaakt, met heilig vuur aangestoken en eerbiedig aan God aangeboden. Zo moet mijn gebed zijn. Laten we bidden niet zien als een gemakkelijk karwei waar je niet bij hoeft na te denken. Het moet “gesteld” worden. Sterker nog, het moet “voor Uw aangezicht” worden gesteld, met besef van Gods nabijheid en heilige eerbied voor Zijn Naam. We mogen ook niet denken dat iedere smeking vanzelf door God wordt aangenomen. Ze moet voor de Heere worden gesteld “als reukwerk”. Voor het brengen van reukwerk waren er regels, en hield je je daar niet aan, dan wees God het af.
“De opheffing mijner handen als het avondoffer.” In welke vorm zijn gebed ook kwam, zijn enige wens was dat God het zou aannemen. Soms bidden we zonder woorden, door de houding van ons lichaam. Gebogen knieën en opgeheven handen horen bij een gebed vol ernst en verwachting. Ook werk, het opheffen van de handen in arbeid, is zeker een gebed als het gebeurt in afhankelijkheid van God en tot Zijn eer. Er bestaat een gebed van de hand, net zo goed als een gebed van het hart. Onze wens is dat dit de Heere even aangenaam is als het offer van de avond.
Heilige hoop, het opheffen van handen die slap hangen, is ook een vorm van aanbidding. Moge die altijd welgevallig zijn bij God. De psalmist durft veel te vragen. Hij wil dat zijn nederige roepen en bidden door de Heere net zo serieus wordt genomen als de vaste ochtend- en avondoffers in het heiligdom. Toch is dat verzoek niet te gewaagd. Want in Gods ogen weegt het geestelijke uiteindelijk zwaarder dan het ritueel. “De varren onzer lippen” zijn een echter offer dan de kalveren uit de stal. Tot hiertoe is het een gebed over het gebed. In de volgende twee verzen volgt een aparte smeking.
Vers 3
“HEERE! zet een wacht voor mijn mond.” Die mond had gebeden. Het zou jammer zijn als hij ooit werd bezoedeld door onwaarheid, trots of woede. En toch gebeurt dat, tenzij hij goed wordt bewaakt. Want deze indringers sluipen voortdurend rond de deur. David voelt dat hij ondanks al zijn eigen waakzaamheid onverwacht in de zonde kan vallen. Daarom smeekt hij de Heere Zelf om hem te bewaren. Als Jehova de wacht aanstelt, is de stad goed beveiligd. Als de Heere de bewaker van onze mond wordt, staat de hele mens goed onder bewaking.
“Behoed de deur mijner lippen.” God heeft onze lippen gemaakt tot de deur van onze mond. Maar we kunnen die deur niet zelf bewaken. Daarom vragen we de Heere om de leiding erover op Zich te nemen. Och, dat de Heere onze lippen zowel opende als sloot! Want als we op onszelf zijn aangewezen, kunnen we geen van beide goed. In tijden dat goddeloze mensen ons vervolgen, praten we extra snel iets te haastigs of ontwijkends. Daarom moeten we bijzonder verlangen om op dat gebied voor elke vorm van zonde te worden behoed. Wat buigt de Heere Zich ver naar ons toe! Het is een eer voor ons om deurwachter voor Hem te zijn, en toch wil Hij Zich verwaardigen deurwachter voor ons te zijn.
“Neig mijn hart niet tot een kwade zaak.” Dit komt neer op de bede: “En leid ons niet in verzoeking.” Och, dat er niets gebeurt in Gods leiding van ons leven dat onze verlangens de verkeerde kant op duwt. De psalmist zorgt hier goed voor zijn hart. Wie het hart in zijn greep heeft, heeft de hele mens in zijn macht. Maar als de tong en het hart onder Gods hoede staan, is alles veilig. Laten we bidden dat Hij ons nooit overlaat aan onze eigen neigingen. Anders raken we al snel van het rechte pad af.
“Om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken.” De kant die het hart opgaat, gaat het leven al snel ook op. Kwaad dat men begeert, brengt kwaad voort dat men doet. Als de bron van het leven niet zuiver blijft, zijn de stromen van het leven al snel vervuild. Helaas heeft gezelschap een enorme kracht. Zelfs goede mensen laten zich gemakkelijk meeslepen door hun omgeving. Daarom is er die angst dat we goddeloze dingen gaan doen als we bij goddeloze mensen zijn. We moeten ons best doen niet bij hen te zijn, anders zondigen we met hen mee.
Het is erg als het hart alleen de verkeerde kant op gaat. Het is nog erger als het leven alleen de slechte weg op loopt. Maar het kan snel groeien tot een hoge graad van goddeloosheid, als de afvallige het pad omlaag neemt met een hele troep zondaars om zich heen. Onze gewoonten zijn ons verderf als ze slecht zijn. Zeggen dat het nu eenmaal onze gewoonte en onze manier is, maakt de zonde eerder erger dan dat het haar verontschuldigt. Het is Gods gewoonte om iedereen te straffen die van ongerechtigheid een gewoonte maakt.
Goede mensen schrikken van de gedachte dat ze zouden zondigen zoals anderen. De angst daarvoor drijft hen op hun knieën. Ongerechtigheid betekent, als je het vertaalt, het ontbreken van rechtvaardigheid. We moeten haar mijden zoals we een besmettelijke ziekte uit de weg gaan.
“En dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Als we met hen werken, eten we al gauw ook met hen. Ze zetten hun zoete hapjes en verfijnde gerechten op tafel, in de hoop ons via ons gehemelte aan hun dienst te binden. De val wordt belegd met heerlijke spijzen, zodat we gevangen worden en zelf het voedsel worden voor hun boosaardigheid.
Willen we niet met mensen zondigen, dan kunnen we maar beter niet met hen aan tafel gaan zitten. Willen we niet delen in hun goddeloosheid, dan moeten we ook niet delen in hun losbandigheid.
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn.” Hij kiest liever de bittere kruiden van genadig gezelschap dan de lekkernijen van goddelozen. Hij laat zich liever slaan door rechtvaardigen dan onthalen door goddelozen. Hij geeft ruimte aan trouwe vermaning, hij nodigt haar zelfs uit: “De rechtvaardige sla mij.” Als goddelozen naar ons glimlachen, is hun gevlei wreed. Als rechtvaardigen ons slaan, is hun trouw vriendelijk.
Soms kloppen godvrezende mensen hard. Ze zinspelen niet alleen op het kwaad, ze hameren erop. Toch moeten we die slagen in liefde aanvaarden en dankbaar zijn voor de hand die zo zwaar slaat. Dwazen nemen berisping kwalijk. Wijze mensen proberen er hun voordeel mee te doen. “En hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken.” Olie breekt geen hoofd, en berisping doet niemand kwaad. Integendeel: net zoals olie verkwikt en geurt, zo maakt een berisping die goed wordt aangenomen, het hart zoet en vernieuwt ze het. Mijn vriend moet echt veel van mij houden als hij mij mijn fouten durft te zeggen.
Er is een zalving over hem als hij eerlijk genoeg is om mijn dwalingen aan te wijzen. Menigeen heeft zijn hoofd gebroken gekregen op de feesten van de goddelozen. Maar niemand ooit aan de tafel van iemand die oprecht terechtwijst. De olie van de vleierij is niet uitstekend. De olie die op het feestmaal van de losbol zo kwistig wordt gebruikt, is ook niet uitstekend. Wie bij uitgelaten feestvierders wordt gezalfd, krijgt een gebroken hoofd en een gebroken hart. Maar de strengste afkeuring van godvrezende mensen is iets anders. Ze is niet altijd zoet, maar altijd uitstekend.
Ze kan het hart even kneuzen, maar ze breekt het nooit, en het hoofd ook niet.
“Want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.” Genadige mensen worden nooit zo boos op eerlijke vrienden dat ze wrok tegen hen koesteren. Anders zouden ze, als ze die vrienden in ellende zagen, zich tegen hen keren en hen met hun eigen berispingen bespotten. Verre van dat! Deze wijze, dankbare zielen vinden het heel erg om hun leraren in nood te zien, en ze brengen hun beste gebeden naar voren om hen te helpen.
Ze bidden niet alleen voor hen. Ze leven zo innig en hartelijk met hen mee dat hun gebeden “in hun tegenspoeden” zijn: daar beneden in de kerker, bij hen. Zo echt is de christelijke broederschap. We staan naast onze vrienden in ziekte of vervolging en delen hun verdriet, zodat het gebed van ons hart zich in hun smart bevindt. Kunnen we goede mensen niets anders meer geven, laten we hun dan ons gebed geven. En laten we dat dubbel doen voor wie ons hun vermaning hebben gegeven.
Vers 6
“Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.” De betekenis van dit vers ligt niet voor het oprapen. Wordt hier gedoeld op de rechtvaardigen onder de Israëlieten? Wij denken van wel. David bedoelt zonder twijfel dit: als hun leiders vallen en nooit meer opstaan, zullen zij zich tot hem wenden en er plezier in hebben om naar zijn stem te luisteren. Bij deze lezing zeggen ze: “Als hun rechters in rotsige plaatsen worden neergeworpen, zullen ze mijn woorden horen, want die zijn liefelijk.” En zo ging het ook.
Toen Saul stierf, keken de beste mensen van het volk naar de zoon van Isaï op, als de gezalfde van de Heere. Zijn woorden werden zoet voor hen. Een deel van die goede mannen had streng geoordeeld over Davids vlucht uit zijn land en zijn overstap naar de Filistijnen. Maar hun trouw maakte hen hem toch dierbaar. Hij gaf hun alleen maar goede wil terug, liefdevolle gebeden en vriendelijke woorden. Hij wist immers dat zij zijn fouten spoedig zouden vergeven en hem als hun leider zouden kiezen. Ze sloegen hem als hij dwaalde, maar zagen ook zijn goede kanten.
Hijzelf voelde geen wrok. Hij hield van hen om hun eerlijkheid. Hij zou voor hen bidden als hun land bloedend aan de voeten van buitenlandse vijanden lag. Hij zou hun te hulp komen als hun vroegere leiders waren gedood. En zijn woorden van moedige hoop zouden zoet in hun oren klinken. Volgens mij is dit een goede uitleg, want ze past bij het geheel. Tegelijk hebben andere, meer vergezochte uitleggingen hun geleerde bewonderaars. Naar die verwijzen we in de fragmenten van andere schrijvers.
Vers 7
Davids zaak leek hopeloos. De zaak van God in Israël was een dood ding, als een geraamte dat is gebroken en verrot en uit het graf is geschept, om als stof naar zijn stof terug te keren.
“Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs.” Onder de godvrezende groep in Israël leek geen leven, geen samenhang, geen vorm, orde of leiding meer te zijn. Saul had haar verwoest en al haar delen verspreid, zodat ze niet meer bestond als een georganiseerd geheel. David zelf leek op zo’n uitgedroogd bot, en de andere godvrezenden verkeerden in dezelfde toestand. Onder het heilige zaad leek geen levenskracht of eenheid te bestaan. Hun zaak lag voor de deur van de dood. “Gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.” Ze leken op gekloofd hout dat uit elkaar is gegooid.
Geen heel stuk balk, zelfs geen bundel, maar helemaal aan stukken gehakt en volledig gescheiden. Laten we het woord “hout” weglaten, dat de Engelse vertalers hebben toegevoegd. Dan gaat het beeld over kloven op de aarde. Dat betekent waarschijnlijk ploegen. Maar het kan ook elke andere vorm van hakken en splijten aanduiden, zoals een bos omhakken, struiken uitrukken of op een andere manier verwarring en verdeeldheid veroorzaken. Wat vaak hebben goede mensen zo over de zaak van God gedacht! Waar ze ook keken: dood, verdeeldheid en verwoesting staarden hen aan. Gehakt en gekloofd, hopeloos van elkaar gescheiden!
Verstrooid, ja, verstrooid aan de mond van het graf! In stukken gespleten, klaar voor het vuur! Zo leek het soms met de zaak van God en de waarheid. “Op de aarde” zag de toekomst er troosteloos uit. Het veld van de kerk was omgeploegd, omgewoeld en opengekrabd. Het was veranderd in het erf van een houthakker, waar alles bestemd was om stukgeslagen te worden. We hebben kerken in zo’n toestand gezien en zijn er diep bedroefd om geweest. Wat een genade dat er altijd een plek is boven de aarde, waar we naar kunnen opzien!
Daar leeft Eén Die Zijn zaak een opstanding zal geven en Zijn verdeelde volk een hereniging. Hij zal de dode beenderen terughalen uit de mond van het graf en het gedroogde hout opnieuw laten leven. Laten we de psalmist in het volgende vers navolgen en opzien naar de levende God.
Vers 8
“Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere!” Zijn blik ging omhoog en bleef daar rusten. Voor David woog zijn plicht zwaarder dan de situatie waarin hij zat. Hij vertrouwde op wat God beloofd had en niet op wat hij om zich heen zag gebeuren. Van God verwachtte hij hulp, niet van mensen. Zijn ogen gingen niet dicht uit onverschilligheid of wanhoop. Ze gingen ook niet naar een mens, in een ijdel vertrouwen. Hij gaf zijn ogen aan zijn God, en dan viel er niets meer te vrezen. Jehova, zijn Heere, is ook zijn hoop.
Thomas noemde Jezus Heere en God, en David spreekt hier over zijn God en Heere. Heiligen blijven graag stilstaan bij Gods namen, als ze Hem aanbidden of tot Hem roepen. “Op U betrouw ik.” Dat is niet alleen op wat U bent of wat U belooft, maar op U Zelf. Anderen konden hun vertrouwen schenken waar ze wilden. David bleef bij zijn God. Hij vertrouwde altijd op Hem, op Hem alleen, met volle overtuiging en zonder voorbehoud.
“Ontbloot mijn ziel niet.” Zo zou het gaan als de Heere Zijn belofte vergat en niet nakwam. Het is erg als je omstandigheden je niets laten. Het is veel erger als je ziel niets heeft. Door vrienden in de steek gelaten worden is een ramp. Door God in de steek gelaten worden is het einde. Zonder God ben je pas echt arm. Maar er is troost: God heeft gezegd: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.”
Vers 9
“Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben.” Eerder, in Ps. 141:3, vroeg hij of de deur van zijn mond mocht worden bewaakt. Nu groeit zijn gebed uit tot “Bewaar mij.” Hij lijkt zich meer zorgen te maken over verborgen verzoeking dan over openlijke aanvallen. Dappere mensen zijn niet bang voor de strijd, maar ze haten geheime complotten. Het is onverdraaglijk om als een nietsvermoedend dier in de val te worden gelokt. Daarom roepen we de God van de wijsheid om bescherming aan. “En voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.” Deze kwaaddoeners probeerden David te vangen in wat hij zei of deed.
Dat was op zichzelf al een stukje ongerechtigheid, en dus helemaal in lijn met de rest van hun gedrag. Ze waren zelf slecht, en ze wilden hem ofwel net zo maken als zijzelf, ofwel zo laten overkomen. Lukte het niet op de ene manier de goede man te vangen, dan probeerden ze het op de andere. Strikken en vallen zouden worden vermenigvuldigd, want ze waren vastbesloten zijn ondergang te bewerken, hoe dan ook. Niemand kon David bewaren behalve de Alwetende en Almachtige. Ook ons zal Hij bewaren. Het is moeilijk uit strikken te blijven die je niet kunt zien, en te ontsnappen aan vallen die je niet kunt ontdekken. De psalmist werd zo vaak opgejaagd, dat hij met recht mocht roepen: “Bewaar mij.”
Vers 10
“Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.” Misschien is dit geen christelijk gebed. Maar het is een zeer rechtvaardig gebed, en je hebt veel genade nodig om er geen amen op te zeggen. Genade werkt er in feite ook niet naartoe dat we iets anders gaan wensen voor de vijanden van heilige mensen. Wensen we niet allemaal dat onschuldigen worden gered en dat schuldigen de gevolgen van hun eigen boosheid oogsten? Natuurlijk wel, als we rechtvaardige mensen zijn. Er kan geen kwaad in zitten om voor onszelf te wensen wat we voor alle goede mensen wensen. Toch is er een nog betere weg.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm valt op, net als de vorige, door een veelzeggende beknoptheid en door zeldzame uitdrukkingen. Tegelijk zit hij vol met overeenkomsten in woorden en in inhoud met andere psalmen van David. Deze kenmerken zijn zo helder en onmiskenbaar dat een sceptische criticus van groot gezag (De Wette) hem een van de oudste psalmen van de bundel noemt. — Joseph Addison Alexander.
Gehele psalm
In zo’n klein bestek bevatten maar weinig psalmen zoveel edelstenen van kostbare, heilige waarheid. — Barton Bouchier.
Gehele psalm
Veel uitleggers vermoeden sterk dat deze psalm is gemaakt om een bijzonder boeiend moment in Davids leven te gedenken, dat is vastgelegd in 1 Sam. 24:1-22. Het gaat over de edelmoedige manier waarop hij Saul behandelde. In de spelonk van En-Gedi had David de kans om zijn wrede achtervolger te doden. Toch spaarde hij Sauls leven. Hij sneed alleen een flard van zijn mantel af en stond zijn mannen niet toe hem aan te raken. Toen Saul de spelonk had verlaten, ging David achter hem aan. Van een afstand sprak hij hem aan, in de vriendelijkste en meest respectvolle woorden, over het onrecht dat Saul hem aandeed.
Het zesde vers verwijst volgens sommigen zo duidelijk naar deze opmerkelijke gebeurtenis in Davids geschiedenis, dat er nauwelijks twijfel is dat de psalm daarbij werd gedicht. — James Anderson, in zijn aantekening bij Calvijn, bij deze plaats.
Gehele psalm
Daar passen ook de beelden en zinspelingen van de psalm bij. Denk aan de olie waarmee hij kort daarvoor was gezalfd, en aan de wacht voor zijn mond, enzovoort. Die wacht doet denken aan de wachtposten bij de ingang van de spelonk, al verwijst ze uiteindelijk naar de dienst in de tabernakel. — John Jebb.
Vers 1
“HEERE! ik roep U aan.” Het ongeloof probeert allerlei wegen om uit de nood te komen. Het geloof kent er maar één: naar God gaan, in gebed, voor alles wat nodig is. — David Dickson.
Vers 1
“HEERE! ik roep U aan.” Hoe groot de nood of het gevaar ook is: het zal mijn geloof niet verstikken en mijn mond niet dichtknijpen. Het maakt me juist vuriger. Mijn gebeden worden als sterke rivieren in smalle kloven, die alles meesleuren wat in hun weg ligt. — John Trapp.
Vers 1
“Tot U … tot mij.” Zie ons gebed en Gods barmhartigheid als twee emmers in een put. De ene gaat omhoog terwijl de andere naar beneden gaat. — Ezekiel Hopkins.
Vers 1
Let op het verschil in werkwoordstijd: eerst “ik heb geroepen” (in het Hebreeuws, de Zeventig en de Vulgaat) en dan “als ik tot U roep”. Daarin klinkt het ernstige volhouden van de heilige in het gebed. Hij stopt nooit zolang de nood duurt. En de nood houdt aan zolang we in de wereld leven. Daarom leert de apostel ons: “Bidt zonder ophouden.” — Augustinus en Bruno, in Neale en Littledale.
Verzen 1-5
Het is duidelijk dat de psalmist op dat moment in nood verkeerde en dat hij die diep voelde. Dat blijkt uit de hevigheid van zijn geest, die zich uit in de herhaling van zijn smeekbede (Ps. 141:1). Het blijkt ook uit zijn wens dat zijn “gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer” (Ps. 141:2). Joodse uitleggers vermoeden, en dat is niet onwaarschijnlijk, dat hij met deze toespeling dacht aan zijn uitsluiting van de heilige diensten van de tabernakel, waarover hij zich elders diep beklaagt. De inhoud van zijn gebed in het begin van de psalm gaat over hemzelf en over hoe hij zich in zijn huidige toestand gedraagt.
Hij wil zich onschuldig en heilig gedragen, op een manier die bij hem past en anderen van nut is. Hij kon op twee manieren de fout ingaan. Het eerste gevaar was dat hij zich te hevig zou opwinden tegen zijn onderdrukkers en vervolgers. Het tweede was dat hij zich uit bedrog en lafheid bij hen zou aansluiten in hun slechte wegen. Dat zijn de twee uitersten waar mensen in zulke situaties zondig in vervallen, het ene te fel en het andere te slap. Hij bidt vurig dat hij van allebei verlost mag worden. Het eerste heeft hij op het oog in Ps. 141:3: “HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.” Hij bidt dus dat hij onder de zware provocaties die hem werden aangedaan, niet zou uitbarsten in onbetamelijke, ongetemde taal tegen zijn onrechtvaardige onderdrukkers.
Fel en onredelijk wreed gedrag perst die soms zelfs uit de meest kalme en gematigde mensen. Maar deze heilige psalmist wilde, en zo hoort het ook bij ons in vergelijkbare gevallen te zijn, dat zijn hart steeds zo bewaard bleef, onder leiding van Gods Geest, dat hij nooit door verwarde hartstocht werd overvallen in wat hij zei of schreef. Het tweede heeft hij op het oog in zijn dringende smeking om daarvan verlost te worden, Ps. 141:4: “Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Zijn verzoek bestaat, met het oog op het doel dat hij beoogt, uit twee delen.
Het eerste is dat zijn hart, door de kracht van Gods genade die zijn denken en ziel bewerkt, niet wordt neergebogen naar enige gemeenschap of verbondenheid met zijn goddeloze tegenstanders in hun goddeloosheid. Het tweede is dat hij wordt bewaard voor zwakte voor, of verlangen naar, die dingen die het lokaas en de verleidingen vormen waarmee mensen gemakkelijk worden meegetrokken in gezelschappen en samenzweringen met de werkers van ongerechtigheid: “en dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Zie Spr. 1:10-14. Hier beschrijft hij namelijk de toestand van mensen die een tijdlang succes hebben op de weg van goddeloosheid.
Eerst geven ze zich gezamenlijk over aan ongerechtigheid. Daarna genieten ze samen van de bevrediging van hun lusten, waar hun macht en invloed in de wereld hen van voorzien.
Dit zijn de “lekkernijen”. Een machteloos verlangen en begeren daarnaar verleidt onstandvastige mensen om mee te gaan in wegen van zonde en dwaasheid. Ik beschouw deze “lekkernijen” namelijk als alles wat de begeerte van de ogen, de begeerte van het vlees of de hoogmoed van het leven kan bieden. David bidt dat hij van elke neiging daartoe wordt verlost, vooral als ze worden gebruikt om je mee te lokken naar een leven van zonde. Als slechte mensen van deze “lekkernijen” genieten, stellen ze elkaar gewoonlijk gerust en moedigen ze elkaar aan op de weg die ze zijn ingeslagen.
Zo maken ze het armzalige geluk helemaal compleet waar in deze wereld zovelen naar streven en waar alleen zij toe in staat zijn. Het is niet meer dan een gemeenschap van vergankelijk zinnelijk genot, zonder grenzen en met wederzijds applaus. De psalmist had daar bijzonder aandacht voor toen hij zijn blik richtte op een andere gemeenschap en kring, waar hij naar verlangde (Ps. 141:5). Daar zag hij geen lekkernijen maar berispingen. Hij zag precies het tegenovergestelde van dat wederzijdse applaus en die onderlinge vreugde, het zout en het cement van elk slecht gezelschap. Hij merkte namelijk dat er voor de kleinste misstap die zichtbaar werd, terechtwijzingen en berispingen waren.
Nu lijkt wat sommigen genieten in een carrière van voorspoedige goddeloosheid het enige wat daar iets begeerlijks heeft. En aan de andere kant lijken berispingen en terechtwijzingen het enige wat in de kring van de godvrezenden scherp of onaangenaam is, of afkeer wekt. David zet het scherpste van de ene kring af tegen het zoetste van de andere. Zonder acht te slaan op andere voordelen kiest hij het een boven het ander. Daarom lezen sommigen het begin van de tekst zo: “De rechtvaardige sla mij liever.” Daarmee bedoelen ze: liever dan dat ik zou eten van de lekkernijen van de goddelozen. — John Owen.
Vers 2
“Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht.” Kanttekening: gericht. Het Hebreeuwse woord betekent: passend maken, vestigen, vast maken. De psalmist wil niet dat zijn gebed zwak is, kwijnt en gemakkelijk vervliegt. Hij wil dat het stevig en betrouwbaar is, een gebed waar je op kunt bouwen. — Albert Barnes.
Vers 2
“Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht.” Letterlijk staat er: Mijn gebed, reukwerk, worde voor U in orde gebracht. Hiermee zegt de dichter dat gebed in werkelijkheid was wat reukwerk als beeld voorstelde … Gaan we naar het Nieuwe Testament, ook al is het alleen het stuk dat over de tijd van het Oude Testament vertelt, dan zien we dat het volk buiten bleef bidden terwijl Zacharias binnen in het heiligdom het reukwerk opdroeg (Luk. 1:10). Met hun hart waren ze erbij in de dienst van de priester. En in het boek Openbaring worden de gebeden van de heiligen steeds weer gelijkgesteld met het reukoffer op het gouden altaar voor de troon. Zie Openb. 5:8 en 8:3-4. — Patrick Fairbairn, in “The Typology of Scripture.”
Vers 2
“Gesteld.” Bidden is werk waarbij je moet weten, geloven, nadenken, onderzoeken en jezelf vernederen. Het is helemaal niets waard als hart en hand er niet allebei aan meedoen. — Thomas Adam, 1701-1784.
Vers 2
“Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.” De geurige rook ervan blijft naar boven trekken. Maar vaak wordt hij, juist tijdens het opstijgen, terwijl hij steeds hoger wil komen, infimo phantasmate verberatur, zegt Gregorius, “door aardse voorstellingen die zich ertussen dringen weer naar beneden geslagen”. Daarna wordt hij langzaam ijler en lost op in het niets. Daarom bidt de profeet ut dirigatur oratio, “dat zijn gebed richting God worde gezet”, ut stabiliatur. Zo geven sommigen het Hebreeuws weer: “dat het stevig komt te staan”. Het gebed mag dus niet wegwaaien en niet verwaaid worden door de wind van ijdele, tegenstrijdige voorstellingen. Die komen ab extrinseco, van buiten, en kunnen het bederven. — Anthony Farindon.
Vers 2
“Als reukwerk.” De Schrift getuigt zelf uitdrukkelijk dat reukwerk in het algemeen gebed aanduidt. Er zijn vier overeenkomsten tussen de twee:
- Het werd eerst gestampt en fijngemaakt voordat men het gebruikte. Zo ontstaat ook een gebed dat God aanneemt uit een gebroken en verslagen hart: Ps. 51:19.
- Zonder vuur eronder deed het niets, en dat vuur moest van het altaar komen. Zo heeft ook een gebed geen kracht of werking als het niet wordt aangestoken door het vuur van boven, de Heilige Geest van God. Dat vuur krijgen we van ons altaar, Christus Jezus.
- Het steeg vanzelf op naar de hemel. Daarom heten in het Hebreeuws alle offers olot, “opstijgingen”, bewegingen naar boven. Dat is ook het doel van gebed: opstijgen tot de troon van God. “… zal ik mij tot U schikken, en wacht houden”, dat betekent: bidden, Ps. 5:4.
- Het gaf een zoete geur, en dat was in de tempeldienst een van de bedoelingen ervan, want er werd daar zoveel vlees en bloed verbrand. Zo geeft ook gebed een zoete geur voor God, een geur van rust, die Hem welgevallig is. — John Owen.
Vers 2
“Als reukwerk … als het avondoffer.” Mijn smeking kan nooit de plechtige voorbereiding hebben die de dienst in Uw heilige Tabernakel vraagt, met de wolk van reukwerk en geuren, enzovoort, en de “mincha” of het offer van meelbloem, enzovoort. Laat dan de zuiverheid en gloed van mijn hart en de onschuld van mijn handen, nu ik ze in dit droevige uur van mijn nood naar U opsteek, daarvoor in de plaats worden aangenomen. Laat ze redding en een veilige toevlucht brengen, voor mij en voor mijn metgezellen. — Charles Peters (—1777), in “A Critical Dissertation on the Book of Job,” 1751.
Vers 2
“Als het avondoffer.” Dit zou onze dagelijkse dienst moeten zijn, net zoals er ’s ochtends en ’s avonds een lam als offer werd gebracht. Maar helaas, wat is onze godsdienst flets en levenloos! Als de wagens van Farao rollen we zwaar voort. Sommigen doen, net als Bileams ezelin, bijna nooit meer dan twee keer hun mond open. — Thomas Adams.
Vers 2
“De opheffing mijner handen.” Als we onze handen uitspreiden in gelovig, vurig gebed, krijgen we barmhartigheid te pakken. Een andere weg is er niet. — F. E., in “The Saints of Ebenezer,” 1667.
Vers 2
De Hebreeën hadden een schitterende ceremoniële eredienst, waarin geen enkel zintuig buiten de dienst werd gehouden … De reuk kreeg misschien wel de belangrijkste plaats. Dat Hij de eredienst aannam, werd namelijk altijd aangeduid met een beeld dat bij dit zintuig hoort: “De HEERE rook dien liefelijken reuk.” Het gebed van het volk steeg op als reukwerk, en de opgeheven handen als het avondoffer. Het brengen van reukwerk was het hart van de godsdienstige dienst. Het reukaltaar stond op een van de meest prominente en eervolle plekken in de tabernakel en in de tempel … Op dit altaar blies een wierookvat vol reukwerk iedere ochtend en iedere avond geurige wolken omhoog.
Jaarlijks kwam de grote verzoendag, en dan ging de hogepriester het heilige der heiligen binnen. Hij vulde een wierookvat met gloeiende kolen van het heilige vuur op het brandofferaltaar en droeg dat naar binnen in het heiligdom. Daar gooide hij op de brandende kolen het “reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten” dat hij in zijn hand had meegebracht. Hij mocht zonder dit rokende wierookvat niet naar binnen. Op straffe van de dood was het verboden het ontzagwekkende heiligdom van Jehova te betreden. Hij had zijn lichaam gewassen en droeg linnen kleding, en toch durfde hij met het bloed van de verzoening het heiligste van alles niet binnen te gaan, tenzij hij zelf kon schuilen onder een wolk van reukwerk.
Sommige schrijvers hebben gedacht dat reukwerk is bedacht om de schadelijke dampen te verbergen of te verdrijven die ontstonden doordat er elke dag zoveel dieren in het heiligdom werden geslacht. Anderen kenden eraan een mystieke betekenis toe. Zij geloofden dat het een symbool was van de adem van de wereld die in lofzang naar de Schepper opstijgt, waarbij de vier ingrediënten voor de vier elementen stonden. Een derde groep beschouwde de tabernakel als het paleis van God, de theocratische Koning van Israël, en de ark van het verbond als Zijn troon. Het reukwerk was voor hen alleen de tegenhanger van de parfum die kwistig wordt gebruikt rond de persoon en de omgeving van een oosterse vorst.
Het kan ongetwijfeld in de eerste plaats voor deze doelen zijn bedoeld en deze betekenissen hebben overgebracht. Maar het belang ervan in de ceremoniële voorschriften van het mozaïsche ritueel lag vooral in het feit dat het hét grote symbool van gebed was. Het werd aangeboden op het moment dat het volk zelf in de houding en handeling van aanbidding verkeerde. Men dacht dat de priester hun gebeden voor God bracht, en dat die in de rook en de geur van dat geurige offer naar Hem opstegen. De Schrift staat vol met toespelingen hierop, in deze mooie symbolische betekenis.
Een gebed dat God welgevallig was en overwon, was een zoet riekende geur voor de Heere. Een gebed dat onwettig, huichelachtig of nutteloos was, werd met walging door het reukorgaan verworpen.
De Joden voelden het ongetwijfeld zo: je ziet hoe zachte, witte wolken geurige rook langzaam van het reukaltaar opstijgen, en het is alsof de stem van de priester in dat sprekende beeld zwijgend maar welsprekend voor jou pleit. Geluid en geur vloeiden in elkaar over, en twee zintuigen smolten samen tot één. Dr. George Wilson heeft er terecht op gewezen dat deze symbolische manier van smeken één voordeel heeft ten opzichte van gesproken of geschreven gebed. Ze sprak ook mensen aan die zowel blind als doof waren, een groep die door haar beperking meestal wordt buitengesloten van de gezamenlijke eredienst.
Wie de gebeden van de priester niet kon horen, kon via zijn reuk meedoen aan de gebedsoefening die het reukwerk uitbeeldde. Heilige indrukken die langs de ene weg niet binnenkwamen, bereikten verstand en hart via een andere weg, zonder dat er iets verloren ging. Het reukaltaar stond in de nauwste verbinding met het brandofferaltaar. Op de grote jaarlijkse verzoendag werd het bloed van het zondeoffer op de hoornen van beide altaren gesprenkeld. Elke ochtend en elke avond gaf het wierookvat, zodra het offer was gebracht, zijn geurige inhoud vrij. Zo steeg het voortdurende reukwerk binnen tegelijk op met het voortdurende brandoffer buiten.
Zonder gloeiende kolen van het offeraltaar kon het heilige reukwerk niet branden. En zonder het reukwerk dat eerst het heiligdom vulde, kon het bloed van de verzoening van het brandofferaltaar niet op het verzoendeksel worden gesprenkeld. Wat een mooi en veelzeggend beeld van het volmaakte offer en van de overwinnende voorbede van Jezus! Het is voorbede die rust op verzoening, en verzoening die door voorbede wordt voorafgegaan en gevolgd! En wat een mooi en veelzeggend beeld ook van de gebeden van gelovigen: aangestoken door het altaarvuur van Christus’ offer, en geurig gemaakt door Zijn verdiensten! — Hugh Macmillan, in “The Ministry of Nature,” 1871.
Vers 3
“HEERE! zet een wacht voor mijn mond”, enzovoort.
- Niemand spreekt zo zonder te beseffen hoe belangrijk dit onderwerp is … Alles gebeurt door te spreken, in de natuur, in de samenleving en in het geloof. Wat hangt er dus veel af van een goed of slecht gebruik van de tong! Een paar woorden kunnen een vuur aanblazen van heilige liefde en vriendschap, of van woede en boosaardigheid. De tong is het belangrijkste instrument in de zaak van God, en ook het belangrijkste wapen van de duivel. Geef hem de tong en hij wil niets meer: er is geen kwaad of ellende die hij daarmee niet kan aanrichten.
Het gebruik en de invloed ervan zijn dus niet in woorden te vatten. Woorden zijn nooit alleen een gevolg: ze zijn ook een oorzaak, en hun werking kunnen we nooit helemaal overzien. Stel je een geval voor, dat helaas maar al te vaak voorkomt. Tijdens een gesprek laat je, uit onnadenkendheid of voor het gemak van een argument of een grapje, een goddeloze, sceptische opmerking vallen. Ze blijft hangen in het geheugen van een kind of een dienstmeisje. Ze schiet wortel in een grond die gunstig is voor zulk zaad. Langzaam groeit ze op en draagt vrucht: in het ontheiligen van de sabbat, het verwaarlozen van de genademiddelen, het lezen van ongepaste boeken, het kiezen van gevaarlijke vrienden.
Wie weet waar het eindigt? Maar er is Eén Die weet waar het begon. Sommigen kunnen door hun ambt, hun gaven en hun invloed veel meer schade aanrichten dan anderen. Dat moeten we toegeven. Maar niemand is zo onbelangrijk dat hij geen kwaad kan doen.
- Niemand spreekt zo zonder te beseffen dat hij gevaar loopt te struikelen. Als David zich ervan bewust was dat hij kon falen, hoe kunnen wij dan ooit op onze eigen veiligheid rekenen? Ons gevaar komt voort uit het bedorven karakter van onze natuur. “Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het.” En: “Wie zal een reine geven uit den onreine?” Ons gevaar komt ook voort uit de besmetting van het slechte voorbeeld. Aan niets maakt de mensheid zich zo algemeen schuldig als aan ontsporingen in het spreken. Toch zijn we er voortdurend door omringd, en we raakten eraan gewend toen we als kind nog zo gemakkelijk te beïnvloeden waren.
We lopen gevaar doordat we zoveel praten. “In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet.” We moeten onvermijdelijk vaak spreken. Maar vaak spreken we zonder dat het nodig is. Onze plicht roept ons om veel om te gaan met andere mensen. Toch zijn we te weinig in de binnenkamer en te veel in de menigte. En als we in gezelschap zijn, vergeten we de vermaning: “Een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken.”
- Niemand spreekt zo zonder te beseffen dat hij zichzelf niet kan bewaren. De Bijbel leert ons deze waarheid niet alleen als leerstuk maar ook aan de hand van verhalen uit de geschiedenis. De voorbeelden van goede mensen, mensen die uitblonken in godsvrucht, bevestigen haar juist op dit punt. Van Mozes, de zachtmoedigste mens op aarde, staat dat hij “wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen”. Je hebt gehoord van het geduld van Job, maar hij “vervloekte zijn dag”, en Jeremia, de profeet van de Heere, deed hetzelfde. Petrus zei: “Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.” En: “Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen!” Maar hoe gebruikte hij zijn tong een paar uur later? Toen “begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.”
- Niemand spreekt zo zonder ervan overtuigd te zijn dat het verstandig is om God om de nodige hulp te vragen. Gebed komt voort uit onze zwakheid en laat zien dat we van Hem afhankelijk zijn. Het erkent dat God aan het werk is.
(a) Ten eerste: God is in staat ons te bewaren.
(b) Zijn hulp krijgen we niet zonder te bidden.
(c) Gebed brengt altijd de hulp waar het om smeekt.
— Samengevat uit de preek van W. Jay over “De beteugeling van de tong.”
Vers 3
“HEERE! zet een wacht voor mijn mond”, enzovoort. Waken en bidden worden vaak in één adem genoemd, ze horen bij elkaar. We worden het best bewaard als we onszelf in Gods hand leggen. Ik zie hier vier dingen. Ten eerste: in onze moeilijkheden, vooral als we worden vervolgd, ontsnappen ons gemakkelijk onbezonnen en driftige woorden. Ten tweede: een godvrezend, gewetensvol mens is hier erg gevoelig voor, net als voor al het kwaad. Wie nu in gemeenschap met God wil leven en hoopt later met blijdschap voor Hem te verschijnen, voelt het scherpst het kleinste dat God mishaagt of onteert.
Zo is de ware geest van iemand die op de laatste dag door Christus zal worden erkend. Ten derde: er is maar één manier om te voorkomen dat we geprovoceerd worden tot ongeduld, overhaast spreken of ander kwaad: een wacht houden en onze verplichtingen aan God vernieuwen. Ten vierde: wie een wacht wil houden, moet de hulp en bijstand van Gods genade inroepen: “HEERE! zet een wacht voor mijn mond.” — Thomas Manton.
Vers 3
“HEERE! zet een wacht voor mijn mond”, enzovoort. Zo hielden heilige mensen thuis hun zittingen. Ze maakten van hun hart de voorzitter van de jury en onderzochten zichzelf zoals wij anderen onderzoeken. De vreze des Heeren stond aan de deur van hun ziel, om elke gedachte te onderzoeken voordat ze naar binnen ging. En ze stond aan de deur van hun lippen, om elk woord te onderzoeken voordat het naar buiten ging. Zo ontliepen ze duizend zonden die wij begaan alsof we niets anders te doen hebben. — Henry Smith.
Vers 3
“HEERE! zet een wacht voor mijn mond.” De natuur heeft van mijn lippen een deur voor mijn woorden gemaakt. Laat dan de genade die deur bewaken, zodat er geen woord naar buiten gaat dat op wat voor manier dan ook God onteert of anderen schaadt. — Matthew Henry.
Vers 3
“Zet een wacht”, enzovoort. Leg een zegel op de tong voor woorden die niet gezegd mogen worden. Een wacht over je woorden is beter dan een wacht over je rijkdom. — Lucianus.
Vers 3
“Behoed de deur mijner lippen.” Laat ze niet krakend en klagend bewegen, als op verroeste scharnieren, omdat de olie van vreugde en blijdschap ontbreekt. David had zeker genoeg te stellen met zijn tong, zoals we zien (Ps. 39:2,4). En toen hij de ark had laten vervoeren, wat sprak hij toen onbehoorlijk, alsof de fout meer bij God lag dan bij hemzelf, doordat er zo’n gat in Uzza was geslagen (1 Kron. 13:12). Het was dus zeker nodig zo te bidden. — John Trapp.
Vers 4
“Neig mijn hart niet tot een kwade zaak”, enzovoort. Het tegenwoordige genot en gemak van de zonde staan bij de zondaar hoog in aanzien. Ze zijn hem veel zoeter dan wat hij op geoorloofde wijze mag genieten. De genoegens van de zonde zijn zijn lekkernijen. Niemand kan zichzelf behoeden voor de verlokkingen van een zondige weg, tenzij de Heere hem bewaart: “en dat ik niet ete van hun lekkernijen.” De heiligste mensen in de Schrift voelden het sterkst hoe machteloos hun eigen vrije wil is, en hoe weinig ze zelf kunnen om verzoekingen te weerstaan of de beginselen van de genade in daden om te zetten.
Ze wantrouwden zichzelf het meest, hingen het meest van God af, maakten het zorgvuldigst gebruik van de middelen en volgden het gewetensvolst de verordeningen, zoals hun gebeden laten zien: “Neig mijn hart niet tot een kwade zaak”, enzovoort. — David Dickson.
Vers 4
“Neig mijn hart niet.” Hebreeuws: Laat mijn hart niet geneigd worden. — John Jebb.
Vers 4
“Mijn hart.” Zo iemand lijkt op Ezau. Hij had een erfdeel en hij had een hart, maar nu bezit hij niet meer wat van hem is. Geef God daarom je hart, zodat Hij het bewaart. Geef Hem geen stukje van je hart, geen kamer in je hart, maar je hart. Een verdeeld hart sterft. God is niet als de moeder die het kind in tweeën wilde laten snijden. Hij is als de echte moeder, die zei: liever laat ik haar alles nemen dan dat het kind wordt verdeeld. Laat de duivel maar alles hebben, als Hij Die het gaf het niet waard is.
God heeft geen medeminnaar. Daarom wil Hij de inzet niet delen: alles of niets. Wie hier om je hart vraagt, vraagt in Deut. 6:5 om “met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen”. Drie keer eist Hij alles, zodat we geen gedachte voor onszelf achterhouden. Toch blijft het jouw hart: een ijdel hart, een onvruchtbaar hart, een zondig hart, zolang je het niet aan God geeft. Geef je het wel, dan is het de bruid van Christus, de tempel van de Heilige Geest en het beeld van God. Het is dan zo veranderd, gevormd en gelouterd dat God het een nieuw hart noemt.
Om het hart wordt gestreden zoals er gestreden werd om het lichaam van Mozes. “Geef het mij”, zegt de Heere. “Geef het mij”, zegt de verleider. “Geef het mij”, zegt de paus. “Geef het mij”, zegt de rijkdom. “Geef het mij”, zegt het genot. Het lijkt wel of je het aan iemand móét geven. Dit is dus de keuze: geef je het aan God of aan de duivel? Gods hart of het hart van de duivel? Van wie wil je zijn? — Henry Smith.
Vers 4
“En dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Zonde is niet alleen voedsel, maar zoet voedsel. Ze is niet alleen brood, maar lekker brood voor een slecht hart. Daniël at een paar weken lang geen lekker brood. Hij at brood om lichaam en ziel bij elkaar te houden, maar liet feestmalen en lekker eten staan. Voor een vleselijk mens is zonde een feest. Het is zijn lekkere maaltijd, ja zijn “lekkernijen”. David zegt over goddeloze mensen: “Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Deze “lekkernijen” kun je op twee manieren verstaan.
Het kan gaan om de voorspoed die goddeloze praktijken opleveren: sommigen krijgen op slechte wegen niet alleen hun dagelijkse brood maar ook “lekkernijen”. Of de “lekkernijen” zijn de zonde zelf: ze vergasten zich aan het kwaaddoen. “En dat ik niet ete van hun lekkernijen.” Is dat hun eten? Dan sterf ik nog liever van de honger dan dat ik met hen eet. — Joseph Caryl.
Vers 4
“Hun lekkernijen.” Davids vijanden waren genotzuchtig en leefden in weelde. Ze hadden hem graag aan hun feestmalen laten meedoen, als hij net zo was geweest als zij. Hij smeekt dat hij bewaard mag blijven voor elke verleiding daartoe. — William Walford.
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij”, enzovoort. Dit vers is zo duister dat het bijna niet te begrijpen is. De Engelse vertalingen laten David zeggen dat hij bereid is om voor zijn eigen bestwil door goede mensen te worden berispt. Maar die zin is niet alleen moeilijk uit de woorden te halen, hij past ook niet bij het verband. Er zijn veel tegenstrijdige uitleggingen voorgesteld. De meest waarschijnlijke is deze: wat de goede man lijdt, zelfs uit de hand van de goddelozen, is tuchtiging door een rechtvaardig God, met recht en met barmhartigheid. Je kunt dat vergelijken met een feestelijke zalf. Het hoofd van de lijder hoort die niet te weigeren. Hij zal nog troost nodig hebben en reden om God aan te roepen, midden in de beproevingen en rampen die hij nog moet meemaken. — Joseph Addison Alexander.
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij.” Het woord halam gebruikt de Schrift bijna alleen voor een harde slag, die de getroffene doet schudden en trillen. Zie Spr. 23:35, 1 Sam. 14:16 en Ps. 74:6. Ook staat het voor de slag van de hamer op het aambeeld als er ijzer wordt gesmeed (Jes. 41:7). Het woord chesed dat erop volgt, kun je daarom als bijwoord opvatten. Het verzacht dan de hardheid die het eerste woord inhoudt: “Laat hem mij slaan, maar” leniter, benigne, misericorditer, “zacht, vriendelijk, vriendschappelijk, barmhartig”. Zo lezen sommige vertalingen het ook: “De rechtvaardige sla mij vriendschappelijk of vriendelijk.” — John Owen.
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn”, enzovoort. Genade leert een christen om medicijnen te slikken die goed voor hem zijn, ook al smaken ze niet. Een trouwe berisping is een teken van liefde. Je mag haar dus gerust een weldaad noemen. Een vriend die zo verwondt, geneest. Daarom kon David haar met recht een uitstekende olie noemen. En hij zei het niet alleen, wat makkelijk en gewoon is, hij handelde er ook naar. Hij deed niet zoals de papisten. Zij prijzen wijwater hoog aan, maar draaien hun gezicht weg als het op hen wordt gesprenkeld.
David had door zijn zonde en doordat hij ermee doorging, zijn vlees zo laten gangreneren en zichzelf zo laten aantasten dat hij in levensgevaar was. Toch liet hij zonder tegenzin zijn zweren tot op de bodem onderzoeken. Nathan was de chirurgijn die God gebruikte om die wond te onderzoeken, die in zijn ziel op meerdere plekken openlag en etterde. En waarachtig, hij ging niet voorzichtig om met zijn patiënt, hoewel het een vorst was. Hij stak zijn instrument tot op de bodem. Maar hoeveel pijn het ook deed, David nam het geduldig aan. Hij was zo ver van boos te worden op de profeet dat hij hem een van zijn vertrouwde raadsheren maakte.
Het is een teken van een bezoedelde aard als iemand, net als een slang, bij de minste aanraking gif vergaart en dat uitbraakt op degene die hem aanraakte. “Bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.” Spr. 9:8. — George Swinnock.
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij”, enzovoort. Slaat de rechtvaardige ons met terechtwijzingen? Dan moeten we dat zien als een weldaad, als een kostbare balsem die ons hoofd niet openbreekt maar geneest. Dat wil niet zeggen dat we onszelf moeten beschuldigen tegen beter weten in, alleen om de afkeurende bui van iedereen die ons wil aanklagen te volgen. Maar we moeten onszelf eerder veroordelen dan anderen. En we moeten sneller onze eigen fout toegeven dan van anderen, die we terechtwijzen, verwachten dat zij dat doen. Oprecht berouw maakt iemand eervol, als hij het hardst werkt om zonde te vermijden.
Hij is dan ook het meest bereid om met berouw te belijden als hij toch is gevallen. En hij is werkelijk dankbaar tegenover wie hem tot berouw oproepen. Hij wil immers liever dat God, Zijn wetten en Zijn godsdienst de eer krijgen voor hun heiligheid, dan dat hij zelf de onverdiende eer van onschuld krijgt en aan de verdiende schaamte van zijn zonde ontkomt. Een van de gevaarlijkste ziekten van belijders, en een van de grootste ergernissen in deze tijd, is dit: mensen die als bijzonder vroom bekendstaan, kunnen duidelijke terechtwijzing slechter verdragen dan menige dronkaard, vloeker of ontuchtige, ook al is die terechtwijzing gerechtvaardigd.
Uren of dagen lang belijden ze ogenschijnlijk vol ernst hun zonde. Voor God en mensen klagen ze dat ze het niet met meer verdriet en tranen kunnen doen. Maar zegt een ander half zoveel over hen? Dan noemen ze dat een gruwelijk onrecht. Ze houden hem voor een kwaadwillende vijand van de godvrezenden, omdat hij hen noemt zoals zij zichzelf noemen. — Richard Baxter (1615-1691), in “The Morning Exercises.”
Vers 5
“De rechtvaardige sla mij.” Een rechtvaardig, rechtschapen en wijs man die slaat en berispt, doet dat:
- Sine felle, zonder gal, zonder bitterheid.
- Sine publicatione, zonder het bekend te maken, rond te vertellen of aan de wereld te melden.
- Sine contumelia, zonder te vernederen: hij wil zijn vriend verbeteren en hem niet beschamen.
- Sine adulatione, zonder vleierij.
- Non sine Deo, niet zonder God. — John Gore, in een preek met de titel “Unknowne Kindnesse,” 1635.
Vers 5
“De rechtvaardige”, enzovoort. Een predikant kan niet de hele week preken. Hooguit twee of drie uur per week staat hij op de kansel voor zijn gemeente en houdt hij hun de spiegel van het evangelie voor.
Maar het leven van wie belijdt gelovig te zijn, preekt de hele week. Waren zij maar heilig en een goed voorbeeld! Dan zou hun leven de preek van de predikant herhalen, thuis en bij de buren. Zo zou het geluid van zijn onderwijs steeds in hun oren blijven klinken. Dat zou christenen een mooie kans geven om hun wereldse buren te helpen met raad en terechtwijzing. Nu gebeurt dat zelden, en als het gebeurt, haalt het weinig uit, want het wordt niet gesteund door hun eigen voorbeeldige leven. Tertullianus zegt: “Wie een ander wil adviseren of berispen, moet zijn woorden beschermen met het gezag van zijn eigen levenswandel. Mist hij dat, dan doet wat hij zegt hemzelf blozen.” Niemand wil dat iemand met een stinkende adem vlak bij hem komt staan.
Zo iemand heeft dus een zoet geurend leven nodig. Terechtwijzing is een goed medicijn, maar mensen nemen het niet graag in. Ze kunnen het moeilijk laten om het terug te gooien in het gezicht van wie het geeft. Wat voorkomt het best dat een berisping zo terugkomt? De heiligheid van degene die berispt. “De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn”, zegt David, “en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken.” Zie hoe goed het uit zo’n hand wordt aangenomen: zo groot is het gezag dat heiligheid met zich meebrengt. Alleen een laag mens zal een rechtvaardige met hoon slaan, omdat die hem met een terechtwijzing sloeg.
Dat geldt dan wel voor een terechtwijzing die zacht wordt gegeven, zoals olie die wordt ingewreven en intrekt: met medeleven en liefde voor zijn ziel, zoals het hoort. Zo zien we hoeveel invloed heiligheid zou hebben op de goddelozen. Op onze broeders en medechristenen zou ze evenveel invloed hebben. De heilige David zei dat hij het een weldaad zou vinden als de rechtvaardige man hem sloeg. Ja, hij zou dat net zo vriendelijk opvatten als wanneer iemand een kruikje kostbare olie op zijn hoofd uitgoot. Onder de Joden was dat een zeer sterke uiting van liefde. — William Gurnall.
Vers 5
“Het zal weldadigheid zijn.”
- Het is een weldaad reducere errantem, de dwalende terug te brengen.
- Sanare aegrotum, de zieke te genezen.
- Suscitare lethargicum, de slaperige, de man in lethargie, wakker te schudden.
- Ligare insanum, een waanzinnige vast te binden.
- Liberare perditum, een verloren mens te redden, iemand die in groot gevaar is. — John Gore.
Vers 5
“Het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken.” Sommige mensen zijn er trots op dat ze recht voor hun raap zijn, of “eerlijk”, zoals ze het zelf noemen. Maar mensen die zo botweg zijn, doen anderen weinig goed en oogsten zelf weinig liefde. De Schrift raadt vriendelijkheid en zachtheid aan. Een berisping moet neerkomen als dauw en niet als een losbarstende hagelbui. De “olie” sluipt langzaam naar binnen. De steen verwondt en kaatst dan terug. Christenen moeten oppassen dat ze er geen plezier in krijgen om te “berispen”. Zulke “geestelijke agenten” richten zonder het te willen veel kwaad aan.
In een gemeente zijn ze wat in de samenleving iemand is die heel geestig en sarcastisch is, of wat op school een klikspaan is. Ze komen heel dicht bij het soort mensen dat de apostel noemt: “een, die zich met eens anders doen bemoeit”. Onze manier van doen moet zacht en winnend zijn. De spijker van de berisping, zegt een oude schrijver, moet eerst goed worden gesmeerd met vriendelijkheid voordat hij wordt ingeslagen. Je bemoeien met andermans fouten lijkt op het verplaatsen van iemand die reumatische jicht heeft. Dat moet langzaam en voorzichtig, en we moeten niet schrikken van een of twee kreten.
Het gaat er vooral om dat je de ander laat voelen dat je echt van hem houdt. Laat je dat zien voor het aangezicht van God, dan zegent Hij je pogingen en geeft Hij je gunst bij een broeder die dwaalt. — Christian Treasury.
Vers 5
“Het zal olie des hoofds zijn.” Over bepaalde soorten olie zegt men dat ze het hoofd bijzonder goed doen. Daarom schrijven artsen bij koortsen of andere hoofdklachten altijd olie voor. Ik ken mensen die in de war waren en binnen korte tijd beter werden, door niets anders dan een speciale olie op hun hoofd. Maar er zijn ook soorten waarvan men gelooft dat ze, op het hoofd aangebracht, delirium veroorzaken. Zo werden de terechtwijzingen van de rechtvaardigen vergeleken met “olie des hoofds”, die het hoofd heel goed doet. Het zalven van het hoofd is zo gebruikelijk dat iedereen die het zich kan veroorloven het wekelijks doet.
Maar hoe vreemd het ook lijkt: de kruin van het hoofd is ook de plek die men uitkiest om te straffen. Slavenhouders, echtgenoten en schoolmeesters slaan overtreders met hun knokkels op het hoofd. Komt een jongen te laat op school of kent hij zijn les niet, dan roept de meester naar een paar andere jongens: “Sla zijn hoofd maar!” Of tegen iemand anders: “Wegwezen, vent, of ik sla je op je hoofd.” Wordt een man zo gestraft door iemand die minder is dan hij, dan zegt hij het oude gezegde: “Moet mijn hoofd worden geslagen? Laat het dan gebeuren met vingers waar ringen aan zitten”, dus door een man van rang.
“Ja, ja, laat een heilige man mijn hoofd maar slaan! En dan? Het is uitstekende olie.” “Mijn meester heeft mijn hoofd geslagen, maar voor mij was het goede olie.” — Joseph Roberts.
Vers 5
“Olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook.” Toen ik deze tekst voor het eerst las, klonk hij mij vreemd en onhandig in de oren. Had de psalmist gezegd: het zal een steen zijn die mijn hoofd niet breekt, enzovoort, dan zouden we hem direct begrijpen. Maar hij spreekt over olie of balsem, een zalf waarvan we weten dat ze zacht, soepel, glad en mild is. Dat hij dan zegt dat olie het hoofd zou kunnen breken: dat is vreemd. Ik moet bekennen dat ik er een tijd mee worstelde.
Uiteindelijk bedacht ik dat hij het misschien omgekeerd bedoelde. Zo zegt een arts die zijn patiënt een middel voor de borst of een hartversterker geeft: Slik dit maar, het zal u geen kwaad doen. Hij bedoelt dan dat het helpt en goed doet. Zo ook hier: de olie zal mijn hoofd niet breken, dat wil zeggen dat ze het zal genezen. Het hoofd is namelijk al gebroken, door mijn eigen verdorvenheid, door de verzoekingen van Satan en door de slechte invloed van mensen die mij in mijn zonden vleien. — John Gore.
Vers 5
David kon over zijn vijand die hem vervloekte zeggen: “Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.” Hoeveel zekerder kun je dan van je vriend die je terechtwijst zeggen: “Laat hem begaan, want God heeft hem opgedragen te slaan.” En zoals de apostel zegt over predikers dat het is “alsof God door ons bade”, zo mag je jezelf ervan overtuigen dat God jou door hen berispt. — John Gore.
Vers 5
Het was de uitspraak van een heiden, maar het was geen heidense uitspraak: “Wie goed wil zijn, moet of een trouwe vriend hebben die hem onderwijst, of een waakzame vijand die hem terechtwijst.” Zouden we een arts vermoorden omdat hij ons komt genezen, of hem minder aardig vinden omdat hij ons beter wil maken? Het vlammende zwaard van de bestraffing is er alleen om ons van de verboden vrucht van de overtreding af te houden. “De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken.” Laat hem mij slaan als met een hamer, want dat is de betekenis van het woord. Een Boanerges is even nodig als een Barnabas. — William Seeker.
Vers 5
“Want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.” Dat betekent: als zij die mij terechtwijzen ooit in ellende vallen, kunnen ze denken dat ze mijn liefde hebben verspeeld door mij te berispen. Ze denken misschien dat ze zich uit mijn gebeden hebben gesloten, of dat ik nooit meer goed over hen of voor hen zal spreken. Toch zal ik uit heel mijn hart voor hen bidden, zoals hun zaak dat vraagt. Ik zal voor hen bidden als ze het gebed het hardst nodig hebben, ja “in hun tegenspoeden”. Sommigen versterken de betekenis zo: hoe scherper ze hun berisping maken, hoe meer ik me verplicht voel om voor hen te bidden.
Het toont een voortreffelijke geest als iemand zich niet laat tegenhouden om anderen goed te doen, door iets wat zij doen of zeggen tegen ons, of door hun scherpste (misschien onterechte) berispingen. Zo bad ook die goede man Job “voor zijn vrienden”. Zij hadden veel tegen hem gezegd en hem niet alleen zonder reden berispt, maar ook liefdeloos beledigd. — Joseph Caryl.
Vers 6
“Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest”, enzovoort. De oordelen die klaarliggen voor de leiders van mijn vijanden, zullen over hen komen. Dan merken ze te laat hoe redelijk mijn woorden waren, en ze willen dat ze er eerder naar hadden geluisterd. — Joseph Addison Alexander.
Vers 6
Neergeworpen. Het werkwoord dat in de Engelse vertaling met “overthrown” (neergeworpen) is weergegeven, staat ook bij Izebel in 2 Kon. 9:33: “Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder.” — “Speaker’s Commentary.”
Vers 6
“En hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.” Dit geldt vooral voor alle woorden die David onder inspiratie sprak, of die de Geest van God tot hem sprak. Ze staan duidelijk in zijn Psalmenboek, en gaan over de Messias, het genadeverbond en de zegeningen daarvan. Ook gaan ze over de rijke ervaringen van genade die hij had, en over de verschillende leerstukken van het evangelie die hij verkondigde. Die woorden waren zoet, verrukkelijk en aangenaam voor wie oren hebben om zulke dingen te horen, of van wie de oren zijn geopend om ze te horen. Zij begrijpen ze en kunnen ze onderscheiden. Anderen niet. — John Gill.
Vers 6
“En hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.” Wie Gods woord eerst minachtte, zal het in tijden van ellende proeven en er blij mee zijn. Ellende opent immers het oor voor onderwijs. Als de wereld bitter is, is het woord zoet. Onderdrukte onschuld vindt geen gehoor bij wie in pracht en genot leeft. Maar als zij zelf worden neergeworpen, gaan ze medelevender denken over wie ellendig is. — Matthew Henry.
Vers 6
“Dat zij aangenaam waren.” Ze zullen prettig zijn, mild, zacht, billijk, rechtvaardig. Na de harde en strenge bevelen van Saul, en nadat ze zijn tirannieke daden hebben ondergaan, is het volk blij om mij te verwelkomen. Ze leven graag onder de wetten van een rechtvaardig en eerlijk bestuur. De passage spreekt dus het vertrouwen uit dat Saul en zijn legers worden neergeworpen. Ze zegt ook dat de inwoners van het land met blijdschap zullen begroeten dat iemand op de troon komt die was gezalfd om over hen te regeren. — Albert Barnes.
Verzen 6-7
Davids milde en plichtsgetrouwe gedrag tegenover Saul en zijn vrienden wordt hier met voorbeelden van beide kanten tegenover elkaar gezet, in het helderste licht. Het eerste is Davids menselijkheid tegenover Saul. Op twee verschillende momenten schonk hij hem het leven, terwijl hij het in zijn macht had Saul naar believen te doden. “Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.” Dat wil zeggen: “Hun vorsten zijn veilig vrijgelaten, toen ik hen in die rotsachtige woestijnen in mijn macht had. Ze hoorden me alleen in de zachtste woorden met hen redetwisten.” Het andere is Sauls barbaarse wreedheid tegenover David, of tegenover zijn vrienden, wat vrijwel hetzelfde is.
Dat was het gruwelijke bloedbad dat Doëg de Edomiet aanrichtte onder Achimelech en de priesters. Het gebeurde op zo’n wrede manier dat hij het vergelijkt met het kappen en kloven van hout: “Zoals wanneer iemand klooft en splijt, zo zijn onze beenderen verstrooid over de aarde, op het bevel van Saul.” Zo vertaal ik namelijk de Hebreeuwse woorden le-pi Saul: naar de mond, dat wil zeggen het bevel, van Saul. Stel dat deze passage doelt op de eerste keer dat David Saul spaarde, toen hij hem in zijn macht had in de spelonk van En-Gedi (hier jede sela genoemd), de zijden van de rots, de rotsachtige plaatsen.
Dan kunnen de woorden die hij daar uitsprak, toen hij Saul achterna riep (opgetekend in 1 Sam. 24:9-17), best zoete of aangename woorden heten. Want ze plaatsten zijn eigen onschuld en het onrechtvaardige gedrag van de koning tegenover hem in zo’n helder licht, en met zoveel zachtheid en mildheid, dat zelfs deze hardvochtige vorst er op dat moment sterk door werd geraakt. En ons wordt verteld (1 Sam. 24:17): “Toen hief Saul zijn stem op en weende.” — Charles Peters.
Vers 7
“Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs”, enzovoort. Misschien denkt de psalmist in eerste instantie aan de moord op de priesters, op bevel van Saul, 1 Sam. 22:16-19. De woorden passen echter ook bij de vele massamoorden, zoals die van de vooravond van Sint-Bartholomeus. Het waren er zoveel dat de beenderen over het hele aardoppervlak verspreid lagen. Ze laten zien langs welke weg vrome martelaren deze wereld verlieten voor een betere. Ze getuigen ook waar het bloed van de vermoorden zal worden onthuld, als het oordeel over hun moordenaars komt. — W. Wilson.
Vers 7
“Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs”, enzovoort. Nemen we het uiterste geval, dan is dit een hoopvolle blik op wat komt. Zelfs als zijn beenderen en die van zijn volgelingen rond de ingang van de Sjeool verspreid zouden liggen (vergelijk het Syrische beeld van de Sjeool: “het stof op haar drempel”, al-escufteh, Deutsche Morgenländische Zeitschrift, 20, 513), dan lagen hun zielen beneden en hun beenderen boven. Toch zou het niet meer zijn dan wanneer iemand al ploegend de aarde openscheurt. Dat betekent: ze liggen daar niet om te blijven liggen, maar om weer op te staan, zoals het gezaaide zaad uit de omgewoelde aarde opspruit. — Franz Delitzsch.
Vers 7
“Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs.” Dat wil zeggen: ik en mijn gezelschap zijn stervende, vrij onder de doden. Ja, als we gevangen werden genomen, zouden we op de wreedste manier worden gedood. Ze zouden ons in stukken hakken of lid voor lid uit elkaar trekken, en onbegraven achterlaten. Ons dode lichaam zou worden verminkt in een barbaarse onmenselijkheid, zoals houthakkers de splinters alle kanten op laten vliegen. Zo gevaarlijk is de toestand waarin ik en mijn aanhangers verkeren. — John Trapp.
Vers 7
“Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs.” Dat klinkt als een sterk oosters schilderij, bijna als beeldspraak. Maar het kan ook gewoon letterlijk waar zijn. Dit fragment laat dat zien: “Om vijf uur braken we op uit Garigana. We trokken nog steeds oostelijk van het noorden. Om kwart over zes in de avond kwamen we aan in het dorp met die naam. Alle inwoners waren het jaar daarvoor van de honger gestorven. Hun ellendige beenderen lagen onbegraven verspreid over de grond, waar het dorp eens had gestaan. We sloegen ons kamp op tussen de botten van de doden, want er was geen plek te vinden waar ze niet lagen. Op de 23e, om zes uur in de ochtend, vol afschuw over deze trieste aanblik, vertrokken we naar Teawa.” (James Bruce, “Travels”.) Voor Joden moet zo’n aanblik vreselijk zijn geweest.
Een lijk zonder begrafenis gold voor hen als een van de ergste rampen die hun kon overkomen. — Burder, “Oriental Customs.”
Vers 7
“Gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.” Je kunt deze woorden ook uitleggen als ploegen en niet als hout hakken. In het Arabisch gebruikt men het eerste werkwoord daarvoor. Iemand ploegt en trekt voren in de aarde. Hij doet dat niet om haar oppervlak te verminken, maar om haar vruchtbaar en productief te maken. Zo zijn onze beenderen verstrooid aan de mond van de hel: dat is het onmisbare middel voor een heerlijke opstanding. — Joseph Addison Alexander.
Vers 7
Wie staat bij het graven van een graf en ziet wat daarbij aan puin tevoorschijn komt, zal uitroepen: “Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.” — George Horne.
Vers 8
“Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere!” Wil je je gedachten in het gebed bij elkaar houden? Houd dan ook je ogen bij elkaar. Door het oog komt veel ijdelheid binnen. Als de ogen tijdens het bidden ronddwalen, dwaalt het hart mee. Denken dat je je hart in het gebed kunt vasthouden terwijl je je ogen overal heen laat gaan, is net zoiets als denken dat je je huis veilig houdt terwijl je de ramen openlaat. — Thomas Watson.
Vers 8
“Ontbloot mijn ziel niet.” In het Hebreeuws staat letterlijk: Stort mijn ziel niet uit, maar bewaar haar in Uw beker van heil. — Agellius. Vergelijk Jes. 53:12: “Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood.”
Vers 8
“Ontbloot mijn ziel niet”, of: “Werp mijn ziel niet weg.” Dat betekent: gooi mijn leven niet weg zoals je water weggooit, dat niets waard is, uit het vat waar het in zat. — Daniel Cresswell.
Vers 8
“Ontbloot mijn ziel niet.” Zijn ziel wist wat het was om “ontbloot” te zijn. Hij kende de ellende van geestelijk bedelen en van een arme ziel. Voor hem was dat niet iets dat alleen in theorie bestond en waarover je kunt speculeren, zoals natuurlijke armoede voor rijke mensen. Het was een persoonlijke en pijnlijke ervaring … In de kanttekening staat: “Maak mijn ziel niet bloot.” Neem elke hoop niet van mij af. Laat mij niet helemaal naakt achter. Lever mij niet uit aan de bedelarij en de ellende van de natuur. Laat mij niet met al mijn zonden op mijn hoofd in de kuil neerdalen. Laat mijn ziel niet zonder vergeving en vrede achter. — Joseph C. Philpot.
Verzen 8-10
O stort mijn ziel niet uit, zo bid ik U,
behoed mijn weg voor de donkere strik,
de mazen van het verborgen, verstrikkende net,
dat de machten van het kwaad langs mijn pad hebben gezet.
Zie hen gevangen, de goddeloze benden,
diep in de strikken die zij heimelijk spanden:
met ingekeerd hart en een oog dat waakzaam blijft staan,
wacht ik mijn uur af om als overwinnaar voorbij te gaan.
— John Keble.
Verzen 9-10
Strikken, vallen, netten. In Palestina werd een leeuw meestal met valkuilen of netten gevangen of gedood. Naar beide wordt in de Schrift vaak verwezen. De manier waarop men met netten op leeuwen joeg, was dezelfde als die men nu in India nog gebruikt. Als men de precieze plek van het leeuwenhol heeft ontdekt, spant men er een cirkelvormige wand van netten omheen. Zijn er maar weinig netten, dan zet men ze in een bocht neer, met de holle kant naar de leeuw toe. Dan sturen de jagers honden het struikgewas in, gooien stenen en stokken naar het hol, schieten er pijlen in en smijten er brandende fakkels naar.
Zo maken ze het dier zo kwaad en bang dat het tegen het net aan rent. Dat net is zo gemaakt dat het neervalt en het dier in zijn plooien wikkelt. Zijn er te weinig netten, dan gaan de drijvers naar de andere kant van het hol. Daar laten ze de leeuw ontsnappen in de richting waar hij geen vijanden ziet, maar waar hij zeker tegen het verraderlijke net aan zal lopen. Ook andere grote, gevaarlijke dieren werden op dezelfde manier gevangen, zo schrijft hij. Een andere, vaker gebruikte manier was gemakkelijker en goedkoper: een diepe kuil graven, de opening bedekken met een dun laagje stokken en aarde, en het dier op die verraderlijke dekking drijven.
Het is gemakkelijker dan het net, want als de kuil eenmaal is gegraven, hoeft men alleen nog de opening af te dekken. Maar het is minder geschikt om dieren levend te vangen. Ze raken waarschijnlijk gewond, door de val in de kuil of door de manier waarop men ze er weer uit haalt. Dieren die in kuilen worden gevangen, worden daarom meestal gedood voordat men ze eruit haalt, maar niet altijd. Het net daarentegen wikkelt het dier zo helemaal in en maakt het zo hulpeloos dat men het gemakkelijk kan binden en meenemen. Het jachtnet is erg duur en vraagt een groot aantal mannen om het te bedienen.
Alleen een rijk man kon dus een net gebruiken voor de jacht, want een arm man kon het zich niet veroorloven. Behalve het net kenden de oude Joden nog meerdere andere manieren om vogels te vangen, net als tegenwoordig. Jongens die vogels vangen voor eigen gebruik en niet voor de markt, doen dat bijvoorbeeld met allerlei vallen. De meeste werken volgens het principe van de lus of strik. Soms legt men op plekken waar vogels naartoe worden gelokt een groot aantal lussen van haar. Als de vogels rondhuppelen, raken er zeker veel in de lussen verward en gevangen.
Soms hangt men de lus vernuftig op in een smalle doorgang waar de vogels waarschijnlijk doorheen komen. En soms gebruikt men een eenvoudige valklep. — J. G. Wood.
Vers 10
“Elk in zijn garen vallen.” Het woord dat hier met “garen” is vertaald, staat alleen op deze plek, net zoals het sterk gelijkende woord in Ps. 140:11 dat met “diepe kuilen” is vertaald, alleen daar voorkomt. — “Speaker’s Commentary.”
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
- Hoe het gebed nooit ophoudt: “ik roep U aan”, “als ik tot U roep.”
- Hoe persoonlijk het is: “tot U”, “tot mij.”
- Hoe praktisch het is: “haast U tot mij”, “neem mijn stem ter ore.”
Vers 1
Heilige haast.
- De heilige die zich naar God haast.
- De heilige die God tot haast aanspoort.
- Gods zekere haast om hem te helpen. — W. B. H.
Verzen 1-2
- Gebed dat wordt uitgesproken:
a) Met aandrang: “haast U tot mij.”
b) Met gloed: “neem mijn stem ter ore”, enzovoort.
- Gebed dat wordt gesteld: “Mijn gebed worde gesteld”, enzovoort. Is er eenmaal gehoor, dan is er rust en orde in het gebed. Is het vuur aangestoken, dan stijgt het reukwerk op.
- Gebed dat wordt opgeheven: “de opheffing mijner handen als het avondoffer”, dus voortdurend en aangenomen. — G. R.
Vers 2
Hoe echt gebed even welgevallig is als reukwerk en als het avondoffer. Het is geestelijk, plechtig, door God verordend en brengt Christus in herinnering.
Vers 3
- De mond is een deur.
- Er is een wachter nodig.
- De Heere vervult die taak.
Vers 4
Volledig afzien van kwade verlangens, praktijken en genoegens.
Vers 4
Een gebed:
- Om onderdrukking van elke kwade neiging in het hart: “Neig mijn hart niet”, enzovoort.
- Om te voorkomen dat we ons met de goddelozen inlaten in hun zondige werken: “om enigen handel in goddeloosheid te handelen”, enzovoort.
- Om een heilige minachting voor het tijdelijke genot of voordeel dat ons door de zonde van anderen wordt voorgehouden: “en dat ik niet ete”, enzovoort. Let op: veel mensen die zelf geen goddeloze daad zullen doen, hebben er geen bezwaar tegen om mee te delen in de winst ervan. — J. F.
Vers 4
Afwijzing van:
- De begeerten van de duivel.
- De daden van de duivel.
- De lekkernijen van de duivel. — W. B. H.
Vers 5
Terechtwijzingen van goede mensen.
- Uitgenodigd.
- Gewaardeerd: “het zal weldadigheid zijn.”
- Benut: “olie des hoofds.”
- Met blijdschap verdragen: “het zal mijn hoofd niet breken.”
- Vergolden met onze gebeden voor hen in tijden van nood.
Vers 5 (laatste zinsnede)
“Voorbede.” Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1049.
Vers 6
- Tijden van nood zullen komen voor wie zorgeloos is.
- Dan zijn ze eerder bereid om het evangelie te horen.
- Dan vinden ze zoetheid in wat ze eerder afwezen.
Vers 6
Een oase in de woestijn.
- De wereld is een rotsachtige plek, hard en dor.
- Vaak worden trots en zelfvertrouwen daar neergeworpen.
- Dan maken woorden van God, via Zijn gezonden dienaar, een oase in de woestijn. — W. B. H.
Verzen 7-8
Een tafereel op een begraafplaats.
- Droge beenderen van de doden rond het graf.
- Vermoeide beenderen van oude en zieke mensen rond het graf.
- Alle beenderen die van dag tot dag klaar worden gemaakt voor het graf.
- Beenderen die rust vinden in God: “Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere!”, enzovoort.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas