Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 126 — Treasury of David

54 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Een Lied van de Opgangen. Dit is de zevende trede. Je mag hier dus een bijzonder volmaakte vreugde verwachten, en die vind je ook. Sion blijft niet alleen bestaan; haar vreugde komt ook terug na het verdriet. Blijven bestaan is niet genoeg: er komt vruchtbaarheid bij. Al zingend gingen de pelgrims op hun heilige tocht van zegen naar zegen. Wat een gelukkig volk! Elke klim was voor hen een lied en elke rustplaats een lofzang. Wie hier eerst vertrouwde, is nu een zaaier geworden. Het geloof werkt door de liefde, ontvangt nu al een stuk zaligheid en zorgt voor een oogst van blijdschap.

Niets in deze psalm maakt het mogelijk om te zeggen wanneer ze ontstond. We weten alleen dit: het is een lied na een grote bevrijding uit onderdrukking. Bij het keren van de gevangenschap hoeven we niet per se aan een echte wegvoering naar een ver land te denken. Elke verschrikkelijke ellende of verpletterende tirannie waaruit je gered wordt, kun je terecht “een gekeerde gevangenschap” noemen. Dat het hier om gevangenen in Babel gaat, past trouwens niet bij de tekst. Het is namelijk Sion zélf dat gevangen zit, en niet slechts een deel van haar inwoners. De heilige stad leefde in droefheid en nood. Verplaatst kon ze niet worden, maar haar welvaart kon wel afnemen. Een donkere wolk hing boven de geliefde hoofdstad, en haar burgers baden: “O HEERE! wend onze gevangenis.”

Deze psalm staat op de goede plaats en sluit prachtig aan bij de vorige. Daar lazen we in Ps. 125:3 dat de roede van de goddelozen niet zal blijven rusten op het lot van de rechtvaardigen. Hier zien we hoe die roede van hen is weggenomen, en wat een vreugde dat geeft! Het woord “keren” klinkt als de grondtoon van het hele lied. Dit is een psalm over bekering: bekering uit gevangenschap. We kunnen hem goed zingen om de verrukking van een vergeven ziel te laten horen, nu de toorn van de Heere van haar is afgewend. Wij geven hem de naam: “De gevangenschap gevangen genomen.”

Indeling

De psalm bestaat uit een verhaal (Ps. 126:1-2), een lied (Ps. 126:3), een gebed (Ps. 126:4) en een belofte (Ps. 126:5-6).

Uitleg

Vers 1

“Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.” De vrome pelgrims zitten in nood. Tot hun troost denken ze terug aan tijden van rampspoed voor het hele volk, waarop opmerkelijke verlossingen volgden. Toen verdween het verdriet als een droom. En de vreugde daarna was zo groot dat ze te mooi leek om waar te zijn. Ze waren bang dat het maar een beeld was uit een ijdel hoofd. Hun blijdschap kwam zo plotseling en was zo overweldigend dat ze zich voelden alsof ze buiten zichzelf waren: in vervoering, als in trance.

De gevangenschap was groot geweest. Groot was ook de bevrijding, want de grote God Zelf had haar bewerkt. Het leek te mooi om echt te zijn. Ieder zei tegen zichzelf: “Is dit een droom? O, als het een droom is, laat mij dan doorslapen en wek mij nog niet.”

De Heere had in Zijn genade niet één mens bevrijd, maar heel Sion, het hele volk, zonder iemand over te slaan. Dat was al reden genoeg voor overstromende, uitbundige blijdschap. We hoeven hier geen voorbeelden uit de geschiedenis van het letterlijke Israël bij te halen. Maar het is goed om te bedenken hoe vaak dit vers ook voor onszelf waar is geweest. Kijk eens terug naar de gevangenissen waaruit we vrijgekomen zijn. Ach, wat zijn we gevangenen geweest! Toen we voor het eerst tot bekering kwamen, maakten we mee hoe een gevangenschap keert. Dat uur vergeten we nooit. Vreugde! Vreugde! Vreugde! Sindsdien zijn we bevrijd uit allerlei moeiten, uit zware neerslachtigheid, uit ellendige terugval en uit pijnlijke twijfel. En de zaligheid die bij elke bevrijding hoorde, kunnen we niet beschrijven.

“Toen God Zijn Naam in gunst bekendmaakte
en onze droeve staat veranderde,
leek onze vreugde wel een zoete droom,
zo groot scheen ons de genade.”

Dit vers vindt een hogere vervulling op de dag dat de machten van de duisternis voorgoed ten onder gaan. Dan komt de Heere tevoorschijn om Zijn verlosten te redden en te verheerlijken. Dan geldt, nog vollediger dan met Pinksteren: onze oude mannen zullen gezichten zien en onze jonge mannen zullen dromen dromen. Alles wordt zó wonderlijk en gaat zó ver boven elke verwachting uit, dat wie het ziet zich afvraagt of het geen droom is. Het verleden wijst ons zeker de weg naar de toekomst. Wat geweest is, komt weer terug. Telkens opnieuw zullen we ervan versteld staan hoe wonderbaar goed de Heere is.

Laten onze harten dankbaar terugdenken aan Zijn eerdere liefdevolle goedheid. We zaten diep in het dal, in grote benauwdheid en zonder een sprankje hoop. Maar toen Jehova verscheen, haalde Hij ons niet alleen uit de moedeloosheid omhoog. Hij verhief ons tot een geluk waar we ons over verbaasden. De Heere, Die als Enige onze gevangenschap doet keren, doet nooit iets half. Wie Hij van de hel redt, brengt Hij tot in de hemel. Hij maakt van ballingschap een verrukking en van verbanning een zaligheid.

Vers 2

“Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich.” Ze zaten zo boordevol vreugde dat ze zich niet meer konden inhouden. Hun blijdschap móést eruit, en toch vonden ze er geen woorden voor. Een uitgelaten vrolijkheid die je niet kunt tegenhouden, doet niets anders dan lachen. Praten was daarvoor veel te saai. De barmhartigheid kwam zo onverwacht, was zo verbijsterend en zo bijzonder, dat ze niet anders konden dan lachen. En ze lachten veel! Hun mond was er vol van, omdat hun hart er ook vol van was. Toen de tong eindelijk weer verstaanbare woorden kon vormen, bleef ze niet hangen bij gewoon praten. Ze móést zingen, en wel uit volle borst, want ze zat vol zang.

Het verdriet van eerder maakte het genot ongetwijfeld nog groter. Door de gevangenschap kreeg de bevrijding een helderder kleur. Dit volk herinnerde zich die vloed van vreugde nog jaren later, en hier staat het verslag ervan, omgezet in een lied. Let op het “als” en het “toen”. Gods “als” is ons “toen”. Op het ogenblik dat Hij onze gevangenschap doet keren, draait ook ons hart zich van zijn verdriet weg. Vult Hij ons met genade, dan zijn wij vol dankbaarheid. We werden als dromenden, maar we lachten en zongen in onze slaap.

Nu zijn we klaarwakker. De zegen kunnen we nog nauwelijks bevatten, maar we verheugen ons er buitengewoon in. “Toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.” De heidenen hoorden de liederen van Israël, en de betere onder hen vermoedden al snel waar al die vreugde vandaan kwam. Het was bekend dat Jehova hun God was. De andere volken schreven de bevrijding van Zijn volk aan Hém toe. Wat de Heere zo gedaan had, was in hun ogen geen kleinigheid. Want zij die volken wegvoerden, hadden nooit eerder een volk teruggebracht naar zijn oude woonplaats.

Deze buitenstaanders dromen niet. Ze keken alleen toe en kregen zelf geen deel aan de verrassende barmhartigheid. Toch zagen ze duidelijk wat er gebeurd was, en ze schreven het terecht toe aan de grote Gever van al het goede. Het is een zegen als heiligen zondaren aan het praten krijgen over Gods liefdevolle goedheid. Even gezegend is het wanneer verborgen heiligen in de wereld horen wat de Heere voor Zijn gemeente heeft gedaan, en dan zelf besluiten uit hun gevangenschap te komen om zich bij het volk van de Heere te voegen. Ach, beste lezer, Jehova heeft voor Zijn uitverkorenen werkelijk wonderen gedaan. Die “grote dingen” zullen het onderwerp zijn van eeuwige lof, bij alle verstandige schepselen.

Vers 3

“De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd.” Ze ontkenden niets van wat Jehova zoveel eer gaf. Juichend gaven ze toe en herhaalden ze hoe opmerkelijk Jehova met hen had gehandeld. Die blijde uitspraak namen ze voor zichzelf: “De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan”, zeiden ze, en ze lieten openlijk merken hoe blij ze daarmee waren. Een bescheidenheid die zich schaamt voor haar vreugde in de Heere is armzalig. Zeg liever dat ze God besteelt. Er is zo weinig echt geluk op de wereld. Heb je er zelf een flinke portie van, steek je licht dan niet onder een korenmaat, maar laat het schijnen voor allen die in het huis zijn.

Laten we onze vreugde openlijk belijden, samen met de reden ervan. Noem dus naast het feit ook het “waarom”. Niemand is zo gelukkig als wie zojuist uit de gevangenschap is teruggekomen en weer thuis is. Niemand weet sneller en overtuigender uit te leggen waarom hij zo blij is. De Heere Zelf heeft ons gezegend. Rijk gezegend, persoonlijk gezegend, zeker gezegend. Daarom zingen we tot Zijn Naam. Pas geleden hoorde ik iemand bidden: “waarover wij verlangen verblijd te zijn.” Wat een vreemde verwatering en aantasting van bijbelse taal! Heeft God grote dingen bij ons gedaan, dan zijn we zeker verblijd en kunnen we niet anders. Zulke woorden zijn ongetwijfeld nederig bedoeld, dat geloof ik graag. In werkelijkheid zijn ze weerzinwekkend.

Vers 4

“O HEERE! wend onze gevangenis …” Ze denken aan de vroegere vreugde over een eerdere redding. Daarom roepen ze tot Jehova dat Hij het nog eens doet. Wie bidt om het keren van zijn gevangenschap, doet er verstandig aan eerdere voorbeelden terug te halen. Niets sterkt het geloof zo effectief als de herinnering aan iets wat we al eerder hebben ervaren. “De HEERE heeft … gedaan” past mooi bij het gebed “wend onze gevangenis.” De tekst laat zien hoe verstandig het is om telkens weer bij de Heere aan te kloppen, Die in vroeger tijden zo goed voor ons is geweest. Waar zouden we anders naartoe moeten dan naar Hem, Die zulke grote dingen voor ons deed? Wie kan onze gevangenschap nog eens doen keren behalve Hij Die haar eerder deed keren? “Gelijk waterstromen in het zuiden.” Na lange droogte laat de Heere vloeden stromen over de uitgedroogde bedding van zuidelijke beken. Zo kan Hij ook onze verwoeste en uitgeputte geesten vullen met vloeden van heilige vreugde.

Dat kan de Heere voor ieder van ons doen, en wel meteen, want niets is voor de Heere te wonderlijk. Het is goed dat we zo bidden en onze zaak voorleggen aan Hem, Die ons veel meer kan zegenen dan we bidden of denken. Laten we het verleden niet vergeten. Maar laten we juist nu, met de moeite waar we mee zitten, naar de Heere gaan en Hem smeken te doen wat wij zelf onmogelijk kunnen: wat geen andere macht voor ons kan doen. Israël keerde werkelijk terug uit de gevangenschap in Babel. Het was alsof een vloed van mensen naar Sion snelde.

Plotseling en in overvloed vulden de mensen opnieuw de voorhoven van de tempel. In de laatste dagen keren ze ook in stromen terug naar hun eigen land, en bevolken ze het nog eens. Als machtige bergstromen zullen de volken naar de Heere vloeien op de dag van Zijn genade. Moge de Heere dat op Zijn tijd versnellen.

Vers 5

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.” Hieruit leren we dat we onze huidige nood niet moeten bekijken alsof hij eeuwig duurt. Hij is helemaal niet het einde. Hij is slechts een middel om het einde te bereiken. Verdriet is ons zaaien en jubel wordt ons maaien. Zonder zaaien met tranen zou er ook geen maaien met vreugde zijn. Als we nooit gevangen hadden gezeten, zouden we de gevangenschap nooit gevangen kunnen nemen. Onze mond zou nooit vol zijn geweest van heilig lachen als hij niet eerst vol was geweest van de bitterheid van het leed.

Zaaien moeten we. Soms zullen we moeten zaaien in het natte weer van het verdriet. Maar maaien zullen we, en wel in het stralende zomerseizoen van de vreugde. Laten we dus doorgaan met het werk van deze zaaitijd, en kracht putten uit de belofte die ons hier zo beslist wordt gegeven. Hier staat weer een van de “zullen” en “zal” van de Heere, onze trouwe God. Hij geeft die belofte royaal aan werkers, aan wachters en aan wenenden. Ze mogen er zeker van zijn dat ze niet zal falen: “te zijner tijd zullen wij maaien.” Deze zin mag in de gemeente gerust als een door God ingegeven spreekwoord gelden.

Niet elk zaaien is zo beschermd tegen elk gevaar en gegarandeerd van een oogst. Maar deze belofte hoort in het bijzonder bij het zaaien met tranen. Als iemands hart zo geraakt is dat hij huilt over de zonden van anderen, dan is hij uitgekozen om nuttig te zijn. Wie zielen wint, heeft eerst om zielen gehuild. Zonder barensnood geen geboorte, en zonder pijnlijk ploegwerk geen geestelijke oogst. Als ons eigen hart breekt van verdriet over wat mensen verkeerd doen, zullen wij andermans harten breken. Tranen van ernst wekken tranen van berouw: “De afgrond roept tot den afgrond.”

Vers 6

“Die het zaad draagt.” De algemene belofte wordt nu op ieder afzonderlijk toegepast. Wat in het vorige vers in het meervoud stond, “die … zaaien”, wordt hier herhaald in het enkelvoud: “zal hij.” “Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.” Hij staat op uit zijn bed om de ijskoude lucht in te gaan en over de zware grond te lopen. Onderweg huilt hij: om eerdere mislukkingen, om de dorre akker, om het weer dat niet meewerkt, om zijn schaarse koren, of om zijn vijanden. Die zijn talrijk en zijn er zó op uit hem zijn beloning te ontnemen.

Hij laat een zaadje vallen en een traan, een zaadje en een traan, en zo loopt hij verder. Het zaad in zijn mand is hem kostbaar. Hij heeft er weinig van, en het is zijn hoop voor het volgende jaar. Elke korrel verlaat zijn hand met een angstig gebed dat hij niet verloren mag gaan. Aan zichzelf denkt hij nauwelijks, aan zijn zaad des te meer. Hij vraagt vol verlangen: “Zal het opkomen? Krijg ik loon voor mijn werk?” Ja, goede boer, je zult voorzeker schoven binnenhalen van wat je zaaide. De Heere heeft er “voorzeker” bij geschreven.

Pas dus op dat je niet twijfelt! Als de Heere gesproken heeft, is er geen enkele reden tot twijfel meer. Je komt terug op dit veld, maar niet om te zaaien: om te maaien. Niet om te huilen: om te juichen. Even later ga je weer naar huis, met een lichtere stap dan vandaag, al is je last zwaarder. Want je draagt schoven mee! Je handjevol wordt zó sterk en zó rijk vermenigvuldigd dat er veel schoven uit opschieten. En je mag ze zelf oogsten en thuisbrengen, naar de plek waar je huilend vandaan ging.

Dit is een beeldende beschrijving van wat de eerste drie verzen letterlijk beschreven. Het is het keren van de gevangenschap van de werker. In plaats van zaad dat onder zwarte aarde ligt, ziet hij nu het golvende graan dat hem uitnodigt tot een gouden oogst. Het is wel opvallend dat deze belofte van vruchtbaarheid zo vlak bij de terugkeer uit de gevangenschap staat. Toch klopt het met onze eigen ervaring: als onze eigen ziel nieuw leven krijgt, worden de zielen van anderen gezegend door ons werk. Wie van ons eens eenzaam en aarzelend gevangen zat, nu thuis is gekomen en verlangend en hard werkend zaait: moge de Heere, Die ons al bevrijd heeft, ons snel veranderen in blije maaiers. En aan Hem zij de lof, tot in alle eeuwigheid. Amen.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Augustinus verstaat de titel “Een lied Hammaaloth” (Engels: “A Song of degrees”, een lied van de opgangen), dus “een lied van omhoogtrekken”, als het opgaan naar het hemelse Jeruzalem. En terecht. Wie van de gevangenschap van zonde en dood is verlost, moet immers in steeds sterkere mate dezelfde dankbaarheid voelen die Israël moet hebben gevoeld toen het uit zijn lichamelijke gevangenschap kwam. Ook in dit opzicht blijkt dus dat de geschiedenis van het zichtbare koninkrijk van God een afbeelding vooruit is van de geschiedenis van de gemeente. — Augustus F. Tholuck, 1856.

Gehele psalm

Bekeken met christelijke ogen geeft de psalm de zevende van de “trappen” weer op onze weg omhoog naar het Jeruzalem dat boven is. Het is het jubelen van de christen omdat hij is bevrijd uit de geestelijke gevangenschap van de zonde. — H. T. Armfield.

Gehele psalm

Naar mijn overtuiging raken diegenen de kern en de ware bedoeling van de psalm het best die haar betrekken op de grote gevangenschap van heel de mensheid onder zonde, dood en duivel. En op de verlossing die Christus heeft verworven door Zijn sterven en bloedvergieten en die het Evangelie bekendmaakt. Want de manier van spreken die de profeet hier gebruikt, is veel te zwaarwichtig om alleen op afzonderlijke, bijzondere Joodse gevangenschappen te slaan. Wat stelde het namelijk voor dat het Joodse volk, dat als het ware slechts een handjevol mensen was, uit een tijdelijke gevangenschap werd bevrijd?

Dat is niets naast de ongelooflijke, met niets te vergelijken verlossing waardoor de mensheid vrijkwam uit de macht van haar vijanden. Dat waren geen tijdelijke vijanden maar eeuwige, namelijk de dood, de satan en de hel zelf. Daarom beschouwen wij deze psalm dan ook als een profetie over de verlossing die Jezus Christus zou brengen en over de verkondiging van het evangelie. Daardoor groeit het koninkrijk van Christus verder, en worden de dood en de duivel, met alle machten van de duisternis, volledig overwonnen. — Thomas Stint, in “An Exposition on Psalms 124-126,” 1621.

Gehele psalm

Ik geloof dat deze psalm nog één keer zal worden gezongen, in een nog blijmoediger toon. Nog eenmaal zal het goede nieuws van Israëls herstel zijn verspreide stammen bereiken, als de onwerkelijke schaduw van een droom. Nog eenmaal zullen de bewoners van de landen waaruit ze vertrekken in aanbiddende verwondering uitroepen: “De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.” Ze zien dan de ene Israëliet na de andere, de ene Jood na de andere, net als in die wonderlijke nacht in Egypte: met omgorde lendenen, schoenen aan de voeten en de staf in de hand, haastig om de oproep te volgen die hen terugroept naar hun eigen geliefde land! — Barton Bouchier (1794-1865), in “Manna in the Heart.”

Gehele psalm

Toen God Sions zonen uit hun boeien verloste
en hen voorging op de weg naar huis,
waren wij als mensen die dromen
en dachten: dit heil is te stralend om te blijven.

Met een mond vol lachen stonden wij verbaasd,
luid zong onze tong in vervoering;
en al gauw weergalmde onder de opgeschrikte volken
het wonderbare nieuws.

“Zie de heerlijke daden van Jehova!
Zie hoe Hij hen in liefde droeg!”
“Ja, voor ons! Ga, vertel het overal!
Dit heeft Hij gedaan, en wij zijn verblijd!”

Heere, voltooi Uw werk van genade,
breng al onze ballingen terug,
zoals de stromen in het zuiden
verfrissend samenvloeien in hun dorstige bedding.

Zij die nu in droefheid wenen
en met hun zaad ook tranen zaaien,
zullen straks, als zij de rijke oogst binnenhalen,
met harten vol vreugde stralen.

Al breekt het hart van de zaaier
terwijl hij uitgaat om het zaad te strooien,
toch keert hij terug met blijde klanken,
beladen met zijn schoven in plaats van het zaad.

— William Digby Seymour, in “The Hebrew Psalter. A New Metrical Translation,” 1882.

Vers 1

“Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht.” God had hen laten wegvoeren in gevangenschap, en alleen Zijn kracht kon hen vrijlaten. Vierhonderd jaar hadden de Israëlieten in een vreemd land als slaven gewerkt. Wie haalde hen toen uit Egypte, uit dat diensthuis? Niet Mozes, maar Jehova. Wie bevrijdde hen van Jabin, na twintig jaar kwelling door de Kanaänieten? Niet Debora, maar Hij. Wie redde hen na zeven jaar slavernij uit de handen van Midian? Niet Gideon, maar Hij. En wie verloste hen na achttien jaar onderdrukking van de Filistijnen en Amorieten? Niet Jefta, maar Hij.

Zeker, in al die gevallen gebruikte Hij Mozes en Debora, Gideon en Jefta als werktuigen. Zo was het ook niet Cyrus’ dapperheid maar de macht van de Heere, niet zijn handigheid maar Gods wijsheid, die de vijanden versloeg en Cyrus de zege gaf. Hij legde hem in het hart om Zijn volk vrij te laten. Want Hij hield de handen van Cyrus sterk om volken te onderwerpen. Hij maakte de heupen van koningen slap en opende de deuren voor hem. Hij ging voor hem uit en maakte de kromme plaatsen recht. Hij brak de koperen deuren in stukken en sloeg de ijzeren grendels stuk. Jes. 45:1-2. — John Hume, in “The Jewes Deliverance,” 1628.

Vers 1

“Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht” (Engels: “turned again”, keerde zich weer om). Dat wil zeggen: zich omkeren naar, of de terugkomenden bij wijze van spreken halverwege tegemoet gaan. Het Hebreeuwse zelfstandige naamwoord betekent bekering in geestelijke zin, en het werkwoord Gods genadige neerbuiging om die bekering aan te nemen of te beantwoorden. — Joseph Addison Alexander.

Vers 1

“De gevangenen Sions.” Eerst vraag ik: waarom Sion? Waarom niet de gevangenschap van Jeruzalem, van Juda of van Israël? Ook Jeruzalem, Juda en Israël werden als gevangenen weggevoerd, net als Sion. Zij waren zelfs groter en omvatten meer. Waarom gaat de psalm dan niet over hún gevangenschap, maar over die van Sion? Het lijkt erop dat er in Sions gevangenschap méér op het spel staat dan in de rest, want ze wordt uitgekozen vóór de andere. Waarom? Wat was Sion eigenlijk? We weten dat het maar een heuvel was in Jeruzalem, aan de noordkant.

Waarom wordt juist die heuvel zo geëerd? Om geen andere reden dan deze: daarop was de tempel gebouwd. Dat er zoveel over Sion wordt gesproken en zoveel van wordt gemaakt, is alleen ter wille van de tempel. En ter wille van Hem, dus van Zijn gemeente, geldt: “De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob” (Ps. 87:2). Hij heeft haar liever. Daarom gaat haar gevangenschap Hem meer aan het hart en is Hij met haar verlossing méér ingenomen dan met die van heel Jakob samen. Daarom wordt vooral Sions gevangenschap genoemd: God let er bijzonder op en Zijn volk moet dat ook doen.

Zo zien we het ook gebeuren. Toen ze zaten aan de wateren van Babel, brak dit hen het meest: “als wij gedachten aan Sion.” Dat was hun allergrootste verdriet. Dat hun grootste verdriet, en dit hun grootste vreugde: Laetati sumus, toen het bericht kwam (niet, zegt de psalm, in domos nostras, “wij zullen ieder naar zijn eigen huis gaan”, maar) in domum Domini ibimus, “Wij zullen in het huis des HEEREN gaan”; wij zullen “verschijnen voor God in Sion.” — Lancelot Andrews, 1555-1626.

Vers 1

“Waren wij gelijk degenen, die dromen.” Dat betekent: ze dachten dat het niets was dan fantasie en inbeelding. — Sydrach Simpson, 1658.

Vers 1

“Waren wij gelijk degenen, die dromen.” Let hier goed op, want het is leerzaam. God stuurt de vromen vaak hulp en redding wanneer zij in verdrukking, nood en tegenspoed zijn. En vaak twijfelen ze zelf of het wel waar is. Ze denken dan dat ze helemaal niet bevrijd zijn, maar liever gedroomd hebben. Neem Petrus eens. Herodes had hem gevangengezet, en een engel bevrijdde hem. Er scheen licht in de gevangenis. De engel gaf hem een tik in zijn zij en liet hem opstaan. Hij liet de ketenen van zijn handen vallen. Hij sprak driemaal tegen hem: Surge, cinge, circumda, “Sta haastelijk op … Omgord u … Werp uw mantel om.”

Hij bracht hem veilig langs de wachten, en de ijzeren poort ging vanzelf voor hem open. En toch was Petrus, ondanks dit alles, als een dromende. “En … wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.” Hand. 12:9. Of neem de oude Jakob. Zijn zonen vertelden hem dat zijn zoon Jozef nog leefde. Zijn hart stond stil en hij geloofde hen niet. Maar toen hij alles had gehoord wat Jozef gezegd had, en de wagens zag die Jozef had gestuurd, was het alsof hij uit een slaap werd gewekt, uit een droom werd wakker geschud.

Zijn geest leefde op en hij riep jubelend: “Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog!” Lorinus lijkt dit wantrouwen van hen te willen verontschuldigen. Ze waren zó overweldigd door blijdschap dat ze de ware oorzaak ervan niet geloofden. Zo ging het ook met de apostelen. Christus stond na Zijn opstanding vlak voor hen. Ze waren zo buitengewoon blij dat ze juichend stonden te verbazen en te twijfelen. En zo ging het met de twee Maria’s. Een engel vertelde hun over de opstanding van onze Zaligmaker Christus. Jubelend gingen ze terug van het graf, maar toch ook vol vrees.

Misschien waren ze bang dat zo’n blij bericht niet waar zou zijn, en dachten ze dat een verschijning hen misleidde. — John Hume.

Vers 1

“Waren wij gelijk degenen, die dromen.” We dachten dat we droomden. Op bevel van Cyrus, de koning van Perzië, stonden we weer in ons eigen land, en we geloofden onze eigen ogen nauwelijks. De Grieken maakten hetzelfde mee. Rome had hun land veroverd; daarna kregen ze van de Romeinse consul P. Quinctius Flaminius hun vrijheid terug. Livius vertelt dat de heraut na zijn aankondiging klaar was, maar dat er meer goed nieuws was dan het volk in één keer kon verwerken.

Ze durfden bijna niet te geloven dat ze het goed gehoord hadden. Vol verbazing en met grote ogen keken ze elkaar aan, als slapers die naar een lege droom staren. — Johannes Le Clerc Clericus, 1657-1736.

Vers 1

“Waren wij gelijk degenen, die dromen” enzovoort. Er waren zeventig jaar verstreken. Zo lang, zo ontzettend lang, had de hoop op terugkeer naar hun land op zich laten wachten, en bij de meesten was die hoop in wanhoop gestorven. Alleen bij sommigen leefde ze nog, omdat ze op Gods belofte vertrouwden. Het beleid van die grote oosterse machten stond allang vast: de oude stammen en koninkrijken van West-Azië breken, de volken meenemen naar verre landen in het oosten en ze nooit laten terugkeren. Er is geen volk in de geschiedenis bekend dat ooit terugkwam om zijn oude steden en woonplaatsen op te bouwen.

Alleen de Joden deden dat. Vandaar die zo blije verrassing. — Henry Cowles, in “The Psalms; with Notes,” 1872.

Vers 1

“Gelijk degenen, die dromen.” Het was geen gewone droom. Het was Jakobs droom die werkelijkheid werd: de belofte “Ik zal u wederbrengen in dit land” (Gen. 28:15), uitgekomen, veel verder dan ze ooit hadden gehoopt. — William Kay, in “The Psalms, with Notes, chiefly exegetical,” 1871.

Vers 1

“Waren wij gelijk degenen, die dromen.” Beter vertaal je de woorden misschien zo, denk ik: “Wij zijn als mensen die weer gezond zijn geworden.” Het Hebreeuwse woord betekent immers: opknappen, herstellen, genezen. In Jes. 38:16 is hetzelfde woord zo vertaald. Hizkia werd beter en maakte toen een lofpsalm. Hij zei: “Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.” Dat is precies hetzelfde woord als hier. Ook Cajetanus, Shindler en anderen willen het hier graag zo vertaald zien.

En zo sluit het het best aan op de woorden die erna komen: “Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich.” Een mens met een goede droom lacht niet uit volle borst en juicht niet met zijn tong. Een mens met een nare droom doet dat net zo weinig, dat spreekt vanzelf. Maar iemand die na een zware ziekte gezond wordt, doet het wél. — William Bridge, 1600-1670.

Vers 2

“Toen werd onze mond vervuld met lachen” enzovoort. Deze oefening moeten we met alle ernst proberen te leren, of er op zijn minst iets van gaan begrijpen. En we moeten onszelf recht houden met deze gedachte: het evangelie is niets anders dan lachen en vreugde. Die vreugde hoort bij gevangenen, bij mensen die de gevangenschap van zonde en dood voelen. Ze hoort bij zachte, tere harten, die ontdaan zijn door het besef van Gods toorn en oordeel. In hún harten moeten lachen en vreugde geplant worden, en wel op gezag van de Heilige Geest, zoals dit vers laat zien.

Dit volk woonde in Sion. Aan de buitenkant, met koninkrijk en priesterdienst, bloeide het machtig. Maar kijk je naar hun geest, dan zie je een ellendige gevangenschap. Hun tong is zwaar van somberheid en rouw, want hun hart is ontdaan door het gevoel van zonde en dood. Dat is de tong van Mozes, de mond van Mozes, vol alsem en vol van de bitterheid van de dood. Hij wil daarmee alleen hen doden die te levendig en te zorgeloos zijn, dus mensen die zich nergens zorgen over maken. Maar wie hun gevangenschap voelen, krijgen een mond vol lachen en vreugde.

Dat betekent: er wordt hun verlossing en bevrijding van zonde en dood gepredikt. Zo bedoelt de Heilige Geest het: de mond van zulke mensen wordt gevuld met lachen. Hun mond zal alleen nog grote blijdschap laten zien, vanwege de onschatbare troost van het evangelie, met zegekreten over Christus, Die Satan verslaat, de dood vernietigt en de zonden wegneemt. Dit werd eerst tegen de Joden gezegd, het volk van Israël. Want dat lachen werd eerst aan hen aangeboden, het volk dat toen de beloften had. Nu keert Hij Zich naar de heidenen en nodigt hen persoonlijk uit om ook van dit lachen te delen. — Maarten Luther.

Vers 2

“Toen werd onze mond vervuld met lachen” enzovoort. Zo ging het in het dal van Ela, waar Goliath viel en de Filistijnen op de vlucht sloegen. Zo ging het bij Baäl-Perazim. Zo ging het op die morgen, na vele donkere nachten, toen Jeruzalem bij het eerste daglicht opstond en zag dat de duizenden van Sanherib een legerplaats vol doden waren geworden. En zo is onze God al die tijd al te werk gegaan.

“De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.”

Blijf dit doen, tot de strijd voorbij is! U laat jaar na jaar de stromen van het zuiden weer vloeien. Doe dat net zo met ons, met allen en met ieder afzonderlijk. We twijfelen er niet aan dat U het zult doen. We weten zeker dat we niet ijdel roemen als we deze psalm zingen als beschrijving van de ervaring van al Uw pelgrims en aanbidders. — Andrew A. Bonar, in “Christ and his Church in the Book of Psalms,” 1859.

Vers 2

“Toen werd onze mond vervuld met lachen.” Zij die waren uitgelachen, lachten nu zelf. Een nieuw lied was hun in de mond gelegd. Het was een lach van blijdschap in God, en geen spottende lach om hun vijanden. — Matthew Henry.

Vers 2

“Onze mond.” “Onze tong.” Lorinus, de jezuïet, wees erop dat de psalmist mond en tong in het enkelvoud noemt, en niet in het meervoud, monden en tongen. De reden: alle gelovigen, de hele Joodse gemeente, prezen en eerden de Heere univoce. Dat wil zeggen: met één stem, met één hart en als het ware met één mond. — John Hume.

Vers 2

“En onze tong met gejuich.” Wat het hart vervult, loopt de mond over. Is het hart blij, dan gaat de tong gemakkelijk. Vreugde laat zich niet in het hart opsluiten, ze moet met de tong naar buiten. — John Hume.

Vers 2

“Toen zeide men onder de heidenen.” En wat zeiden ze? Het is precies raak! Hierin kun je het zeggen van de heidenen, zoals zo vaak, niet verbeteren. Ze zeggen het volgende. 1. Dit waren geen dagelijkse of gewone dingen, maar “grote”. 2. Ze rekenen die grote dingen niet tot het toeval. Ze “gebeurden” niet, ze werden “gedaan”. 3. En dan: “gedaan” door God Zelf. Zij zien God erin. 4. Niet door God gedaan op goed geluk, zonder bepaald doel, maar met opzet voor hén gedaan. 5. En toch zit er, als je goed kijkt, nog meer in magnificavit facere.

Want magna fecit was voor dit alles genoeg geweest. Maar met “magnificavit facere” zeggen ze magnifecit illos, ut magna faceret pro illis. Hij maakte hen groot, of Hij had hen bijzonder hoog zitten, want voor hen zou Hij zo’n groot werk volbrengen. Dit zeiden ze onder de “heidenen”. Het is jammer dat de “heidenen” het zeiden, en dat de Joden zelf deze woorden niet het eerst uitspraken. Maar nu bleek dat de “heidenen” het zo zeiden, en dat alles waar was wat ze zeiden. Daarom voelden de Joden zich wel gedwongen om minstens zoveel te zeggen.

Méér konden ze niet zeggen, want meer kan niet gezegd worden. Dus even veel, en niet minder dan zij. En dit voegt een trede toe aan dat dicebant: het geluid ervan was onder de heidenen zo groot dat het een echo gaf in Judea zelf. — Lancelot Andrews.

Vers 2

“De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.” “Hij heeft veel gedaan, en wel grote dingen.” Zo geven de Chaldeeuwse, Syrische en Arabische vertalingen het weer, en de geschiedenis van deze verlossing laat zien dat het klopt. — Thomas Hodges, in een preek getiteld “Sion’s Hallelujah,” 1660.

Verzen 2-3

De lof die heidenen God moeten brengen verschilt sterk van de lof die het volk van de Heere Hem van harte brengt. De heidenen spreken alsof ze zelf geen belang en geen aandeel hebben bij de barmhartigheid. Gods volk spreekt als mensen voor wie die barmhartigheid bedoeld is, en die er samen met anderen hun deel in hebben. “De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan”, zeggen de heidenen. “De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan”, zegt het volk van de Heere. — David Dickson, 1583-1662.

Vers 3

“De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan” enzovoort. Dit vers is de kern, het merg, van de hele psalm. Aanleiding was de terugkeer van Gods volk uit de gevangenschap in Babel naar zijn eigen land. Die verlossing was zo groot en ongelooflijk dat Gods volk, toen God haar bracht, als in een droom was. Ze dachten eerder aan een droom en aan ijdele inbeelding dan aan een echte waarheid. 1. Het was zo’n grote verlossing, uit zo’n grote en lang durende slavernij, dat het te mooi leek om waar te zijn. 2. Het gebeurde heel plotseling en onverwacht, op een moment dat ze er nauwelijks aan dachten of erop hoopten … 3. Alles leek hopeloos.

Niets leek onwaarschijnlijker, of eigenlijk: onmogelijker. 4. De manier waarop was zo bewonderenswaardig (zonder raad, hulp of kracht van mensen, ja: boven en tegen alle menselijke middelen in) dat ze betwijfelden of dit niet de dromen waren van mensen die gewoon wakker zijn. — Thomas Taylor (1576-1632), in “A Mappe of Rome.”

Vers 3

“Bij ons.” Wat waren wíj dan, zou Sion kunnen zeggen? We waren mensen die er blij mee waren het stof van de voeten van onze vijanden te likken. En toch kijkt de Heere van hemel en aarde zo genadig naar ons om! Hoe armzaliger degene is die iets ontvangt, des te groter blijkt de gever. “Van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?” Dat was een waarachtig en vroom compliment van de godvrezende Elisabet. Zelfs de besten onder de mensen zijn niet meer dan kinderen van stof, kleinkinderen van het niets.

En dan doet de Heere grote dingen voor ons! Dat maakt die “grote dingen” nog groter. Was het omdat we Zijn gemeente waren? Dan is het Zijn overvloedige genade dat Hij ons uit alle anderen koos. Het was juist onze eigen genadeloosheid, groter dan die van wie ook, dat we Hem zo uitdaagden en Hem dwongen ons in gevangenschap te werpen. Of kwam het omdat onze vernedering in die troosteloze toestand Hem zo diep ontfermde? Helaas, er waren volken genoeg uit wie Hij kon kiezen, om in onze plaats te nemen. Die hadden, voor nog geen helft van de gunsten die wij hebben genoten, veel trouwer kunnen blijken dan wij geweest zijn.

Of was het ter wille van Zijn verbond met onze vaderen? Helaas, dat hadden we allang verspeeld, keer op keer, we weten niet hoe vaak. Als we aan onszelf denken, kunnen we niet anders dan Gods “grote dingen” juist daardoor nóg zwaarder laten wegen: dat Hij ze voor ons deed, voor ons, die zo bijzonder onwaardig zijn. — Malachias of Matthew Harris, in een preek getiteld “Brittaines Hallelujah,” 1639.

Vers 4

“O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk.” Dit is een gebed dat hun verlossing helemaal wordt afgemaakt. Laat wie al terug is in zijn eigen land, bevrijd worden van de lasten waaronder hij nog zucht. Laat wie in Babel is gebleven, in zijn hart worden aangespoord, zoals wij, om de gegeven vrijheid te gebruiken. Dat Gods barmhartigheid is begonnen, moedigt ons aan om te bidden dat ze ook wordt voltooid. Zolang we in deze wereld zijn, blijft er iets om voor te bidden, ook wanneer we het meeste hebben om te loven. En zijn we zelf vrij en voorspoedig, dan mogen we onze broeders niet vergeten die in nood zijn en onder dwang leven. — Matthew Henry.

Vers 4

“Wend onze gevangenis.” Het oude Israël bad dat God al hun broeders die verspreid in ballingschap leefden, in één breed gevulde stroom naar hun eigen land zou terugbrengen: talrijk, juichend en machtig. Zo gaat het water van de Nijl of de Eufraat in de hete, droge zomer over de dorstige velden van het zuiden. Op dezelfde manier moeten de leden van Christus’ gemeente altijd bidden. Ze moeten vragen dat iedereen die zich christen noemt en zo genoemd wordt, op de weg van de waarheid wordt geleid. Ze moeten vragen dat ze het geloof vasthouden in eensgezindheid van geest, in de band van de vrede en met een rechtvaardig leven. — J. W. Burgon, in “A Plain Commentary,” 1859.

Vers 4

De psalmist roept: “O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden” (Engels: “als de waterleidingen in de Negeb”).

Die Negeb, ofwel het Zuidland, het gebied onder Hebron, was betrekkelijk droog en had geen water. Het werd ongetwijfeld bevloeid met een stelsel van kleine, aangelegde kanaaltjes. De woorden van de psalmist betekenen dat het voor God net zo eenvoudig is om Israël uit de Babylonische slavernij naar zijn eigen land terug te brengen als voor een tuinier om het bronwater te sturen. Hij leidt het langs de kanalen van de waterleidingen naar elk stuk land dat hij uitkiest. — James Neil.

Vers 4

“Gelijk waterstromen in het zuiden.” Dan krijgt onze gevangenschap een volkomen ander aanzien, zoals de rivieren of wateren in het zuiden. Die zijn door Gods machtige werk drooggevallen en volledig verdwenen. Je mag hier denken aan de Rode Zee of aan de Jordaan; dat maakt weinig uit. Het beeld zegt dit: U hebt met Uw machtige hand een wonder gedaan en de wateren laten opdrogen en verdwijnen. Doe dat ook, o Heere, met heel onze gevangenschap: laat haar opdrogen en tot niets worden. Anderen verklaren dit vers weer anders: Laat onze gevangenschap keren, o Heere, zoals de rivieren in het zuiden. In de zomer verdrogen die op afgelegen plekken door de hitte van de zon, maar in de winter stromen ze weer vol met overvloedig water. — Maarten Luther.

Vers 4

“Waterstromen.” Het Hebreeuwse woord voor “stromen” betekent eigenlijk de bedding van een rivier: de bedding waar water in staat als er water is, maar die vaak droog ligt. Voor de boer is het vanzelfsprekend een feest als die dalbeddingen weer met stromend water vollopen. Zo luidt het gebed dus: laat Uw volk blij terugkeren naar zijn vaderland. — Henry Cowles.

Vers 4

“Gelijk waterstromen in het zuiden.” Sommigen vertalen: Als de machtige wateren in het zuiden. Waarom zouden ze willen dat hun gevangenschap keert als die machtige vloeden in het zuiden? De reden is deze: het zuiden is droog land, waar weinig bronnen zijn en je in een hele woestijn nauwelijks een fontein vindt.

Wat voor water hebben ze dan in het zuiden, in die uitgedroogde streken? Het zijn die machtige, sterke stortvloeden. Ze komen door de regenbuien uit de hemel. Zo bedoelt het gebed in de psalm dat God hun gevangenschap plotseling zou doen keren. In het zuiden komen rivieren ineens. Waar nergens een bron te zien is en geen enkel teken van een rivier, daar staat binnen een uur het water hoog en stromen de beken over. Denk aan Elia in de tijd van Achab. Hij stuurde zijn knecht naar de zee. Die ging kijken en zei: “Er is niets”, dus geen schijn van regen en niet het kleinste wolkje.

Toch werd de hemel meteen zwart en kwam er een zware regenbui. 1 Kon. 18:44. Laat zo ook onze gevangenschap even snel en plotseling keren. Er is geen schijn van redding, net zomin als van een bron in de zandwoestijn of van regen in de helderste hemel. Breng toch redding voor ons! Over dingen die we niet kunnen opbrengen zeggen we: Hebben wij er soms een bron van? Of kunnen we ze uit de wolken plukken? Zo ook nu: laat onze redding, hoewel er geen plek te zien is waar zulke rivieren vandaan zouden komen, zijn als rivieren in het zuiden.

Laat ze zijn als rivieren die uit de wolken zijn gehaald en in één oogwenk rechtstreeks uit de hemel zijn neergedruppeld. — Joseph Caryl, 1602-1673.

Verzen 4-6

De heiligen voeden hun hoop vaak met de kadavers van hun doodgeslagen angsten. God koos een tijd en een werktuig om de gevangen Joden hun vrijheid te geven en hen naar huis te laten terugkeren. Toen het zover was, kwam dat voor hen zo ongelooflijk over (net als bij Petrus, die door de engel uit de gevangenis werd geleid, Hand. 12:1-25) dat het even duurde voordat ze weer bij zinnen waren. Toen konden ze pas vaststellen of het echt waar was of maar een prettige droom. Kijk nu eens wat deze vreemde teleurstelling van hun angsten voor uitwerking had op hun hoop voor daarna.

Ze stuurt hen naar de troon van de genade, om te vragen dat voltooid wordt wat zo wonderbaarlijk begon. “De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. O HEERE! wend onze gevangenis …” Ps. 126:3-4. Door deze ervaring van Zijn macht en barmhartigheid hebben ze een houvast gekregen. Ze laten Hem nu niet los voordat ze meer hebben. Ja, hun hoop is tot zo’n hoogte van vertrouwen gestegen dat ze uit deze ene ervaring een algemene les trekken, tot troost voor zichzelf of voor anderen in elke komende nood: “Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien” enzovoort. Ps. 126:5-6. — William Gurnall, 1617-1679.

Vers 5

“Die met tranen zaaien.” Ik heb nooit helemaal letterlijk mensen onder tranen zien zaaien. Wel heb ik vaak gezien dat ze dat deden in een angst en ellende die ieder oog zouden doen overlopen. Als het erg schaars is, nemen de arme boeren met pijn in het hart afscheid van iedere maat kostbaar zaad die in de aarde verdwijnt. Het voelt alsof ze het brood uit de monden van hun kinderen halen. In zulke tijden vloeien er echt veel bittere tranen bij. De nood is vaak zo hoog dat de regering zaad moet leveren, want anders zou er niets worden gezaaid.

Zolang ik me kan herinneren, deed Ibrahim Pasja dat meer dan eens. Misschien volgde hij het voorbeeld van zijn grote voorganger in Egypte toen de zeven jaren van hongersnood voorbij waren. De gedachten in deze psalm kunnen ook zijn ontstaan uit het grote gevaar waarin de boer vaak verkeert terwijl hij ploegt en zaait. Denk aan de ramp die Jobs landarbeiders overkwam. De ossen ploegden en de ezelinnen graasden ernaast. Toen vielen de Sabeeërs aan, namen alles weg en doodden de knechten met de scherpte van het zwaard (Job 1:14-15). Zoiets herhaalt zich in onze dagen nog vaak.

Om dat te begrijpen moet je terugdenken aan wat ik je net vertelde over de ligging van de akkers in open gebied. En hier valt weer op hoe exact de taal is: de zaaier “gaat uit”, dat wil zeggen uit het dorp. De bewoners van Ibel en Khiem in Merj ’Aiyun hebben bijvoorbeeld hun beste graanvelden diep beneden in de ’Ard Hfileh. Die liggen zes of acht mijl van hun huizen, en precies zoveel dichter bij de wetteloze woestijngrens. Is het land onrustig of de regering zwak, dan kunnen ze op die velden alleen zaaien als ze hun leven wagen.

Ze trekken er dus altijd met grote groepen op uit, helemaal bewapend, klaar om de ploeg te laten vallen en het geweer te grijpen zodra er alarm wordt geslagen. Maar ondanks al die voorzorg overkomen de mannen die zo onder tranen moeten zaaien ook veel droevige en dodelijke rampen. Er is nog een andere bron voor de gedachten van de psalm: op veel plaatsen is het werk zelf bijzonder zwaar. De grond is rotsig, ontoegankelijk en vol scherpe doornen. Het kost veel pijnlijke arbeid om de rotsen los te hakken en weg te halen, de distels te kappen en te verbranden en de weerbarstige bodem te bedwingen.

En dat met zwakke ossen en armzalige ploegen! Neem dit alles samen, en het beeld wordt heel krachtig: wie hard werkt, in koude en regen, in angst en gevaar, in armoede en gebrek, en zijn kostbare zaad in de grond legt, zal bij de oogst zeker terugkomen met gejuich, zijn schoven met zich dragend. — W. M. Thomson.

Vers 5

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien” enzovoort. Deze belofte komt tot ons in beelden uit de landbouw, een school waar we veel van leren. In het zweet zijns aanschijns bewerkt de boer zijn akker. Hij werpt het zaad in de grond, en daar ligt het een tijd dood en begraven. Dan volgt een donkere, troosteloze winter, en alles lijkt verloren. Maar als de lente terugkomt, leeft de hele natuur op. De akkers die eerst kaal waren, staan vol koren. De zon laat het rijpen, vrolijke maaiers maaien het af en met jubelend gejuich wordt het naar huis gebracht.

Kijk, leerling van Jezus: zo zie je hoe je werk van nu en je loon van straks bij elkaar horen! Misschien “zaai” je nu in “tranen”. Je doet je plicht midden in vervolging en verdrukking, ziekte, pijn en verdriet. Je werkt in de gemeente, en niemand maakt werk van wat je doet. Het lijkt er niet op dat het iets oplevert. Ja, zelf moet je in het stof van de dood vallen. Alle stormen van die winter moeten over je heen gaan, tot je gedaante is vergaan en je het bederf ziet. Toch komt de dag dat je “met gejuich” zult “maaien”, en je oogst zal overvloedig zijn.

Zo ging ook je gezegende Meester “al gaande en wenende”. Hij was een Man van smarten, vertrouwd met ziekte. Hij droeg “het zaad, dat men zaaien zal” en zaaide het om Zich heen, tot Zijn eigen lichaam ten slotte als een graankorrel in de voor van het graf werd begraven. Maar Hij is opgestaan en is nu in de hemel. Vandaar zal Hij “voorzeker … met gejuich wederkomen”, met de stem van de aartsengel en met de bazuin van God. Dan draagt Hij “zijn schoven” met Zich mee. Dan zal ieder mens de vrucht van zijn werk ontvangen en lof van God ontvangen. — George Horne (1730-1792), in “A Commentary on the Psalms.”

Vers 5

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.” Hun zaad is geloof, en God zegent dat zaad. Het schiet op tot in de hemel, want het is geplant in de zijde van Jezus Christus, Die Zelf in de hemel is. Het zaad is: “gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft”. De oogst is: “die heeft het eeuwige leven” (Joh. 5:24). Qui credit quod non videt, videbit quod credit. Wie gelooft wat hij niet ziet, is aan het zaaien. Wie eens ziet wat hij geloofd heeft, is aan het oogsten.

Hun zaad is ook gehoorzaamheid. Ook dat zaad is gezegend. Waar je het ook uitstrooit, het zal niet nalaten te gedijen en vrucht te dragen. Het zaad is: “Indien gij Mijn geboden bewaart”. De oogst is: “zo zult gij in Mijn liefde blijven” (Joh. 15:10). Of neem Rom. 6:22. Het zaaien is: “Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking”. Het maaien is: “en het einde het eeuwige leven”. Obedientia in terris, regnabit in coelis. Wie op aarde God dient en gehoorzaamheid zaait, zal in de hemel de oogst van een koninkrijk maaien.

Hun zaad is ook berouw. En dat zaad móét uitgroeien tot zaligheid … Veel heiligen die hun zaad in tranen zaaiden, hebben hun oogst al binnengehaald in de hemel. David, Maria Magdalena en Petrus bijvoorbeeld. Het is alsof zij het spreekwoord bewaarheid hebben: “Men komt niet met droge ogen in de hemel.” Natuur en God werken dus niet op dezelfde manier. Op aarde hopen we, voor een goede oogst, op een mooie zaaitijd. Maar hier levert juist een natte zaaitijd de beste oogst op, in de hemelse schuur. Het zaaien is: “Zalig zijn die treuren”. De oogst is: “want zij zullen vertroost worden” (Matth. 5:4).

Hun zaad is ook: de wereld afzweren en Christus aanhangen. En daarmee, zegt de Schrift, maaien ze een grote oogst. Petrus zegt tegen Christus: “Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd” (Matth. 19:27). Dát is het zaaien. “Wat zal ons dan geworden?” Wat dan? “Gij … zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls” (Matth. 19:28). Alles wat je verloor, krijg je honderdvoudig terug. En: “het eeuwige leven beërven” (Matth. 19:29). Dát is de oogst. “Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid.” Hos. 10:12.

Hun zaad is ook liefdadigheid. Wie dit zaad zaait, mag rekenen op een rijke oogst. “Zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water” (dat is maar een klein beetje verkwikking), “in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.” Matth. 10:42. Wordt iemand die weinig geeft al zo beloond, dan geldt zeker: “die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.” 2 Kor. 9:6. Gooi dus met volle hand je zaad uit, zoals een zaaier op een groot veld, en wees niet bang.

Denkt iemand dat hij met zijn liefdadigheid de verliezer is? Geen wereldmens denkt dat hij zijn zaad verliest als hij het zaait. Hij hoopt op een grotere oogst. Vertrouw jij wel de grond en God niet? God betaalt zeker beter dan de aarde. Genade vergoedt meer dan de natuur. Op aarde krijg je misschien veertig korrels voor één, maar in de hemel krijg je, door Christus’ belofte, honderd keer zoveel: “een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat.” Het zaaien is: “Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige”. De oogst is: “de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads” (Ps. 41:2). — Thomas Adams.

Vers 5

“Die met tranen zaaien” enzovoort. Let hier op twee dingen. 1. Het lijden van Gods volk is als zaaien met tranen. (a) Bij het zaaien kost het, zoals je weet, heel veel moeite. Eerst moet het land worden omgewerkt en klaargemaakt. Dan is het ook moeite om het zaad erin te strooien. En daarna vraagt het het hele jaar veel zorg, voordat het in de schuur ligt.

(b) Het vraagt ook veel geld, en daarom heet het “het zaad” (Engels: “precious seed”, kostbaar zaad). Want zaaikoren is, zoals je weet, altijd het duurst.

(c) En het is ook zeer riskant, want eenmaal gezaaid loopt het koren aan allerlei kanten veel gevaren. Zo gaat het ook met Gods kinderen in een goede zaak. 2. Na de zaaitijd komt de oogst, en die komt met vreugde. Gods kinderen hebben drie trappen van geluk bij het binnenhalen van de vruchten.

(a) Allereerst zijn er de eerstelingen. Ook al verduren ze iets omwille van het Evangelie van Christus, het geeft hun tevredenheid en vrucht. (b) Dan komen na de eerstelingen de schoven. Die verkwikken de boer en geven hem zekerheid dat de volle oogst nadert. De Heere laat Zijn eigen volk nu en dan weten dat Hij een volkomen verlossing zal geven, vooral voor Sion. Dan laat Hij hen proeven van de schoven die ze al hebben binnengehaald.

(c) Tot slot krijgen ze de volle oogst, en die ontvangen ze pas op de grote, laatste dag. Dan krijgen wij vrede zonder moeite, vreugde zonder verdriet, winst zonder verlies, genot zonder pijn. En dan zien we God volledig van aangezicht tot aangezicht. — Alexander Henderson.

Vers 5

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.” Tranen om het evangelie raken niet verloren. Ze zijn zaadjes van troost. Zodra de boetvaardige zijn tranen stort, giet God vreugde in. Als je opgewekt wilt zijn, zegt Chrysostomus, wees dan bedroefd. Christus is gezalfd en in de wereld gekomen met dit doel: hen die treuren te troosten (Jes. 61:3). De olie van blijdschap werd over Hem uitgegoten, zegt Chrysostomus, zodat Hij haar kon uitgieten over de treurenden. Terecht noemt de apostel het dan “een onberouwelijke bekering” (2 Kor. 7:10) … Zoete vrucht groeit hier aan een bittere stam, en dat is heerlijk.

Christus liet de aarden kruiken met water vullen en veranderde dat water in wijn (Joh. 2:9). Zo ook zal Christus het water van de tranen veranderen in de wijn van vreugde, wanneer het oog, dat aarden vat, tot de rand toe vol water is. Heilig treuren, zegt Sint Basilius, is het zaad waaruit de bloem van eeuwige vreugde opgroeit. — Thomas Watson (-1690?), in “The Beatitudes.”

Vers 5

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.” Let op de maaiers: “zullen … maaien.” Wie zijn dat? Zij die gezaaid hebben. Zij zullen maaien, en niemand anders dan zij. Het is ook terecht dat zij het doen, want zij hebben gezaaid. Misschien klagen sommigen die met tranen hebben gezaaid dat de oogst laat is of schraal, en dat ze niet met vreugde hebben gemaaid zoals hier beloofd wordt. Weet dan dat sommige gronden later zijn dan andere, en dat de oogst in het ene jaar later valt dan in het andere. God, de Heere van de oogst, laat jouw vreugde op Zijn tijd rijpen, en je zult hem maaien.

Onderzoek je het goed, dan vind je intussen de oorzaak bij jezelf. Onze vreugde is laat, omdat we te laat zijn begonnen met het zaaien van onze tranen. En onze vreugde is schraal, omdat we onze tranen te dun hebben gezaaid. Vinden we na het zaaien van tranen helemaal geen oogst van vreugde, dan mogen we er zeker van zijn dat ons zaad niet goed was. Of anders is er iets van de ongelukken gebeurd die het zaad troffen dat in Matth. 13 tot niets kwam. — Walter Balcanqual, in “een preek gehouden in St. Mary Spittle,” 1623.

Vers 5

“Die met tranen zaaien” enzovoort. In de zaaitijd zag ik een boer ploegen op een erg regenachtige dag. Ik vroeg hem waarom hij niet liever ophield in plaats van in zulk slecht weer te werken. Hij antwoordde me in een rijmpje uit zijn streek: “Zaai bonen in de modder, / dan komen ze op als een woud.”

Dat deed me onwillekeurig denken aan Davids woorden: “Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien” enzovoort. — Thomas Fuller (1608-1661), in “Good Thoughts in Worse Times.”

Vers 5

“Met tranen zaaien.” Er bestaan tranen die zelf het zaad zijn dat we moeten zaaien. Dat zijn tranen van verdriet over zonde, onze eigen zonde en die van anderen. Dat zijn ook tranen van medeleven met de bedroefde gemeente, en tranen van innigheid in het gebed en onder het Woord. — Matthew Henry.

Vers 5

“Met gejuich maaien.” Deze geestelijke oogst komt niet bij iedereen tegelijk, net zomin als de oogst op het veld. Maar dit is de troost: wie een zaaitijd van genade over zijn ziel heeft laten gaan, krijgt ook zijn oogsttijd van vreugde. Aan deze wet heeft God Zich even stevig gebonden als aan de andere wet, dat “al de dagen der aarde … zaaiing en oogst … niet ophouden” zullen (Gen. 8:22). Eigenlijk nog steviger, want die andere wet gold voor de wereld in het algemeen, niet voor elk afzonderlijk land, elke stad of elk veld. Zo’n veld kan best een oogst missen, en dan houdt God nog steeds Zijn woord.

Maar God zou Zijn belofte niet kunnen nakomen als ook maar één heilige eeuwig zonder zijn oogsttijd zou blijven. Jullie, die zo laatdunkend denken over het evangelie en over hen die het belijden, omdat hun vrede en troost nog niet zijn gekomen, moeten dus weten: die vrede en troost zijn al onderweg naar hen. Ze komen om voor altijd bij hen te blijven. Jullie vrede daarentegen verdwijnt elk moment. Ze zal je zeker in de steek laten, en je hebt geen hoop dat ze ooit terugkomt. Kijk niet naar hoe de christen begint, maar naar hoe hij eindigt.

De Geest van God komt de ziel binnen met Zijn overtuigingen en met enige schrik. Maar Hij sluit af met vrede en vreugde. Over de maand maart zeggen we: hij komt binnen als een leeuw en gaat weg als een lam. “Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.” Ps. 37:37. — William Gurnall.

Verzen 5-6

Mijn lectuur is beperkt en mijn ervaring bescheiden, maar toch heb ik ontdekt dat het graan dat in dure jaren en schaarse tijden is gezaaid, veel meer heeft opgeleverd dan het graan van andere jaren. Na grote nood volgde dan meteen een overvloed aan koren, verder dan iemand had durven verwachten. — Humphrey Hardwick, in een preek getiteld “The Difficulty of Sion’s Deliverance and Reformation,” 1644.

Verzen 5-6

Houd goed in het oog hoe onbetwijfelbaar zeker onze oogst is. De tekst bevestigt dat met verschillende volstrekte, stellige verklaringen: “zullen … maaien”, “zal hij met gejuich wederkomen”, “dragende zijn schoven.” Hier zit geen enkel voorbehoud en geen mogelijkheid dat het misschien niet gebeurt: alles wordt zonder meer bevestigd. En je weet dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar dat geen jota van Gods woord zal vervallen. Niets zal de oogst van een arbeider in Sions wijngaard tegenhouden. — Humphrey Hardwick.

Verzen 5-6

Nog vollediger en dieper gezien is de Man van smarten Zelf de zaaier in tranen. Zo kennen gelovigen Hem. In de zware barensnood van Zijn ziel heeft Hij de zaaitijd van het lijden doorgemaakt. Die zaaitijd zal haar bevredigende oogst brengen wanneer Hij opnieuw verschijnt en Zijn eigen loon maait. Op die dag van vreugde vult Hij Zijn schoot met schoven. De schuur van Zijn blijdschap stroomt over. Om onzentwil onderging Hij de verschrikkelijke werkelijkheid van dood en oordeel. Daarin ging Zijn lijden ver uit boven de maat van menselijk verdriet. Zoveel meer zal ook de volheid van Zijn zuivere vreugde zijn als eeuwige Zegenaar van Zijn volk.

Ze zal de vreugde van Zijn volk te boven gaan (en wat een maat is dát al!), want hun hele zaligheid is: voor altijd bij de Heere zijn. — Arthur Pridham, in “Notes and Reflections on the Psalms,” 1869.

Vers 6

“Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende” enzovoort. Dit beeld past bijzonder goed bij het leven van een dienaar van het evangelie. Hij trekt erop uit met het eeuwige evangelie, dat hij verkondigt. Als kostbaar zaad strooit hij het uit in de gemeente van God. Met tranen en gebeden maakt hij het nat. De zegen van de Heere gaat ermee mee en de Heere geeft succes aan zijn arbeid. Zijn bediening draagt zegels. Op de laatste dag zal hij ongetwijfeld met vreugde uit het graf van de dood terugkomen, “dragende zijn schoven”.

Zijn Heere zal hem in de staat van het nieuwe Jeruzalem aanspreken: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! … ga in, in de vreugde uws heeren.” — Samuel Eyles Pierce (1746-1829?), in “The Book of Psalms, an Epitome of the Old Testament Scripture.”

Vers 6

“Hij kan uitgaan, hij kan uitgaan, en wenen, dragende (zijn) last zaad. Hij zal komen, hij zal komen met gezang, dragende schoven.” Zo’n nadrukkelijke combinatie van de persoonsvorm met de onbepaalde wijs past niet bij onze taal. De oude vertalingen en enkele moderne geven haar heel gebrekkig weer met het tegenwoordig deelwoord (venientes venient, komende zullen zij komen). Daarin zit noch de bijzondere vorm noch de precieze zin van de Hebreeuwse uitdrukking. Het dichtst bij de kracht van het origineel komt Luther, die de persoonsvorm herhaalt: hij zal komen, hij zal komen. In al zulke gevallen wordt de onbepaalde wijs namelijk echt bepaald door het woord erna, en lijkt ze daarop in betekenis, al is het niet in vorm. — Joseph Addison Alexander.

Vers 6

“Al gaat hij, al gaat hij, en is hij wenend, dragende enkele handenvol zaad, hij zal komen, hij zal komen met stralend gezang, dragende zijn overvloedige schoven.”

— Ben Tehillim, in “The Book of Psalms, in English Blank Verse,” 1883.

Vers 6

“Gaat al gaande” (Engels: “goeth forth”, gaat uit). De gemeente mag dit zaad niet alleen in de voorraadkamer houden voor wie erom komt vragen. Ze moet haar zaaiers eropuit sturen, om het te strooien onder wie de waarde ervan niet kennen of te onverschillig zijn om het bij haar te halen. Ze mag niet blijven zitten huilen omdat mensen haar niet opzoeken. Ze moet eropuit en het kostbare zaad brengen bij wie niet wil, bij de onverschilligen, bij de bevooroordeelden en bij de losbandigen. — Edwin Sidney, in “The Pulpit,” 1840.

Vers 6

Huilen mag het zaaien niet in de weg staan. Als we kwaad lijden, moeten we toch goed blijven doen. — Matthew Henry.

Vers 6

“Het zaad.” Zaaikoren is altijd het duurst, en als ander koren duur is, is het zaaikoren heel duur. Hoe duur het ook is, de boer is vastbesloten het te hebben. Hij berooft er zijn eigen maag van, en die van zijn vrouw en kinderen, en zaait het toch, terwijl hij er “wenende” mee uittrekt. Er is ook groot gevaar: koren loopt, eenmaal gezaaid, veel risico’s. Zo is het inderdaad ook met de kinderen van God in een goede zaak. Jullie moeten van tevoren besluiten ook risico’s te nemen, met je leven, je land, je roerende goederen of wat je verder in deze wereld hebt. Waag dat alles liever, voordat het geloof of je eigen zielen gevaar lopen. — Alexander Henderson.

Vers 6

“Het zaad.” Aben Ezra legt de woorden die met kostbaar zaad zijn vertaald, of ook wel met een greep zaad, uit als het vat waarin de zaaier zijn zaad meedraagt: de zaaimand. Daaruit haalt hij het zaad en strooit het uit, zie Am. 9:13. De Targum zegt hetzelfde: “dragende een schaal met zaaikoren.” — John Gill.

Vers 6

“Het zaad.” Geloof heet “het zaad” (Engels: “precious seed”, kostbaar zaad): quod rarum est carum. Toen alle landen naar Egypte trokken om koren van Jozef te kopen, werd zaad als kostbaar gezien. Dan moet het geloof ook kostbaar zijn, want als Christus komt, zal Hij nauwelijks “geloof op de aarde vinden.” Luk. 18:8. Het geloof is zo onmisbaar dat het wel kostbaar móét zijn. Het zichtbare zaad is immers het enige middel waarmee een mens in leven blijft. Alle specerijen, honing, mirre, noten en amandelen, al het goud en zilver in Kanaän, waren niet genoeg om Jakob en zijn kinderen te onderhouden.

Ze moesten naar Egypte om koren te halen, zodat ze zouden leven en niet sterven. Zo gaat ook de ziel zonder geloof te gronde van de honger. Het geloof is haar voedsel, want “de rechtvaardige zal uit het geloof leven.” Gal. 3:11. — John Hume.

Vers 6

“Schoven.” In de psalm die begint met “droom” en eindigt met “schoven” zien we Jozef terug. In hem “werd”, zoals de heilige Ambrosius zo mooi toepast, “de toekomstige opstanding van de Heere Jezus geopenbaard. Voor Hem bogen Zijn elf discipelen zich neer, toen ze zagen dat Hij naar Galilea ging. En alle heiligen zullen zich bij hun opstanding voor Hem neerbuigen en daarbij de vrucht van hun goede werken meebrengen, zoals geschreven staat: ‘voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.’” — H. T. Armfield.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1

  1. Zonnige herinneringen aan wat de Heere deed: “Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht” enzovoort.
  2. Opvallende indrukken: we konden niet geloven dat het echt waar was.
  3. Bijzondere ontdekkingen: het was echt waar, het blijft waar enzovoort.

Vers 1

Een vergelijking én een tegenstelling.

  1. De verlosten lijken op dromenden.

a) Hun ervaring is vreemd.

b) Hun vreugde is een vervoering.

  1. De verlosten verschillen van dromenden.

a) Hun ervaring is werkelijk. Dromen zijn zonder inhoud, maar “de HEERE … wederbracht” is een echt feit.

b) Zij worden niet teleurgesteld. Ze worden niet wakker om te merken dat het “slechts een droom” was: zie Jes. 29:8.

  1. Hun vreugde blijft. De vreugde van een droom is snel vergeten, maar deze vreugde is “eeuwige blijdschap.” — W. H. J. P.

Vers 2

Heilig lachen. Wat het opwekt en hoe het te rechtvaardigen valt.

Vers 2

Recept voor heilig lachen.

  1. Zit enkele weken in de gevangenis.
  2. Hoor hoe de Heere de sleutel omdraait.
  3. Loop achter Hem aan naar de brede weg.
  4. Je hemel barst open van zonneschijn en je hart van zang en gelach.
  5. Vind je dit recept te duur? Probeer dan eenvoudig op de grote weg te blijven.

— W. B. H.

Verzen 2-3

  1. Berichten over wat God doet.
  2. Ervaring van wat God doet.

Verzen 2-3

  1. De Heere doet grote dingen voor Zijn volk.
  2. Die grote dingen trekken de aandacht van de wereld.
  3. Ze wekken bij de heiligen een blijde overgave. — W. H. J. P.

Vers 3

“De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan.” In deze erkenning en belijdenis zijn drie punten waar we opvallend dankbaar voor kunnen zijn.

  1. Het waren “grote dingen” die gedaan werden.
  2. Wie ze deed: “de HEERE.”
  3. Ze zijn gedaan, niet tegen ons maar “bij ons.”

— Alexander Henderson, 1583-1646.

Vers 4

Gelovigen die zich verheugen over hun eigen bevrijding en die verlangen dat een vloed van voorspoed over de gemeente heen stroomt. Zie het verband, Ps. 126:1-3. Merk op: 1. Wie twijfelt en moedeloos is, houdt zich te veel met zichzelf bezig en zoekt te druk naar troost. Zo iemand heeft geen zorg en geen kracht over voor het welzijn van de gemeente. Maar een blij hart heeft vrijheid om vurig te zijn voor het welzijn van de gemeente.

  1. Blije gelovigen weten, onder verder gelijke omstandigheden, beter hoe dwingend de liefde van Christus werkt. Die laat hen zorgen voor Zijn eer en voor het welslagen van Zijn zaak.
  2. Wie blij is, ziet scherper hoezeer zijn toestand verschilt van die van hen die niet verlost zijn. Hij kan er daarom niet aan ontkomen om bezorgd te zijn voor de gemeente, want door haar dienst is zijn verlossing gekomen.
  3. Blijde mensen zijn doorgaans het meest gelovig en het meest hoopvol. Omdat ze verwachten dat het zal lukken, gaan ze bidden en zetten ze zich in. — J. F.

Vers 4

  1. De uitgedroogde christen.
  2. Zijn ongelukkige toestand.
  3. Zijn enige hoop.
  4. Wat er gebeurt wanneer die hoop uitkomt.

Vers 5

De christelijke landman.

  1. Werk het beeld uit. Een boer heeft heel verschillend werk voor de boeg. Elk seizoen, elke dag, vraagt zijn eigen taak. Zo heeft ook de christen taken in de binnenkamer, in zijn gezin, in de gemeente, in de wereld enzovoort.
  2. Waarom veel christenen met tranen zaaien.

a) Het kan liggen aan de slechte grond.

b) Aan het strenge seizoen.

c) Aan de boosaardigheid en het verzet van vijanden.

d) Aan teleurstellingen uit het verleden.

  1. Hoe zaaien met tranen en maaien met vreugde met elkaar samenhangen.

a) Een vreugdevolle oogst volgt, met Gods zegen, vanzelf op een zaaitijd vol druipend water.

b) God, Die niet kan liegen, heeft het beloofd.

  1. Wanneer we deze vreugdevolle oogst mogen verwachten. Niet in onze winterse wereld, want daar is te weinig zon om hem te laten rijpen. De hemel is de zomer van de christen. Als je de vruchten van je tegenwoordige beproevingen gaat oogsten, zul je God loven, Die je met tranen liet zaaien.

Toepassing.

a) Wat een verwijt treft hen die in deze drukke tijd de hele dag werkeloos blijven staan!

b) Wat hebben christenen een voorsprong op de rest van de wereld!

c) Laat de hoop en het uitzicht op deze blije oogst ons overeind houden in alle somberheid en ellende van dit tranendal. — Schets van een preek van Samuel Lavington, 1726-1807.

Vers 5

Twee beelden. Het verbindende “zullen.”

Vers 5

  1. Eerst moet er gezaaid worden voordat er gemaaid wordt.
  2. Wat mensen zaaien, zullen ze maaien. Zaaien ze kostbaar zaad, dan maaien ze kostbaar zaad.
  3. Naar de mate van hun zaaien zullen ze maaien. “Die spaarzamelijk zaait” enzovoort.
  4. Het zaaien kan met verdriet gaan, maar het maaien zal met vreugde zijn.
  5. Hoe groter het verdriet bij het zaaien, des te groter de vreugde bij het maaien.

— G. R.

Vers 6

In dit vers zijn twee delen, en daarin ontdekken we een drievoudige tegenstelling. Eerst de heenreis:

  1. Een reizen: “gaat al gaande.”
  2. Een treuren: “wenende.”
  3. Een zaaien: “Die het zaad draagt, dat men zaaien zal.” En dan de terugreis, waarin drie tegenovergestelde dingen staan.
  4. Terugkeren: “voorzeker zal hij … wederkomen.”
  5. Een juichen: “met gejuich.”
  6. Een maaien: “dragende zijn schoven.”

— John Hume.

Vers 6

“Voorzeker.” Ofwel: waarom ons werk in de Heere nooit vergeefs kan zijn.

Vers 6

“Zijn schoven.” Zo gaat de trouwe zaaier terug naar zijn Heere. Zijn werk is geslaagd en hij weet het zelf ook. Hij wordt persoonlijk geëerd en royaal beloond.

Vers 6

Zie “Spurgeon’s Sermons” nr. 867, getiteld “Tearful Sowing and Joyful Reaping.”

Vers 6

  1. De zaaier vol verdriet.

a) Hij is actief, want hij “gaat al gaande.”

b) Hij is nederig, want hij gaat “wenende.”

c) Hij is trouw, want hij draagt “het zaad” (Engels: “precious seed”, kostbaar zaad).

  1. De maaier vol blijdschap.

a) Zijn oogsttijd komt zeker, want “voorzeker zal hij … wederkomen.”

b) Zijn vreugde is overvloedig, want hij komt “met gejuich.”

c) Zijn beloning is rijk, want hij komt “dragende zijn schoven.”

— W. H. J. P.

Werk over de honderdzesentwintigste psalm

“The Jews’ deliverance out of Babylon, and the mystery of our Redemption: Plainely demonstrated in ten Sermons upon the 126. Psalme.” … Gepredikt in Yorkshire door John Hume, Dienaar van het Woord … uitgegeven te Londen … 1628, in kwartoformaat.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas