Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 133 — Treasury of David

31 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een lied Hammaaloth, van David.” Wij zien niet in waarom we David dit sprankelende sonnet zouden moeten afnemen. Hij wist uit eigen ervaring hoe bitter het is wanneer verdeeldheid een gezin uiteenrijt. Daarom kon hij heel goed in de mooiste psalmtaal de zegen van eensgezindheid bezingen, waar hij zelf zo naar verlangde. Onder de “liederen der opgangen” heeft dit lied zeker een hoge trede bereikt. Ook in de gewone literatuur wordt het vaak aangehaald, om de geur en de dauw die erin te vinden zijn. Er staat in deze psalm geen enkel scheef woord.

Alles is “zoetheid en licht”. Dat is een opmerkelijke stap omhoog vergeleken met Psalm 120, waarmee de pelgrims hun tocht begonnen. Die psalm is vol oorlog en klacht, maar deze zingt van vrede en van wat liefelijk is. De bezoekers van Sion stonden op het punt naar huis terug te keren. Misschien was dit hun vreugdelied, omdat ze zoveel eenheid hadden gezien tussen de stammen die rond het ene altaar bijeen waren gekomen. De vorige psalm zingt over het verbond. Ook daar werd duidelijk waar Israëls eenheid in lag: in de Gezalfde van de Heere en in de beloften die aan Hem gedaan waren.

Het is dus geen wonder dat broeders in eendracht samenwonen, wanneer God Zelf onder hen woont en in hen Zijn rust vindt. Onze vertalers hebben deze psalm een prachtig verklarend opschrift meegegeven: “Het voordeel van de gemeenschap der heiligen.” Die goede mannen wisten vaak met een paar woorden de kern van een tekstgedeelte te raken.

Uitleg

Vers 1

“Ziet.” Dit is een wonder dat je zelden ziet, kijk er dus naar! Je kunt het zien, want het is te vinden bij echte heiligen, en daarom mag je het niet voorbijgaan zonder het goed te bekijken! Het verdient al onze bewondering, blijf er dus bij stilstaan en kijk ernaar! Het zal je zo bekoren dat je het wilt navolgen, let er dus goed op! God kijkt er met instemming naar, bekijk het dus aandachtig. “Hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.” Niemand kan zeggen hoe groot de voortreffelijkheid van zo’n toestand is.

Daarom gebruikt de psalmist het woord “hoe” twee keer: zie hoe goed! En hoe liefelijk! Hij probeert het goede of het genot niet af te meten. Hij roept ons op het zelf te gaan zien. Dat deze twee bijvoeglijke naamwoorden, “goed” en “liefelijk”, bij elkaar staan, is opmerkelijker dan wanneer twee sterren van de eerste grootte dicht bij elkaar staan. Dat iets “goed” is, is al goed. Maar als het ook nog liefelijk is, is het beter. Iedereen houdt van wat prettig is, en toch is het vaak zo dat het genoegen slecht is. Maar hier is de toestand even goed als hij liefelijk is en even liefelijk als hij goed is, want voor beide woorden staat hetzelfde “hoe”.

Voor broers van vlees en bloed is samenwonen niet altijd verstandig. De ervaring leert dat ze het beter een stukje van elkaar vandaan kunnen houden, en het is een schande als ze samenwonen en toch verdeeld zijn. Ze kunnen beter in vrede uit elkaar gaan, zoals Abraham en Lot, dan in afgunst bij elkaar blijven, zoals de broers van Jozef. Als broeders in eendracht kúnnen en ook willen samenwonen, is hun gemeenschap het waard om naar te kijken en in een heilige psalm te bezingen. Zulke taferelen zouden we vaak moeten zien bij mensen die zo nauw aan elkaar verwant zijn.

Het zijn immers broers, dus ze moeten van hart en doel één zijn. Ze wonen samen, en voor hun eigen welzijn is het nodig dat er geen strijd is. En toch, hoeveel gezinnen worden niet verscheurd door heftige vetes, en bieden een schouwspel dat niet goed is en niet liefelijk!

Voor broeders in de Geest geldt dat zij samen moeten wonen in de gemeenschap van de gemeente. In die gemeenschap is eenheid een onmisbare zaak. Zonder eenvormigheid kunnen we het wel stellen, als we maar eenheid hebben: een gedeeld leven, een gedeelde waarheid en een gedeelde weg, één zijn in Christus Jezus, één in doel en in geest. Dit hebben we nodig. Anders worden onze samenkomsten synagogen van twist in plaats van gemeenten van Christus. Hoe nauwer de eenheid, hoe beter, want des te meer is er dan van wat goed en liefelijk is. Omdat we onvolmaakte mensen zijn, dringt er altijd iets van het kwade en onaangename binnen.

Maar de echte liefde van de heiligen, als die tenminste werkelijk bestaat, maakt dat snel onschadelijk en jaagt het zonder moeite weer weg. Christelijke eenheid is goed in zichzelf, goed voor ons, goed voor de broeders, goed voor wie zich bekeren, goed voor de buitenwereld. En liefelijk is ze zeker, want een liefdevol hart moet wel genieten van de omgang met anderen die van dezelfde aard zijn, en het schenkt hun ook genot. Een gemeente die al jaren eensgezind en ernstig de Heere dient, is een bron van goedheid en vreugde voor iedereen die in haar omgeving woont.

Vers 2

“Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd.” Om ons broederlijke eenheid beter te laten zien, geeft David ons een beeld. Zo kunnen we haar zaligheid als in een spiegel zien. Ze heeft een zoete geur, te vergelijken met de kostbare olie waarmee de eerste hogepriester bij zijn wijding gezalfd werd. Ze is iets heiligs, en daarom opnieuw te vergelijken met de zalfolie, die alleen in de dienst van de Heere gebruikt mocht worden. Wat een heilige zaak moet broederliefde wel zijn, als ze vergeleken kan worden met olie die op niemand anders mocht worden uitgegoten dan alleen op de hogepriester van de Heere!

Ze is ook iets wat zich verspreidt. De geurige olie werd op zijn hoofd uitgegoten, stroomde naar beneden over het hoofd van Aäron en droop vandaar op zijn kleren, tot de uiterste zoom ervan gezalfd was. Zo breidt broederliefde haar weldadige kracht uit en zegent ze iedereen die onder haar invloed komt. Hartelijke eensgezindheid brengt zegen over alle betrokkenen. Het goede en het genot ervan worden gedeeld door de geringste leden van het huisgezin. Zelfs de knechten zijn er beter en gelukkiger van, door de mooie eenheid tussen de gezinsleden. Ze heeft ook een bijzonder nut.

Aäron werd door de zalfolie apart gezet voor de bijzondere dienst aan Jehova. Zo zijn ook zij die in liefde samenwonen beter toegerust om God te verheerlijken in Zijn gemeente. De Heere zal mensen zonder liefde waarschijnlijk niet gebruiken tot Zijn eer. Zij missen de zalving die nodig is om priesters voor de Heere te zijn. “Nederdalende op den baard, den baard van Aäron.” Hier ligt het belangrijkste punt van de vergelijking. De olie bleef niet beperkt tot de plek waar ze het eerst neerviel, maar liep langs het haar van de hogepriester en maakte zijn baard nat.

Zo druppelt en daalt ook de broederliefde die van het hoofd komt; ze zalft terwijl ze stroomt en geurt over alles wat ze raakt. “Die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.” Eenmaal op gang bleef de olie vloeien. Het had verstandiger geleken zijn kleren niet met olie te besmeuren. Maar de heilige zalf liet zich niet tegenhouden en liep over zijn heilige gewaad. Zo stroomt ook broederliefde niet alleen over de harten waarop ze het eerst werd uitgegoten. Ze daalt ook neer op wie een lager deel zijn van het mystieke lichaam van Christus.

Ze loopt zelfs waar niemand haar zoekt, en vraagt geen verlof of vergunning om haar weg te vinden. Christelijke genegenheid kent geen grenzen van parochie, volk, richting of leeftijd. Gelooft die man in Christus? Dan is hij in het ene lichaam, en moet ik hem blijvend liefhebben. Is hij een van de armsten, een van de minst geestelijken, een van de minst beminnelijken? Dan is hij als de zoom van het kleed, en ook op hem moet de liefde van mijn hart vallen. Broederliefde komt van het hoofd, maar valt tot aan de voeten. Haar weg gaat naar beneden.

Ze “liep neer” en ze “daalde neer”. Liefde voor de broeders buigt zich tot mensen van lage stand. Ze is niet verwaand, maar nederig en zachtmoedig. Dat is niet de kleinste van haar verdiensten. Olie zou niet zalven als ze niet naar beneden vloeide, en broederliefde zou haar zegen niet verspreiden als ze zich niet neerboog.

Vers 3

“Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion.” Vanaf de hogere bergen lijkt het vocht naar de lagere heuvels te waaien. De dauw van Hermon valt op Sion. De Libanon met zijn Alpentoppen dient de lagere hoogte van de stad van David. Zo daalt ook broederliefde van hoger naar lager, en ze verfrist en verlevendigt onderweg. Heilige eendracht is als dauw: geheimzinnig gezegend en vol leven en groei voor alle planten van de genade. Ze brengt zoveel zegen mee dat ze geen gewone dauw is, maar dauw zoals die van Hermon, die bijzonder overvloedig is en ver reikt.

De juiste weergave is: “Gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion.” Dat past bij het beeld dat al gebruikt is, en het laat in een tweede vergelijking zien hoe zoet en vrijgevig broederlijke eenheid naar beneden stroomt. “Want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.” Dat wil zeggen: in Sion, of nog beter, op de plaats waar broederliefde overvloedig is. Waar liefde regeert, regeert God. Waar liefde zegen toewenst, gebiedt God de zegen. God hoeft alleen maar te gebieden en het is gebeurd.

Het maakt Hem zo blij Zijn lieve kinderen gelukkig te zien in elkaar, dat Hij hen zeker ook gelukkig maakt in Zichzelf. Hij geeft vooral Zijn beste zegen, het eeuwige leven, want liefde is leven. Wie in liefde samenwoont, is al begonnen met het genieten van de eeuwigheid, en dat wordt ons niet afgenomen. Laten we liefhebben voor eeuwig, dan zullen we leven voor eeuwig. Dat maakt christelijke broederschap zo goed en liefelijk: de zegen van Jehova rust erop. Daarom kan ze niet anders dan heilig zijn, zoals “de kostelijke olie”, en hemels, zoals “de dauw van Hermon.” O, kwam er toch meer van deze zeldzame deugd!

Niet de liefde die komt en gaat, maar die blijft wonen. Niet de geest die scheidt en zich afzondert, maar die samenwoont. Niet de gezindheid die alleen oog heeft voor discussie en verschil, maar die in eendracht samenwoont. We zullen de volle kracht van de zalving nooit leren kennen voordat we één hart en één geest zijn. De heilige dauw van de Geest zal nooit in al zijn volheid neerdalen voordat we volkomen één zijn in dezelfde gezindheid. De zegen die God ons met Zijn verbond beloofde en gebood, zal nooit van de Heere onze God uitgaan, voordat we opnieuw “één Heere, één geloof, één doop” hebben. Heere, leid ons binnen in deze zeer kostbare geestelijke eenheid, omwille van Uw Zoon. Amen.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Deze psalm is een uitbarsting van heilige vreugde. Ze werd veroorzaakt door het zien van heel Israël dat zich bij de jaarlijkse feesten als één groot huisgezin verzamelde… Misschien is er ook een toespeling op de eerdere jaloezie en vervreemding binnen Israëls familie. Die leken verdwenen en vervangen door eendracht en genegenheid, toen David de troon van het hele volk besteeg. — Joseph Addison Alexander.

Vers 1

“Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het”, enzovoort. Er zijn drie dingen waarbij het heel prettig is om te zien dat Gods volk zich als één verenigt.

  1. Wanneer ze één zijn in mening en oordeel. Ze denken allemaal hetzelfde en zijn eensgezind in de waarheid.
  2. Wanneer ze één zijn in genegenheid. Ze hebben allemaal één hart, ook al denken ze misschien niet allemaal hetzelfde. Of wanneer ze elkaar vinden in genegenheid, al is het niet in mening. David sprak bewonderend over dit mooie gezicht. Daarna sprak hij verklarend over de goedheid ervan (Ps. 133:2): “Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd.” Zo is het, ten eerste vanwege de zoetheid. Zo is het, ten tweede vanwege het vrijgevige doorstromen (zoals volgt): “nederdalende op den baard, den baard van Aäron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.”
  3. Het is een zalig gezicht als ze samen hun plicht doen. Dat kan op twee manieren. Ten eerste door samen te doen wat goed is, of, zoals de apostel het zegt (2 Kor. 6:1), door onder elkaar “medearbeidende” te zijn in enig goed werk. Wij vullen de tekst aan en zeggen: “medearbeidende” met God. Dat is werkelijk een zalig gezicht, als wij ons met God verbinden en God Zich met ons verbindt in Zijn werk. Het is ook zalig om te zien dat alle dienaren van Jezus Christus, en velen die leden van Christus zijn, samen één goed werk doen.

Dat geldt vooral voor het werk om iedereen met wie we te maken hebben te smeken “dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.” Ten tweede door samen het kwaad te laten staan en de ongerechtigheid ver van zich te werpen, door te bidden om vergeving van zonde en vrede te sluiten met God. Het is een goed werk om je van het kwaad af te keren, zeker wanneer iedereen die erbij hoort dat samen doet… Samen zondigen en broeders in ongerechtigheid zijn, is de slechtste verbintenis die er is, ja, een samenzwering tegen God.

Maar samen als broeders treuren over de zonde en berouw hebben over onze ongerechtigheden, dat is een zalige band, en God heeft er groot behagen in. — Joseph Caryl.

Vers 1

“Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het”, enzovoort. De woorden van deze lof en aanbeveling, of de onderdelen waaruit ze bestaat, komen voort uit een tweevoudige eigenschap.

  1. Broederlijke eendracht, en het ernaar handelen bij elke gelegenheid die zich voordoet, is een heel groot goed. Dat is zo, en dat zal blijken uit meerdere overwegingen die we nu nalopen.

Ten eerste, vanwege Hem Die er de Maker en Eigenaar van is: God Zelf. Hij eist haar op als de Zijne. Daarom vinden we in de Schrift dat Hij er Zijn naam en titel aan ontleent. 1 Kor. 14:33: “Want God is geen God van verwarring (of van rumoer), maar van vrede.” 2 Kor. 13:11: “De God der liefde en des vredes.” Vrede heet “de vrede Gods”: Fil. 4:7. En God heet de “God des vredes”. Elk van deze uitdrukkingen voert de vrede terug tot Hem en verheft haar daardoor. Kijk dus naar de mate waarin van God Zelf gezegd wordt dat Hij goed is. In die mate is ook dit samenwonen in eenheid goed, omdat Hij het gebiedt en als het Zijne erkent, zoals u ziet.

Ten tweede. Het is goed van aard, in zichzelf. Het is goed zoals elke genade van God goed is. Het is zedelijk goed. Liefde is een vrucht van de Geest: Gal. 5:22. Zo is samenwonen in liefde en eendracht een goedheid die daarbij hoort. Het is geestelijk goed. Het is niet alleen een goed zoals de zedenleer dat leert en haar leerlingen het beoefenen. Nee, de Heilige Geest Zelf leert het, en het hoort bij het werk van de wedergeboorte en van de nieuwe schepping in ons, zeker als we het in zijn volle breedte en omvang opvatten, zoals het ons past.

Ten derde. Het is ook goed in zijn gevolgen, resultaten en bijkomende verschijnselen. Het brengt veel goeds mee. Het is bonum utile. Het samenwonen van broeders in eendracht levert heel veel voordeel op, vooral geestelijk voordeel, voor het doen en het ontvangen van het goede.

  1. De tweede eigenschap is de zoetheid ervan, want ze is “liefelijk”. Ze is niet alleen bonum utile en bonum honestum, maar ook bonum jucundum: er zit veel genot in. Genot is een soort goed waar sommige mensen zo naar verlangen dat het hun bijna niet uitmaakt wat ze moeten doen of opgeven om het te krijgen. Al het andere goede betekent niets voor hen, als dit ontbreekt. Om deze broederlijke eenheid nog meer bij ons aan te bevelen, moeten we daarom ook bedenken dat ze “liefelijk” is. Dat geldt voor alle soorten mensen zonder uitzondering, wie het ook is die er iets van merkt.

Ten eerste. Ze is liefelijk voor God. Ze is Hem zeer welkom en welgevallig. Hij verheugt Zich er zeer in, overal waar Hij haar ziet. Hij is Zelf een God van vrede, dus Hij schept des te meer vreugde in vredelievende christenen en in wie met Hem verbonden zijn. Wat verheugen gewone, natuurlijke ouders zich over de eendracht van hun kinderen, als ze die liefdevol, vriendelijk, goed en hoffelijk tegenover elkaar zien! O, het doet hun goed en het maakt hen blij, tot diep in hun hart! Zo is het ook met God en hen die werkelijk de Zijnen zijn.

Ten tweede. Deze broederlijke eenheid is ook liefelijk voor onszelf. Wij zullen er dan ook des te meer genot van en door hebben. Ten derde. Ze is ook aangenaam voor anderen, ja voor alle andere mensen die erbij staan en ernaar kijken. “Ziet, hoe … liefelijk is het”, enzovoort. Het is aangenaam voor iedereen die het ziet: “Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen”, zegt de apostel: Rom. 14:18. — Thomas Horton, † 1673.

Vers 1

“Liefelijk.” Voor de heiligen en het volk van God is het een aangename zaak om met elkaar overeen te stemmen. Het woord dat hier voor “liefelijk” staat, wordt in het Hebreeuws ook gebruikt voor een muzikale harmonie. Denk aan de hoge tonen van de viool, wanneer alle snaren zijn afgestemd om één klank te vormen. Zo liefelijk is het, zo’n lieflijkheid zit er in de eensgezindheid van de heiligen. Hetzelfde Hebreeuwse woord gebruikt men ook voor de lieflijkheid van een korenveld. Is een veld bedekt met graan, dan is het zelfs als het afgemaaid is nog heel mooi, o, wat is het mooi!

Zo is ook de eensgezindheid van de heiligen. Bij de psalmist wordt datzelfde woord ook gebruikt voor de zoetheid van honing en van zoete dingen, tegenover bittere dingen. Zo ziet u nu hoe liefelijk ze is, omdat ze vergeleken wordt met de harmonie van muziek, met het korenveld, met de zoetheid van honing, met de kostbare olie die neerdaalde op Aärons baard, en met de dauw die op Hermon en op de heuvels van Sion viel. Dat alles is bedoeld om duidelijk te maken hoe lieflijk, nuttig en zoet de eensgezindheid van de heiligen is.

Het is prettig om naar de zon te kijken en haar te bewonderen, maar nog veel prettiger om te zien hoe de heiligen onder elkaar overeenstemmen en één zijn. — William Bridge.

Vers 1

“Broeders.” Abraham gebruikte deze naam “broeders” als middelaar om de vrede tussen Lot en hemzelf te bewaren. “Want wij zijn mannen broeders”, zegt Abraham. Het is alsof hij wil zeggen: moeten broeders ruziemaken om onbenullige zaken, zoals ongelovigen? Dat was genoeg om Lot tot bedaren te brengen: dat Abraham hem eraan herinnerde dat zij broers waren. Toen hij de naam broeders hoorde, gaf zijn hart direct toe en daarmee was de strijd voorbij. Zo moet dit de advocaat zijn die twisten tussen christenen beslecht: hen er steeds weer aan te herinneren dat ze broeders zijn. Velen die alles aan rechtszaken hebben uitgegeven, hadden wel gewild dat ze deze advocaat hadden genomen. Dan hadden ze met Lot overwogen of het broeders past als vijanden met elkaar te strijden. — Henry Smith.

Vers 1

“Broeders.” Sommige uitleggers zien dat het Hebreeuwse woord voor broer nauw verwant is aan twee andere woorden. Het eerste betekent “één”, het andere “gelijk” of “samen”. Daarmee wordt getoond dat “broeders” als één en gelijk, of samen, moeten zijn. Dat laatste is met een sierlijke woordspeling aan het woord verbonden: “Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen”, of, zoals wij het in de kantlijn zetten, “zelfs samen te wonen.” Het woord waarmee “broeders” wordt uitgedrukt, wijst er dus duidelijk op dat er nabijheid, overeenkomst, ja eenheid (als ik het zo mag zeggen) tussen hen hoort te zijn in wat ze voelen en doen. — Joseph Caryl.

Vers 1

“Wonen” is een woord voor verblijf, woonplaats en voortduren. Bij liefde en eendracht tussen broeders hoort ook dat ze volhouden en standvastig zijn. Niet alleen een tijdje samen zijn, nu en dan samenkomen of voor een bepaalde periode bijeenkomen, maar samenwonen in eendracht. Dat is wat hier zo geprezen en ons zo aanbevolen wordt. Het lijkt geen groot ding te zijn, en ook niet zo moeilijk, om jezelf een korte tijd te dwingen tot enige uitingen van vrede en vriendschap (al zijn er velen die dat zelfs af en toe nauwelijks kunnen).

Maar daarin volharden en het zo lang volhouden, dat doorzettingsvermogen kunnen ze haast niet opbrengen; het is voor hen bijna onmogelijk. Toch wordt precies dat van hen gevraagd als christenen en als “broeders” van elkaar: dat ze “ook samenwonen”, en vrede, liefde, eendracht en onderlinge overeenstemming najagen. Niet alleen bij een enkele gelegenheid of bijeenkomst, maar heel hun leven lang, van begin tot einde, zolang ze met elkaar omgaan en samenleven. — Thomas Horton.

Vers 1

“Dat broeders ook samenwonen.” Is er maar één God? Laten dan, zoals God één is, ook allen die Hem dienen één zijn. Daar bad Christus zo innig en hartelijk voor ons om: “Opdat zij allen één zijn”: Joh. 17:21. Christenen moeten één zijn, 1. In oordeel. De apostel spoort aan om allen eensgezind te zijn: 1 Kor. 1:10. Wat is het droevig om te moeten zien dat de godsdienst een rok van vele kleuren draagt, dat christenen zoveel meningen hebben en zoveel verschillende wegen gaan! Het is Satan die dit onkruid van verdeeldheid heeft gezaaid: Matth. 13:39.

Eerst verdeelde hij de mensen van God, en daarna de ene mens van de andere. 2. Eén in genegenheid. Ze moeten één hart hebben. “En de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel”: Hand. 4:32. In de muziek vormen de verschillende snaren van een viool samen toch één zoete harmonie. Zo moet er ook onder de verschillende christenen één zoete harmonie van genegenheid zijn. Er is maar één God, en wie Hem dienen, moeten één zijn. Niets zou de ware godsdienst aantrekkelijker maken of haar meer volgelingen opleveren dan wanneer men ziet dat wie haar belijden, door de snaren van het hart, de liefde, aan elkaar verbonden zijn.

Als God één is, laat dan iedereen die Hem belijdt één van zin en één van hart zijn. Zo vervullen ze het gebed van Christus: “opdat zij allen één zijn.” — Thomas Watson.

Vers 2

“Kostelijke olie op het hoofd.” Elke priester werd wel gezalfd, maar alleen de hogepriester werd op het hoofd gezalfd. Er bestaat een overlevering dat deze rite na de Ballingschap werd weggelaten. Daardoor ligt er een bijzondere nadruk op de naam Aäron. — Neale en Littledale.

Vers 2

“Gelijk de kostelijke olie … nederdalende op den baard … die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.” Koninklijke mildheid noemen vrekken ten onrechte verkwisting en verspilling. Toch hoort ze onveranderlijk bij alle ware liefde. Dat zag David, toen hij de rijke zalving van Aäron met wijdingsolie, bij zijn aanstelling tot hogepriester, uitkoos als treffend beeld van broederliefde. Er was ook verspilling in die zalving, net zoals bij de zalving in Bethanië. De olie werd namelijk niet maar spaarzaam op het hoofd van Aäron gesprenkeld, hoewel dat voor een gewone ceremonie genoeg had kunnen zijn.

Het hele vat werd over de hogepriester heen leeggegoten. De inhoud liep van zijn hoofd over de baard naar beneden en reikte zelfs tot aan de zoom van het priesterkleed. Precies in die verspilling lag voor David het punt van overeenkomst. Dat trok vermoedelijk zijn aandacht, want ook hij was op zijn manier een verkwister. Hij had God liefgehad op een wijze die hem blootstelde aan de beschuldiging van overdrijving. Zo danste hij bijvoorbeeld voor het aangezicht van de Heere, toen de ark uit het huis van Obed-Edom naar Jeruzalem werd opgebracht. Hij vergat zijn waardigheid, overschreed de grenzen van het betamelijke en leek zich zonder enige reden zo te gedragen, want een veel soberder betoon had voor een godsdienstige plechtigheid ook voldoende kunnen zijn. — Alexander Balmain Bruce, in “The Training of the Twelve,” 1877.

Vers 2

“Gelijk de kostelijke olie … nederdalende.” Bij de Hebreeën werd elk jaar een enorme hoeveelheid reukwerk gemaakt en gebruikt. Dat blijkt heel duidelijk hieruit: de heilige zalfolie van de tabernakel en de tempel werd nooit in kleinere hoeveelheden bereid dan 750 ounces vaste stoffen, gemengd met vijf quarts olie. En ze werd zo kwistig gebruikt dat ze, toen ze op Aärons hoofd werd aangebracht, over zijn baard en borst stroomde, tot aan de zoom van zijn kleding. — Hugh Macmillan, in “The Ministry of Nature,” 1871.

Vers 2

“Nederdalende … die nederdaalt”, enzovoort. De genade van Christus is zo gul in het uitdelen van zichzelf, dat ze heiligheid aan ons doorgeeft, “nederdalende … tot op den zoom”, tot al Zijn leden. Hij is niet alleen Zelf gezalfd, maar ook Degene Die ons zalft. Daarom heet ze “vreugdeolie”: ze verblijdt onze harten doordat ze ons geestelijke blijdschap en gewetensvrede geeft. — Thomas Adams.

Vers 2

“Nederdalende op den baard, den baard van Aäron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.” Met de zoom wordt niet de allerlaatste rand bedoeld, zoals onze vertaling wil. Zoveel olie werd er immers niet over hem uitgegoten, en het zou ook niet betamelijk zijn geweest zijn kleren van boven tot onder zo vet te maken. Volgens Zarchi gaat het om het bovenste deel van zijn gewaad, de bovenkant van zijn mantel, waar de baard op rustte. Kimchi en Ben Melech zeggen: de hals of kraag ervan. Dat was de opening waar het hoofd doorheen ging als het gewaad werd aangetrokken, met een boord eromheen, zodat het niet kon scheuren: Ex. 28:32; 39:23. Op die plaatsen heeft de Septuaginta hetzelfde woord als hier. — John Gill.

Verzen 2-3

Dit gebed en lied over de eenheid van de gemeente is opmerkelijk. We beginnen met het grondidee “broeders” en komen zo tot het besef van de Oudste Broeder, onze gemeenschappelijke gezalfde Hogepriester. Zijn priesterschap is de band die ons als broeders samenbindt. Wat ons als broeders kenmerkt, is de zalving die we delen en die helemaal tot de zoom van het kleed van onze Hogepriester naar beneden stroomt. Of we nu in het noorden of in het zuiden wonen, we komen samen in Sion en delen in de zegeningen van dat eeuwige Priesterschap van Christus.

In werkelijkheid en voor onze Vader vormen we maar één gezin: “al het geslacht in de hemelen en op de aarde.” Onze echte band van eenheid ligt in het “neerstromen”, het “nederdalen” of “afdalen” van de gemeenschappelijke zegen. Dat markeert de treden in deze Psalm van de Opgangen (Ps. 133:2-3). En als “de dauw van Hermon” is neergedaald op “de bergen van Sion”, dan zal er lang nadat de zon is opgegaan vrolijke vrucht verschijnen: bij sommigen twintig-, bij sommigen dertig- en bij sommigen honderdvoud. — Alfred Edersheim.

Vers 3

“Het is gelijk de dauw van Hermon”, enzovoort.

Van de Velde schrijft in zijn “Travels” (dl. 1, blz. 97): “Psalm 133 spreekt van de dauw van Hermon die nederdaalt op de bergen van Sion. Nu begrijp ik die woorden volkomen. Toen ik hier aan de voet van de Hermon zat, begreep ik hoe het gaat. De waterdruppels stijgen op van de bosrijke hoogten en uit de hoogste kloven, die het hele jaar vol sneeuw liggen. De zonnestralen maken ze ijl en vullen er de lucht mee met vocht. Tegen de avond dalen ze dan als zware dauw neer op de lagere bergen die rondom als uitlopers liggen. Wie dit beeld goed wil begrijpen, moet de Hermon gezien hebben, met zijn witgouden kroon die hoog in de blauwe lucht glinstert. In geen enkel ander deel van het land valt zulke zware dauw als in de streek rond de Hermon.”

Met deze dauw vergelijkt de dichter broederliefde. Ze is “gelijk de dauw van Hermon”: zo oorspronkelijk fris en daardoor verfrissend, zo oorspronkelijk krachtig en daardoor levend makend, zo van boven geboren (Ps. 110:3), en wel als de dauw van Hermon die neerkomt op de bergen van Sion. Dat is een trek in het beeld die aan de natuurlijke werkelijkheid is ontleend. Een overvloedige dauw zou namelijk, als er warme dagen aan voorafgingen, door de koude luchtstroom die vanuit het noorden over de Hermon naar beneden strijkt, heel goed naar Jeruzalem kunnen worden gevoerd. Uit eigen ervaring weten we hoe ver koude lucht uit de Alpen voelbaar is en wat ze doet. Het beeld van de dichter klopt dus met de natuur en is tegelijk mooi.

Komen broeders die door liefde verbonden zijn ook op één plaats samen, en wel wanneer bij de feesten broeders uit het noorden zich in Jeruzalem met broeders uit het zuiden verenigen, in de stad die de moeder van allen is? Dan is het alsof de dauw van de berg Hermon, die met diepe en bijna eeuwige sneeuw bedekt is, neerdaalt op de kale en onvruchtbare bergen rondom Sion, die daarom naar zo’n verkwikking smachten. In Jeruzalem moeten liefde en alles wat goed is elkaar ontmoeten. — Franz Delitzsch.

Vers 3

“Het is gelijk de dauw van Hermon”, enzovoort. Over dit beeld denk ik dat de profeet gewoon spreekt zoals mensen dat doen. Wie bergen van verre bekijkt, krijgt vaak de indruk dat ze tot in de hemel reiken. Daarom lijkt het alsof de dauw die uit de hemel komt vanaf de hoge bergen op de heuvels eronder valt. Daarom zegt hij dat de dauw van de Hermon op de berg Sion neerdaalt. Zo ziet het eruit voor wie van een afstand kijkt. — Maarten Luther.

Vers 3

“Het is gelijk de dauw van Hermon.” Nevels stegen op uit de waterrijke kloven en wolken rustten op de top van de Hermon. De dauw daarvan bleef altijd getuigen van frisheid en koelte. Het leken wel de bronnen van al het vocht in het land Palestina. Dat vocht was voor het land wat de geurige olie was voor de kleren van de hogepriester, en wat de invloed van broederliefde was voor de hele gemeenschap. — Arthur Penrhyn Stanley (1815-1881), in “Sinai and Palestine.”

Vers 3

“Dauw van Hermon.” In Rasheia merkten we duidelijk hoe overvloedig de “dauw van Hermon” is, waarover Ps. 133:3 spreekt. “Sion” is daar maar een andere naam voor dezelfde berg. De meeste andere bergen rijzen geleidelijk op uit hoge plateaus, vaak ver van de zee. De Hermon begint daarentegen meteen en stijgt tot bijna tienduizend voet, vanaf een vlakte die nauwelijks boven zeeniveau ligt. Die vlakte is bovendien, met de bovenste Jordaanvallei en de moerassen van Merom, grotendeels een ondoordringbaar moeras van onbekende diepte. Daaruit stijgt overdag onder de stralen van een bijna tropische zon voortdurend damp op naar de hogere atmosfeer.

Raakt die damp de besneeuwde hellingen van de berg, dan koelt ze snel af en komt ze ’s avonds omlaag als dauw. Zoveel dauw hadden wij nog nooit meegemaakt. Hij drong overal in en doordrenkte alles. Onze tent had een doorweekte vloer, ons bed lag vol dauw, uit onze geweren droop het water en overal hingen druppels. Geen wonder dat aan de voet van de Hermon boomgaarden en tuinen liggen die zo wonderbaarlijk vruchtbaar zijn, in een land waar het zo vaak droog is. — Henry Baker Tristram, 1867.

Vers 3

“Gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion.”

Zo valt op Hermons heuvelrij
de dauw die zomerwolken geven;
hij zweeft bij nacht naar het zuiden
en strooit op Sion zijn parels uit.

— William Digby Seymour.

Vers 3

“Want de HEERE gebiedt aldaar den zegen.” Waar men de vrede betracht, gebiedt God Zijn zegen. Daarmee wordt bedoeld dat Hij laat zien hoe blij Hij is met eendracht onder de mensen, doordat Hij zegeningen over hen laat regenen. Paulus drukt dezelfde gedachte in andere woorden uit (2 Kor. 13:11; Fil. 4:9): “Leeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.” — Johannes Calvijn.

Vers 3

“De HEERE gebiedt aldaar den zegen.” Met één enkel bevelswoord zegent Hij: “aldaar gebiedt Hij den zegen”, die zegen boven alle zegeningen, “het leven tot in der eeuwigheid”. Zoals er staat: “Als Hij het beval, zo werden zij geschapen”: Ps. 148:5. Zo “gebiedt Hij, en wij worden gezegend.” — Thomas Goodwin.

Vers 3

“De HEERE gebiedt aldaar den zegen.” Mogelijk is dit een toespeling op grote personen, op een veldheer of een keizer: “Waar het woord des konings is, daar is heerschappij.” De hoofdman zei het zo: “Ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.” Zo zegt God tegen een van Zijn verordeningen: “Ga en bouw die heilige op”, en ze gaat. Tegen een andere zegt Hij: “Kom en roep die zondaar naar huis”, en ze doet het.

Gods woord en werk gaan samen. Mensen kunnen anderen niet in staat stellen te gehoorzamen en geven hun daar ook geen kracht toe. Ze kunnen een kreupele bevelen te lopen of een blinde te zien, maar ze kunnen hem dat niet laten doen. Maar God schenkt met Zijn woord wel de kracht om uit te voeren wat Hij beveelt. Zo is het in de oude schepping en zo ook in de nieuwe: “Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er”: Ps. 33:9. Maar op die plaats gebiedt de Heere Zijn zegen, namelijk “het leven tot in der eeuwigheid.” Daarmee wordt de stroom van de wedergeboorte bedoeld, een geestelijk leven dat nooit ophoudt, maar steeds verder gaat en groeit tot het is aangezwollen en wordt opgenomen in de oceaan van het eeuwige leven: “het leven tot in der eeuwigheid.” — George Swinnock.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1

Christelijke eenheid.

  1. Haar bewonderenswaardige voortreffelijkheden.
  2. De tekenen dat ze bestaat.
  3. De oorzaken van haar verval.
  4. De middelen om haar te vernieuwen.

Vers 1

De heiligen worden hier bekeken, 1. In hun broederschap.

  1. In hun eendracht.
  2. In hun geluk. — W. J.

Verzen 1-3

Zes zegeningen die samengaan met eenheid.

  1. Goedheid.
  2. Genoegen.
  3. Zalving.
  4. Dauw.
  5. Gods zegen.
  6. Eeuwig leven.

Verzen 1-3

  1. Het tafereel: broeders die in eendracht samenwonen. (a) In een gezin.

(b) In een christelijke gemeente.

(c) Broeders van dezelfde gezindte.

(d) Van verschillende gezindten.

  1. De aanbeveling ervan.

(a) Letterlijk: “goed en … liefelijk.”

(b) Figuurlijk: geurig als de priesterlijke zalving, vruchtbaar als de dauw op Hermon.

(c) In geestelijk opzicht rust er Gods zegen op, een zegen die leven schenkt en eeuwig blijft bestaan! — G. R.

Verzen 1-3

Over christenen die als gemeente in eendracht samenwonen. 1. Het past hen, vanwege de verwantschap als broeders: “Dat broeders.” De christelijke broederschap is zo uniek, heilig en blijvend dat gebrek aan eenheid een schande is. Ze zijn broeders, a) omdat ze uit God geboren zijn, Die “de God des vredes” is. Of ze werkelijk bij de broederschap horen, blijkt uit hoe ze op Hem lijken: Matth. 5:9.

b) Omdat ze met Christus verbonden zijn, Die als Oudste Broeder eenheid wil. Als je die niet zoekt, verloochen je Hem in feite: Joh. 17:20-21.

c) Omdat “ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt” (1 Kor. 12:13). In dat lichaam moet de eenheid bewaard blijven: Ef. 4:3.

d) Omdat ze bestemd zijn om voor eeuwig in de hemel te “samenwonen”. Daarom moeten we dat hier al nastreven.

  1. De bijzondere voortreffelijkheid ervan: ze is zowel “goed” als “liefelijk.”

a) Goed: voor het werk en de uitstraling van de gemeente, voor onderlinge opbouw en groei in genade (2 Kor. 13:11), voor het welslagen van het gebed (Matth. 18:19) en om het evangelie bij anderen aan te bevelen.

b) Liefelijk, omdat ze geluk voortbrengt en God behaagt.

  1. Hoe we haar bevorderen en bewaren.

a) Wie Gods eer zoekt, wordt één. Wie zichzelf eer wil geven, raakt verdeeld.

b) Liefde tot Christus werkt als een dwingende kracht. Ze verbindt ieder met de ander, doordat ze allen dicht aan Christus bindt.

c) Wie liever anderen dient dan zelf gediend wil worden, bindt hart aan hart. — J. F.

Vers 2

Er moeten bijzondere redenen zijn geweest om een priesterlijke zalving voor de vergelijking te kiezen, en om die van Aäron te nemen en niet die van een andere hogepriester. Het zijn deze: 1. De olie was “heilig” en werd gemaakt zoals God het had voorgeschreven: Ex. 30:23-25. Eenheid in de gemeente is heilig. Ze moet voortkomen uit de liefde die God gebiedt, gegrond zijn op de beginselen die God heeft gegeven en bestaan voor de doelen die God heeft gesteld.

  1. God Zelf zalfde, door middel van Mozes, die in deze zaak in Gods naam handelde. Eenheid in de gemeente komt van de Heilige Geest (2 Kor. 13:13), door Jezus als Middelaar. Daarom moeten we erom bidden en haar dankbaar erkennen.
  2. Door de zalving werd Aäron gewijd en kreeg hij officieel de bevoegdheid om als priester te dienen. Wanneer er eenheid is, leeft de Kerk als geheel een gewijd leven en vervult ze met kracht het priesterschap dat haar is toevertrouwd.
  3. De olie verspreidde zich. Ze bleef niet op Aärons hoofd liggen, maar stroomde tot aan de zoom van zijn kleren. Zo gaat ook eenheid na verloop van tijd van enkelen op allen over, vooral van wie in een gemeente leiding geeft op de overige leden. Daarom is het een persoonlijke zaak. Ieder van ons moet dat beseffen en de eenheid met liefde en verstandig gedrag doorgeven. — J. F.

Verzen 2-3

Christelijke liefde strooit zegen uit door naar beneden te komen: “nederdalende”, “die nederdaalt.”

  1. God aan Zijn heiligen.
  2. Heilige aan heilige.
  3. Heilige aan zondaar.

Vers 3

De uitgekozen plaats voor zegen. Een gemeente, een gemeente die één is, een gemeente met de dauw van de Geest. Wat is het een zegen voor de wereld dat er een plek bestaat waar de zegen wordt geboden!

Vers 3 (eerste zinsdeel)

De juiste vertaling van dit zinsdeel is: “Gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion.” De zon trekt vocht op uit de sneeuw op de hoge Hermon. De wind voert het als damp mee naar de lagere hoogten van Sion, waar het als overvloedige dauw neervalt. Dat laat zien hoe christelijke eendracht in de gemeenschap van de gemeente werkt: 1. Ze kijkt niet neer op de kleinen, dat wil zeggen op de eenvoudigen, de armen en de minder begaafden. Ze a) erkent dat God ieders Vader is en Christus de Verlosser van alle gelovigen, zonder onderscheid.

b) Voor haar is één geloof de echte basis van gemeenschap. Rijkdom, maatschappelijke positie of talent zijn dat niet.

c) Ze gelooft dat zelfs het kleinste lid nodig is, wil het lichaam van Christus compleet zijn.

d) Ze beseft dat alles wat iemand ook maar iets boven een ander uit laat steken, een gave van God is.

  1. Ze deelt uit haar overvloed aan wie het nodig hebben: Hand. 4:32-37.

a) De rijken aan de armen: 1 Joh. 3:17.

b) De geleerden aan de onwetenden.

c) De blijden aan de bedroefden.

d) De standvastigen aan wie dwalen: Jak. 5:19.

  1. Ze laat haar waarde meer zien door liefdevolle gulheid dan door uiterlijke praal voor de wereld. Zo was de Hermon voor Sion kostbaarder door zijn dauw dan als sieraad van het landschap. a) Gulle dienstbaarheid laat meer echte genade zien, en vraagt er ook meer van, dan opzichtige architectuur of sierlijke eredienst.

b) Hierdoor bloeit het godvruchtige leven meer op dan door pronken met fatsoen. De dauw maakte Sion vruchtbaar, de grootsheid van de Hermon deed dat niet.

c) Zo wordt het hart van Christus bewogen en ontvang je zeker Zijn loon: Mark. 9:40,42. — J. F.

Vers 3

Geboden barmhartigheid. Op andere plaatsen krijgt men goedheid, maar in Sion wordt ze geboden.

  1. Geboden barmhartigheid wordt noodzakelijk gegeven.
  2. Geboden barmhartigheid gaat samen met geboden eenheid.
  3. Geboden barmhartigheid brengt ons een rijker leven, “het leven tot in der eeuwigheid.” — W. B. H.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas