Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 119 — Treasury of David

Titel
Boven deze psalm staat geen opschrift, en ook de naam van een dichter ontbreekt. Het is de langste psalm, en die naam zegt genoeg. Hij is even omvangrijk als tweeëntwintig psalmen van de gewone lengte van de Pelgrimsliederen. Maar hij is niet alleen lang. Ook in breedte van gedachte, diepte van betekenis en hoogte van vuur steekt hij boven de andere uit. Hij lijkt op de hemelse stad, die vierkant ligt, met een hoogte en een breedte die gelijk zijn.
Veel oppervlakkige lezers denken dat hij steeds op dezelfde snaar speelt en wemelt van vrome herhalingen en overbodige woorden. Dat komt doordat hun eigen geest oppervlakkig is. Wie dit goddelijke lied echt heeft bestudeerd en elke regel zorgvuldig heeft bekeken, kan zijn ogen niet geloven: wat een rijkdom aan variatie en wat een diepgang! Met maar een handvol woorden brengt de dichter steeds nieuwe en gevarieerde betekenissen voort. Zo zie je hoe vertrouwd hij met zijn onderwerp is en hoe vindingrijk zijn geheiligde geest werkt. Hij herhaalt zichzelf nóóit. Komt dezelfde gedachte terug, dan staat ze in een nieuw verband en laat ze weer een andere, boeiende kleur van haar betekenis zien. Hoe vaker je de psalm leest, des te frisser wordt hij.
Wie van het water van de Nijl drinkt, vindt het bij elke slok lekkerder. Zo wordt ook deze psalm voller en aantrekkelijker naarmate je er vaker naar terugkeert. Er staat geen leeg woord in, geen enkel. De druiven van deze tros staan bijna te barsten van de nieuwe wijn van het koninkrijk. Kijk je langer in deze spiegel van een genadig hart, dan zie je er steeds meer in. Aan de oppervlakte is hij zo stil als de glazen zee voor de eeuwige troon, maar diep daaronder ligt een oceaan van vuur. Wie er eerbiedig in kijkt, ziet niet alleen de glans, maar voelt ook de gloed van het heilige vuur.
Hij is zwanger van heilige zin en weegt even zwaar als hij groot is, want elke regel zit vol. Telkens als wij hem bestudeerden, riepen we weer: “O, de diepte!” Toch ligt die diepte verstopt achter een schijnbare eenvoud. Augustinus heeft dat terecht en wijs opgemerkt, en juist daardoor is de uitleg zo moeilijk. Wat hier duister is, ligt verborgen onder een sluier van licht. Daarom ontdekken alleen mensen die het écht ernstig menen die diepte: zij die niet alleen naar het Woord kijken, maar er, net als de engelen, ook in kijken.
Deze psalm is een alfabet. Acht strofen beginnen met dezelfde letter; dan volgen er weer acht met de volgende letter. Zo loopt de hele psalm in reeksen van acht door alle tweeëntwintig letters van het Hebreeuwse alfabet. Daarnaast vind je er talloze zinsparallellen en andere vormkunsten in, waar de oosterse geest van geniet. Ze lijken sterk op wat onze oudere dichters graag deden. Zo wilde de Heilige Geest met mensen spreken in vormen die de aandacht trekken en die je makkelijk onthoudt. Vaak spreekt Hij eenvoudig of sierlijk. Maar Hij schuwt het niet om ook eigenaardig of strak van vorm te zijn, als Hij Zijn onderwijs daarmee zekerder kan laten aankomen. Zelfs beknopte en kunstmatige zegswijzen veracht Hij niet, wanneer Hij Zijn leer er in onze gedachten mee kan vastzetten. Isaac Taylor heeft de les van dit feit mooi verwoord:
“Strikt genomen zit deze dichtvorm aan regels vast. Toch is hij in de diepste zin de uiting van een leven uit de Geest. Doordat die schijnbare tegenpolen hier door heel de psalm heen zijn vermengd, komt er in stilte een veelzeggende les over aan bij wie haar willen ontvangen: dat de dingen van God de menselijke geest op geen enkele manier minder goed bereiken, en al helemaal niet worden afgebogen of verzwakt, doordat ze in losse uitdrukkingsvormen zijn gevat. Die vormen verraden juist dat ze zijn afgestemd op de onvolwassenheid en het kinderlijke bevattingsvermogen van wie ze ontvangt.”
Auteur
Onder moderne schrijvers is het mode om zoveel mogelijk psalmen van David af te nemen. De critici van die richting zijn meestal onzuiver in de leer en ongeestelijk van toon. Daarom trekken wij vanzelf de andere kant op, want alles wat uit zo’n onbetrouwbare hoek komt, wekt bij ons argwaan. Wij geloven dat David deze psalm heeft geschreven. Toon en taal zijn davidisch, en op veel punten klopt hij met wat David heeft meegemaakt. Onze leraar noemde hem in onze jeugd “Davids zakboekje”. Wij neigen nog altijd naar wat hij toen zei: dit is het koninklijke dagboek, op verschillende momenten uit een lang leven neergeschreven.
Nee, we geven deze psalm niet aan de vijand prijs. “Dit is Davids buit.” Wie een schrijver lang leest, leert zijn stijl kennen. Dan krijg je een zeker aanvoelen waarmee je zijn werk herkent, ook als zijn naam is weggelaten. Wij hebben een soort kritische zekerheid, een diep gevoel van overtuiging, dat de hand van David hierin zit. Ja, dat het helemaal van hem is.
Onderwerp
Eén thema loopt door alles heen: het woord van de HEERE. De psalmist belicht zijn onderwerp van vele kanten en behandelt het op uiteenlopende manieren. Maar bijna in elk vers noemt hij dat woord van de HEERE, met een van de vele namen die hij ervoor kent. En ontbreekt zo’n naam, dan gaat het onderwerp in die strofe toch met volle overgave verder. Wie dit wonderlijke lied schreef, was doordrenkt van de bijbelboeken die hij bezat. Andrew Bonar vertelt over een eenvoudige christen op een boerderij die de Bijbel al driemaal had doorgemediteerd. Precies zo ging het bij deze psalmist: hij was van lezen doorgegroeid naar overdenken.
Net als Luther had David elke vruchtboom in Gods tuin geschud en er gouden vruchten van geplukt. “De meeste mensen”, zegt Martin Boos, “lezen hun Bijbel als koeien die in het hoge gras staan en de mooiste bloemen en kruiden onder hun poten vertrappen.” Wij vrezen dat wij dat zelf maar al te vaak doen. Het is een ellendige manier om met de bladzijden van Gods ingegeven Woord om te gaan. Mag de Heere ons ervoor bewaren om die zonde te herhalen terwijl we deze kostbare psalm lezen.
Er zit duidelijk groei in de inhoud van deze psalm. De eerste verzen klinken alsof een jongeman ze schreef; veel van de latere gedeelten kunnen alleen uit ouderdom en wijsheid zijn voortgekomen. Maar in elk gedeelte is hij de vrucht van diepe ervaring, scherpe waarneming en ernstige overdenking. Als David hem niet heeft geschreven, moet er een andere gelovige hebben geleefd die precies zo dacht als David. Die moet zich met evenveel vuur aan het psalmendichten hebben gegeven en net zo hartelijk van de Heilige Schrift hebben gehouden.
De beste manier om deze heilige dichtkunst te gebruiken, is dat we onze geest helemaal op haar onderwerp afstemmen. Daarvoor kunnen we de psalm het best uit het hoofd leren. De dochter van Philip Henry schreef in haar dagboek: “Onlangs heb ik me wat moeite getroost om Psalm 119 uit mijn hoofd te leren, en ik ben al een flink eind gekomen.” Zij was een verstandige, godvrezende vrouw, die wist wat goed was. Hebben wij de psalm eenmaal in ons hoofd, dan moeten we nadenken over de volheid, de zekerheid, de helderheid en de zoetheid van het woord van God.
Zulke gedachten wekken ons waarschijnlijk op tot een warme liefde ervoor. Wat zijn dat voor ontzettend bevoorrechte mensen, aan wie de eeuwige God in eigen handschrift en eigen stijl een brief heeft geschreven! Welke gloed van toewijding en welke dichterlijke vlijt kan de goddelijke getuigenissen waardig loven? Is zo’n lofzang ooit uit de pen van een mens gevloeid, dan is het deze 119e psalm. Hij mag dan ook wel het zelfgesprek van de heilige ziel voor een opengeslagen Bijbel heten.
Dit heilige gedicht is als het ware een kleine Bijbel. Het is de Schrift in een notendop, een bundeling van bijbelstof, de Heilige Schrift opnieuw opgeschreven in heilige gevoelens en daden. Gelukkig zijn zij die deze vrome spreuken kunnen lezen én begrijpen. Zij vinden gouden appels in deze echte tuin der Hesperiden. En ze komen erachter dat deze psalm, net als de hele Schrift die hij prijst, een parel van een eiland is. Of beter nog: een tuin vol geurige bloemen.
Opmerkingen over de psalm als geheel
Lofprijzing van de hele psalm. — Deze psalm straalt tussen alle andere en valt direct op, Velut inter ignes Luna minores. {1} Hij is een ster aan het hemelgewelf van de psalmen, van de eerste en grootste orde. Dat zie je meteen, of je nu let op de manier waarop hij is gebouwd of op de stof waaruit hij bestaat. De bouw is zeer sierlijk; de stof is zeer voortreffelijk.
- De bouw is zeer sierlijk: vol kunst, orde en methode. Het is theologische inhoud in een logische vorm, een geestelijk alfabet dat naar het Hebreeuwse alfabet is gevormd en opgebouwd.
- De stof is zeer voortreffelijk: vol zeldzame verhevenheden, diepe geheimen, genadige krachten, ja, schitterende verrukkingen. De psalm bestaat uit drie dingen: (a) gebeden, (b) lofzangen, (c) belijdenissen. Gebeden tot God, lofzangen over God, belijdenissen voor God. — Ds. W. Simmons, in een preek in de “Morning Exercises”, 1661.
Lofprijzing. Men noemt deze psalm het Alfabet van de Goddelijke Liefde, het Paradijs van alle Leerstukken, de Voorraadkamer van de Heilige Geest, de School van de Waarheid en ook het diepe geheim van de Schriften, waarin de hele zedelijke opvoeding tot alle deugden helder oplicht. Alle zedelijk onderricht is heerlijk. Omdat deze psalm daarin uitblinkt, moet hij heerlijk heten, want hij gaat de andere ver te boven. De overige psalmen schijnen als kleinere sterren wel een beetje, maar deze brandt met de middaghitte van zijn volle glans en straalt helemaal van zedelijke schoonheid. — Johannes Paulus Palanterius, 1600.
Lofprijzing. In onze Duitse vertaling heeft hij het passende opschrift: “Het gouden ABC van de christen over lof, liefde, kracht en gebruik van het Woord van God.” — Franz Delitzsch, 1871.
Lofprijzing. Van de beroemde heilige Augustinus is bekend dat hij onder zijn vele geschriften ook een commentaar op de Psalmen naliet. Deze ene psalm stelde hij uit tot hij de hele Psalter had afgerond. Pas na lang en dringend aandringen van zijn vrienden gaf hij toe, “want”, zegt hij, “telkens wanneer ik erover probeerde na te denken, ging hij altijd de kracht van mijn aandachtig denken en het uiterste van mijn vermogens te boven.” Een oude kerkvader {2} noemt deze psalm “de volmaaktheid van leer en onderricht”. Een ander {3} zegt dat hij “een middel is dat alles omvat tegen de vele geestelijke ziekten van mensen, en dat genoeg is om hen die naar volmaakte deugd verlangen te voltooien, de luie op te wekken, de moedelozen te verkwikken en de verslapten weer op orde te brengen”. Daar zouden we nog veel meer van zulke getuigenissen van oude en nieuwere uitleggers aan kunnen toevoegen. — William De Burgh, 1860.
Lofprijzing. Hoe opener deze psalm mij lijkt, des te dieper komt hij mij voor, zodat ik niet kan aantonen hoe diep hij is. Andere psalmen zijn moeilijk te begrijpen; daar ligt de zin weliswaar in het duister verborgen, maar het duister zelf is te zien. Bij deze psalm is zelfs dat niet zo. Aan de oppervlakte lijkt hij zo helder dat hij geen uitlegger nodig heeft, alleen een lezer en een luisteraar. — Augustinus, 354-480.
Lofprijzing. In Matthew Henry’s “Account of the Life and Death of his father, Philip Henry” staat: “Toen hij ons eens dringend wees op het bestuderen van de Schrift, raadde hij ons aan om elke ochtend één vers uit deze psalm te overdenken. Zo kom je er twee keer per jaar doorheen. En dat, zei hij, zal ervoor zorgen dat je van alle andere delen van de Schrift gaat houden.” Hij zei vaak: “Alle genade groeit mee met de liefde tot het woord van God.”
{1} En als de maan temidden van de zwakkere vuren, “Schittert zij zichtbaar.” — Horatius.
{2} De heilige Hilarius.
{3} Theodoretus.
Lofprijzing. Het is merkwaardig. Van alle bijbelgedeelten die mijn moeder mij leerde, kostte juist dit mij de meeste moeite om te leren, en mijn kinderlijke geest vond het ook het meest afstotend: de 119e psalm. Maar nu is hij van alles wat ik leerde het kostbaarst voor mij geworden, door zijn overstromende en schitterende hartstocht van liefde voor de wet van God. — John Ruskin, in “Fors Clavigera”.
Lofprijzing. Deze psalm is een lange overdenking over de voortreffelijkheid van het woord van God, over wat het uitwerkt en over de kracht en het geluk die het een mens geeft, in welke situatie hij ook zit. Tussen die overwegingen staan smeekbeden. De psalmist voelt daarin diep hoe zwak hij van nature is, en hij vraagt God om hulp om te lopen op de weg die de goddelijke uitspraken voor hem hebben uitgezet.
Willen we deze bijzondere psalm begrijpen en er plezier aan beleven, en willen we niet afgeschrikt worden door zijn lengte en zijn herhalingen, dan moeten we in elk geval voor een deel dezelfde ervaringen hebben gehad als de schrijver. Dan hebben we, net als hij, het heilige woord leren liefhebben en in praktijk leren brengen. Bovendien is deze psalm in zekere zin een toetssteen voor het geestelijk leven van wie hem lezen.
De gevoelens die hij uitspreekt, passen helemaal bij wat de geschiedkundige boeken en andere psalmen ons vertellen over Davids gehoorzaamheid en zijn ijver voor de eer van God. Toch staan er woorden in die zo’n verheven vroomheid ademen, dat ze hun volle betekenis en hun volle waarheid alleen hebben in de mond van Hem, van Wie de profetische koning een voorafbeelding was. — Uit het Frans van Armand de Mestral, 1856.
Lofprijzing. Een zeer vooraanstaande rationalistische criticus van onze dagen, professor Reuss, noemt de 119e psalm “helemaal geen poëzie, maar gewoon een litanie, een soort rozenkrans”. De engelen van God en de verloste geesten zien dat blijkbaar anders. Dit gedicht levert hun juist de woorden voor hun lofprijzing. Denk aan het zegelied van de overwinning: “rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen” (Openb. 15:3). Denk aan de roep van de engel van de wateren: “Gij zijt rechtvaardig, Heere!” (Openb. 16:5). Denk aan de stem van een grote menigte in de hemel: “Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig” (Openb. 19:2). Is dat niet precies de uitroep van hem, wie hij ook was, die deze psalm schreef: “HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht” (Ps. 119:137)? — William Alexander, in “The Quiver”, 1880.
Voorval. In 1819 woedde er in Londen een politieke crisis. Het seizoen was op zijn drukst en iedereen was in rep en roer. Midden in die onrust schrijft William Wilberforce in zijn dagboek: “Liep van Hyde Park Corner terug en zei onderweg de 119e psalm op, tot grote troost.” — William Alexander, in “The Witness of the Psalms”, 1877.
Voorval. George Wishart, de kapelaan en levensbeschrijver van “de grote markies van Montrose” (zoals men die noemde), zou het lot van zijn beroemde beschermheer hebben gedeeld. Maar hij bedacht een bijzondere list. Op het schavot maakte hij gebruik van een gewoonte van die tijd: een ter dood veroordeelde mocht kiezen welke psalm er werd gezongen. Wishart koos de 119e psalm. Nog vóór twee derde van de psalm was gezongen, kwam er een gratiebrief en bleef hij in leven.
Misschien is het goed erbij te zeggen dat deze George Wishart, bisschop van Edinburgh, vaak wordt verward met de godvrezende martelaar die dezelfde naam droeg en een eeuw eerder leefde en stierf. We vertellen dit voorval alleen omdat het zo vaak wordt aangehaald als een opmerkelijk voorbeeld van Gods voorzienige redding van een heilige. In werkelijkheid was het een uiterst slimme zet van een man die volgens Woodrow meer bekendstond om zijn sluwheid dan om zijn heiligheid. De lengte van deze psalm kwam hem goed van pas om tijd te winnen. Gelukkig werkte de list. — C.H.S.
Alfabetische indeling. Men heeft opgemerkt dat de 119e psalm geordend is naar de letters van het Hebreeuwse alfabet. Misschien om te laten zien dat kinderen die hun alfabet beginnen te leren, ook deze psalm moeten leren. — Nathanael Hardy, 1618-1670.
Alfabetische indeling. Het is waar: de verzen beginnen niet met Engelse of Latijnse letters, maar met Hebreeuwse. In die taal heeft David deze psalm gemaakt en opgeschreven. De Heilige Geest wil dat wij gaan voelen en begrijpen dat de leer in deze psalm niet alleen bestemd is voor grote geleerden die tien of twintig jaar naar school zijn geweest. Ze is ook bedoeld voor de allereenvoudigsten, zodat niemand zich kan verschuilen achter onwetendheid. — Uit Calvijns Twee-en-twintig preken over de 119e psalm, 1580.
Alfabetische indeling. Het kan meer zijn dan fantasie als iemand opmerkt dat de naam van Christus, “het Alfa en het Omega”, een verwijzing kan zijn naar het bijzondere van deze psalm. Die naam komt neer op de verklaring dat Hij alles is wat elke letter van het alfabet kan uitdrukken. En deze psalm is er een waarin (op Ps. 119:84 en Ps. 119:122 na, twee uitzonderingen die de regel juist des te sterker laten zien) elk vers spreekt over hoe God Zichzelf aan de mens heeft geopenbaard. — Andrew A. Bonar, 1859.
Alfabetische indeling. Origenes zegt dat de psalm alfabetisch is omdat hij de grondbeginselen van alle kennis en wijsheid bevat. Hij herhaalt elke letter achtmaal, zegt hij, omdat acht het getal van de volmaaktheid is.
Alfabetische indeling. Om de lezer die er geen kennis van heeft te laten begrijpen wat het wil zeggen dat de psalm alfabetisch is, voegen wij hier een voorbeeld toe, uit het gedeelte Aleph:
Aan wie onbesmet is op de weg en wandelt in de wet van Jehova, rust een zegen. Aan wie Zijn getuigenissen onderhoudt en Hem met zijn hele hart zoekt, rust een zegen. Ook aan wie geen onrecht doet, maar op Zijn wegen wandelt.
Als wet hebt U ons gegeven dat wij Uw geboden vlijtig moeten onderhouden.
Ach, Heere, waren mijn wegen maar zo recht dat ik Uw inzettingen kon onderhouden!
Als dat zo is, zal ik niet beschaamd worden.
Acht sla ik dan op al Uw geboden.
Als ik Uw rechtvaardige oordelen heb leren kennen, zal ik U danken met een oprecht hart.
Aandacht zal ik hebben voor Uw plechtigheden; o, verlaat mij niet geheel en al. — Uit “The Psalms Chronologically Arranged By Four Friends”, 1867.
Uitleg
Vers 2
“Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden.” Wat! Een tweede zegen? Jazeker. Dubbel gezegend zijn zij van wie het uiterlijke leven wordt gedragen door een innerlijke ijver voor de eer van God. In het eerste vers kwam de onbesmette weg al voor. Daarbij werd als vanzelfsprekend aangenomen dat de reinheid op die weg meer was dan schijn: ze ging samen met de innerlijke waarheid en het innerlijke leven die uit goddelijke genade voortkomen. Hier wordt uitgesproken wat daar nog stilzwijgend werd verondersteld. De zaligheid wordt toegekend aan wie de getuigenissen van de Heere als een schat bewaren.
Daarin ligt al besloten dat ze de Schriften onderzoeken, dat ze die gaan begrijpen en liefkrijgen, en dat ze daarna in de praktijk ervan volharden. Eerst moeten we iets in handen krijgen, voordat we het kunnen bewaren. Willen we het goed bewaren, dan moeten we het stevig vastgrijpen. Wat we niet met ons hart en onze genegenheid hebben omarmd, kunnen we ook niet in ons hart bewaren. Gods woord is Zijn getuigenis over grote en gewichtige waarheden, die over Hemzelf gaan en over onze verhouding tot Hem. Die moeten we willen kennen. Kennen we ze, dan moeten we ze geloven. Geloven we ze, dan moeten we ze liefhebben. En hebben we ze lief, dan moeten we ze vasthouden tegen iedereen die ze ons wil afnemen.
Er is een bewaren van de leer: dan zijn we bereid om te sterven voor de verdediging ervan. En er is een bewaren in de praktijk: dan leven we echt onder de kracht ervan. De geopenbaarde waarheid is zo kostbaar als diamanten. Je moet haar in je geheugen en in je hart bewaren, zoals je juwelen in een kistje bewaart, of zoals de wet werd bewaard in de ark. Dat is echter niet genoeg. Ze is bedoeld om te gebruiken, en daarom moet ze ook worden onderhouden en gevolgd, zoals mensen een pad volgen of trouw blijven aan hun vak.
Houden wij Gods getuigenissen, dan zullen zij ons houden. Ze houden ons zuiver in onze opvattingen, getroost in onze geest, heilig in onze levenswandel en hoopvol in onze verwachting. Waren ze ooit de moeite waard om te bezitten, en geen weldenkend mens zal dat betwijfelen, dan zijn ze ook de moeite waard om te bewaren. Het bedoelde effect komt niet doordat we ze even te pakken hebben, maar doordat we ze blijven vasthouden: “in het houden van die is grote loon”.
We moeten het woord van God met de grootste zorg bewaren, want het zijn Zijn getuigenissen. Hij heeft ze ons gegeven, maar ze blijven Zijn eigendom. Zo bewaren we ze als een wachter die het huis van zijn meester bewaakt, als een rentmeester die zorgvuldig omgaat met de bezittingen van zijn heer, als een herder die de kudde van zijn werkgever hoedt. Eens moeten we rekenschap afleggen, want het evangelie is ons toevertrouwd. Wee ons als we dan ontrouw blijken! Zonder het geloof te bewaren kunnen we de goede strijd niet strijden en onze loopbaan niet voleindigen.
Daarom moet de Heere ons zelf bewaren. Alleen wie door Gods kracht bewaard wordt tot zaligheid, zal Zijn getuigenissen ooit kunnen onderhouden. Wat een zaligheid komt dus aan het licht bij wie Gods woord zorgvuldig gelooft en er voortdurend gehoorzaam aan is! God heeft hen gezegend, Hij zegent hen nu en Hij zal hen zegenen tot in eeuwigheid. David zag die zaligheid bij anderen, en hij heeft haar zelf ervaren. In Psalm 119:168 zegt hij immers: “Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen.” En in Psalm 119:54-56 voert hij zijn blije liederen en zijn gelukkige herinneringen terug op ditzelfde onderhouden van de wet. Hij belijdt: “Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Wat we aan anderen leren, moeten we zelf ook beleven.
“Die Hem van ganser harte zoeken.” Wie zich houdt aan de getuigenissen van de Heere, zoekt vanzelf ook Hemzelf. Is Zijn woord kostbaar, dan is Hij Zelf nog kostbaarder; dat staat vast. Een persoonlijke omgang met een persoonlijke God is wat ieder verlangt die Gods woord zijn volle werking heeft laten hebben. Kennen we eenmaal werkelijk de kracht van het evangelie, dan moeten we ook de God van het evangelie zoeken. “Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou”: dat wordt dan onze hartgrondige roep.
Zie hoe deze zinnen een groei laten zien. Eerst staat iemand op de weg. Dan wandelt hij erop. Dan vindt hij de schat van de waarheid en bewaart die. En als kroon op alles zoekt hij naar de Heere van de weg Zelf. Merk ook dit op: hoe verder een ziel komt in de genade, des te geestelijker en goddelijker worden haar verlangens. Alleen een uiterlijke wandel is voor de genadige ziel niet genoeg, en zelfs de bewaarde getuigenissen niet. Vroeg of laat grijpt ze naar God Zelf. En heeft ze Hem ten dele gevonden, dan wil ze nog meer van Hem hebben en blijft ze Hem zoeken.
God zoeken wil zeggen: dichter bij Hem willen leven, Hem vollediger willen volgen, nog meer één willen worden met Zijn gedachten en Zijn wil, Zijn eer willen dienen en tot in de diepte willen beseffen wat Hij voor heilige harten is. De gezegende mens heeft God al, en juist daarom zoekt hij Hem. Dat lijkt tegenstrijdig, maar het is slechts schijn: een paradox.
Je vindt God niet door koel na te denken met je verstand. We moeten Hem zoeken met ons hart. Liefde maakt zich bekend aan liefde; God laat Zijn hart zien aan het hart van Zijn volk. Het heeft geen zin om Hem met onze rede te willen doorgronden. We moeten Hem vastgrijpen met onze genegenheid. Maar als we de Heere willen zoeken, mag ons hart niet verdeeld zijn over allerlei dingen. God is één, en we leren Hem pas kennen als ons hart één is.
Een gebroken hart hoeft zich hierdoor niet te laten ontmoedigen. Geen hart zoekt God immers zó onverdeeld als een gebroken hart, waarvan elk stukje zucht en roept naar het aangezicht van de grote Vader. De tekst keurt het verdeelde hart af. En vreemd genoeg kan een hart, in de taal van de Schrift, wel verdeeld zijn maar niet gebroken, of gebroken maar niet verdeeld. Ook kan het gebroken én heel zijn, terwijl het nóóit heel kan worden voordat het gebroken is. Zoekt ons hele hart de heilige God in Christus Jezus, dan is het gekomen bij Hem van Wie geschreven staat: “zovelen als Hem aanraakten, werden gezond” (Engels: made perfectly whole, volkomen heel gemaakt).
Wat de psalmist in dit vers zo mooi vindt, vraagt hij in het tiende vers voor zichzelf. Daar zegt hij: “Ik zoek U met mijn gehele hart.” Het is goed als we ergens zo van onder de indruk raken dat we het zelf ook willen bezitten. Wie niet gelooft dat het zalig is om de Heere te zoeken, zal zichzelf niet snel aansporen om Hem na te jagen. Maar wie een ander gelukkig prijst om de genade die hij in hem opmerkt, is zelf al onderweg naar diezelfde genade.
Zijn zij gezegend die de Heere zoeken, wat moeten we dan zeggen over hen die echt bij Hem wonen en weten dat Hij van hen is?
“Hoe mild bent U voor wie hier vallen,
hoe goed voor wie U zoeken!
Maar voor wie U vinden? Ach, dat
kan geen tong of pen beschrijven;
wat de liefde van Jezus is,
weten alleen Zijn beminden.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 2
Zowel het eerste als het tweede vers begint met “welgelukzalig”. Dat dubbele woord wil ons laten zien hoe vast de zegen staat voor wie God vreest. Wat God één keer zegt, is even waar als wanneer Hij het tien keer herhaalt; Hij herhaalt het om ons zwakke geloof te schragen. Izak zei over Jakob: “en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.” Dat is het meest onwrikbare besluit dat God over al Zijn kinderen heeft genomen. De satan zou Israël maar wat graag vervloeken, via iemand als Bileam. Hij krijgt het niet voor elkaar, want God heeft gezegend. — William Cowper.
Vers 2
“Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken.” Het vorige vers beschrijft een gezegend mens aan de hand van wat hij doet: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel”. Dit vers laat zien hoe het er in zijn hart uitziet. — Thomas Manton.
Vers 2
“Die Zijn getuigenissen onderhouden.” Het is zaligheid om Gods getuigenissen zorgvuldig in je gedachten te houden. Het vorige vers sprak weliswaar al over het onderhouden ervan in je gedrag, maar hier gaat het om iets anders. Wie deze plant, dit heilige zaad, zo behoedt dat de duivel het niet uit zijn hart kan trekken, is een gelukkig mens. Het woord dat hier staat, betekent een bewaking die even zorgvuldig is als die waarmee je tere plantjes beschermt. — Paul Bayne.
Vers 2
Getuigenissen. Het woord van God krijgt hier de naam “getuigenissen”. Daarmee bedoelt de psalmist alles wat God over Zijn wil heeft verklaard: leerstellingen, geboden, voorbeelden, waarschuwingen en beloften. Heel Gods woord is de getuigenis die Hij heeft afgelegd, om de wereld gerust te stellen over de weg waarlangs ze behouden wordt. Nu bestaat Gods woord uit twee takken: de wet en het evangelie. Daarom kan deze naam voor allebei gelden. Allereerst voor de wet. Zo kreeg de ark de naam “de ark der getuigenis” (Ex. 25:22), want de twee stenen tafelen lagen erin.
Maar ook het evangelie heet de getuigenis: “de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.” En in “Tot de wet en tot de getuigenis!” (Jes. 8:20) lijkt de getuigenis juist los van de wet te staan. Het evangelie heet zo omdat God daarin heeft getuigd hoe een mens vergeving ontvangt, met God verzoend wordt en recht krijgt op het eeuwige leven. Hier hebben we zo’n getuigenis hard nodig, want dit is ons veel minder bekend. De wet stond al in ons hart geschreven; het evangelie is een vreemdeling. Het natuurlijke licht ziet iets van de wet en dringt door tot zaken die met goed en kwaad te maken hebben. Maar de waarheden van het evangelie blijven een verborgenheid. Ze rusten alleen op wat God Zelf getuigt over Zijn Zoon. — Thomas Manton.
Vers 2
Getuigenissen. Het woord van God heet Zijn getuigenis. Dat is niet alleen omdat het zegt wat Hij in Zijn dienst wil, maar ook omdat het Zijn gunst en goede wil laat zien aan de Zijnen in Christus Jezus. Was Gods woord alleen maar een wet, dan nog moesten wij het gehoorzamen, want we zijn Zijn schepselen. Maar het is óók een getuigenis van Zijn liefde, waarin Hij als een vader Zijn gunst aan Zijn kinderen betuigt. Wie dat woord dan niet met de grootste vreugde omarmt, heeft dubbel geen excuus. — William Cowper.
Vers 2
“Welgelukzalig zijn zij… die Hem van ganser harte zoeken.” Hij noemt niet hen “welgelukzalig” die zichzelf wijs vinden of een soort verzonnen heiligheid voor zich opeisen. Hij noemt hen zo die zich aan het verbond van God toewijden en doen wat Zijn wet voorschrijft. Met deze woorden zegt hij ons ook dat God allerminst tevreden is met alleen een uiterlijke dienst. Hij wil de oprechte, eerlijke liefde van ons hart. En als God de enige is Die over ons leven oordeelt en beschikt, dan moet de waarheid ook in ons hart de eerste plaats innemen. Het is niet genoeg dat alleen onze handen en voeten in Zijn dienst zijn gesteld. — John Calvin, 1509-1564.
Vers 2
“Van ganser harte.” Wie echt gelukkig wil zijn, moet een gezond hart hebben. Zoveel oprechtheid, zoveel zaligheid. En in de mate waarin wij huichelen, zal ook onze ellende zijn. — Richard Greenham, 1531-1591.
Vers 2-3
Let op de werkwoorden zoeken, doen en wandelen. Samen vormen ze de beschrijving van de mens aan wie de zaligheid toekomt. — Henry Hammond, 1605-1660.
Wenken voor predikers
Vers 2
“Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken.”
- De heilige zoektocht: “Zoek Hem.” Men heeft Hem gezocht in de bomen, in de bergen, in de planeten en in de sterren. Men heeft Hem gezocht in Zijn eigen beschadigde beeld, de mens. Men heeft Hem gezocht tussen de ondoorgrondelijke raderen van Zijn bestuur. Maar die tochten werden vaak alleen door het verstand op gang gebracht of door het geweten afgedwongen, en wat ze opleverden, was slechts een koud en zwak lichtje. Men heeft Hem ook gezocht in het woord dat deze psalm zo hoog verheft. Dat woord voerde de zoekers naar de berg Sinaï, met zijn rookwolken en zijn flikkerende toppen. En ze volgden het verder, naar de olijfbomen van Gethsémané, waar ze getuige werden van een geheimzinnige worsteling in bloedzweet en doodsangst. Daarna naar Golgotha, waar op de Schedelplaats het leven en de onsterfelijkheid aan het licht komen. Pas daar begint de heilige zoektocht echt.
- Hoe de zoektocht verloopt. Zoekers kunnen onterecht moedeloos worden als ze het “van ganser harte” zo letterlijk opvatten. Toch aarzelen we niet om te zeggen dat een rivier met haar hele watermassa naar zee stroomt, ook al zijn er kleine zijkreken waarin het water terugdraait. Of dat het tij opkomt, ook al trekken de golven zich terug. Of dat de lente er is, ondanks hagelbuien en bijtende wind. Het wijst op: (a) eenheid, (b) intensiteit.
(c) Vastberadenheid.
Niemand zet deze zoektocht goed voort als de genadige Geest hem er niet toe aanzet of erin steunt.
- Zaligheid, zowel onderweg als aan het eind.
(a) Zaligheid midden in de bitterheid van het berouw. De deurkruk die Hij aanraakte, druppelt van mirre. De opkomende zon werpt vurige stralen op de hoogste bergtoppen.
(b) Zaligheid in het blije vinden van behoud en aanneming tot kind.
(c) Zaligheid in het blijven zoeken. — William Anderson, van Reading, 1882.
Vers 2
De dubbele zegen.
- Een zegen op het bewaren van de getuigenissen.
- Een zegen op het zoeken van de Heere.
Vers 2
“Die Hem van ganser harte zoeken.”
- Wat zoek je? God Zelf. Geen rust, totdat je Hem gevonden hebt.
- Waar zoek je? In Zijn getuigenissen.
(a) Door ze te bestuderen.
(b) Door ze te blijven volgen.
- Hoe zoek je? Met het hele hart. — George Rogers.
Vers 2
Op zoek naar God.
- Hoe de psalmist God zocht.
(a) Hij zocht God met zijn hart. Alleen het hart kan God vinden. De ogen schieten tekort.
“De wetenschappelijke methode” schiet tekort. Alle redeneren schiet tekort. Alleen liefde en vertrouwen kunnen slagen. Liefde ziet veel waar elke andere waarneming niets vindt. Geloof en ontdekking gaan meestal samen, en nergens zozeer als bij het vinden van God.
(b) Hij zocht God met zijn héle hart.
(1) Met een half hart vind je zelden iets wat de moeite waard is.
(2) Een half hart toont geringschatting van God.
(3) God zal Zich niet laten kennen aan een half hart. Dat zou de allerhoogste beloning zetten op onverschilligheid.
- Waarom de psalmist zo bidt terwijl hij God zoekt: “laat mij van Uw geboden niet afdwalen.”
(a) Gods geboden leiden ons al gauw naar Zijn eigen aanwezigheid. Neem alleen al de zedenwet. Elk van de tien geboden voert ons weg van de wereld en de zonde, naar die afgezonderde heiligheid waarin Hij Zich verbergt. Zo is het met alle geboden in de Schrift.
(b) Hoe ernstig de ziel naar God zoekt, is zelf al een smeekbede tot Hem, dat Hij Zich door ons wil laten vinden. God houdt van volhardend bidden. Hij houdt er niet minder van als die volharding de vorm krijgt van zoeken met heel het hart. Wie met heel zijn hart zoekt, krijgt daardoor een bijzondere moed om te bidden: “laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” — F.G. Marchant.
Vers 2
“Die Hem … zoeken.” Er zijn zes voorwaarden die we niet mogen vergeten voor wie de Heere op de juiste manier willen zoeken.
- We moeten Hem zoeken in Christus, de Middelaar. Joh. 14:6.
- We moeten Hem zoeken in waarheid. Jer. 10:10, Joh. 4:24, Ps. 7:7.
- We moeten Hem zoeken in heiligheid. 2 Tim. 2:19, Hebr. 12:14, 1 Joh. 1:3.
- We moeten Hem zoeken boven alles en om Zichzelf.
- We moeten Hem zoeken bij het licht van Zijn eigen woord.
- We moeten Hem zoeken met ijver en met een lange adem. We rusten pas als we Hem gevonden hebben, zoals de bruid in het Hooglied. — William Cowper.
Verzen 2, 4, 5, 8
“Welgelukzalig zijn zij, die … onderhouden.” “Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” “Och, dat mijn wegen gericht werden.” “Ik zal Uw inzettingen bewaren.” De zaligheid van het onderhouden van Gods bevelen wordt getoond (Ps. 119:2), geboden (Ps. 119:4), gewenst (Ps. 119:5) en vastbesloten nagestreefd (Ps. 119:8). — C.A.D.
Uitleg
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Gelukkig zijn de mensen van wie je dit zonder enig voorbehoud en zonder uitleg zou kunnen zeggen! We bereiken het land van de zuivere zaligheid pas wanneer we helemaal met de zonde hebben gebroken. Wie Gods woord volgt, doet geen onrecht. De regel is volmaakt; wordt hij steeds gevolgd, dan sluipt er geen fout in. Voor een buitenstaander bestaat het leven in elk geval grotendeels uit doen. Wie in alles wat hij doet nooit afwijkt van wat recht is, tegenover God én tegenover mensen, heeft de weg van de volmaaktheid gevonden. En dan kunnen we er zeker van zijn dat zijn hart goed zit.
Zie hoe een heel hart ertoe leidt dat we het kwaad mijden. De psalmist zegt immers: “die Hem van ganser harte zoeken; ook geen onrecht werken.” Wij vrezen dat niemand kan beweren helemaal zonder zonde te zijn. Toch vertrouwen we erop dat velen niet met opzet, willens en wetens en voortdurend iets doen wat slecht, goddeloos of onrechtvaardig is. De genade houdt het leven rechtvaardig waar het om daden gaat, ook al moet de christen nog steeds treuren over de overtredingen van zijn hart. Bekijk je Gods ware kinderen zoals mensen elkaar horen te beoordelen, volgens de eerlijke regels die mensen voor elkaar maken, dan doen zij geen onrecht. Ze zijn eerlijk, oprecht en kuis. Op het gebied van recht en zedelijkheid valt hun niets te verwijten. Daarom zijn ze gelukkig te noemen.
“Maar wandelen in Zijn wegen.” Zij letten niet alleen op de grote hoofdweg van de wet, maar ook op de kleinere zijpaden van de afzonderlijke geboden. Zoals ze geen zonde van doen zullen begaan, zo werken ze er ook aan om vrij te zijn van elke zonde van nalaten. Onberispelijk zijn is hun niet genoeg; ze willen ook actief goed doen. Een kluizenaar kan de eenzaamheid in vluchten om maar geen onrecht te doen. Een heilige blijft juist onder de mensen leven, om zijn God te dienen door in Zijn wegen te wandelen. We moeten goed zijn in wat we laten én in wat we doen. Het eerste houden we niet lang vol als we het tweede verwaarlozen. Mensen lopen immers altijd ergens heen, en volgen ze het pad van Gods wet niet, dan doen ze al snel onrecht. De zekerste manier om het kwaad te laten, is helemaal op te gaan in het goede doen.
Dit vers schetst de gelovigen zoals je ze onder ons tegenkomt, in het gewone leven. Ze hebben hun gebreken en zwakheden, maar ze haten het kwaad en staan zichzelf niet toe het te doen. Ze houden oprecht van de wegen van de waarheid, van het recht en van echte godsvrucht, en ze lopen er gewoonlijk op. Ze beweren niet volmaakt te zijn, behalve in hun verlangens. Daarin zijn ze wél zuiver, want ze snakken ernaar bewaard te worden voor elke zonde en geleid te worden in alle heiligheid.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Iemand zal hier vragen: hoe kan het dat wie in Gods wegen wandelen geen onrecht doen? Er leeft toch niemand die niet zondigt? En zijn ze niet zonder zonde, hoe zijn ze dan gezegend? Het antwoord luidt: over onze kennis zegt de apostel: “wij kennen ten dele.” Net zo is ons geluk hier op aarde maar gedeeltelijk. Voor de engelen bestaat het geluk erin dat ze nooit hebben gezondigd. Voor de zegevierende heiligen bestaat het erin dat ze weliswaar zondaars zijn geweest, maar nu niet meer zondigen. Voor de strijdende heiligen, zoals wij, bestaat het erin dat onze zonden vergeven zijn. De zonde woont nog wel in ons, maar ze heerst niet meer over ons. Ze gebeurt in ons, maar niet met onze instemming: “het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.” “Zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont”, Rom. 7:20.
Om onrecht te doen moeten er drie dingen samenkomen. Eerst moet je het van plan zijn. Dan moet je er plezier in hebben. En ten slotte moet je ermee doorgaan. Bij Gods kinderen komen die drie nooit samen. Wanneer de oude mens in hen zonden doet, maakt de nieuwe mens daar namelijk bezwaar tegen en protesteert hij. “Ik ben het niet”, zegt hij. Hij vindt er zo weinig plezier in dat zijn ziel er juist verdriet van heeft. Zo ging het ook Lot: hij woonde tussen de Sodomieten en werd gekweld door alles wat hij van hun goddeloze daden hoorde en zag.
Kortom: Gods kinderen ondergaan de zonde tegen hun wil, meer dan dat ze haar met hun wil bedrijven. Ze lijken op mensen die geestelijk onderdrukt worden door de macht van hun vijand. Daarover zuchten ze en roepen ze tot God: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” In die zin zegt de apostel: “Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet” (1 Joh. 3:9). — William Cowper.
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Dit is de zaligheid van wie in de wet wandelen: zij doen, of hebben gedaan, geen kwaad. Zij wandelen, of hebben altijd gewandeld, in Zijn wegen. In heel deze psalm valt op dat de dichter soms de tegenwoordige tijd gebruikt, voor wat nu gebeurt, en soms de voltooid tegenwoordige tijd, voor wat in het verleden begon en nog steeds doorgaat. Zie Ps. 119:10-11, Ps. 119:13-14, Ps. 119:21, Ps. 119:51-61, Ps. 119:101-102, Ps. 119:131, Ps. 119:145, Ps. 119:147. — “The Speaker’s Commentary”, 1873.
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Dat betekent: ze maken er geen beroep en geen gewoonte van. Misstappen maken ze wel, door de zwakheid van het vlees, de sluwheid van de satan en de lokkingen van de wereld. Maar ze zetten hun weg niet voort op verboden en zondige paden, zoals anderen dat gewoonlijk doen. De psalmist noemt het als een deel van de zaligheid, en niet het minste deel, dat wie in Zijn wegen wandelen geen onrecht werken. De les die we hieruit leren, is dat het een wonderbaar groot voorrecht is om vrij te zijn van de slavernij van de zonde. — Richard Greenham.
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Wie door de genade vernieuwd is en door Christus Jezus met God verzoend, rekent God geen zonde toe die tot veroordeling leidt. In Zijn boekhouding doen zij geen onrecht. Opmerkelijk is wat over David wordt gezegd: “die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen” (1 Kon. 14:8). Hoe kan dat? We kunnen David volgen langs zijn tekortkomingen, die overal in het woord vermeld staan. Toch hangt hier een sluier overheen: God rekende ze hem niet aan.
Er zijn redenen waarom hun tekortkomingen hun niet worden aangerekend. Ten eerste vanwege hun algemene positie. Ze zijn in Christus en door Hem in genade aangenomen. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn” (Rom. 8:1). Daarom verandert een afzonderlijke dwaling of uitglijder niets aan hun staat. Dat mag je niet zo opvatten dat een mens zich niet hoeft te verootmoedigen en God niet om vergeving hoeft te vragen voor zijn zwakheden. Nee. Doet hij dat niet, dan blijken het wel degelijk ongerechtigheden te zijn, en dan blijven ze tegen hem op de lijst staan.
De valentinianen hadden een grove inbeelding. Zij hielden vol dat de zonde hen niet bevlekte, wat ze ook deden. Ook al waren het gemene, schunnige types, toch bleven ze als goud in het slijk. Nee, nee: we moeten onszelf door bekering herstellen en Gods gunst zoeken. Toen David zich verootmoedigde en berouw toonde, zei Nathan: “De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen” (2 Sam. 12:13).
Ten tweede komt het doordat hun neiging en gewone richting een andere is. Ze zetten zich in om Gods wil te volgen en de Heere te zoeken en te dienen, ook al worden ze door veel zwakheden gehinderd. Een goddeloos mens zondigt met overleg en plezier; zijn neiging is kwaad te doen. Hij “verzorgt het vlees … tot begeerlijkheden” (Rom. 13:14) en dient die begeerten vrijwillig (Tit. 3:3). Maar wie door de genade vernieuwd is, is geen “schuldenaar” van het vlees. Zo iemand heeft een andere schuld en plicht op zich genomen: de Heere dienen (Rom. 8:12).
Ten derde komt het doordat hun algemene koers en levensweg een andere is. Alles werkt volgens zijn aard, zoals een boom zijn eigen vrucht draagt. Wat de natuur voortdurend doet, past bij haar soort; zo past ook alles wat het nieuwe schepsel voortdurend doet bij de genade. Je kent een mens aan zijn gewoonte: de richting van zijn streven laat zien waar hij mee bezig is. Wie steeds, makkelijk en vaak tot zonde wordt meegesleurd, laat zien hoe zijn ziel en zijn hart in elkaar zitten. Weilanden kunnen onderlopen, maar moerasgrond verdrinkt bij elke vloed. Een kind van God kan zo nu en dan worden meegesleurd en tegen de neiging van zijn nieuwe natuur in handelen. Maar worden mensen bij elke nieuwe verleiding overspoeld en overwonnen, dan wijst dat op een gewoonte van zonde.
En ten vierde komt het doordat de zonde nooit helemaal de macht grijpt. De nieuwe natuur voelt afkeer en biedt weerstand. Gods kinderen maken er een punt van om alle zonde te vermijden, door te waken, te bidden en te doden. “Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong” (Ps. 39:2). Zo is er verzet tegen de zonde. God heeft genadegaven in hun hart geplant, zoals de vreze voor Zijn Majesteit, en die zet zich schrap. Daarom keuren zij niet helemaal goed wat ze doen. Soms is dat verzet sterker, en dan wordt de verleiding overwonnen: “hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” (Gen. 39:9).
Soms is het zwakker, en dan wint de zonde, ook al is dat tegen de wil van de heilige: “maar hetgeen ik haat, dat doe ik” (Rom. 7:15; Rom. 7:18). Het is het kwaad dat ze haten. Ze protesteren ertegen en lijken op mensen die door de macht van de vijand worden onderdrukt. Daarna volgt er wroeging over de zonde: Davids hart sloeg hem. Het doet hun pijn en ze schamen zich dat ze kwaad doen. Gevoeligheid hoort bij de nieuwe natuur. Petrus zondigde schandelijk, maar hij ging naar buiten en weende bitter. — Thomas Manton.
Vers 3
Wie hun zonden hebben gedood, leven in de tegenovergestelde genadegaven. Daarom zegt de psalmist dat ze geen onrecht werken, maar op Zijn wegen wandelen. Eerst kruisigen ze al hun zonden: ze werken “geen onrecht”. Daarna volgen ze, juist omdat ze geen onrecht doen, alle wegen van God die tegenover dat onrecht staan. Zoals ze alle wegen van de zonde loslaten, zo gaan ze alle wegen van de genade. In de godgeleerdheid geldt de regel dat de genade de natuur niet wegneemt. Dat betekent dat de genade niet komt om iemands gevoelens en verlangens af te nemen, maar om ze over te nemen en te gebruiken. — William Fenner, 1600-1640.
Vers 3
“Maar wandelen in Zijn wegen.” Dit wijst hen terecht die zich tevredenstellen met wat ze niet doen. Van een zekere keizer zei men dat hij eerder niet slecht was dan goed. Bij veel mensen draait heel hun godsdienst om het woordje niet: “of ook gelijk deze tollenaar” (Luk. 18:11). Een akker deugt niet als hij geen goede oogst geeft, ook al brengt hij geen doornen en distels voort. Niet alleen de ongehoorzame knecht die zijn medeknecht sloeg en at en dronk met de dronkaards, wordt in de hel geworpen. Ook de luie knecht belandt daar, die zijn talent in een zweetdoek wikkelde.
Meroz wordt vervloekt, niet omdat het zich verzette en vocht, maar omdat het niet hielp (Richt. 5:23). De rijke man nam Lazarus zijn eten niet af, maar hij gaf hem ook geen kruimel. Velen zeggen: ik stel geen andere goden naast Hem. Goed, maar houd je van de ware God, heb je ontzag voor Hem en gehoorzaam je Hem? Zo niet, dan schiet je tekort in het eerste gebod. Over het tweede zeg je: ik verafschuw afgoden. Maar vind je ook vreugde in Zijn instellingen? Ik zweer niet en ik scheur de naam van God niet met vervloekte eden. Prima, maar verheerlijk en eer je God ook? Ik ontheilig de sabbat niet. Maar heilig je hem ook? Je ploegt niet en je danst niet, maar je bent lui en verspeelt de sabbat met nietsdoen.
Je doet je ouders geen onrecht, maar heb je ook eerbied voor hen? Je doodt niet, maar doe je je naaste ook goed? Je bent geen overspelige, maar leg je je ook toe op matigheid en heilige nuchterheid in alles? Je bent geen lasteraar, maar zorg je voor de eer en de goede naam van je naaste zoals voor je eigen? Meestal schrappen mensen de helft van hun rekening. Zo liet de onrechtvaardige rentmeester de schuldenaar van zijn heer vijftig opschrijven, terwijl die er honderd schuldig was. Aan zonden van nalatigheid denken we niet. Zijn we geen dronkaard, overspeler of goddeloze, dan staan we er niet bij stil wat het is om God de eerbied en Zijn heilige Majesteit het ontzag te onthouden. — Thomas Manton.
Vers 3
“Wandelen in Zijn wegen.” Dus niet op de wegen van Zijn vijanden, en zelfs niet op hun eigen wegen. — Joseph Addison Alexander, 1860.
Vers 3
“Wandelen in Zijn wegen.” Dat doen ze gewoonlijk, voortdurend en kenmerkend. Ze zijn niet alleen eerlijk, oprecht en rechtvaardig in de omgang met mensen. Ze wandelen ook in de wegen van God: ze zijn godsdienstig. — Albert Barnes, 1798-1870.
Wenken voor predikers
Vers 3
“Ook geen onrecht werken.” Ze werken geen onrecht: 1. Uit een voornemen van het hart. 2. Uit genoegen. 3. Uit volharding. 4. Helemaal niet, wanneer het hart volledig aan God is gewijd, omdat Christus er door het geloof in woont en de zonde eruit verdrijft. — Adam Clarke.
Vers 3
De verhouding tussen negatieve en positieve deugd. Of: bij God de beste bescherming tegen onrecht.
Uitleg
Vers 4
“Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” Als we alles hebben gedaan, zijn we dus nog onnutte dienstknechten. We hebben alleen gedaan wat onze plicht was, want ons is het bevel van onze Heere gegeven. Gods bevelen vragen om zorgvuldige gehoorzaamheid; je houdt ze niet toevallig. Sommigen dienen God op een nonchalante manier, met een gehoorzaamheid van wie het wel ziet. Maar die dienst heeft de Heere niet geboden, en Hij neemt haar ook niet aan. Zijn wet vraagt de liefde van heel ons hart, onze hele ziel, ons hele verstand en al onze kracht. Een slordige godsdienst heeft daar niets van.
We zijn ook geroepen tot een ijverige gehoorzaamheid (Engels: diligently, ijverig). We moeten de bevelen rijkelijk onderhouden. De kruiken van de gehoorzaamheid moeten tot de rand gevuld worden, en een gebod moet worden uitgevoerd tot in het laatste stukje van wat het betekent. Wie ijverig is in zijn bedrijf, spoort zichzelf aan om zoveel mogelijk zaken te doen. Zo moeten ook wij gretig zijn om de Heere zoveel mogelijk te dienen. En daarbij mogen we geen moeite sparen, want een ijverige gehoorzaamheid kost werk en vraagt dat je jezelf verloochent. Wie ijverig is in zijn zaak, staat vroeg op en blijft laat op, en ontzegt zichzelf veel gemak en rust. Zo iemand wordt niet snel moe, en is hij het wel, dan gaat hij door met pijn in zijn hoofd en vermoeide ogen.
Zo moeten ook wij de Heere dienen. Zo’n Meester verdient ijverige dienaren. Zulke dienst eist Hij, en met minder is Hij niet tevreden. Hoe zelden geven mensen die! Daardoor missen velen, door hun nalatigheid, de dubbele zegen waar deze psalm over spreekt.
Sommigen zijn ijverig in bijgeloof en zelfbedachte vormen van godsdienst. Laat het ons deel zijn dat we ijverig zijn in het onderhouden van Gods bevelen. Het heeft geen zin snel te reizen als we op de verkeerde weg zitten. Er zijn mensen geweest die ijverig waren in een verliesgevend bedrijf: hoe meer ze handelden, hoe meer ze verloren. In de handel is dat al erg genoeg, maar in ons geloofsleven kunnen we ons dat niet veroorloven. God heeft ons niet geboden ijverig voorschriften te bedenken, maar ze ijverig te onderhouden. Sommigen leggen zichzelf een juk op de nek en maken knellende regels voor anderen. De wijze weg is tevreden te zijn met de regels van de Heilige Schrift en te proberen die allemaal te houden, overal, tegenover alle mensen en in alle opzichten. Doen we dat niet, dan kunnen we in onze eigen godsdienst uitblinken, maar dan hebben we Gods gebod niet gehouden en neemt Hij ons ook niet aan.
De psalmist begon in de derde persoon, met “zij”. Nu komt hij dichter bij huis. In onze vertaling (Engels: Thou hast commanded us, U hebt ons geboden) is hij al bij het “wij” aangekomen, en straks horen we hem persoonlijk en voor zichzelf uitroepen. Dat is logisch. Gloeit ons hart van liefde voor heiligheid, dan willen we er zelf deel aan hebben. Gods woord is een boek dat het hart diep raakt. Beginnen we de lof ervan te zingen, dan komt het al gauw bij onszelf terecht, en gaan we bidden dat wijzelf gevormd worden naar wat het ons leert.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 4
“Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” Of je heilige toespraken, godgeleerde lectuur en uitleg van het Heilige Boek hoort of verwaarloost, is geen onbelangrijke zaak die aan het oordeel van mensen wordt overgelaten. God heeft het geboden. Hij heeft het niet terloops geboden, bij het spreken over iets anders, maar meod: ernstig en met nadruk heeft Hij ons geboden Zijn bevelen te onderhouden. Wat er in Deut. 6:6 staat, zou in onze gedachten moeten zijn ingeprent: “En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.” Net als Matth. 17:5: “hoort Hem!”, en Joh. 5:39: “Onderzoekt de Schriften”. Studenten in de godgeleerdheid moeten er bovenal aan denken wat Paulus voorschrijft in 1 Tim. 4:13: “Houd aan in het lezen.” — Solomon Gesner.
Vers 4
“Gij hebt geboden…” enzovoort. Heeft God ons opgedragen om Zijn bevelen zo uiterst zorgvuldig en ijverig te houden? Laat dan niets ons daar nog vanaf brengen, ook niet in het allerkleinste detail. Laten we niets onnodig, nietig of overbodig vinden waarvoor we een bevel hebben uit Zijn woord. En laten we mensen die er standvastig voor opkomen niet te wijs of te precies noemen. Eist de Heere iets, laten we dan op de weg van gehoorzaamheid blijven, ook al spreekt de wereld het tegen en worden we erom bespot en slecht behandeld. — Richard Greenham.
Vers 4
“Zeer” (Engels: diligently, ijverig). Er zijn drie redenen waarom we de geboden van de Heere ijverig moeten onderhouden. Ten eerste is onze tegenstander ijverig in het verzoeken. Hij wil ons in de val laten lopen door die geboden te overtreden, en hij gaat dag en nacht rond om te zoeken wie hij kan verslinden. Ten tweede zijn we zelf zwak en broos, en daarom moeten we des te ijveriger op onszelf letten. Ten derde lijden we groot verlies door elk voordeel dat de satan op ons behaalt. We merken uit ervaring dat een wond sneller is geslagen dan genezen. Zo loop je ook gemakkelijk een schuldig geweten op, maar raak je het niet even gemakkelijk weer kwijt. — William Cowper.
Vers 4
“Zeer” (Engels: ijverig). In dit vers herinnert hij de lezer eraan dat hij heel goed wist hoe streng (ernstig) het bestuderen van de goddelijke wet moet zijn. God heeft immers geboden dat zij ijverig onderhouden wordt, dat wil zeggen met de diepste studie. Zij is het enige wat goed is, en alles wat zij gebiedt, is goed. — Antonio Brucioli, 1534.
Vers 4
Het woord dat hier met “zeer” is vertaald, betekent in de grondtaal “wonderlijk veel”. De woorden komen dan zo te staan: “Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen wonderlijk veel bewaren zal.” — Richard Greenham.
Vers 4-5
“Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal”, Ps. 119:4. Dat is Gods gebiedende wijs. “Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!”, Ps. 119:5. Dat zou onze wensende wijs moeten zijn. — Thomas Adams, 1614.
Vers 4-5
Wie David bekijkt, ziet iets opvallends. Hij bidt zo vurig: “Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!” En als reden stelt hij vooraan: “Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” Daarmee laat hij merken waarop zijn gehoorzaamheid aan Gods bevelen rustte: op het stempel van het goddelijke gezag dat hem die bevelen oplegde. Daarom zegt hij ook in Ps. 119:94: “ik heb Uw bevelen gezocht.” Zo geeft hij te kennen dat hij in zijn gehoorzaamheid zocht Gods wil te vervullen. Echte gehoorzaamheid is alleen en precies wat gebeurt intuitu voluntatis divinae, met het oog op de goddelijke wil en gericht op die wil.
Zoals alleen dát een goddelijk geloof is dat een waarheid gelooft, niet vanwege menselijke redenering maar vanwege goddelijke openbaring, zo is alleen dát ware gehoorzaamheid die zich naar het gebod voegt, niet omdat het kan samengaan met eigenbelang, maar omdat het de afdruk draagt van Christus’ gezag. — Nathanael Hardy.
Wenken voor predikers
Vers 4
- Let op de Wetgever: “Gij.” Niet je gelijke, die je kunt dwarsbomen, maar de grote God.
- Hij heeft Zijn gezag erbij gebracht: “Gij hebt geboden.”
- De aard van deze gehoorzaamheid, en van wat geboden is: “dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” — T. Manton.
Vers 4
Het aanvullende gebod. Nadat God de zedenwet had gegeven, vult Hij haar aan met een gebod over de manier waarop ze gehouden moet worden. Hieruit volgt:
- God staat er niet onverschillig tegenover hoe mensen met Zijn wet omgaan: of ze haar onderhouden, verwaarlozen of trotseren.
- Wordt ze onderhouden, dan let Hij op de geest waarmee dat gebeurt: slaafs, half of ijverig.
- Er is maar één geest van gehoorzaamheid die aan de eis voldoet. “Zeer” (Engels: ijverig) betekent een gehoorzaamheid die zorgvuldig uitzoekt wat de wet zegt, snel is in het doen ervan (Ps. 119:60), niets achterhoudt en uit liefde voortkomt (“ijverig” had via het Latijn vroeger de betekenis “liefdevol”, Ps. 119:47; Ps. 119:113).
- Haalt onze gehoorzaamheid deze maat? — C.A.D.
Vers 4
Er wordt niet alleen dienst geboden, maar ook de manier waarop. Hartelijkheid, zorg en volharding zijn nodig. Zonder die zal onze dienst niet gelijkmatig zijn en geen overwinning behalen op moeilijkheden.
Vers 4
Hoe moeten we gehoorzamen? “Zeer” (Engels: ijverig).
- Niet half, maar helemaal.
- Niet twijfelend, maar vol vertrouwen.
- Niet onwillig, maar gewillig.
- Niet slordig, maar zorgvuldig.
- Niet koel, maar vol ernst.
- Niet bij vlagen, maar regelmatig. — W. J.
Vers 4-6
Een bereidwillige erkenning (Ps. 119:4). Een vurig verlangen (Ps. 119:5). Een gelukkig gevolg (Ps. 119:6). — W. D.
Uitleg
Vers 5
“Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!” Wat we aan God vragen, moet bepaald worden door Zijn geboden. Uit onszelf zijn we niet in staat om Gods inzettingen te houden op de manier waarop Hij dat wil. Toch verlangen we er hevig naar. Waar kunnen we dan nog heen, behalve naar het gebed? We moeten de Heere smeken al onze werken in ons te werken; doet Hij dat niet, dan voeren we Zijn geboden nooit uit. Dit vers is een zucht van spijt: de psalmist voelt dat hij de bevelen niet ijverig genoeg heeft gehouden. Het is ook een zwakke hulpkreet, gericht tot Hem Die kan helpen. Het is de verlegen vraag van iemand die verdwaald is en graag weer de goede richting wil krijgen. En het is de smeking van een gelovige, die God liefheeft en bij Hem genade zoekt.
Van nature lopen onze wegen tegen de weg van God in. Ze moeten door de leiding en de hand van de Heere een andere kant op worden gebogen dan waar ze zelf heen gaan; anders voeren ze ons naar het verderf. God kan ons denken en onze wil sturen zonder onze eigen vrijheid geweld aan te doen, en Hij doet dat als antwoord op gebed. Sterker nog: bij wie van harte bidt zoals in dit vers, is Hij al met dat werk begonnen. Het verlangen in het hart gaat uit naar heiligheid, nu: ach, was het maar nu al zo met mij! Maar ook heiligheid voor later is bedoeld, die volhardt. De psalmist verlangt immers naar genade om vanaf nu tot in eeuwigheid de inzettingen van de Heere te bewaren.
De zucht in de tekst is eigenlijk gewoon een gebed, ook al heeft hij niet precies de vorm van een gebed. Verlangen en hunkeren vormen de kern van elke smeking, en de vorm doet er nauwelijks toe. Een “Och, dat” is een even welkom gebed als een “Onze Vader”.
Je zou hier nauwelijks een gebed om leiding verwachten; een smeking om kracht ligt meer voor de hand. Kunnen we onszelf dan niet de goede kant op sturen? Roeien lukt misschien niet, maar sturen toch zeker wel? Toch belijdt de psalmist hier dat hij zelfs het kleinste stukje van zijn plicht zonder genade niet aankan. Hij wilde dat de Heere zijn wil zou leiden én zijn handen sterk zou maken. We hebben een wegwijzer nodig die de richting aanwijst, net zozeer als een staf die ons onderweg ondersteunt.
Wat de dichter in deze tekst zo diep doet verlangen, is zijn bewondering voor de zaligheid van de heiligheid. Het komt ook doordat hij het mooie karakter van de rechtvaardige overdenkt en eerbiedig ontzag heeft voor het gebod van God. Het is een persoonlijke toepassing op zijn eigen geval van de waarheden die hij had overwogen. “Och, dat mijn wegen” enzovoort. Het zou heel goed zijn als iedereen die het woord hoort en leest dit voorbeeld volgt, en alles wat hij hoort omzet in gebed. Dan zouden er meer mensen zijn die de inzettingen bewaren, want er zouden meer mensen zijn die zuchten en roepen om de genade daarvoor.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 5
Als we nagaan hoe dit vers aansluit op het vorige, valt op hoe zuiver het midden bewaard wordt. We blijven op gelijke afstand van twee dwalingen: de gedachte dat we zelf Gods inzettingen kunnen houden, en de gedachte dat we onszelf rechtvaardigen als we ze verwaarlozen. Bij de eerste poging tot geestelijke gehoorzaamheid raken we er al snel van overtuigd dat we volstrekt hulpeloos zijn. We zouden net zo goed een wereld kunnen scheppen als in ons hart één hartslag van geestelijk leven. Toch heft ons onvermogen onze verplichting niet op. Het is de onmacht van een hart dat zich “der wet Gods niet” onderwerpt, “want het kan ook niet”. Dat komt alleen doordat het vleselijk is en dus “vijandschap is tegen God”.
Ons onvermogen is onze zonde, onze schuld en onze veroordeling. Het verontschuldigt onze toestand niet, maar sluit ons de mond en laat ons zonder enig verweer voor God staan. Onze verplichting blijft dus ten volle bestaan: we moeten Gods geboden gehoorzamen, of we nu kunnen of niet. Wat blijft er dan over? Het bevel terugsturen naar de hemel, met een ernstig gebed erbij: dat de Heere de inzettingen waaraan Hij in Zijn woord gehoorzaamheid eist, op ons hart wil schrijven. “Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.” Heere, wij erkennen onze verplichting, maar we voelen ons onvermogen. Heere, help ons; we zien naar U op. “Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!” — Charles Bridges, 1849.
Vers 5
“Och, dat” enzovoort. In het vorige vers let de profeet David op de opdracht van God: dat Zijn geboden ijverig worden gehouden. Hier let hij op zijn eigen zwakheid en onvermogen om die grote plicht uit te voeren. Met zijn geest wil hij het wel, maar met zijn vlees lukt het hem niet. Daarom barst hij los met deze woorden: “Och, dat mijn wegen gericht werden” enzovoort. Hij is als een kind dat de opdracht krijgt om een zwaar gewicht van de grond te tillen: het wil dat graag, maar het kan het niet. Of als een zieke die het advies krijgt om vele rondjes door zijn kamer te lopen: het verlangen daartoe leeft in zijn hart, maar zijn lichaam kan niet wat hem is aangeraden. — Richard Greenham.
Vers 5
“Och, dat mijn wegen” enzovoort. Gods volk hoort voorschriften om te zetten in gebeden; dat is zijn plicht. Dat Gods kinderen dat doen, blijkt hieruit: “Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!” (Jer. 31:18). God had gezegd: “bekeert u en leeft.” En zij vragen aan God: “bekeer ons”, net zoals Hij het van hen had gevraagd. Augustinus bad: Da quod jubes, et jube quod vis, “Geef wat U gebiedt en gebied wat U wilt.” De heiligen moeten dit doen, en dat om twee redenen.
Ten eerste past het bij het verbond van het evangelie. Daar lopen voorschriften en beloften naast elkaar. God geeft er wat Hij gebiedt, en werkt al ons werk in ons en voor ons. Het zijn niet slechts voorwaarden van het verbond; ze horen er zelf bij. Wat God van ons vraagt, mogen wij ook van Hem vragen. God is geen farao, die bakstenen eist terwijl hij geen stro geeft. Lex jubet, gracia juvat. De artikelen van het nieuwe verbond staan niet alleen in de vorm van geboden, maar ook in de vorm van beloften. De wet geeft geen enkele kracht om iets te doen; het evangelie biedt wél genade.
Ten tweede bereikt God zo Zijn doelen. Waarom eist Hij van ons wat wij met eigen kracht niet kunnen? Hij doet het: (1.) om Zijn recht te bewaren; (2.) om ons ervan te overtuigen dat wij niets kunnen en dat wij, als het erop aankomt, zonder Zijn genade Zijn werk niet kunnen doen; (3.) zodat het schepsel kan tonen dat het gehoorzamen wil; (4.) om ons aan Zijn voeten te leggen, smekend om genade. — Thomas Manton.
Vers 5
“Och, dat” enzovoort. Het hele leven van een goede christen is een heilig verlangen, zegt Augustinus. En dat wordt altijd gevolgd door inzet. Zonder die inzet is het verlangen als Rachel: mooi, maar onvruchtbaar. — John Trapp.
Vers 5
“Och, dat mijn wegen gericht werden” enzovoort. Het oorspronkelijke woord, kun, wordt soms vertaald met “bevestigen”. Het lijkt dan alsof de profeet voor zichzelf de deugd van volharding vraagt. Zelf denk ik liever aan “richten”. Want God onderwijst ons weliswaar helder in Zijn wet, maar door ons botte verstand en ons verdraaide hart hebben we voortdurend de leiding van Zijn Geest nodig. — John Calvin.
Wenken voor predikers
Vers 5
Het gebed van de genadigen.
- Opgeroepen door elk van de voorgaande zegenspreuken.
- Door het besef dat we tekortschieten.
- Door liefdevol vasthouden aan de Heere.
Vers 5
- Het gewenste doel: “om Uw inzettingen te bewaren.” Niet alleen om veilig of gelukkig te zijn, maar om heilig te zijn.
- De hulp waar hij om smeekt.
(a) Om de goddelijke voorschriften te begrijpen.
(b) Om ze te onderhouden. — G. R.
Vers 5
Verlangen om te gehoorzamen.
- Het is een edel verlangen. Niets is groter dan het verlangen om dit te doen, behalve het doen zelf.
- Het is een geestelijk verlangen. Het komt niet voort uit onze vleselijke natuur. Het is het hart van God in het nieuwe schepsel.
- Het is een haalbaar verlangen. Soms zuchten we naar iets onmogelijks, maar dit kunnen we door Gods genade bereiken.
- Het is een intens verlangen. Het is het “Och!” van een brandende wens.
- Het is een verlangen met invloed. Het verdwijnt niet in zuchten. Het is een krachtige drijfveer die door de genade in ons is gelegd, en die ons geen rust laat zonder heiligheid. — W. J.
Uitleg
Vers 6
“Dan zou ik niet beschaamd worden.” Hij heeft schaamte gekend. Nu verheugt hij zich al op de bevrijding daarvan en ziet hij ernaar uit. Zonde brengt schaamte, en is de zonde weg, dan is ook de reden om je te schamen verdwenen. Wat een bevrijding is dat! Voor sommige mensen is de dood immers beter dan schaamte.
“Wanneer ik merken zou op al Uw geboden.” Heeft hij ontzag voor God, dan zal hij ook zichzelf kunnen respecteren en door anderen worden gerespecteerd. Telkens als we dwalen, maken we ons klaar voor een rood gezicht en een zwaar hart. Schaamt niemand zich voor mij, dan nog zal ik me voor mezelf schamen als ik onrecht doe. Onze eerste ouders hadden geen idee wat schaamte was, tot ze kennismaakten met de oude slang. Die schaamte bleef bij hen, totdat hun genadige God hen kleedde met de huiden van offerdieren. Door ongehoorzaamheid stonden ze naakt en beschaamd.
Ook wij hebben altijd reden tot schaamte, zolang er nog zonde is die we niet hebben overwonnen en plicht die we niet hebben gedaan. Letten we voortdurend en in alles op de wil van de Heere, dan kunnen we onszelf in de spiegel van de wet recht in de ogen kijken. Dan blozen we niet voor mensen of duivels, hoe vurig hun boosaardigheid ook probeert ons iets ten laste te leggen.
Velen worstelen met te grote schuchterheid, en dit vers wijst een geneesmiddel aan. Een vast plichtsbesef maakt ons moedig; we worden bang om bang te zijn. Schaamte voor mensen houdt ons niet langer tegen, zodra de vreze Gods ons denken helemaal vult. Wie overdag op de koninklijke weg loopt en bezig is met koninklijke zaken, hoeft niemand om toestemming te vragen. Het zou de koning oneer aandoen als iemand zich schaamde voor zijn livrei en voor zijn dienst. Zulke schaamte hoort nooit het gezicht van een christen rood te kleuren. En dat gebeurt ook niet, als hij de Heere, zijn God, de verschuldigde eerbied geeft.
In een heilig leven valt niets te schamen. Een mens kan zich schamen voor zijn trots, voor zijn rijkdom, ja, voor zijn eigen kinderen. Maar hij zal zich nooit schamen dat hij in alle dingen de wil van de Heere, zijn God, heeft gerespecteerd.
Let op: David belooft zichzelf pas vrijheid van schaamte nadat hij alle voorschriften zorgvuldig heeft geëerbiedigd. Houd dat woord “al” goed in de gaten en laat geen enkel gebod buiten je ontzag vallen. Wie maar gedeeltelijk gehoorzaamt, kan nog altijd ter verantwoording worden geroepen voor de geboden die hij heeft verwaarloosd. Iemand kan duizend deugden hebben en toch kan één enkele tekortkoming hem met schaamte overladen.
Voor een arme zondaar die in wanhoop is weggezonken, lijkt het misschien bijna onmogelijk dat hij ooit nog van zijn schaamte verlost wordt. Hij bloost, hij is totaal in de war en hij voelt dat hij zijn gezicht nooit meer kan opheffen. Laat hij dan deze woorden lezen: “Dan zou ik niet beschaamd worden.” David droomt niet en schetst geen onmogelijk geval. Weet het zeker, beste vriend: de Heilige Geest kan in jou het beeld van God vernieuwen, zodat je nog eens zonder angst omhoog zult kijken. Ach, was er maar heiliging die ons op Gods weg leidt! Dan krijgen we vrijmoedigheid, zowel tegenover God als tegenover Zijn volk, en blozen we niet meer van verwarring.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 6
“Dan zou ik niet beschaamd worden.” Niemand staat graag voor schut of loopt graag rood aan. Daarom moeten we alles mijden wat schaamte achter zich aan sleept: Ezra 9:6, Jer. 3:25, Dan. 9:7, Dan. 9:9. Een vakman kijkt steeds naar zijn model; een leerling kijkt naar het schrijfvoorbeeld van zijn meester. Zo richt ook de godvrezende zijn ogen telkens weer op het woord van zijn God. — Martin Geier.
Vers 6
Schaamte komt in twee soorten voor: de schaamte van een schuldig geweten en de schaamte van een gevoelig geweten. De eerste heeft de mens verdiend, want ze is de vrucht van de zonde. De tweede is een werk van genade. Hier wordt niet bedoeld dat we heilig walgen van onszelf, maar een schaamte die ons beschaamd en verward maakt. — Thomas Manton.
Vers 6
“Dan zou ik niet beschaamd worden” enzovoort. Dan durf ik God, mensen en mijn eigen ziel recht aan te kijken: op het moment dat ik van mezelf kan zeggen dat ik zonder uitzondering en altijd gehoorzaam ben. Geen heimelijke zonde meer die ik uit toegeeflijkheid voor mezelf laat staan. Geen enkel gebod, hoe klein ook, dat ik bewust of met opzet heb verwaarloosd. — Henry Hammond.
Vers 6
“Dan zou ik niet beschaamd worden” enzovoort. Je zult vragen: waarom hoeft iemand zich niet te schamen die let op alle geboden van God? Mijn antwoord: het is alsof de psalmist wil zeggen dat Gods geboden zo zuiver en voortreffelijk zijn dat je nergens om zou hoeven te blozen, ook al bekeek je ze allemaal en elk afzonderlijk met de grootste aandacht. Men prijst de wetten van Lycurgus, maar die lieten diefstal toe. Men prijst de wetten van Plato, maar die prezen het gemeenschappelijk bezit van vrouwen aan. “De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel” (Ps. 19:8). Ze is een spiegel die het schitterende licht van de sterren laat terugstralen op wie erin kijkt. — Thomas Le Blanc.
Vers 6
De zegen waar het hier over gaat, is vrij zijn van schaamte als je naar alle geboden kijkt. Verhoort God het gebed en bevestigt Hij de ziel in de gewoonte om de geboden te houden, dan komt daar nog een zegen bij: je kunt naar elk voorschrift kijken zonder je te schamen. Veel mensen kunnen sommige geboden zonder schaamte aankijken. Neem de tien geboden. De eerlijke mens voelt geen schaamte als hij naar het achtste kijkt. De reine mens heeft niets te verwijten als hij het zevende leest. Wie ontzag heeft en vloeken haat, wordt niet berispt door de gedachte dat hij het derde heeft overtreden. En wie een kinderlijke geest heeft, geniet van het vijfde in plaats van het te ontlopen.
Zo gaat het met de rest. De meeste mensen kunnen misschien een aantal geboden aankijken zonder veel berisping. Maar wie kan alle geboden zo aankijken? Toch streeft het godvruchtige hart ook dat na. In dit vers zien we de psalmist bewust vooruitlopen op een waarheid uit het Nieuwe Testament: “en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.” — Frederick G. Marchant.
Vers 6
Beschaamd.
“Ik kan de steek van schorpioenen verdragen,
over velden van vuur gaan,
in bevroren kloven van eeuwige kou liggen,
omhoog worden geslingerd door eindeloze leegte —
maar leven in schande kan ik niet.” — Joanna Baillie, 1762-1851.
Vers 6
“Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.” Letterlijk: “In mijn zien op al Uw geboden.” Hij bedoelt: dat hij ze allemaal in het oog houdt, dat hij voelt dat ze alle even sterk voor hem gelden, en dat hij zeker weet dat hij er niet opzettelijk één heeft laten liggen, overtreden of genegeerd. Echte vroomheid vind je alleen waar iemand de bedoeling heeft alle geboden van God te houden. Maakt hij een keuze en houdt hij dit of dat gebod, al naargelang het hem past, zijn voordeel dient of in de smaak valt, dan blijkt volop dat hij niets van echte godsdienst begrijpt.
Een kind dat zijn vader of moeder alleen gehoorzaamt als het hem uitkomt of als het er zin in heeft, respecteert zijn ouders niet echt. Zo kan ook niemand vroom zijn die niet in volle eerlijkheid wil dat hij alle geboden van God houdt en zich in alles voegt naar Zijn wil. — Albert Barnes.
Vers 6
“Al Uw geboden.” De reden om het ene gebod te gehoorzamen is dezelfde als voor het andere: het gezag van God, Die de Wetgever is (Jak. 2:11). Kiezen mensen dus één plicht uit en kijken ze over andere heen, dan gehoorzamen ze niet zozeer Gods wil, als dat ze hun eigen luimen en ingevingen verwennen. Ze behagen Hem alleen voor zover ze zichzelf er ook mee behagen. Dat is niet redelijk. We geven Hem nooit een “redelijke godsdienst”, tenzij onze gehoorzaamheid algemeen is. — Edward Veal (1632-1708), in “The Morning Exercises”.
Vers 6
“Al Uw geboden.” Een kind van God kan niet tevreden zijn met half gehoorzamen. Wie ook maar één gebod buiten het ontzag van zijn hart laat, is een huichelaar. Zelfs Herodes “deed vele dingen”. Maar één gekoesterde, nooit verlaten verkeerde weg was genoeg om te bewijzen dat de zonde ongestoord de baas bleef in zijn binnenste. Saul doodde alle Amalekieten op één na. Die ene uitzondering op een pad van verder volledige gehoorzaamheid liet zien dat zijn belijdenis niet deugde. Het kostte hem zijn troon en bracht Gods vreselijke toorn over hem. Zo kunnen de voet, de hand of het rechteroog, die verdorven leden die we niet doden, het hele lichaam naar de hel brengen. Voorbehouden zijn de kanker van christelijke oprechtheid. — Charles Bridges.
Vers 6
“Al Uw geboden.” Neem aan dat één gebod van God overtreden mag worden, en het duurt niet lang of alle tien de geboden zijn opzijgeschoven. — Adam Clarke, 1760-1832.
Vers 6
Veel mensen doen wel iets goeds, maar laten het afweten op andere punten, en meestal zijn dat juist de punten die het hardst nodig zijn. Ze zoeken de gemakkelijkste en goedkoopste kanten van de godsdienst uit, die hun begeerten en belangen niet in de weg zitten. Echte, gezonde vrede krijgen we pas als we op alles letten. “Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.” Schaamte is de angst voor een terechte berisping. Die berisping komt van de hoogste rechter of van zijn plaatsvervanger. De hoogste rechter over alles wat we doen, is God. Onze eerste zorg moet zijn dat we bij Zijn komst niet beschaamd voor Hem staan en in het oordeel niet worden afgekeurd.
Maar er is ook een plaatsvervangend rechter, die ieder mens in zijn eigen binnenste draagt. Ons geweten spreekt ons vrij of veroordeelt ons, naargelang we in onze plicht tegenover God eenzijdig of oprecht zijn. Dat is van groot belang. 1 Joh. 3:20-21: “Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen. Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God.” Als we willen dat ons hart ons niet beschuldigt of verwijten maakt, moeten we dus volkomen zijn in heel Gods wil. Anders heb je helaas nooit het bewijs dat het je ernst is. — Thomas Manton.
Vers 6
Zo groot is de barmhartigheid die God in Christus aan Zijn kinderen toont, dat Hij hun zwakke pogingen aanvaardt alsof het volmaakte gehoorzaamheid was, als ze met oprechtheid en volharding in Zijn dienst worden gedaan… Ach, wie zou niet zo’n Heere willen dienen? Soms hoor je dienstknechten klagen over hun meesters, die zo streng en kieskeurig zijn dat ze hen nooit tevreden kunnen stellen, zelfs niet als ze alles geven. Dat kun je God niet verwijten. Wees alleen zo trouw dat je je best doet, en God is zo genadig dat Hij je slechtste vergeeft.
David kende deze evangelische mildheid toen hij zei: “Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden”, dat wil zeggen: als mijn oog gericht is op al Uw geboden. Een reiziger kijkt naar de plek waar hij heen gaat, ook al is hij er nog niet. Daar wil hij zijn, en hij zet alles op alles om er te komen. Zo is het hart van de heilige gericht op alle geboden van God. Hij zet door, om steeds dichter bij volle gehoorzaamheid te komen. Zo’n ziel komt nooit voor schut te staan. — William Gurnall, 1617-1679.
Wenken voor predikers
Vers 6
Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1443: “A Clear Conscience.”
Vers 6
Heilig vertrouwen, het kind van algehele gehoorzaamheid.
Vers 6
Het harnas dat proefhoudt.
- Algehele gehoorzaamheid geeft onbeschaamd vertrouwen —
(a) Voor de kritische wereld.
(b) In de rechtbank van het geweten.
(c) Bij de troon van de genade.
(d) Op de dag van het oordeel.
- Maar onze gehoorzaamheid is verre van algeheel. Daardoor staan we open voor (a) de pijlen van de wereld.
(b) De verwijten van het geweten.
(c) Ze verlamt onze gebeden. (d) Ze durft niet voor ons te verschijnen voor de rechterstoel van God.
- Laten we ons dan door het geloof wikkelen in de volmaakte gerechtigheid van Christus. Dat is ons antwoord op het vitten van de wereld: we zijn niet foutloos, en voor onze zaligheid vertrouwen we volledig op Een Ander. Deze gerechtigheid is — (a) de zalf voor ons gewonde geweten.
(b) Ons krachtige pleidooi in het gebed.
(c) Onze zegevierende vrijspraak op de dag van het oordeel. — C.A.D.
Vers 6
Onderwerp: zelfrespect hangt af van respect voor Iemand Die groter is dan wijzelf. — W. D.
Uitleg
Vers 7
“Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.” De weg van gebed naar lofzang is hier niet lang of moeilijk. Wees er zeker van dat wie bidt om heiligheid, eens zal loven om geluk. De schaamte is weg, de stilte is doorbroken, en de man die eerst zweeg, zegt: “Ik zal U … loven.” Hij kan niet anders dan lof beloven, nu hij heiliging zoekt. Zie hoe goed hij weet wie de kroon toekomt: “Ik zal U … loven.” Zelf zou hij graag lof verdienen, maar alleen God vindt hij lof waard. Aan het verdriet en de schaamte van de zonde meet hij af hoeveel hij de Heere verschuldigd is, Die hem de kunst van het leven wil leren, zodat hij zijn vroegere ellende helemaal ontvlucht.
“In oprechtheid des harten.” Zijn hart zal oprecht zijn als de Heere hem leert, en dan zal dat hart zijn Leraar prijzen. Er bestaat ook valse en voorgewende lof, en die verafschuwt de Heere. Maar geen muziek klinkt zo mooi als wat opstijgt uit een zuivere ziel die volkomen oprecht is. Hier is sprake van lof die uit het hart komt, uit een oprecht hart, en van onderwijs dat dat hart oprecht maakt. Een oprecht hart zal de Heere beslist zegenen, want dankbare aanbidding hoort bij zijn oprechtheid. Niemand is recht als hij niet oprecht is tegenover God, en dat betekent dat hij Hem de lof geeft die Hem toekomt.
“Als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.” We moeten leren om te loven. We moeten leren, zodat we kunnen loven, en loven wanneer we geleerd hebben. Willen we ooit leren, dan moet de Heere ons onderwijzen, zeker over een onderwerp als Zijn oordelen, want die zijn een diepe afgrond. Terwijl die oordelen aan ons voorbijtrekken en we ervan leren, moeten we God al loven. In de grondtekst staat namelijk niet “als ik geleerd heb”, maar “in mijn leren”. Ik ben nog leerling, maar ik wil al in het koor zingen. Mijn oprechte hart zal Uw rechtvaardigheid loven, en mijn gelouterde oordeel zal Uw oordelen bewonderen.
Gods bestuur van de wereld is een boek vol lessen. Voor wie een oprecht hart heeft, is het een zangboek, waaruit ze tot lof van Jehova zingen. Gods woord staat vol verslagen van Zijn rechtvaardige bestuur, en terwijl we lezen, voelen we ons gedrongen om los te barsten in heilig genot en gloeiende lofzang. Lezen we niet alleen over Gods oordelen, maar delen we er ook blij in, dan worden we dubbel tot zingen bewogen. Dan klinkt er een lied zonder vormelijkheid, zonder huichelarij en zonder lauwheid, want het hart is oprecht in de lof die het brengt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 7
“Ik zal U loven … als ik … geleerd zal hebben” enzovoort. God kunnen we pas helemaal en oprecht behagen als we Zijn wil hebben leren kennen en doen. De lof waar God naar uitkijkt, is lof in de praktijk. — Thomas Manton.
Vers 7
“Ik zal U loven.” Waarom looft hij God? Hij looft Hem omdat hij iets van Hem heeft geleerd, en wel van Hem Zelf, midden onder de mensen. Wie een taal of een vak heeft geleerd op een filosofenschool, blijft zijn alma mater dankbaar. Wij prijzen iemand die een hond of een paard dit of dat kan leren. Maar dat wij, ezelsveulens, Gods wil mogen leren en hoe we tot Zijn welbehagen voor Hem kunnen leven, moeten we erkennen als een grote barmhartigheid van God. — Paul Bayne.
Vers 7
“Ik zal U loven … als ik … geleerd zal hebben” enzovoort. Maar wanneer zegt David dat hij dankbaar zal zijn? Juist wanneer God hem onderwijst. Waar we dankbaar voor kunnen zijn en de genade om dankbaar te zijn: beide komen van God. Zo ging het ook bij Abraham. God beval hem te aanbidden met een offer en gaf hem op datzelfde moment het offer. Zo doet Hij bij al Zijn kinderen. Hij schenkt hun niet alleen goede gaven om Hem voor te danken, maar ook de genade waarmee ze Hem kunnen danken. — William Cowper.
Vers 7
“Als ik … geleerd zal hebben.” Hij bedoelt met leren niet alleen dat hij het woord leert kennen, maar ook dat hij het in praktijk brengt. Het gaat niet om een licht dat alleen het denken raakt, of om een kale gedachte over dingen: “Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45). Het is een leren waar de uitwerking vanzelf bij hoort. Het is zo’n licht, zo’n verlichting, dat de ziel bekeert en ons hart en onze wegen vormt naar Gods wil. Zonder dat helpt het niets, ook niet als we verstand krijgen van het woord of het goed in ons geheugen prenten, zolang we het niet in praktijk brengen.
Zelfs de beste dienaren van God zijn nog altijd leerlingen en studenten, in de kennis van Zijn woord en de gehoorzaamheid eraan. David zegt immers: “als ik … geleerd zal hebben.” De belijders van de christelijke godsdienst werden in het begin discipelen genoemd, dat wil zeggen leerlingen: to plèthos tòn mathètòn, “de menigte der discipelen” (Hand. 6:2). — Thomas Manton.
Vers 7
“De rechten Uwer gerechtigheid geleerd.” Hier zien we wat David vooral wilde leren: het woord en de wil van God. Hij wilde altijd leerling blijven in deze school, en probeerde elke dag door te stoten naar de hoogste klas. Zo kon hij, door te leren kennen, onthouden; door te onthouden, geloven; door te geloven, genieten; door te genieten, bewonderen; door te bewonderen, aanbidden; door te aanbidden, in praktijk brengen; en door in praktijk te brengen, blijven op de weg van Gods inzettingen. Dit is het oude, echte leren. Het meest geleerd in deze kunst is wie Gods woord omzet in goede werken. — Richard Greenham.
Vers 7
“De rechten Uwer gerechtigheid” zijn de uitspraken over wat recht is en wat onrecht, waarin Gods gerechtigheid wordt uitgedrukt en ook echt wordt doorgevoerd. — Franz Delitzsch.
Wenken voor predikers
Vers 7
De beste lof, het beste leren, de beste mengeling: lof en heiligheid.
Vers 7
- De hoogleraar in de heilige muziek: “Ik zal … loven.”
- Het onderwerp van zijn lied: “U.”
- Het instrument: “harten.”
- Het gestemde instrument: “oprechtheid des harten.”
- De opleiding van de musicus: “rechten.” — W.D.
Vers 7
Leren en loven.
- Het zijn twee geestelijke oefeningen. Leerlingen en zangers kunnen vleselijk en zinnelijk zijn. Maar hier houden ze zich bezig met het rechtvaardige doel, de rechtvaardige werken en de rechtvaardige wegen van de Heere.
- Het zijn twee passende oefeningen. Wat is mooier dan van God te leren en Hem te loven?
- Het zijn twee oefeningen die iets opbrengen. Ze overtreffen de verwachtingen van de grootste nuttigheidsdenkers. Het plezier en het voordeel geven een rijke beloning. Hart, hoofd en leven worden er allemaal beter van.
- Het zijn twee oefeningen die elkaar helpen. In het ene ontvangen we en in het andere delen we mee. Door het ene worden we toegerust voor het andere; door het eerste worden we aangespoord tot het laatste. Hoe wonderlijk wordt de les een lied en de leerling een zanger! — W.J.
Vers 7
- Tekort erkend: “als ik … geleerd zal hebben.” Dit is onmisbaar voor groei. Iedereen kan dit naar waarheid toegeven.
- Vooruitgang verwacht. Hij gaf zijn hart aan het werk van het leren. Hij zocht hulp bij God.
- Lof beloofd. Hij beloofde die aan God alleen. Hij zwoer dat die oprecht zou zijn: “in oprechtheid des harten.” — W. Williams, van Lambeth, 1882.
Uitleg
Vers 8
“Ik zal Uw inzettingen bewaren.” Een rustig besluit. Gaat lofprijzing over in een stevig besluit, dan is het goed met de ziel. IJver die zich uitput in zingen en geen praktische vruchten van een heilig leven achterlaat, is niet veel waard. “Ik zal loven” moet samengaan met “ik zal bewaren”. Dit vaste besluit heeft niets opschepperigs, zoals dat van Petrus: “Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen!” Het wordt immers gevolgd door een nederig gebed om hulp van God: “verlaat mij niet al te zeer” (Engels: O forsake me not utterly, verlaat mij niet geheel en al). Hij voelt zijn eigen onmacht en beeft bij de gedachte dat hij aan zichzelf wordt overgelaten.
Die vrees wordt sterker door zijn afschuw van het vallen in zonde. Dat “ik zal bewaren” klinkt nu goed, nu de nederige roep erbij wordt gehoord. Het is een gelukkige samensmelting: vastberadenheid en afhankelijkheid. We kennen mensen die ogenschijnlijk nederig bidden, maar geen karakter hebben en niet beslist zijn; daardoor krijgt hun smeken in de binnenkamer geen vorm in hun leven. Aan de andere kant kennen we mensen met een overvloed aan voornemens, maar zonder enige afhankelijkheid van God. Dat levert een even armzalig karakter op als het eerste. Moge de Heere ons zo’n mengeling van goede eigenschappen geven, dat we “volmaakt … en geheel oprecht” zijn, “in geen ding gebrekkelijk”.
Dit gebed wordt zeker verhoord. God moet er immers diep welgevallen aan hebben als Hij een mens ziet die vastbesloten is Zijn wil te doen. Daarom zal Hij ook graag bij zo iemand zijn en hem in zijn pogingen bijstaan. Hoe zou Hij ooit iemand in de steek laten die Zijn wet niet in de steek laat?
De bijzondere angst die dit gebed een sombere kleur geeft, is de angst om helemaal verlaten te worden. De ziel mag zich daar terecht tegen verzetten. Verlaten worden om onze zwakheid te ontdekken, is al beproeving genoeg; helemaal verlaten worden zou ondergang en dood zijn. Als Hij Zijn aangezicht even verbergt in een kleine toorn, zakken we al diep weg. Een volledige verlating zou ons uiteindelijk in de diepste hel doen belanden. Maar de Heere heeft Zijn dienaren nooit helemaal verlaten, en Hij zal dat ook nooit doen; geprezen zij Zijn naam. Als wij er innig naar verlangen Zijn inzettingen te bewaren, zal Hij ons bewaren. Ja, Zijn genade bewaart ons terwijl wij Zijn wet onderhouden.
Het lijkt alsof we afdalen van de berg van zegen waarmee het eerste vers begon, naar het bijna klagende geluid van dit achtste vers. Toch is dit geestelijk gezien juist groei. Eerst bewonderden we het goede; nu zijn we gekomen bij een brandend verlangen naar God en gemeenschap met Hem, en bij diepe angst dat we die niet zullen genieten. De zucht van Ps. 119:5 is nu vervangen door een echt gebed, opgestegen uit een hart dat weet dat het niets verdient en volledig afhangt van Gods liefde. De twee uitspraken “ik zal” hadden zo’n nederige smeekbede nodig. Anders zou iemand kunnen denken dat de godvrezende man zich voor een deel verliet op zijn eigen vastbeslotenheid. Hij legt zijn voornemens neer als een offer, maar hij roept tot de hemel om het vuur.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 8
Dit vers is het laatste van dit gedeelte. Het is de uitkomst van zijn overdenking over het nut en de noodzaak van het houden van Gods wet. Let hier op:
- Zijn besluit: “Ik zal Uw inzettingen bewaren.”
- Zijn gebed: “verlaat mij niet al te zeer.” Hij is van plan de wet te houden. Maar omdat hij weet hoeveel zwakheden hij heeft, bidt hij dat God hem niet verlaat.
In dit gebed zit meer dan er staat. Met “verlaat mij niet” bedoelt hij: maak mij sterk in dit werk. En verlaat U mij toch, laat het dan maar kort zijn, Heere, niet voor eeuwig, en maar voor een deel, niet helemaal. Vier punten vallen hieruit op:
- Het is een groot voordeel om tot een besluit te komen over een leven van godsvrucht.
- Wie besluit gehoorzaam te leven, moet Gods hulp zoeken.
- Ook al zoeken we Gods hulp, soms trekt God Zich terug en lijkt Hij ons te verlaten.
- Ook als God ons lijkt te verlaten, en dat voor een deel ook werkelijk doet, moeten we toch bidden dat het geen totale en volledige verlating wordt. — Thomas Manton.
Vers 8 (met 7)
“Ik zal Uw inzettingen bewaren” enzovoort. Het besluit om “de inzettingen van de Heere te bewaren” komt vanzelf voort uit het geleerd hebben van “de rechten Uwer gerechtigheid”. En hierin laat David zien hoe onlosmakelijk en mooi een “eenvoudig” zich afhankelijk weten en een “godzalige oprechtheid” in gehoorzaamheid samengaan. Pas heeft hij zijn besluit genomen, of hij bedenkt dat het uitvoeren ervan boven menselijke kracht gaat. Daarom laat hij er een ogenblik later een gebed op volgen: “Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.” — Charles Bridges.
Vers 8
“Ik zal.” David geeft een persoonlijk voorbeeld van heiligheid. Houdt de koning van Israël Gods inzettingen, dan zal het volk van Israël zich ervoor schamen ze te verwaarlozen. Caesar zei vaak dat vorsten niet mogen zeggen: Ite, ga maar, zonder mij, maar: Venite, kom met mij mee. Zo zei ook Gideon (Richt. 7:17): “gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.” — R. Greenham.
Vers 8
“Verlaat mij niet al te zeer.” God kan ons helemaal verlaten, of maar voor een deel. Wie vastbesloten is God te gehoorzamen, kan een tijdlang en tot op zekere hoogte aan zichzelf worden overgelaten. We kunnen onszelf niet beloven dat we nooit ergens door God verlaten zullen worden. Maar het gebeurt nooit helemaal. Om Zijn grote naam zullen we merken dat “de HEERE Zijn volk niet zal verlaten” (1 Sam. 12:22), en ook: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten” (Hebr. 13:5). Niet helemaal, maar voor een deel kunnen ze wel verlaten zijn. Elia werd verlaten, maar niet zoals Achab. Petrus werd voor een deel verlaten, maar niet zoals Judas, die helemaal werd verlaten en de duivel ten prooi viel. David werd verlaten om vernederd en verbeterd te worden; Saul werd helemaal verlaten, om vernietigd te worden.
Theofylactus zegt: God kan Zijn volk zo verlaten dat Hij hun gebeden buitensluit (Ps. 80:5). Zo kan Hij de vrede en vreugde in hun hart onderbreken en hun kracht laten wegzakken. Dan staat hun geestelijk leven bijna stil, kan de zonde uitbreken en kunnen ze diep vallen. Maar helemaal verlaten zijn ze niet. Op de een of andere manier is God nog bij hen. Soms is Hij er met licht, ook al is Hij er niet met kracht, doordat Hij het kwaad van hun huidige toestand laat zien, zodat ze erom treuren. En Hij is er door hun verlangens wakker te maken, ook al geeft Hij hun nog geen genot. Zolang er nog enige waardering voor God is, is Hij niet weg. Er is dan nog wat licht en liefde over, en dat blijkt uit ons verlangen naar gemeenschap met Hem. — Thomas Manton.
Vers 8
“Verlaat mij niet al te zeer.” Gods uitverkorenen worden op twee manieren verlaten. Ten eerste maar voor een deel: God verlaat hen dan niet helemaal, maar slechts ten dele. Ten tweede maar tijdelijk: het duurt een poos en gaat nooit verder dan dit tegenwoordige leven. “In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser” (Jes. 54:8). David kende dit uit eigen ervaring en bidt daarom: “verlaat mij niet al te zeer” (Engels: overlong, al te lang). Zulke verlatingen duren misschien maar een tijd, maar toch is geen enkel deel van het leven van een christen ervan vrij.
En omdat ze vaak diep in het hart van een mens wortelen, houden ze lang aan. David bleef ongeveer een heel jaar in zijn gevaarlijke val liggen voordat hij hersteld werd. Luther belijdt van zichzelf dat hij na zijn bekering drie jaar in wanhoop verkeerde. Uit de algemene ervaring weten we van zulke gevallen dat het geestelijk verlaten zijn soms zelfs nog veel langer duurt. — Richard Greenham.
Vers 8
“Verlaat mij niet al te zeer.” Dit gebed klinkt als de geschrokken kreet van iemand die half bang is dat hij met zijn besluit van daarnet te ver is gegaan. Hij wilde Gods inzettingen bewaren. Net als Petrus zwoer hij dat hij dat zou doen. Maar dan denkt hij aan zijn eigen zwakheid. Hij schrikt van zijn eigen stoutmoedigheid en voelt dat hij moet bidden. Ik heb plechtig beloofd om te gehoorzamen, maar wat als ik dat in mijn eigen kracht heb gedaan? Wat als God mij aan mezelf overlaat? Die gedachte jaagt hem de schrik op het lijf.
Hij roept uit: “O!” Hij smeekt de Heere om hem niet op de proef te stellen door hem ook maar even helemaal aan zichzelf over te laten. Door God verlaten worden is het ergste wat zelfs de meest zwaarmoedige heilige ooit kan bedenken. God zij dank: dat zal ons nooit overkomen. Geen belofte is duidelijker dan deze: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.” Deze belofte houdt ons niet van bidden af, maar zet ons er juist toe aan. Omdat God de Zijnen nooit zal verlaten, roepen we in onze zwakheid en angst tot Hem: “verlaat mij niet al te zeer.” — C. H. S.
Wenken voor predikers
Vers 8
- Een hoopvol besluit voor je hele leven.
- Een vreselijke angst.
- Een reeks gedachten die die angst wegnemen.
Vers 8
- Het besluit: “Ik zal … bewaren” enzovoort.
- De positie: “verlaat mij niet al te zeer.”
(a) Onderwerping als een kind. Ik verdien het af en toe.
(b) Vertrouwen als een kind. “Niet al te zeer.”
- Het verband tussen die twee. Gehoorzamen zonder bidden en bidden zonder gehoorzamen zijn allebei even vergeefs. Wil je vooruitkomen, dan moet je beide roeiriemen gebruiken. God kan luie bedelaars niet uitstaan, die niet willen werken zolang ze door te vragen iets kunnen krijgen. — G.R.
Vers 8
“Verlaat mij niet al te zeer.” Een gebed dat God ons niet verlaat.
- Het angstige gebed.
(a) Verlaten vanuit Gods soevereiniteit. Soevereiniteit is geen willekeur of gril. Misschien is de juiste omschrijving: geheimzinnige koninklijke liefde, nu nog onbekend maar gerechtvaardigd als ze wordt onthuld.
(b) Verlaten in plaats van een ander.
(c) Verlaten vanwege zonde. David, Jona en Petrus.
De zeven gemeenten in Azië en de Joden zijn voorbeelden. Maar wat “al te zeer” betekent, in mate én in tijd, kunnen we alleen leren door naar de hel te gaan. Als iemand die op de rand van de hel staat te beven, bidt hij. Als een reiziger die te laat is, in een uitgestrekt bos, omringd door roofdieren, en zucht omdat de dag voorbij is. Als de wacht op het vlot, die zich schor heeft geschreeuwd om het schip te laten stoppen en het aan de horizon ziet verdwijnen.
- De leerstellige grondslag. Waar Hij Zich verwaardigt te wonen, blijft Zijn woning voor altijd. Hij kan ons alleen helemaal verlaten als Hij Zich in ons heeft vergist, of als Hij is verslagen. Dat zijn allebei gedachten die godslastering zijn. U, Die het wegzenden haat, U, Die nog nooit een heilige helemaal hebt verlaten, maak mij niet tot de enige uitzondering.
- De zekerheid dat het antwoord komt, bewezen door de geschiedenis. De heilige en de kerk zijn in alle eeuwen verlost. Soms duurt het tot “ten tijde des avonds”, zoals bij Cowper. Zijn gezicht had na zijn dood een uitdrukking van verrukte verbazing. — W.A.
Uitleg
Vers 9
“Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden?” Hoe kan hij in de praktijk heilig worden en blijven? Hij is nog maar een jongeman, vol hete driften en arm aan kennis en ervaring. Hoe komt hij op het goede pad, en hoe blijft hij erop? Voor niemand was er ooit een belangrijker vraag, en nooit was er een betere tijd om haar te stellen dan aan het begin van je leven. De verstandige jongeman neemt zich allesbehalve een makkelijke opgave voor. Hij wil een schone weg kiezen. Hij wil zelf schoon zijn op die weg. Hij wil die weg schoonmaken van elk vuil dat er later op kan komen. En hij wil eindigen met een zuivere route van de eerste tot de laatste stap.
Maar helaas: zijn weg is al onrein door zonde die hij werkelijk heeft gedaan, en in zijn eigen natuur zit al een neiging tot wat bevlekt. Daar zit dus de moeilijkheid. Eerst moet hij goed beginnen. Dan moet hij steeds kunnen weten en kiezen wat goed is. En dan moet hij in het goede volharden tot hij uiteindelijk volmaakt is. Dat is voor iedereen moeilijk; hoe moet een jongeman dat dan voor elkaar krijgen? Het pad, ofwel het leven, van de mens moet gereinigd worden van de zonden van zijn jeugd die achter hem liggen. En het moet schoon blijven van de zonden die de verleiding voor hem neerzet. Dát is het werk, dát is de moeilijkheid.
Een edeler streven kan een jongeman zich niet stellen. Geen ander streven is zo duidelijk zijn roeping. Maar in geen ander streven zijn de moeilijkheden groter. Laat hij toch niet terugdeinzen voor het prachtige avontuur van een zuiver en genadig leven. Laat hij liever zoeken op welke weg alle hindernissen genomen kunnen worden. Laat hij niet denken dat hij de weg naar de makkelijke overwinning al kent. Laat hij zich niet inbeelden dat hij zichzelf kan bewaren met zijn eigen wijsheid. Hij doet er goed aan de psalmist na te volgen en ernstig te gaan vragen hoe hij zijn pad zuiver kan houden.
Laat hij in de praktijk een leerling worden van de heilige God. Alleen Hij kan hem leren hoe hij de wereld, het vlees en de duivel kan overwinnen, de drie-eenheid van bevlekkers die al menig veelbelovend leven heeft verwoest. Hij is jong en kent de route niet. Laat hij zich niet schamen om vaak de weg te vragen aan Hem Die zo graag en zo goed kan uitleggen hoe je erop komt.
Ons “pad” is een onderwerp dat ons diep aangaat. Het is veel beter om daar vragen over te stellen dan om te gaan gissen naar geheimzinnige onderwerpen, die het verstand eerder verwarren dan verhelderen. Een jongeman heeft veel vragen. Laat dit zijn eerste en voornaamste vraag zijn: “Waarmede zal ik mijn pad zuiver houden?” Het gezonde verstand roept deze vraag op, en elke dag dringt ze zich weer op. Maar de rede alleen kan haar niet beantwoorden. En is ze beantwoord, dan kan de mens de aanwijzingen niet opvolgen met alleen zijn eigen kracht, zonder hulp van boven. Wij moeten de vraag stellen. God geeft het antwoord, en Hij maakt ons ook in staat om het uit te voeren.
“Als hij dat houdt naar Uw woord.” Jongeman, de Bijbel moet jouw kaart zijn. Je moet goed opletten dat jouw weg met de aanwijzingen daarin overeenkomt. Je moet je dagelijks leven in de gaten houden én je Bijbel bestuderen. En je moet je Bijbel bestuderen om je dagelijks leven te kunnen bewaken. Zelfs met de grootste zorg dwaalt een mens als zijn kaart hem op het verkeerde been zet. Maar ook met de nauwkeurigste kaart raakt hij de weg kwijt als hij er niet op let. De smalle weg is nooit bij toeval gevonden. Geen onoplettend mens heeft ooit een heilig leven geleid. Zondigen kunnen we zonder erbij na te denken; we hoeven alleen maar het grote heil te verwaarlozen om onze ziel te verderven. Maar om de Heere te gehoorzamen en oprecht te leven, hebben we ons hele hart, onze hele ziel en ons hele verstand nodig. Laat de onbezorgden dit goed onthouden.
Toch is dat “woord” absoluut onmisbaar. Zonder dat slaat zorgzaamheid om in ziekelijke angst en kan nauwgezetheid verworden tot bijgeloof. Een kapitein kan de hele nacht op zijn dek de wacht houden. Maar kent hij de kust niet en heeft hij geen loods aan boord, dan stevent hij met al zijn zorg regelrecht op een schipbreuk af. Het is niet genoeg dat we graag goed willen zijn. Door onwetendheid kunnen we denken dat we God dienen terwijl we Hem juist boos maken. Dat we het niet wisten, verandert niets aan wat we deden, hoezeer het onze schuld ook kan verminderen.
Stel dat iemand nauwkeurig de dosis afmeet van een medicijn waarvan hij denkt dat het nuttig is. Blijkt dat hij het verkeerde flesje heeft gepakt en dodelijk gif heeft ingeschonken, dan sterft hij; dat hij het uit onwetendheid deed, verandert niets aan de afloop. Zo kan ook een jongeman tienduizend kwalen over zich afroepen, juist door zijn zorg, doordat hij zorgvuldig een oordeel volgt dat niet verlicht is en weigert zich te laten onderwijzen door het woord van God. Wie bewust onwetend blijft, zondigt bewust, en het kwaad dat daaruit voortkomt, is niet te verontschuldigen.
Wie heilig wil zijn, jong of oud, moet in zijn hart een heilige waakzaamheid bewaren en zijn heilige Bijbel steeds voor zijn open ogen houden. Daar vindt hij elke bocht in de weg aangegeven, elk moeras en elke modderpoel aangewezen, en ook hoe hij er schoon doorheen komt. Daar vindt hij ook licht voor zijn duisternis, troost voor zijn vermoeidheid en gezelschap voor zijn eenzaamheid. Zo bereikt hij met haar hulp de gelukkigprijzing van het eerste vers van de psalm, waar de vraag van de psalmist uit voortkwam en die zijn verlangen wakker maakte.
Let op hoe de twee gedeelten op elkaar passen. Het eerste gedeelte van acht verzen opent met: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel.” Het tweede gedeelte staat daar parallel naast, met de vraag: “Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden?” De zaligheid die ons in een voorwaardelijke belofte wordt voorgehouden, moeten we in de praktijk zoeken, op de weg die is aangewezen. De Heere zegt: “Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
De acht verzen, in alfabetische volgorde:
- Bij welk middel zal een jongeling zijn pad zuiveren? Bij het letten op Uw woord.
- Bij dag en bij nacht heb ik U met mijn gehele hart gezocht: o, laat mij niet afdwalen van Uw geboden.
- Bij Uw genade heb ik Uw woord in mijn hart verborgen, opdat ik niet tegen U zou zondigen.
- Benedijd bent U, o Heere: leer mij Uw inzettingen.
- Bij elk woord van mijn lippen zal ik alle oordelen van Uw mond vertellen.
- Bovenal heb ik mij verblijd in de weg van Uw getuigenissen, meer dan in alle rijkdom.
- Bij Uw hulp zal ik Uw bevelen overdenken en acht slaan op Uw wegen.
- Bij Uw genade zal ik mij verlustigen in Uw inzettingen: ik zal Uw woord niet vergeten. — Theodore Kuebler.
De acht verzen samen, 9-16. Ieder vers in dit gedeelte begint met de letter beth, het Hebreeuwse woord voor “huis”. Waar het gedeelte over gaat: de wet van Jehova die het leven zuivert. Het sleutelwoord is zakah: zuiver zijn, zuiver maken, reinigen. — F. G. Marchant.
Vers 9
Het hele vers. Deze passage bevat:
- Een vraag.
- Een antwoord.
In de vraag zit de persoon over wie het gaat, “de jongeling”, en zijn taak: “Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden?” In die vraag worden meerdere dingen als vanzelfsprekend aangenomen.
- Dat we vanaf onze geboorte met zonde besmet zijn, want anders zouden we niet gereinigd hoeven te worden. Er staat niet simpelweg “zijn pad”, maar “zijn pad zuiver houden”.
- Dat we dit kwaad al heel vroeg, op tijd, moeten voelen, want de vraag wordt over de jongeling gesteld.
- Dat we ernstig op zoek moeten naar een geneesmiddel: hoe laten we de bron van zonde die over ons heen stroomt opdrogen? Dit alles wordt als vanzelfsprekend aangenomen. Wat men wil weten, is: welk geneesmiddel helpt hiertegen? Welke weg moeten we daarvoor kiezen? De vraag komt er dus in het kort op neer: hoe kan een mens die onrein is en van nature door zonde bezoedeld, in staat komen om, zodra hij zijn verstand gaat gebruiken, dat aangeboren bederf uit te zuiveren en een heilig en zuiver leven voor God te leiden? Het antwoord wordt gegeven: “… naar Uw woord.” Hierbij vallen twee dingen op.
- Het geneesmiddel.
- De manier waarop het wordt toegepast en gebruikt.
- Het geneesmiddel is het woord. In het gesprek met God heet het “Uw woord”. Had God er geen aanwijzing over gegeven, dan zouden we volkomen ten einde raad zijn geweest.
- De manier waarop het wordt toegepast en gebruikt: daarop acht slaan en het houden naar Zijn woord, enzovoort. Dat is: het bestuderen en ernaar streven om op een heilige manier met Gods wil overeen te komen. — Thomas Manton.
Vers 9
“Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden?” enzovoort. Aristoteles, die grote scheidsrechter in de wijsbegeerte, wanhoopte eraan dat hij zoiets groots kon bereiken als een jongeman geschikt maken voor zijn ethika akroamata, “zijn ernstige en strenge lezingen over zedenleer”. Want die leeftijd is lichtzinnig en dwaas, en toch eigenwijs en niet te sturen. Neem nu een jongeman midden in de gloed van zijn kokende bloed, op het hoogtepunt van zijn jeugdige begeerten. Laat hem, ondanks al die nadelen, naar die grote school van de Heilige Geest gaan, de goddelijke Schrift, en zich toevertrouwen aan de leiding van die gezegende uitspraken.
Dan zal zijn eigen ervaring hem krachtig overtuigen van de ongelooflijke kracht, de geweldige werking van Gods woord, in wat het bij hem teweegbrengt en in zijn vooruitgang van dag tot dag in hemelse wijsheid. — John Gibbon (omstreeks 1660) in “The Morning Exercises”.
Vers 9
“De jongeling.” Jongemannen krijgen in de 119e psalm een vooraanstaande plaats: een van de tweeëntwintig delen is aan hen gegeven. Dat is passend. De jeugd is de tijd van indrukken en vooruitgang. Jongemannen zijn straks de steunpilaren van de samenleving, en de vreze van de HEERE, het begin van de wijsheid, moet al in de jeugd beginnen. De kracht, de verlangens en de onbeschadigde verwachtingen van de jeugd worden door de wereld opgeëist. Och, mochten ze aan God worden toegewijd! — John Stephen, in “The Utterances of the 119 Psalm”, 1861.
Vers 9
In het Hebreeuws staat voor “jongeling” het woord naar. Dat betekent “afgeschud”, en wel van de mildere en teerdere zorg van zijn ouders. Dat schrijven Mercerus en Savailerius. Daarnaast kan naar ook “afschudden” betekenen, namelijk het juk: een jongeman begint immers het juk van zijn moeder, en vaak ook van zijn vader, van zich af te schudden. — Thomas Le Blanc.
Vers 9
“Zijn pad zuiver houden.” Die uitdrukking wekt niet per se de indruk dat de jongeman op een verdorven en onzedelijke weg gaat die gezuiverd moet worden, hoewel dat oorspronkelijk van alle mensen waar is: Jes. 53:6. Wat erna volgt, maakt duidelijk dat dit bij deze jongeman niet het geval kan zijn. Juist zijn vraag laat zien dat zijn hart niet bedorven is. Het verlangen is er, hij heeft alleen leiding nodig. De vraag is: hoe kan een jongeman een schone weg, een zuivere manier van leven, vinden door deze bevlekkende wereld? Het is, daar twijfel ik echt niet aan, een vraag die elke bekeerde die door het besef van zonde wakker is geschud, hevig bezighoudt: hoe hij zich van de zonde vrij kan houden, het losbandige gezelschap kan mijden en zich kan losmaken van de goddeloze genoegens en gewoonten van deze wereld die ons tot slaaf maakt.
En terwijl hij verder gaat op de weg van oprechtheid, met veel verleidingen op zijn pad en veel innerlijk bederf dat hem wil overmeesteren, hoe vaak zal dan dezelfde angstige vraag opkomen: Rom. 7:24. Alleen wie zijn eigen kracht verkeerd inschat, kan er anders over denken, en wie zo denkt, zal vernederd worden. Hoe voelden jullie je, mijn jonge vrienden, die tot Christus zijn gebracht, op de dag dat jullie besloten de Zijnen te zijn? Maar voor al zulke angst lijkt er in de tekst een antwoord te zijn.
“… naar Uw woord.” Het ontbreekt jongemannen van nu niet aan voorlichting, maar wel aan de neiging om te willen. Bij de genadige jongeman zijn ze er allebei, en het woord dat het begon, voedt zijn goede beweegredenen. De verschrikkelijke dreigementen en de zoete bemoedigingen duwen hem allebei de goede kant op. Het antwoord op deze angstige vraag is duidelijk en praktisch genoeg. Voor alle richting verwijst het hem naar het woord van God, en we mogen zeggen: ook voor alle beloofde hulp. Toch laat het vers, zo bekeken, volgens mij niet de volle betekenis zien. Mijns inziens strekt de vraag zich over het hele vers uit. (Dit wordt bevestigd door het citaat van Cowles hierna.) Er is een zuivering nodig, zodat zijn weg met het goddelijke Woord overeenkomt.
De vraag is zeer veelomvattend. Alleen iemand die kan zeggen dat hij zich eerlijk op de weg heeft gezet, zoals de jongeman in Ps. 119:10-11, zal haar stellen. En alleen het hart dat alle kracht aangrijpt die de gezegende God biedt, kan haar beantwoorden, zoals hier in Ps. 119:12 staat. De psalmist stelt de vraag. Hij laat zien hoe ernstig hij had geprobeerd op de goede weg te zijn, en meteen vindt hij al zijn kracht in God. Zo laat hij weten hoe hij in staat is gesteld goed te doen en hoe hij dat in de toekomst zal doen. — John Stephen.
Vers 9
In plaats van vraag én antwoord in dit ene vers, vraagt het Hebreeuws om een zin met alleen een vraag, waarbij het antwoord uit de strekking van de hele psalm moet worden afgeleid, namelijk zo: “Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiveren om het te houden naar Uw woord?” Deze vertaling geeft precies de kracht van het slot van de zin weer. Het Hebreeuws heeft geen vraagteken. We hebben dus alleen de bouw en de betekenis van de zin om te beslissen waar de vraag ophoudt. — Henry Cowles, 1872.
Vers 9
“Zijn pad.” Het woord orach, dat wij hier met “pad” vertalen, betekent een spoor, een groef, zoals het wiel van een kar of strijdwagen die achterlaat.
Een jonge zondaar heeft geen brede, platgetreden weg. Hij heeft zijn eigen verborgen wegen van overtreding en zijn heimelijke vuiligheid. Hoe wordt hij daarvan gezuiverd? Hoe kan hij gered worden van wat verstand, lichaam en ziel zal verwoesten? Laat hij daarom luisteren naar wat volgt. De beschrijving komt van God.
- Hij moet bedenken dat zijn weg onrein is en hoe afschuwelijk hij hem daardoor moet maken in Gods ogen.
- Hij moet hem nauwkeurig toetsen aan Gods woord en goed luisteren naar wat God over hem en zijn weg heeft gezegd.
- Hij moet erop letten, lishmor: zijn weg houden, bewaken en behoeden, zijn algemene levenswandel, voor elke bevlekking. — Adam Clarke.
Vers 9
“… houdt naar Uw woord” enzovoort. Volgens mij kunnen de woorden beter zo worden vertaald en aangevuld: door te letten op wat overeenkomt met Uw woord. Dat laat zien hoe een zondaar van zijn zonden wordt gereinigd door het bloed van Christus, hoe hij wordt gerechtvaardigd door Zijn gerechtigheid en hoe hij rein wordt door Zijn woord. Het laat ook zien hoe en door wie het werk van de heiliging in het hart gebeurt: door de Geest van God, door middel van het woord. En wat de maatstaf is voor ieders wandel en omgang met anderen.
Hij zal merken dat het woord van God nuttig is om hem te onderwijzen in de leer van rechtvaardiging en vergeving. Het maakt hem vertrouwd met de aard van wedergeboorte en heiliging. Het is nuttig om zijn leven en gedrag te verbeteren en recht te zetten, en om hem te onderrichten in elk onderdeel van zijn gedrag: 2 Tim. 3:16. — John Gill, 1697-1771.
Vers 9
“… houdt naar Uw woord.” Dit “letten op” (Engels: taking heed) is bijzonder hard nodig, omdat een jongeman snel onnadenkend, zorgeloos, aanmatigend en zelfverzekerd is. Het is ook hard nodig vanwege de moeilijkheid van de weg. “Let goed op je gangen”: het is een smal pad. “Let goed op je gangen”: het is een nieuw pad. “Let goed op je gangen”: het is een glad pad. “Let goed op je gangen”: het is een pad vol gebeurtenissen. — James Harrington Evans, 1785-1849.
Vers 9
“Naar Uw woord.” Gods woord is de spiegel die elke geestelijke mismaaktheid laat zien. Maar het is ook het water en de zeep die haar wegwassen en schoonboenen. — Paul Bayne.
Vers 9
“Naar Uw woord.” Ik beweer niet dat er geen andere gidsen of beschermingen bestaan. Ik beweer niet dat het geweten niets waard is, en juist in de jeugd is het geweten ongelooflijk gevoelig en teer. Ik beweer niet dat bidden geen kostbare bescherming is. Maar bidden zonder goed op te letten is niets anders dan aanmatiging. Bidden en onachtzaamheid kunnen nooit samengaan. Daarom zeg ik: geen enkele afscherming houdt elke vijand zo goed buiten als het biddend lezen van Gods woord. Elke lokroep van de wereld of van vrienden en elke ingeving van ons eigen hart en onze eigen driften toetsen we dan aan Gods woord, met de vraag: wat zegt de Bijbel?
Het antwoord van de Bijbel zal ons, met de leiding en het licht van de Heilige Geest, in alle kronkels van onze weg een lamp voor onze voet zijn en een licht voor ons pad. — Barton Bouchier.
Vers 9
“Uw woord.” Het woord is het enige wapen waarmee je deze koppige vijand, onze begeerten, kunt neerhalen en afsnijden (het is als het zwaard van Goliath: niets haalt het erbij). Gods woord kan onze begeerten de baas, ook als ze op hun brutaalst zijn. Raast de begeerte op het ene moment harder dan op het andere, dan is het wel als het jonge bloed in onze aderen kookt. De jeugd is duizelig, en haar begeerte is heet en ongeduldig. Haar zon staat nog niet op het hoogste punt, en ze denkt dat het nog heel lang duurt tot het avond wordt.
Er is dus een sterke arm nodig om een jongeman van zijn begeerten af te halen, nu zijn smaak op zijn best is om zinnelijk genot te proeven. Door zijn volle kracht kan hij meer van het vlees genieten dan de gebrekkige ouderdom ooit mag verwachten. Hij denkt ook dat het schot van de dood nog ver van hem vandaan is, veel verder dan van oude mensen die op de rand van het graf staan en de geur van de aarde al om zich heen dragen, waarin ze binnenkort zullen vergaan. Maar laat Gods woord die jonge snaak tegemoet komen in al zijn praal, met zijn feestmaal van zinnelijk genot voor zich.
Laat het hem slechts een paar lettergrepen in het oor fluisteren en zijn geweten een steek geven met de punt van zijn zwaard. Dan vlucht hij van dat alles weg, net zo snel als de broers van Absalom van het feest wegrenden toen ze zagen hoe hun broer Amnon aan tafel werd vermoord. Toen David de jongeman een middel wilde geven tegen zijn begeerten, om zijn hele levensloop en weg te zuiveren, zei hij alleen: was jezelf in de wateren van het woord van God. — William Gurnall.
Vers 9
De Schrift leert ons de beste manier om te leven, de edelste manier om te lijden en de troostrijkste manier om te sterven. — John Flavel, 1627-1691.
Wenken voor predikers
Een schets van sleutelwoorden uit de psalm, door pastor C. A. Davis. Vers 9-16. — Heiliging door het woord: algemeen uitgesproken (Ps. 119:9), persoonlijk gezocht (Ps. 119:10-12), bekendgemaakt aan anderen (Ps. 119:13) en persoonlijk met blijdschap beleefd (Ps. 119:14-16).
Wenken voor predikers
Vers 9
—
- De vraag van de jongeman.
- Het antwoord van de wijze.
Vers 9
In het woord van God, als de Geest van God het op het hart toepast, is er:
- Genoeg licht om mensen te laten zien dat ze hun weg moeten zuiveren.
- Genoeg kracht om hun weg te zuiveren.
- Genoeg vreugde om hen aan te moedigen ervoor te kiezen hun weg te zuiveren.
- Genoeg steun om hen te dragen op hun gezuiverde weg. — Theophilus Jones, in een “Sermon to the Young”, 1829.
Vers 9
Het woord van God zorgt voor de zuivering van de weg:
- Door de jongeman te laten zien hoe slecht zijn weg is.
- Door een onfeilbaar geneesmiddel te onthullen voor de ziekten van zijn natuur: de zaligheid die er is door Jezus Christus.
- Door een wegwijzer te worden op alle paden van plicht waartoe hij geroepen mag worden. — Daniel Wilson, 1828.
Vers 9
De regels van de psalmist om heilig te worden, afgeleid uit zijn eigen ervaring.
- Zoek God “van ganser harte” (Ps. 119:2). Besef echt wat je tekortkomt.
- Bewaar en onthoud wat God zegt (Ps. 119:11): “Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen” enzovoort.
- Zet dat alles om in de praktijk (Ps. 119:11): “Opdat ik tegen U niet zondigen zou.”
- Prijs God voor wat Hij heeft gegeven (Ps. 119:12): “HEERE! Gij zijt gezegend” enzovoort.
- Vraag meer (Ps. 119:12): “Leer mij Uw inzettingen.”
- Wees bereid je kennis aan anderen door te geven (Ps. 119:13): “Ik heb met mijn lippen verteld.”
- Laat het de juiste uitwerking hebben op je eigen hart (Ps. 119:14): “Ik ben vrolijker” enzovoort.
- Overdenk ze vaak (Ps. 119:15): “Ik zal Uw bevelen overdenken” enzovoort.
- Denk er diep over na (Ps. 119:15): “… en op Uw paden letten.” Onverteerd eten voedt het lichaam niet. Zo voedt ook het woord van God de ziel niet, als je het niet met diepe overdenking en bezinning overweegt.
- Heb je de bovenstaande weg gevolgd, ga er dan mee door, en dan is je geluk verzekerd (Ps. 119:16): “Uw woord zal ik niet vergeten.” En daardoor: “Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen.” — Adam Clarke.
Vers 9
Een vraag en antwoord voor de jongeren. De Bijbel is een boek voor jonge mensen. Hier wordt aangeduid:
- Dat de weg van de jongeman gezuiverd moet worden: zijn manier van denken, voelen, spreken en handelen.
- Dat hij zelf actief aan het werk moet meedoen. De werkende oorzaak in dit proces is God. Ook andere goede invloeden zijn aan het werk. Maar de jongeman moet hartelijk en praktisch meewerken.
- Dat hij de Bijbel voor dit doel moet gebruiken. Ze vertelt wat er is gebeurd, geeft prikkels, legt voorschriften op, spreekt beloften uit en geeft voorbeelden. Dat alles is bedoeld om een jongeman heilig te maken. Als de jongeren de Schrift nederig en biddend lezen, bestuderen en navolgen, ontkomen ze aan bezoedeling en zijn ze een sieraad voor de samenleving. — W.J.
Vers 9
Een woord aan de jongeren.
- Laat zien hoe de jongeman bijzonder in gevaar is om zijn weg te bevlekken. Door: (a) Zijn sterke driften.
(b) Zijn onvolwassen oordeel.
(c) Zijn gebrek aan ervaring.
(d) Zijn overhaaste zelfingenomenheid.
(e) Zijn lichtzinnige vrienden, en (f) Zijn algemene onachtzaamheid.
- De voorzichtigheid die hij nodig heeft om zijn weg te zuiveren. Letten op:
(a) Zijn slechte neigingen.
(b) Zijn vrienden.
(c) Zijn bezigheden.
(d) Waar alles wat hij doet toe leidt.
- De onfeilbare gids waarmee zijn voorzichtigheid moet worden bijgestuurd: “naar Uw woord”, dat wil zeggen: (a) De voorschriften ervan.
(b) De voorbeelden ervan.
(c) De beweegredenen ervan.
(d) De waarschuwingen ervan.
(e) De lokkende beloften ervan. — C.A.D.
Uitleg
Vers 10
“Ik zoek U met mijn gehele hart.” Zijn hart was naar God Zelf uitgegaan. Hij wilde niet alleen Gods wetten gehoorzamen, maar ook omgaan met Gods Persoon. Dat is een echt koninklijke jacht, en het mag dan ook met heel het hart worden nagejaagd. De zekerste manier om de weg van ons leven te zuiveren, is God Zelf zoeken en proberen in gemeenschap met Hem te blijven. Tot op het gezegende uur waarin hij tot zijn Heere sprak, was de psalmist een vurige zoeker naar de Heere geweest. Was hij moe, dan zette hij de jacht toch voort. Had hij de Heere niet gezocht, dan had hij zich nooit zo druk gemaakt om zijn weg te zuiveren.
Het is mooi om te zien hoe het hart van de schrijver zich helder en rechtstreeks tot God wendt. In het vorige vers overwoog hij nog een belangrijke waarheid. Maar hier is de aanwezigheid van zijn God zo sterk voelbaar dat hij Hem aanspreekt en tot Hem bidt als tot Iemand Die dichtbij is. Een oprecht hart kan niet lang bestaan zonder gemeenschap met God.
Zijn smeking steunt op wat hij met zijn leven wil: hij zoekt de Heere, en hij vraagt de Heere om te voorkomen dat hij tijdens zijn zoektocht of vanaf zijn zoektocht verdwaalt. We volgen God na door te gehoorzamen. Daarom bidt hij: “laat mij van Uw geboden niet afdwalen”. Verlaten we de wegen die God heeft aangewezen, dan vinden we God Zelf, Die ze heeft aangewezen, zeker niet. Hoe meer iemands hele hart uitgaat naar heiligheid, hoe banger hij is om in zonde te vallen. Hij vreest niet zozeer bewuste overtreding als wel dat hij onopgemerkt afdwaalt.
Een dwalende blik of een rondzwervende gedachte, die buiten de grens van het voorschrift zou kunnen komen, kan hij niet verdragen. We moeten zulke hartgrondige zoekers zijn dat we geen tijd en geen zin hebben om te gaan dwalen. En toch moeten we, bij al onze overgave, een bezorgde vrees blijven voelen dat we zelfs dan van het pad van heiligheid zouden raken.
Twee dingen kunnen sterk op elkaar lijken en toch helemaal verschillen. Heiligen zijn “vreemdelingen”: “Ik ben een vreemdeling op de aarde” (Ps. 119:19). Maar zwervers zijn ze niet. Ze reizen door vijandelijk land, maar hun route loopt recht. Ze zoeken hun Heere terwijl ze door dit vreemde land trekken. Mensen zien hun weg niet, maar ze zijn hun weg niet kwijtgeraakt.
De man van God doet zijn best, maar vertrouwt niet op zichzelf. Zijn hart is bij zijn wandelen met God. Toch weet hij dat zelfs al zijn kracht niet genoeg is om hem op het rechte pad te houden. Daarvoor moet zijn Koning zijn Bewaarder zijn, en moet Hij Die de geboden gaf, hem standvastig maken in het gehoorzamen ervan. Daarom bidt hij: “laat mij … niet afdwalen.” Maar dit besef dat hij hulp nodig heeft, werd nooit een argument om lui te zijn. Terwijl hij bad dat hij op de goede weg bewaard zou blijven, zorgde hij er zelf voor dat hij er met zijn hele hart op liep, op zoek naar de Heere.
Weer is het opvallend hoe het tweede deel van de psalm gelijke tred houdt met het eerste. In Ps. 119:2 wordt de mens gelukzalig genoemd die de Heere van ganser harte zoekt. Dit vers maakt aanspraak op die zegen, door op zijn karakter te wijzen: “Ik zoek U met mijn gehele hart.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 10
“Ik zoek U met mijn gehele hart.” Maar heel weinigen van ons kunnen met de profeet David zeggen dat we God met ons hele hart hebben gezocht. Daarmee bedoel ik: zo oprecht en zuiver dat we niet van dat doel zijn afgedwaald, alsof het niet het allerbelangrijkste was voor onze zaligheid. — Johannes Calvijn.
Vers 10
“Ik zoek U met mijn gehele hart.” In elk woord klinkt oprechtheid. Het hart ligt helemaal open voor God. De jongeman kan zo spreken tot Hem Die de harten doorgrondt… Laten we eens nadenken over hoe rechtstreeks dit gesprek met God is. Als wij God naderen, gebruiken we omwegen. We zeggen: met mijn hele hart zou ik U willen zoeken. We zijn bang om recht voor de raap te zijn… Zie hoe vastberaden de jongeman die voor je staat zich bewust is van wat hij doet. Hoe open en vol vertrouwen is hij! Zo zul je het kenmerk van zijn vrome geest terugvinden in alle uitdrukkingen die in deze psalm worden ontvouwd.
Hier verklaart hij tegenover de Alwetende dat hij Hem met heel zijn hart heeft gezocht. Hij wilde God in alles beseffen en ervaren. — John Stephen.
Vers 10 (eerste zinsdeel)
Alleen God ziet het hart. Alleen het hart ziet God. — John Donne, 1573-1631.
Vers 10
“Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” David had betuigd dat hij God met zijn hele hart zocht. Daarna smeekte hij God ook dat Hij hem niet zou laten afwijken van Zijn geboden. Hieraan zien we hoe hard wij nodig hebben dat we God aanroepen, zodat Hij ons met Zijn machtige, sterke hand vasthoudt. Ook al heeft Hij Zijn helende hand al krachtig uitgestoken, en weten we dat Hij ons grote en duidelijk zichtbare genadegaven heeft gegeven, toch is dat niet alles. In onze natuur zitten zoveel gebreken en tekortkomingen, en we zijn zo broos en zwak, dat we elke dag dringend tot Hem moeten bidden.
Ja, steeds meer, dat Hij ons niet zal laten afwijken van Zijn geboden. — Johannes Calvijn.
Vers 10
Hoe meer ervaring iemand heeft met Gods wegen, hoe scherper hij beseft hoe snel hij ongemerkt van die wegen afraakt, uit onwetendheid en onoplettendheid. De jonge soldaat durft echter risico’s te nemen. Hij rijdt het kamp van zijn tegenstander binnen en praat met de verzoeking, vol vertrouwen dat hij niet gauw de verkeerde kant op gaat. Hij is niet zo bang als David, die hier roept: “Laat mij … niet afdwalen.” — David Dickson, 1583-1662.
Wenken voor predikers
Vers 10
—
- Een dankbare terugblik op wat geweest is.
- Een bezorgde blik vooruit, naar wat komt.
- Een lovenswaardig gebed.
Vers 10
De twee grote zorgen van de gelovige.
- Wat hij vurig wil vinden: “Ik zoek U.”
- Wat hij vreest kwijt te raken: “Uw geboden.” — W. D.
Vers 10
Oprecht zijn, geen zelfgenoegzaamheid.
- De gelovige moet zich ervan bewust zijn dat hij God met heel zijn hart zoekt.
- Maar het besef dat hij oprecht is, geeft geen recht op zelfgenoegzaamheid.
- Ook de meest toegewijde zoeker moet blijven opzien naar Gods genade, om niet af te dwalen. — C.A.D.
Uitleg
Vers 11
Smeekt een godvrezend mens God om iets, dan hoort hij ook zelf elk middel te gebruiken om het te krijgen. De psalmist had gebeden dat hij niet zou dwalen. Daarom laat hij ons nu zien welke heilige voorzorgsmaatregel hij had genomen om niet in zonde te vallen.
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen.” Omdat hij het woord in zijn hart bewaarde, zou het woord zijn hart bewaren. Alles wat hij van het geschreven woord bezat, en alles wat God hem met Zijn stem had laten weten, zonder uitzondering, had hij in zijn genegenheden weggelegd. Zoals je een schat in een kistje bewaart. Zoals je een uitgezocht zaadje in goede grond stopt. En wat is betere grond dan een vernieuwd hart dat de Heere met heel zijn wezen zoekt? Het woord was van God Zelf, en dus kostbaar voor Gods dienaar. Hij hing een tekst niet als een amulet om zijn hals.
Hij verborg het woord in zijn hart als een richtlijn voor zijn leven. Hij legde het neer op de plaats van liefde en leven, en het vulde die ruimte met zoetheid en licht. Daarin moeten we David volgen: we moeten niet alleen zijn gedrag, maar ook zijn hartewerk nadoen. Eerst moeten we goed opletten dat wat wij geloven werkelijk Gods woord is. Daarna moeten we het verbergen en als schat bewaren, ieder voor zichzelf. En we moeten erop toezien dat dit geen geheugenkunstje is, maar een vreugdevolle daad van ons hart.
“Opdat ik tegen U niet zondigen zou.” Dit was het doel dat hij voor ogen had, en daar ging het hem om. Iemand heeft het goed gezegd: hier is het beste, “Uw rede”, bewaard op de beste plaats, “in mijn hart”, met het beste doel, “opdat ik tegen U niet zondigen zou”. De psalmist deed dit met persoonlijke zorg, zoals je je geld zorgvuldig wegstopt als je bang bent voor dieven. De dief waar hij bang voor was, was de zonde. Zondigen “tegen God”: zo ziet de gelovige het kwaad. Andere mensen letten er alleen op als ze mensen beledigen.
Gods woord is het beste middel om God niet te beledigen. Het vertelt ons immers wat Hij denkt en wil, en het brengt onze geest in overeenstemming met de goddelijke Geest. Geen genezing van zonde in ons leven is zo krachtig als het woord op de plaats waar ons leven zetelt: het hart. Je kunt je niet voor de zonde verbergen, behalve door de waarheid in je ziel te verbergen. Benadruk je de woorden “Uw” en “U”, dan krijgt de zin een fraai andere betekenis. Hij spreekt tot God Zelf. Hij houdt van het woord omdat het Gods woord is, en hij haat de zonde omdat die gericht is tegen God Zelf.
Hij vond het niet erg anderen te ergeren, als hij zijn God maar niet beledigde. Willen we God geen verdriet doen, dan moeten we Zijn eigen woord als een schat bij ons opbergen.
Ook de persoonlijke manier waarop de man van God dit deed, is opmerkelijk: “Ik heb … in mijn hart verborgen.” Wat anderen ook deden, hij had zijn keuze al gemaakt. Hij had het Woord in het diepste van zijn ziel gezet als zijn grootste vreugde. En hoeveel anderen ook overtraden, hij mikte op heiligheid: “Opdat ik tegen U niet zondigen zou.” Dit was niet iets wat hij zich voornam, maar iets wat hij al had gedaan. Veel mensen beloven grootse dingen, maar de psalmist was trouw geweest in het doen. Daarom verwachtte hij een zeker resultaat.
Is het woord in het hart verborgen, dan is het leven voor de zonde verborgen. De parallel tussen de tweede reeks van acht verzen en de eerste loopt nog steeds door. Ps. 119:3 gaat over geen onrecht werken. Dit vers gaat over de manier om niet te zondigen. Stellen we ons een zalig, heilig mens voor (Ps. 119:3), dan past het ons ons ernstig in te spannen om dezelfde heilige onschuld en goddelijke gelukzaligheid te bereiken. Dat lukt alleen met een vroomheid van het hart die op de Schriften rust.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.” Opgeborgen in het hart werkt het woord. Lezen jongemannen alleen de letter van het Boek, dan verliest het woord van belofte en onderricht veel van zijn kracht. Het helpt ook niet om het alleen in het geheugen op te slaan. Het woord moet bekend zijn, gewaardeerd worden en in het hart worden bewaard. Het moet onze liefde innemen, net zo goed als ons verstand. Heel onze geest moet helemaal doortrokken worden van het woord van God. Wat is geopenbaard, moet gezien worden.
Met het woord van God in zijn hart zou de jongeman dan innerlijk versterkt zijn: hij beseft de dreigementen, de beloften, de voortreffelijkheden van Gods woord, en God Zelf. Zijn verstand zou verlicht zijn en zijn geweten wakker. Hij zou niet zondigen tegen zijn God. — John Stephen.
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.” Hoe meer het woord van de Koning in het hart leeft, des te meer “heerschappij” is er over de zonde (Pred. 8:4). Gebruiken we dit onbeperkt krachtige middel vaker, dan krijgen we meer leven en meer heiligheid. — Frances Ridley Havergal, 1836-1879.
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen.” Het is passend dat het woord, “begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud”, een parel zonder weerga, niet alleen in het portiershokje wordt neergelegd, het oor aan de buitenkant, maar ook in de kamer van onze geest, waar de kostbaarheden liggen. — Deken Boys, aangehaald door James Ford.
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen.” Christenen en wereldlingen verschillen enorm. De wereldling bewaart zijn schatten in juwelen buiten zichzelf. De christen draagt ze in zichzelf. Er bestaat trouwens geen andere plaats om het woord van troost op te nemen en te bewaren dan alleen het hart. Draag je het alleen in je mond, dan raak je het kwijt. Heb je het alleen in je boek, dan mis je het precies als je het het meest nodig hebt. Maar berg je het op in je hart, zoals Maria de woorden van de engel, dan kan geen vijand het je ooit afpakken. En dan vind je de troostrijke schat ervan in tijden van nood. — William Cowper.
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen.” Dit woord “verbergen” laat zien dat David er niet op uit was zichzelf te laten zien en voor mensen een groots vertoon te maken. Hij had God als getuige van dat geheime verlangen in zijn binnenste. Hij keek nooit naar werelds bezit. Hij was tevreden met zo’n grote schat, en hij wist heel goed dat God, Die haar hem had gegeven, haar zo zeker en veilig zou bewaken dat Satan haar niet zou kunnen pakken. De heilige Paulus legt ons ook uit (1 Tim. 1:19) dat de kist waarin deze schat verborgen hoort te worden, een goed geweten is.
Er staat namelijk dat sommigen zonder dit goede geweten ook hun geloof hebben verloren en ervan zijn beroofd. Stel dat iemand zijn bezittingen onbewaakt laat en in gevaar brengt, zonder een deur dicht te doen. Dan is het voor dieven makkelijk om binnen te komen en hem alles af te nemen. Zo is het ook als we de schatten die God ons in Zijn woord gaf, zomaar aan Satan overlaten, zonder dat ze zijn weggestopt in dit goede geweten en in de allerdiepste grond van ons hart, zoals David hier zegt. Dan worden we ervan beroofd. — Johannes Calvijn.
Vers 11
“Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen.” Onthouden, goedgekeurd en er vreugde in gevonden. — William Nicholson (1671), in “David’s Harp Strung and Tuned”.
Vers 11
“Uw rede.” De uitspraak, Uw orakel: elke boodschap van God aan de ziel, of het nu een belofte is, een gebod of een antwoord. Het gaat om een directe, duidelijke boodschap, terwijl “woord” algemener is en voor de hele openbaring geldt. Het is het negende van de tien woorden in deze psalm voor Gods openbaring. — James G. Murphy, 1875.
Vers 11
“In mijn hart.” Bernardus wijst erop dat gewoon brood in de kast door muizen kan worden opgegeten, of kan gaan schimmelen en bederven. Maar is het eenmaal opgegeten, dan loopt het dat gevaar niet meer. Zo geldt ook: stelt God je in staat om je voedsel voor de ziel in je hart op te nemen, dan loopt het geen enkel gevaar meer. — George Swinnock, 1627-1673.
Vers 11
“Opdat ik tegen U niet zondigen zou.” Het woord van God heeft veel voortreffelijke kanten. Eén ervan is deze: bewaren we het in ons hart, dan behoedt het ons voor de zonde, die zich zowel tegen God als tegen onszelf keert. Uit ervaring weten we hoe dat gaat. Eerst wordt het woord ons afgenomen. Soms verdwijnt het uit ons verstand, zodat we het vergeten. Soms verdwijnt het uit onze genegenheid, zodat de eerbied ervoor wegvalt. Pas daarna kan iemand worden verleid tot een zonde. Zolang Eva het woord van de Heere in geloof vasthield, bleef zij overeind en hield zij stand tegen Satan. Maar op het moment dat zij begon te twijfelen aan wat God door Zijn woord het allerzekerst had gemaakt, zat zij meteen gevangen in zijn strik. — William Cowper.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 11
“Het beste ding op de beste plaats voor het beste doel.”
Uitleg
Vers 12
“HEERE! Gij zijt gezegend.” Dit is aanbidding, geboren uit diepe bewondering voor Gods karakter. De schrijver probeert dat karakter nederig na te volgen. Alles wat God hem heeft laten zien en wat Hij in hem heeft gewerkt, brengt hem tot lofprijs. Hij looft Hem met de warmte van een eerbiedige liefde en met heilige verwondering. Het zijn ook woorden van inzicht, uitgesproken in de herinnering aan het oneindige geluk dat de grote Jehova in Zichzelf heeft. De Heere is gezegend en kán niet anders, omdat Hij de volmaaktheid van heiligheid is. Waarschijnlijk staat het daarom hier als pleitgrond.
Alsof David zegt: “Ik zie dat mijn weg naar geluk moet lopen langs gelijkvormigheid aan U, want U bent hoogst gezegend. Word ik in mijn beperkte mate aan U gelijk in heiligheid? Dan deel ik ook in Uw gelukzaligheid.” Heeft het woord eenmaal in het hart postgevat, dan wil je het meteen doorgronden en leren. Zo gaat het ook met eten: wat je binnenkrijgt, moet nog verteerd worden. En wie het woord in zijn ziel heeft ontvangen, bidt allereerst: “Heere, leer mij wat het betekent.”
“Leer mij Uw inzettingen.” Alleen zo leer ik hoe ik gezegend kan zijn. U bent zó gezegend! Ik weet zeker dat U er vreugde in hebt om anderen te zegenen. Daarom vraag ik U om deze gunst: leer mij Uw geboden. Wie gelukkig is, maakt anderen meestal graag gelukkig. Zo zal ook de gelukzalige God met vreugde de heiligheid uitdelen, waaruit alle geluk voortkomt. Het geloof zette aan tot dit gebed en gaf er de grondslag voor. Die grondslag lag niet bij de biddende mens zelf, maar alleen in de volmaaktheid van de God tot Wie hij zijn smeking richtte. Heere, U bent gezegend. Zegen mij dan ook, en doe dat door mij te onderwijzen!
Leerlingen moeten we zijn, mensen die zich laten onderwijzen. Dat betekent “leer mij”. Wat een eer, dat God Zelf onze leraar wil zijn, ons persoonlijk wil onderwijzen! En wat is David vrijmoedig, dat hij de gezegende God om onderwijs vraagt! Maar de Heere Zelf had dit verlangen in zijn hart gelegd, toen het heilige woord daar verborgen lag. Dus mogen we aannemen dat zijn vrijmoedigheid niet te groot was. Wie wil de school van zo’n Meester niet binnengaan? Van Hem leren we de kunst van het heilige leven! Willen we de inzettingen van de gerechtigheid werkelijk in de praktijk houden, dan moeten we ons aan deze Leraar overgeven.
De Koning heeft de inzettingen gegeven, dus Hij kent hun betekenis het beste. Ze komen voort uit Zijn eigen wezen. Daarom kan juist Hij ons met hun geest vervullen. Dit gebed past bij ieder die zijn weg zuiver wil houden, want het is zeer praktisch. Er wordt niet gebeden om duistere geleerdheid, maar om de wet van de inzettingen. Wie de inzettingen van de Heere kent, heeft de belangrijkste opleiding gehad. Laat ieder van ons daarom bidden: “Leer mij Uw inzettingen.” Dat is een heerlijk gebed, dat we elke dag opnieuw kunnen bidden. Er zit opbouw in.
Dit gebed staat een trede hoger dan het gebed uit Psalm 119:10, “laat mij van Uw geboden niet afdwalen”. Dat gebed was op zijn beurt weer een stap hoger dan Psalm 119:8, “Verlaat mij niet al te zeer.” Het antwoord vinden we in Psalm 119:98-100: “Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn” en wat daarop volgt. Maar dat antwoord kwam pas toen het gebed zelfs drie keer was herhaald, in het “Leer mij” van Psalm 119:33 en Psalm 119:66. Ik raad de lezer aan al die verzen gerust zelf na te lezen.
Ook ná die derde keer klinkt het gebed nog in zoveel woorden in Psalm 119:124 en Psalm 119:135. En tegen het einde van de psalm hoor je hetzelfde verlangen in Psalm 119:171: “Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 12
“… gezegend; leer mij Uw inzettingen.” In dit ene vers staat een gebed, en meteen ook de reden van dat gebed. Het gebed zelf is: “Leer mij Uw inzettingen.” De reden ligt in wat David overdenkt, namelijk het oneindige goed dat in God is. God is gezegend, de bron van alle gelukzaligheid. Zonder Hem kan geen enkel schepsel welzijn of geluk vinden. David wil leven in gemeenschap met God. Hij weet dat niemand daar komt, tenzij God hem leert om Gods weg te kennen en die ook werkelijk te gaan. Daarom bidt hij des te ernstiger dat de Heere hem Zijn inzettingen wil leren. Och, dat ook wij dit toch eens verstandig wilden bedenken en ter harte nemen! Ons geluk bestaat in gemeenschap met God. — William Cowper.
Vers 12
Hier vinden we twee dingen.
- Eerst een erkenning van Gods gelukzaligheid: “HEERE! Gij zijt gezegend.” Dat betekent: U bezit alle volheid en daarom schept U een oneindig behagen in het genieten van Uzelf. Alleen U kunt mij gezegend en gelukkig maken, doordat ik U mag genieten. En U wilt uit Uw volheid geven. Zo bent U voor Uw schepselen de bron van gelukzaligheid.
- Daarna een verzoek: “Leer mij Uw inzettingen.” Dat betekent: alle volheid is in U en U hebt genoeg voor Uw eigen gelukzaligheid. Dan is er ook zeker genoeg voor mij.
Er is genoeg om Uzelf te verzadigen, dus er is genoeg om mij te verzadigen. Dat geeft mij moed om te bidden. Er volgt meer: “Leer mij, zodat ik weet waar ik mijn gelukzaligheid en geluk moet zoeken: in Uzelf, de Gezegende. Leer mij ook hoe ik U kan genieten, zodat ik in U gezegend ben.” En nog iets: “U bent in oorsprong gezegend, de Fontein van alle zegen. Uw gelukzaligheid is een eeuwige, volle bron, waaruit altijd gelukzaligheid stroomt. O, laat mij deze zegen van U ontvangen, één druppel uit die bron!” — William Wisheart, in “Theologia, or, Discourses of God”, 1716.
Vers 12
God is gezegend. Daarom kunnen we niet anders dan verlangen om Zijn wegen te leren. Zien we een mens op aarde gelukkig, dan willen we dolgraag weten hoe hij leeft. We denken dan dat ook wij er gelukkig van kunnen worden. Iedereen zou graag met de wind van een voorspoedig man meezeilen, al klopt dat in aardse zaken lang niet altijd. Maar een gezegende God kan ons met geen enkele weg van Hem naar iets anders brengen dan naar gelukzaligheid. Hij Die de gelukzaligheid Zelf is, zal ook graag bereid zijn om Zijn wegen aan anderen door te geven. De allerbeste dingen delen zich immers het gemakkelijkst mee aan anderen. — Paul Bayne.
Vers 12
“Leer mij.” Nathan stond hem terzijde als leraar. Er waren priesters om hem te onderwijzen, en hij was zelf ook profeet. Maar zonder Gods zegen was al hun onderwijs niets waard. Daarom bidt hij: “Leer mij.” — William Nicholson.
Vers 12
“Leer mij.” Hier zit meer in dan het doorgeven van kennis. Die had hij al, zei hij immers zelf, toen hij vertelde dat hij Gods woorden in zijn hart verborg. En in Psalm 119:7 zei hij dat hij “de rechten Uwer gerechtigheid geleerd” zou hebben. Er wordt hier dus ook gebeden om de genade om Zijn wet werkelijk te onderhouden. — Robert Bellarminus, 1542-1621.
Vers 12
“Leer mij.” Stel dat dit werkelijk werd toegepast. Stel dat we gebed koppelen aan het luisteren. Dus op het moment dat mensen ons onderwijzen, zenden we ook gebed tot God op, vóór de prediking, tijdens de prediking en erna. Dan zouden we al snel merken dat we geleerder en godsdienstiger zijn dan we nu zijn. — William Cowper.
Vers 12
“Leer mij Uw inzettingen.” Lees deze psalm aandachtig, dan valt één grote eigenschap op. Telkens weer staat er beslist: met menselijke kracht kunnen we Gods geboden niet houden. Hij moet ons de wil geven om die plicht te vervullen. De psalmist smeekt de Heere om zijn ogen te openen, zodat hij de wonderen van de wet ziet. Hij bidt dat de Heere hem Zijn inzettingen leert en de weg van de leugen van hem verwijdert. Ook vraagt hij of de Heere zijn hart wil neigen naar Zijn getuigenissen en niet naar de gierigheid, zijn ogen wil afwenden van het zien van ijdelheid, en het woord van de waarheid niet helemaal uit zijn mond wil wegnemen.
Al die verzoeken tonen hoe diep hij beseft dat hij in zichzelf volkomen machteloos is. En ze tonen hoe sterk hij zich van God afhankelijk voelt, voor elke stap vooruit in de kennis van de waarheid. Hij was er vast van overtuigd dat al zijn bestuderen van Gods wet en al zijn streven naar een heilig leven nooit enig succes zouden hebben, behalve door de genade van God. Die genade komt ons voor en werkt met ons mee. Zij plant een juist verlangen in ons hart en leidt ons als onfeilbare gids. Alleen op die manier kon hij de Heilige Schrift goed verstaan en de juiste beginselen vinden voor zijn dagelijkse wandel voor God en mensen. — George Phillips, 1846.
Vers 12
“Leer mij Uw inzettingen.” Waarom smeekt de psalmist om onderwezen te worden, terwijl hij kort daarvoor zei dat hij al kennis had? Het antwoord is dat hij onderricht zoekt in de praktische werking van de beginselen die hij in theorie wel heeft geleerd. — Michael Ayguan (1416), in Neale en Littledale.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 12
De gelukzaligheid van God en de weg om daarin binnen te gaan.
Vers 12
- David geeft God de eer: “HEERE! Gij zijt gezegend.”
- Hij vraagt genade van God. — Matthew Henry.
Vers 12
—
- Wat het is, of hoe God ons leert.
(a) God leert ons van buiten, door Zijn verordeningen en door de bediening van mensen.
(b) God leert ons van binnen, door de ingeving en het werk van de Heilige Geest.
- Waarom we Zijn onderwijs nodig hebben.
- Wat het ons oplevert en waartoe het dient. — T. Manton.
Vers 12
Het verlangen naar goddelijk onderwijs, opgewekt doordat we Gods gelukzaligheid erkennen.
- Leg uit, al is het maar in beperkte mate, hoe groot het geluk is van de eeuwig gezegende God. Dat geluk komt voort uit Zijn zuiverheid, goedheid en liefde.
- Laat de weg zien waarop de mens aan dat geluk kan deelnemen: door gelijkvormigheid aan Zijn voorschriften.
- Spreek het gebed van de tekst uit. — C.A.D.
Uitleg
Vers 13
“Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.” In Psalm 119:12 was de psalmist nog leerling. Nu is hij zelf leraar geworden! Wat we in het verborgene leren, moeten we van de daken roepen. Zo had de psalmist het gedaan: alles wat hij wist, had hij ook doorverteld. God heeft veel van Zijn oordelen bekendgemaakt door Zijn mond, dat wil zeggen in een heldere en openlijke openbaring. Het is onze plicht om die door te vertellen. Zo worden we als het ware trouwe echo’s van Zijn ene, onfeilbare stem. Maar er zijn ook oordelen van God die een grote afgrond zijn en die Hij niet openbaart.
Daar doen we verstandig aan niet te komen. Wat de Heere heeft bedekt, zouden we aanmatigend onthullen. Maar wat de Heere wél heeft geopenbaard, zou het beschamend zijn te verzwijgen. Voor een christen in moeilijke tijden is het een grote troost als hij terugkijkt en kan zeggen: ik heb mijn plicht tegenover Gods woord gedaan. Net als Noach een prediker van gerechtigheid te zijn geweest, geeft grote vreugde zodra het water stijgt en de goddeloze wereld op het punt staat te vergaan. Lippen die Gods inzettingen hebben verkondigd, zullen zeker welkom zijn wanneer ze op Zijn beloften een beroep doen.
Hebben we zoveel eerbied gehad voor wat uit Gods mond komt dat we het wijd en zijd hebben bekendgemaakt? Dan mogen we er volkomen op rekenen dat God ook acht slaat op de gebeden die uit onze mond komen.
Wil een jongeman zijn pad zuiver houden? Dan werkt dit krachtig: laat hij zich steeds weer inzetten voor de prediking van het evangelie. Wie zijn hele ziel bezighoudt met het uitdragen van de oordelen van de Heere, kan in zijn eigen oordeel niet ver afdwalen. Door anderen te onderwijzen leren we zelf. Door onze tong te oefenen in heilige taal krijgen we ons hele lichaam in bedwang. Door vertrouwd te raken met Gods manier van werken gaan we vreugde vinden in gerechtigheid. Zo wordt onze weg op drie manieren gereinigd doordat we de weg van de Heere verkondigen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 13
“Ik heb met mijn lippen verteld” en zo verder. Let er vooral op dat je aan anderen doorvertelt wat je zelf elke dag leert. Praat met mensen over goede dingen, uit de overvloed van je hart. — Richard Greenham.
Vers 13
De psalmist heeft het reinigende woord in zijn hart verborgen. Nu verkondigt hij het met zijn lippen. Omdat het woord van begin tot eind zuiver is, vertelt hij het ook helemaal door, zonder iets achter te houden. Is de bron van het hart gezuiverd, dan stroomt er ook zuiver water uit de lippen. De lippen van de psalmist die verkondigen, staan hier tegenover de mond van Jehova, want door Hem zijn de oordelen oorspronkelijk uitgesproken. — F. G. Marchant.
Vers 13
Beseffen we dat we onze kennis en onze geestelijke gaven aan anderen hebben doorgegeven, dan moedigt dat ons aan om méér te zoeken. Het is ook een bewijs dat de kennis die we hebben oprecht en vruchtbaar is: “Leer mij Uw inzettingen. Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.” — David Dickson.
Vers 13
“Met mijn lippen” en zo verder. Als de tong goed wordt gebruikt, tot eer van God en tot opbouw van anderen, is zij een voortreffelijk lid van ons lichaam. Maar zonder de lippen kan zij niet spreken. De Heere heeft het menselijk lichaam zó wonderbaarlijk wijs gemaakt dat geen enkel lid tegen een ander kan zeggen: “Ik heb u niet van node.” De mens is echter zo traag van begrip, dat hij pas ontdekt hoe nuttig zelfs het kleinste lid voor hem is wanneer hij het mist. Stel dat onze lippen een tijd lang waren dichtgeklemd, en onze tong zo was afgesloten. Dan zouden we het een grote genade vinden als ze weer werden losgemaakt. Zo sprong die verlamde man van vreugde en loofde hij God, toen hij zijn voeten weer kon gebruiken. — William Cowper.
Vers 13
“Verteld al de rechten.” Op een andere plaats zegt hij (Psalm 36:7): “Uw oordelen zijn een grote afgrond.” En de apostel roept uit (Rom. 11:33-34): “O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend?” Dat roept een vraag op. Als niemand Gods oordelen kan doorgronden, hoe kan de profeet dan zeggen: “Ik heb … verteld al de rechten Uws monds” (Engels: judgments, oordelen)? Ons antwoord luidt: er bestaan misschien oordelen van God die niet de oordelen van Zijn mond zijn, maar alleen van Zijn hart en Zijn hand.
Dit onderscheid maken we bewust, want we willen niet geloven dat de heilige Schrift zichzelf door tegenstrijdigheden verzwakt. Let op de woorden. Er staat niet: “De oordelen van Zijn mond zijn een grote afgrond.” Er staat: “Uw oordelen.” En de apostel sprak niet over de ondoorzoekelijke oordelen van Zijn mond, maar zei: “hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen”. Daaruit volgt dat Gods oordelen de verborgen oordelen zijn, die Hij ons niet heeft laten zien. De oordelen van Zijn mond zijn de oordelen die Hij wel bekend heeft gemaakt, door de mond van de profeten. — Ambrosius, 340-397.
Wenken voor predikers
Vers 13
Spreken dat goed wordt besteed. Het gaat over een uitgelezen onderwerp, een rijk onderwerp. Het is nuttig voor mensen en het verheerlijkt God.
Uitleg
Vers 14
“Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen.” Vreugde in Gods woord bewijst zeker dat het woord in het hart aan het werk is geweest. Dan zuivert het ook het leven. Hij zegt niet slechts dat hij zich verblijdt. Hij zegt dat hij vrólijker is. Al jarenlang was het zijn vreugde en zijn zaligheid om zijn ziel toe te vertrouwen aan het onderwijs van het woord. En die blijdschap kwam niet alleen uit het woord van God zelf. Ze kwam ook uit alles wat het woord in de praktijk betekent. De Weg was hem net zo dierbaar als de Waarheid en het Leven. Hij koos niet wat hem zelf het beste uitkwam. En koos hij toch, dan koos hij het meest praktische het eerst.
“Dan over allen rijkdom.” Zijn diepe voldoening in Gods wil zet hij naast die van iemand met grote en verschillende landgoederen, die het hart heeft om ervan te genieten. David wist wat rijkdom is die je krijgt door te regeren en te veroveren. Hij kende ook de welvaart die uit werk voortkomt of die je erft. Allerlei rijkdom kende hij! Wat was deze genadige koning blij geweest toen het goud en zilver zijn schatkamer binnenstroomde! Een enorme hoeveelheid ervan wijdde hij aan de bouw van Jehova’s tempel op de berg Sion. Zo vond hij vreugde in allerlei rijkdommen, die waren afgezonderd en opgespaard voor de edelste doelen.
Toch gaf de weg van Gods woord hem nog meer vreugde. Zie hoe zijn vreugde was: persoonlijk, helder, onvergeten en overvloedig. Geen wonder dus dat hij in het vorige vers vertelt hoeveel hij erover had gesproken, over iets waar hij zo van genoot. Waar je vreugde in vindt, daar mag je gerust veel over praten.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 14
“Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen” en zo verder. Let op de precieze woorden. De psalmist zegt niet alleen: “Ik ben vrolijker in Uw getuigenissen.” Hij zegt: “in den weg Uwer getuigenissen.” Het woord “weg” is een van de namen voor de wet. Gods wetten zijn wegen en leiden ons naar God toe. Dus kunnen we het zo lezen: de weg die Uw getuigenissen aanwijzen en waartoe ze mij oproepen. Het kan ook zijn eigen praktijk bedoelen, net zoals we iemands levensloop zijn weg noemen. Zijn vreugde lag niet in nadenken of praten, maar in gehoorzamen en doen: “in den weg Uwer getuigenissen.” Hoe groot zijn blijdschap was, zegt hij ook: “dan over allen rijkdom” (Engels: as, ‘als’).
Met dat “als” stelt hij de dingen niet gelijk. Alsof wij de wereld even lief zouden mogen hebben als Gods woord! Nee, hij zegt “als”, omdat wij geen hogere vergelijking hebben. Rijkdom is immers het ding dat mensen van de wereld vereren en waar zij genot in vinden. Zoveel vreugde als zij beleven aan wereldse bezittingen, zoveel vreugde beleef ik aan de weg van Uw getuigenissen. Ik denk dat David niet zijn eigen vreugde in het woord naast zijn eigen vreugde in rijkdom legt. Hij zet wat hij zelf kiest en waarin hij zich verblijdt naast de keuze en de vreugde van anderen.
Had hij van zichzelf over allebei gesproken, dan was dit een zeer hoge uitspraak geweest. David was tot een kroon geroepen. Hij had alle kans om veel van de wereld te genieten: goud, zilver, land, goederen, een uitgestrekt gebied en alles bij elkaar wat alle mensen samen en ieder voor zich bezitten. Toch vond hij meer vreugde in de heiligheid van Gods wegen dan in de hele wereld. “Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?” (Mark. 8:36). — Thomas Manton.
Vers 14
“In den weg Uwer getuigenissen.” Het getuigenis van God is Zijn woord, want dat getuigt van Zijn wil. De “weg” van Zijn getuigenis is wat we met Zijn woord doen. Het is het volbrengen van wat Hij als Zijn wil heeft bekendgemaakt, en waarin Hij heeft beloofd ons Zijn liefde te tonen. Die zoetheid vond David niet alleen door het woord te horen, te lezen en te belijden, maar door het toe te passen. Eerlijk gezegd is dit de enige reden waarom wij de troost van Gods woord niet vinden: we brengen het niet in praktijk, want we wandelen niet op de weg ervan.
Het klopt dat het in het begin bitter smaakt voor onze natuur. Die is verzot op vleselijke vrijheid en moet zich nu als gevangene aan het woord overgeven. Het is “laboriosa virtutis via”, de moeizame weg van de deugd. Er is veel strijd nodig voordat het hart is veroverd. Maar is de eerste stap eenmaal gezet, dan geeft dit zo’n vreugde dat alle moeite en smart van daarvoor ruimschoots wordt goedgemaakt. — William Cowper.
Vers 14
Rijkdom kost veel moeite om te verwerven. Je geniet ervan met angst. Je verliest hem met bitterheid. — Bernardus, 1091-1157.
Vers 14
In de tijd van de vervolging nam men de christenen hun Bijbels af. Toen zei een arme, goede vrouw: “Ik kan niet zonder mijn Bijbel. Ik weet niet hoe ik zonder moet leven.” Heeft iemand die genade heeft ontvangen een stichtelijke preek gehoord? Dan zegt hij: “Dit doet mij echt goed in mijn hart. Het is het beste voedsel dat ik heb.” “Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.” — Oliver Heywood, 1629-1702.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 14
Praktische godsdienst is een bron van troost die méér waard is dan rijkdom. Ze schenkt een mens rust van gemoed, onafhankelijkheid, gewicht in zijn invloed, en nog ander voordeel waarvan men denkt dat alleen rijkdom het geeft.
Vers 14
- Waarover de vreugde gaat. Niet alleen over de “getuigenissen”, maar ook over het onderhouden ervan: “in den weg” en zo verder.
- De vreugde in dat onderwerp.
(a) In de innerlijke vrede ervan.
(b) In de uiterlijke gevolgen ervan.
- Hoe groot die vreugde is: “dan over allen rijkdom”. — G.R.
Vers 14
De twee schalen van de weegschaal. Waar rijkdom ook goed voor is, Gods getuigenissen zijn dat ook.
- Rijkdom is nuttig om te verkrijgen wat we nodig hebben om te leven. Maar Gods getuigenissen voorzien in wat de ziel nodig heeft.
- Rijkdom is nuttig als middel tot persoonlijk genot. Maar Gods getuigenissen leveren de hoogste vreugde op.
- Rijkdom is nuttig als middel om onszelf te verbeteren. Maar Gods getuigenissen zijn de allerhoogste opvoeders.
- Rijkdom is nuttig als middel om goed te doen. Maar Gods getuigenissen bewerken het allerhoogste goed. — C.A.D.
Uitleg
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen overdenken.” Wie van binnen echt vreugde heeft in iets, kan zijn gedachten er niet lang van losmaken. Zoals de vrek steeds weer gaat kijken naar zijn schat, zo keert de toegewijde gelovige telkens terug in overdenking, om de onbetaalbare rijkdom te bekijken die hij in het boek van de Heere heeft gevonden. Sommigen ervaren overdenking als een karwei. Voor wie een gereinigde weg gaat, is het een vreugde. Wie heeft overdacht, zál overdenken. Dezelfde die zegt: “Ik ben vrolijker”, voegt eraan toe: “Ik zal … overdenken.” Geen geestelijke oefening doet de ziel meer goed dan toegewijde overdenking.
Waarom zijn zo velen van ons er dan zo traag in? Let ook op dit: David overdenkt vooral dat deel van Gods woord dat bevelen geeft. Dat ligt voor de hand, want de vraag hoe een jongeman zijn weg zuiver kan houden, speelde nog door zijn hoofd. Godzaligheid die we in de praktijk brengen, is levende godzaligheid.
“En op Uw paden letten.” Ik wil lang nadenken over Uw wegen, om te weten wat ze zijn. Daarna wil ik er opnieuw lang over nadenken, zodat ik ze in diepe eerbied en grote waardering kan bewaren. Ik zal zien wat Uw wegen met mij doen, en dat vervult mij met eerbied, dankbaarheid en liefde. Daarna kijk ik naar de wegen die U voor mij hebt aangewezen, de wegen waarop U wilt dat ik achter U aan loop. Daar let ik zorgvuldig op. Zo word ik gehoorzaam en laat ik zien dat ik werkelijk de dienaar ben van zo’n Meester.
Zie hoe de verzen steeds persoonlijker worden naarmate ze vorderen. In Psalm 119:13 hoorden we hem spreken. In Psalm 119:14 zagen we zijn vreugde zichtbaar worden. Nu komen we bij de verborgen overpeinzing van een gelukkige geest. De rijkste genaden zijn de genaden die het diepst wonen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen overdenken” en zo verder. Tot nu toe liet David steeds zien wat hij al gedaan had. Nu zegt hij wat hij nog zál doen. In Psalm 119:10 klonk: “Ik zoek U” (Engels: have I sought, ‘heb ik gezocht’). In Psalm 119:11: “Ik heb … verborgen.” In Psalm 119:13: “Ik heb … verteld.” In Psalm 119:14: “Ik ben vrolijker” (Engels: I have rejoiced, ‘ik heb mij verblijd’). En in de twee volgende verzen belooft hij dat hij ook straks zijn doel op God gericht houdt: “Ik zal Uw bevelen overdenken” en zo verder. Op iets wat al gedaan en voorbij is, rusten we niet uit. We tonen dezelfde ijver tot aan het einde.
Dit is Davids hartelijke voornemen om ook in de toekomst door te gaan. Veel mensen zeggen: “Zo heb ik het gedaan toen ik jong was, of toen ik meer tijd en rust had. Toen heb ik overdacht en erover gesproken.” Maar jullie moeten op de heilige weg blijven. Een bouwwerk beginnen en onaf laten staan, is een bewijs van dwaasheid. — Thomas Manton.
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen overdenken” (Engels: meditate in, ‘overdenken in’). Dus niet alleen over die bevelen of over wat ze zeggen, maar in die bevelen zelf, terwijl je ze aan het uitvoeren bent. — Joseph Addison Alexander.
Vers 15
“Ik zal.” Let op hoe vaak dit “ik zal” terugkeert (Psalm 119:48 en Psalm 119:78). Overdenking begint met een worsteling. We moeten onze gedachten losmaken van de onderwerpen waar we eerst mee bezig waren en op onze plicht richten. Dat valt althans soms moeilijk. Maar er echt ernstig mee bezig zijn is nog lastiger. Duiken en diep nadenken is nog lastiger. En het lastigst van alles is om in zo’n verblijf van de gedachten te volharden. Dat moeten we echter doen: er lang genoeg wonen. Na elk nieuw inzicht kijken we opnieuw terug.
We denken hetzelfde nog eens door. We proeven de dingen steeds weer, ook wanneer de frisheid en het nieuwe eraf zijn en de zaken die we bekijken door langdurig nadenken oud lijken. Als we onszelf er niet vaak toe opwekken, raken we maar al te makkelijk dood en vlak in zo’n bezigheid. Vol blijven houden en overeind blijven is zwaar. Daarvoor hebben we een waakzaam oog nodig, een warme genegenheid en een sterk besluit dat we telkens herhalen. En ook dit: onze ziel moet vaak naar Christus opgeheven worden, om nieuwe kracht te vragen. David was een uitmuntend kunstenaar op dit gebied.
Toch zegt hij dat hij zál overdenken, en hij zegt het vaak. Dat “ik zal” sprak hij beslist niet alleen uit toen hij aan dit zware werk begon. Hij sprak het ook uit om vol te houden, om zijn hart voor verslapping te bewaren totdat zijn werk goed was afgerond. Wat de schat vindt en boven haalt, is niet het graven in de goudmijn, maar het láng graven. Wat meer parels oplevert, is niet het duiken in zee, maar het langer onder water blijven. De gouden draad van de overdenking uittrekken tot de juiste lengte, totdat de geestelijke doelen zijn bereikt: dat is een zeldzame en gelukkige bekwaamheid. — Nathanael Ranew, 1670.
Vers 15
“Ik zal Uw.” Hoeveel groter zou onze vreugde “in den weg Uwer getuigenissen” worden, als we er vaster en standvastiger over mediteerden! Maar dit besluit kan een vleselijke gezindheid nooit nemen. Ook een vernieuwde gezindheid ziet er door de achtergebleven verdorvenheid vaak jammerlijk tegen op. Toch is het een gezegende bezigheid, en die vergoedt duizendvoudig de moeite om het al te onwillige hart tot deze plicht te bewegen. — Charles Bridges.
Vers 15
Meditatie heeft zo’n gelukkige invloed: zij maakt het verstand wijs en de genegenheden warm, zij maakt de ziel vet en bloeiend en de levenswandel zeer vruchtbaar. — Nathanael Ranew.
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen.” Onderzoek de Schriften! Als een beroemd man een voortreffelijk boek schrijft, hoe graag willen wij het dan zien! Stel nu dat ik jullie kon vertellen dat er in Frankrijk of Duitsland een boek ligt dat God Zelf heeft geschreven. Dan zou men, daar ben ik van overtuigd, al het geld uit jullie beurs kunnen halen om dat boek te bemachtigen. Jullie hebben het gewoon bij de hand. O, wilden jullie het maar bestuderen! De kamerling zat in zijn wagen en bestudeerde de profeet Jesaja. Toen Filippus kwam en hem iets vroeg wat wij waarschijnlijk brutaal zouden vinden, werd hij niet boos:
“Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” (Hand. 8:27-30). Hij was er juist blij mee! Het jaar van vrijlating had als groot doel dat de wet gelezen zou worden (Deut. 31:9-13). Wie in de Schrift spreekt, is Gods wijsheid (Luk. 11:49). Wat je dus ook nog meer te doen hebt: bestudeer de Bijbel werkelijk en nauwgezet. — Samuel Jacomb (1629-1659), in The Morning Exercises.
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen.” Het ene is de vrucht van het andere: eerst “Ik zal Uw bevelen overdenken”, dan “en op Uw paden letten.” Meditatie dient voor de praktijk. Als ze goed is, brengt ze eerbied voor Gods wegen voort. We mediteren niet om in beschouwing te rusten. We doen het met het oog op gehoorzaamheid: “… overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is” (Joz. 1:8). — Thomas Manton.
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden.” Zoals een boogschutter let op zijn doel. — John Trapp.
Vers 15
“Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.” Als we reizen, genieten we er echt van om naar prachtige gebouwen, tuinen, vestingwerken en kunstgalerijen te kijken. Maar niets van die bezienswaardigheden haalt het bij het beschouwen van Gods wegen. Die heeft Hij Zelf bewandeld of voor de mens uitgezet. En hoe noodzakelijk is het in de praktijk om de weg te overdenken! Wie dat niet doet, lijkt op een slaperige koetsier. Hij let niet goed op de weg, en daardoor kan hij zichzelf en zijn passagiers snel laten omslaan. — Martin Geier.
Vers 15
“Uw paden.” Als tweede innerlijke handeling ten opzichte van het woord noemt David de overweging. Merk goed op dat hij Gods woord heel treffend “Gods wegen” noemt. Dat doet hij voor een deel omdat God door het woord dicht bij de mensen komt en Zichzelf aan hen openbaart. Zonder dat zouden ze Hem niet kunnen kennen, want Hij woont in een ontoegankelijk licht. Voor een ander deel doet hij het omdat het woord de weg is die mensen naar God brengt. God daalt door het woord af naar de mensen. Door het woord gaan mensen op naar God, en ze weten hoe ze toegang tot Hem krijgen. Daarom heet Zijn woord Zijn weg. — William Cowper.
Verzen 15, 16
In deze twee laatste verzen van de afdeling zien we drie innerlijke handelingen van Davids ziel tegenover Gods woord: eerst meditatie, dan overweging, dan verlustiging. Ze komen elk uit het vorige voort en versterken elkaar. Door meditatie komt het woord in het verstand. Overweging bekijkt het van alle kanten en graaft erin. Zo ontstaat verlustiging. Wat in het verstand komt en niet wordt overwogen, verdwijnt, hoe goed het ook was, op dezelfde manier als het kwam. Het laat geen onderricht en geen vreugde na. Maar wordt het door meditatie aangereikt en door overweging doordacht, dan brengt het verlustiging voort. Wat de innerlijke handeling betreft, is dit de volmaaktheid van de godzaligheid. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 15
Het beschouwende en het werkzame leven: hun gemeenschappelijke voedsel, doel en loon.
Uitleg
Vers 16
“Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen.” Hier volgt verlustiging op overdenking, als haar ware bloem en natuurlijke uitloper. Soms hebben we geen andere troost en zijn we volledig alleen. Dan doet het het hart goed om zich naar zichzelf te keren en zacht te fluisteren: “Ik zal mij verlustigen. En als er in de zaal geen minstreel zingt? Ik zal mij verlustigen. Is de tijd van het gezang der vogels nog niet gekomen, en klinkt de stem van de tortelduif nog niet in ons land? Ik zal mij toch verlustigen.” Van alle vreugden is dit de meest uitgelezen en de edelste.
Het is zelfs het goede deel, dat ons nooit kan worden afgenomen. Alleen: wat lager staat dan datgene wat God bedoeld heeft als de eeuwige voldoening van de ziel, kan ons nooit werkelijk verlustigen. Het wetboek is er om de vreugde te zijn van elke trouwe onderdaan. Slaat de gelovige de heilige bladzijden eenmaal open, dan brandt zijn ziel in hem. Hij gaat van het ene koninklijke woord van de grote Koning naar het andere. Het zijn woorden vol en vast, onveranderlijk en goddelijk.
“Uw woord zal ik niet vergeten.” Wat mensen hebben opgespaard (Psalm 119:11), wat ze hebben overpeinsd (Psalm 119:15) en waar ze vaak over hebben gesproken (Psalm 119:13), vergeten ze niet snel. Toch is het goed om dit vast te binden met het geknoopte koord van “zal ik niet vergeten”. We hebben immers een verraderlijk geheugen.
Zie hoe er na twee keer “ik heb” twee keer “ik zal” volgt. Voor de toekomst mogen we niets beloven als we in het verleden volkomen hebben gefaald. Maar heeft de genade ons iets laten volbrengen? Dan mogen we met hoop verwachten dat ze ons nog meer zal laten doen.
Het is merkwaardig om te zien hoe dit vers is gemodelleerd naar Psalm 119:8. Dezelfde woorden worden telkens op een andere manier gerangschikt, maar de betekenis is helemaal anders. Er is geen spoor van ijdele herhaling. In deze psalm wordt nooit dezelfde gedachte nog eens gegeven. Wie dat denkt, is een domoor. Zelfs wanneer de woorden bijna gelijk zijn aan die van een ander vers, verschilt de zin heerlijk. Dat komt omdat de plaats van elk vers de betekenis ervan beïnvloedt. Zien we in deze psalm geen oneindige verscheidenheid aan fijne schakeringen van gedachten? Dan mogen we besluiten dat we kleurenblind zijn. Horen we geen vele zoete harmonieën? Dan mogen we oordelen dat onze oren hardhorend zijn. Maar de Geest van God verdenken van eentonigheid, dat mogen we niet.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 16
“Ik zal mijzelven vermaken” en zo verder. Eerder zei hij dat hij veel vreugde had in Gods getuigenissen. Nu zegt hij dat hij die vreugde ook later zal houden. Een mens die God werkelijk vreest, ontdekt dit: hoe meer goeds hij doet, hoe meer hij ernaar verlangt, hoe meer hij er blij van wordt en hoe vastbeslotener hij wordt om het te blijven doen. Anders is het bij opportunisten. Zij hebben alleen de schijn van godzaligheid en de liefde ervoor zit niet diep in hun hart. Wat zijn zij snel moe van het goede doen!
Hebben zij een klein, uiterlijk godsdienstig plichtje volbracht? Dan leunen zij achterover, alsof zij volkomen tevreden mogen zijn en niets goeds meer hoeven te doen. Echte godsdienst herken je zo: iemand hongert en dorst naar gerechtigheid, houdt vol in het goede doen en verlangt ernstig om nog meer te doen. Daarna voegt hij toe dat hij het woord niet zal vergeten. De genaden van de Geest versterken elkaar allemaal over en weer. Meditatie helpt de overweging, dat zie je. Want hoe kun je overwegen wat je niet in gedachten neemt? Overweging brengt op haar beurt verlustiging voort.
En verlustiging versterkt het geheugen, zoals je hier ziet: omdat hij zich in het woord verlustigt, zal hij het woord niet vergeten. Het geheugen geeft de meditatie weer nieuw leven. Zo helpt elke genade van de Geest weer een andere genade. Omgekeerd brengt het verwaarlozen van één ervan een wonderlijke achteruitgang van de andere genaden teweeg. — William Cowper.
Vers 16
“Ik zal mijzelven vermaken.” Wordt gerechtigheid van een zaak van dwang een zaak van eigen keuze? Dan verandert ze meteen helemaal van aard en komt ze zedelijk gezien hoger te staan dan voorheen. Door het gezag van de wet is God Zelf onmogelijk te dwingen. Toch laat Hij Zich uit Zijn eigen oorspronkelijke neiging leiden op het pad van de gerechtigheid van de wet. Zo leven ook wij, naarmate wij meer op God lijken, voor de deugden van diezelfde wet. Voor de schrik van haar strengheid zijn we juist helemaal dood. Wij staan niet meer onder een tuchtmeester.
Gehoorzaamheid is van dwang veranderd in vrijheid. Ze is omgevormd tot een hogere staat en een hogere aard dan voorheen. De God van het gezag drijft ons er niet toe. Het is de genegenheid van een nu gewillig hart voor alle zedelijke en geestelijke voortreffelijkheid, die ons ernaartoe trekt. — Thomas Chalmers, 1780-1847.
Vers 16
Meditatie moet geen doffe, droevige en moedeloze bezigheid zijn. Ze moet niet lijken op de wagens van de Egyptenaren die moeizaam reden toen hun wielen waren afgenomen. Ze moet lijken op de wagens van Amminadib (Hooglied 6:12), die snel liepen. Laten we daarom bidden: “Heere, maak mij in de meditatie als de wagens van Amminadib, zodat mijn snelle loop bewijst dat ik graag mediteer.” De heilige David maakt van het behagen hier zo’n bestanddeel of hulpmiddel dat hij het oefenen van meditatie soms met het woord “behagen” aanduidt. In het voorgaande vers spreekt hij over deze meditatie: “Ik zal Uw bevelen overdenken”.
In Psalm 119:16 zegt hij: “Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen.” Dat is hetzelfde als meditatie, met daarbij de uitnemende eigenschap die juiste meditatie moet hebben. De naam behagen krijgt meditatie vanwege haar edele metgezel: heilige vreugde en voldoening. — Nathanael Ranew.
Vers 16
“Mijzelven vermaken.” Het woord is bijzonder nadrukkelijk: eshtaasha, “ik zal huppelen en springen van vreugde”. — Adam Clarke.
Vers 16
“Zal ik niet vergeten.” Behagen voorkomt vergeetachtigheid. De geest gaat waar het hart behagen in heeft, en het hart is waar de schat is (Matth. 6:21). Wereldse mensen richten zich op vleselijke belangen.
Zij vergeten het woord, omdat het hun geen vreugde doet. Wat ons mishaagt, vergeten we graag. Het lucht ons op wanneer we onze gedachten ervan kunnen afwenden. Maar wat ons behaagt, daar worden we alleen maar blijer van als we eraan denken en het onszelf weer voor de geest halen. Neem een leerling in de schoolbank. Hij heeft geen plezier in zijn boek, omdat hij zelf een hekel heeft aan leren of omdat zijn meester streng en onverstandig is. Dan gaat alles wat hij leert verloren en wordt het later vergeten. Het gaat bij het ene oor in en bij het andere uit.
Dit is dus de ware kunst van het geheugen, en die is eenvoudig: laat mensen vreugde krijgen in wat ze leren. Onderwijs dat we met zoetheid in ons opnemen, blijft ons bij en gaat dag en nacht door onze gedachten. Zo zegt David hier: “Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.” — Thomas Manton.
Vers 16
“Vergeten.” Nog nooit in mijn leven heb ik gehoord van een gierige oude man die was vergeten waar hij zijn schat had begraven. — Cicero, “De Senectute”.
Wenken voor predikers
Vers 16
—
- Waarin men zich kan verlustigen.
- Wat uit zulke verlustiging voortkomt: “Uw woord zal ik niet vergeten.”
- Wat uit zulke herinnering voortkomt: meer verlustiging.
Uitleg
Verzen 17-24
De psalmist ziet in dit gedeelte de moeilijkheden van de weg voor zich opdoemen. Daarom vraagt hij nu precies om de hulp die bij zijn nood past. Eerder, in de laatste acht verzen, sprak een jongeling die zojuist de wereld in was gegaan. Hier hoor je een dienstknecht en pelgrim, die steeds sterker voelt dat hij een vreemdeling is in vijandelijk gebied. Hij richt zich alleen tot God en zijn gebed is bijzonder rechtstreeks en persoonlijk. Hij spreekt met de Heere zoals een mens spreekt met zijn eigen vriend, openhartig en vertrouwd.
Vers 17
“Doe wel bij Uw knecht.” Het is voor hem werkelijk een vreugde om te erkennen dat hij God iets verschuldigd is. Zijn hart juicht omdat hij zijn God mag dienen. Dat hij knecht is, gebruikt hij als argument, want een knecht kan een beroep doen op zijn meester. Maar de manier waarop hij het zegt, sluit elke gedachte aan een recht uit de wet uit. Hij vraagt immers om mildheid en niet om loon. Mijn loon moet bij Uw goedheid passen, niet bij mijn verdienste. Geef mij zoveel als Uw mildheid groot is, niet zoveel als mijn dienst waard is.
Bij onze Vader hebben alle huurlingen overvloed van brood. Hij laat niemand uit Zijn huisgezin van honger omkomen. Als de Heere ons maar behandelt zoals Hij de geringste van Zijn knechten behandelt, hebben wij al alle reden tot tevredenheid. Want al Zijn echte knechten zijn zonen. Het zijn prinsen van koninklijk bloed en erfgenamen van het eeuwige leven. David voelde dat zijn grote nood vroeg om een royale voorziening. Voor zo’n voorraad kwam zijn geringe verdienste nooit in aanmerking. Daarom moest hij zich op Gods genade werpen. Wat hij zo hard nodig had, moest hij verwachten van de grote goedheid van de Heere.
Hij smeekt dus om overvloedige genade, zoals iemand die bad: “O Heere, geef mij grote barmhartigheid of geef mij niets. Met kleine barmhartigheid is mij niet gediend.”
“Dat ik leve.” Zonder overvloedige barmhartigheid kon hij niet leven. Om een heilige in leven te houden, is veel genade nodig. Zelfs ons leven is een gave van goddelijke mildheid aan mensen die dat helemaal niet verdienen. Alleen de Heere kan ons laten voortbestaan. Het is krachtige genade die ons het leven laat houden, dat wij door onze zonde hebben verbeurd. Verlangen om te leven is goed. Bidden om te leven past. En het is terecht om een verlengd leven aan Gods gunst toe te schrijven. Maar ook het geestelijk leven moeten we vragen aan de mildheid van de Heere.
Zonder dat geestelijk leven is ons natuurlijke leven niet meer dan overleven. Het is immers het edelste werk van Gods genade, en daarin blinkt Zijn mildheid prachtig uit. De knechten van de Heere kunnen Hem niet dienen met kracht uit zichzelf. Ze kunnen zelfs niet leven als Zijn genade niet rijkelijk over hen is.
“En Uw woord beware.” Dat moet de maatstaf, het doel en de vreugde van ons leven zijn. We mogen niet willen leven om te kunnen zondigen. We mogen wel bidden om te leven en Gods woord te bewaren. Een bestaan zonder welzijn is een armzalig ding, nauwelijks de moeite waard. Het is alleen de moeite waard om ons leven vast te houden, zolang we Gods woord kunnen bewaren. Ja, los van heiligheid is er in de diepste zin geen leven. Wie leeft en daarbij de wet overtreedt, heeft alleen de naam dat hij leeft.
Dit gebed leert ons dat alleen goddelijke mildheid of genade het mogelijk maakt dat wij als trouwe knechten van God leven en gehoorzaamheid aan Zijn geboden tonen. Dienen wij God? Dat komt dan doordat Hij ons genade geeft. We werken voor Hem, omdat Hij in ons werkt. Zo ontstaat er een keten van de openingsverzen van de eerste drie achtdelen van deze psalm. In Psalm 119:1 wordt de heilige man gelukzalig genoemd. Psalm 119:9 vraagt hoe we tot zulke heiligheid kunnen komen. En Psalm 119:17 brengt zulke heiligheid terug tot haar verborgen bron en wijst ons hoe we de zegen moeten zoeken.
Een mens die heiligheid hoog waardeert en er ernstig naar streeft, wordt daardoor des te meer naar God gedreven om hulp te zoeken. Hij ziet immers helder en duidelijk in dat zijn eigen kracht niet genoeg is. Zonder de milde bijstand van de Heere, zijn God, kan hij zelfs niet leven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 17
“Doe wel bij Uw knecht” en zo verder. Er staat ook wel: “Vergeld Uw knecht” of “vergeld aan Uw knecht”. Daarin lijkt een diepe betekenis te liggen. De heilige man vraagt om niet behandeld te worden als een doorsnee zondig mens, maar als iemand die zich heeft geplaatst op de weg die voor de verzoening is aangewezen. En zo is het ook echt, zoals je kunt lezen in het gedeelte dat direct voorafgaat, Psalm 119:16: “Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.” De inzettingen van de Heere gingen toen vooral over de zondoffers en over het reinigen van wat volgens de wet gereinigd moest worden.
Denk je de man van God in, midden in het Levitische ritueel, waarvoor hij allerlei voorbereidingen trof: 1 Kron. 22:1-19, 1 Kron. 23:1-32 en 1 Kron. 24:1-31. Hij plaatst zichzelf dus daar en bidt of de Heere hem wil behandelen volgens die inzettingen. In de taal van het Nieuwe Testament: de gelovige plaatst zichzelf op de grote verzoening en bidt de Heere om hem te behandelen naar zijn positie in Christus. Dat gaat dan met goedertierenheid of mildheid. Want als de Heere rechtvaardig is wanneer Hij zonder verzoening veroordeelt, dan is Hij ook rechtvaardig wanneer Hij door de verzoening vergeeft.
Ja, Hij is rechtvaardig én Hij is de Rechtvaardigmaker van ieder die in Jezus gelooft. — John Stephen.
Vers 17
“Doe wel” en zo verder. O Heere, ik ben altijd vastbesloten om Uw bekende wil te gehoorzamen en daaraan vast te houden, al de dagen van mijn leven. O, geef mij dan ook die genadige vergelding die U aan al zulke mensen hebt beloofd. — Henry Hammond.
Vers 17
“Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware” en zo verder. Heeft een trouwe knecht zijn meester gediend? Dan is zijn rijkste beloning dat hij mag blijven dienen, nog verder en nog meer. Dat is wat dit gebed ons leert: David smeekt om te leven en Gods woord te bewaren. — David Dickson.
Vers 17
“Doe wel” (Engels: deal bountifully, ‘mild’). Stel je voor hoe arm, zwak, leeg en hulpeloos zelfs de meest ervaren gelovige in zichzelf is. Dan zie je niet in hoe iets anders dan een milde, ruime voorziening van genade ooit in zijn nood zou kunnen voorzien. — Charles Bridges.
Vers 17
“Uw knecht.” Vaak noemt hij zichzelf Gods knecht, en dat verraadt hoe diep zijn eerbied voor God was. Knecht heten van God, Die boven hem stond, vond hij eervoller dan koning zijn over een machtig, oud en wereldberoemd volk dat hem onderdanig was. Ook de engelen heten Gods dienaren. Is het dan een schande om Hem te dienen? Zeker niet! In Zijn goedheid maakte Hij die engelen immers tot onze dienaren, “gedienstige geesten” voor ons. Zouden wij Hem dan niet met vreugde moeten dienen? Al Zijn schepselen laat Hij ons dienen. Van elke andere dienst heeft Hij ons vrijgemaakt.
Alleen aan de dienst van Hemzelf heeft Hij ons verbonden. — William Cowper.
Vers 17
“Dat ik leve.” Wie wil werken, moet eerst “leven”. Daarom bidt David allereerst dat God “wel doet bij Zijn knecht”, naar de mate van genade en barmhartigheid. Dan kan hij het leven van het geloof leven en wordt hij door de Geest krachtig gesterkt in de innerlijke mens. — George Horne, 1730-1792.
Vers 17
“Dat ik leve en Uw woord beware.” David bindt hier twee dingen aan elkaar. Maak je ze los, dan kun je niet gezegend zijn. Hij wil leven, maar dan leven in het bewaren van Gods woord. Een verworpen mens leeft als een rebel tegen zijn Maker. Voor hem was het beter geweest nooit geboren te zijn, zoals onze Zaligmaker over Judas zei. Hoe korter hij leeft, hoe minder zonden hij begaat en hoe lichter hij wordt geoordeeld. Een uitverkoren mens heeft aan zijn leven juist veel. Zo wandelt hij van de verkiezing naar de verheerlijking, over de weg van de heiliging.
Elk jaar dat hij langer leeft, kan hij meer goeds doen. Dat is tot eer van God en tot opbouw van anderen, en het bevestigt zijn eigen zaligheid. Hij maakt die zeker voor zichzelf door te strijden en te overwinnen als hij wordt verzocht, en door vol te houden in het goede doen. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door pastor C. A. Davis. Verzen 17-24. — Gewenste mildheden van God. Leven om Hem godvruchtig te dienen (Psalm 119:17). Verlichting (Psalm 119:18). Voor de vreemdeling de weg naar huis wijzen, “Uw geboden” (Psalm 119:19-20). Dan kijkt hij naar de hovaardigen, die van die leiding afdwalen (Psalm 119:21). Tot slot bidt de psalmist dat de “versmaadheid” van hem wordt weggewenteld, die komt doordat hij God trouw blijft (Psalm 119:22-24).
Wenken voor predikers
Vers 17
—
- Een milde meester.
- Een behoeftige knecht, die smeekt om het leven zelf.
- Een passende vergoeding: “en Uw woord beware.”
Vers 17
Hier leren we:
- Dat we ons leven te danken hebben aan Gods barmhartigheid.
- Dat we ons leven daarom moeten besteden in Gods dienst. — Matthew Henry.
Uitleg
Vers 18
“Ontdek mijn ogen.” Ook dit hoort bij de milde behandeling waar hij om heeft gevraagd. Een grotere mildheid is er niet dan wat ons ten goede komt in onze persoon, onze ziel en ons verstand, en wel in een orgaan dat zo belangrijk is als het oog. Veel beter zijn open ogen, dan dat we midden in de mooiste vergezichten staan en blind blijven voor al die schoonheid.
“Dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” Er zijn mensen die in het evangelie geen wonderen zien. David wist zeker dat de wet vol heerlijke dingen zat. Hij bezat niet eens de helft van de Bijbel. Toch waardeerde hij zijn deel meer dan sommigen de hele Bijbel waarderen. In Gods woord had God volgens hem grote mildheden opgeslagen. Daarom vraagt hij de kracht om die te zien, te waarderen en ervan te genieten. Het is niet zozeer nodig dat God ons nog meer weldaden geeft. Wat wij nodig hebben, is het vermogen te zien wat Hij allang gegeven heeft.
In dit gebed hoor je dat hij zijn eigen duisternis voelt: zijn geestelijk gezicht is dof. Hij kan dit gebrek niet zelf opheffen. Maar hij weet heel zeker dat God het kan opheffen. Ook blijkt eruit dat de schrijver wist hoeveel enorme schatten er in het woord verborgen lagen, die hij nog niet helemaal had gezien. Er waren wonderen die zijn ogen nog niet hadden gezien, en geheimen die hij amper kon geloven. De Schriften wemelen van wonderen. Wat is de Bijbel een wonderland! Hij vertelt niet alleen van wonderen: hij is zelf een hele wereld vol wonderen.
Maar wat zijn ze waard voor gesloten ogen? En welk mens kan zijn eigen ogen openen, als hij blind is geboren? God Zelf moet de openbaring in elk hart openbaren. De Schrift moet geopend worden, ja, maar veel minder dan onze ogen. De sluier hangt niet voor het boek maar voor ons hart. Wat een volmaakte voorschriften, kostbare beloften en onschatbare voorrechten laten wij links liggen! Wij dwalen ertussen rond als blinden tussen de schoonheden van de natuur. Voor ons is het een landschap dat in duisternis is gehuld.
De psalmist had geestelijk al wat onderscheidingsvermogen. Zonder dat had hij nooit geweten dat er wonderen te zien waren, en dan had hij ook niet gebeden: “Ontdek mijn ogen.” Maar wat hij al gezien had, riep bij hem het verlangen op naar een helderder en ruimer uitzicht. Dat verlangen bewees dat zijn bezit echt was. Het hoort bij ware kennis van God: wie haar heeft, gaat dorsten naar nog diepere kennis.
Dit gebed van David sluit goed aan bij Psalm 119:10, dat in zijn eigen achtdeel dezelfde plaats inneemt. Daar bad hij: “laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” En wie dwaalt er zo gemakkelijk af als een blinde? Daar zei hij ook: “Ik zoek U met mijn gehele hart.” Daarom verlangt hij nu te zien wat hij zocht. Er zijn bijzondere vertakkingen in de takken van de enorme boom van deze psalm. Zelfs in die boom zelf vind je veel wonderen, als je ogen hebt die open zijn om ze te zien.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 18
“Ontdek mijn ogen.” Wie kan de geheime en verborgen dingen van de Schriften leren kennen? Alleen iemand wiens ogen Christus opent. Niemand anders. “Niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.” Daarom komen we als smekelingen tot Hem en zeggen: “Ontdek mijn ogen” en zo verder. We kunnen Gods woorden alleen bewaren als we ze kennen. En kennen kunnen we ze alleen als onze ogen zijn geopend. Daarom staat er eerst: “Dat ik leve en Uw woord beware”, en daarna: “Ontdek mijn ogen.” — Paulus Palanterius.
Vers 18
“Ontdek mijn ogen.” “Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?” Dat vroeg de liefdevolle Jezus vol genade aan een arme, verlangende mens op aarde. Het antwoord kwam onmiddellijk: “Heere! dat ik ziende mag worden.” Zo bidt ook hier de psalmist in dezelfde geest, en tot dezelfde barmhartige en liefdevolle Heere: “Ontdek mijn ogen.” In deze bede en in de vorige, “Doe wel bij Uw knecht”, merken we direct Wie dit gebed heeft ingegeven. — Barton Bouchier.
Vers 18
“Ontdek mijn ogen.” Waarom bidt David dat zijn ogen geopend worden, vraagt iemand misschien. Hij was toch wedergeboren, dus al verlicht?
Het antwoord is eenvoudig: onze wedergeboorte komt stap voor stap tot stand. De eerste beginselen van licht in zijn verstand wekten bij hem honger naar meer. Over een gevoel kan niemand oordelen, behalve wie het zelf heeft. Het licht dat hij had, liet hem zijn eigen duisternis zien. Hij voelde zijn gebreken. Daarom zocht hij ze door de Heere te laten aanvullen. — William Cowper.
Vers 18
“Ontdek mijn ogen.” Gelovigen klagen niet over onduidelijkheid in Gods wet. Ze klagen over hun eigen blindheid. De psalmist bidt niet: “Heere, maak een duidelijker wet”, maar: “Heere, ontdek mijn ogen.” Een blinde zou net zo goed kunnen klagen dat God geen zon heeft gemaakt waarmee hij kan zien! Het woord is “een licht, schijnende in een duistere plaats” (2 Petr. 1:19). Licht is er genoeg in de Schrift. Wat ontbreekt, is dat de sluier van duisternis van ons hart wordt genomen. Zien we in dat heldere licht niets? Dan zit het gebrek niet in het woord maar in onszelf.
Het licht waar de heiligen om smeken, bestaat niet buiten het woord. Als er staat dat God ons verlicht, betekent dat niet dat we nieuwe openbaringen moeten verwachten. Het betekent dat we de wonderen in Zijn woord leren zien, of helder gaan zien wat al geopenbaard is. Sommigen verkondigen hun eigen dromen en noemen die de Geest en goddelijk licht. Jullie krijgen van hen geen mysteria maar monstra, gedrochtelijke meningen. Zij tonen jullie niet de wonderen van Gods wet, maar de wangedrochten van hun eigen brein. Zulke ongelukkige misgeboorten sterven zodra ze het daglicht zien.
“Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben” (Jes. 8:20). Ons licht is er niet zonder het woord, maar door het woord.
Het Hebreeuws betekent letterlijk: “ontsluier mijn ogen”. Er gebeuren dus twee dingen, een negatief en een positief. De sluier wordt weggenomen en het licht stroomt binnen. Paulus werd genezen van zijn lichamelijke blindheid. Dat is een mooi beeld van hoe wij genezen worden van geestelijke blindheid: “En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende” (Hand. 9:18). Eerst vallen de schellen van onze ogen. Dan pas krijgen we het gezicht. — Thomas Manton.
Vers 18
Hier vraagt de psalmist niet om een nieuwe openbaring. God had het in Zijn hand om die te geven, en Hij deed dat op Zijn tijd voor de gelovigen van vroeger. Maar zij hadden altijd genoeg gekregen voor wat ze in het leven nodig hadden. Zijn verzoek gaat dus niet om méér, maar om goed te kunnen gebruiken wat hij heeft. Een verzoek van zulke aard past ons nog beter, want ons is het leven en de onverderfelijkheid in Christus aan het licht gebracht. Is er voor ons te weinig te vinden om onze gedachten steeds weer frisse oefening te geven en om onze ziel te vullen met de grootste en meest aantrekkelijke onderwerpen?
Dan komt dat doordat wij geen gezicht hebben. Het is erg belangrijk dat we dit geloven: in de Bijbel valt nog veel te ontdekken. Komen we in de juiste geest, dan kunnen wij ontdekkers worden van sommige dingen. Ze openbaren zich niet zozeer aan geleerdheid, al is die niet te versmaden. Ze openbaren zich vooral aan geestelijk gezicht, aan een nederig en liefdevol hart. En dit althans is zeker: voor onszelf zullen we altijd nieuwe dingen vinden. Hoe vaak we het veld ook doorkruisen, telkens zien we weer een nieuwe gouden ader die ons haar glans toont.
Dan staan we versteld hoe onze ogen vroeger bedekt waren, zodat we haar niet zagen. Alles lag op ons te wachten. We voelen dat er méér wacht, als we maar het gezicht hadden. Er woont een grote Geest in, Die dieper en nog dieper met onze ziel spreekt.
Nog iets verdient aandacht: de psalmist vraagt helemaal niet om een nieuw vermogen. Hij heeft zijn ogen al. Die ogen zijn er wel, ze moeten alleen open. Wie de Bijbel vruchtbaar wil lezen, krijgt dus niet een nieuwe, bovennatuurlijke kracht erbij. Er wordt iets levend gemaakt wat hij allang bezit. Je kunt het bovennatuurlijk noemen, want God Zelf schept de verlichting, door een rechtstreeks optreden van Zijn Geest. Je kunt het ook natuurlijk noemen, want Hij werkt door de vermogens die in een mensenziel liggen. God geeft “den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis”, “verlichte ogen uws verstands” (Ef. 1:17-18).
Dat is goed om te onthouden, want daar ligt onze verantwoordelijkheid: het vermogen is van ons, we hebben het ontvangen. Daar moeten we, geholpen door God, zelf aan de slag gaan. Niemand wordt rijker in kennis van Gods woord door lui af te wachten tot hij een nieuwe gave van onderscheidingsvermogen krijgt. Je groeit doordat je met ijver gebruikt wat God je al gaf, samen met alles wat je verder aan hulp binnen bereik hebt. Bij sommige mensen en boeken lijkt het inzicht gemakkelijker te groeien dan bij andere. Dat hebben we allemaal wel eens ervaren: we voelen een verwantschap van aard, en juist zij worden onze beste helpers.
Dat is de verwante klei op onze ogen, waarmee de grote Verlichter onze blindheid wegneemt (Joh. 9:6). Zoek zulke mensen en boeken dan ook gerust op! Maar steun er niet op als je ze hebt gevonden. Geef vooral je hele verstand aan geduldige, liefdevolle studie van het Boek zelf. Als we op een wezenlijk punt vastlopen, helpt God ons verder. Hij kan Zijn evangelist Filippus op ons pad sturen (Hand. 8:26-40), of Hij onderwijst ons Zelf. Maar die hulp krijgt alleen wie echt geduldig en liefdevol studeert. God had alle kennis met gemak in ons kunnen gieten, door ingeving.
Toch wordt kennis pas een schat voor de ziel door ernstig onderzoek. Dan vraagt iemand misschien nog: wat is dan de zin van dit gebed? Waarom dringt de Bijbel er zelf zo vaak op aan dat we Gods Geest als Leraar nodig hebben? Ook daar is een kant die net zo waar is, en die er helemaal niet mee botst. Zou bidden zonder inspanning aanmatigend zijn? Dan is inspanning zonder bidden net zo goed zinloos en tevergeefs. Waarom voelen mensen de kracht en de schoonheid van de Bijbel niet? Vooral om een geestelijke reden. Ze beseffen niet hoe groot het kwaad is waarvoor de Bijbel als geneesmiddel is gekomen.
En ze hebben geen hart voor de zegeningen die zij wil geven. Terwijl ze lezen, ligt het vlies van een gevallen natuur op hun ogen. Die natuur houdt zichzelf in stand: “Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods” (Ef. 4:18). Geen enkel natuurlijk vermogen, hoe sterk ook, vindt ooit de ware sleutel tot de Bijbel. Dat gebeurt pas als de gedachten aan zonde en verlossing in het hart komen en midden in het Boek worden gezet. De Vader van de lichten geeft dat aan de ziel, door het onderwijs van Zijn Geest. Hij doet dat zodra de ziel Hem nederig daarom vraagt.
Dan gaan we de Bijbel bestuderen zoals je een boek bestudeert terwijl de schrijver naast je zit en de diepte van zijn redenering uitlegt. Of zoals je een edel kunstwerk bekijkt terwijl de kunstenaar ons iets van zijn eigen ziel inblaast, zodat we het hart van de harmonie van vorm en kleur voelen. Wie aan de Bijbel gedachten en gebed hebben gegeven, zullen erkennen dat dit geen holle beloften zijn, maar echte. — John Ker, in een preek getiteld “God’s Word Suited to Man’s Sense of Wonder”, 1877.
Vers 18
O, laten we nooit vergeten dat de “natuurlijke mens” de wonderen in Gods wet niet kan ontdekken of proeven. Zijn vermogen om iets waar te nemen en om ervan te genieten reikt niet verder dan de dingen van tijd en zintuigen. Alleen de goddelijke Geest kan de duisternis van onze zondige staat verlichten en wegnemen. Alleen Hij kan ons in staat stellen de heerlijkheid, de harmonie en de zedelijke schoonheid te zien, die overal op de bladzijden van de geopenbaarde waarheid stralen. — John Morison, 1829.
Vers 18
“Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet”, de wonderen uit Uw wet. Die laatste woorden zijn een soort uitroep, nu zijn ogen zijn ontsluierd. Dit beeld wordt vaak gebruikt om inspiratie aan te duiden, of een bijzondere mededeling van God. “Uit Uw wet” wil zeggen dat de wonderen naar voren worden gehaald, alsof ze uit een plaats van verberging komen. — Joseph Addison Alexander.
Vers 18
“Wonderen.” Onder het volk Israël deed God zo veel tekenen en wonderen, maar zij begrepen ze niet. Waarom niet? Mozes zegt het met zoveel woorden: “Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag” (Deut. 29:4). Lichamelijke ogen en oren hadden ze wel. Ze hadden zelfs een redelijk hart of verstand. Maar een geestelijk oor om te horen ontbrak hun. Ook misten ze een geestelijk hart of verstand, waarmee ze die wonderlijke werken van God konden vatten en er hun voordeel mee doen.
Dat ontbrak hun nu eenmaal, en wel hierom: God had hun zulke ogen, oren en harten niet gegeven. Wonderen zonder genade openen de ogen nooit helemaal. Genade zonder wonderen kan dat wel. Geestelijk zien wij Gods wonderlijke werken pas als het ons gegeven wordt. Hoeveel minder zien wij dan de wonderen van Gods woord, zolang het ons niet van boven wordt gegeven! Daarom bidt David dan ook: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” Merk op: blijven de wonderen van de wet al bijna onzichtbaar totdat God een oog geeft, dan blijven de wonderen van het evangelie nog veel sterker verborgen.
Het licht van de natuur laat ons iets van de wet zien, maar van het evangelie heeft het nog nooit iets laten zien. Velen hebben in de wet enkele voortreffelijkheden gezien en bewonderd. Maar wat het evangelie zo voortreffelijk maakt, hebben ze nooit gezien. Ze bespotten het daarom, totdat God hun hart opende om het te verstaan. — Joseph Caryl, 1602-1673.
Vers 18
“Dit woord is zeer nabij u”, zegt Deut. 30:14. In onze hand houden we een geschrift dat overloopt van wat wonderlijk is. Er blijft dan nog maar één vraag over: hebben wij een oog voor zijn wonderen en een hart voor zijn barmhartigheid? Precies hier is de Heilige Geest nodig. De Geest voegt niets nieuws toe aan de Bijbel. Hij maakt onze vermogens alleen helder en sterk, zodat wij kunnen onderscheiden en bewonderen wat er al staat. Het is niet de telescoop die al dat rijke gefonkel van sterren in de blauwe ruimte brengt.
Voor het blote oog zijn het lichtpuntjes, en lijken ze onbewoond. Ook de microscoop schept immers niet de bedrijvigheid van een drukbevolkte stad, die hij in de omtrek van één waterdruppel samenpakt. Hij legt ook niet duizend kleuren op de nauwelijks zichtbare vleugel van het eendagsinsect. Die sterren stralen in al hun pracht, of wij nu instrumenten hebben om het azuur te doorboren of niet. De kleine bewoners gaan gewoon door met hun dagelijkse bezigheden. Het insect draagt zijn rijke tooi, ook als een krachtige lens het atoom voor ons nog niet heeft veranderd in een wereld en het bijna onzichtbare dons nog niet in het fonkelende gevederte van de paradijsvogel.
Zo staan ook de wonderen al in de Bijbel, vóórdat wij ze zien. De Geest heeft ze oorspronkelijk ingegeven. Hij brengt ze niet als nieuwe openbaringen naar de enkeling toe. Wat Hij wel doet: Hij haalt de nevels van vleselijk vooroordeel weg. Hij haalt de schellen van hoogmoed en eigen genoegzaamheid weg. Hij richt de wil, die het oordeel de waarheid laat zien door een vertekende lens. Hij werkt zo op het hart in dat onze gevoelens ons verstand niet langer verblinden. Met deze middelen en nog andere, die je gemakkelijk kunt opnoemen, maakt de Heilige Geest het mensen mogelijk te herkennen wat verborgen is.
Waar eerst alles zonder gedaante of heerlijkheid leek, zien ze schoonheid en ontdekken ze luister. Zo laat Hij het resultaat van de Bijbel zien: Hij legt op de lippen het wonderlijke gebed dat Hij Zelf had ingegeven: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” — Henry Melvill, 1798-1871.
Vers 18
Met de wonderen lijken de grote dingen van een eeuwige wereld bedoeld te zijn. Hij had zijn onderzoekende blik al gericht op de wonderen van de natuur: zon, maan en sterren, bergen, bomen en rivieren. Ook van de wonderen van de kunst had hij veel gezien.
Maar nu wilde hij de geestelijke wonderen zien die in de Bijbel zijn vervat. Hij wilde meer weten over God Zelf, in al Zijn majesteit, reinheid en genade. Hij wilde de weg van de zaligheid goed leren kennen door een gekruisigde Verlosser, en ook de heerlijkheid die daarop volgt.
“Ontdek mijn ogen.” Blind was David niet. Zijn oog was niet dof. Hij kon de Bijbel van begin tot eind lezen, van de eerste bladzijde tot de laatste, en toch voelde hij dat hij meer licht nodig had. Hij moest dieper zien dan hij tot dan toe deed. De ogen van zijn verstand moesten opengaan. Dat voelde hij heel sterk: de wonderen waar ik naar smacht, ontdek ik niet met alleen mijn eigen ogen en mijn natuurlijke verstand. Daarom wilde hij goddelijk onderwijs. Hij wilde de oogzalf van de Geest. En daarom opende hij de Bijbel nooit zonder dit gebed: “Ontdek mijn ogen.” — Robert Murray M’Cheyne, 1813-1843.
Vers 18
“Wonderen.” Waarom spreekt hij hier van “wonderen”, zo vraagt men zich af? Het is alsof hij zeggen wil, zoals ik het lees: de wereld vindt Gods wet iets lichts, iets wat bijna alleen bedoeld lijkt voor eenvoudige zielen en kleine kinderen. En toch lijkt er zoveel wijsheid in te zitten dat ze alle wijsheid van de wereld overtreft. Er liggen wonderlijke geheimen in verborgen. — Johannes Calvijn.
Vers 18
“Uw wet.” Waar vraagt de psalmist hier om verstand, en in de kennis van wat wil hij verlicht worden? Het gaat om Tora. Dat woord betekent onderwijzing. Gaat het om God, dan bedoelt het hoe Hij ons onderwijst doordat Hij Zichzelf openbaart. Dat is precies wat wij met de Schrift bedoelen. Toen de boeken van het Oude Testament af waren, verdeelde men ze, om ze te onderscheiden, in Tora, Ketuvim en Nevi’im: de “Wet”, de “Psalmen” en de “Profeten” (Luk. 24:44). In die indeling zijn met Tora de vijf boeken van Mozes bedoeld.
Maar die boeken van Mozes lagen als het ware ten grondslag aan alle latere openbaringen onder het Oude Testament, die gegeven werden om ze uit te leggen. Daarom noemde men al die geschriften samen meestal “de Wet” (Jes. 8:20). Met de wet bedoelt de psalmist hier dus alle boeken die de kerk toen door openbaring had gekregen als regel voor haar geloof en gehoorzaamheid. Dat de geschreven wet bedoeld wordt als de Psalmen over de wet spreken, blijkt duidelijk uit de eerste psalm. Daar wordt hij gelukzalig verklaard die Gods wet “overdenkt … dag en nacht” (Psalm 1:2).
Dat verwijst naar het gebod om de boeken ervan op die manier te lezen en er dag en nacht over te mediteren (Joz. 1:8). Het woord betekent dus niets minder dan de héle openbaring van Gods wil, zoals die ons is overgeleverd. God gaf haar aan de kerk als regel voor haar geloof en gehoorzaamheid. Met andere woorden: de heilige Schrift.
Er zitten “wonderen” in deze wet, nifla’ot. Het Hebreeuwse werkwoord pala heeft meerdere betekenissen. Het kan “wonderlijk zijn” betekenen, maar ook “verborgen zijn”, “groot” zijn en “hoog” zijn. Telkens gaat het om wat mensen met hun verstand niet kunnen bereiken of doorgronden. Bij nifla’ot denken we dus aan dingen waarop zo duidelijk het stempel van goddelijke wijsheid en kracht staat, dat onze bewondering volkomen terecht is. Het kan ook gaan om wat voor ons te zwaar is. Zo staat er in Deut. 17:8: “ki yippale mimmeka davar”, “Wanneer een zaak … voor u te zwaar zal zijn”, dus verborgen voor u. Bovendien gebruikt de Schrift dit woord voor de wonderbare werken van God (Psalm 77:12 en Psalm 78:11).
“De wonderen van de wet” zijn daarom alle plaatsen in de Schrift waar goddelijke wijsheid zich laat zien en werkt, en die het natuurlijke verstand van de mens te boven gaan. Zelf kan een mens ze niet vinden en niet vatten. Het zijn de geheimen van de goddelijke waarheid in de Schrift, en zeker ook omdat Christus erin te vinden is. Zijn naam is immers “Wonderlijk” (Jes. 9:5). Alle grote en wonderbare uitwerkingen van oneindige wijsheid komen in Hem bijeen. — John Owen, 1616-1683.
Vers 18
“Wonderen.” In Gods woord staan beloften waar nog nooit iemand naar is gaan zoeken. Er ligt goud en zilver in dat niemand de moeite heeft genomen op te graven. Er zijn geneesmiddelen in te vinden, en honderden mensen zijn gestorven omdat ze die niet kenden. Ik denk aan een oud landgoed van een baron, dat een man in handen is gevallen. Hij woont zelf in een modern huis. Het is hem bijna te veel moeite om het eerbiedwaardige herenhuis te gaan bekijken. Zo gaan de jaren voorbij. Hij besteedt er geen aandacht aan, want hij vermoedt niet wat voor waardevolle schatten daar liggen.
Totdat iemand eindelijk tegen hem zegt: “Bent u al eens gaan kijken op het land, bij dat landgoed van u?” Dan besluit hij er toch heen te gaan. Hij stapt door de portiek en kijkt verwonderd naar het vakmanschap waarmee alles is gebouwd. Terwijl hij door de zalen loopt, wordt zijn verbazing groter. In een grote kamer ziet hij aan de wanden een rijkdom aan schilderijen, ook portretten van veel van zijn vereerde voorouders. Sprakeloos blijft hij staan. Hier hangt een Titiaan, daar een Rafaël, een Correggio en een Giorgione. “Hier had ik nooit enig idee van”, zegt hij.
“Ach”, zegt de rentmeester, “er zijn nóg veel meer dingen in het kasteel waar u niets van weet.” Van kamer tot kamer neemt hij hem mee en toont hem gesneden zilverwerk en wonderlijke beelden. De man roept uit: “Twintig jaar ben ik de eigenaar van dit landgoed geweest, en ik heb nooit geweten wat erin zat!” Maar geen bouwmeester heeft ooit een landgoed bedacht als Gods woord. Geen kunstenaar, houtsnijder of beeldhouwer heeft zich ooit zulke schilderijen, gesneden schalen en beelden kunnen voorstellen als die in de vertrekken ervan staan. Daar liggen schatten waarmee zilver, goud en edelstenen nog niet in één adem genoemd kunnen worden. — Henry Ward Beecher, 1872.
Vers 18
“Dat ik aanschouwe de wonderen.” In de dagen van de psalmist had Gods woord vooral een praktisch doel, net als nu. Maar er is nog een tweede gebruik dat aandacht verdient: het woord kan het verlangen van de mens om zich te verwonderen bevredigen. Omdat God ons gemaakt heeft, kent Hij ons maaksel. Hij moet de Bijbel dus op al onze kanten hebben afgestemd. Kunnen we dat aantonen? Dan is ook dat weer een teken dat dit boek komt van Hem Die de mens heeft gemaakt. We weten allemaal dat God de mens het vermogen heeft gegeven zich te verwonderen.
Het hoort bij de eerste en de meest blijvende bewegingen van onze natuur. Je ziet het bij kinderen en bij iedereen die nog frisse, natuurlijke gevoelens heeft. Verwondering is de moeder van de zucht om te weten. Haar hele leven lang zet zij mensen aan tot onderzoek. — John Ker.
Vers 18
“Wonderen van Uw wet.” Psalm 118 liet ons het “wonderlijke” van de verlossing zien. Psalm 119 laat ons de “wonderen” van Gods openbaring zien (Psalm 119:18, Psalm 119:27 en Psalm 119:129). — William Kay, 1871.
Verzen 18, 19
De heilige Augustinus zegt: stel dat ik Mozes niet kan raadplegen om mij de betekenis te vertellen. Geef mij dan die Geest Die U aan Mozes gegeven hebt. Dat moet iedereen bidden die wil begrijpen. Zo bad David: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet”, en (Psalm 119:19) “verberg Uw geboden voor mij niet.” En Christus zegt: “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?” Zo zullen wij de verborgenheden van God zien. — Richard Stock, (1626).
Wenken voor predikers
Vers 18
—
- Een kostbare schatkist: “Uw wet.”
- Een schat die je niet ziet: “wonderen.”
- Een wonderbare gave van zicht: “dat ik aanschouwe.”
- Een goddelijke oogarts: “Ontdek mijn ogen.”
Vers 18
Verborgen wonderen in het evangelie. Veel is verborgen in de natuur, en veel ook in onze medemensen. Zo is er ook veel verborgen in de Bijbel. Dat de dingen van de Bijbel verborgen zijn, komt door de blindheid van de mens.
- De droefheid van een blinde: “Ontdek mijn ogen.” Ik kan niet zien. Mijn ogen zijn er wel, maar ik zie niet. Wie die blindheid werkelijk voelt, kent de pijn ervan.
- De zekerheid van een blinde: “Dat ik aanschouwe de wonderen” en zo verder. Er zijn wonderen te zien, daar ben ik zeker van. Wat een wonderbaar uitzicht is er op (a) de zonde, (b) de hel als haar verdiende loon, (c) Eén Die klaarstaat om te redden, (d) volkomen vergeving, (e) Gods liefde, (f) onovertroffen genade, (g) de hemel.
- De wijsheid van een blinde. Het ligt aan mijn ogen en niet aan Uw woord. Open mijn ogen, en dan komt alles goed. Waarom ziet iemand niet? Omdat zijn ogen door de zonde verblind zijn. Aan de Bijbel ontbreekt helemaal niets.
- Het gebed van een blinde: “Ontdek mijn ogen.”
(a) Ikzelf ben niet in staat ze te openen.
(b) Ook mijn beste vrienden kunnen het niet.
(c) U alleen kunt het. “Heere, ik smeek het U, open ze nu.”
Velen willen dat zulk bidden ophoudt. Doe als Bartimeüs, die “zoveel temeer riep”.
- Wat een blinde verwacht: “Dat ik aanschouwe.”
(a) Een blinde die genezen is, geniet! Voor het eerst ziet hij de schoonheid van de natuur.
(b) Zo geniet ook wie geestelijk is genezen, als hij begint te leven “ziende op … Jezus”.
(c) Het is een vreugde die je persoonlijk beleeft: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe.” Tot nu toe zag ik door de ogen van anderen. Dat wil ik niet meer. Ik wil niet langer van andermans ogen afhangen.
Zo kijkt Job vol blijdschap uit: “Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde.” — Frederick G. Marchant, 1882.
Vers 18
Gods woord is afgestemd op het verlangen van de mens om zich te verwonderen.
- We willen eerst iets zeggen over dat verlangen in de mens en wat het meestal wakker roept. Een van de eerste redenen om je te verwonderen is wat nieuw of onverwacht is. De tweede bron zit in wat mooi en groots is. Een derde bron is het geheimzinnige dat de mens omringt: er zijn dingen die niet te weten zijn.
- In Zijn geopenbaarde woord heeft God dit verlangen niet vergeten. De Bijbel houdt ons voortdurend het nieuwe en onverwachte voor, en zo komt zij tegemoet aan ons verlangen naar verwondering. Ze toont ons ook dingen die mooi en groots zijn. En de derde bron van verwondering, die haar tot ontzag verheft, is waar de Bijbel bij uitstek over gaat.
- Welke middelen moeten we gebruiken om Gods woord zo voor ons geopend te krijgen? Het gebed van de psalmist kan ons de weg wijzen: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” — John Ker, van Glasgow, 1877.
Vers 18
Wonderbare dingen te zien voor wie geopende ogen heeft.
- De wonderen in Gods wet. Een wonderbare levensregel. Een wonderbare vloek op overtreding. Een wonderbare verlossing van die vloek, die al werd aangeduid in de ceremoniële wet.
- Om ze te kunnen zien is een bijzonder gezichtsvermogen nodig. Het gaat om geestelijke dingen, en mensen zijn geestelijk blind. 1 Kor. 2:14.
- Een persoonlijk gebed tot de Grote Opener van ogen. — C.A.D.
Uitleg
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde.” Dit is bedoeld als argument in zijn gebed. God heeft geboden dat mensen vriendelijk zijn voor vreemdelingen. Wat God dus bij anderen eist, zal Hij Zelf ook doen. De psalmist was een vreemdeling omwille van God. Anders was hij net zo thuis geweest als de mensen van de wereld. Voor God was hij geen vreemdeling, maar voor de wereld wel. Hij was een banneling, zolang hij nog niet in de hemel was. Daarom pleit hij: “Verberg Uw geboden voor mij niet.” Als die verdwenen zijn, wat heb ik dan nog over?
Er is om mij heen niets dat van mij is. Wat moet ik dan doen als ik Uw woord verlies? Niemand om mij heen kent de weg naar U of wil hem kennen. Wat moet ik beginnen als ik Uw geboden niet meer zie? Alleen met hun hulp kan ik mijn voeten richten naar het land waar U woont. David laat merken dat Gods geboden zijn troost waren in zijn ballingschap. Ze deden hem aan thuis denken en wezen hem de weg erheen. Daarom smeekte hij dat ze nooit voor hem verborgen zouden raken, doordat hij ze niet zou kunnen verstaan of gehoorzamen.
Verdwijnt het geestelijk licht, dan is het gebod verborgen. Een genadig hart wil dat bepaald niet. Wat zou het baten om ogen te hebben die open zijn, als het mooiste dat er te zien valt voor hun blik verborgen bleef? Zolang we hier ronddolen, kunnen we al het kwaad van dit vreemde land geduldig verdragen, zolang Gods Geest Gods woord op ons hart toepast. Maar zouden de hemelse dingen die onze vrede dienen voor onze ogen verborgen zijn? Dan zijn we er slecht aan toe. Dan zijn we op zee zonder kompas, in een woestijn zonder gids, in vijandelijk land zonder vriend.
Dit gebed is een aanvulling op “ontdek mijn ogen”. Het ene bidt om te zien. Het andere bidt het tegendeel van zien af: dat het gebod verborgen is en daardoor uit het zicht. Het is goed om beide kanten van de zegen die we zoeken te bekijken, en daarom vanuit elke hoek te pleiten. De gebeden passen bij de karakters die hij noemt. Als knecht vraagt hij om geopende ogen, zodat hij zijn ogen steeds op zijn Heere houdt, zoals de ogen van een knecht moeten zijn. Als vreemdeling smeekt hij dat de weg waarop hij naar huis moet lopen hem niet vreemd zal zijn. Hij hangt in beide gevallen helemaal van God alleen af.
Merk op dat het derde vers van het tweede achtdeel (11) hetzelfde sleutelwoord heeft als dit derde vers van het derde achtdeel: “Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen” en “Verberg Uw geboden voor mij niet.” Het nodigt uit om na te denken over de verschillende betekenissen van verbergen in en verbergen voor.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde.” David kende vrede en oorlog, rijkdom en armoede, plezier en pijn. Hij was een buitengewoon man geweest, en ook een man in het openbaar. Herder was hij geweest, een zwaar beroep. Soldaat, een bloedig vak. Hoveling, een eervolle slavernij waarin één mens tegelijk meester en klaploper is, edelman en sloof. En koning was hij, een roemrijke naam, vol angst en zorgen. Dit alles had hij zelf meegemaakt. Op de hoogste plaats vond hij de minste rust. Op de troon was hij minder tevreden dan in de schaapskooien.
Hij had het allemaal gezien en zorgvuldig in zijn geheugen bewaard. Deze belijdenis vat al die ervaringen samen in een paar woorden. Wat zegt hij ons daarmee eigenlijk? Van alles wat hij op deze doorreis had gezien en genoten, vond hij dit het zekerst: dat hij nergens iets zekers had gevonden. Er was niets waar hij kon blijven, of dat bij hem kon blijven. Hij bleef een reiziger, een “vreemdeling op de aarde”. — Anthony Farindon, 1596-1658.
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde” en zo verder. De wereld heeft hij afgezworen, omdat hij er slechts bijwoner is, en daarom is ze zijn vijand geworden. Als “vreemdeling” vreest hij de weg kwijt te raken. Daarom smeekt hij God om zijn gemis aan aardse troost goed te maken met het licht van de hemel. Hij vraagt ook dat God Zijn geboden niet “verbergt”. God moet hem de treden tonen en leren, waarlangs hij naar de hemel kan klimmen, in blijde hoop op de heerlijkheid die komt. — George Horne, 1730-1792.
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde.” Zegt een eenzame zwerver dit, dan zegt het relatief weinig. Maar deze woorden komen van iemand die waarschijnlijk alle bronnen van wereldse vreugde om zich heen had. Daarom laten ze ons meteen zien hoe ijdel “’s werelds beste vreugden” zijn. En ze wijzen naar de hemel, de richting van de godsdienst van de Bijbel. — Charles Bridges.
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde” en zo verder.
- Ieder mens hier op aarde is maar een vreemdeling en een reiziger, vooral wie God vreest.
- Wie een vreemdeling is, moet zorgen voor een betere en blijvender staat. Dat geldt voor ieder mens. Wat je het meest bezighoudt, hoort de plek te zijn waar je het langst woont. De eeuwigheid moet dus ons doel zijn, en een godvrezend mens maakt daar werk van. Wie zijn hart niet op aardse dingen zet, moet de hemel hebben. Raken hun genegenheden meer los van het ene? Dan wordt het andere des te meer in beslag genomen (Kol. 3:2). Hemel en aarde zijn als de twee schalen van een weegschaal: wat je uit de ene haalt, komt in de andere terecht.
- Hoe je deze blijvende staat bereikt, staat genoeg aangewezen, maar alleen in Gods woord.
Zonder dat woord lijken we op arme pelgrims en reizigers in een vreemd land, die hun weg naar huis niet kunnen vinden. Een gezegende staat wordt alleen in het woord voldoende geopenbaard: “het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie” (2 Tim. 1:10). Heidenen konden er alleen naar raden. Ze hadden een vaag besef van een staat na dit leven. In het woord wordt die staat het helderst zichtbaar, en op dezelfde manier wijst alleen het woord de weg ernaartoe. Gods woord maakt ons wijs tot zaligheid. Het is ons richtsnoer en onze regel op de reis naar het hemelse Kanaän.
Wie dus naar deze blijvende staat uitziet, moet het woord raadplegen.
- Gods woord verstaan we alleen door het licht van de Geest. “Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig” (Job 32:8). Het woord draagt wel licht in zich, maar het kan de geest van de mens niet bewegen, voordat God ons verlicht met dat levende licht. Dat licht baant de weg voor de heerschappij van de waarheid in ons hart, en het draagt haar invloed daarin over. Om dit licht smeekt David, als hij zegt: “Verberg Uw geboden voor mij niet.” De Tien Geboden kende David best, voor zover het hun klank betrof. Maar hij smeekt om hun geestelijke zin en gebruik.
- Willen we de Geest dan ontvangen? Dan moeten we Hem in gebed aan God vragen. Want de hemelse Vader zal “den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden” (Luk. 11:13). Laten we dus zeggen wat David zei: “Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen” (Psalm 43:3). — Thomas Manton.
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde” en zo verder. Als er een kind wordt geboren, hoor je soms: “Een kleine vreemdeling.” Bezoekende vrienden vragen dan of ze “de kleine vreemdeling” als een voorrecht mogen zien. En dat is hij ook: een vreemdeling, van ver gekomen. Hij komt uit de onmetelijkheden. Hij komt uit de tegenwoordigheid, de aanraking en het wezen van God. En hij is alweer op weg naar de onmetelijkheden, door alle onberekenbare tijdperken van duur heen.
Maar de kleine vreemdeling groeit op. Na enige tijd schiet hij krachtig wortel. Hij werkt, hij wint, hij bouwt, plant, koopt en bezit. Zijn eigen gevoel zegt hem dan dat hij zo “gevestigd” is, dat hij het bijna komisch zou vinden als iemand hem nu nog een vreemdeling noemde.
Het leven gaat door. Het stroomt steeds dieper en breder, met allerlei belangstellingen die zich blijven vermenigvuldigen. Daardoor raakt de man steeds vaster, als een schip dat veel ankers in zee heeft laten vallen. Hij vecht mee met de strijders en verheugt zich met de blijden. Hij voelt ook de prikkel van eer en rent mee in de race om bezit. Hij doet nu eens harde dingen, dan weer veel vriendelijke. Zijn verplichtingen, betrekkingen en vrienden nemen toe. En dan! Het leven zou na al die voorbereiding eigenlijk pas echt moeten beginnen. Het zou zich moeten ontvouwen tot een grote, rustige, zonnige vlakte.
Maar juist dan beginnen de schaduwen te vallen, en die zeggen maar al te zeker dat het snel afloopt. Eens moet ieder mens de stem horen. Ze roept “de kleine vreemdeling”. Hij is nog niet zo lang geleden geboren. Zijn eerste les is voorbij en nu moet hij door de deur die dood heet naar een andere school. En de vreemdeling is er niet klaar voor. Zoveel ankers heeft hij uitgeworpen, en ze haken zo vast in de grond, dat het niet gemakkelijk zal zijn ze op te halen. Hij zit vast, helemaal vastgehaakt. Een pelgrimsstaf heeft hij niet bij de hand.
Zijn oog kent de dingen om hem heen goed genoeg, maar de weg die verder en omhoog gaat, is het niet gewend. Het kan de hoogte van de berg niet goed inschatten en de verre afstand niet berekenen. De tijd is veel sneller gegaan dan zijn gedachten. Wat jammer: hij heeft één lange vergissing begaan. Hij heeft gelet op “de dingen, die men ziet”, en hij is “de dingen, die men niet ziet” vergeten. “De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk” en vergaan met de tijd tot niets. “De dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.” Zo zijn er haast, verwarring en benauwdheid in de laatste uren en bij het heengaan.
Dat alles kan helemaal worden voorkomen, als een mens maar zegt: “Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.” — Alexander Raleigh, in “The Little Sanctuary, and other Meditations”, 1872.
Vers 19
“Ik ben een vreemdeling op de aarde” en zo verder. In de wet draagt God Zijn volk op vreemdelingen met zorg en medelijden te behandelen. Die argumenten geeft David nu aan Hem terug, om Hem ertoe te bewegen vriendelijk voor hem te zijn. — Robert Leighton, 1611-1684.
Vers 19
“Op de aarde.” Hij maakt hier geen enkele uitzondering: de héle aarde was voor hem een plaats van pelgrimstocht. Vreemdeling was hij niet alleen als banneling bij de Moabieten en Filistijnen. Ook toen hij vreedzaam thuis woonde in Kanaän, beschouwde hij zich nog als vreemdeling. Dat inzicht gaf de godvrezende Basilius de kracht en de moed om te lachen om de bedreigingen van Modestus, de plaatsvervanger van keizer Valens, toen die hem met verbanning dreigde. “Ab exilii metu liber sum, unam hominum cognoscens esse patriam paradisum, omnem autem terram commune naturae exilium.” Ook wij blijven geestelijk nuchter te midden van alle genoegens, als we bedenken dat we in onze huizen, bij onze eigen haard en in ons eigen bed maar vreemdelingen zijn. Binnenkort moeten we verhuizen om plaats te maken voor anderen. — William Cowper.
Vers 19
“Verberg Uw geboden voor mij niet.” David redeneert als volgt. Hier ben ik vreemdeling en ik ken de weg niet, dus Heere, wijs mij de weg. Dit beeld is gehaald van reizigers die in een onbekend land komen. De weg kennen ze niet, dus zoeken ze een gids. Maar er is een verschil. In elk land kan een vreemdeling hulp krijgen om naar de plek te gaan waar hij wezen wil. De bewoners van de aarde kunnen niemand de weg naar de hemel wijzen. Daarom zoekt David onder hen geen gids. Hij bidt de Heere om hem te leiden. — William Cowper.
Vers 19
“Verberg Uw geboden voor mij niet.” Gods woord kan op twee manieren verborgen zijn. De eerste is wanneer we geen middelen hebben om het te horen, uitgelegd door predikers. De tweede is wanneer het vertroostende en levende licht van de Geest wordt verborgen. De Geest moet immers het woord in ons levend maken. Van allebei die kwalen kunnen we bidden om verlost te worden, en dat moeten we ook doen. — David Dickson.
Uitleg
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.” Echte godzaligheid bestaat grotendeels uit verlangens. Wat we zullen zijn, zijn we nog niet. En zo zijn we ook niet wat we zouden willen zijn. Genadige mensen verlangen hevig en diep naar heiligheid. Zulke verlangens vreten aan het hart en spannen de geest zo op, dat die bijna knapt onder de hemelse trek. Wie het gebod van de Heere hoog waardeert, krijgt een dringend verlangen om het te kennen en te doen. Dat is zo zwaar voor de ziel dat ze bijna bezwijkt onder het gewicht van haar eigen verlangens. Wat is het dan een zegen als al onze verlangens uitgaan naar de dingen van God! We zouden bijna verlangen naar zulke verlangens.
Met Gods rechten bedoelt de psalmist Zijn uitspraken over punten waar anders ruzie over zou zijn. Elk afzonderlijk voorschrift is een vonnis van het hoogste gerechtshof, over wat gedaan moet worden. Het is dus een onfeilbare en onveranderlijke uitspraak over een zedelijke of geestelijke vraag. Gods woord is een wetboek waartegen geen hoger beroep openstaat.
“Dit is de Rechter Die de strijd beslecht
waar vernuft en rede falen;
Hij leidt ons langs de kronkelpaden van het leven,
ons schild wanneer de twijfel ons bestormt.” — Watts.
David had zoveel eerbied voor het woord, en zo’n sterk verlangen om het te kennen en eraan gelijk te worden, dat zijn verlangens hem een soort gebroken hart bezorgden. Dat brengt hij hier voor God. Verlangen is de ziel van het bidden. Verlangt de ziel zo sterk dat ze bijna breekt? Dan blijft de zegen niet lang uit. Juist de innigste gemeenschap tussen de ziel en haar God verloopt volgens het proces dat in de tekst staat beschreven. God maakt Zijn wil bekend, en ons hart verlangt er sterk naar om eraan gelijk te worden. God spreekt Zijn oordeel uit, en ons hart verheugt zich in dat vonnis. Dit is gemeenschap van het hart, zeer echt en diepgaand.
Let goed op: ons verlangen naar Gods gezindheid mag nooit ophouden. We moeten heilig verlangen voelen “te aller tijd”. Een verlangen dat je kunt aantrekken en uittrekken als je kleren, is hooguit een wens. Misschien is het zelfs te weinig oprecht om die naam te dragen. Zulke verlangens zijn tijdelijke gemoedsbewegingen, geboren uit opwinding. Ze zijn gedoemd te sterven, zodra de hitte is afgekoeld die ze deed ontstaan. Wie altijd verlangt te weten en te doen wat recht is, is werkelijk een rechtschapen man. Zijn oordeel is gezond, want hij heeft al Gods rechten lief en volgt ze met standvastigheid. Dan worden zijn tijden goed, omdat hij goed wil zijn en te allen tijde goed wil doen.
Merk op: dit vierde vers van het derde achtdeel klinkt samen met het vierde vers van het vierde achtdeel. Hier staat “Mijn ziel is verbroken”, daar “Mijn ziel druipt weg”. Er zit ongetwijfeld een verborgen dichterlijke kunst achter. Het is goed dat we nauwgezet bestuderen wat de psalmist zo nauwgezet heeft opgebouwd.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken” en zo verder. Hier getuigt hij hoe ernstig zijn verlangen was om Gods woord te gehoorzamen, en hij versterkt dat getuigenis op twee manieren. Eerst: het was geen lichte beweging. Het zat zo diep, dat zijn hart brak telkens als hij zag dat hij in zijn gehoorzaamheid niet kon wat hij wilde. Daarnaast: het verdween niet weer, zoals de ochtenddauw. Het bleef, omni tempore, want hij had het te allen tijde. — William Cowper.
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen.” Zo gaat het met iemand die zich zó verbeet in zijn inspanning, dat er een bloedvat in hem barstte. — William Gurnall.
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken” en zo verder. Het woord “breken” wijst op wrijven, schuren of verbrijzelen. Zo hevig kwelde het vurige verlangen naar wat Jehova had gesproken de geest van de psalmist, dat hij als door zware wrijving was stukgegaan. Dat “verlangen” om de verborgen wonderen te vinden en na te volgen, kon hij bijna niet verdragen. En het was er “te aller tijd”, of “in elk seizoen”. Voorspoed kon het niet doen vergeten, tegenspoed kon het niet doven. Ziekte of gezondheid, blijdschap of verdriet, gezelschap of eenzaamheid: niets won het van dat verlangen.
“De wonderen” waren zo wonderlijk en toch zo verborgen. Wie een klein beetje ziet van “de liefelijkheid des HEEREN”, ontdekt hoeveel hij nog niet ziet. Daardoor gaat hij meer dan ooit verlangen. Iemand die ijverig de wonderen van Gods woord najaagt, kan dat verlangen niet tot rust brengen zolang hij “op de aarde” blijft. Eerst wanneer we “Hem zullen gelijk wezen” en “Hem zien, gelijk Hij is”, roepen we uit: “Genoeg, Heere!” “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” — F. G. Marchant.
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen.” Het gaat om heftig verlangen. “Naar Uw oordelen te aller tijd.” Naar Uw wet, naar Uw geboden. Dit gevoel was permanent. Het kwam niet in vlagen of krampen, maar was de vaste, gewone toestand van zijn ziel wat dit onderwerp betreft. Nooit had hij zoveel van de schoonheid en heerlijkheid van Gods wet gezien, dat hij vond dat alle behoeften van zijn natuur waren vervuld. Nooit dacht hij dat er niets meer te zien of te weten viel. Maar hij had wel genoeg gezien en gevoeld om in zichzelf een brandend verlangen te wekken: hij wilde helemaal vertrouwd raken met alles wat Gods wet bevat. — Albert Barnes.
Vers 20
“Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen” en zo verder. Het verlangen naar Gods verordeningen wordt pijnlijk heftig. Hij heeft een verlangen, een intens verlangen, naar de rechten van de Heere, te allen tijde. Dat is wat zijn ziel stukje bij beetje breekt. Zijn hele gemoed staat gericht op de dingen van God. Hij bidt dat hij de wonderen van Jehova’s wet mag zien en dat Hij Zijn geboden niet voor hem verbergt. En hier breekt zijn ziel van verlangen naar Zijn rechten te allen tijde. Uit de gemoedstoestand van de psalmist mogen we niet afleiden dat hij wachtte tot de rechten van de Heere zouden worden geopenbaard, om zijn zaak te wreken op goddeloze mensen.
We mogen er ook niet uit afleiden dat hij uitkeek naar een gelegenheid om alle daden van gerechtigheid jegens zijn medemensen te volbrengen. Dat deed hij immers tot het uiterste. Het is duidelijk dat het hem gaat om de verordeningen van de godsdienst. Die werden “rechten” genoemd, vanwege de plechtige bekrachtiging waarmee ze waren voorgeschreven. De man van God verlangde er zó sterk naar om zich daarin bij het volk van de Heere aan te sluiten, dat zijn hart bijna brak van verlangen. Intussen werd hij van de ene plaats naar de andere door de woestijn gedreven.
Hier zien we het vernieuwde hart. Een ander zou er misschien naar verlangen om van vervolging bevrijd te worden, om rust te krijgen en naar huis, familie en comfort terug te mogen. De man van God kon die natuurlijke genoegens niet anders dan begeren. Maar boven alles verlangde zijn heilige gemoed vurig naar het vieren van de eredienst van Jehova. — John Stephen.
Vers 20
“Uw oordelen.” Gods rechten zijn er in twee soorten. De eerste soort zijn Zijn geboden. Ze heten zo, omdat je daaraan herkent wat recht is en wat onrecht. De tweede soort zijn Zijn plagen, die volgens Zijn woord de overtreders treffen. David bedoelt hier de eerste soort. Wie een verlangen als dat van David niet kent, moet bedenken: als zijn hart niet breekt om het overtreden van Gods woord, omdat hij dat woord liefheeft, dan zal hij Gods plagen zijn lichaam zien kneuzen. Ook zijn hart zal erdoor breken. Laten we ons verlustigen in de eerste soort rechten. Dan zal de tweede soort nooit over ons komen. — William Cowper.
Vers 20
Let op dat woord: te allen tijde. Slechte mensen hebben goede buien, net zoals goede mensen slechte buien hebben. Soms roept een slecht mens om genade, gerechtigheid en heiligheid tot de Heere. Dat gebeurt als zijn geweten hem knaagt, als een pijnlijke roede hem treft, als de dood naderbij komt, als hij de hel vreest of als hij preekziek is. Maar een gezegend mens is alleen wie te allen tijde hongert en dorst naar gerechtigheid. — Thomas Brooks, 1608-1680.
Vers 20
“Te aller tijd.” Sommigen hechten alleen waarde aan het woord in tegenspoed, als ze geen andere troost hebben om van te leven. Dan willen ze het bestuderen, om troost te vinden in hun benauwdheid. Maar zodra het goed met hen gaat, verachten ze het. Zo niet David. Hij bleef het gebruiken, te allen tijde. In voorspoed werd hij erdoor vernederd, in tegenspoed getroost. De ene keer behoedde het hem voor hoogmoed, de andere keer voor wanhoop. In bedroefdheid sterkte het woord zijn hart. In wereldse vooruitgang was het zijn tegengif. Zo dreef de ene of de andere noodzaak zijn hart te allen tijde naar het woord toe. — Thomas Manton.
Vers 20
“Te aller tijd.” Hoe weinigen zijn er, zelfs onder Gods knechten, die iets kennen van de intense toewijding die hier wordt uitgedrukt! O, dat goddelijke genade onze koude en hardnekkige harten verwarmde en brak! Dan zouden we bijna bezwijken van het verlangen dat we “te aller tijd” hadden naar de rechten van onze God. Hoe wisselvallig zijn onze beste gevoelens! Beklimmen we vandaag de berg van de gemeenschap met God? Dan lopen we morgen alweer gevaar om opnieuw verstrikt te raken in de dingen van de aarde. Wat zijn zij gelukkig, wier harten “te aller tijd” gevuld zijn met verlangens naar gemeenschap met het grote en glorieuze voorwerp van hun liefde! — John Morison, 1829.
Vers 20
Neem de levensverhalen van goede mensen die ook intellectueel groot waren. Je zult er, denk ik, van opkijken, al is die verbazing niet onaangenaam. Aan het einde van hun leven vinden ze zichzelf in hun eigen oordeel zo onwetend en zo volkomen onvolmaakt, en zo weinig verder gekomen na die lange levensles. Dr. Chalmers had kerken doen ontbranden en volken aan hun plichten herinnerd. Toch noemde hij zijn eigen verworvenheden samen met het ene woord “verlangendheid”. Als tekst die zijn innerlijke toestand het best beschreef, nam hij die hartstochtelijke, bijna pijnlijke uitroep van David: “Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen.” Maar wat een grote verworvenheid was dat!
Op hoge leeftijd nog zo eenvoudig als een klein kind voor God staan! Op je zeventigste nog leren! Hoe mooi zijn grote mannen in hun eenvoud! — Alexander Raleigh, in “The Little Sanctuary”, 1872.
Wenken voor predikers
Vers 20
—
- Het woord zoeken, en het zoeken te allen tijde.
- Het woord zoeken, en het zoeken met intens verlangen.
- Het woord wordt gezocht, en des te intenser gezocht naarmate het meer gevonden wordt. De psalmist had al zoveel gevonden in het woord van de Heere, dat zijn ziel brak om nóg meer te vinden. Wie is toegelaten tot “de verborgenheid des HEEREN”, vindt zijn hoogste vreugde in een steeds vollediger kennis van die verborgenheid. Voor wie dat geheim kent, is er de belofte: “Zijn verbond, om hun die bekend te maken” (Psalm 25:14). — F.G.M.
Vers 20
Je verlangens zijn een van de beste toetsen voor je karakter, en een van de beste voorspellers van wat je zult worden.
- Waar de heilige helemaal vol van is: “Uw oordelen.” Dat woord staat hier voor Gods “woord”.
(a) Voor het woord had de psalmist groot ontzag.
(b) Hij verlangde hevig om de inhoud ervan te kennen.
(c) Hij wilde zijn ziel voeden met Gods woord.
(d) Hij verlangde er vurig naar om het te gehoorzamen.
(e) Hij verlangde ernaar om de kracht van Gods rechten in zijn eigen hart te voelen.
- De vurige verlangens van de heilige.
(a) Het is een levende ervaring.
(b) Wat er in de tekst staat, laat een nederig besef van onvolmaaktheid horen.
(c) Het wijst op een ervaring die al ver gevorderd is.
(d) We mogen deze ervaring bitterzoet noemen.
(e) Zulke verlangens kunnen iemands ziel zwaar vermoeien.
- Gedachten die bemoedigen.
(a) God werkt in jouw ziel.
(b) Wat God daar bewerkt, is zeer kostbaar.
(c) Het brengt je bij iets wat nog kostbaarder is.
(d) Dat verlangen zelf doet je goed.
(e) Het maakt Christus voor je kostbaar. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1586: “Holy Longings.”
Uitleg
Vers 21
“Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die.” Ook dit hoort bij Gods rechten: wie hoog van zichzelf denkt, krijgt zeker een vreselijk deel. Farao strafte God met zware plagen, en bij de Rode Zee “werden de gronden der wereld ontdekt, van Uw schelden, o HEERE!” In die goddeloze Egyptenaar liet Hij alle hovaardigen zien dat Hij hen zeker zal neerhalen. Hovaardige mensen zijn vervloekte mensen. Niemand zegent hen en al snel vallen ze zichzelf tot last. Hovaardij is op zichzelf al een plaag en een kwelling. Zelfs als er geen vloek uit Gods wet kwam, schijnt er een natuurwet te bestaan: hovaardige mensen zijn ongelukkig.
Daardoor leerde David de hovaardij te verafschuwen. Hij vreesde Gods bestraffing en de vloek van de wet. De hovaardige zondaars uit zijn tijd waren zijn vijanden. Hij was blij dat God, net als hijzelf, bij die strijd betrokken was.
“Die van Uw geboden afdwalen.” Alleen een nederig hart is gehoorzaam, want alleen een nederig hart schikt zich naar regel en bestuur. Hovaardige mensen kijken zó hoog, dat ze niet meer op hun eigen voeten letten en de weg van de Heere niet bewaren. Hovaardij ligt aan de wortel van alle zonde. Waren mensen niet aanmatigend, dan zouden ze niet ongehoorzaam zijn en dus ook niet dwalen.
Hovaardij roept Gods straf over zich af, ook als alle mensen haar toejuichen. Voor Hem is ze immers verzet tegen Zijn eigen majesteit, en het zaad van nog veel meer verzet. Alle zonde komt erin samen. Mensen spreken wel van een eerlijke hovaardij. Maar zouden ze zelf eerlijk zijn, dan merkten ze dat juist deze zonde de oneerlijkste van allemaal is. Geen zonde past minder bij een schepsel, en al helemaal niet bij een gevallen schepsel. Toch hebben hovaardige mensen zo weinig oog voor wat ze werkelijk zijn, namelijk mensen onder Gods vloek. Daarom vallen ze de godvrezenden aan en kijken op hen neer, zoals ons volgende vers laat zien.
Zij zijn zelf minder dan anderen, en toch verachten ze wie beter is dan zij. Gods rechten zijn dus alle liefde waard, als we zien hoe scherp ze gericht zijn tegen die hooghartige parvenu’s. Zulke mensen willen de baas spelen over rechtvaardigen. En wanneer goddelozen ons bestraffen, mogen we gerust moed houden. De Heere Zelf heeft immers hun macht om ons te schaden vernietigd. “De HEERE schelde u”: daarmee is elke beschuldiging van mensen of duivelen beantwoord.
De psalmist schreef in het vijfde vers van het vorige achtdeel: “Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.” Hier gaat hij op dezelfde toon verder, met een bijzonder voorbeeld van wat Gods rechten inhouden: Zijn rechten tegen hooghartige opstandelingen. In de twee volgende afdelingen gaan de vijfde verzen over leugen en ijdelheid. Hovaardij is een van de meest voorkomende gedaanten van dat kwaad.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 21
“Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die.” Soms ontsnappen hovaardigen aan straf in dit leven. Dan ontsnappen ze er daarna zeker niet aan. Want “al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel” (Spr. 16:5). God kan hem niet verdragen (Psalm 101:5). En dan? “Tu perdes superbos”: U zult de hovaardigen verderven. Zelfs heidenen bedachten hovaardige reuzen, die door de donder uit de hemel werden neergeslagen. En de engelen? Die had God in de hoogste hemelen geplaatst, maar Hij spaarde hen niet. Vanwege hun hovaardij wierp Hij hen hals over kop in de diepste hel.
Hoeveel minder zal Hij dan het hovaardige stof en as van de mensenkinderen sparen! Van de top van hun aardse grootheid smijt Hij hen naar de bodem van die helse gevangenis. Zoals die kerkvader zei: “Nederigheid maakt van mensen engelen, hovaardij maakt van engelen duivelen.” Ik wil er best aan toevoegen: ze maakt van mensen duivelen. De heidense dichter Menander schrijft: “Alazoneias outis ekpheugei diken”, “Nooit ontkwam een ziel aan de wraak over hovaardij.” En nooit zal er een aan ontkomen. God is rechtvaardig, en daarom blijft hovaardij zeker niet ongestraft. Ik weet het wel: we zijn nu allemaal bereid om, zoals Pilatus, om een bekken te vragen en onze handen van deze gruwelijke zonde te wassen.
Maar jullie, achtbare en geliefde mensen, jullie hebben hier te maken met een ondeugd die dicht bij je woont. Ze zit zo hecht vast aan je, dat je haar nauwelijks nog kunt onderscheiden van een deel van jezelf. Dat maakt het gevaar groter. Aquino merkt terecht op dat sommige zonden gevaarlijker zijn “propter vehementiam impugnationis”, “vanwege de heftigheid van hun aanval”, zoals toorn. Bij andere zonden zit het gevaar in hun overeenstemming met de natuur, zoals de zonden van wellust. Nog andere zijn gevaarlijk “propter latentiam sui”, “vanwege hun nauwe verscholenheid” in onze boezem, zoals hovaardij.
O, laten we ernstig speuren in alle hoeken van ons valse hart, ook met de lantaarn van Gods wet in de hand. Zo vinden we deze sluwe duivel. En geef je ziel geen rust voordat je hem hebt verjaagd. Weg met je trotse pluimen, jullie heerlijke pauwen van de wereld! Kijk naar je zwarte poten en naar je slangachtige kop. Schaam je voor je ellendige zwakheden. Doe je dat niet, dan haalt God ze samen met jullie neer in vreselijke wraak. Niemand van ons, hoe heilig ook, is op dit punt zonder tekort. O, laten we door berouw vernederd worden, zodat we niet worden neergehaald tot eeuwige verwarring.
Laten we maar op onze knieën worden geworpen, zodat we niet plat op ons gezicht belanden. Want op één manier zal God Zijn eigen woord zeker waarmaken: “De hoogmoed des mensen zal hem vernederen.” — Joseph Hall, 1574-1656.
Vers 21
“Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die.” Denk aan Kaïn, Farao, Haman, Nebukadnezar en Herodes. Hun geschiedenissen laten de hovaardigen zien onder Gods bestraffing en vloek. Hij verafschuwt hun personen en hun offers. Hij kent hen “van verre” en “wederstaat” hen. “Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.” Nog groter is Zijn afkeer, als ze zich verbergen achter een geestelijk gewaad: “Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Dezen zijn een rook in Mijn neus, een vuur, den gansen dag brandende.” David en Hizkia staan als leerzame bakens in de kerk.
Laat Gods volk de werking van een hovaardig hart toe? Dan mag het niet verwachten dat Hij Zijn straf achterwege laat. “Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden” (Psalm 99:8). — Charles Bridges.
Vers 21
“Gij scheldt de vervloekte hovaardigen.” David geeft nog een reden waardoor hij sterker wordt aangezet om tot God te bidden en zich tot Hem te wenden voor onderwijs in Zijn woord. Hij ziet namelijk dat God zo “de vervloekte hovaardigen” scheldt. Gods tuchtigingen en straffen over ongelovigen en weerspannigen horen een goede les voor ons te zijn.
Er wordt ook gezegd dat God gericht heeft gehouden en dat de inwoners van het land Zijn gerechtigheid moesten leren. De profeet Jesaja heeft dat niet zonder reden gezegd. Hij laat ons zien dat God ons op velerlei en verschillende manieren tot Zich getrokken heeft. Dat doet Hij vooral wanneer Hij ons leert Zijn majesteit te vrezen. Want zonder die vrees worden we helaas gauw als redeloze dieren. Als God ons de teugel op de nek legt, leren we uit ervaring hoeveel vrijheid we onszelf zullen nemen. Hij ziet hoe snel we zonder enige richting gaan rennen. Daarom zendt Hij ons voorbeelden: Hij wil dat we met vrees en zorgvuldigheid leven. — Johannes Calvijn.
Vers 21
“De vervloekte hovaardigen.” Dat is de naam die men gewoonlijk aan de goddelozen geeft. Hovaardij is ons oudste kwaad. Ze is ook het sterkste en eerste kwaad in onze verdorven natuur, dat mensen aanzet om de grenzen te overschrijden die de Heere heeft gesteld. Zodra de hovaardij in het hart van Adam kwam, en hij hoger wilde zijn dan God hem had gemaakt, at hij zonder aarzelen van de verboden boom. En waar komt elke overtreding uit voort? Alleen hieruit: de onwetende hovaardij van de mens wil zijn eigen wil boven de wil van God stellen. — William Cowper.
Vers 21
“De vervloekte hovaardigen.” Petrus spreekt over de hovaardigen alsof ze als kampioenen God uitdagen en Hem als rebellen tarten. Als Hij hen niet weerstaat, zullen ze proberen Hem Zijn heerschappij af te pakken. Zo ondermijnden Korach, Datan en Abiram Mozes (Num. 16:1-33). De hovaardige mens zegt immers: “Ik zal den Allerhoogste gelijk worden” (Jes. 14:12-15). Als hij kon, zou hij zich zelfs nog boven de Allerhoogste stellen. Dit is het schepsel dat uit het stof was genomen (Gen. 2:7). Nauwelijks was het gemaakt, of het ging zich opstellen tegenover die majesteit die door de engelen wordt aanbeden, door de tronen geëerd, door de duivelen gevreesd en door de hemelen gehoorzaamd.
Hoeveel zonden zijn er in deze zondige wereld! Toch geldt hier wat Salomo van de deugdzame vrouw zegt (Spr. 31:29): “Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.” Zo mag ik ook van de hovaardij zeggen: vele zonden hebben goddeloos gehandeld, maar jij gaat ze alle te boven. Een toornig, verkwistend, wellustig, onmatig of lui mens is eerder een vijand van zichzelf dan van God. Maar de hovaardige zet zich tegen God af, want hij handelt tegen Gods wetten in. Hij maakt zich aan God gelijk, want hij doet alles zonder God en vraagt Hem om geen hulp.
Hij verheft zich boven God, want hij wil zijn eigen zin doordrijven, ook als die tegen Gods wil ingaat. Een nederig mens zegt: “Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer” (Psalm 115:1). Een hovaardig mens zegt: “Niet Hem, niet Hem, maar ons geef de eer.” Neem Herodes, die de naam van God aannam en door allen werd geëerd, behalve door de wormen. Die toonden dat hij geen god was maar een mens (Hand. 12:21). Je kunt hovaardige mensen dus vijanden van God noemen. Gierigaards trekken immers rijkdom van mensen naar zich toe, en de hovaardigen onttrekken eer aan God.
Er is nog iets. Andere zondaars hebben een reden voor hun zonde. De gierige heeft zijn rijkdom, de eerzuchtige zijn eer, de wellustige zijn genot, de afgunstige het onrecht, de luie zijn gemak. Maar de hovaardige heeft geen enkele reden om hovaardig te zijn, behalve de hovaardij zelf. Die zegt, zoals Farao: “Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou?” (Ex. 5:2). — Henry Smith, 1560-1591.
Vers 21
“De vervloekte hovaardigen.” Hovaardige mensen dragen de vloek dat ze nooit vrienden hebben. In voorspoed niet, want dan kennen ze niemand. In tegenspoed niet, want dan kent niemand hen. — John Whitecross, in “Anecdotes illustrative of the Old Testament”.
Vers 21
Dit gebruik van Gods rechten over anderen moeten we voor onszelf maken. Ten eerste: we gaan onze verdiensten erkennen en daarom bang worden. Ten tweede: we zien Gods rechtvaardigheid over de hovaardigen zo, dat we zeker weten dat Hij barmhartig is voor de nederigen. Dit valt vlees en bloed zwaar. Sommigen kunnen zich verheugen over de ondergang van anderen en kunnen toch niet vrezen. Anderen kunnen, als ze tot vrees zijn gebracht, geen troost ontvangen. Maar wat God heeft samengevoegd, laten wij niet scheiden. Laten we dus beide gebruiken van Gods rechten maken. — Richard Greenham.
Wenken voor predikers
Vers 21
—
- Hoe de hovaardigen zijn.
- Wat God met hen doet.
- Hoe wij ons tot hen verhouden.
Vers 21
—
- De zonde: “Die van Uw geboden afdwalen.”
(a) Doordat men ze verwaarloost, of (b) doordat men ze misbruikt.
- Waar die zonde vandaan komt: hovaardij, hovaardij van verstand, van hart, van leven.
- De straf ervoor.
(a) Bestraffing.
(b) Veroordeling. — G.R.
Uitleg
Vers 22
“Wentel van mij versmaadheid en verachting.” Tedere gemoederen doet dit pijn. David kon het wel dragen om de gerechtigheid, maar het was een zwaar juk, en hij wilde ervan af. Eerst belasterd en dan, door die gemene beschuldiging, ook veracht te worden: dat is een bittere ellende. Niemand vindt het prettig om in een kwaad daglicht te staan, laat staan om veracht te worden. Zegt iemand: “Mijn goede naam interesseert mij niet”? Dan is hij geen wijs man. Want Salomo zegt: “Beter is een goede naam, dan goede olie.” Het beste wat je met laster kunt doen, is er in alle rust over bidden.
God neemt haar dan weg, of Hij trekt de angel eruit. Pogingen om onszelf vrij te pleiten mislukken meestal. We lijken op de jongen die een vlek uit zijn schrift wilde halen. Door zijn gestuntel werd de vlek tien keer erger. Word je gekwetst door een lasterschrift? Bid er dan liever over, in plaats van een proces te beginnen of van de schrijver zelfs een verontschuldiging te eisen. O, jij die smaad lijdt, leg je zaak voor aan het hoogste gerechtshof. Laat haar over aan de Rechter van de gehele aarde. God zal je hovaardige aanklager straffen. Wees stil, en laat je Advocaat je zaak bepleiten.
“Want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.” Wie onschuldig is, mag er met recht om vragen dat de smaad van hem wordt weggenomen. Klopt wat men ons aanwrijft? Dan hebben we bij God niets aan te voeren. Maar worden we ten onrechte beschuldigd? Dan staat ons beroep stevig in de rechtbank, en niemand kan het weigeren. Verlaten we Gods getuigenis omdat we bang zijn voor smaad? Dan krijgen we het lot van de lafaard. Onze veiligheid ligt in dicht bij het ware en rechte blijven. God bewaart wie Zijn getuigenissen bewaart. Een goed geweten is de beste garantie voor een goede naam. Wie bij Christus blijft, blijft niet zitten met smaad. Wie trouw blijft aan de wegen van de Heere, krijgt geen blijvende verachting op zich.
Dit vers loopt gelijk met Psalm 119:6, zowel in zin als in plaats. Het heeft ook het sleutelwoord “getuigenissen”, waarmee het samenklinkt met Psalm 119:14.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 22
“Wentel van mij versmaadheid en verachting.” Hier smeekt David om verlossing van de smaad en verachting van mensen. Ze moesten van hem worden weggenomen, of, zoals het Hebreeuwse woord zegt, van hem af worden gerold. Daaruit blijkt dat ze op hem rustten. Voor smaadschriften en schimpdichten bleef hij niet gespaard, hoe groot of hoe goed hij ook was. Er waren mensen die hem verachtten en hem klein probeerden te maken. Anderen hoonden hem en probeerden hem gehaat te maken. Vaak overkomt het mensen die goed doen: men spreekt kwaad over hen. Je merkt hier ook dat die last zwaar op hem drukte.
Harde, vuile woorden breken wel geen botten, maar ze doen veel pijn bij een tedere en edelmoedige geest. Daarom bidt David: “Heere, haal ze van mij weg. Dan word ik er niet door van een plicht afgebracht en niet door ontmoedigd.” — Matthew Henry.
Vers 22
“Wentel van mij versmaadheid en verachting” en zo verder. In deze woorden, net als in de meeste andere verzen, zie je twee dingen. 1. Een verzoek: “Wentel van mij versmaadheid en verachting.” 2. Een reden en een argument dat het verzoek kracht geeft: “Want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.”
Eerst het verzoek: “Wentel van mij versmaadheid en verachting.” Het woord zegt zoveel als: rol ze van mij af. Laat ze niet tot mij komen, of laat ze niet bij mij blijven. Daarna volgt het argument: “Want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.” Daarvoor zijn drie verklaringen te geven. (1) Hij pleit dat hij onschuldig was aan wat men hem verweet en dat hij die lasteringen niet had verdiend. (2) Hij wil zeggen dat het om zijn gehoorzaamheid ging. Omdat hij het woord had onderhouden, werd hem smaad toegerold. (3) Het kan ook zijn dat hij wil laten weten dat deze smaad zijn eerbied voor Gods woord niet had verminderd.
Hij bleef Gods getuigenissen onderhouden, hoe slecht hij ook leek in de ogen van de wereld. Dus verklaart hij zijn onschuld, of hij noemt de grond waarom hij deze smaad kreeg, of hij pleit dat zijn eerbied voor God en voor Zijn dienst niet kleiner was geworden, hoeveel smaad hij ook kreeg bij het volbrengen ervan.
Hieruit volgen vele leerstukken.
- Het is niet vreemd dat wie Gods getuigenissen onderhoudt, wordt belasterd en gehoond.
- Het is het gewone lot van Gods volk om gehoond te worden. Toch doet het hun ook zeer en is het zwaar om te dragen.
- Omdat het pijnlijk is, mogen we met recht vragen of het wordt weggenomen. Zo doet David, en zo mogen ook wij doen, als we ons onderwerpen aan Gods wil.
- Wil je het wegnemen, dan is het beste dat je dit met God bespreekt. God is immers de grote getuige van onze oprechtheid. Hij kent alle dingen, dus op Hem kunnen we in deze zaak een beroep doen. Bovendien is God de krachtigste verdediger van onze onschuld. De harten en de tongen van mensen liggen in Zijn eigen hand. Hij kan de lasteraar verhinderen om smaad te uiten, of de hoorder verhinderen die smaad te geloven. Wie zulke macht heeft over het geweten van mensen, kan onze onschuld ook aan het licht brengen. Daarom is het beter om dit met God te bespreken. Vaak blijkt bidden een betere rechtvaardiging dan een verweerschrift schrijven.
- Zoeken we bij God verlichting van dit kwaad? Dan geeft het ons grote troost en een stevige grond voor vertrouwen, als we onschuldig zijn aan wat ons wordt verweten. Soms moeten we onszelf vernederen, en dan zorgt God voor onze eer. Hebben wij zelf aanleiding gegeven tot de lasteringen van de goddelozen? Dan moeten we schuld belijden. Zo staat er: “Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed” (Psalm 119:39). Hij zegt “mijn smaadheid”, omdat die voor een deel zijn eigen schuld was. Daarom was hij bang voor de droevige gevolgen en vernederde hij zich voor God. Maar op andere momenten mogen we op onze oprechtheid staan, zoals David hier doet: “Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.” — Thomas Manton.
Uitleg
Vers 23
“Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben.” David was een edel stuk wild, en de groten van de aarde trokken er met de valk op uit om hem te vangen. Vorsten zagen in hem een grootheid waar ze jaloers op waren, en daarom lachten ze hem uit. Ze zaten op hun troon en hadden best iets beters kunnen bedenken om over na te denken en te praten. Maar ze maakten van de rechterstoel een stoel voor spotters. De meeste mensen willen graag dat een vorst iets goeds over hen zegt. Als zo’n groot man hen slecht behandelt, ontmoedigt hen dat zwaar.
De psalmist daarentegen droeg zijn beproeving met heilige kalmte. Een groot aantal heren stond vijandig tegenover hem. Kwaad over hem spreken was hun werk. Ze hielden zittingen voor schandaal, rechtszittingen voor laster en parlementen van leugen. En toch kwam hij uit al hun aanvallen op hem levend tevoorschijn.
“Heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” Dit was werkelijk dapper! Als knecht van God richtte hij zich op het werk van zijn Meester. Als knecht van God wist hij ook zeker dat zijn Heere hem zou verdedigen. Zijn vorstelijke lasteraars liet hij links liggen. Zelfs het weten van hun samenzwering in het conclaaf mocht zijn gedachten niet verstoren. Wie waren die kwaadwilligen eigenlijk? Hoe konden zij God de aandacht van Zijn knecht ontnemen, of de uitverkorene van de Heere een ogenblik van toegewijde gemeenschap afpakken? Als vijf minuten heilige meditatie moesten wijken, dan was dat gepeupel van vorsten geen vijf minuten denken waard.
Het is prachtig om die twee zittingen naast elkaar te zien. Aan de ene kant zitten de vorsten bij elkaar om David te bespotten. Aan de andere kant zit David met zijn God en zijn Bijbel. Hij beantwoordt zijn lasteraars door hun helemaal niet te antwoorden. Wie zich voeden met het woord, worden sterk en vredig. Door Gods genade blijven ze verborgen voor de strijd van de tongen.
Merk op dat hij aan het slot van het vorige achtdeel had gezegd: “Ik zal Uw bevelen overdenken.” Hier laat hij zien hoe hij zijn belofte was nagekomen, zelfs onder zware druk om haar te vergeten. Het is lofwaardig als wat we in onze gelukkige uren besluiten, ook in onze tijden van ellende goed wordt uitgevoerd.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 23
“Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” Voor David was dit een grote verzoeking. Hij werd niet alleen in herbergen en taveernes bespot en geminacht, waar losbandige grappenmakers en spotters hem openlijk afschilderden. Men sprak ook op straat en op de markten over hem. En zelfs op de zetel van het recht, de plaats die juist heilig hoort te zijn, kon het niet anders of ze belasterden hem volkomen. Daar veroordeelden ze hem als een allerslechtste, vervloekte man. David zag hoe onrechtvaardig hij werd behandeld en aangepakt.
Hij klaagde zijn nood bij God en zei: “O Heere, zelfs de vorsten en regeerders zitten en spreken kwaad tegen mij, en toch heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” Wat moeten wij hieruit opmaken? Stel: we wandelen oprecht en met een goed geweten, en toch worden we vals belasterd en beschuldigd van dit of dat, waar we nooit aan hebben gedacht. Dan moeten we alles geduldig dragen. Wees er zeker van dat we niet beter zijn dan David, hoe groot een betuiging van onze oprechtheid en reinheid we ook durven te doen. — Johannes Calvijn.
Vers 23
“Heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” Staat het land van een boer onder water, dan graaft hij sloten en maakt hij waterkeringen om het af te voeren. Zo is het ook goed om onze gedachten om te leiden naar iets anders, wanneer moeite ze overspoelt. Maar niet elke afleiding is voor heiligen geschikt. Het moet een heilige afleiding zijn: “Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt” (Psalm 94:19). Zo ging het ook in onze tekst: de troon van het verderf smeedt kwaad door de wet. Zoals je hier ziet, kwamen er veel verwarde gedachten bij hem op over het misbruik van macht tegen hemzelf.
Maar waar zocht hij nu verlichting? In afleiding? Zou elke afleiding zijn doel dienen? Nee. Hij zocht “Uw vertroostingen”: vertroostingen die God toestaat, die God voorziet en die passen bij heiligen. Goddeloze mensen lopen in hun nood naar hun pot en pijp, naar spelletjes en sport en vrolijk gezelschap. Zo dwarsbomen ze de voorzienigheid in plaats van er hun voordeel mee te doen. Maar David was Gods knecht. Hij moest Gods vertroostingen hebben. Dat deed hij ook elders, toen de macht van de goddelozen zijn gedachten verontrustte: “Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte” (Psalm 73:17).
Door gebruik te maken van Gods verordeningen leidt hij zijn gemoed af. Zo komt hij vast te staan tegen de verzoeking. — Thomas Manton.
Vers 23
“Heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” Dit is de wapenrusting waarmee David tegen zijn vijand streed: “Arma justi quibus omnes adversariorum repellit impetus”. Zijn wapens waren Gods woord en het gebed. Onrecht beantwoordde hij niet met onrecht, en smaad niet met smaad. Wie tegen Satan of zijn werktuigen strijdt met hún wapens, loopt gevaar, want dan overwinnen zij ons gemakkelijk. Laten we strijden met Gods wapenrusting: oefening in het woord en in het gebed.
Dan kun je vreedzaam in je binnenkamer rusten. In deze twee zie je het ellendige einde van allen die om God vijanden zijn van Gods kinderen. — William Cowper.
Vers 23
“Uw inzettingen.” Wie christelijk of troostrijk wil leven zonder dagelijks de Schrift te gebruiken, vraagt het onmogelijke. Voor al onze wegen hebben we de Schrift absoluut nodig als wegwijzer, vóórdat we beginnen. Zijn we aan het einde van een weg gekomen? Dan hebben we haar nodig om te rechtvaardigen dat we die weg goedkeuren, om onze twijfels op te lossen en om ons te troosten in onze smarten. Zonder de Schrift is ons geweten een blinde gids, die ons door een mist van onwetendheid, dwaling en verwarring leidt. In de Schrift horen we God tot ons spreken.
Hij laat ons Zijn goede wil weten over onze zaligheid en over de weg van onze gehoorzaamheid, zodat we Hem in Zijn goede wil tegemoet kunnen komen. Welk boek kunnen we met zoveel vrucht en troost lezen? Qua inhoud is het wijsheid. Qua gezag is het goddelijk en absoluut. Qua majesteit legt God Zelf een onuitsprekelijke kracht in gewone woorden en letters, om ons hart te stempelen. Waar wordt ons verstand zo verlicht, ons hart zo diep geraakt en ons geweten zo bewogen, zowel om ons neer te werpen als om ons op te richten?
Geen enkel boek ter wereld spreekt zó tot mij als de Schrift. Niets anders verovert zo volkomen alle krachten van mijn ziel.
Wie de Schrift verwerpt of minacht, mist voedsel voor zijn ziel, licht voor zijn leven en wapens voor zijn geestelijke strijd. Wie haar liefheeft, bezit dat alles. Daar horen we de stem van onze Beminde. Daar ruiken we de geur van Zijn zalven. Daar vinden we elke dag opnieuw de weg naar de kunst van de verzoening. Verlangen we in onze kennis naar goddelijkheid, voortreffelijkheid, ouderdom en werkzaamheid? Dan zijn die alleen in Gods woord te vinden. Het is het uittreksel van de hemelse wijsheid, dat Christus, het eeuwige Woord, uit de schoot van Zijn Vader heeft gehaald. — William Struther, 1633.
Verzen 23, 24
In de twee laatste verzen van deze afdeling laat David twee keer zien hoe oprecht zijn genegenheid voor het woord is. Het eerste: hij bleef mediteren over Gods inzettingen, terwijl hij werd vervolgd en er kwaad over hem werd gesproken. En dat door grote, eervolle mannen van de wereld, zoals Saul, Abner en Achitofel. Een zware verzoeking is het al, wanneer godvrezenden door welke goddeloze mensen dan ook worden gekweld. Maar nog zwaarder is het, wanneer mensen met aanzien en gezag hen kwellen. Waarom? Ten eerste vanwege hun positie. Hoe groter hun macht, hoe gevaarlijker het is om hun ongenoegen te trotseren.
Salomo zei daarom: “De grimmigheid des konings is als de boden des doods” (Spr. 16:14). Ten tweede heeft God overheden en machten ingesteld, niet als schrik voor de goeden maar voor de kwaden (Rom. 13:3). Het is dus geen klein verdriet voor de godvrezenden, wanneer zij zien dat die macht voor het tegendeel wordt misbruikt. Een heerser hoort voor goede mensen eigenlijk te zijn als regen op pas gemaaide velden. Wordt hij een beschermer van kwade mensen en een vervolger van goede? Dan verandert gerechtigheid in alsem. Wat troost had moeten geven aan wie God vrezen, wordt gebruikt om hen te onderdrukken.
Zie het daarom als een grote weldaad van God, wanneer Hij een volk goede en godsdienstige heersers geeft. — William Cowper.
Verzen 23, 51
Er zijn er velen die geloven dat Psalm 119 uit de pen van David kwam. Is dat zo? Dan verbaast het me niet dat zij de samenstelling ervan in verband brengen met zijn verblijf in de school van de profeten te Najoth. In die rustige tijd studeerde hij, en dat kan zijn gedachten heel goed hebben gericht op die alfabetische code. De psalm bevat bovendien flink wat uitdrukkingen die, om het minste te zeggen, een bijzondere verwijzing kunnen zijn naar de gevaren waaraan hij kort tevoren was ontsnapt en waarmee hij nog steeds werd bedreigd.
Neem bijvoorbeeld deze woorden: “Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.” En deze: “De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.” — William M. Taylor, in “David, King of Israel; his Life and its Lessons”, 1880.
Wenken voor predikers
Vers 23
Meditatie.
- De beste bezigheid voor ons, terwijl anderen lasteren.
- Onze beste troost onder hun leugens.
- Ons beste beschermmiddel tegen een geest van wraak.
- Onze beste manier om te laten zien dat wij boven hun aanvallen staan.
Uitleg
Vers 24
“Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.” Gods getuigenissen waren niet alleen onderwerpen voor zijn meditatie. “Ook” gaven ze hem vermaak en leiding. Zijn vijanden hielden onder elkaar samen raad. De heilige man hield raad met Gods getuigenissen. Met al hun lawaai konden de vogelaars de vogel niet uit zijn nest verjagen. Zij vonden het heerlijk om te lasteren. Hij vond het fijn om te mediteren. De woorden van de Heere helpen ons op vele manieren. In onze verdrietigheden zijn ze ons vermaak. In onze moeilijkheden zijn ze onze gids.
We putten er vreugde uit en vinden er wijsheid in. Willen we troost in de Schriften vinden? Dan moeten we ons voegen naar hun raad. Als we hun raad opvolgen, moet dat niet met tegenzin gebeuren maar met plezier. Zo gaan we het veiligst om met alle mensen die een complot tegen ons smeden. Laten we dan meer letten op de ware getuigenissen van de Heere dan op het valse getuigenis van onze vijanden. Aan beschuldigende vorsten geef je het beste antwoord met het woord van de rechtvaardigende Koning.
Eerst zei David in Psalm 119:16: “Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen.” Nu zegt hij: “Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen.” Zo is het met besluiten die we in Gods kracht nemen: ze dragen vrucht. En geestelijke verlangens rijpen tot echt bezit. O, mocht dat zo zijn voor alle lezers van deze regels, ja, ieder van hen!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 24
“Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.” Zijn vermaking, en zijn raadslieden. Ze zijn zijn vermaking omdat ze zijn raadslieden zijn, en ze zijn zijn raadslieden en daardoor ook zijn vermaking. Ieder weet hoe prettig het is om profijt te hebben van goede raad, als je ergens mee in verlegenheid of in verwarring zit. Salomo zegt: “Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel” (Spr. 27:9). Dat is de zoetheid van de goddelijke gemeenschap en van de meditatie over God en Zijn woord. Ze geeft een mens op het juiste moment raad, en dat verkwikt ons enorm. — T. Horton, 1673.
Vers 24
“Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen” en zo verder. Wie wil dat Gods getuigenissen hun vermaak zijn, moet ze tot raadslieden maken en zich door hen laten leiden. En wie ze als raadslieden neemt voor een nauwgezette wandel, moet ze ook als vermaak nemen, voor een wandel vol troost. — Matthew Henry.
Vers 24
“Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.” In een tijd van moeite willen we eigenlijk twee dingen: troost en leiding. David had ze allebei. Ze waren zijn “vermakingen” in zijn nood, een vrucht van het “betrachten” van de inzettingen van de Heere. Zat hij in verlegenheid, dan waren ze zijn “raadslieden”, en zij brachten zijn gedrag op de volmaakte weg. — Charles Bridges.
Vers 24
“Mijn raadslieden.” Het Hebreeuws zegt letterlijk: “de mannen van mijn raad”. Dat is een passende uitdrukking, want hij had het net gehad over vorsten die tegen hem in raad zaten.
Geen vorst onderneemt iets zonder het advies van zijn geheime raad. Ook een kind van God heeft zijn geheime raad, en dat zijn Gods getuigenissen. Aan de ene kant zat Saul, met zijn edelen en raadsheren. Aan de andere kant zat David, met Gods getuigenissen. Wie was nu beter uitgerust, denk je? Zij, om hem te vervolgen en te kwellen, of David, om dat te doorstaan? Aan Alfons, koning van Aragón, werd eens de vraag gesteld wie de beste raadsheren zijn. Hij antwoordde: “De doden” (hij bedoelde boeken), “want zij vleien niet en zeggen de waarheid zonder aanzien des persoons.” Van alle zulke dode raadslieden staan Gods getuigenissen bovenaan.
Een arme godvrezende man kan door iedereen verlaten zijn en niemand hebben die voor hem pleit. Toch heeft hij zijn senaat en zijn staatsraad om zich heen: de profeten en apostelen en de andere “heilige mensen Gods”, die “van den Heilige Geest gedreven zijnde” hebben gesproken. Wie zo is toegerust, is nooit minder alleen dan wanneer hij alleen is. Rondom hem staan raadslieden die hem zeggen wat je moet geloven en doen. Die raadslieden kunnen niet dwalen. Ze vleien hem niet en prijzen hem in geen enkele zonde. Ze maken hem niet bang en leiden hem niet af van wat goed is, hoe gevaarlijk dat ook voor hem is.
Als we wijs zijn, kiezen we waarachtig zulke raadslieden: “Uw getuigenissen zijn de mannen van mijn raad.” — Thomas Manton.
Vers 24
“Mijn raadslieden.” Let op deze uitspraak, want ze is het overwegen waard: David noemt Gods geboden zijn “raadslieden”. Hij bedoelt daar twee dingen mee. Ten eerste: alle wijsheid van de bekwaamste en meest ervaren mensen van de wereld kon hij verachten, omdat Gods woord hem leidde en bestuurde. Ten tweede: laat hij zich zo door Gods woord besturen, dan is hij niet alleen werkelijk wijs. Dan is het alsof hij alle wijsheid had van alle mensen ter wereld, ja, en nog veel meer dan dat, veel meer dan al die mensen samen. — Johannes Calvijn.
Wenken voor predikers
Vers 24
—
- Hij had ontzag voor hen, als voor Gods getuigenissen.
- Hij genoot volop van hen als zijn vermaak.
- Hij beriep zich op hen als zijn raadslieden.
Uitleg
Verzen 25-32
De psalmist is hier, zo zie ik het, in nood. Hij klaagt dat hij als slaaf aan aardse dingen vastzit en zijn geest daarin gevangen is. Zijn ziel plakt aan het stof, smelt van zwaarmoedigheid en roept om ruimte, om uit haar geestelijke gevangenis te komen. Je ziet in deze verzen wat Gods woord kan doen voor een hart dat zijn neerwaartse neigingen betreurt en rouwt om de verdovende omgeving. Het woord van de Heere wekt duidelijk het gebed op (Psalm 119:25-29), bevestigt de keuze (Psalm 119:30) en geeft nieuwe vastberadenheid (Psalm 119:32). Is er verdrukking, van lichaam of van geest? Dan is het de zekerste bron van hulp.
Dit gedeelte heeft de “D” als alfabetische letter. Het zingt van Depressie, in de geest van Devotie, Determinatie en Dependentie.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof.” Deels wil hij zeggen dat hij vol droefheid zat. Rouwenden in het oosten strooiden stof op hun hoofd en zaten in as. Het leek de psalmist alsof deze tekenen van smart aan hem vastgelijmd waren. Zijn ziel móést wel blijven kleven, want zijn verdriet was te groot om zich erboven te verheffen. Bedoelt hij ook niet dat hij zich klaar voelde om te sterven? Zijn leven voelde bijna uitgeperst: de aarde van het graf hield het vast, en het doodsstof verstikte het half. Misschien vragen we niet te veel van de taal als we denken dat hij ook zijn aardsgezindheid en geestelijke doodsheid voelde en betreurde.
Er zat in zijn ziel een neiging om aan de aarde te kleven, en dat vond hij heel erg. Wat de oorzaak van zijn klacht ook was, het was geen oppervlakkig kwaad maar zat in zijn diepste geest. Zijn ziel kleefde aan het stof. Hij was niet bij toeval en zonder het te willen in het stof gevallen. Het was een blijvende, krachtige neiging: vastplakken aan de aarde. Maar wat een barmhartigheid dat deze goede man kon voelen en betreuren wat er ook maar slecht was in dat kleven! Het zaad van de slang kan zijn voedsel in het stof vinden.
Het zaad van de vrouw wordt nooit zo vernederd. Velen zijn uit de aarde, aards, en betreuren het nooit. Alleen de geest die uit de hemel is geboren en opstijgt naar de hemel, kwijnt weg bij de gedachte dat hij aan de wereld vastzit. Zo’n geest lijkt op een vogel, die door haar verdriet of haar genoegens op lijm is gevangen.
“Maak mij levend naar Uw woord.” Wat we nodig hebben is meer leven. Dát is de medicijn tegen al onze kwalen, en alleen de Heere kan het geven. Hij kan het meteen schenken, en Hij doet het volgens Zijn woord. Hij verlaat dus niet de vaste weg van Zijn genade, zoals de Schrift die voor ons uitstippelt. Het loont de moeite om precies te weten waarvoor je moet bidden. David vraagt hier om levendmaking. Je zou verwachten dat hij om troost of opbeuring smeekte. Maar hij wist dat troost en opbeuring voortkomen uit méér leven. Daarom bad hij juist om de zegen die de wortel is van alle andere zegeningen.
Is iemand neerslachtig, zwak en gebogen naar de grond? Dan is het belangrijkste dat zijn kracht groeit en dat er meer leven in hem komt. Dan leeft zijn geest op en richt zijn lichaam zich weer op. Wie het leven opnieuw laat opbloeien, maakt de héle mens nieuw, van binnen en van buiten. Het stof afschudden is op zichzelf maar weinig. Maar als het volgt op levendmaking, is het een zegen van het allergrootste gewicht. Zo hoort ook een opgewekt gemoed, dat voortkomt uit een stevige gezondheid, bij de kostbaarste dingen die we ontvangen. De woorden “naar Uw woord” betekenen: zoals Uw woord ons laat zien dat U Uw heiligen levend maakt.
Het Woord van God leert ons dat Hij Die ons eerst heeft gemaakt, ons ook in leven moet houden. Het vertelt ons over de Geest van God, Die door de genademiddelen nieuw leven in onze ziel uitstort. Wij smeken de Heere dus om op deze eigen, vaste weg van Zijn genade met ons om te gaan. Misschien dacht David aan het woord van de HEERE in Deut. 32:39. Daar zegt Jehova dat Hij zowel doodt als levend maakt. David smeekt de Heere dan ook die levend makende kracht te laten werken in Zijn dienaar, die bijna sterft.
David had zeker niet zoveel rijke beloften om op te rusten als wij. Maar één enkel woord was genoeg voor hem, en met volle ernst dringt hij aan: “naar Uw woord”. Wat een machtig gezicht is het om een gelovige in het stof te zien die tóch de belofte aanhoudt! Hij staat aan de rand van het graf en roept: “Maak mij levend”, en hij verwacht dat het gebeurt.
Merk ook op hoe dit eerste vers van de vierde strofe van acht regels overeenkomt met het eerste vers van de derde strofe (vers 17): “Dat ik leve” en “Maak mij levend”. Gaat het goed met hem, dan smeekt hij om een rijke behandeling. Is hij diep ongelukkig, dan bidt hij om levendmaking. In beide gevallen jaagt hij op hetzelfde doel: leven! Hij wil leven hebben, en dat in overvloed.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
De acht verzen op alfabetische volgorde:
- (D)iep in het stof is mijn ziel neergedrukt: verkwik mij, naar Uw woord.
- (D)uidelijk heb ik (aan U) mijn wegen verteld, en U verhoorde mij: leer mij Uw inzettingen.
- (D)oe mij de weg van Uw bevelen verstaan: dan zal ik vertellen van Uw wonderen.
- (D)ruppend (kantt.) van droefheid is mijn ziel: sterk mij naar Uw woord.
- (D)e valse wegen wend van mij af, en geef mij uit genade Uw wet.
- (D)e weg van de waarheid heb ik uitgekozen: Uw rechten heb ik mij voor ogen gesteld.
- (D)oor en door heb ik mij vastgehouden aan Uw getuigenissen: HEERE, laat mij niet beschaamd staan.
- (D)ag in dag uit loop ik de weg van Uw geboden, als U mijn hart ruimte geeft. — Theodore Kubber.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof.” Het Hebreeuwse woord voor “kleven” kan ook betekenen: “is verbonden”, “heeft zich vastgehecht”, “heeft ingehaald”, “heeft vastgegrepen”, “heeft zich aangesloten”. Onze ziel lijkt op een poliep. Zoals een poliep zich zo makkelijk aan de rotsen hecht, zo plakt de ziel aan de aarde. Als ze zich eenmaal stevig heeft vastgezet, kun je haar bijna niet meer losscheuren. Is je ziel inmiddels volmaakter geworden? Is ze uit de wateren van de zonde ontsnapt en een vogel van de hemel geworden? Wees dan toch niet onbezorgd. De aardse dingen zijn vogellijm en kleefstof.
Strijk je je vleugels daaraan, dan blijf je vastzitten, vastgeplakt aan de aarde. — Thomas Le Blanc.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof”, enz. Het Hebreeuwse woord achter “kleven” staat voor: vastgelijmd zijn, muurvast zitten. Je zit zo stevig aan iets vast, dat losmaken niet meevalt. Het woord “stof” kan hier de aarde en de aardse dingen aanduiden, gezien als laag, gemeen, onwaardig en wereldlijk. Het kan ook de dood bedoelen: hij zou dan vlak bij het graf zijn en voor zijn leven vrezen. De Wette kiest voor die laatste uitleg. Maar bij “kleven” denk je daar nauwelijks aan.
Het woord komt beter tot zijn recht als zijn ziel als het ware aan aardse dingen vastzat. Ze was er zó mee verkleefd, dat ze zich niet kon losmaken. Zijn verlangens waren laag, aards en kruipend. Dat bracht hem in diepe ellende. Daarom riep hij God om leven en kracht aan, om zich los te kunnen rukken. — Albert Barnes.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof”, enz. De eerste zinsnede roept kennelijk twee verwante, maar verschillende gedachten op: diepe vernedering (zoals in Ps. 44:26) en de dood (zoals in Ps. 22:30). Vernedering ligt het meest voor de hand, zeker met die parallelle plaats erbij. Toch wijst de bede om levendmaking in de laatste zinsnede de dood aan als de hoofdgedachte, want wie om leven vraagt, ligt kennelijk bij de dood. “Maak mij levend” betekent: houd mij in leven, of breng mij terug tot het leven. Het Hebreeuwse woord is namelijk een oorzakelijke vorm van het werkwoord “leven”, dus letterlijk: laat mij leven. — Joseph Addison Alexander.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof”, enz. In dit vers heeft David een klacht en een gebed. De klacht is: “Mijn ziel kleeft aan het stof”. Het gebed is: “Maak mij levend naar Uw woord”. Overweeg het gebed goed, dan leert het je wat de klacht inhoudt. Sommigen denken aan een zware lichamelijke nood die hem pijn deed. Dat was het niet. Zijn ziel werd, om het zo te zeggen, door een zeer zware geestelijke druk platgedrukt. Waar hij omhoog naar de hemel had moeten reiken, trok iets hem omlaag naar de aarde. Aardse gedachten, begeerten en onrust hingen als een blok aan zijn been, zodat hij zich niet kon verheffen.
Zijn eigen verzoeking noemt hij niet. Want Gods kinderen zitten vaak in een toestand waarin ze hun eigen smart niet onder woorden kunnen brengen. Soms zijn ze zo van streek dat het niet verstandig is om het aan anderen te vertellen, ook al zouden ze het kunnen.
Daaruit leren we dat wat een wereldling wijsheid vindt, voor een christen dwaasheid is, en dat wat de één vreugde is, voor de ander verdriet is. De vreugde van de wereldling is dat hij aan de aarde kleeft. Hoe steviger hij haar vastgrijpt, hoe gelukkiger hij zich acht, want ze is zijn deel. Naar zijn eigen oordeel is dat de enige wijsheid: zorgen voor zijn aardse zaken en zijn gedachten daarop richten. Want de vloek van de slang rust op hem: hij kruipt over de aarde en likt het stof alle dagen van zijn leven.
Dat is de ellendige toestand van de goddelozen: zelfs hun hemelse ziel is aards geworden. Qui secundum corporis appetentiam vivit caro est, etiam anima eorum caro est. Zo sprak de Heere over de mensen die in de zondvloed omkwamen: ze waren slechts vlees en hadden geen geest in zich, dat wil zeggen geen geestelijke of hemelse beweging.
Maar een christen weet: zijn ziel is afkomstig van boven. Daarom zoekt hij ook zijn hartsverlangen bij wat boven is. Zijn grootste vreugde is een leven met zijn gedachten in de hemel. Merkt hij dat zijn bewegingen en gevoelens omlaag worden gesleept en vastlopen in aardse dingen, dan snijdt dat door zijn ziel. Het leven van zo iemand bestaat uit de Heere aanhangen. Wordt de nek van zijn ziel gebogen onder het juk van de wereld, dan voelt hij zich gestorven. — William Cowper.
Vers 25
“Mijn ziel kleeft aan het stof.” “Zie nu op naar den hemel.” Dat zei de Heere ooit tegen Abraham, Zijn vriend.
En dat zegt Hij ook tegen ons. Wat jammer! Het gaat toch altijd zo. Nauwelijks beginnen we onszelf een heel klein beetje te kennen, of we zuchten al treurig: “Mijn ziel kleeft aan het stof.” Dat is de diepste pijn van een ziel die heeft ervaren dat de Heere barmhartig is. Ze verlangt ernaar op te stijgen, en ze voelt tegelijk met verdriet dat het niet lukt. Elk mensenhart draagt veel verborgen leed, ook in het leven met God. Maar wat raakt ons dieper dan het besef dat we als met loden gewichten vastzitten aan dingen waarvan we weten dat ze ons moe maken en ons nooit kunnen verzadigen?
Toen we de Psalm van de Goede Herder voor het eerst hoorden, hadden we nooit durven denken dat zo’n lied kon komen uit een hart dat zo vaak en zo bitter naar God snakt. We hadden ons evenmin kunnen voorstellen dat het zó koud, zó dor en zó donker kon worden binnenin iemand die eerder zo veel had geproefd van de kracht van de komende wereld. Konden we niet vroeger nog met deze zelfde psalm opscheppen: “Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom”? Maar later, en nu misschien… O, die droevige uren!
Het lijkt of het zonlicht in ons binnenste is gedoofd, en er is alleen nog een bleekrode schijf over. De gloed van de eerste liefde is bekoeld. Aardse zorgen en zonden hebben als een loden gewichtje aan de vleugels van onze ziel gehangen, en God weet hoe graag ze zou opvliegen. We zouden willen danken en kunnen amper bidden. We zouden willen bidden en kunnen amper zuchten. Onze schat ligt in de hemel, maar onze ziel kleeft aan de aarde. Of nee: de aarde klit van alle kanten aan haar vast en trekt haar zo naar beneden dat het oog nog slechts wolken ziet en de tong alleen nog klachten uitademt.
De aarde kan ons zo grondig in boeien slaan dat de hemel niet meer is dan een raadsel. Onze oude mens lijkt op de reus uit de mythologie. Die wordt in de slopende strijd tegen de grond gesmeten, en juist door de aanraking met zijn moeder, de aarde, krijgt hij nieuwe kracht. Ach, als het toch anders kon! Komt er dan nooit, nooit verandering in? Wil je dat echt, jij die vanuit de diepte van je ziel zo klaagt en bijna geen tranen meer overhebt om je gebroken hart te beschreien? Het is goed voor je als de pijn die je lijdt je leert tot God te roepen: “Maak mij levend naar Uw woord.” Ja, wie maar al te goed weet hoe het is om onder pijn gebukt te gaan, vindt hier de beste troost.
En een hart dat bijna wegzakt in stille wanhoop, heeft alleen hierin nog hoop. Ver boven dit stof hangt een dampkring vol leven. Dat leven stroomt van alle kanten naar ons toe en dringt zelfs door in de donkerste kerker. Er is een levensbron waaruit de vermoeide ziel nieuwe kracht kan drinken. De toegang is open, hoeveel stofwolken er ook hangen in dit dal van schaduwen. Er bestaat een levenskracht die onze dode toestand zó volledig kan opheffen, dat we opnieuw wandelen voor het aangezicht van de HEERE in het land van de levenden. Dan klinkt er geen klacht meer van onze lippen, maar een lofzang.
Leeft de Vorst van het leven niet nog steeds? Roept Hij ook óns niet toe: “Waakt op en juicht, gij, die in het stof woont!”? En de Geest blaast waarheen Hij wil. Kan Hij dan niet, wil Hij niet, zal Hij niet op Zijn tijd met Zijn levende adem het stof wegblazen dat aan onze vleugels kleeft? Wel is dit waar: ook de knagende pijn van de ziel over al dat gebrek aan geestelijkheid en al die dofheid is een bemoedigend teken. Het is een teken dat het goede werk in ons hart is begonnen.
Wat écht dood is, huivert niet meer van zijn eigen kilte. Zeg je onder tranen: “Mijn ziel kleeft aan het stof”? Dan zou je zo niet spreken als er niet al een hogere hand een kloof had geslagen tussen je ziel en dat stof, een kloof die ze tevoren niet kende. Niemand heeft minder reden om te wanhopen dan wie de hoop op zichzelf heeft opgegeven. Zo iemand leert bij God te zoeken wat hij diep van binnen voelt dat hij zichzelf allerminst kan geven.
Zo haal je uit de diepste pijn de beste troost: door nederig, ernstig en volhardend te bidden. We vragen dan dat Hij Die leeft, ook aan onze zielen leven wil geven en dat leven telkens verder wil laten groeien. Dat doet Hij tot we vrij zijn van alle dorheid en doodsheid van geest, losgemaakt uit de aarde, en kunnen opstijgen naar de eeuwige berg van het licht. Van daar zien we eindelijk alle aardse wolken onder ons liggen. Dat kan alleen de God van het leven doen, en Hij wil het ook. Ja, we hebben Zijn eigen woord als onderpand: Hij belooft en schenkt ons echt leven.
Laten we alleen niet vergeten dat Hij Die ons levend maakt “naar” Zijn woord, dat óók door Zijn woord doet. Laten we dus drinken uit de bron die eeuwig vloeit. Laten we het voortaan volledig aan Hem overlaten hoe Hij onze roep verhoort, ook als Hij ons over donkere wegen voert. Zelfs met middelen die naar de dood ruiken kan God ons levend maken en in leven houden. Kijk, hier staan we dan, met lege handen. Heere, doe met ons wat U goeddunkt! Laat onze zielen maar leven, zodat ze U prijzen, nu en in eeuwigheid. — J. J. Van Oosterzee (1817-1882), in “The Year of Salvation.”
Vers 25
“Kleeft aan het stof.” Het vlees, dat zelf maar stof is, drukt de ziel steeds verder omlaag. — James G. Murphy.
Vers 25
Het stof is de plek van de ellendigen, de gewonden en de doden. “Maak mij levend” betekent hier: breng mij tot leven, vrede en vreugde. — A. R. Fausset.
Vers 25
“Maak mij levend”, enz. David leeft toch? Hoe kan hij dan bidden dat God hem levend maakt? Mijn antwoord: vromen meten het leven niet af aan wat ze in hun lichaam hebben, maar aan wat ze in hun ziel hebben. Ontbreekt in de ziel het gevoel van genade en een hemelse gezindheid voor geestelijke dingen? Dan treuren ze over haar als over een dode ziel.
Het staat immers vast: tijdelijke verlatenheid weegt voor vromen zwaarder dan tijdelijke dood. “Naar Uw woord.” Wat een groot geloof is dit! Hij voelt zich op dat moment dood, en toch verwacht hij leven van God, volgens Zijn belofte. Zo geloofde Abraham ook, die hopende tegen hoop geloofde. Gods kinderen komen vaak in zo’n toestand dat hen niets overblijft om op te steunen dan het woord van God. Ze voelen geen barmhartigheid en hebben geen geestelijke gezindheid. Wat ze wél hebben, is een grote duisternis, vreselijke vrees en angsten. Er is maar één ding dat hen draagt: ze richten hun blik op Gods belofte.
En één ding houdt hen vast: de hoop dat Hij hen weer tot leven brengt. Het is immers Zijn eer om het werk af te maken dat Hij begint. — William Cowper.
Vers 25
“Maak mij levend.” Deze uitdrukking komt negenmaal voor, en alleen in deze psalm. Ze is zwaarwichtig, want ze noemt de geestelijke verandering waardoor een kind van Adam een kind van God wordt. God is de bron van die verandering. Het woord is het middel waardoor ze wordt gewerkt, Ps. 119:50. — James G. Murphy.
Vers 25
“Maak mij levend naar Uw woord.” Waar leven is, is ook de drang om op te staan. De gelovige blijft niet plat liggen met zijn verlangen naar God. Uit de diepste diepten stijgt de taal van het geloof omhoog naar God, de Allerhoogste, Die alles voor de gelovige volbrengt. Een echt kind kan niet anders dan opkijken naar zijn liefdevolle Vader, de Almachtige, Die genoeg is voor alles. Heb je dat niet zo gevonden? Maar zie hoe helder het inzicht is dat rond het gebed van de gelovige straalt. Hij bidt dat de Heere hem levend maakt naar Zijn woord.
We kunnen het woord zien als de maatstaf waaraan hij gelijk moet worden gemaakt. Of de psalmist denkt aan wat het woord vraagt van de gelovige die vooruit wil. Of hij denkt aan de beloften die erin staan voor de armen en behoeftigen, voor zover die op hen van toepassing zijn. Al deze betekenissen kunnen in die ene uitdrukking “naar Uw woord” besloten liggen: de maat van volmaaktheid, de eisen van het woord en de beloften daarbij. Het grote voorbeeld van de gelovige is Christus. In de oude tijd was dat de Christus van de profetie.
Toen lagen de eisen van de wil van de HEERE verspreid over het woord. Maar de psalmist kan ook stilstaan bij de rijke beloften die de Heere gaf met het oog op de volmaking van Zijn volk. Zie je waar de geestelijke natuur naar uitgaat? Voor de natuurlijke mens, de formalist, is het meer dan genoeg om te zijn zoals de gewone, welgedragen en gerespecteerde belijders. De geestelijke mens kijkt verder. Hij wil levend gemaakt worden naar Gods woord. Toets jezelf daaraan. — John Stephen.
Vers 25
“Maak mij levend naar Uw woord.” Breng door Uw voorzienigheid leven in mijn zaken. Breng door Uw genade leven in mijn gevoelens. Genees mij van mijn geestelijke doodsheid. Maak mij levendig als ik U dien. — Matthew Henry.
Vers 25
“Maak mij levend naar Uw woord.” Soms laat de Heere de Zijnen zo lang diep in hun zware gemoedstoestand liggen dat ze eruitzien als doden. Toch houdt Hij door het geloof in Zijn woord zoveel leven in hen over, dat ze God kunnen smeken om vertroosting: “Maak mij levend naar Uw woord.” — David Dickson.
Vers 25
“Maak mij.” Waarheen moeten vromen vluchten als het leven hen begeeft? Naar de Springader van alle leven! Wil je de kou verjagen, dan kun je dicht bij het vuur gaan zitten. Zo verjaag je ook elke vorm van dood het snelst door te kijken naar Hem Die onze wortel is, door Wie wij dit natuurlijke leven leven. Alle middelen om iets te bewaren of te herstellen zijn niets, en de hele geneeskundige faculteit is ijdelheid naast Hem. Andere dingen hebben zelf geen leven, maar ze geven het toch, als werktuigen van Hem Die het leven is, zoals vuur brandt als werktuig van de hitte.
“Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.” Soms laat iemand een vuur dat hij zelf heeft aangestoken bijna uitgaan. Dan blaast hij het weer aan, legt nieuwe brandstof erop, en het vlamt even hoog op als eerst. Zo kan God ook met deze vlam van het leven omgaan, die Hij Zelf heeft aangestoken. — Paul Bayne.
Vers 25
“Naar Uw woord.” Het woord haalt de doodsheid en de hardheid uit het geweten weg. Is dit woord niet een hamer die het hart week slaat? Is het niet het onvergankelijke zaad waaruit wij opnieuw zijn geboren? David trof zijn geweten in een dode toestand aan. Daarom bad hij: “Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.” Het woord is het eerste middel waarmee het geweten wordt gereinigd en weer recht komt te staan. — John Sheffield, in “A Good Conscience the Strongest Hold”, 1650.
Vers 25
“Naar Uw woord.” Aan welk woord denkt David hier? Misschien aan de algemene beloften in de boeken van Mozes of Job: wie Gods wet trouw bewaart, wordt verlost, en wie ellendig en benauwd is, krijgt hulp. Of aan een persoonlijke belofte die Nathan of een ander hem had gegeven. Chrysostomus zegt: “Maak mij levend naar Uw woord. Maar dit is geen woord van gebod, het is een woord van belofte.” Let op wat David níet zegt: secundum meritum meum. Hij zegt: secundum verbum tuum. Waar we op hopen en welke hulp we van God verwachten, staat dus op Zijn woord. Onze zekerheid ligt in Zijn beloften, nooit in onze eigen verdienste. Prommittendo se fecit debitorem, enz.
Er was in Davids tijd nog zo weinig Schrift opgeschreven. Toch wist hij een woord te vinden dat hem steun gaf. Wij hebben het veel moeilijker met onszelf: in onze moeiten en verdrukkingen schiet ons geen enkele belofte te binnen. Het gaat zoals met uiterlijke zaken. Vaak leven mensen met weinig beter dan mensen met overvloed. Nu de Schrift zo uitgebreid is, zijn wij minder ijverig. Daarom worden we, ondanks alle beloften die we hebben, makkelijk flauw en staan we met lege handen, zonder een woord dat ons draagt. Voor David kwam dit woord niet meteen als hulp.
Hij verkeerde zo lang in deze zware toestand dat hij dood leek. Veel mensen denken dat ze de troost van een belofte meteen zullen proeven zodra ze die hebben. Zo gaat het niet. Eerst moeten we wachten en strijden. We proeven de troost van de beloften pas als alles van de schepselen is opgebruikt en we zijn beproefd. God houdt Zijn woord, maar we moeten er wel op rekenen dat we op de proef worden gesteld. In deze dode toestand hield het geloof in Gods woord David in leven. Voelen we bijna niets meer en hebben we niets meer over?
Dan zal het woord ons ondersteunen: “En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer” (Rom. 4:19-20). Een weg naar troost is dat we in het gebed de belofte van God voorhouden. Chirographa tua injiciebat tibi Domine: laat Hem Zijn eigen handschrift zien. God is zorgvuldig met Zijn woord.
Zulke redenen noemen we in het gebed niet om God over te halen, maar om onszelf te overtuigen. — Thomas Manton.
Vers 25
Het is niet vreemd dat het gevoel en de ervaring van een kind van God steeds wisselen. Nu staat hij hoog op de berg, dicht bij God, in gemeenschap met Hem. Dan weer zit hij in het diepe, donkere dal. Iedereen kent die schommelingen min of meer, met tijden van droefheid én van vreugde. Toen we David voor het laatst achterlieten, wat vertelde hij ons toen over zijn ervaring? Dat Gods getuigenissen zijn vermaak en zijn raadslieden waren.
Maar nu klinkt het heel anders! Alle blijdschap is verdonkerd en zijn ziel kleeft aan het stof. Er moeten tijden van diepe neerslachtigheid en moedeloosheid in Davids hart zijn geweest. Hij was een vluchteling en zwerver, ver van huis, opgejaagd als een patrijs in de bergen, en zoals hij zelf zegt: hij droeg zijn leven voortdurend in zijn handen. Toch zie ik in dit deel van de psalm het bewijs van een diepere vernedering en droefheid van hart dan welk louter aards lijden ook kan veroorzaken. Hij had inderdaad gezegd: “Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen.” Maar zelfs op dat moment van zwak en mopperend geloof wist hij dat hij Gods gezalfde was, bestemd voor de troon van Israël.
Hier echter zie ik een aanwijzing van zonde, van zware zonde die zijn ziel diep in het stof had gegooid. En ik denk dat het verzoek in Ps. 119:29 laat zien welke zonde dat was: “Wend van mij den weg der valsheid.” Had David dan ooit gelogen, vraag je je misschien verbaasd af? Was hij ooit afgeweken van het rechte en eervolle pad van de waarheid? Ik vrees dat we moeten toegeven dat hij eens zó dicht bij de grens van een leugen kwam, dat iedereen die de psalmist tegen die beschuldiging wil verdedigen een slecht casuïst zou zijn en een nog slechtere zedenleraar.
Lees 1 Sam. 27 maar. Je ziet dan in wat voor droevig web van dubbelzinnigheid en bedrog David helaas werd meegesleept. Zijn ziel mocht wel aan het stof kleven toen hij op dat tijdperk van zijn loopbaan terugkeek. De genade deed voor hem wat ze later voor Petrus deed: hij werd als een vuurbrand uit het vuur gerukt. Toch kun je je goed voorstellen dat hij weende, en wel bitterlijk, toen hij eraan terugdacht, net als de apostel later. — Barton Bouchier.
Wenken voor predikers
Schetsen over de sleutelwoorden van deze psalm, van ds. C. A. Davis.
Verzen 25-32
Levendmaking. Daarom wordt gebeden, met belijdenis erbij (Ps. 119:25-26). Heeft David haar ontvangen, dan zal hij erover spreken (Ps. 119:27). Hij verlangt ernaar vanwege kracht (Ps. 119:28), vanwege waarachtigheid (Ps. 119:29-31) en vanwege werkzaamheid (Ps. 119:32).
Wenken voor predikers
Vers 25
- De natuur en haar neiging.
- De genade en haar manier van werken.
- Beide waarheden toegepast op onszelf.
Vers 25
“Maak mij”, enz.
- We hebben veel redenen om levendmaking te zoeken.
(a) De verdovende invloed van de wereld. “Mijn ziel kleeft”, enz.
(b) De invloed van de ijdelheid (zie Ps. 119:37).
(c) Het feit dat we omringd zijn door bedriegers (zie Ps. 119:87-88).
(d) Het effect dat tijden van verdrukking op ons hebben (zie Ps. 119:107).
- Enkele beweegredenen om levendmaking te zoeken.
(a) Wat je bent: een christen. Leven zoekt meer leven.
(b) Wat je behoort te zijn.
(c) Wat we zullen zijn.
(d) Om te kunnen gehoorzamen (zie Ps. 119:88).
(e) Voor je troost (Ps. 119:107; Ps. 119:50).
(f) Als beste bescherming tegen de aanvallen van vijanden (Ps. 119:87-88).
(g) Om ons geheugen op te frissen (Ps. 119:93).
(h) Als beweegreden om deze levendmaking te zoeken: bedenk de vreselijke gevolgen als het geestelijk leven verdwijnt, met andere woorden: als het in zijn openbare werking ontbreekt.
- Enkele manieren waarop de levendmaking tot ons kan komen.
(a) Ze moet van de Heere Zelf komen. “HEERE! maak mij levend.”
(b) Doordat de ogen worden afgewend (Ps. 119:37).
(c) Door het woord (Ps. 119:50).
(d) Door de bevelen (Ps. 119:93).
(e) Door verdrukking (Ps. 119:107).
(f) Door goddelijke vertroostingen.
- Vraag jezelf af waar onze pleitgronden liggen als we bij God komen om levendmaking te vragen.
(a) Onze nood (Ps. 119:107, enz.).
(b) Ons ernstige verlangen (Ps. 119:40).
(c) Een beroep op Gods rechtvaardigheid (Ps. 119:40).
(d) Een beroep op Zijn goedertierenheid (Ps. 119:88; Ps. 119:149; Ps. 119:156).
(e) De pleitgrond uit onze tekst: “naar Uw woord” (Ps. 119:28; Ps. 119:107). Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1350: “Enlivening and Invigorating.”
Uitleg
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld.” Openlijk belijden is goed voor de ziel. Een eerlijke erkenning van het kwaad dat onze droefheid en loomheid veroorzaakte, geeft een mens meer lucht en nieuw leven dan wat ook. Wie zo spreekt, laat zien dat hij zijn eigen toestand kent en dat hoogmoed hem niet langer verblindt. We belijden niet om God onze zonden te laten ontdekken. We belijden om ze zelf te ontdekken. “En Gij hebt mij verhoord.” Zijn belijdenis werd aangenomen. Hij had zich niet tevergeefs ingespannen, want God was dicht bij hem gekomen. Laten we nooit van een plicht weglopen voordat die is aangenomen. Wie berouwvol belijdt, krijgt vergeving. David voelde dat hij die had ontvangen. Het is Gods manier: Hij vergeeft ons zondige pad als we het kwaad van harte belijden.
“Leer mij Uw inzettingen.” David treurt oprecht over zijn schuld en heeft volledige vergeving ontvangen. Nu wil hij niet opnieuw tegen God zondigen. Daarom smeekt hij om onderwijs in gehoorzaamheid. Uit onwetendheid wil hij niet meer zondigen. Hij wil Gods hele gezindheid leren kennen, bij de beste Leermeester die er is. Hij hunkert naar heiligheid. Wie gerechtvaardigd is, wil altijd ook geheiligd worden. Vergeeft God onze zonden, dan zijn we juist banger om weer te zondigen. Barmhartigheid die overtredingen vergeeft, maakt ons hongerig naar genade die overtredingen voorkomt. Heeft God ons al veel gegeven, dan mogen we vrijmoedig om meer vragen.
Wie de vlek van vroeger heeft weggewassen, zal ons ook niet weigeren wat ons beschermt tegen nieuw vuil, nu en straks. De vraag om onderwijs komt vaak voor in deze psalm. In Ps. 119:12 volgde ze op een blik op God, hier volgt ze op een blik op onszelf. Iedere ervaring zou ons op die manier bij God moeten laten pleiten.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld”, enz. In dit vers staat een gebed met een reden. Het gaat zo: Heere, ik heb U al zo vaak mijn hele leven voorgelegd: mijn dwalingen, mijn tekorten, mijn twijfels, mijn verdriet. Ik hield niets voor U achter. En steeds hebt U mij verhoord, precies naar mijn nood. Daarom smeek ik U nu: leer mij! Laat Uw licht over mij schijnen, zodat ik Uw inzettingen ken en genade krijg om ze te volgen. Zo kun je goed met de Heere praten: ik heb veel barmhartigheid en veel gunstige antwoorden van U gekregen, dus geef mij nog meer, Heere.
Want Hij blijft hen liefhebben die Hij liefheeft, tot het einde toe. Waar Hij met barmhartigheid begint, stopt Hij pas als Hij Zijn kinderen met barmhartigheid heeft gekroond. En de Heere is zó genadig dat het Hem eer geeft, telkens wanneer wij Hem loven omdat we bij Hem troost vonden en daarom nog meer komen halen.
Let verder op hoe hij het zegt: “Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord.” Twee dingen gaan hier samen: Waarheid en Barmhartigheid. De waarheid zit in het hart van de mens die belijdt. De barmhartigheid zit in God, Die luistert en vergeeft. Gelukkig is de ziel waarin die twee elkaar ontmoeten! Veel mensen missen deze troost. Ze kunnen niet zeggen: God heeft mij verhoord. Dat komt omdat ze niet vlak en eerlijk met de Heere omgaan wanneer ze Hem hun wegen vertellen. — William Cowper.
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld.” In Ps. 119:59 staat dat hij zijn wegen overdenkt. Hij kijkt dan naar zijn innerlijke tekorten en naar de plaatsen waar hij is afgeweken van Gods rechte, effen wegen. Hier schaamt hij zich er niet voor om ze te vertellen. Hij erkent en belijdt dat hij dit alles over zich heeft afgeroepen omdat hij Gods wil vergat te doen. Zie ook het verband met het vorige vers: mijn ziel kleefde aan het stof, omdat ik niet aan U kleefde. — Richard Greenham.
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld.” Het Hebreeuwse sipparti betekent letterlijk: “ik heb mijn wegen herdacht”. Ik heb ze nagespeurd en doorgrond. Dat hij vurig om vergeving had gebeden voor wat daarin fout was, zien we aan wat erop volgt: “Gij hebt mij verhoord.” — Adam Clarke.
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld”, enz. Wie U hebt verhoord toen hij nederig zijn zonden beleed, aan hem moet U Uw inzettingen leren. De heiligen leggen voor God open wat ze bij zichzelf ontdekken, het goede én het kwade, en zoeken verlossing, voorziening, kracht en leiding. Zo vertellen zieken hun arts wat ze goeds en wat ze minder goeds aan zichzelf merken. Of zo leggen cliënten hun zaak helemaal bloot bij hun advocaat.
“Verteld.” Het is alsof hij ze uit een boek voorlas. De heiligen kennen hun wegen. Wie licht bij zich heeft, ziet het pad en kan er alles over zeggen. Een ander zit in het donker en weet van niets. De één houdt zijn koers in de gaten, de ander niet.
“Gij hebt mij verhoord.” Gods goedheid blijkt hieruit dat Hij luistert naar wat wij Hem voorleggen. Laat een hooggeplaatst man een arme rustig zijn hele verhaal doen? Dan noemen we dat een eervol staaltje van geduld. Maar God luistert naar onze nood, en dat is Zijn heerlijkheid. Hij hoort hoe zwak we zijn door de zonde, hoe onoverwinnelijk onze kwalen zijn, en dat we zelfs niet in staat zijn om uit onszelf om gehoor te vragen. Zo’n houding zou ons de gunst van mensen kosten. Maar bij God wint ze juist gunst. Hoe nederiger en eerlijker we al onze nood belijden, hoe zekerder we kunnen zijn dat God naar ons luistert.
Hij onderwijst de nederigen, want een nederige leerling geeft zijn meester de eer voor wat hij leert. Ik heb (zei ik tegen mezelf) mijn wegen verteld, en “Gij hebt mijn persoonlijke belijdenis gehoord.” Ik heb aan anderen verteld welke weg ik ga, en “Gij hebt mij verhoord” toen ik zo sprak. Leer mij dus, want wat ik ontvang, geef ik door. Dit is een pleitgrond die voortkomt uit zijn ijver om te leren, en uit de manier waarop hij had gebruikt wat hij geleerd had. Godvruchtige mensen steken elkaar aan, zoals kaarsen elkaar aansteken. — Paul Bayne.
Vers 26
“Ik heb U mijn wegen verteld.” Wie voorspoed bij God wil hebben, moet dit stuk christelijke oprechtheid leren: Hem zonder omhaal zijn héle zaak voorleggen. Dat betekent: vertellen waar je mee bezig bent en hoe je zaken ervoor staan. Je zegt hoe het in je hart is en wat je aan goeds en aan kwaads in jezelf vindt. Je noemt je strijd, je voorziening, je nood en je hoop. Dat is “je wegen vertellen”: het goede en het kwade dat je bewust is. Een zieke vertelt zijn arts hoe het met hem gaat.
Zo moeten wij met God omgaan als we barmhartigheid willen vinden. We kunnen dit vertellen van zijn wegen bekijken:
- Als een daad van geloof en afhankelijkheid.
- Als een daad van heilige vriendschap.
- Als een daad van geestelijke verbrijzeling en gebrokenheid van hart.
Dit vertellen moeten we namelijk verklaren vanuit wat David met “mijn wegen” bedoelde.
Allereerst kunnen met zijn “wegen” zijn bezigheden en plannen bedoeld zijn. Dan zegt hij eigenlijk: telkens heb ik ze U voorgelegd en overgegeven aan de leiding van Uw voorzienigheid. Zo is het een daad van geloof en afhankelijkheid. Je vraagt God om raad en laat Hem al je wensen weten.
Ten tweede kunnen met “wegen” al zijn nood, pijn en gevaar bedoeld zijn. Dan wordt dit vertellen een daad van heilige vriendschap. Een mens gaat naar God zoals een vriend naar een vriend. Hij legt Hem zijn hele situatie voor en spreidt zijn toestand voor de Heere uit, in de hoop op mededogen en hulp.
Ten derde kan hij met “wegen” verzoekingen en zonden bedoelen. Dan is dit vertellen een daad van geestelijke verbrijzeling, of gebrokenheid van hart. Onze zonden zijn eigenlijk onze wegen, zoals in Ezech. 18:25. — Thomas Manton.
Verzen 26-30
“Den weg Uwer bevelen.” “Mijn wegen.” “Den weg der valsheid.” “Den weg der waarheid.” Let hier op twee tegenstellingen. Daarin leert de profeet ons wat we in ons leven en in onze leer moeten vermijden, en wat we moeten omarmen. De eerste tegenstelling gaat over het christelijk leven. Tegenover zijn eigen wegen zet de profeet de weg van Gods geboden, Ps. 119:26-27. Zijn eigen wegen, zegt hij, hebben hem tot in het stof gedrukt en zwaar benauwd. De weg van Gods geboden heeft hem juist weer overeind geholpen. Met zijn eigen wegen doelt hij op een verdorven natuur, vleselijke begeerte en een vleselijke gezindheid.
Die is vijandschap tegen God, Rom. 8:7. Met de wegen van de HEERE doelt hij op Gods wil, zoals het Woord die uitspreekt. Het is dus leeg gepraat wanneer de papisten stoer beweren dat wedergeborenen volmaakt gehoorzaam zijn. David wist zeker dat hij vernieuwd was. Toch klaagt hij bitter en onder veel tranen. Zijn ziel was door het ondraaglijke gewicht van zonden tot in het stof van de dood neergedrukt, en bijna stikte ze. Maar God had zijn gebeden gehoord en hem teruggebracht op de weg van Zijn geboden. Hieruit trekken we nog een conclusie: alle heiligen beleven in dit leven de worsteling en strijd tussen vlees en geest.
Daarom hebben ze voortdurend reden tot droefheid, omdat hun vlees hen van de weg van de HEERE aftrekt naar de zijpaden van de zonde. Paulus roept het uit: “Ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, enz. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Rom. 7:23-24.
De tweede tegenstelling gaat over de leer. Tegenover de weg van de waarheid zet David de weg van de valsheid. Daaruit leren we dat we valse leer ver moeten houden en ons stevig moeten vastklampen aan de goddelijke waarheid. Dat sluit aan bij Paulus’ vermaning in Ef. 4:25: “Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste.” Nog iets anders leren we, wanneer we onze eigen wegen haten. Dat betekent: we belijden onze zonden aan de Heere en vragen om vergeving, vertrouwend op de Middelaar. God pleegt dan te horen en onze zonden genadig te vergeven. Zo staat het in 1 Joh. 1:9: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.” — Solomon Gesner.
Vers 26
“Gij hebt mij verhoord.” Gebeden die God eerder heeft verhoord, moeten ons aanmoedigen om met nog meer vrijmoedigheid naar de troon van de genade te gaan. Jakob vergat nooit de nacht die hij in Bethel doorbracht. — William S. Plumer.
Vers 26
“Leer mij Uw inzettingen.” Dat dit steeds terugkomt in de psalm, wijst op vijf dingen:
- Hoe noodzakelijk deze kennis is.
- Hoe sterk hij verlangde om haar te krijgen.
- Dat zulke herhalingen niet overbodig zijn als ze uit een gezond hart komen, uit een vurig verlangen en uit het besef hoe nodig is wat je bidt.
- Dat wie het meeste licht hebben, nog weinig hebben vergeleken bij wat ze zouden moeten hebben.
- Zoals hebzuchtige mensen denken dat ze nooit genoeg goud hebben, zo moeten christenen denken dat ze nooit genoeg kennis hebben. — Richard Greenham.
Vers 26
“Leer mij.” Het onderwijs kunnen we nooit missen, zelfs niet op hoge leeftijd. Als de Geest van God ons niet leert, leren we tevergeefs. — Martin Geier.
Verzen 26, 27
In deze verzen klinkt Davids vurige wens om de vertrouwelijke omgang met zijn God te laten voortduren. Hij vraagt daarvoor niet om gezichten of stemmen uit de hemel. Hij wil het gewone middel: het Woord en de Geest. “Leer mij Uw inzettingen”, dat wil zeggen: “Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan.” Hij weet nu dat God het verhaal over zijn wegen heeft gehoord. Toch vraagt hij niet: Heere, zeg mij wat mijn lot zal zijn en laat mij weten hoe het afloopt. Hij vraagt: Heere, zeg mij wat mijn plicht is. Laat mij weten wat U van mij wilt, nu de zaken zo staan.
Merk dit op: wie God erkennen in al hun wegen, mogen met geloof vragen dat Hij hun voeten op het rechte pad zet. En onze gemeenschap met God houden we het zekerst levend door Zijn inzettingen te leren en ijverig de weg van Zijn bevelen te gaan. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 26
Belijdenis. Vrijspraak. Onderwijs.
Vers 26
- De plicht: “Ik heb U mijn wegen verteld”, dat wil zeggen: ik heb anderen laten weten wat ik van Uw woord heb ervaren.
- God merkt dat op: “Gij hebt mij verhoord.”
- De beloning ervan: er zal meer kennis komen. “Leer mij”, enz. — G.R.
Uitleg
Vers 27
“Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan.” Geef mij een diep inzicht in wat Uw woord in de praktijk betekent. Laat mij helder zien welke toon en strekking Uw wet heeft. Blind gehoorzamen heeft weinig schoonheid. God wil dat we Hem volgen met open ogen. Wie alleen de letter van het woord opvolgt, bereikt het hoogste wat een onwetende kan hopen. Willen we Gods bevelen houden zoals ze bedoeld zijn, dan moeten we ze gaan begrijpen. Dat begrip komt nergens vandaan dan uit de hand van de HEERE. Ons verstand heeft licht en leiding nodig.
Wie ons verstand heeft gemaakt, moet het ons ook laten gebruiken. De vorige zin was: “Leer mij Uw inzettingen”. De woorden “geef mij … te verstaan” vullen die zin leerzaam aan en verklaren hem. We moeten zó onderwezen worden dat we ook begrijpen wat we leren. De psalmist vraagt overigens niet om de profetieën te begrijpen, maar om de bevelen. Spitsvondigheden over de wet interesseren hem niet. Hij gaat het om haar gewone, dagelijkse regels, die hier “de weg Uwer bevelen” heten. “Opdat ik Uw wonderen betrachte” (Engels: zo zal ik spreken van Uw wonderwerken). Over wat je niet begrijpt, praat je slecht.
We moeten door God worden onderwezen tot we begrijpen. Dan mogen we hopen dat we onze kennis aan anderen kunnen doorgeven, en dat het hen goed doet. Praten zonder inzicht is gewoon praten, en dus ijdel. Maar de woorden van wie onderwezen is, zijn als parels aan de oren van wie ze horen. Is ons hart opengegaan om te verstaan, dan moeten ook onze lippen opengaan om kennis te delen. En we mogen zelf onderwezen worden als we merken dat we graag de weg van de HEERE willen leren aan onze huisgenoten.
“Uw wonderen.” Merk op: ook het helderste inzicht maakt ons niet uitgekeken op Gods wegen en werken. Het is juist andersom. Hoe meer we weten van wat God doet, hoe meer we het bewonderen, en hoe liever we erover praten. De helft van alle verwondering in de wereld komt voort uit onwetendheid. Maar heilige verwondering is het kind van inzicht. Wie de weg van Gods bevelen begrijpt, praat nooit over zijn eigen werken. De tong heeft nu eenmaal iets nodig om over te spreken. Daarom begint zo iemand de werken van de volmaakte Heere te verheffen.
Sommigen vertalen op deze plaats “overpeinzen” of “mijmeren” in plaats van “spreken”. Het is opvallend hoe dicht die twee bij elkaar liggen, en dat is ook terecht, want alleen dwazen praten zonder na te denken. Lezen we de tekst zo, dan zegt David eigenlijk: hoe beter ik Gods woord versta, hoe meer ik erover zal nadenken. Zo gaat het meestal. Zorgeloze mensen willen niets weten van de diepere, innerlijke betekenis van de Schrift en laten haar liggen. Maar wie haar het beste kennen, zijn juist de mensen die steeds vertrouwder met haar willen worden. Daarom verdiepen ze zich mijmerend in haar, dag na dag, met de stille vreugde van wie er nooit mee klaar is.
Vergelijk dit met het derde vers van de vorige strofe (vers 19), en je ziet hoe nauw de gedachte verwant is. Daar was hij een vreemdeling op aarde, en hier vraagt hij om zijn weg te mogen kennen. Daar bad hij ook dat het woord niet voor hemzelf verborgen zou blijven. Hier belooft hij dat hij het niet voor anderen zal verbergen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 27
“Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan.” Blind zijn van nature is een taaie ziekte, en ze is moeilijk te genezen. Daarom moeten we telkens opnieuw bidden: “Ontdek mijn ogen”, “Leer mij Uw inzettingen”, “Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan.” Onze onwetendheid is groot, ook als ze voor een deel is genezen. Wolken van verzoeking en vleselijke begeerte brengen haar bij ons terug, zodat we niet meer weten wat we wel wisten. Daarom roept hij: “Ontdek mijn ogen”, “geef mij … te verstaan.” Sterker nog: hoe meer we weten, hoe meer onze onwetendheid aan het licht komt.
“Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand; en ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend” (Spr. 30:2-3). “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5-6). Wat baat een armzalige kennis van horen zeggen? Mensen gaan zichzelf verfoeien zodra ze beter kennismaken. Niemand is zo zelfverzekerd als een jonge belijder die een paar waarheden kent, maar dan zwak en onvolledig. Weten we echt steeds meer, dan merken we ook steeds sterker hoe onwetend we zijn.
En we zien hoe makkelijk we de een of andere vergissing begaan. Zo erg zelfs dat we onszelf geen uur durven vertrouwen. — Thomas Manton.
Vers 27
“Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte” (Engels: zo zal ik spreken). Spreken over Gods “wonderen” gaat ons veel mooier af, als we weten wat Zijn bevelen vragen en als we die weg ook echt lopen. Dat geldt voor de wonderen van Zijn voorzienigheid en nog méér voor de wonderen van Zijn verlossende liefde. — Matthew Henry.
Vers 27
“Den weg Uwer bevelen.” David vraagt God om een juist en gezond inzicht. Hij noemt vier manieren waarop dat kan komen: door Gods Geest, door Zijn dienaren, door verdrukking en door studie en inspanning. Hij wil niet alleen Gods inzettingen kennen, maar ook de weg van die inzettingen.
Hoe kan hij leven, in welke volgorde, en hoe richt hij zijn leven in naar wat God hem in Zijn wet heeft opgedragen? Wie zichzelf overschat in eigen wijsheid, kan dit niet. Hij leert hieruit hoe moeilijk het is om Gods wil te kennen, zolang God hem die niet Zelf bekendmaakt. — Richard Greenham.
Vers 27
“Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte” (Engels: zo zal ik spreken van Uw wonderwerken). Wie vervuld is van de wonderlijke dingen in Gods woord, zal er voortdurend over spreken. 1. Het zal zo gaan. 2. Zo hoort het ook te gaan.
- Zo zal het gaan. Een diep geraakt hart laat de tong niet zwijgen. De mond loopt over van wat het hart vervult: “want uit den overvloed des harten spreekt de mond.” Midden in hun verdrukkingen worden de heiligen soms verkwikt en opgebeurd. Dan zijn ze zo vol van Gods voortreffelijkheid dat ze erover móéten praten. “Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft” (Ps. 66:16). Zo riep de vrouw die de verloren penning had teruggevonden, haar buurvrouwen erbij om samen te vieren. Wie maar een koele kennis heeft, loopt niet over van goede gesprekken.
- Zo hoort het te gaan, om drie redenen: tot eer van God, tot opbouw van anderen en tot ons eigen nut.
(a) Tot eer van God. We zijn Hem zoveel verschuldigd. Daarom laten we Hem bij onze omgeving in aanzien komen. Ervaring verdient lof. Heb je de Messias gevonden? Roep dan een ander naar Hem toe: Andreas vond zijn broeder Simon “en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias”. En “Filippus vond Nathanaël en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth” (Joh. 1:42-46).
(b) Tot opbouw van anderen: “En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders” (Luk. 22:32). Echte genade deelt zich mee, zoals vuur dat doet, enz.
(c) Tot ons eigen nut. Wie zijn kennis gebruikt, krijgt er meer bij. Volle borsten daarentegen drogen op als er niet aan wordt gezogen. Bij het uitdelen groeiden de broden. Alle gaven worden door oefening groter, en dat geldt nog sterker voor de geestelijke, want die zijn de beste. — Thomas Manton.
Vers 27
“Opdat ik Uw wonderen betrachte”, enz. We moeten niet naar kennis verlangen om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, niet om te pronken en niet voor wereldse winst. Het gaat erom dat we onszelf en anderen opbouwen in wijsheid. “Uw wonderen.” Gods werken in de schepping, in de verlossing en in de voorzienigheid gaan ons verstand te boven. Dat geldt voor wat de Schrift erover vertelt en ook voor wat we zelf hebben meegemaakt. Wie goed kijkt, kan alleen maar bewondering voelen. — David Dickson.
Vers 27
“Opdat ik Uw wonderen betrachte.” Veel christenen zeggen dat ze zich beperkt voelen als ze over het geloof praten. Ze kunnen vaak niet spreken “tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen”, Ef. 4:29. Hier staat het geheim. Het beschermt ons ook tegen het gevaar dat we praten over waarheden die we zelf niet ervaren. “Want uit den overvloed des harten spreekt de mond”, Matth. 12:34. Laat je hart dus onderzoeken, reinigen en vullen met de genaden van de Geest. Zo komt er licht in je verstand, wordt je hart geraakt, gaan je lippen open en staat alles wat je bent in dienst van God en Zijn lof. Nederigheid, leerzaamheid en eenvoud brengen dat tot stand. — Charles Bridges.
Vers 27
“Opdat ik Uw wonderen betrachte.” Alles wat bij de godsdienst hoort, hangt nauw met elkaar samen. Eén en hetzelfde Hebreeuwse woord kan bidden betekenen, maar ook overpeinzen of spreken van. Eerst denken we aan Gods grote majesteit. Dan roepen we Hem in nederig gebed aan. Daarna lezen en overdenken we Zijn woord, tot onze zielen overstromen van blijdschap en verwondering. Wat blijft er dan anders over dan te spreken van Zijn wonderen? — William S. Plumer.
Wenken voor predikers
Vers 27
- Het gebed van een student.
- Het gaat over het hoofdonderwerp van het gesprek waarmee die student bezig zal zijn: “den weg Uwer bevelen.”
- Er zit een belijdenis in verborgen: “Geef mij … te verstaan”, enz.
- Er wordt een grote weldaad gevraagd: dat hij Uw inzettingen verstaat en kent.
- Hij wendt zich tot de Fontein van alle wijsheid.
- De bezigheid van iemand die onderwezen is.
- Hij getuigt van Gods werken: van Zijn wonderen. Van Christus’ werk voor ons, van het werk van de Heilige Geest in ons. Het wonderbaarlijke van deze werken van God is een wijd veld voor godvruchtige studie.
- Hij spreekt heel duidelijk: “opdat ik Uw wonderen betrachte” (Engels: zo zal ik spreken van Uw wonderen), enz.
- Hij zal vaak spreken: “betrachte” (Engels: ik zal spreken).
- Hij spreekt ter zake (Engels: so, ‘zo’), dat wil zeggen: naar inzicht.
- De innige band tussen het gebed van de student en de weg die hij daarna volgt. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1344: “The Student’s Prayer.”
Vers 27
Opleiding voor de bediening.
- De student op de academie: “Geef mij … te verstaan.” Zijn les. Zijn leermeester. Zijn toepassing.
- De predikant aan het werk: “opdat ik Uw wonderen betrachte” (Engels: zo zal ik spreken), enz. Zijn bekwaamheid. Zijn onderwerp. Zijn manier. — C.A.D.
Uitleg
Vers 28
“Mijn ziel druipt weg van treurigheid.” Hij verging in tranen. Zijn stevige lichaamskracht werd vloeibaar, alsof ze smolt in de ovenhitte van zijn verdrukkingen. Zwaarmoedigheid is dodelijk. Groeit ze, dan maakt ze van het leven een lange doodsstrijd, waarin een mens wegzakt in eindeloos druipend verdriet. Tranen zijn de destillatie van het hart. Wie huilt, laat zijn ziel wegvloeien. Sommigen van ons kennen die diepe zwaarmoedigheid. Telkens opnieuw overweldigde ze ons. Vaak voelden we ons uitgegoten als water, zoals water dat op de grond is gemorst en dat nooit meer wordt opgeraapt. Eén ding is goed aan zo’n neerslachtige toestand, en dat mogen we niet vergeten. Het is beter om door droefheid te smelten dan om door een onboetvaardig hart steeds harder te worden, ook al doet het smelten pijn.
“Richt mij op naar Uw woord” (Engels: sterk mij naar Uw woord). Hij had een oude belofte gevonden: de heiligen worden gesterkt. Daar beroept hij zich nu op. In zijn neerslachtigheid zoekt hij zijn hoop niet bij zichzelf, maar bij zijn God. Krijgt hij kracht van boven, dan schudt hij zijn zwaarmoedigheid nog wel van zich af en stijgt hij weer op naar vreugde. Kijk hoe hij de belofte van het woord aanhoudt. Meer vraagt hij niet dan dat de barmhartige Heere met hem omgaat op de manier die de Schrift beschrijft. Had Hanna niet gezongen: “… en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen”?
God sterkt ons door genade in ons te storten via Zijn woord. Het woord dat schept, kan ook zeker ondersteunen. Genade maakt ons sterk genoeg om de voortdurende kwelling van aanhoudend verdriet te dragen. Ze herstelt de schade van al dat druipen van tranen. En in plaats van een bedrukte geest geeft ze de gelovige het kleed van de lof. Neem in neerslachtige tijden altijd je toevlucht tot gebed, want dat is de zekerste en de kortste weg uit de diepte. En beroep je in dat gebed alleen op het woord van God. Geen pleitgrond is zo sterk als een belofte, geen argument zo sterk als een woord van onze Verbondsgod.
Kijk hoe David de gang van zijn innerlijke ziel bijhoudt. In Ps. 119:20 zegt hij: “Mijn ziel is verbroken”. In Ps. 119:25: “Mijn ziel kleeft aan het stof”, en hier: “Mijn ziel druipt.” Even verderop roept hij in Ps. 119:81: “Mijn ziel is bezweken”. In Ps. 119:109 zegt hij: “Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand”. In Ps. 119:167: “Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen”. En ten slotte, in Ps. 119:175: “Laat mijn ziel leven.” Er zijn mensen die niet eens weten dat ze een ziel hebben. David is hier helemaal ziel. Wat een kloof ligt er tussen wie geestelijk leeft en wie geestelijk dood is!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 28
“Mijn ziel druipt weg van treurigheid.” In de grondtekst staat een woord voor “wegdruipen”. De Septuagint vertaalt: “Mijn ziel sliep in van vermoeidheid.” Dat is waarschijnlijk een fout van de afschrijvers, die het ene woord voor het andere zetten. “Mijn ziel druipt.” Er kunnen twee dingen mee bedoeld zijn. (1) De overvloed van zijn tranen, zoals het woord elders in de Schrift wordt gebruikt: “Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God” (Job 16:20). Het is hetzelfde woord, en het wijst op zijn diepe smart en op wat hij van zijn toestand voelt.
Dezelfde toespeling zien we in Joz. 7:5: “Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water.” Of (2) het wegkwijnen onder de allergrootste smart. Vet wordt minder als het druipt. Zo droop zijn ziel als het ware weg. Zo’n uitdrukking gebruikt Ps. 107:26: “Hun ziel versmelt van angst.” En over Jezus Christus, Wiens kracht door de omvang van Zijn smarten was opgebruikt, staat in Ps. 22:15: “Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.” Of het nu om het druipen van tranen gaat of om het smelten van vet, in beide gevallen wijst het op hevige smart en een gebroken hart.
Eén ding staat vast: zijn ziel smolt letterlijk weg. Zonder Gods hulp hield hij het niet langer uit. — Thomas Manton.
Vers 28
“Mijn ziel druipt.” De oudste vertalingen laten het “sluimeren” betekenen (LXX enustayen, Vulg. dormitavit). Dan zou de zinsnede opmerkelijk samenvallen met Luk. 22:45. — Joseph Addison Alexander.
Vers 28
“Treurigheid.” Een natuurlijk mens heeft alles wat hem kan troosten, en David had dat ook. Toch beschermde dat alles hem niet tegen de zwaarmoedigheid waaraan, zoals de heilige Petrus getuigt, Gods kinderen in dit leven onderhevig zijn door hun velerlei verzoekingen. Mensen van de wereld staan zo ver van deze gesteldheid af dat ze, zolang ze gezond en welvarend zijn, zich verbazen waarover een mens bedrukt kan raken. Ze weten niet wat een gevoelig geweten doormaakt. Ze kennen de tekorten van het geestelijk leven niet en worden er ook niet door bedroefd. Ze zijn dood in de zonde en voelen niet dat ze leven missen.
Al hun zorg is eten, drinken en vrolijk zijn. Maar wat zijn ze ellendig! In hun beste toestand lijken ze op ossen die vetgemest worden voor de slacht. Wee wie nu lachen, want zij zullen eens treuren en klagen. Maar gelukkig zijn zij die nu treuren, want zij zullen getroost worden. — William Cowper.
Vers 28
“Richt mij op naar Uw woord.” Geef mij kracht om mijn plichten trouw te doen, om verzoekingen te weerstaan en om de lasten van een bedrukte toestand te dragen, zodat mijn geest niet bezwijkt. — Matthew Henry.
Vers 28
“Richt mij op naar Uw woord.” Welk woord is het waar David zich op beroept? “En uw sterkte gelijk uw dagen!”, Deut. 33:25. “Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan” (Engels: maar Hij zou kracht in mij leggen), Job 23:6. — Charles Bridges.
Vers 28
“Richt mij.” Gesenius vertaalt dit met: “Houd mij in leven.” Dan komt het woord in dit vers overeen met het woord in het eerste vers. Dit gebed om nieuwe kracht, of nieuw leven, is een smeekbede: laat het levendmakende woord herstellen wat de tranen aan levenskracht hebben weggenomen. — Frederick G. Marchant.
Wenken voor predikers
Vers 28
Droefheid: waar komt ze vandaan, welke vloek rust erop en hoe wordt ze genezen?
Uitleg
Vers 29
“Wend van mij den weg der valsheid.” Dat is de weg van de zonde, van dwaling, afgoderij, dwaasheid, eigengerechtigheid, formalisme en huichelarij. David wil niet alleen dat hij niet op die weg terechtkomt. Hij wil dat de weg ver van hem af blijft. Hij kan het niet verdragen dat die weg in zijn buurt is. Hij wil haar helemaal uit zijn gezicht hebben. Hij wilde recht en oprecht zijn, echt en volledig in de waarheid, zonder enige schijn of dubbelheid. Maar hij was bang dat er toch nog iets onechts aan hem bleef kleven als de Heere dat niet wegnam. Daarom riep hij vurig om de verwijdering ervan.
Soms leiden verkeerde beweegredenen ons, en kunnen we verkeerd gaan denken over onze eigen geestelijke toestand voor God. Zulke dwalende ideeën blijven hangen door een natuurlijke voorkeur voor onszelf. Zo raken we vast in een misleiding en blijven we dwalen, tenzij de genade ons te hulp komt. Een oprecht hart kan geen rust vinden in een verkeerd beeld van zichzelf. Het vindt geen houvast. Het slingert heen en weer totdat de waarheid in het hart is gekomen en het hart in de waarheid. Een echt kind van de hemel zucht en roept tegen een leugen. Het wil haar kwijt zijn, zoals iemand wil dat een giftige slang of een razende leeuw op afstand wordt gehouden.
“En verleen mij genadiglijk Uw wet.” Wie zo bidt, leeft al in een staat van genade, want hij beschouwt zelfs de wet als een geschenk. David wil dat de wet voor zijn verstand opengaat, dat ze in zijn hart wordt gegrift en dat ze in zijn leven vorm krijgt. Daarom zoekt hij de Heere en vraagt hij haar als een gave van genade. Voor hem was dit ongetwijfeld de enige uitweg uit de greep van bedrog. Staat de wet niet in ons hart, dan sluipt de leugen naar binnen. Het lijkt of David terugdenkt aan momenten waarop hij, zoals in het Oosten gebruikelijk was, had gelogen om zichzelf te redden.
Hij zag dat hij op dat punt zwak was geweest en had gedwaald. Daarom was hij diep gebogen en gaf hij zich over aan zijn schaamte. Hij smeekte om nieuw leven en om bevrijding van zo’n overtreding voor altijd. Heilige mensen kunnen hun zonden niet onder ogen zien zonder tranen in hun ogen te krijgen. En ze huilen er nooit over zonder erbij te smeken dat ze niet verder zondigen.
Valsheid en de genadige kracht van Gods wet staan lijnrecht tegenover elkaar. De leugen verdrijf je maar op één manier: door de waarheid binnen te laten. En genade is duidelijk verwant aan de waarheid. Nauwelijks horen we het woord “genadig”, of we horen de voetstap van de waarheid: “Ik heb verkoren den weg der waarheid.” Genade en waarheid zijn altijd met elkaar verbonden. Wie gelooft wat de leer van de genade zegt, heeft een sterk wapen tegen dodelijke dwaling.
In het vijfde vers van de vorige strofe van acht (Ps. 119:21) roept David tegen hoogmoed, en hier tegen liegen. Dat komt bijna op hetzelfde neer. Is hoogmoed niet de grootste leugen van allemaal?
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 29
Er staat: wend de weg van mij af, en niet: wend mij van de weg af. Dat komt doordat die weg van ongerechtigheid in ons zit. We worden geboren als kinderen van de toorn. De driften die ons van nature zijn meegegeven, lopen uit op het kwade en banen in onze ziel de ellendige weg van misdaden. — Thomas Le Blanc.
Vers 29
“Wend van mij den weg der valsheid.” Hier erkent hij iets. Hij kende de wet van God al goed en wist wat Hij zei, en hij was profeet om anderen te onderwijzen.
Toch was hij blootgesteld aan een hele reeks goddeloze gedachten en inbeeldingen. Die konden hem telkens op slechte wijze van het rechte pad afbrengen, tenzij God hem met Zijn machtige, sterke hand vasthield. Dit verdient hier terecht onze aandacht, want we zien hoe mensen zichzelf bedriegen. Heeft een van ons een goed begin gemaakt? Dan denken we meteen dat we het hoogste hebben bereikt. Zodra Hij ons naar ons gevoel genoeg gunst heeft bewezen, komt het niet meer bij ons op om nog tot God te bidden. Hebben we maar één kleine daad verricht? Dan steken we meteen onszelf de lof toe, bewonderen we onze grote deugden en denken we dat de duivel niets meer van ons kan winnen.
Door die domme aanmatiging laat God ons dwalen. Dan vallen we hard, en breken we armen en benen en lopen we grote kans onze nek te breken. Ik heb het nu niet over ons lichaam, maar over onze ziel. Kijk maar naar David zelf, want hij heeft het aan den lijve ondervonden. Hij dwaalde schandelijk en goddeloos toen hij Bathseba, de vrouw van zijn onderdaan Uria, nam om overspel met haar te plegen. Hij werd de oorzaak van een afschuwelijke moord, ja van vele, want hij deed wat hij kon om het hele leger van de HEERE en het hele volk van Israël ten onder te laten gaan.
Zie dus hoe groot de nalatigheid en zorgeloosheid was waarin David viel. En zie ook waarom hij zegt: “Ach, mijn goede God, ik smeek U mij zo te leiden dat ik de weg der leugen verlaat.” — Johannes Calvijn.
Vers 29
“Valsheid.” Uit angst viel David vaak in deze zonde. Lees 1 Sam. 21:2, 8: daar vertelt hij in alle openheid drie of vier leugens. Zoiets deed hij ook in 1 Sam. 27:8, 10. Dit kwaad herkende hij in zichzelf, en daartegen bidt hij hier. — John Trapp.
Vers 29
“Den weg der valsheid”, enz. Leugenachtige wegen zijn alle wegen buiten de wegen van Gods geboden: ons verstand, ons gevoel, het voorbeeld van anderen, gewoonte, uitkomst en bedrieglijke lusten. Ze fluisteren een mens in dat hij veilig is. Of dat hij er wel spijt van krijgt, maar uiteindelijk niets verliest. Ze beloven gemak en zaligheid en leveren die nooit. Wie God willen gehoorzamen, moeten tegen slechte wegen worden beschermd. Zo heilig zijn we niet dat verzoeking onze genadegaven niets kan doen. Een vuurtje dat net is aangestoken en nog niet goed brandt, kun je met een scheutje water doven.
Zo kan ook onze heiligheid door verzoeking worden gedempt. In onszelf voelen we een neiging naar valse wegen, zoals een kaars die net is uitgeblazen zo weer opvlamt. Daarom schrikken we terug voor de weg van de leugen, zoals verbrande kinderen bang zijn voor vuur. Sommigen houdt God de verzoekingen uit de buurt. Bij anderen maakt Hij het hart afkerig van de zonde, ook als de verzoeking vlakbij is. Eerst moeten we weg van de wegen van de zonde. Dan pas kunnen we de wegen van God gaan. — Paul Bayne.
Vers 29
“Den weg der valsheid.” Het hele leven in de zonde is van begin tot eind een leugen. Het woord “leugen” komt acht keer voor in deze psalm. — William S. Plumer.
Vers 29
“Den weg der valsheid.” Onder “den weg der valsheid” vallen alle dingen in de menselijke natuur die niet met het woord overeenstemmen. Dat kunnen plannen zijn, voornemens van het hart of daden die je kunt zien. Hij heet een leugenachtige weg, omdat onze natuur ons voorspiegelt dat zonde iets goeds oplevert. Dat goede vindt de mens daar nooit. — William Cowper.
Vers 29
“Den weg der valsheid.” De profeet vraagt hier dat God hem vastzet tegen alle verdraaiingen van de leer en alle wanorde in het leven die Satan met zijn slimme, listige werktuigen over de wereld uitzaait. Die heten “den weg der valsheid”, en wel om vier redenen. 1. Satan heeft ze bedacht, de vader van de leugen. 2. Het menselijk vernuft steunt ze, en dat is de voorraadschuur waar leugens worden opgeslagen. 3. Ze lijken te zijn wat ze niet zijn, en dat is precies het wezen van een leugen. 4. Ze staan tegenover God en Zijn waarheid, en juist de waarheid ontmaskert leugens. — Richard Greenham.
Vers 29
“Verleen mij genadiglijk Uw wet.” Hij zet de wet van God tegenover de weg van de leugen. Ten eerste omdat de wet de enige regel is voor alle waarheid, zowel in het geloof als in het gedrag. Alles wat daar niet mee strookt, is slechts een leugen die mensen zal bedriegen. Ten tweede vernietigt de wet alle dwalingen die haar tegenspreken, en zal ze die uiteindelijk volledig vernietigen. De staf van Aäron verslond de staven van de toverkunstenaars. Zo zal het woord, de staf uit de mond van God, uiteindelijk alle onwaarheden verslinden en verteren, welke het ook zijn.
Ten derde zal het met ieder mens gaan volgens het vonnis van dit woord. Het bedriegt niemand. Mensen zullen door ervaring ontdekken dat het waar is: wie loopt op een weg die het woord veroordeelt, krijgt een ellendig einde. En omgekeerd: wie naar deze regel leeft, kan het niet anders dan goed gaan. — William Cowper.
Vers 29
“Verleen mij genadiglijk Uw wet.” David droeg het wetboek altijd bij zich. Elke koning van Israël moest dat namelijk doen, en volgens de rabbijnen moest hij het met zijn eigen hand overschrijven. Maar de bede “verleen mij genadiglijk Uw wet” gaat verder. Hij wil haar niet alleen bij zich hebben, maar óp zich, ingedrukt in zijn hart. Dan heeft hij een hart dat haar wil houden en bewaren. Daarom bidt hij om “de wet”, en hij bidt erom “genadiglijk”: op voorwaarden van genade, alleen uit Uw eigen gunst en welbehagen. Zo zien we hier twee dingen:
- De zonde waartegen hij bidt: “Wend van mij den weg der valsheid.”
- Het goede waarom hij smeekt en vraagt: “Verleen mij genadiglijk Uw wet.” In het eerste deel zie je zijn kwaal: David was verleid tot een leven van liegen. In het tweede deel zie je zijn geneesmiddel: de wet van God. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 29
De weg van de leugen.
- Beschrijf de weg van de leugen. Er zijn verschillende paden, bijvoorbeeld: dwalende opvattingen over de leer, valse gronden van het geloof, losheid in de wandel, terugschrikken voor het kruis van elke dag.
- Laat zien waarom ze zo heet. De beloofde genoegens geeft ze niet. Het beloofde doel bereikt ze niet. Ze loopt dwars door het gebied van de vader van de leugen.
- Let op wat bijzonder is aan het gebed ertegen. David bidt niet: haal mij van haar weg, maar: haal haar van mij weg. Want de weg van de leugen zit in ons.
- Het is God Die ons van de weg van de leugen verlost. — C.A.D.
Verzen 29-30
- De weg van de leugen: ons verlangen dat ze wordt weggenomen, en hoe dat gebed wordt verhoord.
- De weg van de waarheid: onze keuze, en hoe die keuze wordt uitgevoerd.
Uitleg
Vers 30
“Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” David verfoeide de weg van de leugen, en daarom koos hij de weg van de waarheid. Een mens moet het één of het ander kiezen. Neutraal blijven kan hier niet. Niemand komt bij toeval op de goede weg terecht. Je moet haar kiezen en haar blijven kiezen, anders dwaal je er snel van af. Wie God heeft uitverkoren, kiest op Zijn tijd ook Zijn weg. Er is een weg van de waarheid in de leer. Die moeten we kiezen, en we wijzen elke leerstelling af die mensen hebben verzonnen.
Er is een weg van de waarheid in de ceremonies. Die moeten we volgen, en we walgen van alle vormen die afvallige kerken hebben bedacht. En dan is er de praktische weg van de waarheid, de weg van de heiligheid. Die moeten we vasthouden, hoe sterk de verleiding ook is om haar te verlaten. Laat onze keuze gemaakt zijn, en wel onherroepelijk. Laten we elke verleider antwoorden: “Ik heb gekozen, en wat ik gekozen heb, heb ik gekozen.” O HEERE, leid ons door Uw genade om met een gewillig hart te kiezen om Uw wil te doen. Dan zal Uw eeuwige keuze van ons het doel bereiken waarvoor ze bedoeld is.
“Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Wat hij gekozen had, hield hij zich voor ogen en legde hij voor zijn geestesoog. Mensen worden niet heilig door een vluchtig wensje. Er is studie nodig, overweging, overleg en ernstig onderzoek. Anders mis je de weg van de waarheid. Gods geboden moeten we ons voorhouden als het doel waarop we mikken, als het model waarnaar we werken en als de weg waarop we lopen. Schuiven we Gods oordelen naar de achtergrond, dan wijken we er al snel van af.
Ook hier klinkt in de zesde regels van de derde en de vierde strofe van acht dezelfde toon: “want ik heb Uw getuigenissen onderhouden” (Ps. 119:22) en “Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Dit is een gelukkige belijdenis, en het is niet vreemd dat ze wordt herhaald.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 30
“Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” In deze woorden zien we een ziel die genade kent aan het werk. Het is meer dan rustig blijven zitten en het woord aanhoren zonder iets tegen te hebben. Over de meeste luisteraars van het evangelie is alleen dát te zeggen. En juist zij laten zich het snelst inpalmen door valse, makkelijke wegen naar de zaligheid, want ze zijn het eens met alles wat ze horen. De man van God klinkt hoger en geestelijker. Hij gaat in op de keuze zelf.
Hij kiest de weg van de waarheid en kan niet anders dan haar kiezen. Zijn vernieuwde natuur trekt hem die kant op. Het is in feite de uitkomst van alles waarom hij heeft gebeden. En wij? Wat doen wij? De weg van de waarheid is alles wat God heeft geopenbaard over Zijn Zoon Jezus. Wie gewillig is, kiest die weg helemaal: zijn bitterheid, zijn zelfverloochening en zijn troost. Hij kiest een Zaligmaker van de zonde, en ook van de hel. Hij kiest een Zaligmaker Wiens Geest een mens kan leiden van gebedsloosheid naar godzaligheid, van luiheid op zondag naar een heilige viering van die dag, van zelfzucht naar het zoeken van Christus, en van slap, wisselvallig gedrag naar zorgvuldig leven naar de hele wil van de Heere. Zulke mensen komen graag samen met Gods volk. O, kwamen er maar veel van die mensen bij ons! — John Stephen.
Vers 30
“Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Geloven is geen kwestie van toeval, maar van kiezen. Hebben wij alles afgewogen en na zorgvuldig nadenken besloten: “We willen God, wat het ook kost”? Hebben wij ons gezet en de rekening opgemaakt? Wat het geloof ons moet kosten: onze lusten opgeven. Wat het ons kan kosten: ons leven opgeven. Hebben we met de hulp van de genade besloten om Christus te belijden, ook als er zwaarden en stokken worden opgeheven? En om met Hem mee te varen, niet in een pleziervaartuig, maar in een oorlogsschip? Dat we zo voor God kiezen, bewijst dat Hij de onze is. Huichelaars belijden God uit wereldse berekening. Ze hebben Hem niet gekozen. — Thomas Watson, in “The Morning Exercises.”
Vers 30
“Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Dat David de waarheid van God kiest, komt voort uit Gods eigen keuze. Vóór alle tijden had de Heere hem in Christus uitverkoren, om bij Zijn uitverkorenen te horen. Met de liefde is het zo: “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad.” Wij hadden Hem nooit kunnen liefhebben als Hij ons niet eerst had liefgehad. Zo is het ook met de verkiezing. Had Hij ons niet voor de tijd uitgekozen als Zijn volk, dan hadden wij Hem in de tijd nooit als onze God kunnen kiezen.
Dit merk ik op bij mensen die Gods woord liefhebben en er blij mee zijn. Uit een goed hart kunnen zij zeggen dat de Heere hun deel is en hun zielsvreugde. Dat is een vast en zeker zegel op hun verkiezing, een merkteken dat Gods eigen vinger in hun hart heeft gedrukt, en dat niemand kan uitwissen. — William Cowper.
Vers 30
Laten we in al onze godsdienstige bezigheden eerst overleggen en dan besluiten, en eerst overwegen en dan beslissen. David deed dat, en daarom zegt hij hier: “Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Wie zich de goedheid, de rechtheid en het aangename van de weg van de godzaligheid voorhoudt, kan inderdaad niet anders dan die weg kiezen en erop besluiten. Dat deed ook de verloren zoon. Hij bedacht bij zichzelf hoe goed de knechten van zijn vader het hadden. Daarna kwam het idee, en vervolgens het besluit om naar huis te gaan: “Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan.” — Abraham Wright, 1661.
Vers 30
“Ik heb verkoren.” Niemand heeft de Heere ooit gediend zonder Hem eerst als zijn Meester te kiezen. Wie de jaren des onderscheids bereikt, bedenkt bij zichzelf welke kant hij op zal: God dienen of de wereld? Hij is dan zijn eigen baas. Alle heiligen van God hebben een heldere keuze gemaakt: wij dienen de Heere en niemand anders. Mozes zag beide opties voor zich. Aan de ene kant de genoegens van Egypte, aan de andere kant God en Zijn volk met alle verdrukking. Hij koos voor het tweede en niet voor het eerste, Hebr. 11:25.
Zo zegt David het ook van zichzelf: “Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Want kiezen betekent: iets dient zich aan, je overweegt het en je neemt het aan. Zo deed Jozua: “Aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!” — John Preston (1587-1628) in “The Golden Sceptre held forth to the Humble”, 1638.
Vers 30
“Waarheid.” Je kunt drie soorten waarheid onderscheiden: waarheid in je hart, waarheid in je woorden en waarheid in je daden (2 Kon. 20:3, Zach. 8:16, Hebr. 10:22). — Ayguan. Uit “The Preacher’s Storehouse” door J. E. Vaux.
Vers 30
“Uw rechten.” Gods woord heet Zijn oordeel, omdat het goed van kwaad scheidt en geen kale uitspraak is. Het wijst het kwaad aan en spreekt er plagen over uit, die worden uitgevoerd volgens het vonnis van het woord. — William Cowper.
Verzen 30-31
“Ik heb verkoren …” “Ik kleef vast …” Een christen die kiest, blijft waarschijnlijk ook aan het gekozene kleven. Mensen die bij toeval christen zijn, veranderen van koers zodra de wind draait. — Matthew Henry.
Vers 30
“Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Wie goed bedenkt dat Gods woord Gods besluit en oordeel is, kan een gelovige beschermen tegen de schrik en de verlokkingen van mensen. Het zet hem vast in zijn juiste keuze, zoals hier. — David Dickson.
Vers 30
“Uw rechten heb ik mij voorgesteld.” Wie de goede weg wil reizen, legt een kaart voor zich neer. Zo deed David ook. Zijn wil had besloten tot de weg van de waarheid, en daarom hield hij de kaart van de wet voor ogen, die hem die weg liet zien. Zo heeft ook de scheepsman zijn kaart met zijn kompas. — Paul Bayne.
Uitleg
Vers 31
“Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” We kunnen ook lezen: ik hang eraan vast. Het is namelijk hetzelfde woord als in Ps. 119:25. Zijn ziel kleefde aan het stof van droefheid en dood, en toch hield hij het goddelijke woord stevig vast. Daar zat zijn troost. Zijn geloof plakte eraan. Zijn liefde en zijn gehoorzaamheid klampten zich eraan vast. Zijn hart en zijn gedachten bleven er rond draaien. Hij had zo oprecht en bewust gekozen dat hij zijn hele leven eraan trouw bleef. De hoon van mensen die de weg van de Heere minachtten, kon hem er niet vanaf halen.
Wat had hij kunnen winnen met het verlaten van dit heilige getuigenis? Vraag liever: wat zou hij niet allemaal verloren hebben, als hij niet langer aan het goddelijke woord had gekleefd? Het geeft een goed gevoel om terug te kijken op eerdere standvastigheid, en dat gevoel mag ons moed geven. En we mogen genade verwachten om straks net zo standvastig te blijven. Hij Die ons in staat stelde aan Hem te kleven, zal zeker ook ons blijven vasthouden.
“O HEERE! beschaam mij niet.” Dat zou gebeuren als Gods beloften onvervuld bleven en het hart van Gods dienaar zou bezwijken. Dáárvoor hoeven we niet bang te zijn, want de Heere is trouw aan Zijn woord. Het kan ook gebeuren doordat de gelovige zich inconsequent gedraagt. David deed dat zelf ooit, toen hij op de weg van de leugen liep en zich gedroeg als een dwaas. Zijn we niet trouw aan onze belijdenis, dan kunnen we worden overgelaten aan de vrucht van onze dwaasheid. Dan oogsten we dat bittere ding dat “schaamte” heet. Hieruit blijkt duidelijk: een gelovige zou zich nooit moeten schamen.
Hij hoort zich op te stellen als een ernstig man. Hij heeft niets gedaan waarvoor hij zich hoeft te schamen over het geloof in zijn God, en hij is niet van plan lafhartig te praten in het bijzijn van de vijanden van de Heere. Smeken we de Heere ons niet te beschamen? Dan mogen we onszelf zeker niet zonder reden voor schut zetten.
Het gebed van dit vers komt terug in het bijbehorende vers van het volgende deel (Ps. 119:39): “Wend mijn smaadheid af, die ik vrees.” Dit was blijkbaar een bede die de psalmist vaak in zijn hart had. Voor een moedig hart snijdt schaamte dieper dan ieder wapen dat een soldaat kan hanteren.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 31
“Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Dit is opvallend. In vers 25 zegt de psalmist: “Mijn ziel kleeft aan het stof.” Hier zegt hij: “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” In beide verzen staat in de grondtekst hetzelfde woord. Toch is er geen tegenspraak. Het klopt precies met wat een gelovige in zijn eigen leven ervaart. Binnenin zit het lichaam van de inwonende zonde, en binnenin zit ook het onsterfelijke beginsel van de goddelijke genade. Tussen die twee woedt strijd: “het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees” (Gal. 5:17).
De gelovige wordt gedwongen uit te roepen: “Ik ellendig mens” (Rom. 7:24). Zo gaat het nu eenmaal, en alle gelovigen herkennen dat uit eigen ervaring. Vaak voelen we onze ziel aan het stof kleven. Toch streeft onze geest ernaar aan Gods getuigenissen te kleven. Daarom bidt de gelovige, midden in die strijd: “O HEERE! beschaam mij niet.” En blijven jullie dicht bij Christus, broeders, dan worden jullie niet beschaamd, in alle eeuwigheid. — John Stephen.
Vers 31
“Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Hij hield zich eraan vast en liet niet los, ook toen het belang van het moment hem iets anders had kunnen ingeven. Ook toen ongeloof terugschrok voor het pad van de plicht. Ook toen alles wat je kon zien de trouw sterk ontmoedigde, en iedereen klaarstond om zijn dwaze vastberadenheid te bespotten, zoals ze dat noemden. — John Morison.
Vers 31
“Ik kleef.” Echte godzaligheid draagt altijd de krans van de volharding op haar hoofd. Wie begint, maar niet volhoudt, heeft nog niets gewonnen. — William Cowper.
Vers 31
“O HEERE! beschaam mij niet.” David probeerde God te dienen met een goed geweten. Daarom bidt hij dat de Heere hem niet zal laten schrikken van schaamte. Dat kan op twee manieren gebeuren. De eerste manier: de Heere laat Zijn kinderen alleen. Dan voelen ze in hun nood niets van de beloofde vertroostingen, en komen er grote verwarring en onrust over hun geest. De tweede manier: Hij geeft hen over aan hun vijanden. Die bespotten hen om hun godvruchtige, oprechte leven. Ze juichen over hen in hun tijd van nood, want ze zien dat al het bidden en alle andere godsdienstige oefeningen hen niet uit de handen van hun vijanden kunnen redden: “Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe.” Voor deze schaamte en verachting vraagt David de Heere hem te behoeden. Hij wil nooit lijken op mensen die teleurgesteld worden in datgene waarop ze vertrouwden, en daarom beschaamd staan. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 31
Redenen om aan de goddelijke getuigenissen te kleven.
Vers 31
Een gezonde mengeling:
- Standvastige trouw.
- Wantrouwen tegenover jezelf.
- Dringend gebed. — C.A.D.
Uitleg
Vers 32
“Ik zal den weg Uwer geboden lopen.” Hij zou Gods wil met energie, vlugheid en ijver willen doen. Maar daarvoor heeft hij meer leven en vrijheid nodig, en die kan hij uit de hand van God ontvangen.
“Als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Ja, het hart bepaalt alles. De voeten zijn snel als het hart vrij is en vol energie. Als onze gevoelens worden opgewekt en vurig gericht zijn op goddelijke dingen, dan zullen onze daden vol kracht, vaart en vreugde zijn. God moet eerst Zelf in ons werken. Dan pas gaan wij willen en doen wat Hem welgevallig is. Hij moet het hart veranderen en vernieuwen, bijeenbrengen, bemoedigen, sterken en verruimen. Dan zal ons leven genadig, oprecht, gelukkig en ernstig zijn. Dus moeten we álles toeschrijven aan de vrije gunst van onze God, van ons laagste tot ons hoogste punt in de genade.
Maar wij moeten wel zelf lopen. Genade is namelijk geen overweldigende macht die onwillige mensen tegen hun zin in beweging dwingt. Ons lopen is de spontane sprong naar voren van iemand die door Gods hand is bevrijd. Hij vindt het heerlijk om zijn vrijheid te tonen in zijn springende snelheid.
Wat een verandering sinds Ps. 119:25, wat een omslag in enkele verzen! Toen kleefde hij aan het stof, nu loopt hij op de weg. Dát is het bijzondere van heilig leed: het werkt in ons de levendmaking waarom we vragen. Daarna tonen we hoe oprecht onze droefheid was en hoe echt ons herstel is, doordat we ijverig worden op de wegen van de Heere.
Voor de derde keer in deze psalm eindigt een strofe van acht regels met: “Ik zal.” Elke “ik zal” in de psalmen is het waard om afzonderlijk bestudeerd en besproken te worden.
Let op hoe tot nu toe over het hart is gesproken: “van ganser harte” (vers 2), “oprechtheid des harten” (vers 7), “in mijn hart” verborgen (vers 11), “mijn hart verwijd” (vers 32). Verderop volgen nog veel meer toespelingen. Ze laten allemaal zien hoe diep het hart zat in Davids godsdienst. Een groot gebrek van onze tijd is dat het hoofd zwaarder weegt dan het hart. Mensen willen veel liever leren dan liefhebben, al zijn ze in geen van beide richtingen erg gretig. Een hoofd vol kennis en een koud hart: dat is geen godsdienst zoals David die kende.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 32
“Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben”, enz. Denk eraan dat de spreker, de psalmist, geen onbekeerd mens is. Lang geleden had hij de heerschappij van de godsdienst al over zich aanvaard. Hij vraagt dus niet om een eerste toegang tot de genade, maar om latere en groeiende werkingen van een beginsel van genade. Zijn verlangen verwoordt hij in een uitdrukking die bijzonder treffend laat zien hoe een invloed vanuit het hart uitstraalt over de rest van de mens. Hij wil dat zijn hart wordt verruimd.
Die wens betekent eigenlijk dat zijn hele persoon in eenklank met het hart gaat handelen. Hij zou als het ware helemaal hart worden. Zo wordt het hart in de strengste zin verruimd: het breidt zich uit over lichaam en ziel, tot het alle vermogens van beide omvat. Is de liefde van God in het hart? Dan zal dat hart, in bezit genomen en gedreven door zo’n edel en bewegend beginsel, geleidelijk al zijn krachten, geestelijke én lichamelijke, tot een verheven toewijding brengen. In de praktijk is het dan alsof de andere delen van de mens in hart zijn veranderd.
Dan is hij, zoals we zeggen als we iemand van ongewone edelmoedigheid en warmte beschrijven, “helemaal hart”. U mag het verlangen naar een verruimd hart dus rustig gelijkstellen aan het verlangen dat elk vermogen volledig aan God wordt onderworpen. God Zelf is liefde. Liefde is dan eerder het wezen van God dan een van Zijn eigenschappen, en ze loopt dwars door alle eigenschappen van de Godheid heen. Zo zou ook de mens met liefde in zijn hart helemaal hart kunnen worden. Zijn hart werpt zich dan in al zijn vermogens en doordringt alle kenmerken van zijn natuur, zonder ze uit te wissen.
En het praktische gevolg van dit verruimde hart, waar de psalmist naar verlangde, past daar volkomen bij. Hij wandelde al op de weg van Gods geboden. Maar wat hij voor zich zag, was lopen op die weg: “Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Een sneller tempo, een vlottere voortgang, grotere dienstvaardigheid, een vastere standvastigheid, een vastberadener en onwankelbaarder gehoorzaamheid: dat waren de gevolgen die de psalmist verwachtte van een verruimd hart. En inderdaad: zijn alle vermogens van geest en lichaam aan God gewijd, dan gaat de mens met vaste, krachtige stappen verder op de weg naar de hemel.
Is de toewijding op zijn best maar gedeeltelijk? Houdt de wereld nog een deel van haar heerschappij, ook al is Gods koninkrijk opgericht? Dan kan er alleen maar trage en belemmerde voortgang zijn. Dan wandelen we met telkens een stop, of zelfs met een terugval, met veel getalm of zelfs met een echte terugtocht. Maar is de mens helemaal hart, dan is hij helemaal leven, helemaal warmte, helemaal ijver en helemaal energie. En de uitkomst van die volledige overgave aan God is precies wat Jesaja profeteert: “Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.” — Henry Melvill, 1798-1871.
Vers 32
“Ik zal den weg Uwer geboden lopen.” Met lopen bedoelen we: Gods bevelen vrolijk, bereidwillig en ijverig opvolgen. Het is niet gaan of wandelen, maar lopen! Wie aan het einde van zijn reis wil aankomen, moet op de weg van Gods geboden hardlopen. Het wijst op een snelle, gewillige gehoorzaamheid zonder uitstel, zonder eerst nog even af te wachten. We moeten op tijd met God beginnen. Wat jammer: op het moment dat we eigenlijk al bij het doel hadden moeten zijn, zijn velen van ons nog nauwelijks op weg. Het wijst ook op ernst en op vurigheid van hart.
Heeft iemand zijn hart ergens op gezet? Dan denkt hij dat hij het nooit snel genoeg kan doen. En dát is lopen: vurig en ernstig zijn in het genieten van God en Christus op de weg van gehoorzaamheid. En verder: het hart biedt zichzelf vrijwillig aan God aan.
Dit lopen is een vrucht van de krachtdadige roeping. Als de Heere spreekt over de krachtdadige roeping, dan is het gevolg: lopen. Zo spreekt Hij over de bekering van de heidenen: “Het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen”, en: “Trek mij, wij zullen U nalopen!” Trekt God? Dan komt er een snelle, ernstige beweging in de ziel.
Dit lopen is als vrucht van de krachtdadige roeping ook zeer nodig. Koele, slappe bewegingen worden namelijk gemakkelijk overmeesterd door moeilijkheden en verzoekingen. “Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is” (Hebr. 12:1). Wil iemand iets bereiken, dan zet hij door. Ook als hij wordt gehinderd en geduwd, gaat hij geduldig verder. Hij blijft niet staan om erover te praten. Een trage beweging wordt makkelijk gestuit. Een snelle gooit omver wat haar in de weg staat. Zo gaat het ook wanneer mensen in Gods dienst lopen en niet moe worden. Tot slot vraagt ook de prijs om te lopen: “Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen” (1 Kor. 9:24). — Thomas Manton.
Vers 32
“Ik zal den weg Uwer geboden lopen.” David verlangde er niet naar de weg van Gods geboden te wandelen, maar om hem te lopen. De tekst heeft niets te maken met iemand die gewoonlijk de tegenovergestelde weg gaat. Hij gaat alleen over het tempo waarin je de lijn van de plicht aflegt. Het mag ons wel verbazen dat David, die “liefelijk in psalmen van Israel” was, en van wie met nadruk gezegd is dat hij “een man naar Zijn hart” was, met de woorden van deze tekst lijkt te zeggen dat hij de weg van Gods geboden nog niet liep.
Maar bedenk dit, geliefde broeders: hoe heiliger iemand is, hoe dieper zijn verlangen naar volmaakte heiligheid wordt. Anderen vonden dat David wonderlijk vlot voortging op het pad van het leven. Toch vond hijzelf dat hij veel minder snel vorderde. Dat was nederigheid, en nederigheid is een van de bewijzen van zijn heiligheid. — Hugh B. Moffat, 1871.
Vers 32
“Ik zal den weg Uwer geboden lopen.” Met het woord lopen zegt hij hoe hij op deze weg wil gaan. Het is al heel goed om op deze weg te zijn, ook al gaat het nog zo langzaam. Liefde kruipt waar ze niet kan lopen. Maar ben je werkelijk op deze weg, dan verlang je naar een sneller tempo. Kruip je nog maar? Blijf dan kruipen, en verlang ernaar dat je kunt gaan. Ga je al, maar hink je nog en loop je mank? Verlang dan om gesterkt te worden, zodat je recht kunt wandelen.
En wandel je al? Laat je daar dan niet mee tevredenstellen, maar verlang om te lopen. Zo wandelde David op deze weg, en toch wilde hij vurig sneller gaan. Hij wil graag lopen, en daarvoor vraagt hij om een verruimd hart. Sommigen redetwisten en praten te veel over de vraag of ze wel of niet vooruitgaan. Ze tellen kinderachtig hun stappen en willen bij elke stap weten of ze opschieten en hoeveel. Zo houden ze zichzelf bezig. Hun tijd om te doen en te gaan gaat op aan vragen en twijfelen. Zo gaat het met heel veel christenen, en het is jammer dat het zo gaat.
Het zou wijzer en troostrijker zijn om vooruit te streven. Maak je weinig vooruitgang? Verlang dan in elk geval om meer te maken. Bid en wandel, en bid dat je sneller mag wandelen, en uiteindelijk mag lopen, nooit tevreden met wat je al hebt bereikt. Maar laat die ontevredenheid je niet zó neerslachtig maken dat je gaat zitten of stilstaat. Ze moet je juist aansporen om verder te gaan. — Robert Leighton.
Vers 32
“Mijn hart verwijd”, dat wil zeggen verwijd, namelijk met vreugde. Het is mooi om te zien hoe juist deze uitdrukking wordt gebruikt, ook wijsgerig gezien. Door het juichen van vreugde, en ook van trots, wordt het hart verwijd, en de pols wordt daardoor sterk en vol. (Zie Parkhurst bij het Hebreeuwse woord.) — Richard Mant.
Vers 32
“Als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Dan zou God het middelpunt van het leven zelf verruimen. Zijn zwakke dienaar zou er meer kracht door krijgen. Hij hoeft dan niet langer languit in het stof te liggen en te worstelen om weer op te staan. Hij heeft dan kracht om te lopen op de weg van de waarheid. Wie bidt: “O HEERE! beschaam mij niet”, ontdekt zo dat een lied van eerder waar is: “Zij hebben op Hem gezien … en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.” — Frederick G. Marchant.
Vers 32
“Gij mijn hart.” Van Salomo wordt gezegd dat hij “een wijd begrip des harten, gelijk zand, dat aan den oever der zee is” had (met hetzelfde woord als hier). Daarmee wordt een uitgestrekte, alles omvattende geest bedoeld, die veel van de natuur kon peilen, in haar grote én in haar kleine dingen. Zo, denk ik, hoort bij het verruimen van het hart ook het verlichten van het verstand. Er gaat een helderder licht op, om geestelijke dingen op een geestelijker manier te onderscheiden. Je ziet dan het grote verschil tussen de ijdele dingen waar de wereld achteraan jaagt en het echte, hechte genot op de weg van Gods geboden.
Je leert de valse blos van zondige genoegens kennen en ziet hoe lelijk het is onder dat beschilderde masker, zodat je er niet door wordt verleid. Je krijgt ruimere gedachten over God, over Zijn voortreffelijkheid, grootheid en goedheid, en over hoe waardig Hij is om gehoorzaamd en gediend te worden. Dit is de grote waardigheid en gelukzaligheid van de ziel. Alle andere aanspraken zijn gemeen en armzalig vergeleken hiermee. Hier is dus ook ruimte om de reinheid en schoonheid van Zijn wet te zien: hoe rechtvaardig en redelijk ze is, ja hoe aangenaam en liefelijk. Zijn geboden zijn niet zwaar, het zijn bedden van specerijen. Hoe verder we erin wandelen, hoe meer we van hun geur en zoetheid ontdekken. — Robert Leighton.
Vers 32
De weg naar het leven is smal, maar niemand kan erop lopen zonder een verruimd hart. — Prosper van Aquitanië (403-463), geciteerd door Neale en Littledale.
Vers 32
“Verwijd.” Onze harten horen een tempel te zijn voor de grote God. Een tempel moet schoon zijn, en ruim. Wil je dat God in je hart woont en Zijn invloed daar laat stromen? Dan moet je in je ziel plek voor God maken, met meer ruimte voor geloof en verwachting. De rijke man besloot zijn schuren uit te breiden toen zijn oogst groter was geworden (Luk. 12:16-21). Zo moeten ook wij de doeken van Christus’ tent en woning wijder uitspannen en meer van God verwachten, als we meer van Hem willen krijgen. Er waren eerder te weinig vaten dan te weinig olie.
Wij zitten niet krap bij God, maar bij onszelf. Onze gedachten zijn zo schraal dat we Hem geen plaats geven en Hem niet groot maken: “Mijn ziel maakt groot den Heere” (Luk. 1:46). Geloof maakt God groot. Hoe kunnen wij God groter maken dan Hij is? Wat Zijn geopenbaarde wezen aangaat, kunnen we ruimer en groter denken over Zijn grootheid, goedheid en waarheid.
- We hebben een groot hart nodig, omdat het gebod zo ontzettend breed is: “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd” (Ps. 119:96). Een brede wet past nooit bij een nauw hart. Om ons door dit gigantische werk heen te slepen, hebben we liefde, geloof, kennis en alles wat we hebben nodig.
- Ook de remmen en hindernissen in onszelf vragen om een verruimd hart. Er is de begeerlijkheid, die ons van God wegtrekt naar zinnelijke dingen: “Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt” (Jak. 1:14).
Wat we dus nodig hebben, is iets dat ons de andere kant op trekt, met kracht en leven, en ons aanzet om God te dienen. Begeerlijkheid hangt als een blok aan ons been. Ze is een last van verdorvenheid (Hebr. 12:1), en die remt ons af bij elke vlucht en elke beweging. Ze steekt een stokje voor de kracht van geestelijke aandrang, werkt die tegen en breekt haar, of houdt haar zelfs helemaal tegen (Gal. 5:17). Trekt de begeerlijkheid zó sterk één kant op? Dan moet God ons sterker naar de andere kant trekken. Is er iets dat ons doet overhellen naar wereldse en zinnelijke dingen? Dan hebben we een kracht nodig die ons met krachtige, levendige bewegingen van de ziel naar God brengt. We hebben een ernstige neiging in onze ziel nodig, en dát is deze verruiming van het hart. — Thomas Manton.
Vers 32
“Mijn hart.” Ziet de grote Heelmeester iets verkeerds in het uiterlijke leven van Zijn volk? Dan weet Hij meteen waar Hij moet zoeken. Hij weet dat elke geestelijke ziekte een hartziekte is, en dat Hij dus middelen voor het hart moet gebruiken. Soms ziet onze Heelmeester verschijnselen die hevig zijn, soms verschijnselen van loomheid en zwakte. Hij weet dat ze allebei uit het hart voortkomen, en daarom zoekt Hij de oorzaak niet aan de buitenkant. Daarom werkt Hij op het hart als Hij gaat genezen, en niet op de verschijnselen alleen.
Dat het hart in alle heilige dingen sterk werkt, komt door de gezegende werking van de Geest erop. Alleen wanneer Hij ons hart heeft verruimd, kunnen we de weg van Gods geboden “lopen”. Hartelijkheid in ons handelen is het onderwerp waar hier de aandacht van de lezer op wordt gevestigd. Dat onderwerp is van groot belang, en we mogen er niet te licht over denken.
Veel gelovigen nemen in de gemeente van God een armzalige plaats in, omdat hun hart niet verruimd is. Ze vertrouwen op Jezus voor het eeuwige leven, en Hij zal hen zeker niet teleurstellen. Hij is trouw aan Zijn woord: “Die geloofd zal hebben … zal zalig worden.” Maar helaas: ze zitten nog steeds in een beklagenswaardige mate opgesloten in zichzelf. Hun hart is samengetrokken. Ze denken nog altijd benauwd over wat God van hen vraagt, over hun eigen voorrechten en over de plaats die ze in de wereld hebben gekregen. Van hen kun je wel zeggen dat ze staan, zitten of wandelen op de weg van Gods geboden.
Maar je kunt niet zeggen dat ze erop “lopen”. Lopen is een krachtige, gezonde beweging van het lichaam. Het kost energie en vraagt een gezond hart. Niemand kan op de weg van Gods geboden lopen, tenzij in de kracht en de veerkracht die Hij geeft. Er zijn betrekkelijk weinig lopende christenen. Wandelende en zittende christenen zijn betrekkelijk gewoon. Maar een lopende christen is zó ongewoon dat hij vaak voor bijna gek wordt aangezien.
Laten we onze opmerkingen over dit onderwerp, om het overzichtelijk te houden, onder de volgende koppen ordenen:
- Wat hartelijkheid is. De hartelijkheid waarover het hier gaat, heet “verruiming van het hart”. Het is blijmoedigheid in het doen van Gods wil, liefde voor die wil, een uitgaan van onze gevoelens ernaartoe en een betrokkenheid erbij. Dat is ze allemaal, en nog veel meer, wat niet makkelijk in woorden te vangen of af te bakenen is.
- Wat hartelijkheid doet. Heeft God het hart verruimd? Dan stijgt het uit boven alle grenzen die de gevallen zelfzucht trekt. Bij de val kromp het hart ineen. Toen de zonde erin kwam, trok het zich samen. Het kon geen grote, edelmoedige gedachten meer bevatten. Het werd een hart in boeien. Het is waar dat de mens aan zijn plichten niet kon ontkomen, en evenmin aan de stem van zijn geweten. Maar onze genegenheden zijn vrijwillig. Het gevallen hart nam zijn genegenheid van God terug. Het voelde dat het de macht had die genegenheid van Hem en Zijn geboden achter te houden. En het deed het goed om zijn vijandschap te laten zien door zijn sympathie in te houden, waar het zijn gehoorzaamheid niet kon inhouden…
- Waar hartelijkheid vandaan komt. Zoals we al zeiden: werkt de Geest in het hart en wordt al het natuurlijke kwaad erin overwonnen? Dan gaat het hart zich uiten op manieren die ver buiten de grenzen van gevallen zelfzucht liggen. Liefde is erin verweven. Liefde geeft eenheid van gevoel en gelijkheid van belang. Daardoor wordt het hart doortrokken van alles wat God toebehoort, want het heeft die liefde van God gekregen. Zo komt het hart los van louter regels, of liever: het stijgt erboven uit. Het voelt, niet alleen weten maar voelen, zó veel van de schoonheid van Gods geboden, dat het er vreugde in vindt om erop te “lopen”. Het hart doet er graag met warmte aan mee. Zijn belangen en gevoelens liggen daarin. — Philip Bennet Power, in “The I Wills of the Psalms”, 1862.
Vers 32
Een onrustig hart maakt ons ongeschikt voor onze plicht. Het remt onze werkzaamheid als we de plicht willen doen. Bij alle godsdienstige diensten moeten het hele hart, de hele ziel en alle kracht betrokken zijn. Maar deze zorgen zijn als blokken en gewichten die de beweging hinderen. Vreugde verwijdt de ziel en geeft haar ruimte voor alles wat ze onderneemt. Droefheid trekt het hart juist samen en maakt alle vermogens krap. Daarom smeekt David om een verruimd hart als beginsel van werkzaamheid: “Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Wat kun je anders verwachten van een gemoed dat door angst en droefheid helemaal in de war is?
Het is onregelmatig, wankel, zwak en verward. Pakt zo’n gemoed iets aan, dan werkt het onrustig, sleept het zich zwaar voort en doet het met veel moeite heel weinig. Toch zou het minder erg zijn als dat weinige dan tenminste goed gedaan werd. Maar het gemoed wordt in zijn pogingen zó onderbroken dat iemand soms met bidden begint, meteen blijft steken en niet verder durft. Zijn woorden worden verzwolgen: “Ik was verslagen, en sprak niet” (Ps. 77:5). — Richard Gilpin (1625-1699), in “Daemonologia Sacra.”
Wenken voor predikers
Vers 32
De geboeide renner wordt bevrijd.
- De baan die hem uitnodigde.
- De boeien die hem bonden.
- Het ongeduld dat hem aandreef.
- De Heere Die hem bevrijdde.
- Laat hem nu gaan. — C.A.D.
Vers 32
- Vrijheid waarnaar verlangd wordt.
- Vrijheid die goed wordt gebruikt. Of: wat het hart teweegbrengt in de voeten.
Vers 32
Deze tekst geeft ons stof om te spreken:
- Over het voordeel van een verruimd hart, en over het feit dat God eerst dit werk moet doen, voordat er van onze kant ook maar enige ernstige neiging of beweging van het hart naar Hem toe kan zijn.
- Het besluit van de heiligen, dat daarop volgt, om zich met hun hart te verbinden aan een leven voor God.
- Met hoeveel ernst, bereidwilligheid en geestkracht we dit werk moeten voortzetten: “Ik zal lopen.” — T. Manton.
Vers 32
- De weg van gehoorzaamheid: “Uwer geboden.”
- De plicht tot gehoorzaamheid: “Ik zal lopen.” Dus niet stilstaan, niet talmen, niet kruipen, niet wandelen, maar lopen.
- Het leven van gehoorzaamheid.
(a) Waar het zit: in het hart.
(b) Waar het vandaan komt: “Wanneer Gij”, enz.
(c) Wat het doet: het verruimt het hart. — G.R.
Uitleg
Verzen 33-40
Dit hele deel ademt afhankelijkheid en het besef van uiterste nood, van iemand die alleen nog van God verwacht wat hij nodig heeft. Het bestaat helemaal uit gebed en pleidooi. De acht verzen ervoor trilden van schuldbesef en beefden van het kinderlijke besef van zwakheid en dwaasheid. Daardoor riep de man van God om de hulp waarmee alleen zijn ziel kon worden behoed voor weer in de zonde vallen.
Vers 33
“HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen.” Wat een kinderlijke, gezegende woorden zijn dit! En ze komen uit de mond van een oude, ervaren gelovige, die bovendien een koning was en een door God geïnspireerd man. Wee wie nooit onderwezen zullen worden, want hen wacht niets goeds. Ze worden dwaas door hun eigen wijsheid, en iedereen die goed oordeelt, ziet hun dwaasheid. De psalmist wil de Heere als zijn leermeester hebben. Hij voelt namelijk dat zijn hart van niemand die minder goed onderwijst, zal leren. Wie beseft dat hij traag van begrip is, zoekt vanzelf een grote leermeester.
Wat is het een neerbuigendheid van onze grote Jehova dat Hij Zich verwaardigt om wie Hem zoeken te onderwijzen! De les die hij wenst, is geheel praktisch. De heilige man wilde niet alleen de inzettingen leren, maar de weg ervan: hoe je ze dagelijks toepast, wat ze beogen, welke geest, richting, gewoonte en neiging erin zit. Hij wilde dat pad van heiligheid kennen, omheind door de goddelijke wet. Langs dat pad staan Gods geboden als wegwijzers en mijlpalen, die ons vooruitgang tonen en aangeven. Alleen al het verlangen om deze weg te leren is een verzekering dat we erin onderwezen zullen worden. Hij Die ons doet verlangen om te leren, zal dat verlangen zeker vervullen, en wel op Zijn tijd.
“En ik zal hem houden ten einde toe.” Wie door God is onderwezen, vergeet zijn lessen nooit. Zet de goddelijke genade een mens op de ware weg? Dan blijft hij die weg trouw. Louter menselijk vernuft en wilskracht hebben zo’n blijvende invloed niet. Aan alle volmaaktheid van het vlees komt een einde. Maar de hemelse genade houdt niet op, behalve met haar eigen einddoel: de voltooiing van heiligheid in de vreze des HEEREN. Dat wie begint in God, met God en door God, zal volharden tot het einde, mag je zeker voorspellen. Maar wie begint zonder dat de Heere hem onderwijst, vergeet snel wat hij leert.
Hij wijkt af van de weg waarop hij beweerde te zijn gekomen. Niemand mag er prat op gaan dat hij zijn weg uit eigen kracht zal volhouden. Dat hangt immers af van het voortdurende onderwijs van de Heere. We zullen vallen zoals Petrus, als we op onze eigen standvastigheid vertrouwen zoals hij. Bewaart God ons? Dan bewaren wij Zijn weg. En het is een grote troost dat de Heere de voeten van Zijn heiligen op die manier bewaart. Toch moeten we waken, alsof het bewaren van de weg helemaal van onszelf afhing. Volgens dit vers rust onze volharding namelijk niet op een kracht of dwang, maar op het onderwijs van de Heere.
En onderwijs, wie de leraar ook is, vraagt dat de leerling leert. Niemand kan iemand onderwijzen die weigert te leren. Laten we dus ernstig het goddelijke onderwijs indrinken. Dan houden we onze oprechtheid vast en volgen we het pad van de rechtheid tot het laatste uur van ons leven. Ontvangen we het levende, onvergankelijke zaad van het woord van God? Dan móéten we leven. Zonder dat hebben we geen eeuwig leven, maar alleen de naam dat we leven. Het “einde” waarover David spreekt, is het einde van het leven, of de volheid van gehoorzaamheid.
Hij vertrouwde erop dat de genade hem tot het uiterste trouw zou houden. Nooit trok hij een grens om tegen gehoorzaamheid te zeggen: “Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder.” Het einde van het onderhouden van de wet komt pas wanneer we ophouden met ademen, en geen minuut eerder. Geen goed mens zal een datum willen vaststellen en zeggen: “Het is genoeg. Nu mag ik wat minder opletten en leven zoals de mensen leven.” Zoals Christus ons liefheeft tot het einde, zo moeten wij Hem dienen tot het einde. En het doel van het goddelijke onderwijs is dat we tot het einde volharden.
Ook de achtregelige strofen hangen nog steeds samen. Gimel opent met een gebed om leven, zodat hij het woord kan houden (Ps. 119:17). Daleth vraagt om méér leven, naar datzelfde woord (Ps. 119:25). Nu opent He met een bede om onderwijs, zodat hij de weg van Gods inzettingen kan houden. Wie goed naar deze verzen kijkt, ziet een nog sterkere band tussen ze.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Dhr. Marchant, een van de docenten van het Predikantencollege, schreef over deze strofe van acht regels aantekeningen die zo uitstekend zijn dat we ze volledig overnemen.
Gedeelte He.
Onderwerp
De wet van Jehova moet voor de ogen, het verstand, de voeten en het hart gesteld worden. — Sleutelzin: “Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht” (Ps. 119:38).
Vers 33
Het woord voor de ogen gesteld. “Leer mij”: letterlijk “wijs mij aan”, “geef mij een aanwijzing.” Zoals het woord hier gebruikt wordt, betekent het in het Hebreeuws “de hand uitsteken”, vooral om ergens naartoe te wijzen. Daarvan komen de betekenissen “tonen”, “aanduiden” en “leren”. De psalmist bidt hier om wegwijzing in de meest eenvoudige vorm. Voor zijn ogen lagen veel paden die naar de dood afdaalden, en maar één pad dat naar het leven leidde. Hij vraagt of hij mag zien welke weg de weg van Jehova is. Laat de Heere hem ooit zien welke weg de goede is? Dan zal hij die tot het einde blijven gaan. Hier heb je licht nodig voor je ogen. Een indiaan volgt een spoor met een onfeilbaar oog en een zekere stap. Zo moeten wij de weg naar het leven volgen. We letten op elke afwijking die ons kan doen dwalen.
Verzen 33-40
In deze strofe van acht regels klinkt steeds hetzelfde gebed, dat al meermalen is genoemd. Hij vraagt of God hem wil onderwijzen, leiden en sterken, en hem wil beschermen tegen de lasteringen, smaadwoorden en bedreigingen van zijn vijanden. Het gebed zit vol vurig verlangen. Dat zie je aan de herhaling: telkens opnieuw hetzelfde voornemen. Want hoe beter hij zijn eigen onwetendheid, duisternis en twijfel kent, en hoe zwak het menselijk verstand is, hoe vuriger hij bidt. Hij ziet immers hoe een lichte duw mensen al meesleurt. Ze laten de waarheid los, omarmen dwalingen die tegen het woord van God ingaan, of vallen in zware zonden.
Daarom bidt hij nog sterker dat hij goddelijk onderwezen, geleid en gesterkt mag worden. Hij wil de erkende waarheid niet van zich afgooien en zich niet in goddeloosheid storten. Zijn voorbeeld leert ons dat ook wij ons moeten wapenen. Tegen de blindheid waarmee we geboren zijn, tegen de zwakte van ons vlees, tegen de strikken en razernij van de duivelen. De wapens zijn: de juiste studie en kennis van Gods Woord, en aanhoudend gebed. Bad zo’n groot man dit, die al zo ver was gekomen? Hoeveel te meer moeten dan wij het bidden, wij die nog maar nieuwelingen zijn en onwetende beginners! Dit is de kern van deze strofe van acht regels, en het is goed om die kern in gedachten te houden. — D. H. Mollerus.
Verzen 33-40
In dit deel richt de psalmist negenmaal een smeekbede aan zijn God, en bij zes ervan geeft hij ook een reden waarom hij verhoord moet worden. Deze smeekbeden komen voort uit een vernieuwd hart. De man van God kon het niet laten ze uit te spreken. Zo diep ging de nieuwe loutering die hij onderging, en zo oprecht was ze. Het overzicht is dit: er worden smeekbeden gedaan om Onderwijs (Ps. 119:33) en Inzicht (Ps. 119:34), en ook om Geestelijk Vermogen (Ps. 119:35) en Neiging (Ps. 119:36). Daarna volgen bijna in één adem smeekbeden om Vrijstelling van de Geest van IJdelheid (Ps. 119:37) en om Goddelijke Levendmaking (Ps. 119:37).
De Heere krijgt de bede om Zijn Woord van Belofte aan Zijn dienaar gestand te doen (Ps. 119:38), en om hem te verlossen van de Gevreesde Smaad. Ten slotte laat de man van God zijn gebed om levendmaking rusten op de Goddelijke Gerechtigheid (Ps. 119:40). Mocht de Goddelijke Geest ons toch leren onszelf te meten aan wat we hier lezen, wanneer we het heil van onze God willen zien!
Verzen 33-40
In deze ene strofe van acht regels zie ik iets wat in geen enkele andere voorkomt: elk vers bevat een eigen gebed. In het eerste bidt hij om onderwezen te worden. Daarna belooft hij aan te nemen wat God hem leert. Eerder had hij al besloten op deze weg te gaan. Maar meteen voelde hij hoe snel hij van nature afdwaalt. Daarom komt hij naar deze Gids toe en vraagt hij: onderwijs mij. — Richard Greenham.
Vers 33
“Leer mij den weg Uwer inzettingen”, enz. Onderwijs van boven hebben Gods kinderen nodig zolang ze in deze wereld zijn. Hoe meer we weten, hoe meer we willen weten, en hoe liever we leren. We zullen smeken om elke dag genade, net als om brood. Een eerste voorproefje van de druiventros van Eskol zal ons doen hunkeren naar de wijnoogst van Kanaän (Num. 13:24). Godsdienst is de kunst van het heilige leven, en je kent haar pas als je haar beoefent. Zo is iemand die de noten kan lezen nog geen meester in muziek. Dat is wie geleerd heeft vlot een les uit het boek te nemen en die op zijn instrument te spelen. Daarna is het genoegen dat het geeft drijfveer genoeg om zo door te gaan. — George Horne.
Vers 33
“Leer mij den weg Uwer inzettingen”, enz. Ga naar God met een oprecht hart en vraag Hem om Zijn onderwijs. Daar heeft God vreugde in. “Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had” (1 Kon. 3:9-10). O, smeek God erom, en wel om deze drie redenen:
- De weg van Gods inzettingen is het waard dat iedereen hem vindt.
- Hij is voor iedereen moeilijk te vinden en te bewaren.
- Het is zó gevaarlijk om hem te missen, dat dit ons moet aansporen om ernstig bij God aan te dringen. — Thomas Manton.
Vers 33
“Leer mij den weg”, enz. “Wie zijn eigen leerling is”, merkt de heilige Bernardus op, “heeft een dwaas als meester.” Denk aan een soldaat op mars. Hij bepaalt niet zelf in welke volgorde hij loopt. Hij vertrekt niet wanneer hij zin heeft en neemt ook geen prettige sluipweggetjes. Anders raakt hij los van de rest, weg bij de vaandels. Zijn generaal geeft hem de route en daar houdt hij zich aan. Gewapend en in de voorgeschreven rij loopt hij rechtstreeks door tot het eind van de mars. Daar wachten de voorraden die de intendance heeft klaargezet.
Gaat hij een andere kant op? Dan krijgt hij geen rantsoen en is er geen kwartier voor hem klaar. De generaal heeft namelijk bevolen dat dit alles klaarstaat voor wie hem volgen en niet naar rechts of links uitwijken. Wie zijn generaal volgt, komt dus niet om, en met reden. De generaal denkt niet aan zijn eigen gemak, maar aan wat zijn hele leger aankan. Zo is het ook met de marsorde van Christus, als Hij Zijn grote leger uit het geestelijke Egypte voert naar het eeuwige Land van het Paradijs. — Ambrosius, aangehaald door Neale en Littledale.
Vers 33
“Leer mij den weg”, enz. Dit vijfde deel leert ons iets wat we nooit mogen vergeten. Er is één weg, door God Zelf aangewezen, waarop heel Zijn volk moet lopen en blijven lopen. Anderen tekenen ieder voor zich een eigen route uit. Als ze zich daaraan houden, denken ze veilig te zijn. Zo dacht David niet. Hij wilde alleen gevonden worden op de weg die God had bepaald. En hij wilde zó door God onderwezen worden, dat hij die weg tot het einde zou houden. Of, zoals de grondtekst het zegt: het einde zou houden. Dat einde is de afloop van zijn belijdenis, de zaligheid van zijn ziel. — W. Wilson.
Vers 33
“Leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden”, enz. Blijft U mijn leraar, zegt David, dan blijf ik Uw dienaar. Zonder voortdurend licht en voortdurende genade van de Heere houdt niemand vol. Een boom zonder sap in zijn wortel bloeit een poosje, maar blijft niet staan. Zo is het ook met iemand wiens hart niet voortdurend met de dauw van Gods genade wordt besproeid. Een tijd lang laat hij een mooi schijnbeeld van godzaligheid zien, maar uiteindelijk valt hij af. Wij dragen de wortel niet; de wortel draagt ons. Laten we beven en vrezen, en ons dat goed bedenken!
Blijven we niet in onze Heere, dan worden we dorre takken die nergens goed voor zijn, behalve voor het vuur. Laten we daarom altijd bidden dat Hij bij ons blijft. Dan onderwijst Hij ons met Zijn licht en leidt Hij ons door Zijn kracht over de weg die ons bij Hemzelf brengt. — William Cowper.
Vers 33
“Inzettingen” komt van een woord dat betekent: afbakenen, uitstippelen, beschrijven en bepalen. Inzettingen zetten onze weg uit, beschrijven welke gedragslijn we moeten volgen en gebieden wat we moeten onderhouden. — Adam Clarke.
Vers 33
Gods “inzettingen” laten zien dat Hij het gezag en de macht heeft om ons wetten te geven. — Matthew Pool, 1624-1679.
Vers 33
“Ten einde toe”, of: als tegenprestatie, als beloning, of uit dankbaarheid aan U. Het is redelijk dat wij Gods barmhartigheid in het onderwijzen belonen of beantwoorden. Dat doen we door goed te onderhouden en te bewaren wat Hij ons leert. Je kunt het ook zien naar het voorbeeld van Ps. 19:12. Daar brengt het houden van Zijn geboden een grote beloning mee. Het kan hier worden weergegeven met eqev (met het voorzetsel l erbij gedacht), “voor de beloning”. Dan gaat het om de vreugde van nu, Ps. 119:32, zonder de toekomstige kroon uit te sluiten. — H. Hammond.
Vers 33
“Ten einde toe.” Helemaal tot aan het eind. In het Hebreeuws staat: tot de hiel. De kracht van de woorden lijkt te zijn: “helemaal door, van je hoofd tot je voeten.” — Zachary Mudge, 1744.
Verzen 33-34
“Ten einde toe.” Hij wordt geen weifelaar, hij zal haar houden “ten einde toe”. Hij wordt geen huichelaar, hij zal haar houden “met gansen harte”. — Adam Clarke.
Wenken voor predikers
Schetsen over de sleutelwoorden van de psalm, door ds. C. A. Davis.
Verzen 33-40
Trouw die is verzekerd door goddelijke werking. Een gebed om goddelijk onderwijs, inzicht, dwang en beheersing van hart en ogen, om volhardende en hartelijke trouw te verzekeren (Ps. 119:33-37). Zo bevestigd in het woord bidt de psalmist dat het woord ook voor hemzelf bevestigd wordt (Ps. 119:38). Hij vraagt dat de smaad van ontrouw van hem wordt afgewend (Ps. 119:39). En hij geeft het hele gebed kracht door de heftigheid van het verlangen dat het in hem oproept (Ps. 119:40).
Wenken voor predikers
Vers 33
Let in dit gebed om genade op: 1. Tot wie hij bidt: “HEERE!”
- Voor wie hij bidt: “leer mij.”
- Waarom hij bidt: genade om onderwezen te worden.
- Waarover het onderwijs gaat: “den weg Uwer inzettingen.” Het onderwijs waarom hij smeekt, is niet speculatief maar praktisch: hij wil leren hoe je op Gods weg moet wandelen, in het dagelijkse leven. — T. Manton.
Vers 33
De grotere kracht van het goddelijke onderwijs: het zorgt voor een heilig leven in de praktijk en waarborgt dat dit leven blijft voortduren.
Verzen 33-34
Licht van boven.
- De verblindende macht van de zonde. “Leer mij”, dat wil zeggen: “wijs mij aan.” “Geef mij het verstand.” Hoeveel licht er oorspronkelijk ook voortkwam uit het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, dat licht is al lang niet meer genoeg.
(a) Mensen hebben licht nodig om de goede weg van de verkeerde te onderscheiden.
(b) Mensen hebben licht nodig om de schoonheid van de goede weg te begrijpen. Die schoonheid omzoomt de weg van de waarheid aan beide kanten. Maar alleen een geest die door God is onderwezen, kan haar waarderen. Zelfs Jezus, Die de weg, de waarheid en het leven is, lijkt voor zo’n mens op “een wortel uit een dorre aarde”, tot de Heere zijn geest onderwijst. De zonde is de oorzaak van die blindheid. Hoe verder iemand op de weg van de zonde gaat, hoe minder hij van de schoonheid van heiligheid ziet.
- De verlichtende genade van de Heere. “Leer mij.” “Geef mij het verstand.” Deze genade (a) mag je vrijmoedig vragen: “Indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere.”
(b) Wordt vrijelijk gegeven. “Die een iegelijk mildelijk geeft.” “Bidt, en u zal gegeven worden.”
(c) Is ruimschoots voldoende. “En ik zal hem houden ten einde toe.” “En ik zal Uw wet houden.” Zien is volgen.
- De aansporende kracht van duidelijk geopenbaarde waarheid. “Ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.” Zien betekent niet alleen volgen, maar volgen met liefde en blijdschap. Over het licht dat voor de troon zal schijnen staat geschreven: “… wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.” “Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende”, nu al, op de weg die naar Uw tegenwoordigheid leidt. — F.G.M.
Verzen 33-35
Alfa en Omega.
- God is Degene Die geestelijk onderwijs geeft: Ps. 119:33.
- Hij geeft geestelijk inzicht, zonder welk dat onderwijs vergeefs is: Ps. 119:34.
- Hij geeft genade tot praktische gehoorzaamheid, als je zo onderwezen bent: Ps. 119:35.
- Voor hartelijke gehoorzaamheid: Ps. 119:34.
- Voor volharding tot het einde: Ps. 119:33. — C.A.D.
Verzen 33-36
De mens is afhankelijk van goddelijke hulp.
- Je kunt de weg van de Heere niet blijvend houden zonder de leiding van de Heere: Ps. 119:33.
- Je kunt de weg niet met je hart bewaren zonder goddelijk licht voor je verstand: Ps. 119:34.
- Je kunt de weg niet ijverig volgen voordat goddelijke energie aan je wil is gegeven: Ps. 119:35.
- Je kunt de weg niet werkelijk liefhebben, tenzij de liefde van God je hart in beweging brengt en voortdrijft: Ps. 119:36. Hij Die zei: “Zonder Mij kunt gij niets doen”, is nodig, zowel om de weg te zien en te begrijpen als om hem te bewandelen en lief te hebben. — F. G. M.
Uitleg
Vers 34
“Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden.” Dit is hetzelfde gebed, uitgebreid, of liever een aanvulling die het versterkt. Hij heeft niet alleen onderwijs nodig, maar ook het vermogen om te leren. Verstaan alleen is niet genoeg voor hem. Hij moet verstand krijgen. Wat heeft de zonde ons diep, heel diep laag gebracht! We missen zelfs het vermogen om geestelijke dingen te verstaan. Zolang we geen geestelijk onderscheidingsvermogen hebben gekregen, kunnen we ze helemaal niet kennen. Wil God ons echt verstand geven? Dat is een wonder van genade. Het wordt ons alleen nooit gegeven voordat we onze behoefte eraan kennen.
En we ontdekken die behoefte zelfs pas nadat God ons een beetje verstand heeft gegeven om haar te merken. We zitten in een toestand van ingewikkeld verderf. Alleen veelvuldige genade kan ons daaruit verlossen. Wie zijn eigen dwaasheid voelt, wordt door het voorbeeld van de psalmist aangemoedigd om om verstand te bidden. Laat ieder in geloof roepen: “Geef mij het verstand.” Anderen hebben het gekregen, waarom zou ik het dan niet kunnen krijgen? Voor hen was het een gave. Zal de Heere mij die ook niet vrijelijk schenken?
Zoek deze zegen niet om beroemd te worden om je wijsheid, maar om overvloedig te worden in je liefde tot Gods wet. Wie verstand heeft, leert het gebod van de Heere, onthoudt het, bewaart het en gehoorzaamt het. Het evangelie geeft ons de genade om de wet te houden. De vrije gave brengt ons tot heilige dienst. Er is maar één weg naar heiligheid: Gods gave aannemen. Als God geeft, dan houden wij. Maar de wet houden we nooit om genade te verdienen. Wie opnieuw geboren wordt en verstand ontvangt, krijgt vanzelf godvruchtige eerbied voor de wet en bewaart haar vastberaden in zijn hart.
De Geest van God laat ons de Heere kennen en iets begrijpen van Zijn liefde, wijsheid, heiligheid en majesteit. Daardoor gaan we de wet eren en geven we ons hart over aan de gehoorzaamheid van het geloof.
“Ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.” Verstand raakt ons gevoel. Het overtuigt het hart van de schoonheid van de wet, zodat de ziel haar met al haar krachten liefheeft. Daarna laat het de majesteit van de Wetgever zien, en onze hele natuur buigt zich voor Zijn hoogste wil. Een verlicht oordeel heelt de verdeeldheid van het hart. Het buigt alle gevoelens, die nu één zijn, tot een strikt en waakzaam houden van die ene levensregel. Alleen wie kan zeggen: “Mijn Heere, ik wil U dienen, en wel met mijn hele hart”, gehoorzaamt God.
Dat kan niemand echt zeggen, voordat hij als vrije gift de innerlijke verlichting van de Heilige Geest heeft ontvangen. Gods wet altijd met ons hele hart houden is een grote genade, en weinigen vinden haar. Toch kunnen we haar krijgen, als we ermee instemmen om door de Heere onderwezen te worden.
Let op de parallel met Ps. 119:2 en Ps. 119:10. Daar gaat het over het hele hart bij het zoeken, en in Ps. 119:58 bij het smeken om barmhartigheid. Het zijn allemaal tweede verzen in hun strofen van acht. Dat deze uitdrukking zo vaak terugkomt, toont hoe belangrijk een ongedeelde liefde is. Zolang het hart niet heel is, dat wil zeggen verenigd, is het nooit echt heilig. En het hart is pas één met God als het in zichzelf één is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 34
Het woord voor het verstand gesteld. “Geef mij het verstand.” Dit woord gaat over geestelijk begrip. Het is meer dan de blote wegwijzing waar het vorige vers om vroeg. David bidt hier: “Laat mij onderscheiden”, “Laat mij opmerken”, en dan met zijn verstand. “Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” De volgorde is deze. Eerst zien onze uiterlijke zintuigen de weg. Daarna begrijpt ons verstand haar. En dan volgt ons hart haar, met geloof en liefde. Zo zal ook de psalmist de wet houden met zijn hele hart, wanneer God hem haar laat verstaan. Toch trekt ons hart van nature naar aardse en zondige dingen. Daarom moet ook voor ons hart onmiddellijk goddelijke hulp worden gevraagd.
Vers 34
“Geef mij het verstand.” De psalmist gaat naar de wortel van de zaak. Dat heeft hij geleerd van de Geest, de Bron van alle onderwijs. Hij wilde niet alleen onderwezen worden zoals een meester dat doet. Hij wilde dat zijn geest werd omgevormd, op de manier waarop alleen de Schepper dat kan. Dat zit in de woorden besloten. “Geef mij het verstand”: laat mij verstaan. Hij wilde niet alleen iets weten, in zijn algemene aard. Hij wilde het begin, de uitkomst en het einde ervan doorgronden. Hij wilde de kracht krijgen om goed en kwaad te onderscheiden: geestelijk onderscheidingsvermogen.
Dan zou hij het rechte kunnen onderscheiden, en tegelijk alles wat ertegenin gaat. Hij wilde verstand, om de waarheid, Gods ware weg, te kennen, te onderscheiden en te waarderen, en om zorgvuldig alles te mijden wat ernaast ligt. — John Stephen.
Vers 34
“Geef mij het verstand.” Dat hebben we aan Christus te danken, want “de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven” (1 Joh. 5:20). — Matthew Henry.
Vers 34
“Verstand.” Ons verstand is de loods en de gids van de hele mens. Het staat aan het roer van de ziel. Maar de ervarenste gids kan in het donker verdwalen, en zo kan ook ons verstand de weg kwijtraken zonder het licht van kennis. “Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed” (Spr. 19:2). Zonder kennis is ook het leven niet goed en de uiterlijke toestand niet veilig (Ef. 4:18). “Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is” (Hos. 4:6).
In de Schrift wordt goddeloosheid en allerlei misstappen gewoonlijk toegeschreven aan onwetendheid. Kwalen in het lichaam komen vaak voort uit stoornissen in het hoofd. Zo komen buitensporigheden in de praktijk vaak voort uit dwalingen in het oordeel. En inderdaad: in elke zonde zit onwetendheid en dwaling als grond. Wisten zondaars echt wat ze doen wanneer ze zondigen, dan zouden we van elke zonde kunnen zeggen wat de apostel zegt over die ene grote zonde: “Indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben” (1 Kor. 2:8). Wisten ze echt dat elke zonde de Heere tot jaloersheid tergt?
Dat ze oorlog verklaart aan de hemel? Dat ze de Heere Jezus opnieuw kruisigt? Dat ze toorn opstapelt voor de dag van de toorn? En dat vergeving, als die ooit komt, niet minder kost dan de prijs van Zijn bloed? Dan zou het bijna onmogelijk zijn dat de zonde niet schrikwekkend was, in plaats van aanlokkelijk, en dat ze niet afschrikte, in plaats van te verleiden. — Uit de “Recommendatory Epistle prefixed to the Westminster Confession and Catechisms.”
Vers 34
“Met gansen harte.” Alles wat een mens is, hoort aan God. Daar zijn alle mogelijke gronden voor en elke titel. Vraagt Hij dus om het hele hart, dan eist Hij alleen wat Hem toekomt. Het geheel is ons door God gegeven toen Hij ons schiep. Hij houdt het geheel in stand, verlost het geheel en belooft het geheel te verheerlijken. Stel dat we bij onze schepping verminkt waren geweest, geboren zonder handen of voeten. Dan hadden we er verdriet over gehad. Stel nu dat God ons aan onszelf zou overlaten, en we dat stukje zouden houden dat we voor Hem hadden achtergehouden.
Of dat Hij bij onze dood zo’n verdeling zou maken en maar een deel mee naar de hemel nam. Of dat Christus ons maar voor een deel had gekocht! Maar zo is het niet: “Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn” (1 Kor. 6:20). Heb je iets goeds van God in jezelf ervaren? Dan heeft Hij het geheel geheiligd, op de manier van het evangelie. Dat wil zeggen: elk deel van jou. “En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus” (1 Thess. 5:23).
Dus niet alleen je geweten, maar ook je wil en je gevoelens, je eetlust en je lichaam. En alles heb je aan Hem gegeven, om Hem ermee te dienen: “Ik ben mijns Liefsten!” Niet een deel, maar het geheel. Ananias kon Hij niet verdragen, want die hield een deel van de prijs achter. Alles zijn we Hem verschuldigd, zonder uitzondering. Soms willen de wereld, het genot, de eerzucht, de hoogmoed, de hebzucht of een onkuise liefde een stukje van ons hebben. Bedenk dan: wij hebben geen gevoelens om vrij over te beschikken zonder Gods toestemming.
Alles is van Hem. Wie ook maar iets van God afneemt of achterhoudt, maakt zich schuldig aan heiligschennis. Zou ik weggeven wat van God is, om de wereld, het vlees en de duivel tevreden te stellen? — Thomas Manton.
Verzen 34-35
“Geef mij het verstand.” “Doe mij treden.” Het verstand dat hij vraagt, voert tot gaan, en daarvoor zoekt hij het. Als God onderwijst, werkt dat gehoorzaamheid uit. Hij laat ons het pad van het leven zien, en Hij zet ons erop in beweging. Zulk onderwijs geeft kracht. Het maakt de trage wil wakker en breekt de macht van verdorven neigingen. Het verdrijft de trage wil, en ook de duisternis die verdorvenheid en zonde in het verstand hebben gebracht. Daardoor worden we buigzaam en gewillig om te gehoorzamen. Het geeft niet alleen het willen, maar ook het doen. Kortom: het trekt ons in een waakzame, zorgvuldige, gelijkmatige en blijvende gehoorzaamheid. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 34
Wat het verstand met het hart doet, en wat verstand en hart samen vermogen over het leven.
Vers 34
Zien en liefhebben.
- Wie ziet, heeft lief (het hele vers).
- Wie liefheeft, ziet. Alleen een liefhebbend hart zou genoeg hebben gezien om zo’n vers te schrijven. — F. G. M.
Uitleg
Vers 35
“Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.” “Want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.” U hebt mij de weg laten liefhebben, laat mij er nu ook op lopen. Anderen gaan door Uw genade over een duidelijk pad. Ik zie het, en ik bewonder het. Laat mij ook op reis gaan! Zo roept een kind dat wil lopen, maar nog te zwak is. Zo roept een pelgrim die uitgeput is, maar hijgt om weer verder te trekken. Zo roept een kreupele die ernaar smacht te kunnen rennen.
Het is gezegend om vermaak te hebben in heiligheid. Zeker zal Hij Die ons dat vermaak gaf, in ons ook de nog hogere vreugde werken om heiligheid te bezitten en te beoefenen. Dat is onze enige hoop, en we hebben geen andere nodig. Op het smalle pad komen we pas, als onze Maker ons er met Zijn eigen macht heen brengt. O U, Die mij eens hebt gemaakt, ik bid U: maak mij opnieuw. U hebt mij laten weten, laat mij nu ook gaan. Ik zal nooit gelukkig zijn voordat het zover is, want mijn enige vermaak is wandelen naar Uw gebod.
De psalmist vraagt de Heere niet om te doen wat hij zelf moet doen. Hij wil zelf gaan, treden op het pad van het gebod. Hij vraagt niet om gedragen te worden terwijl hij werkeloos blijft liggen. Hij bidt: “Doe mij treden.” Genade behandelt ons niet als blokken of stenen, die door paarden of machines worden voortgesleept. Ze behandelt ons als schepselen met leven, verstand, een wil en werkzame krachten. Die zijn gewillig en in staat om zelf te gaan, als ze er eenmaal toe zijn gebracht. God werkt in ons, zodat wij zowel willen als doen naar Zijn welbehagen.
Heiligheid, waar wij naar streven, is geen gedwongen naleving van een gebod. Het is toegeven aan een hartelijke passie voor het goede, en die vormt ons leven naar de wil van de Heere. Kan de lezer zeggen: “daarin heb ik lust”? Is praktische godzaligheid het kleinood van je ziel, de prijs waar je geest naar verlangt? Dan zal het pad van je leven, hoe ruw ook van buiten, rein zijn en je ziel omhoogvoeren naar onuitsprekelijke vreugde. Heb je lust in de wet? Twijfel er dan niet aan dat je in staat gesteld wordt om op haar wegen te lopen. Waar het hart zijn vreugde al heeft gevonden, volgen de voeten vanzelf.
Vergelijk dit met het overeenkomstige vers in de vorige strofe (Ps. 119:27): “Geef mij … te verstaan” (Engels: doe mij verstaan). Hier staat: “Doe mij treden.” Let op de volgorde: eerst verstaan, dan gaan. Een helder verstand helpt enorm bij handelen in de praktijk. In de laatste paar strofen van acht is het vierde vers het hartevers geweest: zie Ps. 119:20, Ps. 119:28 en nu Ps. 119:36. In alle eerdere vierde verzen valt inderdaad een grote hartelijkheid op. Ook dát laat zien hoe zorgvuldig en doordacht dit heilige lied is opgebouwd.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 35
Het woord voor de voeten gesteld. Het woord voor “doe mij treden” komt van een werkwoord dat “met de voeten treden” en “vertrappen” betekent. “Doe mij treden” doelt hier dus op echt wandelen op de goddelijke weg. Dat is iets anders dan de weg alleen maar zien met je ogen en je verstand. Bij praktisch wandelen komen de echte moeilijkheden van de weg scherper in beeld. Daarom staat hier niet meer het woord uit Ps. 119:33, dat een brede, open weg kan betekenen. Het is een woord dat volgens Gesenius “nooit een openbare en koninklijke weg aanduidt, zoals door kunst werd aangelegd en gevormd, maar altijd een voetpad.” De jongere Buxtorf vertaalt het daarom met Semita. Gaan de voeten haar werkelijk betreden? Dan blijkt altijd van de weg van de waarheid: “de weg is nauw, die tot het leven leidt.”
Vers 35
“Doe mij treden op het pad Uwer geboden.” In de vorige verzen vroeg David om licht. Nu vraagt hij om kracht om in dat licht te wandelen. We hebben niet alleen licht nodig om onze weg te kennen, maar ook een hart om hem te gaan. Richting is nodig, want onze geest is blind. En de krachtige aandrijving van de genade is nodig, want ons hart is zwak. Het is niet genoeg om de waarheid alleen voor je te zien, als je haar niet omhelst en nastreeft. We hebben dus een dubbele hulp van God nodig: ons verstand moet verlicht worden, en onze wil moet bewogen worden en gewillig gemaakt.
Een christen heeft de taak niet in diepzinnig bespiegelen, maar in hoog gaan in de praktijk. Het bijzondere van Gods genade is dat God eerst leert wat gedaan moet worden, en ons daarna laat doen wat we geleerd hebben: “Doe mij treden op het pad Uwer geboden.” — Thomas Manton.
Vers 35
“Het pad Uwer geboden.” Waarom heten Gods geboden “paden”? Een pad is smal, kort, recht en schoon, en alleen bedoeld voor wandelaars. Paarden en wagens kunnen er niet door. Zo ziet de weg van de HEERE eruit naast de wegen van het vlees en de wereld. Die zijn allemaal breed, vuil en krom, en redeloze dieren lopen erover, het beeld van de vleselijke, dierlijke mens. David noemt ook een reden waarom hij verhoord moet worden: “want daarin heb ik lust.” Door Gods genade heb ik dit pad gekozen en verlang ik ernaar erop te lopen. Het is dan maar redelijk, ja zelfs rechtvaardig, dat Hij Die het willen geeft, ook de genade geeft om het uit te voeren. Zo zegt de heilige Paulus het zelf: “Die in u werkt beide het willen en het werken.” — Robert Bellarminus.
Vers 35
Het gaat om “het pad Uwer geboden”. Dat is geen nieuwe route, maar de oude, platgetreden weg waarop alle dienaren van God vóór hem hebben gelopen. Daarom gaven de Grieken hem de naam tribon, quasi viam tritam (zoals Euthymius opmerkt). Wat is die weg ook platgetreden door de voeten van velen, door heel veel voeten door de eeuwen heen! Toch geeft David toe dat het er maar één is, en bovendien een smal pad dat moeilijk vol te houden is. Daarom vraagt hij of hij daarop geleid mag worden, stap voor stap. — William Cowper.
Vers 35
“Het pad.” Het is een pad, geen openbare weg. Er loopt geen dier en zelden een mens. — Adam Clarke.
Verzen 35, 37
“Het pad.” “Uw wegen.” Hindoes noemen een leerlijn van een of andere sekte panth, dat is: weg. Die leerlijn volgen ze om mukti te bereiken, verlossing van de zonde. Een weg is dus het belangrijkste middel naar een doel. Het woord wordt toegepast op de Schriften, Ps. 119:27, op Gods raadsbesluiten en op Gods werken. Deze geestelijke weg is: (1) makkelijk te vinden, Jes. 35:8, (2) schoon, zonder modder van zonde, (3) nooit slecht onderhouden, want Christus is nu dezelfde als 6.000 jaar geleden, (4) vrij van leeuwen of wilde dieren, (5) kostbaar, want het bloed van Christus heeft hem aangelegd, (6) niet eenzaam, want veel gelovigen lopen erop, Hebr. 12:1, (7) zonder tol, want iedereen mag komen, (8) breed.
De weg naar de vrijsteden was achtenveertig voet breed. De landkaart van de Bijbel laat ons dit pad zien. (9) Het einde is aangenaam: de hemel. — J. Long, in “Eastern Proverbs and Maxims illustrating old Truths”, 1881.
Verzen 35-36
“Want daarin heb ik lust.” “Neig mijn hart tot Uw getuigenissen.” Het hart van Gods kind is nooit zó volmaakt op God gericht, dat het niet steeds terugvalt in zijn oude neiging en aard. Zelfs de besten merken dit. Hebben ze huizen, land en alles naar wens? Dan kunnen ze hun gevoelens veel minder los van de wereld houden dan wanneer ze arm en kaal gehouden worden. Naarmate wereldse dingen toenemen, kan hun liefde voor hemelse dingen afnemen. Er wordt over Pius Quintus verteld dat hij over zichzelf zei: toen hij voor het eerst tot de wijdingen werd toegelaten, had hij nog wat hoop op zijn zaligheid.
Als kardinaal begon hij te twijfelen. En sinds hij paus was, wanhoopte hij er bijna aan. Heel wat mensen zien een grote verandering in zichzelf, naarmate het hun in de wereld beter gaat. Hun ijver voor Gods eer neemt af, evenals hun liefde voor Gods woord, hun smaak erin en hun gedachten aan hemelse dingen. Het is verstandig om dat op te merken voordat het kwaad groter wordt. Argwaan en voorzichtigheid zijn nodig om te voorkomen dat dit kwaad binnenkomt en begint. Net zo hebben we oplettendheid nodig om te voorkomen dat het groeit. Krijgt de wereld te veel zeggenschap in ons hart?
Trekt ze ons van God weg en lokt ze ons, en wordt ons vermaak in Gods wegen en onze ijver voor Zijn eer zwakker? Dan moeten we onszelf vaak herinneren hoe moeilijk het is voor een rijke om het koninkrijk van de hemelen binnen te gaan. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 35
Het gebed van een kind en het vermaak van een kind. Of: ons genoegen in heiligheid als pleitgrond voor genade.
Vers 35
- Vermaak beleden.
- Onwil gesuggereerd.
- Dwang afgesmeekt. — W. W.
Uitleg
Vers 36
“Neig mijn hart tot Uw getuigenissen.” Is dit gebed niet overbodig, vraag je misschien? Davids hart was toch gericht op gehoorzaamheid. Toch is één ding zeker: in de Schrift staat nooit een woord te veel. David had gevraagd om deugd die iets doet. Daarna paste het dat de man van God smeekte dat zijn hart meedeed in alles wat hij deed. Wat zijn zijn stappen waard zonder een hart dat meegaat? Misschien voelde David een afdwalend verlangen, een buitensporige trek van zijn ziel naar wereldse winst. Misschien sloop die zelfs in zijn meest godvruchtige overpeinzingen, en riep hij meteen om meer genade.
Een verkeerde neiging genees je door de ziel de tegenovergestelde kant op te buigen. Heiligheid van hart is het geneesmiddel tegen hebzucht. Wat een zegen dat we de Heere zelfs om een neiging mogen vragen, om een richting van ons innerlijk! Onze wil is vrij. Toch kan de genade ons de goede kant op laten neigen zonder die vrijheid aan te tasten. Ze doet dat door ons verstand te verlichten over hoe voortreffelijk gehoorzaamheid is, door onze gewoonten van deugd te versterken, door ons de zoetheid van godsvrucht te laten proeven en op nog veel meer manieren.
Is er een plicht waar we tegenop zien? Dan moeten we dit gebed juist daarover bidden. Alle getuigenissen van de Heere moeten we liefhebben. Schieten we op één punt tekort? Dan moeten we daar dubbel op letten. Waar het hart naartoe neigt, daarheen helt het leven over. Daarom heeft de bede zoveel kracht: “Neig mijn hart.” Gelukkig is wie van nature de neiging heeft om alles te willen wat goed is. Een vleselijk hart doet dat nooit. Al zijn neigingen gaan lijnrecht in tegen de goddelijke getuigenissen.
“En niet tot gierigheid.” Gierigheid is waar onze natuur naartoe helt, en genade moet daar nee tegen zeggen. Deze ondeugd is evenzeer algemeen als schadelijk, evenzeer laag als ellendig. Ze is afgoderij, en zet dus God van Zijn troon af. Ze is zelfzucht, en dus wreed voor iedereen in haar macht. Ze is lage hebzucht, en zou de Heere Zelf voor zilverstukken verkopen. Het is een zonde die ons verlaagt, laat kruipen, hard maakt en verdooft, tot we niets meer voelen. Alles wat er in haar buurt liefelijk is en op Christus lijkt, laat ze verdorren.
Wie gierig is, behoort tot het geslacht van Judas, die de Heere verkocht, en blijkt waarschijnlijk zelf een zoon van het verderf te zijn. Gierigheid komt overal voor, maar zeer weinig mensen geven toe dat zij haar hebben. Wie goud in zijn hart opstapelt, krijgt namelijk het stof ervan in zijn ogen, en kan zijn eigen fout niet zien. Ons hart heeft iets nodig om naar te verlangen. De enige manier om wereldse winst eruit te houden, is de getuigenissen van de Heere in haar plaats te zetten. Buigen of neigen we naar de ene kant? Dan worden we van de andere kant afgekeerd. De negatieve deugd bereik je het zekerst door je zeker te stellen van de positieve genade die haar onvermijdelijk voortbrengt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 36
Het woord voor het hart gesteld. “Neig mijn hart tot Uw getuigenissen.” Het baat helemaal niets dat onze ogen zien, ons verstand begrijpt en zelfs onze voeten op de weg van de waarheid worden gezet, als ons hart er niet ook toe geneigd wordt. “Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid.” Zonder liefde zijn we, volgens 1 Kor. 13:1-3, niets, hoeveel we ook hebben en hoeveel we ook doen. Zo is de strekking van deze vier doordachte smeekbeden in dit deel de volgende: Laat mij zien, laat mij verstaan, laat mij binnengaan, en laat het liefhebben binnengaan op het gebaande, smalle pad van Uw getuigenissen.
Voor zover ik kan nagaan, geeft Luther de zin van deze uitleg bijna precies weer. Hij vertaalt de beginwoorden van Ps. 119:33-36 namelijk met uitdrukkingen die achtereenvolgens betekenen: “Wijs mij aan”, “Leg mij uit”, “Leid mij” en “Neig (buig, laat hellen) mijn hart”, enz.
Vers 36
“Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.” We moeten ervan overtuigd raken dat gierigheid, ik bedoel onze gierigheid, een ondeugd is. Ze heeft namelijk iets weg van een deugd, van zuinigheid, die zich niet richt op wat je al hebt. Daardoor denken we dat ze geen ondeugd is. Vaak zeggen we dat het goed is om een beetje wereldsgezind te zijn. We vinden een beetje gierigheid best goed. Dat bewijst dat we haar diep van binnen niet als zonde zien. Want is zonde niets waard, dan kan een beetje zonde ook niet goed zijn.
Je kunt net zo goed zeggen dat een beetje vergif goed is, zolang het niet te veel is. Zo zie je ouders tegen hun kinderen tekeergaan over uitgeven, en klaarstaan om hen het huis uit te zetten als ze zich aan verspilling overgeven. Maar zijn de kinderen zuinig en krenterig? Dan vinden ze dat te goed. Ik ken nauwelijks een vader die zijn kinderen gewoonlijk aanspoort om niet te sparen of te potten. Ik weet dat jonge mensen eerder naar de andere kant hellen en vatbaarder zijn voor verspilling en verkwisting. Hun natuurlijke warmte is snel en actief.
Daarom is er meer angst en gevaar dat zij verkwisters worden, en dus kan en moet je tegen de jeugd in die richting meer zeggen en doen. Maar dit wil ik benadrukken: worden onze kinderen al jong gierig en wereldsgezind? Dan noemen we hen goede huishouders, en dan zijn we er te blij mee en te trots op. Weinigen denken eraan dat wereldsgezindheid een bijzonder schuldige zonde is tegenover God en schadelijk voor mensen. Hoor wat Gods woord erover zegt in Ef. 5:5: het is afgoderij, en afgoderij is de eerste zonde van de eerste tafel.
Het is een wortel van alle kwaad, 1 Tim. 6:10. Er bestaat geen kwaad dat een wereldsgezind mens niet doet om zijn beurs te sparen. Zo bidt David: “Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.” Hij zegt niet: dit of dat getuigenis. Omdat hij alle wetten van God bedoelt, zegt hij “getuigenissen”. Zo laat hij ons duidelijk zien dat gierigheid ons niet van sommige, maar van alle geboden van God aftrekt. De heilige Paulus zegt: waar gierigheid is, zijn “vele … begeerlijkheden”, 1 Tim. 6:9, en “vele smarten”, 1 Tim. 6:10. Ze zijn het “welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang”, 1 Tim. 6:9.
Het Griekse woord betekent een verdrinking waarbij bijna alle hoop en herstel is verdwenen. Gierigheid is het vergif van elke samenleving. Mensen klagen erover omdat ze niemand gierig willen hebben, niemand rijk behalve zijzelf. Een gierigaard haat de mensheid. Hij haat alle armen, want die zouden hem iets kunnen vragen. En hij haat alle rijken, omdat die hebben wat hij zou willen hebben. Een gierigaard zou alles willen hebben wat iedereen heeft. Zo spreekt een edele kerkvader (Chrysostomus), en hij heeft gelijk. Zulke mensen geloven het woord niet. Ze vertrouwen God niet en ook mensen niet, want wie God niet vertrouwt, kan geen mensen vertrouwen.
Gierigheid berooft God van het vertrouwen dat we in Hem moeten hebben en van de afhankelijkheid die we Hem verschuldigd zijn. Ze keert een mens af van alle geboden. Daarom bidt de profeet God zijn hart tot Zijn geboden te neigen, “en niet tot gierigheid.” Want we behoren dat niet te doen. Sterker nog, zoals het gezegde luidt: “gij kunt God niet dienen en den Mammon”, Luk. 16:13. Daarom klinkt zijn bede zo krachtig en zo dringend. — Richard Capel, in “Tentations: their Danger, Cure”, 1655.
Vers 36
“Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.” Als niemand het hart tegenhoudt, is het er licht toe geneigd af te dwalen naar de zijpaden van de kleinzielige jacht op geld. Het geneesmiddel moet van boven komen. Daarom vraagt de psalmist om hulp uit de hemel. — Henry Law.
Vers 36
“Neig mijn hart.” Was ons hart van nature en uit zichzelf op de gerechtigheid van de wet gericht, dan had de psalmist niet hoeven te bidden: “Neig mijn hart.” Zijn gebed bewijst dus iets anders. Ons hart zit vol zondige gedachten en verzet zich helemaal, totdat God het door Zijn genade verandert. — Johannes Calvijn.
Vers 36
“Neig mijn hart.” Eerder in dit gedeelte had David gevraagd om inzicht en leiding, zodat hij de wil van de Heere zou leren kennen. Nu vraagt hij om een hart dat neigt naar het doen van die wil.
Ons verstand moet niet alleen verlicht worden. Ook onze wil moet geraakt en veranderd worden. Uit zichzelf wil het hart van de mens niets van God en heiligheid weten. Dat geldt zelfs wanneer het verstand scherp geslepen is en vol zit met verheven gedachten over God. Daarom bidt David niet alleen: “Geef mij het verstand”, maar ook: “Neig mijn hart.” Wereldsgezind zijn we van onszelf wel, maar heilig en hemels worden we nooit uit eigen kracht. Dat moeten we vragen aan Hem Die “de Vader der lichten” is, van Wie “alle goede gave, en alle volmaakte gifte” afkomt.
Wie opkomt voor de kracht van onze natuur, maakt het gebed overbodig. Augustinus zei het veel beter: Naturn vera confessione non falsa defersione opus habet. Wij moeten liever onze zwakheid belijden dan onze kracht verdedigen. Zo doet David, en zo doet werkelijk elke gebroken christen die heeft ervaren hoe zijn eigen ziel zich laat meetrekken. Hij komt bij God en zegt: Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. — Thomas Manton.
Vers 36
“Neig.” Dan zal ik niet afwijken. — James G. Murphy.
Vers 36
“Tot Uw getuigenissen.” Het contrast is bijzonder opvallend en scherp. Aan de ene kant staan de getuigenissen van God, aan de andere kant staat “gierigheid”. God staat aan de ene zijde en de wereld aan de andere. De wedergeboren mens moet tussen die twee kiezen. Hij heeft daar geen lange bedenktijd voor nodig, want zijn keuze is zonder aarzeling God. — John Stephen.
Vers 36
“Niet tot gierigheid.” Hij bidt vooral dat zijn hart van de gierigheid weggehouden wordt. Gierigheid is niet alleen een kwaad, maar volgens de apostel zelfs “een wortel van alle kwaad”.
David zet haar hier neer als de vijand van alles wat rechtvaardig is in de getuigenissen van God. Ze draait de natuurlijke orde om en maakt van een hemelse ziel een aardse. Ze is de dienstmaagd van alle zonden, want een gierigaard dient elke zonde die hem winst oplevert. Voor alle zonden moeten we op onze hoede zijn, maar het meest voor de moederzonden. — William Cowper.
Vers 36
Gierigheid, of beter gezegd: “onrechtmatig verkregen winst.” (…) Het Hebreeuwse woord euk kan alleen roof, plundering en oneerlijk gewin betekenen. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 36
Gierigheid. Bonaventura zegt in zijn commentaar op onze psalm dat we gierigheid moeten haten, mijden en wegdoen. We moeten haar haten, want ze valt het natuurlijke leven aan. We moeten haar mijden, want ze staat het leven van de genade in de weg. En we moeten haar wegdoen, want ze verspert het leven van de heerlijkheid. Clemens van Alexandrië noemt gierigheid de vesting van alle ondeugden, en volgens Ambrosius is ze het verlies van de ziel. — Thomas Le Blanc.
Vers 36
Gierigheid. Ik wil de lezer vragen dit serieus te overdenken: het gebod “Gij zult niet begeren” staat weliswaar als laatste in de rij, maar het wordt veel te vaak als eerste overtreden. Het hebzuchtige hart van de mens loopt immers voorop in de overtreding. — William Crouch, in “The Enormous Sin of Covetousness detected”, 1709.
Vers 36
Gierigheid is een maatloos verlangen naar rijkdom, waarin meerdere kwalen samenkomen. Ten eerste een overdreven liefde voor rijkdom, waardoor we ons hart eraan hangen. Ten tweede het vaste besluit om rijk te worden, op een eerlijke of een oneerlijke manier, 1 Tim. 6:9. Ten derde veel te veel haast bij het bijeenbrengen van bezit, samen met ongeduld bij elke vertraging, Spr. 28:20; Spr. 28:22; Spr. 20:21.
Ten vierde een onverzadelijke honger die nooit gestild wordt. Hebben ze te veel, dan willen ze nog meer, en genoeg krijgen ze nooit, Pred. 4:8. Ze lijken op de bloedzuiger, Spr. 30:15, op de waterzucht en op de hel zelf, Spr. 27:20. Ten vijfde een vrekkige hardnekkigheid, waardoor ze hun goederen voor zich houden, zowel voor anderen als voor zichzelf. Ten zesde wreedheid, Spr. 1:18-19, die zichtbaar wordt in hun onbarmhartigheid en in de onderdrukking van de armen.
Gierigheid is een allerergste ondeugd, want ze is afgoderij en “een wortel van alle kwaad”, Kol. 3:5, 1 Tim. 6:10. Ze is een giftige doorn die alle genade verstikt en het zaad van het Woord smoort, Matth. 13:22. Ze doorboort mensen met veel smarten, 1 Tim. 6:10, en laat hen zinken in ondergang en verderf. — James Usher, 1580-1655.
Wenken voor predikers
Vers 36
Heiligheid als remedie tegen gierigheid.
Vers 36, 112
God en mens aan het werk in onze zaligheid.
- God is het Die in jou werkt: Ps. 119:36.
- Werk daarom je eigen zaligheid uit met vreze en beven: Ps. 119:112. — C.A.D.
Uitleg
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Hij had al voor zijn hart gebeden. Je zou denken dat de ogen zo sterk door het hart worden gestuurd, dat een afzonderlijk gebed voor hen overbodig is. Maar onze dichter wil dubbel zeker zijn. Zien de ogen niets, dan verlangt het hart misschien ook niets. In elk geval is er dan één deur voor de verleiding dicht, als we niet eens meer naar het bonte speelgoed kijken. De zonde kwam de mens voor het eerst binnen via het oog, en het blijft een geliefde ingang voor de verlokkingen van Satan.
Daarom moet die poort dubbel bewaakt worden, dag en nacht. Het gebed is niet zozeer dat de ogen dichtgaan, maar dat ze “afgewend” worden. We hebben ze namelijk open nodig, al moeten ze naar de juiste dingen kijken. Misschien staren we op dit moment naar iets dwaas. Dan moeten onze ogen daar vandaan gedraaid worden. En kijken we juist naar hemelse dingen, dan doen we er verstandig aan te bidden dat onze ogen van het ijdele weggehouden worden. Waarom zouden we naar het ijdele kijken? Het lost op als damp. Waarom zouden we niet naar de eeuwige dingen kijken?
Zonde is ijdelheid. Onrechtmatig gewin is ijdelheid. Eigendunk is ijdelheid. Eigenlijk valt alles wat niet uit God is onder dezelfde noemer. Daar moeten we ons van afwenden. Hoe zwak de psalmist zich voelde en hoe volkomen hij op God leunde, blijkt uit zijn verzoek dat Hij zijn ogen voor hem afwendt. Zelf werkloos toekijken wilde hij nadrukkelijk niet. Hij wilde uitspreken dat hij zonder Gods genade volkomen hulpeloos staat. Hij vreest dat hij zichzelf vergeet en met een slepend verlangen naar verboden dingen blijft staren. Daarom smeekt hij de Heere: draai mijn ogen gauw weg, en sleur mij weg uit dit gevaarlijke gesprek met de ongerechtigheid.
Worden we ervoor bewaard naar het ijdele te kijken, dan worden we ook bewaard voor de liefde tot de ongerechtigheid. “Maak mij levend door Uw wegen.” Geef mij zoveel leven dat het dode ijdele geen vat op mij heeft. Laat mij zo snel over de weg naar de hemel gaan dat ik nooit lang genoeg in het zicht van het ijdele blijf staan om erdoor betoverd te raken. Dit gebed raakt onze diepste nood: meer leven in onze gehoorzaamheid. Meer leven beschermt ons sterk tegen het kwaad om ons heen, en dat laat dit gebed zien.
En het zegt ook waar dat leven vandaan moet komen: van de Heere alleen. Levenskracht is het geneesmiddel tegen ijdelheid. Is het hart vol genade, dan worden de ogen schoongewassen van onreinheid. Willen we omgekeerd vol leven zijn in de dingen van God, dan moeten we ver wegblijven van zonde en dwaasheid. Anders neemt het oog al snel de geest gevangen. Dan kunnen we, net als Simson die duizenden versloeg, zelf overwonnen worden door de begeerten die door het oog binnenkomen. Dit vers loopt gelijk met Ps. 119:21 en Ps. 119:29 in de vorige achtdelen: “scheldt”, “wend van mij”, “wend af”, of “hovaardigen”, “valsheid”, “ijdelheid”.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 37
“Wend mijn ogen af”, enz. Letterlijk: “Laat mijn ogen voorbijgaan zonder de ijdelheid te zien.” Hij wil als het ware zeggen: laat mij alles wat ijdel is voorbijlopen, zonder dat ik het zie. Die gedachte lijkt sterk op het gebed van onze Heere: “En leid ons niet in verzoeking.” Eerst bad de psalmist om wat hij wél wilde zien. Nu bidt hij dat voor hem verborgen blijft wat hij niet wil zien.
Vers 37
“Wend mijn ogen af”, enz. Eerst bad hij voor zijn hart, nu bidt hij ook voor zijn ogen. Omnia a Deo petit, docens, illum omnia efficere. Door de ogen, als door vensters, komt vaak de dood het hart binnen. Om het hart gezond te houden zijn daarom drie dingen nodig. Ten eerste een zorgvuldige waakzaamheid over onze zintuigen, vooral over de ogen. Het is namelijk een rechtvaardige werking van de Heere, ut qui exteriori oculo negligenter utitur, intertori non injuste caecetur: wie het uiterlijke oog van zijn lichaam slordig gebruikt, wordt terecht gestraft met blindheid van het innerlijke oog van zijn geest.
Daarom wenste Gregorius van Nazianze, toen hij de rampen van zijn ziel betreurde, dat er een deur voor zijn ogen en oren stond. Dan kon hij ze meteen sluiten zodra ze zich openden voor iets wat niet goed is. Malis autem sua sponte uturumque clauderetur. Ten tweede is het nodig het lichaam te beteugelen door tucht. En ten derde is volharding in het gebed nodig. — William Cowper.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Let erop dat hij niet zegt: ik zal mijn ogen afwenden, maar: “Wend mijn ogen af.” Daaruit blijkt dat we onze ogen nooit voldoende kunnen bewaken met onze eigen voorzichtigheid en ijver.
Er moet een bewaring van God bij komen. Want ten eerste ontmoet je overal in deze wereld prikkels tot zonde, waar je je ook heen wendt. Ten tweede dwalen bij onoplettende mensen, en bij zeer uiteenlopende personen, de ogen als dienaren van een verdorven hart rond naar de dingen die ijdelheid zijn. Ten derde kruipt het kwaad dat door de ogen is opgedaan, voordat je het merkt, naar de binnenste schuilhoeken van het hart. Daar strooit het het zaad van het verderf uit. De psalmist zelf had dit ondervonden, niet zonder de grootste benauwdheid in zijn hart en in zijn levensomstandigheden. — Wolfgang Musculus, 1563.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Het kan vreemd lijken dat David zo bidt: “Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Het klinkt alsof God Zich zou bemoeien met waar wij naar kijken, of alsof wij zelf niet de macht hebben onze ogen te richten waarop we maar willen. Maar kijken we niet graag naar wat we graag hebben? En hebben we niet lief wat we graag zien? Bidden dat onze ogen het ijdele niet zien, is daarom hetzelfde als bidden om genade, zodat we het ijdele niet liefhebben.
De ijdelheid heeft uit zichzelf namelijk zo’n bekoorlijk uiterlijk, dat een natuurlijk mens er onmogelijk van af kan blijven kijken. Het moet dus het schonere gelaat van Gods genade zijn dat onze ogen van de ijdelheid wegtrekt, zodat ze naar die genade zelf gaan kijken. Van nature kijken de ogen immers altijd naar het schoonste. David bidt hier in het bijzonder tegen de verzoekingen van de voorspoed. Christus leert ons daarentegen in het algemeen te bidden tegen de verzoekingen van voorspoed én tegenspoed, en dat terecht. Veel mensen kunnen de verzoekingen van de ene soort aan, en vallen toch snel door die van de andere soort.
David kon vervolging verdragen zonder te morren. Maar toen de voorspoed kwam, kon hij zijn ogen niet afwenden van het ijdele. — Sir Richard Baker.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Naarmate we vaker naar iets afschuwelijks kijken, schrikt het ons minder af. Zo werkt het ook met de zonde. Willen we veilig blijven, dan moeten we haar volledig uit de weg gaan, tot in onze gedachten toe. Je mag in deze wereld blij zijn met je oogleden. Je kunt je ogen er immers mee sluiten, en dat moet je ook geregeld doen. — Albert Barnes.
Vers 37
“Wend mijn ogen af”, en dan “maak levend”, enz. Het eerste verzoek is dat alles wat de gehoorzaamheid in de weg staat, wordt weggenomen. Het tweede is dat er een nieuwe mate van genade bij komt. Die twee horen bij elkaar, want ze versterken elkaar vanzelf. Wenden we onze ogen niet af van het ijdele, dan verstart ons hart binnen de kortste keren. Dat komt vooral door de onbeperkte ruimte die we aan vleselijke ijdelheden geven. Staat ons gevoel open voor andere dingen, dan is het gesloten voor God. Geven we ons hart dus minder los aan die dingen, dan gaan we met meer vuur en vreugde aan de gehoorzaamheid.
Het werkt ook omgekeerd. Wordt de kracht van de genade vernieuwd en komen haar gewoonten in werkelijke oefening, dan wordt de zonde steeds verder gedood en onderworpen. De zonde sterft af, en onze zintuigen krijgen hun juiste taak terug. — Thomas Manton.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Om de zonde te ontlopen, moeten we uit de buurt blijven van alles wat naar haar toe leidt of haar aanlokt. Daarom sloot Job (Job 31:1) een vast verbond met zijn ogen, en daarom bad David zo vurig over zijn ogen.
“Wend mijn ogen af” (of, zoals het Hebreeuws ook te vertalen is: laat ze voorbijgaan), “dat zij geen ijdelheid zien.” Zodra er iets verstrikkends in beeld komt, blijft het oog er graag aan haken en blijft het erop rusten. Onze taak is dus om het snel te verjagen, of om te bidden dat God het eraf laat glijden. (…) Wie bang is voor brandwonden, moet niet met vuur spelen. Wie verdrinking vreest, moet wegblijven van diep water. Wie bang is voor de pest, moet geen besmet huis betreden. Kunnen mensen de zonde ontlopen als ze zelf de gelegenheid opzoeken? — Joseph Caryl.
Vers 37
“Wend mijn ogen af.” Want van kijken komt houden van, en van houden van komt begeren: 1 Joh. 2:16. Het Hebreeuws gebruikt voor een oog en een bron hetzelfde woord. Dat laat zien dat er uit het oog, als uit een bron, veel kwaad opwelt. Door dat venster kronkelt Satan zich geregeld de ziel in. David heeft dat aan den lijve ondervonden, en daarom bidt hij hier: “Wend af”, verplaats, laat voorbijgaan “mijn ogen”, enz. Hij wist hoe gevaarlijk het is om je blik te laten rondzwerven en eindeloos te blijven staren. — John Trapp.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Een kind van God dat zichzelf in de buurt van verleidelijke verzoekingen brengt, waagt een uiterst gevaarlijk experiment. Zijn gevoel voor plicht, zijn besef van eigen zwakheid, zijn herinnering aan het falen van anderen: alles moet hem aansporen zo ver mogelijk weg te blijven van het toneel van een onnodige strijd en van gevaar. — John Morison.
Vers 37
“Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Weg dus van het turen naar bedrieglijke luchtspiegelingen, die de pelgrim verleiden de veilige hoofdweg te verlaten. — William Kay.
Vers 37
Je vraagt misschien: “Wat zal mijn ogen het krachtigst van de ijdelheid losmaken?” Niet de stilte van een beschouwelijk, teruggetrokken leven. Ook niet dat we onze geoorloofde verbondenheid met de wereld opgeven. Maar wél de overweldigende schoonheid van Jezus, Die Zich aan onze ogen laat zien en onze harten aan Zich bindt. — Charles Bridges.
Vers 37
“Wend mijn ogen af”, enz. De koninklijke burcht van je ziel kan zomaar overrompeld worden, zolang je zintuigen als buitenposten onbewaakt blijven. Je ogen mogen sluizen zijn waardoor tranen naar buiten stromen. Laat ze geen vensters zijn waardoor begeerten naar binnen komen. Een slordig oog verraadt een hart zonder genade. Vergeet niet dat de hele wereld is omgekomen door een wond in het oog. De ogen van een christen horen op zonnebloemen te lijken, die alleen opengaan voor het schijnsel van de zon. — William Seeker, 1660.
Vers 37
In het Hebreeuws wijst “ijdelheid” vaak specifiek naar afgoden en alles wat bij afgodendienst hoort. De psalmist bidt dat hij zulke verleidelijke dingen nooit onder ogen hoeft te krijgen. — Henry Cowles.
Vers 37
“Maak mij levend.” Elke heilige heeft sterk de neiging om op Gods weg en in Gods werk te gaan luieren. “Maak mij levend”, zegt een van de grootste en beste heiligen, “door Uw wegen” (Engels: in Uw weg). Dat staat gelijk aan: “Ach, Heere! Ik ben een trage knol en heb vaak Uw sporen nodig, Uw Geest.” Dit gebed van David bewijst dit punt al genoeg. Wil je toch meer zekerheid, dan breng ik een argument instar omnium naar voren, “dat niemand durft te ontkennen en niemand kan weerleggen”. Het komt uit het gebied van je eigen ervaring, en dat is een argumentum lugubre, als een lijkzang, “zeer droevig en treurig”.
Ontdek je niet tot je eigen verdriet dat het met jou precies andersom gaat? Je zou moeten wenen alsof je niet weende, je verblijden alsof je je niet verblijdde en kopen alsof je niets bezat. Maar inverso ordine, “in omgekeerde orde”, huil je om je verliezen alsof je je ogen uit je hoofd wilde wenen. Je jubelt over tijdelijk gemak alsof je al in de hemel was. En je koopt alsof het voor eeuwig en een dag was (Ps. 49:12). Maar e contrario, “daarentegen”, bid je alsof je niet bad, luister je alsof je niet hoorde en dien je God alsof je niets deed.
Nu weten wij: experto credas (“Schenk geloof aan wat u zelf beproefd hebt”). Iemand die vastzit in een sloot, heeft geen bewijs nodig dat hij erin zit. Hij heeft hulp nodig om eruit te komen. Stel daarom liever de vraag hoe je deze ongewenste gast, de geestelijke luiheid, kunt kwijtraken. Dat geldt voor ons allemaal. Asini aures quis non habet (“wie heeft niet de oren van een ezel?”). In ieder mens en sterveling zit iets van de botheid en traagheid van een ezel. — Simmons, in “The Morning Exercises”, 1661.
Vers 37
“Maak mij levend.” Het gebed is nog zo’n verordening die levend maakt. Hoe vaak vraagt David om levendmakende genade? Vijf of zes keer in één psalm! Veel gebeden begint hij met een zwaar hart, en nog vóór het amen is hij vol leven. Bid dus veel, want al het leven komt van God, en Hij maakt levend wie Hij wil. Eén waarschuwing nog, voordat ik hier verder ga: let erop dat je verstand en je gevoel in elke verordening, en in elk onderdeel daarvan, hand in hand gaan. Alleen dan maakt de verordening je werkelijk levend. — Matthew Lawrence, in “The Use and Practice of Faith”, 1657.
Vers 37
“Uw wegen” (Engels: Uw weg). Dit wordt nadrukkelijk gezegd, om die weg te onderscheiden van alle andere wegen en hem er hoog boven te plaatsen. Er zijn vier wegen:
- Via mundi, de weg van de wereld, en die is spinosa, doornig.
- Via carnis, de weg van het vlees, en die is insidiosa, verraderlijk.
- Via Satana, de weg van de duivel, en die is tenebricosa, duister.
- Via Domini, de weg van God, en die is gratiosa, genadevol. — Simmons.
Vers 37-38
Bidden is niets anders dan een belofte die je omdraait. Je maakt van Gods woord een argument, en in geloof werp je het naar God terug. Bedenk, christen, dat het recht aan jouw kant staat. Wissels en schuldbewijzen moeten betaald worden. David bidt tegen de zonden van een wulps oog en een dood hart: “Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.” Kijk dan hoe hij in de volgende woorden zijn argument opbouwt: “Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht.” Een goed mens staat voor zijn woord.
Zou een goede God dat niet doen? Maar waar haalt David zo’n woord vandaan, dat hem tegen deze zonden helpt? Vast uit het verbond. Het staat in de magna charta. Al de eerste belofte hield zoveel in: het zaad van de vrouw “zal u de kop vermorzelen”. — William Gurnall.
Wenken voor predikers
Vers 37
“Maak mij levend door Uw wegen.” In dit korte gebed:
- Komt de telkens terugkerende nood van de gelovige aan de orde.
- Wordt ons de enige Werker van het levendmaken aangewezen: “U.”
- Wordt het gebied van nieuwe kracht beschreven: “door Uw wegen.”
- Wordt duidelijk dat er bijzondere redenen en bijzondere momenten kunnen zijn voor dit gebed: momenten van verzoeking: Ps. 119:37; momenten van verdrukking: Ps. 119:107; en wanneer iemand geroepen wordt tot een buitengewone dienst. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1073: “A Honeycomb.”
Vers 37
Hier vinden we:
- Omkeer van de “ijdelheid” af.
- Omkeer naar “Uw wegen” toe.
- Omkeer door “Maak mij levend.” — G. R.
Vers 37
David bidt:
- Om genade die tegenhoudt, zodat hij verhinderd en teruggetrokken wordt van alles wat hem zou storen op het pad van zijn plicht: “Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.”
- Om genade die voortdrijft, zodat hij niet alleen gespaard blijft voor alles wat zijn reis naar de hemel zou vertragen, maar ook de genade ontvangt die hij nodig heeft om op die reis vooruit te komen: “Maak mij levend door Uw wegen.” — M. Henry.
Uitleg
Vers 38
“Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht.” Maak mij vast overtuigd van Uw vaste woord. Laat het voor mij vaststaan, en laat mij ervan overtuigd zijn. Hebben we de gezindheid van een dienaar en worden we toch gekweld door twijfel, dan kunnen we het beste bidden om in de waarheid bevestigd te worden. Soms lijkt elke leer en elke belofte te wankelen, en vindt ons gemoed geen rust. Dan moeten we een beroep op God doen, om in het geloof vast te staan. Hij wil namelijk dat al Zijn knechten goed onderwezen zijn en stevig staan in Zijn woord.
Maar we moeten wel onthouden dat we de knechten van de Heere zijn. Anders blijven we niet lang gezond in Zijn waarheid. Heiligheid in de praktijk draagt veel bij aan zekerheid over de leer. Zijn we Gods knechten, dan zet Hij Zijn woord in onze ervaring vast. “Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen”, en zal haar zo goed leren kennen dat hij er geen enkele twijfel meer over heeft. Voor een godvrezend mens is atheïsme in het hart een afschuwelijke plaag. Het veroorzaakt meer kwelling dan we goed kunnen beschrijven.
Alleen een bezoeking van genade brengt de ziel weer tot rust, als ze er hevig door is aangevallen. IJdelheid of valsheid doet de ogen kwaad, maar het is nog erger wanneer ze het verstand bezoedelt en twijfel opwekt over het woord van de levende God.
“Die Uw vreze toegedaan is”, of kortweg: “tot Uw vreze”. Dat betekent: maak Uw woord waar voor de vreze van God, overal waar die te vinden is. Maak de hele schare van eerbiedige mensen sterker. Bevestig Uw woord niet alleen aan mij, maar aan alle godvrezenden onder de zon. Er is nog een mogelijke betekenis: “Bevestig Uw woord tot Uw vreze.” Dan vraagt hij dus dat mensen door Uw woord gebracht worden tot ontzag voor U. Een vast geloof in de goddelijke belofte is namelijk de bron en het fundament van de vreze van God.
Een God in Wie we niet geloven, zullen we nooit aanbidden. Groeit ons geloof, dan groeit ook ons ontzag voor God. Dat de beloften in ons leven werkelijk uitkomen, mogen we alleen verwachten als we leven onder de invloed van de vreze van de Heere. Vaste grond onder onze voeten in de genade ontstaat door heilige waakzaamheid en biddende inzet. Geworteld en gegrond in ons geloof worden we nooit, tenzij we elke dag in de praktijk brengen wat we zeggen te geloven. Wie gehoorzaamt, wordt beloond met volle zekerheid. Gebeden worden verhoord bij mensen wier hart antwoord geeft op het gebod van de Heere.
Zijn we toegewijd aan de vreze van God, dan worden we van alle andere angst bevrijd. Wie vervuld is van ontzag voor de Schrijver van het woord, is niet bang dat het woord niet waar zou zijn. Twijfelzucht is zowel de moeder als het kind van goddeloosheid. Een sterk geloof brengt daarentegen vroomheid voort en wordt er ook door voortgebracht. Aan iedere godvrezende die naar twijfel neigt, willen we dit hele vers op het hart drukken. Het is een uitstekend gebed voor tijden waarin de twijfel ongewoon sterk is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 38
“Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht.” Na alles wat we in de voorgaande verzen van dit gedeelte hebben gezien, kunnen we dit beter vertalen met: “Houd Uw woord omhoog voor Uw knecht.” Houd het dus omhoog voor mijn ogen, voor mijn verstand, voor mijn voeten en voor mijn hart. Laat al het ijdele aan mij voorbijgaan zonder dat ik het zie. Zet Uw woord zó voor heel mijn bestaan overeind dat ik het altijd zie, en zo door dat woord de weg naar U vind.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 38
“Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht”, enz. Dit is toch merkwaardig. Een man die werkelijk “een knecht van God” is, “toegewijd aan Zijn vreze”, bidt om iets wat hij toch al moet hebben. Hoe kan hij anders een knecht zijn, of leven in de vreze van Jehova? Hij gaat er klaar en duidelijk van uit dat hij zich persoonlijk heeft toegewijd. Toch bidt hij om iets wat in een ware persoonlijke toewijding vanzelf al, en voor een groot deel, besloten ligt. Als Gods woord voor iemand niet zeker wordt, zal hij nooit Zijn knecht worden.
Is hij Zijn knecht, waarom bidt hij dan: “Bevestig Uw toezeggingen” (Engels: Uw woord)? En waarom zegt hij in Ps. 119:35: “Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust”? “Daarin heb ik lust. Het is de weg die ik kies en mijn vreugde!” En toch zegt hij: “Doe mij daarop treden”, alsof hij er geen zin in had. Deze schijnbare tegenstrijdigheid lost zich in een echte ervaring gemakkelijk op, en op geen andere manier. Herkennen niet heel veel mensen zich precies in deze toestand? “Bevestigd” en toch geraakt, “toegewijd” en toch onzeker. Ze “dienen” God oprecht, maar zoeken en verlangen tegelijk naar een duidelijker bewijs, een hogere bekrachtiging en meer innerlijke genade om de dienst beter te doen.
Ze “geloven” en roepen toch soms “met tranen”: “Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.” — Alexander Raleigh.
Vers 38
“Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht.” Waarom bidt David: “Bevestig Uw woord aan mij”? Gods woord is toch in zichzelf volkomen zeker en zo vast dat het niet vaster kan worden (2 Petr. 1:19): “Wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is” (Engels: “een zekerder”, of een vaster, “profetisch woord”, zoals het woord betekent). Hoe kan het woord vaster zijn dan het al is? Mijn antwoord is: voor God, van Wie het komt, en in zichzelf is het zeker. Wat de zaken betreft die het voorlegt, kan het niet vaster of minder vast zijn. Het kan niet tegelijk vast en los zitten. Maar bij ons kan die bevestiging wel groter of kleiner zijn. Dat gebeurt op twee manieren:
- Doordat de Geest ons van binnen verzekert en ons geloof groter maakt.
- Doordat wat beloofd is, van buiten zichtbaar wordt uitgevoerd.
Eerst de innerlijke verzekering door de Geest, waardoor ons geloof groeit. Hoe zwak ons geloof is, zien we aan onze angsten, twijfels en wantrouwen. Daarom hebben we steeds méér zekerheid nodig. Met tranen moeten we zeggen wat die man in het evangelie zegt: “Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp” (Mark. 9:24), en met de apostelen uitroepen: “Vermeerder ons het geloof” (Luk. 17:5). Zó sterk gelooft niemand, of hij kan nog meer geloven. In die zin is het woord vaster gemaakt wanneer we in het geloof ervan worden gesterkt en het beschouwen als stevige grond om op te rusten.
Daarna de feitelijke uitvoering, wanneer de belofte voor ons wordt waargemaakt. Alles wat gebeurt zoals het woord het zegt, getuigt krachtig dat het waar is. Het werkt als een zegel dat ons geloof vastlegt en sterker maakt. Dit kan op drie manieren gebeuren.
- Als sommige beloften op een bepaald moment zijn waargemaakt, versterkt dat ons geloof om op een ander moment dezelfde goedheid te verwachten. Christus werd boos op Zijn discipelen omdat ze het wonder van de broden vergeten waren, toen ze weer in zo’n nood kwamen. “Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden” (Matth. 16:9). Bij elke moeilijkheid beginnen wij opnieuw te zoeken, terwijl onze eerdere ervaringen van dezelfde soort ons juist zouden moeten ondersteunen: “Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal” (2 Kor. 1:10).
Als we een kind leren spellen, worden we boos wanneer het een letter die we het al een, twee en drie keer hebben laten zien, de volgende keer toch weer mist. Zo is God boos op ons wanneer we Zijn woord al in deze en gene beschikking van Zijn voorzienigheid hebben ervaren, en onze twijfels toch weer terugkomen.
- Als één belofte uitkomt, wordt een andere daarmee bevestigd. God, Die Zich op het ene moment aan Zijn woord houdt, doet dat ook op een ander moment. “En ik ben uit de muil des leeuws verlost. En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk” (2 Tim. 4:17-18). In zo’n nood liet God Zijn knecht niet in de steek. En Hij Die tot nu toe trouw is geweest, zal ons aan het einde zeker ook niet laten vallen.
- Wordt het woord gedeeltelijk vervuld, dan geeft dat de zekerheid dat het geheel vervuld zal worden. Het is een onderpand dat ons is gegeven voor al het andere: “Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen” (2 Kor. 1:20). Een christen heeft een groot aantal beloften, en die worden elke dag vervuld. God verlost, troost en beschermt hem en spreekt vrede tot zijn geweten. Maar het grootste deel moet nog komen. Wat we nu meemaken, verzekert ons van wat nog komt. “Bevestig Uw toezeggingen” betekent dus: maak ze waar in wat er gebeurt, zodat ik leer te vertrouwen bij een volgende gelegenheid, of het nu gaat om dezelfde beloften of om andere beloften en vervullingen van heel Uw woord. — Thomas Manton.
Vers 38
“Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht.” Bevestig ze. Laat Uw woord vast en waar lijken. Laat mijn gedachten niet heen en weer slingeren of twijfelen over Uw waarheid. Dit lijkt een gebed tegen de macht van twijfel en ongeloof. David bidt dat er in zijn gemoed geen twijfel mag opkomen, en dat de bezwaren en problemen van de twijfelzucht daar geen plaats krijgen. Er zijn mensen die van nature twijfelend en ongelovig zijn, en voor hen is zo’n gebed bijzonder passend. Maar voor niemand is het misplaatst om te bidden dat Gods woord hem altijd waar mag toeschijnen, en dat zijn gedachten nooit ten prooi vallen aan twijfel en ongeloof. — Albert Barnes.
Vers 38
“Die Uw vreze toegedaan is.” Het woord kan vertaald worden met “welk” of met “die”, al naargelang het terugslaat op Uw woord of op Uw knecht.
- Uw woord. In het oorspronkelijke Hebreeuws loopt het vers namelijk zo: “Bevestig aan Uw knecht Uw woord, dat tot Uw vreze is”, of: “dat gegeven is opdat U gevreesd wordt.” In Gods woord vinden we immers de zwaarste argumenten en de sterkste aansporingen om Hem te vrezen, te eren en te gehoorzamen. Gods woord is er om de vreze van God in ons hart te zaaien en ons ontzag voor Hem te vergroten. Het is niet bedoeld om lichtzinnig met de beloften om te gaan en er onze begeerten mee te voeden.
- Zelf geef ik de voorkeur aan onze eigen vertaling. Die heeft dezelfde bouw als de uitdrukking: “maar ik was steeds in het gebed” (Ps. 109:4). In het oorspronkelijke staat: “Maar ik gebed.” Zo kan het ook hier gelezen worden: Bevestig Uw woord aan Uw knecht, “die tot Uw vreze is.” Onze vertalers hebben “toegewijd” toegevoegd, of “toegewijd aan Uw vreze”, om de zin voller te maken. Het is dus iemand die er zijn werk, zijn zorg en zijn hartewens van maakt om in de vreze van God te staan.
Dit wordt erbij gezet als een echt kenmerk, een beschrijving van Gods knechten, want het is een hoofdzaak in de godsdienst: “De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid” (Ps. 111:10). Ze komt in volgorde als eerste. En ze is ook het eerste wanneer we wijs beginnen te worden: aan God denken en ontzagwekkende gedachten over God hebben. Ze is een van de hoofdpunten van wijsheid, het grote dat ons wijs maakt tot zaligheid. Het is ook een argument dat in het gebed gebruikt wordt: “Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed … Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen” (Neh. 1:11).
Hoe meer mensen zich op de vreze van God toeleggen, des te zekerder zijn ze van Gods liefde, en van Zijn bereidheid om hen te horen bij de troon van de genade. — Thomas Manton.
Vers 38
“Die Uw vreze toegedaan is.” Wie van de Heere genade heeft gekregen om Hem te vrezen, mag vrijmoedig bij Hem aankloppen voor alles wat goed en nodig is. De vreze van God heeft namelijk de beloften van alle andere zegeningen aan zich vastgemaakt. — William Cowper.
Vers 38
Wie God kiest, wijdt zich aan God. De vaten van het heiligdom werden gewijd en uit het gewone gebruik genomen voor heilig gebruik. Zo heeft ook wie God als zijn God heeft gekozen, zichzelf aan God gewijd, en zal hij niet meer voor ontheiligende doeleinden gebruikt worden. — Thomas Watson.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 38
Bevestiging. Wat wordt bevestigd? “Uw toezeggingen.” Aan wie? “Aan Uw knecht.” Waarom? “Die Uw vreze toegedaan is”, enz.
Vers 38
De vreze van God toont zich:
- In ontzag voor Zijn ongenoegen.
- In verlangen naar Zijn gunst.
- In eerbied voor Zijn voortreffelijkheden.
- In overgave aan Zijn wil.
- In dankbaarheid voor Zijn weldaden.
- In gewetensvolle gehoorzaamheid aan Zijn geboden. — Charles Buck.
Vers 38
De vier soorten vreze.
- De vreze voor mensen, waardoor we liever onrecht doen dan kwaad lijden.
- De slaafse vreze, waardoor we de zonde alleen mijden uit angst voor de hel.
- De beginnende vreze, waarbij we de zonde deels mijden uit angst voor de hel, maar deels ook uit liefde tot God. Dit is de vreze van gewone christenen.
- De kinderlijke vreze, wanneer we alleen en helemaal uit liefde tot God bang zijn Hem ongehoorzaam te zijn. Jer. 32:40. — Ayguan, in J. Edward Vaux’ “Preacher’s Storehouse”, 1878.
Uitleg
Vers 39
“Wend mijn smaadheid af, die ik vreze.” Wat hij vreesde, was smaad die hij verdiend had. Hij beefde bij de gedachte dat hij de vijand tot lastering zou prikkelen, door een of andere opvallende tegenstrijdigheid in zijn leven. Die angst moeten wij ook hebben, en we moeten goed opletten dat het zover niet komt. We mogen ook bidden tegen vervolging in de vorm van laster. Ze is een zware beproeving, voor mensen met een gevoelig gemoed misschien wel de zwaarste. Velen zouden liever op de brandstapel sterven dan wrede spot ondergaan. David had een driftig gemoed.
Waarschijnlijk was zijn angst voor laster juist daarom zo groot: ze joeg zijn toorn op, en hij wist nauwelijks wat hij zou doen als hij zwaar werd getergd. Wendt God onze ogen af van het valse, dan mogen we ook verwachten dat Hij het valse weghoudt van onze goede naam. Blijven wij van leugens af, dan blijven leugens van ons af.
“Want Uw rechten zijn goed.” Hij maakt zich dus zorgen dat iemand de wegen van God gaat verguizen, omdat hij een kwaad verhaal over hem hoort. Worden wij belasterd, dan doet het ons vooral pijn omdat de schande onze godsdienst raakt, meer nog dan onszelf. Bleven mensen erbij dat wij iets kwaads hebben gedaan, dan konden we daarmee leven. Slecht zijn we immers. Maar wat ons pijn doet, is dat ze modder gooien naar het woord en het karakter van God. Hij is zo goed dat niemand naast Hem goed te noemen is. Bekritiseren mensen hoe God de wereld bestuurt, dan hoort het tot onze plicht en ons voorrecht om voor Hem in de bres te springen.
Dan moeten we openlijk tegenover Hem belijden: “Uw rechten zijn goed.” Zo moeten we ook doen als ze de Bijbel, het evangelie, de wet of de naam van onze Heere Jezus Christus aanvallen. Maar zorg dat niemand ons met recht iets kan verwijten. Anders is ons getuigenis niets dan verloren adem.
Dit gebed om van smaad bevrijd te worden, past bij Ps. 119:31. Het past ook bij veel andere zevende verzen van de achtdelen. Daarin klinkt meestal tegenstand van buiten door, en een heilige voldoening van binnen. Let op alles wat daar goed heet: “Uw rechten zijn goed”, “Gij zijt goed en goeddoende” (Ps. 119:68), “Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest” (Ps. 119:71), “Leer mij een goeden zin” (Ps. 119:66).
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 39
“Wend mijn smaadheid af, die ik vreze.” “Laat mijn smaad voorbijgaan, die ik vreesde.” Zoals bij de ijdelheid in Ps. 119:37 bidt de psalmist ook hier dat hij dit niet hoeft te zien. Heel zijn wezen moet alleen naar het woord kijken. De smaad waar hij bang voor was, is dezelfde als in Ps. 119:21-22 en misschien ook weer in Ps. 119:31. De hoogmoedigen waren van de geboden afgedwaald en hadden bestraffing geërfd. De smaad en schande die bij hen hoorden, wilde de psalmist laten afwenden, zodat hij ze niet zou zien. “Want Uw rechten zijn goed.” Dit noemt hij als reden waarom die smaad zo afgewend moet worden.
De hoogmoedigen dachten licht en minachtend over de goddelijke oordelen, en daar kwam hun smaad vandaan. De psalmist hield die oordelen voor goed. Daarom hoopte hij dat hij geen smaad zou zien.
Vers 39
“Wend mijn smaadheid af”, enz. In deze woorden zijn twee dingen te vinden:
- Een verzoek: “Wend mijn smaadheid af.”
- Een reden die het verzoek kracht geeft: “Want Uw rechten zijn goed.”
Eerst het verzoek. “Wend af” betekent letterlijk: rol van mij af. Hij lag onder de smaad als onder een deken. Rol nu “mijn smaadheid” van hem weg. Sommigen vermoeden dat hij Gods veroordelende vonnis bedoelt, dat in schande zou eindigen, of een opvallende berisping van God om zijn zonde. Zelf denk ik eerder aan de smaad van zijn vijanden. Hij noemt haar “mijn smaadheid”. Misschien had hij haar zelf verdiend, of misschien had ze hem persoonlijk geraakt. Door de boosheid van zijn vijanden zou deze smaad waarschijnlijk zijn deel en zijn lot in de wereld worden: “die ik vreze”. Dat wil zeggen: ik heb reden om haar te verwachten, en ik zie in wat een droevige gevolgen ze heeft.
Dan de reden die dit verzoek steunt: “want Uw rechten zijn goed” (Engels: oordelen). Daarover wordt verschillend gedacht. Sommigen lezen het zo: laat mij geen smaad lijden omdat ik Uw woord vasthoud, dat zo goed is. Maar David heeft het hier niet over smaad die je draagt omwille van de gerechtigheid. Hij denkt aan smaad die hem waarschijnlijk zou treffen door zijn eigen zwakke plekken en fouten. Smaad omwille van de gerechtigheid is juist iets om “in te verblijden”. Hij zegt echter dat hij dit “vreest”. Daarom lijkt mij dat de reden hier niet mee wordt geraakt. De andere uitleg wijs ik ook af: waarom zou men mij voor een kwaaddoener houden, terwijl ik Uw wet bewaar en Uw inzettingen volg? Anderen oordelen slecht over mij, maar ik beroep mij op Uw goede oordeel.
Bij “oordelen” kunnen we denken aan Gods optreden. U behandelt mensen niet naar wat ze verdienen. Wat U beschikt, is vriendelijk en genadig. Nog beter is het te zeggen dat “oordelen” staat voor Gods wegen, inzettingen en verordeningen. Ze heten oordelen, omdat we al onze woorden, daden en gedachten moeten laten toetsen aan het vonnis van het woord. Het zou treurig zijn als die oordelen zouden lijden onder mijn smaad en schande. Dat vrees ik meer dan alles wat mij verder kan overkomen. Zelf denk ik dat de reden beter als volgt kan luiden: Heere, in Uw wet, Uw woord en Uw verbond staan veel beloften die Uw volk moed geven. Daarom staan er ook regels in die de eer en de goede naam van Uw volk beschermen, zoals het hoort. — Thomas Manton.
Vers 39
“Wend mijn smaadheid af.” Het Hebreeuws zegt: “Neem mijn berisping weg.” Alsof hij wil zeggen: o Heere, het kan zijn dat ik iets kwaads doe tegen Uw goede wet, een zo opzienbarende overtreding dat ze mij te schande maakt. Ik smeek U: neem dat weg. Of hij bedoelt: o Heere, ik heb mijzelf onder de mensen al schande en berisping bezorgd door allerlei zonden, vooral door overspel en moord. Ik smeek U om die schande en berisping bij mij weg te nemen. Uit de eerste uitleg leren we zes dingen. Eén: godvruchtigen kunnen in opzienbarende zonden vallen.
Twee: zulke zonden maken hen beschaamd, terwijl goddelozen zich niet schamen. Drie: alleen God kan deze schaamte van hen wegnemen. Vier: we mogen bidden dat schande wordt weggenomen, ook onder de mensen, zeker als die schande God ook onteert. Vijf: godvruchtigen zijn het meest jaloers op zichzelf, dus het meest op hun hoede voor zichzelf. Zes: de weg om zonde te ontlopen is altijd dat we bang zijn te zondigen.
Uit de tweede uitleg merken we op dat de herinnering aan onze vroegere zonden ons tot gebeden tot God moet drijven. Zo hoeven we er in dit leven niet voor bestraft te worden in Zijn toorn, en in het toekomende leven niet in verwarring en beschaming te staan. — Richard Greenham.
Vers 39
“Mijn smaadheid” is de smaad die de wereld over de godvrezenden uitstort. Die wordt gevreesd als een grote verzoeking tot afval. — James G. Murphy.
Vers 39
“Want Uw rechten zijn goed.” Je had kunnen verwachten dat hij zou zeggen: laat mijn smaad, waar ik bang voor ben, van mij voorbijgaan, want U bent barmhartig. Maar zo zegt hij het niet. Als reden noemt hij: “Uw rechten zijn goed.” De betekenis zou ons meteen duidelijk zijn als er stond: “Want Uw rechten zijn ontzagwekkend.” “Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn ontzagwekkend.” Er staat echter: “Want Uw rechten zijn goed.” Daaruit blijkt dat hij werkelijk de toevlucht neemt tot die “rechten”. De Heere zal hem vrijspreken tegenover alle onrechtvaardige oordelen van mensen. En voor het oordeel bij God geldt hetzelfde. Daar had hij zijn toevlucht genomen tot de verzoening die de Heere had ingesteld, en ook daar zou de Heere hem rechtvaardigen. — John Stephen.
Vers 39
“Want Uw rechten zijn goed.” Slecht zijn de oordelen van de goddelozen, maar goed zijn de oordelen van God. Voor de eerste bid ik om bescherming, op de tweede beroep ik mij. De ene vrees ik, de andere keur ik goed. En wat God in Zijn woord uitspreekt, moet wel goed zijn. Dat geldt voor de dreigingen in de wet en voor de vertroostingen in het evangelie. Het geldt ook voor wat Hij in de wereld uitvoert, of dat nu de godvruchtigen treft of de goddelozen.
- Want God is de goedheid Zelf.
- Hij laat Zich niet bedriegen.
- Hij is niet om te kopen.
- Hij alleen kent geen aanzien des persoons, maar oordeelt naar het werk van ieder mens. — Richard Greenham.
Vers 39
De “smaad” die de dichter in dit vers vreest, is niet de smaad die je krijgt als je God belijdt, maar de smaad van wie Hem verloochent. — Franz Delitzsch.
Vers 39
“Want Uw rechten zijn goed.” Deze reden maakt duidelijk dat hij bang was voor Gods berisping. De “smaad” van mensen komt uit een verdorven oordeel voort. Zo’n mens veroordeelt wie God vrijspreekt. Ik geef daar niets om. Maar ik weet dat Uw berisping altijd verdiend is, “want Uw rechten zijn goed.” — William Nicholson.
Wenken voor predikers
Vers 39
- Het oordeel van de mens, gevreesd.
- Het oordeel van God, goedgekeurd.
Vers 39
De smaad van een tegenstrijdig leven.
- De oneer die erdoor ontstaat (2 Sam. 12:14).
- Het gevaar dat we haar over ons afroepen.
- Het gebed ertegen. — C.A.D.
Uitleg
Vers 40
“Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen.” Eén ding kan hij in elk geval zeggen: hij is oprecht. Het besef van zijn zwakheid en zijn behoefte aan genade drukt hem diep neer. Maar hij verlangt er wel naar om in alles overeen te komen met Gods wil. Waar onze verlangens zijn, daar zijn wij in de ogen van God. Hebben we de volmaaktheid niet bereikt, dan is het toch iets dat we ernaar hongeren. Hij Die ons het verlangen heeft gegeven, zal ons ook geven dat we het krijgen. De bevelen zijn voor goddelozen een last. Verlangen wij ernaar, dan zijn we dus zo veranderd dat dit een duidelijk bewijs is van bekering. We mogen gerust concluderen dat Hij Die het goede werk begonnen is, het ook zal voortzetten.
“Maak mij levend door Uw gerechtigheid.” Geef mij meer leven, zodat ik Uw rechtvaardige wet kan volgen. Of: geef mij meer leven, omdat U hebt beloofd het gebed te verhoren. Het past immers bij Uw gerechtigheid dat U Uw woord houdt. Wat vraagt David vaak om levendmaking! Maar nooit één keer te vaak. Elk uur van de dag hebben we het nodig, want we raken helaas zo gemakkelijk traag en moe op de wegen van God. Alleen de Heilige Geest kan nieuw leven in ons gieten. Laten we nooit ophouden naar Hem te roepen. Het leven dat we al hebben, moet blijken uit ons verlangen naar meer.
Meestal kijken de slotverzen van de achtdelen vooruit, met een vast besluit, hoop en gebed. Hier maakt de psalmist van de vruchten die de genade al heeft gegeven een reden om nog meer zegen te vragen. Vooruit in het hemelse leven! Dat is de roep van dit vers.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 40
“Zie, ik heb een”, enz. Dit klinkt als een krachtiger vervolg op wat hij net zei: dat hij Gods oordelen goed vond. Ze waren zó goed dat hij ernaar verlangde. En dat is nog niet alles. Hij wilde nóg sterker naar ze verlangen. Daarom bidt hij om meer leven en kracht om het pad te gaan dat ze aanwijzen: “Maak mij levend door Uw gerechtigheid.” Wie echt hunkert naar goddelijke waarheid, is bedroefd dat zijn hunkering niet groter is. Ontbreekt de liefde in het hart, dan ontbreekt het licht in het verstand. Dan kunnen we de bevelen alleen verkeerd beoordelen.
“De reinen van hart” zien met hun verstand scherper dan de onreinen. “Den oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Liefde maakt ons zó scherpzinnig dat wie werkelijk liefheeft, vaak ontdekt dat zijn oordeel over het geluk van de waarheid verder reikt dan zijn verlangen ernaar. Daarom zijn het de levenden die roepen: “Maak mij levend.” Mensen met levende verlangens bidden om nog meer leven op de weg van de gerechtigheid.
Vers 40
“Ik heb een begeerte tot Uw bevelen.” Soms verlangen we zonder het te merken meer naar Gods beloften dan naar “Zijn bevelen”. We vergeten dat het zowel ons voorrecht als onze veiligheid is om beide even hoog te houden. We horen Zijn bevelen te gehoorzamen met een beroep op Zijn beloften. En we horen te verwachten dat de beloften uitkomen, op de weg van gehoorzaamheid aan de bevelen. — Charles Bridges.
Vers 40
Het woord voor “bevelen” gaat terug op een werkwoord dat in bewaring geven betekent. Het wijst dus op iets wat aan de mens is toevertrouwd: “het pand u toebetrouwd”. Het zijn Gods bepalingen, en daarom doen ze een beroep op het geweten. Als denkend wezen is de mens ervoor verantwoordelijk. Minder direct dan de wet en de getuigenissen worden de bevelen begrepen. Ze moeten worden opgezocht. “Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen” (Ps. 119:40). “… omdat ik Uw bevelen gezocht heb” (Ps. 119:45). “Ik heb Uw bevelen gezocht” (Ps. 119:94). (…) Samen vormen ze een wet van vrijheid: “En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb” (Ps. 119:45). — John Jebb.
Vers 40
“Maak mij levend door Uw gerechtigheid.” Eerder zei hij: “Maak mij levend naar Uw woord”, nu: “door Uw gerechtigheid.” Dat komt op hetzelfde neer, want Gods woord is Gods gerechtigheid. Daarin ligt de wil van de gerechtigheid vast. De profeet wil daarin levend worden gemaakt, dat wil zeggen: bevestigd, zodat hij met een blij en opgewekt hart op het woord van God kan steunen. — Richard Greenham.
Vers 40
“Maak mij levend door Uw gerechtigheid.” Het gebed gaat om levendigheid in het kennen en beoefenen van heiligheid. Die moet passen bij de inhoud van Gods woord en komen doordat dat woord op het hart werkt. Verstaat iemand onder “gerechtigheid” liever Gods trouw of rechtvaardigheid, waardoor Hij Zichzelf gebonden heeft genade te geven aan wie op Hem vertrouwen, dan is daar niets tegen. In feite zit het al in de andere opvattingen besloten. Wie de woorden van dit vers naar waarheid kan gebruiken, is wedergeboren. Vóór de vernieuwende genade was de wet een dode letter. Ze was erger: ze was een gehate letter. Het vleselijke denken onderwerpt zich niet aan Gods wet, en het kan dat ook niet. Een zondaar wil niet worden ingeperkt door de goddelijke voorschriften. — William S. Plumer.
Wenken voor predikers
Vers 40
- Genadige verlangens, die we ervaren.
- Grote nood, die we voelen: we hebben meer leven nodig.
- Een wijs verzoek, dat we uitspreken.
Uitleg
In deze verzen zijn heilige vreze en eerbied duidelijk aanwezig en ze vallen sterk op. De man van God beeft dat de Heere Zijn gunst op wat voor manier of in welke mate dan ook van hem zou terugtrekken. Die acht verzen zijn één aanhoudende smeekbede dat de genade in zijn ziel mag blijven. Hij ondersteunt die met heilige argumenten, zoals ze alleen kunnen opkomen in een geest die brandt van liefde voor God.
Vers 41
“En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE!” Hij vraagt om genade en ook om onderwijs. Hij was immers niet alleen onwetend, maar ook schuldig. Hij had veel genade nodig, in allerlei soorten, en daarom staat zijn bede in het meervoud. Die genade moest van God komen en niet van mensen. Vandaar zijn gebed om “Uw goedertierenheden”. Soms leek het of de weg dichtzat. Daarom smeekt hij dat God de weg voor die goedertierenheden vrijmaakt, zodat ze hem “overkomen”. Hij Die zei: “Daar zij licht!”, kan ook zeggen: “Daar zij genade.” Het kan zijn dat de schrijver zich zo onwaardig voelde, dat hij bang was dat genade aan anderen werd uitgedeeld en niet aan hem. Daarom roept hij: “Zegen mij, ook mij, mijn vader!” Zo gezien zeggen de woorden hetzelfde als dit ons bekende lied:
Heere, ik hoor van een regen van zegen,
die U uitstort, vol en vrij;
een regen die het dorstige land verkwikt —
laat ook op mij wat druppels vallen,
ook op mij. — Elizabeth Codner, 1860.
Heere, Uw vijanden naderen mij om mij te honen. Laat Uw weldadigheden komen en mij verdedigen. Beproevingen en moeilijkheden zijn er te over, en werk en lijden dringen zich in niet geringe mate aan mij op. Heere, laat Uw weldadigheden met velen tegelijk binnenkomen, door dezelfde poort en op datzelfde uur. U bent toch de God van mijn weldadigheid?
“Uw heil.” Dit is de samenvatting en de bekroning van alle weldadigheden: verlost worden van elk kwaad, nu en voor eeuwig. In deze psalm wordt de zaligheid hier voor het eerst genoemd, en ze staat meteen naast genade: “Uit genade zijt gij zalig geworden.” (…) Hij spreekt van “Uw heil”, en zo krijgt de Heere alle eer ervoor: “Die God is ons een God van volkomene Zaligheid.” Wat een rijkdom aan weldadigheden zit er samengebald in die ene zaligheid van onze Heere Jezus! Ze bevat de weldadigheden die ons sparen voordat we bekeerd zijn en die ons naar die bekering toe leiden.
Dan volgen de roepende, de wederbarende, de bekerende, de rechtvaardigende en de vergevende weldadigheid. Ook geen enkele van de vele weldadigheden die de gelovige veilig naar de heerlijkheid moeten brengen, kan buiten de volledige zaligheid blijven. Zaligheid is een samenstel van weldadigheden: niet te tellen, niet te betalen, nooit onderbroken en eeuwig durend. Aan de God van onze weldadigheden komt de heerlijkheid toe, tot in alle eeuwigheid.
“Naar Uw toezegging.” Het woord beschrijft de weg van de zaligheid. Het woord belooft de zaligheid zelf. En het woord werkt in ons de innerlijke openbaring ervan. In alle opzichten komt de zaligheid die in Christus Jezus is dus overeen met het woord. David hield van de Schriften. Maar hij wilde de zaligheid die erin besloten ligt, ook aan den lijve leren kennen. Het woord lezen was hem niet genoeg. Hij verlangde de innerlijke betekenis ervan te beleven. De akker van de Schrift was hem lief vanwege de schat die hij erin had gevonden. Hoofdstuk en vers stelden hem niet tevreden.
Hij wilde weldadigheden en zaligheid. Let op dat de psalmist in het eerste vers van He (Ps. 119:33) bad dat hij geleerd zou worden Gods woord te bewaren. Hier in Vau smeekt hij dat de Heere Zijn woord zal bewaren. De eerste keer verlangde hij ernaar bij de God van de weldadigheden te komen. Nu wil hij dat de weldadigheden van de Heere bij hem komen. Daar vroeg hij om genade om in het geloof vol te houden. Hier vraagt hij om het einde van zijn geloof, de zaligheid van zijn ziel.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 41-48
Met deze verzen begint een nieuw deel van de psalm. Elk vers daarin opent met de Hebreeuwse letter Vau, of v. Bijna geen enkel Hebreeuws woord begint met deze letter. In de grond is ze een voegwoord. Daarom begint ook elk vers van dit stuk in de oorspronkelijke tekst met een voegwoord: vau. — Albert Barnes.
Vers 41-48
Dit hele deel bestaat uit verzoeken en beloften. Er zijn twee verzoeken: Ps. 119:41; Ps. 119:43. Er zijn zes beloften. Tussen godvruchtige mensen en anderen bestaat onder meer dit verschil: alle mensen vragen God om goede dingen, maar de goddelozen vragen zo dat ze Hem niets teruggeven en ook geen enkele wedergave beloven. Hun gebeden kunnen niets opleveren, want ze komen voort uit liefde voor henzelf en niet voor de Heere. Krijgen ze wat ze nodig hebben, dan interesseert het hen niet om God te geven wat tot Zijn eer is. Maar godvruchtigen zoeken goede dingen, en geven God lof als ze die gekregen hebben.
Ze laten het gebruik van wat ze ontvingen terugvloeien naar de eer van God, Die het gaf. Ze houden niet van zichzelf om zichzelf, maar om de Heere. Wat ze van Hem vragen, vragen ze met dit doel: dat ze Hem des te beter kunnen dienen. Laten we hier goed op letten. Het is een helder teken waaraan we echt godsdienstige mensen onderscheiden van valse veinzers. — William Cowper.
Vers 41
“En dat mij Uw goedertierenheden overkomen.” Zonden en moeilijkheden hadden de weg versperd. Toch kon de goedertierenheid dat allemaal uit de weg ruimen en bij hem binnenkomen, of zelf een pad banen. “Laat haar komen” wil zeggen: laat haar gebeuren, laat haar worden uitgevoerd. Zo is het woord ook vertaald in: “Nu, dat Uw woorden komen” (Richt. 13:12). In het Hebreeuws staat: “Laat haar komen.” Wij lezen hier: laat haar bij mij thuiskomen, mij tot troost en tot bevrijding. Op een andere plaats zegt David: “Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens” (Ps. 23:6).
Ze zitten hem op de hielen en vinden hem, ook als hij ronddwaalt. En ook dit: “Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?” (Ps. 116:12). Hoewel hij door zonden en gevaren omsloten was, vonden ze hun weg naar hem. — Thomas Manton.
Vers 41
“En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE!” Gods goedertierenheden gaan overal de mens tegemoet die God levend maakt (Ps. 119:40). David wist dat God de ziel zegent, en ook het lichaam, het gezin, de verordeningen en al het andere dat bij Zijn knechten hoort. Al die zegen is genade: onverdiend, ruim bemeten en wonderbaarlijk gegeven, enz. — Martin Geier.
Vers 41
“En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE!”, enz. Voor wie het Woord bedient en voor wie theologie studeert, is dit gebed een waarschuwing. Ze mogen anderen niet alleen de ware weg naar eeuwige zaligheid wijzen. Ze moeten met ernstige gebeden tot God roepen dat ze zélf deel krijgen aan de goddelijke goedertierenheden, en dat ze “het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen” ontvangen. Paulus lag hier erg van wakker. Hij voelde zich gedrongen te schrijven dat hij zijn lichaam in bedwang hield en onderwierp, zodat hij zelf niet verwerpelijk zou worden, nadat hij anderen had gepredikt. — Solomon Gesner.
Vers 41
“Uw goedertierenheden.” “Uw toezegging.” We moeten hier opletten hoe de profeet zaligheid bij God zoekt. In dit gebed legt hij twee dingen naast elkaar die zijn vertrouwen stutten: Gods weldadigheid en Zijn Woord. Voor wie gelooft, zijn dat de twee stevigste pijlers van zijn hoop. — Wolfgang Musculus.
Vers 41
“Uw heil”, enz. De knecht van God roept in zijn benauwdheid niet om zomaar enige redding, op welke wijze dan ook. Hij verlangt een redding zoals God die toestaat en op heilige wijze wil geven. “Laat Uw heil komen.” Het woord van de belofte is de richtlijn voor ons gebed. Maar het is ook een onderpand van wat beloofd is, en we moeten het vasthouden totdat de vervulling komt: “En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging.” Dat is één van de redenen achter dit verzoek. — David Dickson.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door pastor C. A. Davis. Vers 41-48. — Beloofde weldadigheden. Ze worden verlangd (Ps. 119:41), als antwoord op “mijn smader” (Ps. 119:42-43). Ze dienen als middel tot trouw (Ps. 119:44), vrijheid (Ps. 119:45), vrijmoedigheid (Ps. 119:46), verlustiging (Ps. 119:47) en een vurig verlangen (Ps. 119:48).
Wenken voor predikers
Vers 41
Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1524: “Your Personal Salvation.”
Vers 41
- Gods weldadigheden komen telkens ongevraagd naar ons toe: Zijn sparende weldadigheden, de aardse weldadigheden, enz.
- Waar Gods weldadigheden vooral op uitkomen, is Zijn zaligheid. Ze is onze grootste nood en Zijn grootste gave.
- We moeten ons persoonlijk met deze zaligheid verbonden weten: “En dat mij Uw goedertierenheden overkomen.”
- Zoeken we Gods zaligheid, dan mogen we een beroep doen op Zijn belofte: “naar Uw toezegging.” — Horatio Wilkins, van Cheltenham, 1882.
Vers 41
Ook mij.
- In mij is genade nodig.
- Naar mij kan genade komen.
- Uw zaligheid past bij mij.
- Bijzondere moeilijkheden willen mij de moed ontnemen.
- Uw woord geeft mij moed.
Vers 41
- De zaligheid is helemaal genade.
- Alle weldadigheden zitten in de zaligheid.
- Alle mensen moeten ernaar verlangen dat de zaligheid bij hen komt.
- Ze kan alleen komen zoals Gods woord het zegt. — W.W.
Vers 41-43
Een gebed dat alles omvat.
- Het bezit van de zaligheid, Ps. 119:41.
- Geeft kracht om je te verdedigen: Ps. 119:42.
- En geschiktheid om nuttig te zijn: Ps. 119:43. — C.A.D.
Uitleg
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden.” Dit antwoord valt niet te weerleggen, het is onweerlegbaar. Geeft God ons zaligheid, en daarmee een antwoord van vrede op onze gebeden, dan staan we meteen klaar om de bezwaren van de ongelovige, de spitsvondigheden van de twijfelaar en de hoon van de minachtende te beantwoorden. Het is hoogst wenselijk dat lasteraars een antwoord krijgen. We mogen dus met recht verwachten dat de Heere Zijn volk redt, zodat zij een wapen in de hand hebben om Zijn tegenstanders op de vlucht te jagen. Smaden mensen ons, en smaden ze daarmee ook God, dan mogen we Hem vragen ons te helpen hen de mond te snoeren. Dat kan met onmiskenbare bewijzen van Zijn goedheid en trouw.
“Want ik vertrouw op Uw woord.” Dat hij vertrouwen bleef houden terwijl hij beproefd werd, liet zien hoe oprecht zijn geloof was. Daarop beroept hij zich: hij moet geholpen worden om smaad terug te slaan met een gelukkige ervaring. Zoeken we weldadigheden en zaligheid, dan is geloof ons argument. Het is geloof in de Heere, Die in Zijn woord tot ons heeft gesproken. Er is geen belijdenis die meer de moeite waard is om uit te spreken dan de volgende: “Ik vertrouw op Uw woord.” Wie dat werkelijk kan zeggen, is door God gemachtigd een kind van God te worden en zo erfgenaam van ontelbare weldadigheden.
God let meer op het vertrouwen van een mens dan op al het andere in hem. De Heere heeft het geloof immers uitgekozen als de hand waarin Hij Zijn weldadigheden en Zijn zaligheid legt. Smaadt iemand ons omdat we op God vertrouwen, dan geven we hem het sterkste antwoord door te wijzen op wat God deed: Hij hield Zijn beloften, verhoorde onze gebeden en voorzag in wat we misten. Ook de meest sceptische mensen moeten zich buigen voor de logica van de feiten.
Dit is het tweede vers van dit achtdeel, en de psalmist legt hier een geloofsbelijdenis af. Hij vertelt wat hij gelooft en wat hij heeft meegemaakt. Dat doet hij ook in de overeenkomstige verzen van de delen hierna. Kijk maar naar Ps. 119:50: “Uw toezegging heeft mij levend gemaakt”, Ps. 119:58: “Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden”, Ps. 119:66: “Ik heb aan Uw geboden geloofd”, Ps. 119:74: “Ik op Uw woord gehoopt heb.” Een wijze prediker kan hier een reeks preken over de ervaring van het geloof uit opbouwen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Ik heb dan iets in handen waarmee ik antwoord kan geven aan de mensen die mij belasteren. Zo gaf de Zaligmaker bijna uitsluitend met Schriftwoorden antwoord op wat de verzoeker Hem influisterde, telkens opnieuw (Matth. 4:4; Matth. 4:7; Matth. 4:10). Ook in veel andere gevallen vind je het beste antwoord op smaad over de godsdienst in de woorden van de Schrift zelf. Iemand die weinig geleerdheid heeft, behalve wat hij uit de Bijbel haalt, kan daarmee vaak het vitten en de hoon van een geleerde twijfelaar het zwijgen opleggen.
Een man met een eenvoudige, zuivere vroomheid en geen ander wapen dan Gods woord is vaak beter toegerust dan wanneer hij alle redeneringen van de scholen kon inzetten. Vergelijk Ef. 6:17. — Albert Barnes.
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Beseft het hart dat de zaligheid vaststaat, dan heeft het volop antwoorden klaar voor wie spotten met de vreugde van het geloof. — Henry Law.
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Volgens Hugo Cardinalis zijn er drie soorten mensen die godvruchtigen lasteren: duivels, ketters en roddelaars. De duivel beantwoord je met het innerlijke woord van nederigheid, de ketters met het uiterlijke woord van wijsheid en de roddelaars met het werkzame woord van een goed leven. — Richard Greenham.
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Mijn antwoord aan hen zou kort zijn, en waar: ik vertrouw op Uw woord. U kunt Uw beloften waarmaken, want U bent almachtig. U wilt het ook, want U bent barmhartig. Daar leg ik mijn vertrouwen. — William Nicholson.
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Dit sluit direct aan op de woorden “naar Uw toezegging”. Christenen kunnen van David leren wat ze moeten inzetten tegen de smaad en de valse beschuldigingen van wie de waarheid vijandig is. Schelden helpt niet, helemaal niets.
Je moet je wapens uit het woord van God halen. Door het geloof in God zijn die sterk genoeg om de duivel zelf en zijn handlangers ten val te brengen. Met zulke wapens sloeg ook de Zaligmaker Zelf Satan in de woestijn terug (Matth. 4:1-11). En Paulus beschrijft in Ef. 6:10-18 hoe hij zelf, en ook de christensoldaat, de gordel van de goddelijke waarheid omdoet, het borstharnas van de gerechtigheid, de schoenen van het evangelie, het schild van het geloof en het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God. — Solomon Gesner.
Vers 42
“Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden”, enz. Gelovigen mogen mensen die hen smaden best rustig en grondig antwoorden en de leugen weerleggen. Zie Spr. 26:5 en 27:11. Maar dat ze die mensen kunnen antwoorden, is een zegen die God geeft. — Martin Geier.
Vers 42-43
Ps. 119:42 speelt met twee betekenissen van het woord “woord”: “Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord” (Engels: en ik zal mijn lasteraars een woord antwoorden, want ik heb op Uw woord vertrouwd). Ik heb vertrouwd op Uw belofte. Daarom heb ik een woord als antwoord voor hen klaar, op het moment dat U dit gebed genadig verhoort. Haal Uw woord van waarheid (dat wil zeggen Uw belofte) niet uit mijn mond. Laat mij er tegenover mijn vijanden nog over kunnen spreken, en laat mij er voor mijn eigen ziel op kunnen blijven rusten. Zou God Zijn belofte namelijk niet vervullen, dan zou ze, in de zin waarin het hier bedoeld is, volledig uit Zijn eigen mond genomen zijn. — Henry Cowles.
Wenken voor predikers
Vers 42
Het geloof beantwoordt smaad door te laten zien dat het op Gods woord vertrouwt.
Vers 42-43, 47
Geloof, hoop en liefde. “Ik vertrouw.” “Ik hoop.” “Die ik liefheb.” Het geloof strijdt, de hoop getuigt en de liefde gehoorzaamt.
Uitleg
Vers 43
“En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer.” Dat wil zeggen: laat mij niet zonder redding achter, want dan kan ik niet meer voor U pleiten. Want hoe zou ik Uw woord nog kunnen verkondigen, als ik zag dat het mij in de steek liet? Zo lijkt de gedachtegang van dit vers te lopen. Het woord van de waarheid kan alleen een vreugde zijn in onze mond als we het in ons leven hebben ervaren. Het kan verstandig zijn te zwijgen, als ons geweten niet bevestigt wat we getuigen. Dit gebed kan ook slaan op andere manieren waarop we ongeschikt kunnen worden om in de naam van de Heere te spreken.
Bijvoorbeeld doordat we in openlijke zonde vallen, of neerslachtig en moedeloos worden, of ziek worden of verward raken in ons hoofd. Of doordat we nergens een open deur vinden om te spreken, of geen bereidwillige hoorders. Wie ooit het evangelie echt uit zijn hart heeft gepredikt, huivert bij de gedachte uit de bediening te worden gezet. Hij zal smeken dat hij een klein deel in het heilige getuigenis mag houden. En zijn stomme zondagen ziet hij als dagen van ballingschap en straf.
“Want ik hoop op Uw rechten.” Hij had gerekend op Gods optreden en een uitspraak in zijn voordeel. Dan zou hij vol vertrouwen kunnen spreken over Gods trouw. God is de bron van onze hoop, en we mogen Hem zeer terecht vragen die te laten uitkomen. Wat Hij in Zijn voorzienigheid oordeelt, volgt uit Zijn woord. Wat Hij in de Schriften zegt, voert Hij in Zijn bestuur ook werkelijk uit. We mogen dus verwachten dat Hij Zich krachtig zal tonen voor Zijn eigen bedreigingen en beloften. Dat verwachten is niet tevergeefs.
Soms moeten Gods dienaren zwijgen door de zonden van hun volk. Het is dan alleszins passend dat ze pleiten tegen zo’n straf. Veel liever zijn ze ziek of arm dan dat het licht van het evangelie onder hen uitgaat en het volk zonder redding verloren gaat. De Heere bewaart ons, Zijn dienaren, ervoor dat wij het middel worden waardoor zo’n straf komt. Laten we vol vreugde op God hopen. Dan kunnen we Hem die hoop voorhouden in ons gebed, op het moment dat het erop aankomt, als Hij dreigt onze lippen te sluiten. Het einde van dit vers vertelt wat de psalmist deed met het woord van de Heere.
Daarin lijken de derde verzen van de achtdelen vaak op elkaar. Zie Ps. 119:35: “want daarin heb ik lust”, Ps. 119:43: “want ik hoop op Uw rechten”, Ps. 119:51: “nochtans ben ik van Uw wet niet geweken”, Ps. 119:59: “en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen”, en Ps. 119:67, Ps. 119:83, Ps. 119:99, enz. Deze verzen vormen samen een prachtige reeks overdenkingen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 43
“En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet”, enz. Iedereen weet dat mensen de waarheid bij dreigende vervolging geheel verloochenen of slechts zwak en lauw belijden. David wil niet dat hem dat overkomt. Daarom bidt hij: o Heere, neem het woord van de waarheid niet geheel uit mijn mond. Met andere woorden: maak mij onverschrokken, zodat ik de waarheid die ik beleed, altijd vrijmoedig en als een man blijf belijden. In de Hebreeuwse tekst staat ad meod, “zeer”, “zeer sterk”, of, zoals Augustinus vertaalt, “geheel en al”. Volgens hem bad David hierom: mocht hij door menselijke zwakheid vallen en het woord ooit niet standvastig belijden, dan hoopte hij dat God hem niet in die toestand zou laten, maar hem weer zou oprichten en bevestigen.
Als voorbeeld noemt hij de apostel Petrus. Daarna geeft David de reden waarom hij zo bidt, namelijk: omdat ik gehoopt heb, en wel met groot verlangen, zoals het Hebreeuwse werkwoord yachal betekent, op “Uw rechten”. Daarmee zult U op de laatste dag openlijk vonnis vellen over ketters, dwepers en alle tirannen. — Solomon Gesner.
Vers 43
“En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer.” Het woord wordt uit de mond genomen als tegen de zondaar gezegd wordt: “Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen?” Ook de welsprekendheid zelf valt stil, als het geweten slecht is. De vogels van de hemel komen het woord uit je mond halen, zoals ze het zaad van het woord van de rots pikten, zodat het geen vrucht kon dragen. — Ambrosius.
Vers 43
Het woord wordt ook uit onze mond genomen, wanneer in zware verzoekingen alles ons als het ware begeeft en we niet kunnen zien waar we nog een standplaats vinden: Ps. 69:3. — Martin Geier.
Vers 43
“En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer.” Soms durven we niet te spreken voor de Zaligmaker, omdat we bang zijn voor de beschuldiging dat we huichelen. Op andere momenten schamen we ons om te spreken, omdat het enige beginsel dat ons werkelijk kan dringen ontbreekt: “de liefde van Christus.” Zo wordt “het woord der waarheid uit onze mond genomen.” Hoe vaak hadden we een woord nodig om de verzochte kinderen van de Heere te troosten, en vonden we het niet! Wie terugdenkt aan al die kostbare kansen die hij heeft laten liggen, kan dit gebed heel goed meebidden: “En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer.” Neem het niet alleen niet weg uit mijn hart.
Laat het ook klaarliggen in mijn mond, om mijn Meester te belijden. Sommigen van ons kennen de pijnlijke strijd met wereldse gewoonten en wereldse gesprekken. Daarin hield een gebrek aan vrijheid van geest ons tegen, zodat we niet vrijmoedig voor onze God durfden op te komen. Misschien noemen we onze verlegenheid of verstandige voorzichtigheid als excuus voor ons zwijgen. Maar in veel gevallen moeten we dat zien als zelfbedrog, een dekmantel over de echte oorzaak van onze belemmering: we beseffen Gods barmhartigheid voor onze ziel niet. — Charles Bridges.
Vers 43
“En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer.” Wat kan een stom lichaam toch betekenen in het huis van Christus! Ik denk dat ook het woord van God in de gevangenis zit! Ik ben een verdorde boom! Helaas, planten kan ik niet, en water geven ook niet! Maakte mijn Heere mij maar tot mest, zodat Zijn eigen korenakkers op de berg Sion vet en vruchtbaar worden! Mocht ik maar tot drie of vier herdersjongens spreken over mijn waardige Meester, dan was ik tevreden de laagste en onbekendste herder van dit hele land te zijn.
Waar ik woonde, maakte niet uit, al was het in de armzaligste bijgebouwen van Christus! Maar Hij zegt: “Nee, Ik zal u niet zenden. Ik heb daar geen boodschappen voor u.” Mijn verlangen om Hem te dienen is ziek van jaloezie, uit angst dat Hij mij niet wil gebruiken. (…) Op alle andere punten gaat het uitstekend met mij. Alle lof zij Hem, in Wiens boeken ik tot in eeuwigheid sta als Zijn schuldenaar! Alleen mijn zwijgen doet pijn. Eén vreugde had ik buiten de hemel, naast Christus mijn Heere: Hem te prediken aan dit ongelovige geslacht.
Die hebben ze mij afgenomen. Voor mij was ze als het ene oog van een arme man, en dat oog hebben ze uitgestoken. — Samuel Rutherford.
Vers 43
“Want ik hoop op Uw rechten.” Het woord mishpatim, oordeel, betekent óf de wet óf het uitvoeren van haar vonnis.
- De wet, dat is heel het woord van God. “Ik hoop op Uw rechten” zegt dan niets anders dan: ik hoop op Uw woord. Zo staat er ook: “Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord” (Ps. 130:5).
- De uitvoering van de wet die daarbij hoort, wanneer de belofte of de bedreiging waargemaakt wordt. (1) Gaat een belofte in vervulling, dan is dat in zekere zin ook een oordeel: God brengt dan tot stand wat Hij voor onze zaligheid en bevrijding beloofd heeft. Zo oordeelt God over Zijn volk, als Hij hun recht geeft en hen redt volgens Zijn woord: “Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak” (Klaagl. 3:59). (2) Meestal betekent oordeel echter dat de bedreiging over goddeloze mensen wordt uitgevoerd. Voor Gods trouwe knechten is dat goed nieuws, want het gebeurt in hun voordeel. Daarom kunnen we van David zeggen dat hij er terecht op hoopte. Hun “oordeel” houdt in dat wij de belofte krijgen. — Thomas Manton.
Vers 43-44
Heere, laat het woord van de waarheid in “mijn mond” blijven. Dan kan ik dat heilige onderpand toevertrouwen aan de volgende generatie (2 Tim. 2:2), en zij kan het weer doorgeven aan de tijden die komen. Zo blijft “Uw wet” bewaard, “eeuwiglijk en altoos”, dat is van geslacht tot geslacht. Dat is dan een vervulling van deze belofte (Jes. 59:21): “Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads.” — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 43
Hoe de ware prediker het zwijgen opgelegd kan worden, en zijn pleidooi dat dit niet gebeurt.
Uitleg
Vers 44
“Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.” Wat een mens het allersterkst aan de weg van de Heere bindt, is dat hij de waarheid van Zijn woord heeft ervaren in weldadigheden en bevrijdingen. Gods trouw geeft ons woorden tegenover Zijn tegenstanders. Maar tegelijk wordt ons hart aan Zijn vreze vastgeknoopt, en wordt onze band met Hem steeds inniger. Grote weldadigheden maken ons zo dankbaar dat we er geen woorden voor hebben. Binnen onze tijd kan die dankbaarheid zich niet uitspreken. Ze belooft de eeuwigheid met lofprijzingen te vullen. Staat ons hart in vuur en vlam van dankbaarheid, dan lijkt “steeds”, “eeuwiglijk en altoos” in de tekst helemaal niet te veel. Zelfs wat Addison in zijn beroemde regels overdrijft, lijkt dan gewoon gezond verstand:
“Door heel de eeuwigheid zal ik voor U
een blij lied aanheffen;
maar ach, de eeuwigheid is te kort
om heel Uw lof uit te spreken.” — Addison.
Alleen Gods genade maakt het ons mogelijk Zijn geboden te houden, zonder onderbreking en zonder einde. Eeuwige liefde moet ons eeuwig leven schenken, en daaruit komt eeuwige gehoorzaamheid voort. Er is geen andere weg om in heiligheid te volharden dan dat het woord van de waarheid in ons blijft en ons bewaart. Daar bad David om: dat het bij hem mocht blijven en nooit van hem wegging.
Dit vers opent met “Zo”, net als Ps. 119:42 (Engels: “So”; in de Statenvertaling: “Opdat”). Geeft God ons Zijn zaligheid, dan worden we zo goed bedeeld dat we onze ergste vijand het zwijgen opleggen en onze beste Vriend verheerlijken. Genade is het antwoord op alles. Schenkt God ons slechts zaligheid, dan kunnen we de hel overwinnen en met de hemel omgaan. We kunnen dan smaad beantwoorden en de wet houden, tot het einde, in alle eeuwigheid.
Er is nog een andere betekenis die we niet mogen missen. David bad dat het woord van de waarheid niet uit zijn mond zou worden genomen, en dan zou hij Gods wet bewaren. Dat betekent: door zijn openlijke getuigenis, niet minder dan door zijn eigen leven, zou hij de goddelijke wil vervullen. Zo zou hij ook de banden versterken die hem voor eeuwig aan zijn Heere binden. Ongetwijfeld is de genade die ons laat getuigen met de mond een grote steun voor onszelf, en voor anderen. We voelen dat we ons aan de Heere hebben verbonden met geloften, en dat we niet meer kunnen terugkrabbelen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 44
“Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden”, enz. Wat ons doet volharden, is dat de Heere ons hart in het geloof bewaart. Hij houdt ook onze mond en onze uiterlijke mens op de weg van belijden en gehoorzamen. — David Dickson.
Vers 44
“Zo zal ik Uw wet.” Let op dat de belofte om te gehoorzamen als argument wordt gebruikt: “Zo zal ik … onderhouden”. Dat “zo” wil zeggen: dit zal mij aanmoedigen, dit zal mij in staat stellen.
Ten eerste: als zijn verzoeken werden verhoord, zou hem dat moed geven. Wanneer God onze hoop en verwachting beantwoordt, moet onze dankbaarheid ons aansporen en levend maken om op allerlei manieren te gehoorzamen. Geeft Hij ons een hart en een beetje vrijmoedigheid om Zijn naam te belijden en Hem te dienen, dan mogen we niet achterblijven of onzeker zijn. We moeten dicht bij Hem leven. Ten tweede: hij zou er hulp en kracht door krijgen. Helpt God ons elke dag, dan houden we stand. Doet Hij dat niet, dan vallen we en wankelen we. Dat zal een middel zijn om vol te houden. Het bindt en verplicht hem niet alleen, maar helpt hem ook om tot het einde door te zetten.
Let dan op de standvastigheid van deze gehoorzaamheid: “Steeds …, eeuwiglijk en altoos.” David wilde niet slechts even gehoorzaam zijn, of een paar dagen, of een jaar. Hij wilde het altijd zijn, tot het einde van zijn leven. Er staan hier drie woorden die hetzelfde betekenen: “steeds”, “eeuwiglijk” en “altoos.” De Septuaginta geeft het zo weer: “Ik zal Uw wet houden altijd, en tot in de eeuw, en tot in de eeuw der eeuw.” Dat zijn daar vier woorden. Dit stapelen van woorden is niet zonder reden.
- Het laat zien hoe moeilijk het is om vol te houden. Als gelovigen niet krachtig volharden in het weerstaan van verzoeking, worden ze al snel van de weg afgebracht. Daarom bindt David zijn hart stevig vast: we moeten het nu doen, ja altijd, tot het einde.
- Hij toont hoe sterk hij het meent. Mensen die door iets diep geraakt worden, spreken er graag zo uitvoerig mogelijk over. Dat deed ook Paulus, die diep onder de indruk was van Gods kracht: “de uitnemende grootheid Zijner kracht … naar de werking der sterkte Zijner macht” (Ef. 1:19). Hij stapelt verschillende woorden op elkaar, omdat zijn besef zo groot was. Zo stapelt ook David hier woorden op: “steeds …, eeuwiglijk en altoos.”
- Volgens sommigen staan er zoveel woorden om niet alleen dit leven aan te duiden, maar ook het leven dat komt. Ik zal ze steeds houden, en eeuwig en altoos. Dat wil zeggen: alle dagen van mijn leven, en in de andere wereld. Zo legt Chrysostomus “Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden”, enz., uit als een verwijzing naar het andere leven. Daar zal Gods wet zuiver en nauwkeurig gehouden worden. Hier lopen we elk uur gevaar, maar dan zijn we buiten alle gevaar. Zonder angst om te zondigen blijven we dan in volle en volmaakte gerechtigheid. We hopen op wat we nog niet hebben bereikt, en dat geeft ons nu moed. Zo laat hij David zich dus uitdrukken, zegt hij.
- Moeten we deze woorden uit elkaar halen, dan denk ik dat ze wijzen op het onafgebroken en het blijvende van de gehoorzaamheid. Onafgebroken gehoorzaamheid: hij wil God gedurig dienen, zonder onderbreking. Blijvende gehoorzaamheid: hij wil God eeuwig en altoos dienen, zonder afval of opstand, te allen tijde en tot het einde. Standvastigheid en volharding in gehoorzaamheid is haar lof. — Thomas Manton.
Vers 44
“Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden.” Dat betekent: houdt U het woord van Uw waarheid in mijn mond, dan “zal ik Uw wet steeds onderhouden.” “Ja, tot in de eeuw en de eeuw der eeuw.” Hier zegt hij wat “steeds” inhoudt. Soms bedoelt men met “altijd” namelijk: zolang we hier leven. Dat is niet “tot in de eeuw en de eeuw der eeuw.” Zo is het beter vertaald dan in sommige handschriften: “tot in eeuwigheid en tot in de eeuw der eeuw”, want je kon niet zeggen: ook tot in de eeuwigheid van de eeuwigheid.
Dan moeten we denken aan de wet waarover de apostel zegt: “Zo is dan de liefde de vervulling der wet.” Die wet zullen namelijk de heiligen houden, uit wier mond het woord van de waarheid niet genomen wordt. Dat is de gemeente van Christus zelf. Zij houdt haar niet alleen in deze wereld, tot die ten einde is, maar ook in een andere wereld, die “wereld zonder einde” heet. Daar ontvangen we de geboden van de wet niet meer om ze te houden, zoals hier. We zullen de volheid van de wet zelf houden, zonder vrees voor zonde.
We zullen God dan namelijk vollediger liefhebben, nu we Hem gezien hebben. Dat geldt ook voor onze naaste, want “God zij alles in allen”. En er blijft geen ruimte voor een vals vermoeden over onze naaste, waar niemand voor niemand verborgen is. — Augustinus.
Vers 44
“Onderhouden, eeuwiglijk en altoos.” Dit vers legt zware nadruk. Volmaakte gehoorzaamheid zal tot in alle eeuwigheid een groot deel van het geluk in de hemel zijn. Hoe meer we daar al op aarde in groeien, hoe meer we alvast proeven van het geluk van de hemel. — Aantekening in Bagster’s Comprehensive Bible.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 44
Het genadeleven dat blijft duren. Waar het van afhangt: “Zo.” Hoe volledig het samengaat met een vrije wil: “Zo zal ik … onderhouden.” Hoe doorlopend het is, en hoe eeuwig.
Vers 44
De hemel die al op aarde begint.
- Het leven dat de gelovige nu leidt: Gods wet houden.
- De zorg die de gelovige steeds met zich meedraagt: Gods wet te houden.
- Het eeuwige uitzicht van de gelovige: Gods wet te houden, eeuwig en altoos. — C.A.D.
Uitleg
Vers 45
“En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” In heiligheid ligt voor een heilige geen enkele gebondenheid. De Geest van heiligheid is een Geest van vrijheid. Hij haalt mensen uit hun gevangenschap en geeft hun de kracht om zich nooit meer onder een juk te laten brengen. Slaven lopen niet over de weg van de heiligheid. Het is de weg van de koning, een weg voor vrije mensen, die met blijdschap onderweg zijn: weg uit het Egypte van de slavendienst, naar het Kanaän van de rust. Gods weldadigheden en Zijn zaligheid doen ons de bevelen van het woord liefhebben, en dat geeft ons een gelukkige rust.
Hoe dieper we de volmaaktheid van onze gehoorzaamheid najagen, des te vrijer worden we van alles wat geestelijk knelt. Eens zat David zwaar gevangen, doordat hij een scheve weg was ingeslagen. Zijn bedrog tegenover Achis hield hij zo koppig vol, dat hij tot wreedheid verviel om het te verbergen. Het moet hem erg benauwd hebben, ja bijna onuitstaanbaar, in die onnatuurlijke rol van bondgenoot van de Filistijnen en aanvoerder van de lijfwacht van hun koning. Hij kan er bijzonder bang voor zijn geweest dat de waarheid niet meer op zijn tong zou liggen, nu hij op de kronkelwegen van de leugen was geraakt.
Daarom smeekte hij God dat Hij op de een of andere manier zijn bevrijding zou bewerken, en hem uit die slavernij zou halen. Met ontzagwekkende daden in gerechtigheid gaf de Heere hem in Ziklag antwoord. De strik brak, en hij ontkwam.
Dit vers hangt samen met het voorgaande. Het begint namelijk met “En”, en dat woordje werkt als een haak die het vastmaakt aan de verzen ervoor. Er wordt nog een weldaad genoemd die we mogen verwachten als Gods weldadigheden komen. De man van God had al gesproken over het zwijgen van zijn vijanden (Ps. 119:42), over de kracht om te blijven getuigen (Ps. 119:43) en over volharding in heiligheid. Nu staat hij stil bij de vrijheid, die voor alle moedige mensen, na het leven, het dierbaarste bezit is. Hij zegt: “Ik zal wandelen.” Daarmee geeft hij aan dat hij elke dag verder trekt door het leven.
“In de ruimte” betekent: als iemand die vrij is uit de gevangenis. Geen tegenstanders belemmeren hem, geen lasten drukken hem, geen boeien houden hem vast. Hij heeft veel ruimte, en hij gaat zonder angst op pad. Voor iemand die zichzelf of zijn eigen lusten zoekt, zou zo’n vrijheid gevaarlijk zijn. Maar is het enige wat hij zoekt de wil van God, dan is het niet nodig de zoeker in te tomen. Wie kan zeggen: “Ik heb Uw bevelen gezocht”, hoeven we niet te beperken. Merk op: in het vorige vers zei hij dat hij de wet zou onderhouden, en hier zegt hij dat hij haar zoekt.
Bedoelt hij niet dat hij zal doen wat hij al weet, en zijn best zal doen om meer te weten te komen? Is dat niet de weg naar de hoogste vrijheid: voortdurend bezig zijn met de wil van God te leren kennen en daaraan gelijk te worden? Wie de wet houden, zoeken haar altijd, en spannen zich in om haar steeds beter te houden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 45
“Ik zal wandelen in de ruimte.” Waar God zonde vergeeft, overwint Hij haar tegelijk (Micha 7:19). Haar veroordelende kracht verdwijnt pas als haar heersende kracht is verdwenen. Denk aan een misdadiger in de gevangenis. Hoe merkt hij dat zijn vorst hem heeft vergeven? Als de cipier komt, zijn kettingen en boeien losslaat en hem de gevangenis uit laat gaan, weet hij dat hij vergeven is. Zo ook wij. Hoe merken wij dat God ons vergeven heeft? Als de boeien van de zonde zijn afgevallen, en wij in vrijheid wandelen op de wegen van God. Dan hebben wij een gezegend bewijs in handen dat we vergeven zijn. — Thomas Watson.
Vers 45
“Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” Wie afdwaalt van het belijden van Gods waarheid, brengt zichzelf in nood, gevaar en gebondenheid. Wie dat belijden volhoudt, loopt vrij rond. De waarheid maakt hem vrij. — David Dickson.
Vers 45
“Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” De Bijbel zegt dat wie door de Geest geleid wordt, niet onder de wet is. Dat betekent niet dat hij vrij is om ongestraft te zondigen. Het betekent dat hij vrij is, omdat Gods Geest hem heeft geleerd lief te hebben wat Gods wet vraagt.
Daardoor merkt hij niet meer dat hij gedwongen wordt. De wet jaagt hem niet voort, want de Geest leidt hem. (…) Broeders, er bestaat een toestand waarin wij God wel erkennen, maar God in Christus niet liefhebben. Dan bewonderen we wat voortreffelijk is, maar zijn we niet in staat het te doen. De liefde voor het goede blijft dan steken, en eindigt als een kaal verlangen. Zo is het van nature: dan staan we onder de wet, en zijn we nog niet bekeerd tot de liefde van Christus. Maar er is ook een andere toestand.
Dan schrijft God Zijn wet in ons hart, door liefde in plaats van door vrees. Eerst klinkt het: “Ik kan niet doen wat ik wil.” Later klinkt het: “Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” — Frederick William Robertson, 1816-1853.
Vers 45
“Ik zal wandelen in de ruimte.” De psalmist ziet zijn positie ruimer worden. Kort daarvoor voelde hij zich beklemd, als een man die in een smalle, gevaarlijke bergpas tussen rotsen vastzit en de uitgang niet kan vinden. Je kent het landschap van Kanaän, en je kunt je goed indenken hoe het is voor een reiziger die zijn gevreesde weg door zo’n bergpas zoekt.
Deze reiziger staat nu eindelijk op veilige grond. Plotseling bevindt hij zich, door de Allerhoogste begunstigd en met het besef dat hij op Zijn weg is, op een ruime plek, en loopt hij vrij rond: “En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” Hij had nauwkeurig en ijverig onderzocht wat de Heere had opgedragen. Omdat hij erop uit was daaraan gehoorzaam te zijn, kon hij zich vol vertrouwen bewegen. In zijn geestelijke vrijheid geniet hij van de rust. De verborgen boosdoener met zijn mooie belijdenis kent deze geestelijke vrijheid helemaal niet.
Zolang iemand voelt dat hij fout zit, en dat hij op een verkeerde weg is, ervaart hij zich aan alle kanten gekluisterd, somber en in nood. Dat geldt nog veel sterker als hij een teder en gevoelig geweten heeft. Wat een ruimte komt er in iemands gemoed, als hij beseft dat hij op Gods bestemde weg is! En hij is werkelijk vrij, want Gods goede voorzienigheid omringt hem en Zijn genade draagt hem. — John Stephen.
Vers 45
Wie het gebaande en juiste pad volgt, krijgt geen doornen in zijn gezicht. — Saksisch spreekwoord.
Vers 45-48
Vijf dingen belooft David zichzelf hier, omdat Gods genade hem sterk maakt.
- Hij zal ongedwongen en onbevangen zijn in zijn plicht: Ik zal wandelen in de ruimte, helemaal los van alles wat kwaad is, niet gebonden door mijn eigen verdorvenheden, en vrij om te doen wat goed is.
- Hij zal vrijmoedig en moedig zijn in zijn plicht: Ik zal over Uw getuigenissen spreken voor koningen.
- Hij zal blij en opgewekt zijn in zijn plicht: Ik zal mij in Uw geboden verlustigen, door met ze om te gaan en mij naar ze te vormen.
- Hij zal ijverig en krachtig zijn in zijn plicht: Ik zal mijn handen opheffen tot Uw geboden. Dat wijst niet alleen op een groot verlangen ernaar, maar ook op een gemoed dat zich volledig toelegt op het onderhouden ervan.
- Hij zal bedachtzaam en met zorg te werk gaan in zijn plicht: Ik zal Uw inzettingen overdenken. — Matthew Henry.
Vers 45-48
In deze vier verzen werkt hij punt voor punt uit wat het onderhouden van de wet inhoudt. Dat had hij beloofd in het vierde vers van dit gedeelte, toen hij zei dat hij Gods wet zou onderhouden in zijn woorden, zijn gedachten en zijn daden. Alsof hij verhoord is, lijkt de profeet nu opeens anders te gaan spreken: hij zegt “En ik wandelde in de ruimte.” Toen Gods barmhartigheid bij mij kwam, ging ik niet meer over de smalle paden van de vrees. Ik liep over de brede weg van de liefde. Ik hield de wet dus graag, blij en met alle gevoelens van mijn hart, “omdat ik Uw bevelen gezocht heb”, want ik vond ze groot en uiterst belangrijk om te bereiken.
“En ik sprak” openlijk en zonder angst over de gerechtigheid van Zijn allerheiligste wet, zelfs “voor koningen, en ik werd niet beschaamd”. Voortdurend overwoog ik de wet in mijn gemoed, en haar verborgenheden werden het onderwerp van mijn overdenking. “En ik hief mijn handen op” om Zijn hoge en verheven geboden uit te voeren, dat wil zeggen Zijn volmaakte en zware geboden. Tot slot, en dat is het laatste, werd ik op allerlei manieren, in hart, gemoed en woord, “geoefend in Uw rechtvaardigmakingen.” — Robert Bellarminus.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 45-47
Vrij in wandel. Vrij in spraak. Vrij in hart.
Vers 45-48
De ware vrije mens geniet:
- Een vrije wandel met God.
- Een vrij spreken over God.
- Een vrije liefde tot God.
- Een vrije oefening van de ziel: (a) in heilige praktijk, (b) in hemelse overdenking. — W. Durban.
Vers 45-48
Vijf dingen belooft de psalmist zichzelf hier, omdat Gods genade hem sterk maakt.
- Hij zal ongedwongen en onbevangen zijn in zijn plicht: “Ik zal wandelen in de ruimte.”
- Hij zal vrijmoedig en moedig zijn in zijn plicht: “Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen.”
- Hij zal blij en opgewekt zijn in zijn plicht: “En ik zal mij vermaken in Uw geboden.”
- Hij zal ijverig en krachtig zijn in zijn plicht: “En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden.”
- Hij zal bedachtzaam en met zorg te werk gaan in zijn plicht: “En ik zal Uw inzettingen betrachten.” — M. Henry.
Uitleg
Vers 46
“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.” Ook dit hoort bij zijn vrijheid: hij is niet bang voor de machtigste, de hoogmoedigste en de meest tirannieke mensen. Als banneling werd David geroepen om voor koningen te staan. Later was hij zelf koning, en hij wist hoe gemakkelijk mensen hun godsdienst opofferen aan pracht en politiek. Maar hij nam zich voor dat nooit te doen. Hij wilde de politiek heiligen. De regeringen moesten weten dat de Heere alleen heerst over de volken. Zelf een koning, wilde hij tot koningen spreken over de Koning der koningen.
Hij zegt: “Zal ik … spreken.” De voorzichtigheid had kunnen aanraden dat zijn leven en gedrag genoeg waren, en dat het beter was de godsdienst niet aan te roeren in het bijzijn van koninklijke personen, die andere goden aanbaden en vonden dat ze daar goed aan deden. Hij had dit voornemen heel passend laten voorafgaan door de woorden “Ik zal wandelen”, zijn belofte over zijn levenswandel. Maar zijn eigen gedrag was voor hem geen excuus om zondig te zwijgen, want hij voegt eraan toe: “Zal ik … spreken.” David eiste vrijheid van godsdienst op en zorgde dat hij er gebruik van maakte.
Zelfs in het allerhoogste gezelschap zei hij wat hij geloofde. En in wat hij zei, hield hij zich nauwgezet aan Gods eigen woord, want hij zegt: “Spreken van Uw getuigenissen.” Er is geen thema dat hiermee te vergelijken valt, geen enkel. En er is geen betere manier om dat thema te behandelen dan dicht bij het Boek te blijven en de gedachten en woorden daarvan te gebruiken. Wat ons in elk gezelschap het meest tegenhoudt om over heilige zaken te spreken, is schaamte. Maar de psalmist zal zich “niet schamen”. Er is niets om je voor te schamen, en er bestaat geen excuus voor schaamte.
Toch zijn veel mensen muisstil, uit angst dat een schepsel als zijzelf aanstoot neemt. Geeft God genade, dan verdwijnt lafheid snel en vanzelf. Wie voor God spreekt in Gods kracht, schaamt zich niet als hij begint, niet terwijl hij spreekt en niet daarna. Zijn onderwerp past namelijk bij koningen, is nodig voor koningen en is heilzaam voor koningen. Maken koningen bezwaar, dan mogen we ons gerust voor hén schamen. Maar nooit voor onze Meester, Die ons gezonden heeft, noch voor Zijn boodschap, noch voor Zijn bedoeling met het zenden ervan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 46
“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen.” Dat hij al bezit wat hij eerder vroeg, blijkt uit zijn woorden. “En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer”, had hij gebeden. Nu rijst hij overeind, alsof hij gekregen had wat hij vroeg, en houdt hij vol dat hij niet zou zwijgen, ook niet als hij moest spreken waar koningen bij zijn. Hij verklaart dat hij graag naar voren zou treden om de eer van God te verdedigen, voor de ogen van de hele wereld. — Johannes Calvijn.
Vers 46
“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen.” Wie in tijden van vervolging Gods waarheid vrij wil belijden, wordt meestal gehinderd door angst voor koningen en voor mensen met macht. Het geloof in de waarheid kan zo’n belijdenis toch voortbrengen, tegen alle gevaar in, als God het in het hart staande houdt. — David Dickson.
Vers 46
“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen.” Koningen zijn soms zijn rechters geweest, voordat hij zelf de kroon kreeg. Denk aan Saul en Achis. Zou hij voor hen moeten verklaren waarop zijn hoop rustte, dan zou hij spreken over Gods getuigenissen. Hij zou zeggen dat zijn hoop op die getuigenissen gebouwd was, en dat ze zijn raad, zijn wacht, zijn kroon en zijn alles waren. Ook wij moeten ons nooit schamen om voor onze godsdienst uit te komen, al brengt die ons in gevaar voor de toorn van koningen. We moeten erover spreken als over het enige waarmee we willen leven en sterven, net als de drie jongelingen tegenover Nebukadnezar, Dan. 3:16, Hand. 4:20.
Toen David zelf koning was, waren andere koningen soms zijn gezellen. Ze kwamen bij hem op bezoek, en hij ging bij hen langs. Maar om hen niet te kwetsen en de omgang niet moeilijk voor hen te maken, sprak hij niet over van alles behalve over godsdienst. Integendeel: Gods getuigenissen zouden het belangrijkste gespreksonderwerp met koningen zijn. Hij liet daarmee niet alleen zien dat hij zich niet schaamde voor zijn godsdienst. Hij wilde hen er ook in onderwijzen en voor die godsdienst winnen. Voor koningen is het goed om van Gods getuigenissen te horen. Wanneer vorsten er zelf over spreken, siert dat hun gesprekken. — Matthew Henry.
Vers 46
“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen.” Mensen van de grootste heiligheid waren steeds ook mensen van de grootste moed. Kijk naar Nehemia, de drie jongelingen, Daniël en alle heilige profeten en apostelen. Spr. 28:1 zegt: “De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.” Het Hebreeuws spreekt zelfs van een jonge leeuw, een die vol vuur zit, niets vreest en stoutmoediger is dan alle anderen. Heiligheid maakte Daniël niet alleen zo moedig als een leeuw, maar liet hem door juist die moed ook de leeuwen schrik aanjagen.
Luther was een man van grote heiligheid en grote vrijmoedigheid. Dat bleek wel, toen hij zich krachtig tegen de hele wereld verzette. De keizer riep hem naar Worms, en zijn vrienden raadden hem af te gaan, zoals soms ook de vrienden van Paulus deden. Maar hij zei: “Ga, ik zal zeker gaan, want ik ben ontboden in de naam van onze Heere Jezus Christus. Ja, al wist ik dat er in Worms net zoveel duivels waren om mij te weerstaan als er dakpannen zijn om de huizen te dekken, toch zou ik gaan.” En toen hij en zijn medestanders aan alle kanten door tegenstanders met allerlei gevaren werden bedreigd, zei hij deze heldhaftige en grootmoedige woorden: “Kom, laten wij de 46e psalm zingen, en laat hen dan het ergste doen.”
Ook Latimer was een man met veel heiligheid, zeker gezien de duisternis en goddeloosheid van de tijd waarin hij leefde. Daarnaast had hij veel moed en vrijmoedigheid. Dat blijkt uit het nieuwjaarsgeschenk dat hij koning Hendrik de Achtste aanbood: een Nieuw Testament, in een servet gewikkeld, met dit opschrift of motto erop: “Hoereerders en overspelers zal God oordelen.” — Thomas Brooks.
Vers 46
In dit vers leren we vier ondeugden te vermijden. Ten eerste: te veel zwijgen. Daarom zegt hij: “Zal ik … spreken.” Ten tweede: nutteloze praatzucht. Daarom: “van Uw getuigenissen.” De Hebreeuwse leraars vertellen dat er tien maten spreken naar de aarde waren afgedaald. Negen ervan zouden door de vrouwen zijn meegenomen, en slechts één zou er zijn overgebleven voor de rest van de wereld. Heel terecht spoort Hiëronymus alle christenen aan: “Wijd uw mond aan het evangelie. Open hem niet graag voor beuzelarijen of fabels.” Ten derde leert het vers ons lafheid te vermijden: “voor koningen.” Er staat immers (Spr. 29:25): “De siddering des mensen legt een strik.” Ten vierde en laatste leert het ons laffe verlegenheid te vermijden: “en mij niet schamen.” — Thomas Le Blanc.
Vers 46
“En mij niet schamen.” Dat betekent: ik word niet van mijn standpunt of mijn hoop afgeslagen. Ik zal niet bang zijn. Ik zal de belijdenis ook niet mijden of verloochenen uit angst voor gevaar of smaad, en schrikbeelden of bedreigingen zullen mij niet overweldigen. — D. H. Mollerus.
Vers 46-48
In deze drie laatste verzen belooft David dat hij uit dankbaarheid drie plichten zal vervullen. Eerst de dienst van zijn tong. Dan de dienst van zijn genegenheden. En ten slotte de dienst van zijn daden. Een goed geweten geeft altijd grote troost, en wie eerlijk leeft, krijgt daardoor grote vrijmoedigheid om zonder angst of schaamte te spreken. Je ziet dat bij David tegenover Saul, bij Elia tegenover Achab, en bij Paulus tegenover Agrippa, Festus en Felix. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 46-48
Lippen, hart en handen.
- Openbare belijdenis van Gods woord (“zal ik … spreken”, Ps. 119:46) moet gedekt worden door:
- Persoonlijke vreugde in Gods woord (“ik zal mij vermaken”, Ps. 119:47), die moet uitlopen op:
- Praktische gehoorzaamheid aan Gods woord (“ik zal mijn handen opheffen”, Ps. 119:48).
Vers 46
- Echt ernstige mensen moeten spreken.
- Aan goede onderwerpen ontbreekt het hun niet: “Uw getuigenissen.” Het bereik is grenzeloos, de verscheidenheid eindeloos.
- Ze zijn voor geen enkel publiek bang: “voor koningen.” — W.W.
Uitleg
Vers 47
“En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.” Eerst vrijheid en moed, dan vreugde. Wie zijn plicht heeft gedaan, vindt daarin een grote beloning. Had David voor zijn Meester niet gesproken voor koningen, dan zou hij zich niet hebben durven bezighouden met de wet die hij verwaarloosd had. Maar nu hij openlijk voor zijn Heere is opgekomen, voelt hij een zoete kalmte in zijn hart als hij het woord overpeinst. Gehoorzaam het gebod en je zult het liefhebben. Draag het juk en het zal licht zijn, en je zult er rust door vinden.
De psalmist werd zijn onderwerp niet moe, nadat hij over de wet had gesproken. Hij trok zich terug om erover na te denken. Eerst sprak hij, daarna verlustigde hij zich. Eerst predikte hij, daarna ging hij naar zijn studeerkamer om op krachten te komen door nog eens van de kostbare waarheid te eten. Of hij anderen blij maakte met zijn spreken, weten we niet, maar zichzelf maakte hij altijd blij als hij over het woord van de Heere nadacht. Hij zegt uitdrukkelijk dat hij de geboden van de Heere liefhad. Daarmee laat hij zien waarom hij er zijn vreugde in vond: waar onze liefde is, is ons genot.
In de hoven van koningen vond David geen vreugde. Daar stond hij steeds voor de verleiding om zich te schamen. In de Schriften voelde hij zich echter thuis. Zijn hart was erin, en ze gaven hem het grootste genoegen. Geen wonder dat hij sprak over het houden van de wet, die hij liefhad. Jezus zegt: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren.” En geen wonder dat hij sprak over wandelen in de ruimte en vrijmoedig spreken, want ware liefde is altijd vrij en onbevreesd. De liefde is de vervulling van de wet. Waar de liefde voor Gods wet het hart beheerst, moet het leven vol zaligheid zijn.
Heere, laat Uw weldadigheden over ons komen, zodat we Uw woord en Uw weg liefhebben en daarin al ons genot vinden.
Het vers staat in de toekomende tijd. Daarom toont het niet alleen wat David al gedaan had, maar ook wat hij nog zou doen. Voortaan zou hij zich verlustigen in de geboden van zijn Heere. Hij wist dat ze niet zouden veranderen en hem steeds blij zouden maken. Ook wist hij dat de genade zijn hart tegenover de bevelen van de Heere in dezelfde gesteldheid zou houden. Zo zou hij heel zijn leven de allergrootste vreugde vinden in heiligheid. Zijn hart was zo stevig geworteld in liefde voor Gods wil, dat hij zeker wist dat de genade hem altijd onder haar heerlijke invloed zou houden.
Heel de psalm ademt liefde voor het woord. Maar hier wordt voor het eerst met zoveel woorden over liefde gesproken. Ze wordt hier gekoppeld aan vreugde, en in Ps. 119:165 aan “groten vrede”. Let goed op alle verzen waarin de liefde zich met zoveel woorden uitspreekt. Zie dus Ps. 119:47; Ps. 119:97; Ps. 119:113; Ps. 119:119; Ps. 119:127; Ps. 119:140; Ps. 119:159; Ps. 119:163; Ps. 119:165; Ps. 119:167.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 47
“En ik zal mij vermaken in Uw geboden.” Een gelovige heeft maar weinig aan de troost dat hij mooi met anderen kan spreken over Gods wegen, en zelfs “de smaad” van Zijn volk kan “dragen”, als zijn eigen hart koud, ongevoelig en dof blijft. Hij verlangt naar “vreugde” in die wegen. En die zal hij ook vinden. — Charles Bridges.
Vers 47
Wie anderen met vrijmoedigheid wil prediken, moet zelf “vreugde vinden” in het doen van wat hij predikt. Hebben we een nieuwe natuur ontvangen, dan zal die “Gods geboden liefhebben”, omdat ze daar helemaal bij past. Waar we van houden, daarover denken we voortdurend na, en dat nadenken loopt uit op daden. Dan zullen we gehoor geven aan het woord: “Richt weder op de trage handen” (Hebr. 12:12), om te “werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan” (Joh. 9:4). — George Horne.
Vers 47
“Uw geboden, die ik liefheb.” Op het woord “liefheb” haakt de Karmeliet in met twee gezegden van oude wijsgeren. Hij beveelt ze aan bij wie de ware filosofie van het evangelie hebben leren kennen. Eerst Aristoteles. Men vroeg hem wat de filosofie hem had opgeleverd, en hij antwoordde: “Ik heb geleerd uit mezelf te doen wat anderen alleen doen omdat ze de wet vrezen.” Daarna Aristippus, die bijna hetzelfde zei: “Zouden de wetten verdwijnen, dan zouden wij allemaal blijven leven zoals we nu doen, nu ze er zijn.” Voor ons zit heel dit vers in de woorden van een veel grotere Leraar dan zij: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren”: Joh. 14:23. — Neale en Littledale.
Vers 47-48
Staat het in het woord als wet van voorschrift, dan is het in het hart een wet van liefde. Dezelfde wet is in het woord een gebod en in het hart vrijheid. “Zo is dan de liefde de vervulling der wet”, Rom. 13:10. De wet van de liefde in het hart is Gods wet die in de Geest wordt vervuld. Van een wet die je werkelijk liefhebt, mag je zeggen dat ze in je hart is geschreven. Zo zeggen we ook van een geliefd ding dat het in ons hart zit, niet letterlijk maar zedelijk.
Van Calais werd gezegd dat het in het hart van koningin Maria zat. Je had lang kunnen zoeken voordat je er de plattegrond van die stad had gevonden, maar het verdriet dat ze het verloor, bracht haar de dood. Zo’n liefde krijg je nauwelijks onder woorden. David noemt haar graag twee verzen achter elkaar: “En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb.” Door de hele psalm heen herhaalt hij dat vaak. Zolang er nog geen nieuwe schepping was, had een mens geen enkele genegenheid voor de wet.
Hij beschouwde haar niet alleen als een dode, maar zelfs als een duivelse letter. Hij zou haar het liefst uit de wereld willen vegen, en een andere invoeren die het vlees beter lag. Hij wilde zijn eigen wet zijn. Maar zodra die wet in hem wordt geschreven, vindt hij het opschrift zo mooi, dat hij die wet en de liefde ervoor voor geen geld van de wereld zou willen missen. Eerder gehoorzaamde hij haar uit vrees. Nu doet hij dat uit genegenheid, en niet alleen omdat de Wetgever gezag heeft, maar omdat de wet zelf zo zuiver is.
Met alle kracht zou hij haar verdedigen tegen de macht van de zonde in zijn binnenste en tegen de machten van de duisternis buiten hem. Hij bekijkt deze wet met liefde en aandacht. Elke lijn valt hem op, en bij elke trek blijft hij verrukt stilstaan. Gaat zijn oog dwalen of zet zijn voet een verkeerde stap, dan smelt hij in tranen weg. Hij treurt en klaagt, tot zijn vroegere genegenheid weer op adem is gekomen en overeind staat! — Stephen Charnock.
Uitleg
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb.” Naar het volmaakte strekt hij zich uit zo ver hij kan, in de hoop het ooit te bereiken. Als zijn handen slap hangen, trekt hij zich uit zijn vermoeidheid omhoog, want hij kijkt ernaar uit God te verheerlijken met zijn gehoorzaamheid. Met een plechtig gebaar laat hij zien dat hij van harte instemt met alles wat zijn God gebiedt. “Mijn handen opheffen” is een uitdrukking boordevol betekenis. De lieflijke zanger bedoelde er zeker alles mee wat wij erin lezen, en nog veel meer.
Weer spreekt hij zijn liefde uit, want een echt hart moet zich uiten. Liefde is een vuur dat zijn vlammen naar buiten moet laten slaan. Vanzelfsprekend strekte hij zich uit naar een wet waarin hij zijn vreugde vond. Zo steekt een kind zijn handen uit naar een geschenk waar het zo naar verlangt. Houdt men ons iets zo moois voor als heiligheid, dan moeten wij met ons hele wezen ernaar reiken. Tot we haar helemaal hebben bereikt, moeten we in elk geval onze handen in gebed naar haar opheffen. Waar heilige handen en heilige harten naartoe gaan, zal uiteindelijk de hele mens volgen.
“En ik zal Uw inzettingen betrachten” (Engels: overdenken). Nadenken over de gedachten van God kan hij nooit genoeg doen. Wie zijn vorst liefheeft, wil zijn voorschriften goed kennen, uit angst dat hij hem door onwetendheid kwetst. Bidden met opgeheven handen en mediteren met omhoog gerichte ogen horen bij elkaar, en samen leveren ze het beste innerlijke resultaat op. Het gebed van Ps. 119:41 is al verhoord in de man die zo naar boven worstelt en zo diep studeert. Heel dit vers staat in de toekomende tijd. Het laat niet alleen een besluit van Davids hart zien.
Het toont ook een gevolg waarvan hij wist dat het zou komen, zodra de Heere Zijn weldadigheden en Zijn zaligheid zou zenden. Als de weldadigheid neerdaalt, worden onze handen opgeheven. Als God in Zijn gunst aan ons denkt, zullen wij zeker aan Hem denken. Gelukkig, werkelijk gelukkig is wie met opgeheven handen staat, zowel om de zegen te ontvangen als om het gebod te doen. Hij zal niet tevergeefs op de Heere wachten, nooit.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden”, enz. Wat David hier aan God belooft, is dienst met zijn daden: hij zal zijn handen opheffen om Gods geboden te volbrengen. Het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden maar uit kracht. Wij zijn leerlingen van die Meester Die eerst ging doen en pas daarna ging onderwijzen. Maar nu zit de wereld vol verminkte christenen. De een heeft geen oor, en kan Gods woord dus niet horen. De ander heeft geen tong en kan er dus niet over spreken. En wie allebei heeft, mist handen en kan het dus niet in praktijk brengen. — William Cowper.
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen.” Over wat het opheffen van de handen betekent, wordt verschillend gedacht. Het betekent:
- Bidden: zoals in Ps. 28:2, Klaagl. 2:19 en Hab. 3:10.
- Anderen zegenen: zoals in Lev. 9:22 en Ps. 134:2.
- Zweren: zoals in Gen. 14:22 en Ex. 6:8.
- Aan een belangrijk werk beginnen, aanpakken: Gen. 41:44: “Zonder u zal niemand zijn hand … opheffen”, dat wil zeggen: iets ondernemen of afmaken. Ps. 10:12: “hef Uw hand op”, dat is: krachtig ingrijpen om te helpen. Hebr. 12:12: “richt weder op de trage handen” (Engels: lift up the hands), enz., dat wil zeggen: christenen met kracht aansporen.
Misschien passen al deze betekenissen op de plaats waar we nu zijn. Het kan namelijk zijn: 1. Bidden om goddelijke genade om de bevelen te doen. Of 2. Zegenen, dat wil zeggen God loven om de bevelen en om het voordeel dat ze ons hebben opgeleverd. Dit steunt de Syrische vertaler, die erbij zet: “en ik zal roemen in Uw trouw.” Of 3. Een gelofte of eed van blijvende gehoorzaamheid, enz. Of 4. Er daadwerkelijk en ernstig mee aan de slag gaan. Dat laatste lijkt hier ook vooral bedoeld te zijn. — Henry Hammond in “Synopsis Poli”.
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden”, en daarbij beloof ik te gehoorzamen: Gen. 14:22. — William Kay.
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen.” Elk slachtoffer en elk offer dat de wet van mij eist, zal ik brengen. Gebed en smeking zal ik tot U richten. Ik zal heilige handen opheffen, zonder toorn en zonder twijfel. — Adam Clarke.
Vers 48
“En ik zal mijn handen opheffen.” Aben Ezra legt uit, en misschien terecht, dat dit beeld komt van het gebaar van mensen die iemand ontvangen die ze met vreugde of trots zien. — Daniel Cresswell, 1776-1844.
Vers 48
Ik zal mijn handen opheffen in bewondering van Uw bevelen, “en in Uw inzettingen mediteren.” — W. Green, in “A New Translation of the Psalms”, 1762.
Vers 48
Als je je hand opheft, laat je zien dat je bereid bent en dat je iets bijzonders van plan bent. “En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden”, zegt David. Iemand die bereid is iets te doen en zich daarvoor klaarmaakt, steekt zijn hand omhoog. Zo wordt een godvruchtig mens beschreven als iemand die zijn hand opheft om de geboden van God te vervullen. — Joseph Caryl.
Vers 48
“Uw geboden.” Hij bedoelt met geboden Gods woord, maar het woord gaat verder dan dat. Hij zegt niet: ik heb Uw woord liefgehad. Hij zegt: ik heb het deel van Uw woord liefgehad dat “geboden” heet, het deel dat gebiedt. Sommige delen van Gods wil en woord willen zelfs goddeloze mensen graag liefhebben. Neem maar het deel met de beloften. Iedereen grist en graait naar de beloften, en laat zien hoeveel ze hem waard zijn. Het is duidelijk waarom: in de beloften zit plezier, voordeel, winst en opbrengst. Een vrome ziel kijkt echter niet alleen naar de beloften.
Ze kijkt ook naar de geboden. Voor vroomheid is Christus zowel Wetgever als Zaligmaker. Ze ziet in Hem niet alleen de Middelaar, maar ook de Heere en Meester. Ze leeft niet alleen door geloof, maar ook volgens een regel. De beloften maakt ze tot de steun en de wandelstok van het leven van een christen. Maar de geboden van God maakt ze tot haar richtsnoer. Een vroom hart weet heel goed dat in de voorwaarde en bepaling van iedere belofte een gebod besloten ligt. Het weet dat God de beloften moet waarmaken, en wij de geboden.
Daarom is het zo gericht op het genieten van wat beloofd is, dat het eerst doet wat geboden is. Op troost uit de belofte kun je alleen hopen als je het gebod onderhoudt. Daarom benadrukt hij: ik heb Uw woord liefgehad, en dat is waar, heel Uw woord, en ook dit deel, het deel dat gebiedt: “Uw geboden, die ik liefheb.”
Let ook op het meervoud: “Uw geboden.” Hij bedoelt al Uw geboden, zonder één uit te zonderen. Anders zijn zelfs goddeloze mensen best bereid van sommige geboden te houden, als ze die zelf mogen kiezen. — Richard Holdsworth (1590-1649), in “The Valley of Vision”.
Vers 48
“Die ik liefheb”, of “die ik liefgehad heb”, zoals in Ps. 119:47. De woorden van dat vers worden hier zorgvuldig herhaald, wat een mooi retorisch effect geeft. Het wordt nog sterker doordat het woordje “en” beide verzen aan elkaar knoopt, zodat ze bijna één zin worden. Het is alsof hij zegt: mijn geluk vind ik in Uw geboden, die ik liefheb en liefgehad heb. En naar deze geboden, die ik liefheb en liefgehad heb, zal ik mijn handen en mijn hart tegelijk opheffen. — Joseph Addison Alexander.
Vers 48
“En ik zal Uw inzettingen betrachten” (Engels: meditate). Als we Gods woord in alle stilte overdenken, komen alle genaden van de Geest tevoorschijn. Waar komt geloof anders uit voort dan uit het vertrouwen van de ziel op de beloften van het woord? Wat is godvruchtige vreze anders dan de ziel die beeft voor wat God dreigt? Waarop richt de hoop zich anders dan op de heerlijkheid van God, die we tegemoetzien? En wat laat verlangen of liefde ontbranden anders dan een hunkerende, boeiende blik op de Zaligmaker en op de zegeningen die geen mens kan uitspreken? Het is dus bijna ondenkbaar dat de genade werkt, als we het woord geestelijk niet overdenken. — Charles Bridges.
Vers 48
Bij Ps. 119:48 staat in de Syrische vertaling een toevoeging. Het verbaast me dat niemand haar heeft opgemerkt. Ze luidt: “en ik zal roemen in Uw trouw.” Dathe merkt in een aantekening op dat de Zeventig zo’n toevoeging ook lijken te hebben gelezen, hoewel niet in precies dezelfde woorden. — Edward Thomas Gibson, 1819-1880.
Wenken voor predikers
Vers 48
—
- Een liefde die weer aan het werk gaat.
- Een liefde die zich laaft aan geestelijk voedsel.
Vers 48
—
- De Schrift in de hand, om te lezen. Vaak in de hand.
- In het verstand, om te overdenken: “Ik zal Uw inzettingen betrachten” (Engels: meditate), enz.
- In het hart, voor de liefde: “Die ik liefheb.” — G.R.
Vers 48
De godsdienst greep heel de mens David aan: handen, hart en hoofd.
- De opgeheven handen.
(a) Een eed van trouw afleggen aan Gods woord. Gen. 14:22, Ezech. 20:28. Zijn leer aannemen, zijn bevelen gehoorzamen, zijn waarschuwingen ter harte nemen en zijn eer hooghouden.
(b) Een zegen afsmeken over Gods woord. Gen. 48:14, Lev. 9:22, Luk. 24:50. Zodat zijn licht zich uitbreidt: “Vlieg wijd en zijd, o machtig evangelie”, zodat zijn invloed overal komt.
- Het trouwe hart.
(a) Dit is de verklaring voor de opgeheven handen. Hij had het woord zelf liefgekregen. Godsdienst is eerst van binnen, daarna pas van buiten. We moeten het liefhebben, voordat we het willen verspreiden.
(b) Maar wat verklaart dan het trouwe hart? Het woord had hem zaligheid gebracht, hem gevoed en hem geleid. Wij houden van het woord om de heerlijke uitwerking ervan op onszelf.
- De ijverige geest.
(a) Vroom nadenken is de beste bezigheid die er is.
(b) Gods woord biedt daarvoor een groots werkterrein.
(c) Door erin te mediteren leren we het liefhebben: “liefheb”, “betrachten” (Engels: meditate). — H.W.
Vers 48
—
- Gods geboden liefgehad. We hebben de wet lief als we de Wetgever liefhebben. Zijn wil kunnen we alleen liefhebben als ons hart verzoend en vernieuwd is. Daarom moeten we geestelijk vernieuwd worden.
- Gods geboden als onderwerp van gebed: “En ik zal mijn handen opheffen.” Perowne zegt: “De uitdrukking wijst op het bidden zelf.” We mogen bidden om vollediger kennis, diepere ervaring en een gewilliger en volmaakter gehoorzaamheid.
- Een thema om over na te denken. Te midden van de drukte van alle uiterlijke bezigheden mogen we niet vergeten hoe nodig stille overdenking is. — H.W.
Uitleg
Dit achtdeel draait om de troost die het woord geeft. Het opent met de zoektocht naar de grootste troost: dat de Heere Zijn belofte vervult. Daarna volgt hoe het woord ons overeind houdt in verdrukking. Het maakt ons zo ongevoelig voor spot dat het harde optreden van de goddelozen ons eerder met afschuw voor hun zonde vervult, dan dat het ons laat toegeven aan hun verleidingen. Vervolgens zien we dat de Schrift pelgrims van liederen voorziet en wakkere nachtwakers van herinneringen. De psalm besluit met de algemene vaststelling dat al dit geluk en deze troost voortkomen uit het houden van de inzettingen van de Heere.
Vers 49
“Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken.” Een nieuwe belofte vraagt hij niet. Hij vraagt dat het oude woord wordt waargemaakt. Hij is dankbaar voor zo’n goed woord, en hij sluit het met heel zijn hart in zijn armen. Nu smeekt hij de Heere om met hem te doen wat dat woord zegt. Hij zegt niet: “denk aan mijn dienst voor U”, maar: “Uw woord aan mij.” Knechten willen lang niet altijd dat hun meesters onthouden wat die hun gezegd hebben. Meesters letten meestal op de fouten en tekorten in het werk, omdat het niet precies is zoals zij het bevolen hadden.
Maar wij dienen de allerbeste Meester. Wij hoeven niet bang te zijn dat een woord van Hem op de grond valt. De Heere denkt zo vriendelijk aan Zijn gebod dat Hij ons genade geeft om het te kunnen gehoorzamen. En daarbij herinnert Hij ons aan Zijn woord van belofte, zodat ons hart troost krijgt. Als Gods woord al zo kostbaar is voor ons als Zijn knechten, wat moeten we dan zeggen over Zijn woord aan ons als Zijn zonen?
De psalmist is er niet bang voor dat de Heere iets vergeet. Hij gebruikt de belofte als pleitgrond, en praat daarbij zoals mensen praten als ze samen een zaak bepleiten. Als de Heere de zonden van Zijn knecht niet vergeet en ze zijn geweten voorhoudt, dan roept de boetvaardige: Heere, denk aan Uw woord van vergeving, en denk daarom niet langer aan mijn zonden en ongerechtigheden. Het woord “gedenk” heeft een hele wereld aan betekenis, als je het tot God zegt. De Schrift gebruikt het in zijn tederste zin, en het past bij wie bedroefd en terneergeslagen is.
De psalmist riep: “O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden.” Ook Job bad dat de Heere een tijd voor hem zou bepalen en aan hem zou denken. In dit vers is het gebed even persoonlijk als het “Gedenk mijner” van de moordenaar. Want waar het om gaat, zit in de woorden: “tot Uw knecht.” Het zou volkomen nutteloos voor ons zijn, als de belofte voor alle anderen uitkwam maar niet voor ons zelf. Maar hier hoeven we niet bang voor te zijn: nog nooit heeft de Heere één belofte aan één gelovige vergeten. “Op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.” Het argument is: God heeft genade gegeven om op de belofte te hopen, en dus zal Hij die hoop zeker nooit beschamen.
Hij kan ons niet zonder reden hebben laten hopen. Als we hopen op Zijn woord, staan we op vaste grond. Onze genadige Heere zou ons nooit bespotten door ons valse verwachtingen te geven. “De uitgestelde hoop krenkt het hart.” Daarom vraagt hij dat de Heere meteen aan dat bemoedigende woord denkt. Bovendien is het de hoop van een knecht, en het is onmogelijk dat een grote en goede meester iemand teleurstelt die van hem afhangt. Zou het woord van zo’n meester niet gehouden worden, dan kan dat alleen door een vergissing. Vandaar die angstige roep: “Gedenk.” Onze grote Meester vergeet Zijn eigen knechten niet.
Ook laat Hij de verwachting niet beschamen die Hijzelf heeft gewekt. Wij horen bij de Heere en doen ons best om Zijn woord te gedenken door het te gehoorzamen. Daarom mogen we er zeker van zijn dat Hij aan Zijn eigen knechten zal denken, en dat Hij aan Zijn eigen belofte zal denken door haar na te komen.
Dit vers is het gebed van liefde die vreest vergeten te worden. Het is ook het gebed van een nederigheid die weet hoe klein ze is, en zich zorgen maakt dat ze over het hoofd wordt gezien. Het spreekt van een beven dat het kwaad van haar zonde de belofte zou kunnen overschaduwen. Het spreekt van een verlangen dat smacht naar de zegen, en van een heilig vertrouwen dat voelt dat wat we nodig hebben in het woord ligt. Laat de Heere alleen maar Zijn belofte gedenken, en wat Hij beloofde is zo goed als gedaan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 49
“Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken”, enz. Wie Gods beloften als hun eigen deel hebben gekregen, mogen er met nederige vrijmoedigheid ook een pleitgrond van maken. God gaf de belofte waarop de psalmist hoopte. Hij gaf ook de hoop waarmee de psalmist die belofte aannam. — Matthew Henry.
Vers 49
“Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken”, enz. Hoor je in Gods woord een belofte, maak er dan een gebed van. Gods beloften zijn Zijn schuldbrieven. Dagvaard Hem met Zijn eigen schuldbrief. Het is Hem welgevallig als wij met Hem worstelen met Zijn beloften.
Kom, Heere, U hebt deze en die belofte gedaan. Uzelf verloochenen kunt U niet, en Uw eigen waarheid evenmin. Ophouden God te zijn kunt U niet. En Uw belofte verloochenen, dat is Uzelf verloochenen, en dan zou U net zo goed kunnen ophouden God te zijn. “Heere, gedenk des woords.” Ik houd U Uw belofte voor, “op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.” Word ik bedrogen, dan hebt U mij bedrogen. U hebt deze beloften gedaan en mij doen vertrouwen op U. En “U laat nooit hen in de steek die op U vertrouwen; houd daarom Uw woord aan mij.” — Richard Sibbes.
Vers 49
“Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken”, enz. Voordat God de zaligheid geeft, belooft Hij haar al. Daarmee wekt Hij ons verlangen ernaar, oefent Hij ons geloof, toetst Hij onze oprechtheid en maakt Hij onze lijdzaamheid af. Soms lijkt het daarom of Hij Zijn woord vergeten is en wie Hij hulp en redding beloofde, heeft laten vallen. Dan wil Hij dat wij Hem als het ware aan Zijn belofte herinneren en Hem aanmanen haar na te komen. De psalmist leert ons hier ons verzoek te baseren op twee gronden. Eén: God kan niet blijken ontrouw te zijn aan Zijn eigen woord: “Gedenk des woords.” Twee: Hij zal nooit een verwachting teleurstellen die Hij zelf heeft gewekt: “op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.” — George Horne.
Vers 49, 52, 55
“Gedenk.” “Ik heb gedacht.” Zoals David de Heere smeekt aan Zijn belofte te denken, zo getuigt hij in Ps. 119:52 dat hij aan Gods oordelen heeft gedacht en daarvan getroost werd. In Ps. 119:55 vertelt hij dat hij ’s nachts aan de Naam van de Heere heeft gedacht. Vraag je God of Hij aan Zijn belofte aan jou wil denken, terwijl jij zelf geen moeite hebt met de belofte die jij aan Hem hebt gedaan, dan spot je met God.
Maar helaas, hoe vaak schieten we tekort in deze plicht! Door onze eigen schuld maken we de troost kleiner die we aan Gods beloften zouden kunnen hebben op de dag van onze benauwdheid. — William Cowper.
Vers 49
“Uw knecht.” Wees zeker over wie je bent. David pleit hier voor een deel als knecht van God en voor een deel als gelovige. Eerst zegt hij: “Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken”, en daarna: “op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.” Hij heeft dus twee kanten: de ene is gehoorzaamheid aan het gebod, de andere afhankelijkheid van de belofte. Het gebod komt vóór de belofte. Wie Gods knechten zijn, hebben recht op de beloften en mogen ze met recht vastgrijpen. Alleen wie zich erop toeleggen Zijn geboden te gehoorzamen, mogen Zijn beloften op zichzelf betrekken.
Niemand mag aanspraak maken op de genade die beloont, tenzij hij ook deelt in de genade die heiligt. Zorg dat het duidelijk is dat je een knecht van God bent. Dan zijn deze beloften, die in het algemeen worden aangeboden, jouw eigen beloften. Dat is niet minder waar dan wanneer je naam in de belofte stond en in de Bijbel geschreven was. — Thomas Manton.
Vers 49
“Gij mij hebt doen hopen.” Houd drie dingen in gedachten. Eén: de beloften die ons zijn gedaan, komen voort uit Gods vrije genade. Twee: ook de genade om te geloven, de voorwaarde van de belofte, komt van Hemzelf, want het geloof is “Gods gave”. Drie: de bewijzen waarmee Hij ons geloof in de zekerheid van onze zaligheid versterkt, haalt Hij bij Zichzelf, en niet bij ons. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door pastor C. A. Davis. Vers 49-56. — Hoop in verdrukking. Ze komt uit Gods woord (Ps. 119:49). Ze geeft troost (Ps. 119:50), ook bij moeilijkheden die de goddelozen veroorzaken (Ps. 119:51-53). Ze verblijdt de pelgrimstocht van de gelovige en zijn heilige nachtwaken (Ps. 119:54-56).
Wenken voor predikers
Vers 49
—
- Het persoonlijke van het woord: “des woords, tot Uw knecht gesproken.”
- De toepassing van het woord: “op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.”
- Pleiten met het woord: “Gedenk des woords”, enz.
Vers 49
Het woord van hoop.
- Gods woord is de grondslag van menselijke hoop. (Het feit dat er een openbaring is. De inhoud van die openbaring.)
- Bijzondere woorden van God, die bij uitstek hoop hebben doen opvlammen.
- Met zulke woorden pleiten bij de troon van de genade. — C.A.D.
Uitleg
Vers 50
“Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Er zijn drie manieren om dit te lezen. Hij zegt: Uw woord is mijn troost. Of: mijn troost is dat Uw woord mij levend heeft gemaakt. Of: de hoop die het woord hem gaf, was zijn troost, omdat God hem daarmee levend had gemaakt. Welke lezing ook klopt, vast staat dat de psalmist ellende kende. Het was zijn eigen ellende, en daarom spreekt hij van “mijn ellende”. Midden daarin had hij troost, en wel zijn persoonlijke troost: “mijn troost”.
Hij wist ook precies wat die troost was en waar ze vandaan kwam. Daarom roept hij: “Dit is mijn troost.” De wereldling klemt zijn geldzak tegen zich aan en zegt: “Dit is mijn troost.” De verkwister wijst naar zijn feestgedruis en roept: “Dit is mijn troost.” De dronkaard heft het glas en zingt: “Dit is mijn troost.” Wie echter zijn hoop van God krijgt, voelt dat het woord van de Heere hem levend maakt, en getuigt: “Dit is mijn troost.” Paulus zei: “Ik weet, Wien ik geloofd heb.” Op elk moment van ons leven is troost goed.
Maar troost in verdrukking is als een lamp op een donkere plek. Er zijn mensen die juist dan geen troost kunnen vinden. Gelovigen wel. Hun Zaligmaker heeft hun gezegd: “Ik zal u geen wezen laten.” De een heeft troost maar geen verdrukking, de ander verdrukking maar geen troost. Heiligen hebben troost midden in hun verdrukking.
Het woord troost ons vaak doordat het ons innerlijk leven sterker maakt: “Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Wie een ziel levend maakt, richt de hele mens op. Vaak is heiliging, dat wil zeggen versterking, de kortste weg naar troost. Kunnen we de mist niet wegnemen, dan is het soms beter om zelf hoger te klimmen en erbovenuit te komen. Moeilijkheden die als een steen op ons liggen als we halfdood zijn, zijn nog maar kleinigheden als we vol leven zijn. Zo zijn we vaak al in onze geest overeind geholpen door levendmakende genade, en dat zal opnieuw gebeuren.
De Trooster is immers nog steeds bij ons, de Vertroosting van Israël leeft altijd en de God van de vrede is onophoudelijk onze Vader. Kijken we terug op ons leven tot nu toe, dan is er één reden om moed te houden over onze toestand: Gods woord heeft ons levend gemaakt en zo bewaard. Eerst waren we dood, nu niet meer. Daaruit trekken we de blijde conclusie dat de Heere ons niet levend zou hebben gemaakt als Hij ons had willen laten vergaan. Als we niets meer dan huichelaars waren, die bespotting verdienen zoals de hoogmoedigen zeggen, dan had Hij ons door Zijn genade niet laten opleven. Wie levendmaking heeft ervaren, heeft daarmee een bron van vrolijkheid in handen.
Kijk, hoe dit vers in Ps. 119:107 verandert in een gebed: “HEERE! maak mij levend naar Uw woord.” Wat we meegemaakt hebben, leert ons bidden en geeft ons argumenten in ons gebed.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 50
“Dit is mijn troost”, enz. Het woord van de belofte troostte David, omdat het woord hem levend had gemaakt, zodat hij troost kon ontvangen. In de grondtekst kan het ook nog anders worden gelezen: “Dit is mijn vertroosting, dat Uw woord mij levend gemaakt heeft.” Hij had het in zichzelf ervaren, en het was een gelukkige ervaring. Hij merkte hoe verkwikkend, herstellend en levendmakend het woord werkte, terwijl hij het las, erbij bleef stilstaan, erover mediteerde en zich overgaf aan de weg van dat woord. Een gelovige heeft alle onfeilbare beloften van God om op te steunen. Terwijl hij erop steunt, haalt hij kracht uit wat hij zelf al heeft meegemaakt aan de trouw van het woord. — John Stephen.
Vers 50
“Mijn troost.” “Uw toezegging.” Zijn Schriften, Zijn woord: dat heeft God ons gegeven. Wat we daaruit aan troost halen, is krachtig, want het is Zijn eigen troost. Het komt immers uit Zijn woord. Een woord van een vorst troost ook als hij zelf niet aanwezig is om het te zeggen. Komt het per brief of per bode, het is de vorst wiens woord het is, en die kan het waarmaken. Hij is Heere en Meester over Zijn eigen woord. Gods woord is vol troost. Dat geldt ook voor alle redenen die erin liggen, of die er met goede grond en gevolgtrekking uit worden afgeleid.
Ze zijn vol troost, want het is Gods woord. Er is een wonderlijke verscheidenheid aan vertroostingen in Gods woord en aan redenen die daaruit voortkomen. Een christen kan troost putten uit zijn vrijheid, omdat hij vrij toegang heeft tot de troon van de genade. Hij kan troost putten uit zijn voorrechten: hij is een kind van God, gerechtvaardigd, een erfgenaam van de hemel, en zo meer. Verder zijn er vertroostingen uit de beloften van genade, uit Gods tegenwoordigheid en uit de bijstand die Zijn tegenwoordigheid geeft. — Richard Sibbes.
Vers 50
“Troost.” “Nechamah”, vertroosting. Van dit woord is de naam Nehemia afgeleid. Het woord komt verder alleen voor in Job 6:10.
Vers 50
“Troost.” Het Hebreeuwse werkwoord voor “vertroosten” betekent eerst: berouw hebben, en dan pas: vertroosten. Dat klopt ook. De zoetste vreugde komt uit de meest oprechte tranen. Tranen laten geestelijke vreugde groeien. Hanna ging heen toen ze gehuild had, en ze was niet meer droevig. Uit de bitterste kruiden haalt de bij haar beste honing. Christus maakte de beste wijn uit water.
Troost uit het evangelie is, ten eerste, onuitsprekelijk, 1 Petr. 1:8, Fil. 4:4. Ten tweede is ze echt, Joh. 14:27. Alle andere troost is schijn, geschilderde troost. Ten derde is ze heilig, Jes. 64:5, Ps. 138:5. Ze komt uit de Heilige Geest, en uit de Heilige Geest komt alleen wat heilig is. Ten vierde is ze de grootste en krachtigste troost, Ef. 6:17. Weinig hoofden en harten kunnen haar dragen, net zoals weinig hoofden sterke wijn aankunnen. Ten vijfde bereikt ze de innerlijke mens, de ziel, 2 Thess. 2:17, het edelste deel van de mens.
“Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.” Onze andere vertroostingen komen niet verder dan ons gezicht. Zo diep als het hart zakken ze niet. Ten zesde geeft deze troost de ziel de meeste vervulling en voldoening, Ps. 16:11, Hoogl. 4:3. Andere vertroostingen kunnen de ziel niet raken, dus ze kunnen haar ook niet vullen of tevredenstellen. Ten zevende troost ze in de droevigste nood, in de donkerste nacht en op de stormachtigste dag, Ps. 94:19, Hebr. 3:7-8. Ten achtste duurt ze eeuwig, 2 Thess. 2:16. De vreugde van de goddelozen lijkt op glas, helder en broos, en altijd bijna gebroken. De vreugde van de heiligen blijft. — Thomas Brooks.
Vers 50
“Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Troost die doet herleven, maakt de ziel levend. Vaak lijken we dood voor alles wat geestelijk is, en zijn onze gevoelens gedempt en ontmoedigd. Maar Gods woord brengt leven in wie dood zijn, en geeft ons licht in onze diepste nood. Droefheid werkt de dood, maar vreugde is het leven van de ziel. Zijn we dood voor alle gevoel en besef, dan blijft het waar dat “de rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Hebr. 10:38). En de hoop die de Schriften in ons werken, is “een levende hoop” (1 Petr. 1:3).
Andere dingen laten alleen een velletje over de wond groeien, en de zweer breekt weer open en gaat lopen. Het geloof gaat dieper, tot in het binnenste van de mens. Het doet het hart goed, en de ziel leeft op doordat ze op God wacht, en ontvangt leven en kracht. — Thomas Manton.
Vers 50
“Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Zoals duidelijk wordt uit het noemen van “ellende”, en overigens uit heel de psalm, betekent “levend maken” hier niet alleen in de uiterlijke zin “behoud voor de dood” (Hupfeld). Het betekent ook “het hart doen herleven”, “nieuwe moed geven”, enz. — J.J. Stewart Perowne.
Vers 50
“Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Toen ik dood was in zonde, maakte het mij levend. Toen ik dood was in mijn plicht, bracht het mij vaak weer tot leven. Toen ik onwillig en afkerig stond tegenover wat goed is, maakte het mij levend ervoor. En toen ik koud en onverschillig was in wat goed is, maakte het mij levend daarin. — Matthew Henry.
Vers 50
(Tweede zinsdeel.) Aanbid de genade van God, die onderscheid maakt, als je de kracht en het gezag van het woord op je geweten hebt gevoeld, en als je met David kunt zeggen: “Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Christen, dank God dat Hij je Zijn woord niet alleen gegeven heeft als regel voor heiligheid, maar ook Zijn genade als bron van heiligheid. Dank God dat Hij Zijn woord niet alleen heeft opgeschreven, maar het ook op je hart heeft verzegeld en krachtig heeft gemaakt. Kun je zeggen dat het van goddelijke ingeving is, omdat je hebt gevoeld hoe levend het werkt?
O vrije genade! Dat God Zijn woord uitstuurt en jou geneest! Dat Hij jou geneest, en anderen niet! Dat dezelfde Schrift die voor hen een dode letter is, voor jou een geur van leven wordt! — Thomas Watson.
Wenken voor predikers
Vers 50
Ieder mens heeft zijn eigen verdrukking en zijn eigen vertroosting. Een vroomheid die levend gemaakt is, is de beste troost. Het woord is daarvoor het middel.
Vers 50
—
- De behoefte aan vertroosting.
- De vertroosting die nodig is. — G.R.
Uitleg
Vers 51
“De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot.” Hoogmoedigen kunnen nooit goed overweg met genadige mensen. Ze zijn bang voor hen, en verstoppen die angst achter gespeelde minachting. Hier brak hun haat uit in spot. Die spot was luid en hield lang aan. Wilden ze zich vermaken, dan maakten ze David belachelijk, omdat hij een knecht van God was. Je moet vreemde ogen hebben om in geloof een klucht te zien en in heiligheid een blijspel. Toch krijgen mensen met weinig geest, helaas, vaak makkelijk een brede grijns op de gezichten door een heilige te bespotten.
Verwaande zondaars schoppen godvruchtige mensen heen en weer als een voetbal. Het is voor hen buitengewoon vermakelijk om een trouw lid van “The Holy Club” te bespotten. Zijn nauwgezette levenswijze levert stof voor grappen over “de Methodist”. Zijn afkeer van de zonde zet hun tongen in beweging over langgezichtig puritanisme en nauwsluitende schijnheiligheid. Als David ten zeerste bespot werd, mogen wij niet verwachten dat wij aan de hoon van de goddelozen ontkomen. Er lopen nog steeds legers van hoogmoedigen over de aarde. Treffen ze een gelovige aan in verdrukking, dan zijn ze laag en wreed genoeg om hem aan te vallen.
Het zit nu eenmaal in de aard van de zoon van de slavin om het kind van de belofte te bespotten.
“Nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.” Zo gingen de spotters aan hun doel voorbij. Ze lachten, maar wonnen niets. De godvruchtige man bleef niet alleen op het rechte pad. Hij ging er ook niet langzamer op lopen, en gaf op geen enkel punt zijn heilige gewoonten op. Velen zouden zijn afgeweken, en velen zijn afgeweken, maar David niet. Je doet de dwazen te veel eer aan als je hun ook maar een half punt gunt. Hun ongeheiligde vrolijkheid raakt ons niet als wij er geen aandacht aan geven, net zoals de maan geen last heeft van honden die haar aanblaffen. Gods wet is onze hoofdweg naar vrede en veiligheid. Wie ons daar vandaan zouden willen lachen, bedoelen het niet goed met ons.
Uit Ps. 119:61 blijkt dat David niet overwonnen werd door het verlies van zijn bezit, en evenmin door deze wrede spot. Zie ook Ps. 119:157: daar werd de menigte van vervolgers en vijanden teleurgesteld in hun pogingen om hem van Gods wegen af te krijgen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 51
“De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot.” De heiligen van God hebben hierover in alle eeuwen geklaagd. David had zijn drukke spotters, en zelfs het uitschot lachte hem uit. Job werd geminacht door kinderen van vaders die hij te min had gevonden om bij de honden van zijn kudde te laten zitten (Job 30:1). Jozef kreeg de bijnaam “dromer” opgeplakt en Paulus werd een kletskous genoemd. Christus Zelf noemde men een Samaritaan, en om Hem te schande te maken een timmerman… Michal bleef kinderloos, en toch heeft zij nog altijd te veel kinderen: mensen die de levenswijze en de oefeningen van de godsvrucht belachelijk maken.
Een duidelijker teken van een ontaarde ziel dan de spot met de godsdienstige plichten is er niet. Wereldse harten zien in zulke handelingen alleen maar dwaasheid en waanzin. Godsvrucht heeft voor hen geen smaak; het ligt hun juist tegen. – Thomas Adams.
Vers 51
“De hovaardigen, enz.” Spotten groeit uit hoogmoed. Spr. 3:34, 1 Petr. 5:5. – John Trapp.
Vers 51
“Boven mate zeer.” Dit woord betekent “onophoudelijk”. De Septuaginta geeft het weer met afuzra, en de Latijnse Vulgaat met “usque valde” en “usque longe”. Ze bespotten hem zo bitter als maar kon. Dag na dag hadden ze hun hoon voor hem klaarliggen, en daarom was het een zware, onafgebroken verzoeking. – Thomas Manton.
Vers 51
“Bespot.” David vertelt dat men hem om zijn geloof had uitgelachen, en toch had niemand hem uit zijn geloof weggelachen. Zijn bidden noemden ze schijnheiligheid en daar lachten ze om. Zijn ernst noemden ze zwaarmoedigheid, en ook daarom werd hij bespot. Zijn nauwgezetheid noemden ze onnodige overdrijving, en ook die kreeg hun hoon te verduren. – Matthew Henry.
Vers 51
Een soldaat die zich onder vuur goed houdt, doet iets groots; maar een soldaat van het kruis die op de dag van zijn beproeving onverschrokken blijft, doet nog veel meer. Een christen wordt niet gedeerd doordat de honden naar hem blaffen. – William S. Plumer.
Vers 50-51
De levenskracht en de energie die de belofte mij schonk door mij “levend” te maken, zorgden ervoor dat ik “van Uw wet niet geweken” ben, ook al gold: “De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot.” Ze deden alles wat ze konden om mij met hun bespotting af te schrikken van het onderhouden van die wet. – Robert Bellarmine.
Wenken voor predikers
Vers 51
De hoon van de hoogmoedige en de standvastigheid van de genadige.
Vers 51
Trouw ondanks minachting.
- De hovaardigen maken de onderworpenheid van de gelovige aan Gods wet belachelijk.
- Ze drijven de spot met zijn vreugde in de dienst van God.
- Daartegenover staat zijn vaste besluit om bij God te blijven. 2 Sam. 6:20; 2 Sam. 6:22. – C.A.D.
Uitleg
Vers 52
“Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.” Eerst had hij de HEERE gevraagd om te gedenken. Nu gedenkt hij zelf God en Zijn oordelen. Zien we op dit moment niets van Gods kracht? Dan is het verstandig terug te gaan naar de verslagen uit vroeger tijden. Die gelden net zo goed als gebeurtenissen van gisteren, want de HEERE is altijd Dezelfde. Onze echte troost moeten we vinden in wat onze God doet voor waarheid en recht. En omdat de geschiedenis van de oude tijd vol staat met goddelijk ingrijpen, is het goed die grondig te kennen.
Bovendien kunnen we, als we op leeftijd zijn, terugkijken op Gods voorzienigheid in onze jonge jaren. Laten we die zeker niet vergeten of uit onze gedachten verdringen. De redenering is goed en stevig. Wie Zich sterk heeft getoond voor Zijn gelovige volk, is de onveranderlijke God. Daarom mogen we uitredding van Zijn hand verwachten. Het grijnzen van de hovaardigen zal ons niet verontrusten als we bedenken hoe de HEERE hun voorgangers in vroegere eeuwen aanpakte. Hij vernietigde ze in de zondvloed. Hij bracht ze in verwarring bij Babel. Hij liet ze verdrinken in de Rode Zee.
Hij joeg ze weg uit Kanaän. In alle tijden heeft Hij Zijn arm ontbloot tegen de verwaanden en heeft Hij hen stukgeslagen als aardewerk van de pottenbakker. In ons eigen hart drinken we nederig en in stilte van Gods barmhartigheid. Maar ook als het rumoerig wordt en er gespot wordt, blijven we niet zonder troost. Dan zoeken we onze toevlucht bij Gods gerechtigheid en denken we eraan hoe Hij Zelf de spotters bespot: “Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.”
Toen men hem zo ten zeerste bespotte, ging de psalmist niet wanhopig zitten, maar vermande hij zich. Hij wist dat troost nodig is om sterk te blijven in de dienst en om vervolging te kunnen doorstaan. Daarom troostte hij zichzelf. Hij zocht daarbij niet zozeer de zoete als wel de strenge kant van Gods handelen op, en stond stil bij Zijn oordelen. Kunnen we al zoetheid vinden in Gods gerechtigheid? Hoeveel meer zullen we die dan ontdekken in Zijn liefde en genade! Wat moet iemand diep in vrede zijn met God, als hij troost kan putten niet alleen uit Zijn beloften maar ook uit Zijn oordelen.
Zelfs het ontzagwekkende in God bemoedigt gelovigen. Zij weten dat niets zoveel voordeel brengt aan alle schepselen van God als geregeerd te worden door een sterke hand die recht laat geschieden. De rechtvaardige heeft niets te vrezen van het zwaard van de overheid, want dat is alleen een schrik voor wie kwaad doet. Wordt een godvruchtige onrechtvaardig behandeld? Dan vindt hij troost in het feit dat er een Rechter is over de gehele aarde. Die zal Zijn eigen uitverkorenen wreken en het onrecht van deze verwarde tijden herstellen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 52
“Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan.” Het is goed om voorbeelden van Gods omgang met Zijn dienaren op te slaan in de voorraadkamer van een geheiligd geheugen. Zo wordt ons geloof gesterkt als de dag van de ellende komt. Dat leert ons deze plaats. – David Dickson.
Vers 52
“Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen.” Hij herinnerde zich dat Adam in het begin werd verbannen uit zijn verblijf in het paradijs, omdat hij het goddelijk gebod overtrad. Kain werd door het gezag van het goddelijk vonnis veroordeeld en betaalde de prijs voor zijn broedermoord. Henoch werd om zijn toewijding in de hemel opgenomen en ontkwam zo aan het gif van de aardse boosheid. Noach versloeg door zijn rechtvaardigheid de zondvloed en bleef als enige van het mensdom over. Abraham verspreidde door zijn geloof het zaad van zijn nageslacht over de hele aarde. Israël wijdde door het geduldig dragen van moeiten een gelovig volk met het teken van zijn eigen naam. En David zelf werd om zijn zachtmoedigheid met koninklijke eer bekleed en kreeg de voorrang boven zijn oudere broers. – Ambrosius.
Vers 52
“Ik heb gedacht, enz.” Hieronymus vertelt van die godvrezende Paula dat zij het grootste deel van de Schrift van buiten kende. Ook ons wordt gezegd: “Het woord van Christus wone rijkelijk in u” (Kol. 3:16). Het woord is een kostbaar sieraad voor de verborgen mens. Zouden we er dan niet aan blijven denken? “Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel?” (Jer. 2:32). Er bestaat een kwaal, lienterie genoemd. Wie eraan lijdt, braakt zijn eten bijna meteen weer uit; het verblijft niet in de maag en geeft dus geen voeding. Zo gaat het ook met het woord: wat niet in het geheugen blijft, helpt ons niet. Menigeen onthoudt een nieuwtje gemakkelijker dan een Schriftwoord. Hun geheugen lijkt op een vijver waarin kikkers leven, maar waarin vissen sterven. – Thomas Watson in “The Morning Exercises.”
Vers 52
“Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen …, en heb mij getroost.” Hier kunnen we ons afvragen hoe David troost kon putten uit Gods oordelen. Genot scheppen in de ondergang van wie dan ook lijkt immers barbaars. Er staat toch geschreven: “Die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn” (Spr. 17:5).
- Bedenk eerst dat “oordeel” twee dingen omvat in Gods rechtvaardig bestuur: het redden van de godvruchtigen en het straffen van de goddelozen. Neem het eerste, en er blijft geen enkele reden voor bezwaar. Er staat immers: “Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid” (Ps. 94:15). Wat goede mensen lijden, zal uitdraaien op het grootste voordeel. Dat blijkt uit het verband: God verstoot Zijn volk niet, maar het oordeel keert terug tot de gerechtigheid.
- Zelfs het oordeel als straf voor de goddelozen kan troost geven. Niet doordat het iemand ongelukkig maakt, maar om de volgende redenen. (a) Wordt de goddeloze gestraft, dan valt de valstrik van de zonde weg, de lokstem van de hoop op straffeloosheid. Door hun straf merken mensen immers dat zondigen tegen God gevaarlijk is: “Wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid” (Jes. 26:9). Menige ziel wordt zo uit de strik bevrijd. (b) Hun spot met de godsvrucht en hun hoon houden op. Ze kwellen en doorboren de godvruchtigen niet meer met hun “Ha, ha!” (Ps. 40:16). Het gaat dwars door hun hart als ze vragen: “Waar is uw God?” (Ps. 42:11). Het oordeel maakt aan dit kwaad een eind.
(c) De belemmeringen en hindernissen bij het aanbidden en dienen van God verdwijnen: als de netels zijn uitgerukt, krijgt het koren meer ruimte om te groeien.
(d) Er is geen kans meer om Gods dienaren te hinderen. De goddelozen kunnen de gemeente niet langer met hun onderdrukking kwellen, en zo komt er ruimte voor de groei van het koninkrijk van Christus.
(e) Zo komt ook Gods gerechtigheid aan het licht. Gaat het de rechtvaardigen goed, dan is er vreugde in de stad: “en als de goddelozen omkomen, is er gejuich” (Spr. 11:10). “En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende: Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte” (Ps. 52:8-9). Juich over Babylon, “gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld” (Openb. 18:20). Als Gods woord vervuld wordt, mogen we ons zeker verheugen dat Zijn gerechtigheid en waarheid worden vrijgesproken.
– Thomas Mardon.
Vers 52
Het woord “mishphatim”, “oordelen”, gebruikt de Schrift voor twee dingen: voor wetten die zijn uitgevaardigd, of voor oordelen die volgens die wetten worden uitgevoerd. De eerste kunnen we de oordelen van Zijn mond noemen, zoals: “Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds” (Ps. 105:5). De tweede soort zijn de oordelen van Zijn hand. Beide heten oordelen, en van beide kunnen we zeggen dat ze “van ouds” zijn. Zijn besluiten en inzettingen dragen een eeuwige billijkheid in zich en stonden in het hart van de mens geschreven toen hij nog onschuldig was. Ze mogen dus terecht “van ouds” heten. En God straft de goddelozen en redt de godvruchtigen op Zijn tijd al sinds het begin van de wereld. Daarom mag men ook Zijn rechterlijke beschikkingen zo noemen. Het is niet van groot belang of we dit opvatten van Zijn inzettingen of van Zijn besluiten.
Beide bieden immers stof tot troost. Ook al zien we de ondergang van de goddelozen niet in de voorzienigheid, dan zien we hem toch in het Woord. Zelf kies ik er liever voor, dit te verstaan van de rechtvaardige daden uit de Schrift. God heeft ze als rechtvaardig Rechter in alle eeuwen uitgevoerd, naar de beloften en bedreigingen die aan Zijn wetten vastzitten. Wel moet ik je hierbij op iets wijzen: “oordelen” sluit ook Zijn barmhartigheid in, namelijk de redding van Zijn rechtvaardige dienaren. Daarnaast omvat het Zijn straffen over de goddelozen. Voor de ene groep komt Zijn hulp op het juiste ogenblik, midden in hun grootste nood. De andere groep treft Zijn rechtvaardige wraak, hoe voorspoedig het hun ook ging. – Thomas Manton.
Vers 52 en 55
“Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen”, “des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest.” Thomas Fuller schrijft hierover in zijn “David’s Heartie Repentance”:
“Hij verdeelde zijn dagen over velerlei plichten,
en vond in de afwisseling van zijn werk zijn ontspanning;
de kostbare morgen zette hij apart voor het gebed,
de middag wijdde hij aan de overdenking.
Lieflijke heilige verhalen bewaarde hij voor de nacht:
hij las van Mozes’ zachtmoedigheid, van Simsons kracht;
dat was zijn vreugde, dat alleen was zijn verrukking.”
Wenken voor predikers
Vers 52
De troost die we putten uit een blik terug op wat de HEERE vanouds deed met de goddelozen en met Zijn volk.
Vers 52
–
- De doden spreken tot de levenden.
- De levenden luisteren naar de doden. – G.R.
Vers 52
Helder, zoet water uit een donkere put.
- Gods oordelen zijn erop gericht schrik aan te jagen.
- Maar ze bewijzen dat God de wereld zorgvuldig bestuurt.
- Ze keren zich altijd tegen de zonde en komen op voor de heiligheid.
- Wanneer er een oordeel komt, redt God altijd Zijn volk. Denk aan Noach, Lot, enz.
- Daarom zijn Gods oordelen voor de gelovige een bron van troost. – G.A.D.
Uitleg
Vers 53
“Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.” Wat ze deden, joeg hem diepe schrik aan. Dat gold ook de hoogmoed die hen ertoe dreef, en de straf die hen daarvoor zeker te wachten stond. Dacht hij aan Gods oordelen van oudsher, dan beefde hij bij de gedachte aan het lot van de goddelozen, en terecht. Hun gelach had hem geen verdriet gedaan. Maar wat hij van hun ondergang voorzag, deed hem pijn. Waarheden waar zij om lachten, brachten hem in verbijstering. Hij zag hoe ze zich volledig afkeerden van Gods wet.
Ze lieten haar achter als een verlaten pad, dat overwoekerd raakt omdat niemand het meer betreedt. Dat verlaten van de wet vervulde hem met bijzonder pijnlijke gevoelens. Hij stond versteld van hun goddeloosheid en was overdonderd door hun aanmatiging. Hij schrok van de verwachting dat ze plotseling zouden vallen, en was ontzet door de verschrikking van hun onvermijdelijke ondergang.
Lees ook Ps. 119:106 en Ps. 119:158, en let op de tederheid die hierbij hoort. Wie het vastst gelooft in de eeuwige straf van de goddelozen, treurt er het meest over. Het getuigt niet van tederheid om je ogen te sluiten voor het verschrikkelijke einde van de goddelozen. Echt medelijden laat zich beter zien in pogingen om zondaars te redden dan in pogingen om het voor iedereen gezellig te houden. Och, wat zouden we toch meer verdriet moeten hebben als we denken aan het deel van de goddelozen in de poel van vuur! Het gangbare recept is: sluit je ogen, vergeet het, of doe alsof je eraan twijfelt. Maar zo handelt de trouwe dienaar van God niet.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 53
“Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen.” Ik heb de eeuwigheid soms helder voor me gezien. Ik zag, tot op zekere hoogte, de gelukzaligheid van de godvruchtigen en verlangde naar hun gelukkige staat. Ik was er bovendien rustig en getroost van overtuigd dat ik die door genade zal bereiken. Maar o, welke angst komt in mij op als ik denk aan een eeuwigheid voor mensen zonder Christus! Dat zijn zij die zich vergissen en hun valse hoop meenemen in het graf. Het gezicht was zo vreselijk dat ik het onmogelijk kon verdragen. Mijn gedachten deinsden er helemaal voor terug en ik zei, met een dieper besef dan ooit tevoren: “Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?” – David Brainerd, 1718-1747.
Vers 53
“Grote beroering heeft mij bevangen, enz.” O, wie kan beschrijven hoe het met een ziel gesteld is in zo’n toestand! Alles wat we erover kunnen zeggen, geeft er maar een zwak en vaag beeld van, en lang niet het hele beeld. Het is niet uit te drukken en niet te bevatten. Want wie kent de kracht van Gods toorn?
Hoe vreselijk is het om elke dag en elk uur gevaar te lopen voor deze geweldige gramschap en eindeloze ellende! Toch is dat de trieste toestand van werkelijk iedere ziel in deze gemeente die niet is wedergeboren. Het maakt niet uit hoe fatsoenlijk en netjes en nauwgezet, bezonnen en godsdienstig zo iemand verder ook is. O, dat jullie dit toch zouden overwegen, jong of oud! Er is reden om te denken dat velen in deze gemeente die deze rede nu horen, daadwerkelijk aan juist deze ellende ten prooi zullen vallen, in alle eeuwigheid. We weten niet wie het zijn, op welke stoelen ze zitten of wat ze nu denken.
Misschien zitten ze op dit moment rustig te luisteren en raakt het hen nauwelijks. Misschien houden ze zichzelf voor dat zij niet bedoeld zijn en beloven ze zichzelf dat zij zullen ontkomen. Wisten we dat er één mens, maar één, in de hele gemeente was die deze ellende zou ondergaan, wat een ontzettende gedachte zou dat zijn! Wisten we wie het was, wat een afschuwelijk gezicht zou het zijn om zo iemand te zien! Wat zou de rest van de gemeente dan een luide en bittere klaagkreet over hem aanheffen! Maar helaas, in plaats van één: hoevelen zullen zich deze rede naar alle waarschijnlijkheid herinneren in de hel! – Jonathan Edwards, in een preek met de titel “Sinners in the Hands of an angry God.”
Vers 53
“Grote beroering” (Engels: horror). Zilaphah is eigenlijk de verpestende, verzengende wind die de Arabieren simoen noemen (zie Ps. 11:6). Hier is het een beeld voor de afgrijselijkste geestelijke nood. Zo laat het sterk zien welk beeld de psalmist van de zonde had: iets wat verdorven, verpestend en vernietigend is. – Aantekening in Bagster’s Comprehensive Bible.
Vers 53
“Grote beroering.” Het woord dat hier met “grote beroering” is weergegeven, kan ook “tempest” of “storm” betekenen. De vertalingen lopen uiteen. Junius leest: “een storm die iemand overvalt”. Ainsworth vertaalt: “een brandende gruwel heeft mij gegrepen”, en legt het uit als een storm van schrik en ontzetting. De Septuaginta heeft aynmia katece me, “bezwijming en neerslachtigheid van geest hebben mij in bezit genomen”. Onze eigen vertaling zegt: “ik ben vreselijk bevreesd”. Alle vertalingen wijzen, net als het oorspronkelijke woord, op grote onrust van de geest en op een hevige beroering. Als een storm bracht het David onrust en deed het hem beven. – Thomas Manton.
Vers 53
“Vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.” David treurde niet omdat men hém aanviel, maar omdat Gods wet werd verlaten. Hij beklaagde ook de veroordeling van wie dat deden, omdat zij voor God verloren zijn. Een goede vader treurt zo om zijn zoon als die waanzinnig is en hem slecht behandelt. Hij betreurt niet zijn eigen ellende maar die van de zieke. De hoon deert hem niet omdat hij zelf erdoor getroffen wordt, maar omdat de zieke in zijn waanzin niet weet wat hij doet. Zo gaat het ook met een goed mens.
Ziet hij een zondaar die de grijze haren van een ouder niet eert of respecteert, maar hem recht in het gezicht beledigt, dan treurt hij om hem. Zo iemand ziet in de waanzin van zijn zonde niet eens welke schandelijke dingen hij doet. De goede mens treurt om hem als om iemand die op sterven ligt, en beklaagt hem als iemand die de artsen hebben opgegeven. Zo geeft een goed arts eerst zijn advies. Krijgt hij daarop harde woorden of zelfs slaag, dan houdt hij het toch uit, want de man is ziek. Wordt hij vervloekt, dan loopt hij niet weg.
Geen enkel geneesmiddel dat nog kan helpen weigert hij. Hij loopt niet bij hem weg alsof het een koppige kerel is. Integendeel, hij doet alles om hem te genezen, alsof deze man hem veel goeds had gedaan. Hij gebruikt daarbij niet alleen zijn vakkennis, maar ook zijn goedheid. Net zo draait een rechtvaardig mens zich niet af als hij wordt geminacht. Wordt hij belasterd, dan ziet hij dat als waanzin en niet als slechtheid. Hij wil liever zelf het geneesmiddel op de wond leggen, leeft mee en treurt niet om zichzelf maar om de man die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt. – Ambrosius.
Vers 53
“De goddelozen, die Uw wet verlaten,” zijn mensen die de wet van de HEERE niet slechts overtreden, wat ieder mens meer of minder doet. Zij verachten haar willens en wetens en halsstarrig en gooien haar achter hun rug. Ze leven voortdurend in ongehoorzaamheid eraan. Of ze vallen af van de leer van het woord van God en ontkennen opzettelijk de waarheid, nadat ze er een theoretische kennis van hadden. Hun straf is bijzonder zwaar (Hebr. 10:26-29). Hij beefde dus enerzijds om de vermetele goddeloosheid van goddeloze mensen, die hun handen tegen God uitstrekken, zich sterk maken tegen de Almachtige en op Hem afstormen, tot op de dikke bulten van Zijn schilden.
Hij beefde om het schokkende karakter van hun zonde, om het trieste voorbeeld dat ze daarmee aan anderen geven, om de schade die ze zichzelf aandoen en om de oneer die ze God bezorgen. Anderzijds beefde hij om de vreselijke straf die hun hier, en vooral hierna, wacht, wanneer er een gruwelijke storm van gramschap over hen losbreekt. Daarom greep het beven de psalmist aan. En vaak gaat het zo dat goede mensen meer beven voor de goddelozen dan voor zichzelf: zie Ps. 119:120. – John Gill.
Vers 54
“Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest.” De psalmist verheugde zich ongetwijfeld, zoals goede mensen dat nu doen:
- In de wet zelf: de wet als regel voor de orde, als gids voor ons gedrag, als waarborg voor onze veiligheid.
- In een wet als die van God: zo zuiver, zo heilig, zo geschikt om het geluk van de mens te bevorderen.
- In de vastheid van die wet, die zijn persoonlijke zekerheid was en de grond van zijn hoop.
- In de wet zoals ze het hele heelal beïnvloedt: ze bewaart de orde en zorgt voor harmonie. – Albert Barnes.
Wenken voor predikers
Vers 53
Wat godvruchtige mensen voelen als ze zondaars zien: afschuw over hun misdaad, over hun volharding daarin, over hun afwijzing van genade en over hun einde.
Vers 53
Door schrik getroffen.
- De schuld en het gevaar van zondaars die zich niet bekeren.
- De afschuw en bezorgdheid van godvruchtige toeschouwers.
- Het gebed en de inspanning waartoe zo’n bezorgdheid ons moet aanzetten. – G.A.D.
Uitleg
Vers 54
“Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” David wist, net als andere dienaren van God, dat deze wereld zijn thuis niet was. Hij reisde er als pelgrim doorheen, op zoek naar een beter land. Zuchten deed hij daarover niet; hij zong erover. Over zijn pelgrimszuchten hoor je hem niet, wel over zijn pelgrimsliederen. Zelfs het paleis waar hij woonde, noemt hij de plaats “mijner vreemdelingschappen”: de herberg waar hij uitrustte, de halte waar hij even bleef staan. Wie bij zijn herberg aankomt, begint vaak te zingen. Dat deed deze godvrezende reiziger ook.
Hij zong de liederen van Sion, de inzettingen van de grote Koning. Gods geboden waren hem even vertrouwd als de volksliedjes van zijn land. Hij proefde er genot in en hoorde er muziek in. Gelukkig het hart dat zijn blijdschap vindt in Gods geboden, en dat gehoorzaamheid tot zijn ontspanning maakt! Staat de godsdienst op muziek? Dan gaat het goed. Zingen we op de wegen van de HEERE? Dan is ons hart er blijkbaar bij. Onze psalmen zijn pelgrimspsalmen, lofzangen van de opgangen. Toch zijn het liederen die we in de hele eeuwigheid kunnen blijven zingen, want de inzettingen van de HEERE vormen de psalmzang van de hemel zelf.
De heiligen schrikken van de zonde en horen harmonie in de heiligheid. De goddelozen ontlopen de wet, de rechtvaardigen bezingen haar. Wij hebben in vroeger tijd de inzettingen van de HEERE gezongen. Dat is voor ons een troost in de verdrukking van nu. Onze liederen klinken heel anders dan die van de hovaardigen. Mogen we dan niet verwachten dat we aan het eind een geheel ander koor zullen vervoegen, op een plaats ver van waar zij wonen?
Let eens op de zesde verzen van de verschillende achtregelige strofen. Daar staat vaak een besluit om God te prijzen, of een getuigenis daarvan. In Ps. 119:46 lezen we: “Ook zal ik voor koningen spreken”, en in Ps. 119:7: “Ik zal U loven”. Hier komt hij met gezangen, en geen zuchten.
Vers 54
“Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest.” Vroeger was het de gewoonte om de wetten in versvorm te brengen. Zo kon het volk ze van buiten leren en zingen. – Williams.
Vers 54
“Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest.” Gods inzettingen noemt de dichter zijn “gezangen”. Door die liederen wordt hij geestelijk opgefrist. Ze maken het zware van de pelgrimstocht lichter en geven zijn stappen maat en vaart. – Franz Delitzsch.
Vers 54
“Gezangen.” Reizigers zingen om de eentonigheid van de weg te verdrijven. David deed dat ook, en zo troostte hij zich in de ontsteltenis waarover hij in vers 53 spreekt. Groot is de troost die we krijgen als we met genade in ons hart psalmen zingen. – John Trapp.
Vers 54
“Gezangen.”
“Zulke liederen kunnen stillen
de onrustige hartslag van de zorg;
zij komen als de zegen
die volgt op het gebed.”
“En de nacht zal vol muziek zijn,
en de zorgen die de dag bestoken,
breken als Arabieren hun tenten op
en sluipen even geruisloos weg.” – Henry Wadsworth Longfellow (1807-1882).
Vers 54
“Gezangen …, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” Waarom plakt men zo snel het etiket “dweperij” op alles wat in de godsdienst naar warmte ruikt? Van een dichter, een musicus, een geleerde of een verliefde mens verwachten we warmte als vanzelf. Zelfs een koopman mag warm zijn voor zijn vak; men prijst het misschien niet, maar men laat het toe. Waarom keurt men warmte dan af zodra het om de ziel gaat? Dat is toch het onderwerp dat oneindig veel hoger staat dan alle andere, en dat alle krachten van ons verstand verdient en eist!
Een gevangene zou juichen als zijn vrijlating werd uitgeroepen. Moet de verloste zondaar dan zonder bewogenheid, zonder gevoel, zonder dank of vreugde uit zijn slavernij naar buiten lopen? Nee: “Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen.” Stel dat een ter dood veroordeelde misdadiger, in plaats van zijn straf te ondergaan, gratie krijgt. Ik weet niet wat hij dan allemaal voelt! En zou de vrijgesproken zondaar dan gevoelloos en stil moeten blijven?
Nee. “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen; … en niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.”
Andere reizigers verlichten de lange reis met een lied. Dat deden ook de Israëlieten. Drie keer per jaar trokken ze uit de uithoeken van het land naar Jeruzalem om te aanbidden. Daarvoor hadden ze speciale liederen, en onderweg zongen ze. Van de rechtvaardigen zegt het Woord: “Zij zullen zingen van de wegen des HEEREN.” “De vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen.” – William Jay.
Vers 54
“Gezangen …, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” Kijk eens hoe de HEERE Zich in Zijn wijze bestuur aanpast aan onze zwakheden. Ons leven staat bloot aan allerlei veranderingen, en in Zijn Woord heeft God ook voor ons heel veel onderwijzing en heel veel geneesmiddelen klaargelegd. Elk kruis heeft zijn eigen geneesmiddel, en elke staat van ons leven zijn eigen onderwijzing. Soms is ons verdriet zo groot dat we niet kunnen zingen. Laten we dan bidden. Soms is onze verlossing zo vol vreugde dat we los moeten barsten in dankzegging. Laten we dan zingen.
“Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.” Gebeden voor elk kruis en psalmen voor elke verlossing heeft God door Zijn eigen Geest voor ons opgeschreven. Daarom hebben wij helemaal geen verontschuldiging meer als wij in deze plicht tekortschieten. – William Cowper.
Vers 54
“Ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” In het oorspronkelijke staat: “het huis van mijn vreemdelingschappen”. Dat wil zeggen: alle plaatsen waar ik rondzwierf toen Saul mij vervolgde. – Samuel Burder.
Vers 54
“Ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” Natablus verklaart dit van Davids ballingschap onder de Filistijnen. Hij was gescheiden van zijn geboorteland en zijn familie, en alle andere troost ontbrak hem. Toen gaf het woord van de HEERE hem stof tot vreugde. En het is waar: de ballingschap van Gods dienaren kan hen ver van verwanten en bekenden brengen, maar ze brengt hen dichter bij de HEERE, en de HEERE dichter bij hen.
Jakob is daar het bewijs van. Verbannen als hij was, lag hij een hele nacht buiten in het veld, en toch ervoer hij Gods nabijheid inniger dan toen hij bij vader en moeder in de tent sliep.
Wij kunnen dit beter met Basilius toepassen op heel Davids sterfelijke leven: “omnem vitam suam peregrinationem vocare arbitror.” Zo bekent ook Jakob aan Farao dat zijn leven een pelgrimstocht was. En Abraham en Izak woonden als vreemdelingen op aarde.
Sint Petrus leert ons dat we ons als vreemdelingen en bijwoners moeten onthouden van de vleselijke begeerten. Sint Paulus zegt dat we deze wereld moeten gebruiken alsof we er geen gebruik van maakten, want haar gedaante gaat voorbij. Die les wordt ons op vele manieren aangeleerd, maar het duurt lang voor we haar leren. Wat een dwaasheid! Een mens wil op aarde wonen, terwijl God hem roept om burger van de hemel te worden. Toch troost het ons enorm dat de huizen waarin we op aarde logeren slechts huizen van onze vreemdelingschap zijn. Het ging de gelovige Israëlieten in Egypte net zo.
Ze hielden hun slavenbestaan geduldiger vol, omdat ze wisten dat ze eruit verlost zouden worden. Wat zou ons lot jammerlijk zijn, als onze slavenhuizen eeuwige woningen waren! Gelukkig, God zij gedankt, zijn het maar onderkomens langs de weg, huizen van onze vreemdelingschap. Zo’n huis was de schoot van onze moeder. Hadden we daar voor eeuwig gezeten, dan was het een last voor haar geweest en een gevangenschap voor onszelf. Zo’n huis wordt ook het graf, en daarvan moeten we allemaal met Job zeggen: “Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.” Zouden we daar eeuwig moeten blijven, dan was onze toestand zonder enige troost.
Maar God zij geprezen: ons vaste huis staat boven. De huizen die we op aarde achter elkaar verruilen, zijn maar huizen van onze vreemdelingschap. Gelukkig de mens die zo in de wereld kan leven dat hij zichzelf in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, ja, in zijn eigen lichaam, slechts als een vreemdeling ziet, omdat hij van de Heere gescheiden is. – William Cowper.
Vers 54
“Mijner vreemdelingschappen.” Noemt men mensen pelgrims en het leven een reis? Dan mogen we eraan toevoegen dat de pelgrimstocht van de christen alle andere overtreft. Dat geldt voor de volgende belangrijke punten: de goede weg, de schoonheid van het uitzicht, de voortreffelijkheid van het gezelschap en het oneindig betere verblijf dat voor de christelijke reiziger klaarstaat als hij zijn tocht heeft voltooid. – H.G. Salter, in “The Book of Illustrations”, 1840.
Wenken voor predikers
Vers 54
Hier vinden we –
- Licht in het donker.
- Gezelschap in de eenzaamheid.
- Bedrijvigheid in de rust: “ter plaatse mijner vreemdelingschappen.” – G.R.
Vers 54
De vrolijke pelgrim.
- Een goed mens ziet zijn verblijf in deze wereld maar als het huis van zijn vreemdelingschap.
- De omstandigheden kunnen nog zo ongunstig zijn: vrolijkheid blijft mogelijk.
- De bronnen van zijn vreugde stromen hem toe uit de Schriften. – W. Jay.
Vers 54
Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1652: “The Singing Pilgrim.”
Uitleg
Vers 55
“HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest.” Terwijl anderen sliepen, werd ik wakker om aan U te denken, aan Uw persoon, Uw daden, Uw verbond en Uw naam. Met dat laatste woord vat hij Gods karakter samen, voor zover dat is geopenbaard. Hij verlangde zo vurig naar de levende God dat hij midden in de nacht wakker werd om aan Hem te denken. Dit waren Davids Night Thoughts. Misschien waren het geen Sunny Memories, maar het waren wel herinneringen aan de Zon der gerechtigheid. Het is goed als ons geheugen ons troost geeft, zodat we met de psalmist kunnen zeggen: Omdat ik U al vroeg leerde kennen, hoefde ik alleen de lessen van Uw genade te herinneren, en mijn hart werd getroost.
Dit vers laat niet alleen zien dat de man van God zich de HEERE had herinnerd, maar ook dat hij Hem nog steeds indachtig was. We moeten Gods naam heiligen, en dat kan niet als die uit ons geheugen wegglijdt. “En heb Uw wet bewaard.” Hij werd geheiligd door overdenking. Met de gedachten van de nacht stuurde hij zijn daden van de dag. Wat we overdag doen, voedt vaak onze dromen in de nacht. Zo brengen ook de gedachten van de nacht de daden van de dag voort. Houden we Gods naam niet vast in ons geheugen, dan houden we Gods wet niet vast in ons gedrag.
Wie in zijn geest vergeet, vergeet ook in zijn leven. Horen we de liederen van feestvierders in de nacht? Dan hebben we daarin het zekere bewijs dat zij Gods wet niet bewaren. Maar de stille overpeinzingen van mensen met genade zijn het onmiskenbare bewijs dat de naam van de HEERE hun dierbaar is. We kunnen een volk beoordelen naar zijn liederen, en zo ook een mens. Bij de rechtvaardigen zijn zingen en denken allebei tekenen van hun liefde tot God. Of ze nu hun stem verheffen of zwijgend zitten: ze blijven van de HEERE. Gelukzalig zijn de mensen wier “nachtgedachten” herinneringen aan het eeuwige licht zijn!
Hun Heere zal aan hen denken als de nacht van de dood invalt. Lezer, zijn jouw gedachten in het donker vol licht, omdat ze vol van God zijn? Is Zijn naam het natuurlijke onderwerp van jouw avondgedachten? Dan zal die naam de toon zetten voor jouw ochtend en middag. Of geef je je hele geest aan de vluchtige zorgen en genoegens van deze wereld? Dan is het geen wonder dat je niet leeft zoals het hoort. Niemand is heilig bij toeval. Hebben we geen geheugen voor de naam van Jehova? Dan zullen we Zijn geboden waarschijnlijk ook niet onthouden. Denken we in het verborgene niet aan Hem? Dan gehoorzamen we Hem openlijk ook niet.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 55
“HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, enz.” Het tweede deel van het vers is afhankelijk van het eerste. Ik vat het hele vers daarom op als één en dezelfde boodschap: de profeet wil zeggen dat de gedachtenis aan God hem aanzette om de wet te houden. Wie de wet geringschat, doet dat omdat maar weinig mensen ontzag voor God hebben. Daarom zegt de Schrift, wanneer ze de goddeloosheid van de mensen aanklaagt, dat ze God hebben vergeten (Ps. 50:22; 78:11; 106:21). “Nacht” betekent hier niet dat hij zich God slechts korte tijd herinnerde, maar dat hij Hem voortdurend gedachtig was.
Hij noemt toch juist de nacht, omdat dan bijna al onze zinnen door de slaap zijn verlamd. “Terwijl andere mensen slapen, komt God in mijn slaap in mijn gedachten.” Er is nog een reden waarom hij de nacht noemt. We moeten ervan doordrongen raken dat hij, ook al keek niemand naar hem en maande niemand hem aan, ja, ook al zat hij gehuld in duisternis, evenveel moeite deed om de gedachtenis aan God levend te houden als iemand die op de meest openbare en opvallende plek staat. – Johannes Calvijn.
Vers 55
“Des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest”, en daarom heb ik “Uw wet bewaard”, de hele dag door. – Matthew Henry.
Vers 55
“HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest.” In dit vers betuigt de psalmist opnieuw dat hij het woord van God oprecht liefheeft. Let eerst op zijn oprechtheid. Hij was godsdienstig, niet alleen voor de ogen van anderen maar ook in het verborgene. Juist wat we in het geheim doen, toetst het zekerst of onze godsdienst echt is. In het openbaar drijft huichelarij mensen vaak ertoe te doen alsof ze iets zijn wat ze niet zijn. In het persoonlijke gebed gebeurt dat niet. Wie zich van Gods dienst geen gewetenszaak maakt, laat die dan helemaal links liggen, omdat geen mensenoog hem ziet. Is hij werkelijk godsdienstig, dan houdt hij zijn hart zelfs in het verborgene aan God voor, in de hoop dat Hij het goedkeurt. Want hij is iemand “wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.”
Het wijst ook op zijn grote vurigheid in de godsdienst. Elders betuigt hij dat hij het woord meer liefhad dan het voedsel dat hem was toegemeten. Hier zegt hij dat hij zijn nachtrust opgaf om over het woord na te kunnen denken. Maar de ijver van de belijders is tegenwoordig zo verflauwd dat ze uit liefde tot Gods woord nog niet eens hun overtollige dingen willen laten schieten, laat staan hun noodzakelijke rust. – William Cowper.
Vers 55
“HEERE! … Uws Naams.” De “naam” van de HEERE is Zijn karakter, Zijn wezen en Zijn eigenschappen.
Het zijn de openbaringen die Hij heeft gegeven van Zijn heiligheid, wijsheid, goedheid en waarheid. – John Stephen.
Vers 55
“Des nachts.” Dat betekent ten eerste: onophoudelijk, want ook overdag dacht hij aan God. Ten tweede: oprecht, want het applaus van mensen ontliep hij. Ten derde: opgewekt, want de zwaarte van de gewone slaap kon hem niet overmeesteren. Dit alles laat zien dat zijn hart met kracht naar het woord uitging. Zelfs mensen van de wereld offeren immers een flink stuk van de nacht op voor hun eigen vermaak, dat weten we allemaal. Doordat hij Gods getuigenissen ook in de nacht in acht nam, toont hij dat hij in het geheim dezelfde was als in het licht.
Daarmee veroordeelt hij allen die hun slechtheid met de duisternis willen toedekken en bedekt houden. Laten we onszelf eens onderzoeken. Hebben we onze slaap ooit onderbroken om God aan te roepen, zoals we dat doen om onze genoegens na te jagen? – Richard Greenham.
Vers 55
“Des nachts.” Pastor Harms van Hermannsburg gaf zijn gemeente op zondag negen uur lang preken, gebeden en onderwijs. Daarna was zijn geest volkomen uitgeput en trilde zijn lichaam van pijn. Hij leek haast te sterven van behoefte aan rust, en toch viel er voor hem geen slaap te vinden. Hij zei echter dat hij er plezier in had om de hele nacht wakker te liggen, in de stilte en het donker, met zijn gedachten bij Jezus. De nacht schoof al het andere uit zijn hoofd en maakte zijn hart vrij voor gemeenschap met Hem Die zijn ziel het meest liefhad.
Die kwam ook bij Zijn vermoeide leerling langs en troostte hem in de nachtwaken. Zo hebben Gods kinderen vaak ook bijzondere, kostbare uren met Hem gekend, in de eenzaamheid van de ballingschap, in het diepe duister van de gevangenis en in de nooit eindigende nacht van de blindheid. Zulke uren kwamen op momenten dat alle stemmen en lessen van de wereld waren weggevallen, en de ziel met God alleen was. – Daniel March, in “Night unto Night.” 1880.
Vers 55
“Des nachts.” Er is geen moment waarop het niet gepast is je tot God te wenden en aan Zijn naam te denken. Of het nu de duisternis van middernacht is, de duisternis van een neerslachtig gemoed of de duisternis van wat God van buitenaf toelaat: God blijft altijd een passend onderwerp. – William S. Plumer.
Vers 55
De nacht.
“Lieve nacht! De nederlaag van deze wereld;
het halt voor drukke dwazen; teugel en rem voor de zorg;
de dag van de geesten; de stille wijkplaats van mijn ziel,
waar niemand haar verstoort!
De nachtelijke gang van Christus, Zijn uur van gebed;
de uren waarop de hoge hemel zijn klokken laat slaan.”
“Gods stille, zoekende vlucht;
wanneer het hoofd van mijn Heere vol dauw is en al
Zijn lokken nat zijn van de heldere druppels van de nacht;
Zijn stille, zachte roepstem;
de tijd dat Hij klopt; de zwijgende wake van de ziel,
wanneer geesten hun schone verwanten ontmoeten.” – Henry Vaughan, 1621-1695.
Vers 55
“En heb Uw wet bewaard”: onvolmaakt weliswaar, maar toch geestelijk, oprecht en van harte. Hij deed het uit een beginsel van liefde en dankbaarheid, tot eer van God, en zonder winstbejag of duistere bijbedoelingen. – John Gill.
Vers 55
“En heb Uw wet bewaard.” Uren van verborgen omgang met God moeten uitlopen op de wens om steeds meer op Zijn heilige wil te lijken. Wie aan God denkt, gaat Zijn wetten houden, zoals het vergeten van God elke vorm van overtreding voedt. – John Morison.
Vers 55
“En heb … bewaard.” Het werkwoord staat in de toekomende tijd, en misschien is het beter het zo te vertalen. Dan wordt het de uitdrukking van een plechtig, weloverwogen voornemen om gehoorzaam te blijven. – William S. Plumer.
Vers 55-56
Wie er plezier in heeft Gods wet te houden, zal van God nog meer genade krijgen om haar te blijven houden. Dat blijkt uit deze opmerkelijke tekst, die we hier mogen aanhalen: “HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Wat kreeg David voor het bewaren van Gods bevelen?
Hij kreeg kracht om Gods wet te bewaren, dus om erin te groeien en toe te nemen. De profeet (Hos. 6:3) zegt iets dergelijks over de kennis van God: “Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen.” Wie zich dus ijverig inspant om God te kennen, krijgt als loon dat hij Hem nog beter kan leren kennen. Zo kan ik ook over Gods genade zelf spreken: wie plezier heeft in het houden van Gods wet, krijgt zijn loon, namelijk dat hij haar nog vollediger kan houden. Echte vreugde in Gods woord is genade die groeit.
Genade is de moeder van alle ware blijdschap (Jes. 32:17), en blijdschap is als de dochter. Moeder en dochter leven en sterven samen. – Edmund Calamy (1600-1666), in “The Godly Man’s Ark.”
Wenken voor predikers
Vers 55 en 49
“Gedenk.” “Ben ik … gedachtig geweest.”
Vers 55
Herinneringen van de nacht. Plichten van de dag. Hoe die op elkaar inwerken en elkaar steeds weer beïnvloeden.
Vers 55
Donkere nachten. Heldere herinneringen. Goede uitkomsten. – C.A.D.
Vers 55
–
- Een gelukkige nacht, hoe rusteloos ook.
- Een gelukkige dag, hoe druk ook. – W.D.
Uitleg
Vers 56
“Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Deze troost had hij, deze gedachtenis aan God, deze kracht om te zingen, deze moed om de vijand het hoofd te bieden, deze hoop op de belofte. Hij had ze, omdat hij Gods geboden ernstig had gehouden en getracht had erin te wandelen. Voor onze werken worden we niet beloond, maar er zit wel loon in. Veel troost krijgen we alleen door zorgvuldig te leven. Van zulke vertroostingen kunnen we zeker zeggen: “Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Hoe kunnen we de spot trotseren als we ons leven niet op één lijn houden?
Hoe kunnen we met troost aan de naam van de HEERE denken als we onachtzaam en slordig leven? Misschien bedoelt David dat hij de wet kon bewaren omdat hij oog had gehad voor de afzonderlijke bevelen. Hij had de geboden een voor een genomen en zo uiteindelijk een heilig leven bereikt. Of misschien kreeg hij, door sommige bevelen te bewaren, geestelijke kracht om ook andere te houden. God geeft immers meer genade aan wie al een beetje heeft, en wie zijn talenten goed gebruikt, merkt dat hij vooruitgaat. Misschien is het het best om het gedeelte open te laten, precies zoals onze vertaling doet.
Dan kunnen we van duizend onbetaalbare zegeningen zeggen: “Die kwamen naar ons toe op de weg van gehoorzaamheid.” Alles wat we bezitten, is een geschenk van genade. Toch komt sommige ervan in de vorm van loon. Maar ook dan is het loon geen verschuldigd bedrag, maar genade. God werkt eerst goede werken in ons, en beloont ons daarna daarvoor.
Hier komen we aan een passende slotsom van dit deel van de psalm. Dit vers is namelijk een krachtig argument voor het gebed waarmee dit deel opende. De lieflijke zanger had bewijzen dat hij Gods bevelen had gehouden. Daarom mocht hij de HEERE met meer recht vragen om Zijn beloften te houden. Door het hele gedeelte heen ontdekken we pleitgronden, vooral in de twee maal “gedenk”: “Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen” en “des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest”; “Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 56
“Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Zonde is een straf voor zonde, en de goddeloze wordt altijd maar erger en erger. Zo is ook godzaligheid de beloning van godzaligheid. Wie één talent goed gebruikt, krijgt er dan weer meer bij. De eerste stappen in godzaligheid worden gezegend met groei in godzaligheid. Davids goede oefeningen hielden hem hier bij de gedachtenis aan zijn God, en die gedachtenis maakte hem godvruchtiger en toegewijder. – William Cowper.
Vers 56
“Dat is mij geschied, enz.” De rabbijnen kennen een soortgelijk gezegde: De beloning van een gebod is een gebod, of: Een gebod trekt een gebod aan. Dit betekent: wie één gebod houdt, krijgt van God als het ware tot beloning het vermogen om ook een ander, moeilijker gebod te houden. Het tegenovergestelde is een ander gezegde van de rabbijnen: de beloning van een zonde is een zonde, of: Overtreding trekt overtreding aan. – Simon de Muis, 1587-1644.
Vers 56
“Dat is mij geschied”, dat wil zeggen: dit is mij overkomen, enz. Veel kwaad en tegenspoed heb ik beleefd. Daar stond tegenover dat ik de zoetste vertroostingen uit het woord haalde, en dat God mij met talloze zegeningen kroonde.
Anderen geven het zo weer: Dit is mijn zorg, dit houd ik mij voor en dit verlang ik: Uw geboden te bewaren. Dat betekent: de leer ongeschonden vast te houden, met geloof en een goed geweten. – D.H. Mollerus.
Vers 56
“Dat is mij geschied, enz.” Ik had de troost dat ik Uw wet hield, juist omdat ik haar hield. Gods werk draagt zijn loon in zichzelf. – Matthew Henry.
Vers 56
“Dat is mij geschied, enz.” Wat is dat dan? Deze troost had ik. Deze steun had ik in al mijn ellende. Deze vertroosting kreeg ik, en deze zoete gemeenschap met God. Waarom? “Omdat ik Uw bevelen bewaard heb”, omdat ik Uw wil volgde. Let maar op: de ziel krijgt precies zoveel troost als er gehoorzaamheid wordt bewezen aan Gods geboden.
God geeft Zijn troost meestal naar de mate van onze gehoorzaamheid. O, welk een zoete, zielsverzadigende vertroosting vindt een kind van God in de wegen van God en in het doen van Zijn wil! Vooral op zijn sterfbed zal die hem zoeter zijn dan honing, ja, dan honingraat. Dan zegt hij, zoals de goede koning Hizkia op zijn sterfbed: “Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb.” O, welk een zoete voldoening vindt een ziel in God als zij voor God moet verschijnen! – James Nalton, 1664.
Vers 56
“Dat is mij geschied, enz.” Of: “Dit was mijn troost, dat ik Uw bevelen bewaarde.” Dat is bijna de lezing van het Syrisch en maakt de zin vollediger. – Aantekening in Bagster’s Comprehensive Bible.
Vers 56
“Dat is mij geschied, enz.” Hoor ik de trouwe mensen van God over Zijn liefde vertellen en zeggen: “Dat is mij geschied”? Kan ik dan hun blijde belijdenis niet delen? Dan moet ik de reden zoeken in mijn ontrouwe wandel en zeggen: “Dat is mij niet geschied.” Want ik ben tekortgeschoten in gehoorzaamheid aan Uw bevelen. Ik ben onachtzaam geweest en heb mezelf te veel toegegeven.
Ik heb Uw liefde geminacht. Ik heb “den Heiligen Geest Gods” bedroefd en vergeten te “vragen naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel” (Jer. 6:16). – Charles Bridges.
Vers 56
David zegt het in het algemeen: “Dat is mij geschied.” Hij vertelt ons niet om welk goed of welk voorrecht het ging. We horen alleen dat het een voordeel was dat hem in dit leven ten deel viel. Hij zegt niet: dit hoop ik te krijgen, maar: “Dat is mij geschied.” Daarom heeft hij het hier niet over het volle loon in het leven dat komt. In de hemel ontvangen we het volle loon van de gehoorzaamheid. Maar wie dicht bij God wandelt en Hem in nederige, standvastige gehoorzaamheid verwacht, krijgt ook al in dit leven genoeg aanmoediging.
Hij zal niet alleen gezegend worden, hij is al gezegend. Hij heeft iets in handen, en niet alleen iets in het vooruitzicht. Zo zegt David het in deze 119e psalm. Het is zoals bij mensen die naar Sion reisden en onderweg een bron vonden: “Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken” (Ps. 84:7). Ze moesten door een dorre, kale woestijn, maar ze werden niet geheel zonder troost gelaten. Ze vonden een bron of een put. Dat wil zeggen: ze kregen wat troost geschonken, nog voor ze Gods aanwezigheid in Sion mochten genieten.
Onderweg kregen ze al wat verkwikking. Een knecht krijgt behalve zijn loon ook wel een fooi. Zo hebben wij naast de beloning die later komt ook nu al onze troost en steun tijdens onze dienst. Die wegen op tegen alle wereldse vreugde en zijn meer waard dan de grootste genoegens die mensen op de weg van de zonde kunnen verwachten. Over de voordelen die gelovigen vinden doordat ze met God wandelen in gehoorzaamheid, kan ieder zeggen: “Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” – Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 56
De winst van de godzaligheid; oftewel: wat een mens krijgt door heilig te leven.
Vers 56
–
- De plicht: “omdat ik Uw bevelen bewaard heb.”
- Het loon daarvan: “Dat is mij geschied”, enz. Bescherming: “dat is mij geschied.” Leiding: “dat is mij geschied.” Voorspoed: “dat is mij geschied.” Troost: “dat is mij geschied.” – G.R.
Uitleg
Hier lijkt de psalmist zich met beide handen aan God Zelf vast te klampen. Hij eigent Hem zich toe (vers 57) en roept om Hem (vers 58). Hij komt tot Hem terug (vers 59) en zoekt troost bij Hem (vers 61-62). Hij trekt op met Zijn volk (vers 63) en snakt ernaar om Gods goedheid persoonlijk te ondervinden (vers 64). Zie hoe de eerste regel van deze strofe vastzit aan de laatste van de vorige. Eigenlijk is hij er een uitgebreide herhaling van. “Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.”
Vers 57
“De HEERE is mijn deel” (Engels: Thou art my portion, O LORD). Dit is een zin die halverwege afbreekt. De vertalers hebben er woorden in gezet om hem sluitend te maken. Misschien had men hem beter kunnen laten staan. Dan klonk hij als een uitroep: “Mijn deel, o HEERE!” De dichter weet van verwondering geen raad. De grote, heerlijke God is van hem, helemaal van hem! Hij mag wel verbaasd zijn, want niets wat je bezitten kunt, haalt het bij Jehova Zelf. De zin klinkt als een jubelende erkenning: dit is van mij! “Mijn deel, o Jehova!” David had vaak gezien hoe een buit werd verdeeld, en gehoord hoe de overwinnaars daarbij juichten.
Zo blij is hij nu, als iemand die zijn deel van de buit naar zich toe haalt. Hij kiest de HEERE als zijn aandeel in de schat. Zoals de Levieten nam hij God als zijn erfdeel, en wie iets anders begeerde, mocht dat hebben. Dit erfdeel is groot en het blijft. Het sluit alles in, en meer dan alles, en het is er nog als al het andere voorbij is. En toch kiest niemand dit uit zichzelf, voordat God hem eerst heeft uitgekozen en vernieuwd. Wie werkelijk wijs is, zou geen seconde aarzelen als de oneindig gezegende God Zich aanbiedt om te kiezen.
David sprong erop af en greep het onbetaalbare geschenk. Onze dichter durft de bewijzen van zijn eigendom te laten zien aan de HEERE Zelf. Zijn blijde uitroep is rechtstreeks aan God gericht, Die hij zonder schroom de zijne noemt. Er viel nog veel meer te kiezen, want hij was koning en had grote rijkdommen. Toch wendt hij zich welbewust van alle schatten van de wereld af en verklaart hij dat de HEERE, ja Jehova, zijn deel is.
“Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.” Niet altijd kunnen we met troost terugdenken aan wat we gezegd hebben. Maar hier had David verstandig en goed gesproken. Hij had zijn keuze bekendgemaakt: hij gaf het woord van God de voorkeur boven de rijkdom van wereldmensen. Hij was vast van plan Gods woorden te houden. Dat betekent: ze als een schat te bewaren en ze te onderhouden. Dat had hij eerder plechtig uitgesproken, in de tegenwoordigheid van de HEERE Zelf. Nu belijdt hij dat zijn vroegere gelofte hem bindt. Jezus zei: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren.” Dit had Hij als voorbeeld kunnen noemen.
De liefde van de psalmist tot God als zijn deel bracht hem ertoe Gods woorden te houden. David nam God tot zijn Vorst en tot zijn Deel. Hij was er zeker van dat hij aandeel in God had, en daarom was hij vastberaden in zijn gehoorzaamheid aan Hem. Volle zekerheid is een krachtige bron van heiligheid. We moeten Gods woorden zelf opslaan. Of het nu om leer, belofte of gebod gaat, ze zijn allemaal uiterst kostbaar. Heeft het hart besloten deze woorden te houden, en dat voornemen laten inschrijven in het hof van de hemel?
Dan is het gewapend tegen elke verzoeking en beproeving die kan komen. Met God als erfdeel is het altijd goed gesteld.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Hier begint een nieuw onderdeel van de psalm. Het wordt aangeduid met de Hebreeuwse letter Cheth, die in het Nederlands met ch kan worden weergegeven. – Albert Barnes.
Vers 57-64
In dit gedeelte zet David zich in om zijn geloof te versterken en zijn troost te vinden in de zekerheid dat hij wedergeboren is. Daarvoor noemt hij acht eigenschappen van een gezond gelovige, acht tekenen van een nieuw schepsel. Het eerste teken: hij kiest God als zijn deel. Wat leren we hieruit? 1. God heeft sommigen uitverkoren en krachtdadig geroepen. Zij ontvangen genade om God te kiezen als hun keuze, hun vreugde en hun deel. Wie God als zijn deel heeft gekozen, bezit daarmee ook het bewijs dat hij wedergeboren en uitverkoren is. David maakt dit hier immers tot een teken van zijn wedergeboorte: “De HEERE is mijn deel.”
- Een tweede teken van wedergeboorte volgt daarop. We geloven in God en hebben Hem als ons deel gekozen. Dan besluiten we de vruchten van dat geloof te dragen, in een nieuwe gehoorzaamheid. Zo deed David: “Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.”
- Het gebeurt vaak bij Gods kinderen dat ze, omdat de zonde weer losbreekt, onder een gevoel van Gods ongenoegen komen te staan. Dan is het een kenmerk van een nieuw schepsel om niet dom en gevoelloos onder die beproeving te blijven liggen. Het schepsel gaat dan ernstig met God in gesprek om het besef van verzoening terug te krijgen en opnieuw Zijn barmhartigheid te ervaren, zoals de psalmist deed: “Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte.” Dit is het derde bewijs van een nieuw schepsel.
- Wie berouw heeft, houdt zich vast aan het woord van genade en aan Gods verbond. Dat is zijn waarborg dat hij wordt gehoord als hij om barmhartigheid vraagt: “Wees mij genadig naar Uw toezegging.”
- Een vierde kenmerk van een nieuw schepsel is dat we nagaan hoe het met ons staat, dat we onze wegen aan het woord toetsen en opnieuw berouw tonen, met een streven naar verbetering: “Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.”
- Als we onze zonde zien, zijn we van nature traag om ons gedrag te verbeteren. Maar hoe eerder we ons keren naar de weg van gehoorzaamheid aan God, hoe beter we opschieten. En hoe sneller ons leven verbetert, hoe zekerder dat een kenmerk van een nieuw schepsel is: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.”
- Een vijfde kenmerk van een nieuw schepsel is dat we vervolging en beroving van onze bezittingen verdragen omdat we aan Gods woord vasthouden, zonder Zijn zaak in de steek te laten: “De benden der goddelozen hebben mij beroofd; maar ik heb Uw wet niet vergeten.”
- Wie besluit godvruchtig te zijn, wordt het lot van Gods kinderen: vervolging lijden. Dan moet je kiezen. Of je verliest je aardse bezittingen, of je verliest een goede zaak en een goed geweten. Het is dan de wijsheid van de godvruchtigen te bedenken wat het woord van de HEERE van ons vraagt en tot ons zegt. Dat zal ons geweten meer troosten dan het verlies van tijdelijke dingen ons gemoed kan kwellen: “De benden der goddelozen hebben mij beroofd; maar ik heb Uw wet niet vergeten.”
- Een zesde kenmerk van een nieuw schepsel is dat het zover af staat van mokken onder zware beproeving, dat het God in het verborgene opgewekt dankt. Het dankt Hem voor Zijn genadige woord en voor alles wat Zijn voorzienigheid brengt, op een plek waar niemand ons ziet en waar geen gevaar bestaat dat we er opzichtig mee doen: “Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.”
- Een zevende kenmerk van een vernieuwd schepsel is dat we ons aansluiten bij mensen die werkelijk genade hebben en God echt vrezen, en met hen omgang hebben, voor zover we hen kunnen herkennen: “Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.”
- We herkennen de vreze Gods aan het geloven en gehoorzamen van wat de Schrift leert en voorschrijft. Aan niets anders: “Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.”
- Het achtste kenmerk van een nieuw schepsel is dat het niet blijft rusten bij enige mate van vernieuwing. Het gaat ernstig met God in gesprek om meer zaligmakende kennis te krijgen en daaraan vruchtbaar gehoorzaam te zijn. “Leer mij Uw inzettingen” is dan ook het gebed van de man van God, bij wie alle voorgaande kenmerken te vinden zijn.
- Alle schepselen getuigen van Gods vrijgevigheid aan de mens, en ze delen er zelf in. Ze zijn daarmee ook onderpanden van Gods welbehagen om Zijn knechten nog veel grotere gaven te geven dan deze, namelijk meer heiliging, door meer licht voor het verstand en een beter leven. De psalmist noemt dit namelijk als reden om steeds meer geheiligd te worden: “De aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.” – David Dickson.
Vers 57
“De HEERE is mijn deel” (Engels: Thou art my portion, O LORD). Aan de manier waarop hij dit zegt, kunnen we merken dat zijn aanspraak oprecht is: hij richt zich tot God. Hij zegt niet gewoon: “Hij is mijn deel.” Nee, hij houdt het God recht in het gezicht voor: Gij zijt mijn deel, o HEERE! Elders staat: “De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel” (Klaagl. 3:24). Daar richt hij zich niet tot God, maar zegt hij erbij: “zegt mijn ziel”. Hier spreekt hij tot God Zelf, Die de geheimen van het hart kent. Over God spreken tegen God getuigt van onze oprechtheid. We belijden dan immers voor Zijn aangezicht dat we Hem vertrouwen en gekozen hebben. Petrus deed dat ook: “Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb” (Joh. 21:17). – Thomas Manton.
Vers 57
“De HEERE is mijn deel.” Luther geeft elke christen de raad om op alle verzoekingen te antwoorden met dit ene korte zinnetje: “Christianus sum”, ik ben een christen. Ik zou elke christen willen aanraden om op alle verzoekingen te antwoorden met dit andere korte zinnetje: “De HEERE is mijn Deel.” O christen, komen Satan of de wereld naar je toe met eer om je te verleiden? Antwoord dan: “De HEERE is mijn Deel.” Met rijkdom? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” Met een hogere functie? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” Met de gunst van machtige mensen?
Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” Ja, en bedreigt deze vervolgende wereld je met het verlies van je bezit? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” Bedreigt ze je met het verlies van je vrijheid? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” Bedreigt ze je met het verlies van je vrienden? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” En bedreigt ze je met het verlies van je leven? Antwoord: “De HEERE is mijn Deel.” O, mijnheer, als Satan bij je aankomt met een appel, zoals hij ooit bij Eva deed, zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” Komt hij met een druif, zoals ooit bij Noach?
Zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” Komt hij met een stel kostbare kleren, zoals ooit bij Gehazi? Zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” Komt hij met een staaf goud, zoals ooit bij Achan? Zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” Komt hij met een buidel geld, zoals ooit bij Judas? Zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” Of komt hij met een kroon, met een heel koninkrijk, zoals ooit bij Mozes? Zeg hem dan dat “de HEERE jouw Deel is.” – Thomas Brooks.
Vers 57
“De HEERE is mijn deel.” God is meer dan genoeg. Maak Hem tot jouw “deel”, en je mist niets meer. Dan heb je oneindige wijsheid die je de weg wijst en oneindige kennis die je onderwijst. Dan heb je oneindige barmhartigheid die medelijden met je heeft en je redt, oneindige liefde die je verzorgt en troost, en oneindige macht die je beschermt en vasthoudt. Is God de jouwe? Dan is alles wat Hij is van jou. Al Zijn schepselen en al Zijn werken van voorzienigheid zullen je goeddoen, zoals je ze nodig hebt. Hij is een eeuwig, vol en bevredigend deel. Als vriend leeft Hij eeuwig, heeft Hij eeuwig lief en is Hij eeuwig dichtbij. Zonder Hem ben je in elke toestand een vervloekt schepsel, en dan werkt alles tegen je. – John Mason, 1694.
Vers 57
“De HEERE is mijn deel.” Is er een moment in Davids leven waarop je hem zou kunnen benijden, als je dat al zou willen? Dan is dat niet de gloed van zijn jonge zege, met Goliath languit voor zijn voeten. Het is ook niet het nog grotere moment van triomf, toen de meisjes van Israël hem in hun dans prezen met de woorden: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!” En het is ook niet die koninklijke dag waarop alle stammen van Israël van alle kanten erkenden dat de troon hem ongetwijfeld toekwam.
Nee, het is dat ene moment waarop hij met een liefhebbend en vertrouwend hart naar God opkeek en zei: “De HEERE is mijn deel.” In een latere psalm (142), met als opschrift “Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was”, staat precies dezelfde uitdrukking: “ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.” Zo’n uitspraak krijgt dan onmetelijk veel meer gewicht als we geloven dat hij klonk toen alle andere bezittingen en erfenissen hem waren ontnomen en de HEERE alleen zijn deel was. – Barton Bouchier.
Vers 57
Een buitengewoon hebzuchtig mens is hij voor wie God niet genoeg is, en een uitermate dwaas mens is hij voor wie de wereld genoeg is. God is namelijk een onuitputtelijke schatkamer vol rijkdom, genoeg voor ontelbaar veel mensen. De wereld heeft maar kleinigheden en verlokkingen te bieden, en brengt de ziel in diepe, droevige armoede. – Thomas Le Blanc.
Vers 57
Wie in dit leven geen groot erfgoed bezit, kan zich toch een deel verwerven in de hemelse gelukzaligheid. – Solomon Gessler.
Vers 57
“Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.” Hier komt hij met het bewijs voor wat hij zojuist zei. Veel mensen zeggen net als David dat God hun deel is. Maar dan de vraag: hoe laten ze dat zien? Als God hun deel was, zouden ze van Hem houden. Als ze van Hem hielden, zouden ze van Zijn woord houden. En hielden ze van Zijn woord, dan zouden ze daarnaar leven en het de leidraad van hun bestaan maken. – William Cowper.
Vers 57
“Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.” Hij was vastbesloten Gods geboden te onderhouden en Zijn beloften op te slaan. Hij wilde Zijn verordeningen naleven en blijven belijden dat hij Zijn leer geloofde, en daaraan vast blijven houden. – John Gill.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, van pastor C. A. Davis. Vers 57-64. – Het deel van de gelovige. De HEERE is wat de gelovige als deel heeft (Ps. 119:57). Hij wordt met heel het hart gezocht (Ps. 119:58-60). Hij blijft over, ook als alles wordt weggenomen (Ps. 119:61). Hij geeft blijdschap, zelfs om middernacht (Ps. 119:62), en doet de gelovige gezelschap kiezen dat bij hem past (Ps. 119:63-64).
Wenken voor predikers
Vers 57
–
- Het oneindige bezit: “De HEERE is mijn deel.” Let hierbij op – (a) het verschil dat de psalmist duidelijk aanbrengt tussen zijn eigen deel en dat van de goddelozen, hier en later: zie Ps. 48:3.
(b) een stellige claim: “De HEERE is mijn deel.” Dit “deel” is grenzeloos, blijvend, passend, bevredigend, verheffend en geheel genade.
- Het passende besluit: “Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.”
(a) Let op de aanhef: “Ik heb gezegd.”
(b) Het verband tussen het deel dat hij bezit en het besluit dat hij neemt.
(c) Het werk van het bewaren van Gods woorden. Bewaar Hem Die het Woord is, Christus Jezus. Bewaar het woord van het evangelie – leerstellingen, geboden en beloften (we bewaren ze in het hart om de gelovige te troosten). Dit gezegende onderwerp roept een plechtig contrast op. Zie wat het deel was van die knecht die het woord van zijn Heere niet bewaarde: Matth. 24:48-51. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1372: “God our Portion, and his Word our Treasure.”
Vers 57 (eerste zinsdeel)
Het deel van de gelovige.
- Laat zien dat zijn aanspraak geldig is: “mijn.”
(a) Het is een gave op grond van het verbond: Hebr. 8:10-13.
(b) Het zit in de gezamenlijke erfenis met Christus: Rom. 8:17.
(c) De ervaring van het geloof bevestigt het.
- Bekijk de ongeëvenaarde waarde van zijn bezit: “De HEERE.”
(a) Volstrekt goed.
(b) Oneindig kostbaar.
(c) Onuitputtelijk rijk.
(d) Eeuwig zeker.
- Wijs een manier aan om er nu het meeste voordeel van te hebben.
(a) Denk veel na over God, in de overtuiging dat Hij jouw deel is.
(b) Breng al je zorgen bij Hem en werp elke last op Hem.
(c) Leg elke verzoeking voor aan het woord van Zijn wet, en elke twijfel aan het woord van Zijn belofte.
(d) Put rijkelijk uit Zijn rijkdom voor elke nood zodra die zich voordoet. – John Field, van Sevenoaks, 1882.
Vers 57-58
Het bezit, de belijdenis en het gebed van de gelovige.
Uitleg
Vers 58
“Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte.” Is God voor jou helemaal zeker? Dan heb je het gebed niet minder nodig. Het zet je er juist toe aan. Wie weet dat God zijn God is, zoekt Zijn aangezicht en verlangt naar Zijn nabijheid. Dat Gods nabijheid wordt gezocht, vertelt ons de lezing in de kantlijn: “Uw aangezicht”. Zo staat het ook in het Hebreeuws. Gods aanwezigheid is de hoogste gestalte van Zijn gunst. Dat verklaart waarom mensen met genade er het vurigst naar verlangen: het licht van Zijn gelaat geeft ons al een voorsmaak van de hemel.
O, dat we er altijd van mochten genieten! De goede man smeekte om Gods glimlach als iemand die om zijn leven smeekt, en heel de kracht van zijn begeerte lag in zijn smeken. Zulk vurig pleiten loopt nooit stuk. Wat uit ons hart komt, bereikt zeker Gods hart. Alle gunsten van God liggen klaar voor wie ze met heel hun hart zoeken.
“Wees mij genadig naar Uw toezegging.” Hij heeft om gunst gesmeekt. De vorm waarin hij die het hardst nodig heeft, is barmhartigheid, want hij is vooral een zondaar. Hij vraagt niets buiten de belofte. Hij smeekt alleen om zo’n barmhartigheid als het woord openbaart. En wat zou hij meer kunnen wensen of verlangen? God heeft in Zijn woord zoveel barmhartigheid geopenbaard dat meer ondenkbaar is. Zie hoe de psalmist blijft stilstaan bij gunst en barmhartigheid. Aan verdienste denkt hij niet eens. Hij eist niet, hij smeekt, want hij voelt zijn eigen onwaardigheid. Merk op dat hij een smekeling blijft, ook al weet hij dat hij in zijn God alles heeft.
God is zijn deel, en toch bedelt hij om een blik op Zijn gelaat. Op de gedachte dat hij ook maar iets anders zou zijn voor God dan een onwaardige maar begunstigde, is hij nooit gekomen. Hier klinkt zijn “Wees mij genadig” even krachtig en met even nederig pleiten als bij de allerbevendste boetvaardige, alsof hij zelf nog tot hen behoorde. De vrijmoedigheid van het geloof maakt ons stoutmoedig in het gebed, maar leert ons nooit te leven zonder gebed. Ze geeft ons ook nooit het recht iets anders te zijn dan nederige bedelaars bij de poort van de barmhartigheid.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 58
“Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden”, of: ik zoek Uw aangezicht. Wie Gods aangezicht zoekt, treedt in Zijn aanwezigheid. Zo spreken de Hebreeën wanneer ze willen zeggen hoe vertrouwelijk God omgaat met Zijn volk. Hij beveelt hun zelfs hun wensen aan Hem voor te leggen. Het komt er werkelijk op neer dat je van aangezicht tot aangezicht met God praat. – Franciscus Vatablus, 1545.
Vers 58
“Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte.” Het is me vaak opgevallen hoe genadig en liefdevol de HEERE graag antwoordt op gebed, en wel met dezelfde woorden die tot Hem zijn opgegaan.
Het is alsof Hij ons wil laten weten dat ze Zijn oor hebben bereikt en rijk beladen van Hem zijn teruggekomen. “Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte.” Luister naar wat de HEERE antwoordt aan Zijn biddende volk: “En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn ganse hart en met Mijn ganse ziel.” – Barton Bouchier.
Vers 58
“Van ganser harte.” In het Hebreeuws hoor je in deze bede veel ernst en een nederige houding. – A. R. Fausset.
Vers 58
“Van ganser harte.” Gebed is in de eerste plaats een zaak van het hart. God hoort het hart ook zonder de mond, maar de mond hoort Hij nooit met welgevallen als het hart ontbreekt. – Walter Marshall.
Vers 58
“Wees mij genadig, enz.” Eerder betuigde hij dat hij de HEERE met zijn ganse hart zocht. Nu bidt hij dat hij barmhartigheid mag vinden. Zo zal het inderdaad gaan. Wie Hem oprecht zoekt, mag vrijmoedig barmhartigheid verwachten uit Gods hand. Barmhartigheid en waarheid ontmoeten elkaar graag en vallen elkaar om de hals. Is er in de ziel waarheid om te zoeken, dan kan er in God niet anders dan barmhartigheid zijn om te omarmen. Is er in ons waarheid om onze zonden te belijden en vaarwel te zeggen, dan vinden we in God barmhartigheid om ze te vergeven en kwijt te schelden. – William Cowper.
Vers 58
“Naar Uw toezegging.” Waar bidt de psalmist om? Niet om wat hij zelf zou willen, maar om wat de HEERE heeft toegezegd. Sint Jakobus zegt immers: “Gij bidt, en gij ontvangt niet”, enz. Wij krijgen niet waar wij om bidden, doordat wij niet bidden naar het woord. Laat Gods woord de maatstaf van onze gebeden zijn, dan zullen we ontvangen. Zo bad Salomo, en zo kreeg hij. God heeft vergeving van zonden beloofd, kennis van Zijn woord en nog vele andere zegeningen. Hebben we die ontvangen? Dan moeten we ons hart niet langer op andere dingen zetten. – Richard Greenham.
Vers 58
“Naar Uw toezegging.” Gods woord is in drie delen te verdelen: geboden, bedreigingen en beloften. Een christen mag het gebiedende en het dreigende woord niet verwaarlozen. Maar wil hij het woord ooit een kanaal van goddelijke troost laten zijn, dan moet hij vooral het woord van de belofte bestuderen. De beloften zijn voor een christen immers zijn magna charta, zijn grondwet voor de hemel. Alle troost moet gebouwd zijn op een belofte uit de Schrift, en op niets anders. Anders is het aanmatiging en geen ware troost. De beloften zijn pabulum fidei, et anima fidei: het voedsel van het geloof en de ziel van het geloof.
Het geloof is het leven van een christen, en de beloften zijn het leven van het geloof. Een geloof zonder belofte die het levend maakt, is dood. De beloften hebben geen nut zonder geloof om ze toe te passen. Zo heeft ook het geloof geen nut zonder belofte om zich aan vast te grijpen. – Edmund Calamy.
Vers 58
De regel en de grond voor ons vertrouwen is: “naar Uw toezegging.” Gods woord is de maatstaf van ons vertrouwen, want daarin ligt de weg die God Zelf heeft vastgesteld. Willen we gunst en barmhartigheid van God ontvangen?
Dan moet dat op Zijn eigen voorwaarden. God zal ons in Christus aannemen als we ons bekeren, geloven, gehoorzamen en Zijn gunst ijverig zoeken. Wie zoekt, vraagt en klopt, wijst Hij niet af. Velen willen wel barmhartigheid maar willen zich niet houden aan wat God voorschrijft. We moeten bidden naar Gods wil, niet zonder belofte en niet tegen een gebod in. Door Zijn belofte is God uit vrije wil een schuldenaar geworden. Dat zijn sterke steunpunten voor het geloof: de uitnodiging moedigt ons aan om te zoeken, en de belofte spoort ons aan om haar toe te passen.
Dat we zo weinig groeien in het troostrijke besef van Gods liefde, komt doordat we deze weg niet gaan. – Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 58
De zonneschijn van de ziel.
- Gods gunst is het ene nodige.
- Een hart dat zich helemaal geeft, is de enige manier om haar te vragen.
- Barmhartigheid uit het verbond is het enige pleidooi om haar te krijgen. – C.A.D.
Vers 58
Hoe een zoeker de zaligmakende gunst kan gaan genieten, leren we door nauwkeurig te kijken naar:
- De belijdenis: “Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte.”
(a) Wat hij deed: “Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden.” Hebr.: “Ik zocht Uw aangezicht met pijn en moeite.” Vurig verlangen. Aanhoudend smeken.
Pijnlijk verdriet over de zonde.
(b) Hoe hij het deed: “Van ganser harte.” Verstand, gevoel en wil werden allemaal ingezet en bundelden hun inspanning.
Anders is zoeken een plechtig spelletje. Alleen dit is ons doel waardig, God welgevallig en met succes bekroond.
(c) Het bewijs dat we het doen: veelvuldig gebed, het woord doorzoeken en vaak vragen. De eerste en voornaamste zaak is: alles opgeven voor Christus.
- De bede: “Wees mij genadig.”
(a) Gods gunst mogen we alleen verwachten op grond van barmhartigheid.
(b) Gelukkig is dit een gebed dat iedere zondaar kan en moet gebruiken.
(c) Het is zalig waar dat het nooit faalt.
- Het pleidooi: “Naar Uw toezegging.”
(a) In een smeekbede is een pleidooi dat niemand kan weerleggen, van grote waarde.
(b) Gods belofte is precies zo’n pleidooi.
(c) Zoek haar op, pak haar vast en houd erop aan. – J.F.
Uitleg
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Hij bestudeerde het woord, en zo kwam hij ertoe zijn eigen leven te bestuderen. Dat bracht een enorme ommekeer teweeg. Eerst kwam hij bij het woord, en toen kwam hij tot zichzelf. Daardoor stond hij op en ging naar zijn Vader. Overweging is het begin van bekering. Eerst denken we na en dan keren we om. Heeft de geest berouw over verkeerde wegen? Dan worden de voeten snel op goede wegen gezet. Maar berouw komt er niet zolang er geen diep, ernstig nadenken is.
Veel mensen schrikken terug voor elke vorm van nadenken, hoe klein ook. Nadenken over hun wegen kunnen ze helemaal niet verdragen, want hun wegen zijn het nadenken niet waard. Davids wegen waren niet geweest zoals hij had gewild, en daarom kreeg zijn denken de bleke kleur van spijt. Maar hij bleef niet steken in nutteloos klagen. Hij ging praktisch aan de slag met verbetering. Hij keerde om en kwam terug, stap voor stap, zocht de getuigenissen van de HEERE en haastte zich om weer bewust te mogen genieten van de gunst van zijn hemelse Vriend.
Handelen zonder nadenken is dwaasheid, en nadenken zonder handelen is luiheid. Zorgvuldig denken en dan snel handelen is een gelukkige combinatie. Hij had gesmeekt om hernieuwde gemeenschap, en nu bewees hij met nieuwe gehoorzaamheid dat zijn verlangen echt was. Zitten we in het donker en treuren we om een God Die er niet lijkt te zijn? Dan is het wijs dat we niet zozeer nadenken over ons verdriet als wel over onze wegen. We kunnen de loop van Gods voorzienigheid niet veranderen, maar de richting van onze wandel wel, en dat verbetert de zaken snel.
Zijn onze voeten eenmaal recht gezet voor een heilige wandel, dan zal ook ons hart snel recht komen voor een gelukkig leven. God keert Zich naar Zijn heiligen als zij zich tot Hem keren. Ja, Hij heeft hen al begunstigd met het licht van Zijn gelaat zodra ze beginnen na te denken en om te keren.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” De tekst springt hier sierlijk en verheven van de aanleiding naar de verandering. Eerst noemt hij wat hem aanzette: “Ik heb mijn wegen bedacht.” Dan komt meteen de verandering zelf. Wat vertelt hij níét? Dat hij na een terugblik de dwaasheid en het gevaar van de zonde zag. Dat hij zag hoe laag haar genoegens zijn en hoe giftig haar verrukkingen. Dat hij na onderzoek van Gods wet overtuigd raakte dat wat hij eerder zo streng, hard en beangstigend vond, juist beminnelijk en lieflijk was.
Nee, hij voegt onmiddellijk toe: “En heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Ik kan me niets edelers of sterkers voorstellen. Het zegt met nadruk dat het niet nodig was te beschrijven hoe zijn wegen eruitzagen toen hij er eenmaal over nadacht. Wat zijn overleg moest opleveren, was zo vanzelfsprekend. De zonde krijgt immers alleen vat op ons als ze zich verbergt achter valse schoonheid. De onbezonnen, dwaze zondaar gelooft haar betovering dan maar al te graag en neemt niet de moeite die uit te zoeken. Een diepe, grondige speurtocht zou namelijk snel aan het licht brengen dat haar mooiste schijn leugenachtige ijdelheid is.
Wie door dat lege vertoon wordt betoverd, lijkt op iemand die droomt: hij kan alleen in zijn verbeelding genieten zolang hij slaapt. Zodra hij wakker wordt, ziet hij het bedrog. Net zo zal ernstig nadenken over de wegen van ongerechtigheid en opstand tegen God aan het licht brengen hoe noodlottig dwaas mensen zijn die ze blijven bewandelen. – William Dunlop, 1692-1720.
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Sommigen geven het oorspronkelijke zo weer: Ik bekeek mijn wegen van twee kanten, ik wikte en woog ze in alle richtingen, “en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Ik zag in dat ik als een verloren schaap ronddwaalde, en toen ging ik terug. – George Swinnock.
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht, enz.” Het Hebreeuwse woord dat hier met “bedacht” is vertaald, betekent: iemands wegen nauwkeurig, bedachtzaam, ernstig, ijverig en zorgvuldig bezien. Deze heilige man van God deed dat met al zijn plannen en daden, met alles wat hij deed en zei, met al zijn woorden en werken. Hij vond er veel bij die tekortschoten tegenover de regel, ja zelfs ertegenin gingen. Daarom keerde hij zijn voeten naar Gods getuigenissen. Zijn dwalingen had hij gevonden door grondig zoeken en streng toetsen. Toen sloeg hij een nieuw blad om en richtte hij zijn weg nauwkeuriger naar de regel in.
O christenen, jullie moeten net zo goed kijken naar wat jullie geestelijk tekortkomen als naar wat jullie geestelijk genieten. Let zowel op je uitgaven als op je voorraden. Kijk zowel vooruit naar wat je zou moeten zijn als terug naar wat je bent. Zeker zal die christen nooit uitblinken in heiligheid, die vele ogen heeft voor het beetje heiligheid dat hij bezit, maar geen enkel oog voor wat hem verder nog ontbreekt. – Thomas Brooks.
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht.” Dit woord betekent: een vaste, blijvende gedachte. Sommigen horen er een toespeling in op borduurders, die uiterst precies en zorgvuldig de kleinste fout wegwerken, of op mensen die een rekening opmaken.
Maak de rekening met jezelf op: wat ben ik schuldig? Wat ben ik waard? “Ik heb bedacht”, niet alleen mijn bezit, zoals de hebzuchtige mens (Ps. 49:12), maar “mijn wegen”. Het gaat niet om wat ik heb, maar om wat ik doe. Wat we doen, volgt ons immers naar een andere wereld, terwijl wat we hebben, achterblijft. Velen zijn scherp genoeg in hun opmerkingen over de wegen van anderen, en denken nooit na over hun eigen wegen. Maar “een iegelijk beproeve zijn eigen werk.”
Wat David hier over zichzelf zegt, kan twee dingen betekenen. Het kan zijn vaste dagelijkse gewoonte beschrijven: ’s nachts overdacht hij zijn wegen, ’s ochtends zette hij zijn voeten richting Gods getuigenissen, en het goede dat zijn hand te doen vond, deed hij zonder dralen. Of het gaat over zijn eerste kennismaking met God en met de godsdienst, toen hij de ijdelheid van zijn kinder- en jeugdjaren begon af te schudden en zijn Schepper te gedenken. Die gezegende verandering was dan het werk van Gods genade. Merk op: 1. Bekering begint bij ernstige overweging; Ezech. 18:28; Luk. 15:17. 2. Overweging moet uitlopen op een gezonde bekering. Wat heeft het voor zin dat we onze wegen hebben overdacht, als we onze voeten niet met alle haast keren tot Gods getuigenissen? – Matthew Henry.
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht.” Doe dit werk van ernstige overweging regelmatig, en blijf het doen. Vroeg je elke dag rekenschap van jezelf, dan zouden alle daden van genade er beter van gedijen. Seneca vroeg aan Sextius: Quod hodie malum sanasti? cui vitio obstitisti? Voor het nalopen van het werk van elke dag heb je Gods voorbeeld, ook in Zijn omgang met Adam voordat die in slaap viel. Wie onrein was, moest tegen de avond zijn kleren wassen. – Thomas Manton.
Vers 59
“Ik heb mijn wegen bedacht, enz.” Vergif kan een geneesmiddel worden. Laat de gedachte aan oude zonden een storm van woede en afkeer in ons opwekken. We rillen in onze geest en voelen een huivering door ons bloed gaan bij de blote gedachte aan een bittere drank die we vroeger hebben gedronken. Waarom zouden we geestelijk niet doen wat ons lichaam uit zichzelf al doet, als we ons iets walgelijks voor de geest halen? De zonden van de Romeinen waren voorbij, maar de schaamte kwam telkens terug als ze erop terugkeken: Rom. 6:21: “Waarover gij u nu schaamt.” Wat bij hen terugkwam, was de afschuw, niet het genot.
Zo moeten we ook ontvangen wat oude zonden in ons geheugen oproepen: met zuchten, niet met vreugde. Bovendien moeten we zulke momenten benutten om onze bekering weer een trede verder te brengen: “Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Er bestaat geen gevoel dat zo hels is of we kunnen er wat vonken uit slaan. Daarmee kunnen we onze liefde tot God aanwakkeren, ons berouw vernieuwen, onze dankbaarheid vergroten of onze gehoorzaamheid levendig maken. – Stephen Charnock.
Vers 59
“En heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Philip Henry zei bij deze plaats dat de grote draai die in hart en leven gemaakt moet worden, de draai is van alle andere dingen naar het woord van God. Bekering wendt ons naar dat woord. Eerst als toetssteen: daaraan beproeven we onszelf, onze toestand, onze wegen, onze geesten, onze leerstellingen, onze vormen van aanbidding en onze gewoonten. Dan als spiegel waarin we onszelf bijwerken, Jak. 1:23-25. Het is onze regel om naar te wandelen en te werken, Gal. 6:16. Het is ons water dat ons wast, Ps. 119:9.
Het is ons vuur dat ons verwarmt, Luk. 24:32. Het is ons voedsel dat ons voedt, Job 23:12. Het is ons zwaard om mee te strijden, Ef. 6:13-17. Het is onze raadgever bij al onze twijfel, Ps. 119:24. Het is onze hartsterking die ons troost, en ons erfdeel dat ons rijk maakt.
Vers 59
“En heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Een bondiger en tegelijk vollediger reisgids naar de hemelse stad is er niet dan het antwoord van een Engelse bisschop op de vraag van een spotter naar de weg naar de hemel: “Sla eerst rechtsaf, en blijf dan rechtdoor lopen.” – Neale en Littledale.
Vers 59
“En heb … gekeerd.” Wend je tot God, en Hij zal Zich tot jou wenden. Dan ben je gelukkig, ook al keert de hele wereld je de rug toe. – John Mason.
Wenken voor predikers
Vers 59
–
- Zelfonderzoek: “Ik heb bedacht”: mijn persoonlijke “wegen”, mijn maatschappelijke wegen, mijn heilige wegen, mijn openbare wegen.
- Het voordeel daarvan: “En heb mijn voeten gekeerd”, enz. – G.R.
Vers 59
–
- Niet nadenken en ronddwalen.
- Nadenken en terugkeren. – C.A.D.
Vers 59
–
- Overtuiging van zonde.
- Bekering. – W.D.
Vers 59
Nadenken over onze eigen wegen. Vraag:
- Waarom wordt dit meestal verwaarloosd?
(a) Het ontbreekt ons aan moed.
(b) We hebben het te druk.
(c) Het is onaangenaam, en daarom proberen velen het vooral te verdrijven.
- Wanneer gebeurt het op een verstandige manier?
(a) Wanneer we er eerlijk aan beginnen.
(b) Wanneer we het grondig doen.
(c) Wanneer de Schrift de scheidsrechter en de maatstaf is.
(d) Wanneer we er Gods hulp bij zoeken.
- Wat levert het op?
(a) Het keert ons met schaamte en berouw af van onze eigen wegen.
(b) Het keert ons met ernst, eerbied en hoop naar Gods getuigenissen. – J.F.
Vers 59
–
- Goed nadenken: “Ik heb mijn wegen bedacht.”
(a) Het is duidelijk dat dit nadenken over zijn wegen de psalmist ontevreden maakte.
(b) Goed nadenken over onze wegen zal een praktische verandering aanwijzen.
(c) Als we op ons leven terugkijken, moeten we daaruit afleiden dat elke wending die we maken, naar God toe moet zijn: “Tot Uw getuigenissen.”
(d) Goed nadenken laat ook zien dat zo’n ommekeer mogelijk is.
- Goed omkeren. De ommekeer was:
(a) Volledig.
(b) Praktisch.
(c) Geestelijk.
(d) Onmiddellijk.
(e) Hij moet een werk van God zijn. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1181: “Thinking and Turning.”
Uitleg
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” Hij deed alles wat hij kon om terug te komen op de koninklijke weg waarvan hij was afgedwaald, en om op die weg te rennen in opdracht van de Koning. Snelheid in bekering en snelheid in gehoorzaamheid zijn twee voortreffelijke dingen. We zijn maar al te vaak haastig om te zondigen. O, hadden we toch een nog grotere haast om te gehoorzamen! Uitstel bij zonde is méér zonde. Traag zijn in het houden van de geboden is in feite ze breken. Een sloffende gang is een groot kwaad wanneer Gods gebod gevolgd moet worden.
We moeten een heilige vlugheid in de dienst veel meer kweken. De Geest van God werkt die in ons. De voorgaande verzen beschrijven hoe dat gaat. We worden ons bewust van onze dwalingen en treuren erover. We worden teruggeleid op het goede pad. Dan verlangen we ernaar de verloren tijd in te halen en voorwaarts te stormen om het gebod te vervullen.
Hoeveel misstappen en dwalingen een eerlijk hart ook kent, er blijft genoeg echt leven in over voor een vurige godsvrucht, zodra God het bezoekt en nieuw leven geeft. De psalmist smeekte om barmhartigheid. Toen hij die kreeg, ging hij met vuur en onstuimigheid de wegen van de HEERE op. Hij had die wegen altijd liefgehad. Daarom toonde hij, zodra hij met genade was verrijkt, veel levendigheid en blijdschap in die wegen. Zijn snelheid was dubbel. Aan de ene kant: “Ik heb gehaast.” Aan de andere kant weigerde hij toe te geven aan elke reden die tot uitstel aanzette: hij heeft “niet vertraagd.” Zo schoot hij snel op en deed hij veel dienst.
Daarmee kwam hij zijn gelofte na die in Ps. 119:57 staat opgeschreven: “Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.” De geboden die hij zo gretig wilde gehoorzamen, waren geen regels van mensen maar voorschriften van de Allerhoogste. Velen zijn vol ijver om gewoonte en maatschappij te gehoorzamen, en toch lauw in hun dienst aan God. Het is een schreeuwende schande dat mensen met de grootste haast worden bediend, terwijl Gods werk blijft liggen of met slaperige nalatigheid wordt gedaan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd, enz.” Een plicht die we hebben ontdekt, moeten we meteen doen. Gevaar loert bij elke stap waarmee we een zonde die we kennen toegeven, of een verplichting die we erkennen verwaarlozen. Een tere consciëntie speelt niet met haar overtuigingen, uit vrees dat het hart verhard raakt door de verleiding van de zonde. Het is onveilig, onredelijk en hoogst misdadig om te blijven aarzelen als het gaat om de verbetering die het geweten eist. Wie draalt terwijl de plicht roept, krijgt misschien nooit meer de gelegenheid om te laten zien hoe oprecht zijn berouw is over vroegere dwaasheid en nalatigheid.
“Ik heb gehaast”, zei de psalmist, “en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” Dat betekent: ik was volkomen overtuigd van de noodzaak en de uitnemendheid van gehoorzaamheid. Daarom besloot ik er meteen toe en voerde ik het onmiddellijk uit. – John Morison.
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” We horen vaak: “De tweede gedachte is de beste.” In het godsdienstige leven klopt dat niet. In de samenhang zegt de psalmist: “Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Dat wil zeggen: ik wachtte er niet mee om nog eens na te denken. In de godsdienst kan het een dodelijke gewoonte zijn om eerst even de tijd te nemen om te overleggen. Haast je. – Henry Melvill.
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd.” Roept God iemand op wettige wijze, hetzij tot de studie van de godgeleerdheid, hetzij tot het onderwijzen ervan in de kerk? Dan moet hij niet aarzelen zoals Mozes, en zich niet afwenden zoals Jona. Hij moet alles laten staan en God gehoorzamen, Die hem roept. Zo zegt David het: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd.” Matth. 4:20, Luk. 9:62. – Solomon Gesner.
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd.” Gezond geloof is niet wantrouwend en niet nieuwsgierig. Het gelooft wat God zegt, zonder het te zien en zonder het na te trekken. God kan niet liegen (hoe zou de waarheid kunnen liegen?), dus past het dat Zijn woord om zichzelf wordt geloofd. Je mag het niet doorlichten met hoe’s en waarom’s. Wat de psalmist zegt over het onderhouden van de wet, moet de christen zeggen over het aannemen van het evangelie. Welo hitmahmahti, “Ik heb niet getwist”, zegt David. Ik heb niet met God gediscussieerd.
In de oorspronkelijke taal is het woord bijzonder mooi. In het Hebreeuws komt het van het voornaamwoord mah, dat quid betekent: wat. Het geloof maakt geen redeneringen met God. Het vraagt niets met “quids”, niets met “quares”, niets met “quomodos”, niets met wat, hoe of waarom. Het stelt geen vragen. Het stemt zachtmoedig in en zegt nederig amen op elk woord van God. Dit is het geloof waarover onze Zaligmaker Zich verwonderde in het verhaal van de hoofdman. – Richard Clerke, 1634.
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd.” Het oorspronkelijke woord dat wij weergeven met “niet vertraagd”, heeft een verbluffende nadruk. Welo hitmahmahti: ik stond niet te wat-wat-watten. Of, zoals wij hetzelfde zeggen: ik stond niet te dubben en te draaien. Ik was vastbesloten, dus ik ging op pad. Het Hebreeuwse woord wijst, net als het Engelse, sterk op besluiteloosheid: er wordt niet gehandeld, omdat de geest zo wankelt dat hij niet kan kiezen. – Adam Clarke.
Vers 60
Pas op voor uitstel en voor getreuzel. Schuif de zaak niet van de ene dag naar de andere en zeg niet bij jezelf dat er later nog tijd genoeg is. Denk niet: ik kan best naar de hemel gaan kijken als ik genoeg van de wereld heb gehad. En als ik het in het laatste jaar van mijn leven doe, in de laatste maand van dat jaar, in de laatste week van die maand, dan is dat ook goed genoeg. O, pas op voor uitstel! Duizenden zielen zijn vernietigd doordat ze hun bekering uitstelden.
Ga die kuil uit de weg waarin zovelen zijn gevallen. Vermijd die klip waarop zovelen schipbreuk hebben geleden. Zeg met David: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” – James Nalton, 1664.
Vers 60
“Ik heb gehaast, en niet vertraagd, enz.” Het vorige vers laat de man van God spreken over bekering als de vrucht van nadenken en zelfonderzoek: “Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.” Maar wanneer keerde hij dan om? Want al zien we ons kwaad nog zo goed, we zijn van nature traag in het herstellen ervan.
David keerde zich daarom niet alleen tot God, hij deed dat ook snel. Daarvan lezen we in dit vers: “Ik heb gehaast”, enz. Zijn bereidheid om te gehoorzamen wordt tweemaal uitgedrukt, positief en negatief. Positief: “Ik heb gehaast.” Negatief: “en niet vertraagd.” Zo’n dubbele uitdrukking verhoogt de kracht, volgens de gewoonte van de Hebreeën. Neem: “Ik zal niet sterven, maar leven” (Ps. 118:17). Dat betekent: zeker leven. Zo ook hier: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd.” Dat is: ik heb werkelijk geen ogenblik getalmd. Hij dacht na over zijn wegen en besloot dicht bij God te leven.
Dat besluit zette hij meteen om in daden. De Septuaginta leest het zo: “Ik was bereid, en liet mij niet verontrusten of afleiden door vrees voor gevaar.” Dat klopt ook: naast onze aangeboren traagheid tot het goede is dit een veelvoorkomende grond voor uitstel. We maken onszelf onrustig met angsten. Heeft God ons in allerlei plichten Zijn wil laten weten? Dan denken we te wachten tot de tijden rustiger zijn en gunstiger voor wat we moeten doen, of tot onze zaken er beter voor staan. Van die vertaling is een nuttig gebruik te maken, maar mooier lopen de woorden zoals wij ze meestal lezen: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd”, enz. David vertraagde niet.
Durven we iets niet openlijk te weigeren, dan stellen we het uit. Non vacat, dat is het excuus van de zondaar: “Ik heb er geen tijd voor.” Maar non placet is de werkelijkheid: hij heeft er geen zin in. De mensen die voor de bruiloft waren uitgenodigd, legden over hun weigering een glanslaagje van een verontschuldiging (Matth. 22:5). Uitstel is weigering, en niets anders. Hadden ze gewild, dan was er geen verontschuldiging geweest. Wie van aandringende, lastige schuldeisers af wil, belooft hun een andere keer te betalen. We weten best dat ons vermogen tegen die tijd nog meer geslonken is, maar we willen hen alleen maar afwimpelen.
Zo is ook dit uitstellen en afwimpelen van God niet meer dan een smoesje. En dit is het ellendige: een vleselijk hart ervaart God altijd als ongelegen. Het waren de duivelen die riepen: “Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?” (Matth. 8:29). Goede dingen zijn voor een vleselijk hart een kwelling, en ze komen altijd op het verkeerde moment. Maar zeker is dít het beste moment: wanneer het woord je op het hart wordt gedrukt, met bewijs, licht en kracht, en God met jou spreekt over jouw eeuwige vrede. – Thomas Manton.
Vers 60
“Vertraagd.” Hitmahmah: het woord waarmee Lots talmen wordt beschreven in Gen. 19:16. – William Kay.
Vers 60
Vertraging bij een opdracht van de HEERE grenst aan ongehoorzaamheid. Meestal komt zij eruit voort of leidt zij ertoe. “God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou” (2 Kron. 35:21). Laten we ervoor zorgen dat wij kunnen zeggen: “Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” – Frances Ridley Havergal.
Vers 60
Stel dit grote werk, het geloven in Christus, op geen enkele manier uit. Zolang we het niet hebben gedaan, blijven we onder de macht van zonde en satan en onder Gods toorn. Dan is er tussen de hel en ons niets dan de adem in onze neus. Voor Lot is het gevaarlijk om in Sodom te talmen, omdat er dan vuur en zwavel uit de hemel op hem kan vallen. De doodslager moet met alle haast vluchten naar de vrijstad, omdat de bloedwreker hem anders achternazit zolang diens hart nog kookt, en hem doodt. We moeten ons haasten en niet talmen om Gods geboden te onderhouden. – Walter Marshall.
Vers 60
Gaan overtuigingen werken? Geef dan meteen toe aan hun invloed. Wordt een wereldse of zondige begeerte geraakt? Laat dit dan het moment zijn om haar te kruisigen. Wordt er enige liefde voor de Zaligmaker ontstoken? Geef haar dan direct een stem. Komt er enige genade tot nieuw leven? Roep haar dan meteen op tot haar plicht. Dit is het beste middel, het enige, om de beweging van de Geest vast te houden die nu in het hart strijdt. Wie weet of het benutten van het voordeel dat we nu hebben, niet het moment is waarop we winnen van moeilijkheden die tot nu toe onoverkomelijk leken, en waarop ons pad naar de hemel opengaat met minder onderbrekingen en meer gestage voortgang? – Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 60
De gevaren van uitstel. De redenen om snel te handelen.
Vers 60
Een preek voor treuzelaars.
- Overdenking. Gods geboden houden is mijn plicht en mijn welzijn. Een gebod dat ik uitstel, houd ik misschien nooit. Uitstel is al ongehoorzaamheid op zichzelf. Gehoorzaamheid leeft van vlugheid.
- Besluit. Ik zal mij haasten en niet dralen. – C.A.D.
Vers 60
–
- Vlug.
- Zeker. – W.D.
Vers 60
Uitstel bekeken in zijn allerbelangrijkste toepassing: de godsdienst.
- Dit uitstel is onredelijk.
- Het is onaangenaam, onprettig en pijnlijk.
- Het is schandelijk.
- Het is zondig, en dat is de hoogste graad.
- Het is gevaarlijk. – John Angell James.
Uitleg
Vers 61
“De goddeloze hopen hebben mij beroofd.” Eerst bespotten ze hem, en nu hebben ze hem bestolen. Goddeloze mensen worden steeds slechter en steeds brutaler, zodat ze van spot overgaan op diefstal. Een groot deel van dit gewaagde verzet kwam doordat ze zich hadden verenigd. In een groep durven mensen te doen wat ze alleen niet eens zouden bedenken. Leg je brandende houtblokken bij elkaar, dan weet niemand welke vuurzee ze veroorzaken. Het blijkt dat hele benden mannen dit ene kind van God gezamenlijk aanvielen. Ze zijn laf genoeg voor alles. Ze konden hem niet doden, dus beroofden ze hem.
De honden van satan kwellen de heiligen als ze hen niet kunnen opslokken. Davids vijanden deden hun uiterste. Eerst siste het slangengebroed, en toen beten ze. Woorden hielpen niet, en dus gingen de goddelozen slaan. Hoeveel hebben de goddelozen de heiligen in alle eeuwen niet afgenomen, hoeveel hebben ze niet geroofd! En hoe vaak hebben de rechtvaardigen met blijdschap de plundering van hun goederen verdragen! “Nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.” Dat was goed, heel goed. Zijn gevoel van onrecht, zijn verdriet over zijn verlies en zijn pogingen om zich te verdedigen hielden hem niet weg van Gods wegen.
Hij wilde geen onrecht doen om te voorkomen dat hem onrecht werd aangedaan, en geen kwaad doen om kwaad te vergelden. Hij droeg de wet in zijn hart, en daarom kon geen onrust van de geest hem ervan afhouden haar te volgen. Hij had zichzelf kunnen vergeten als hij de wet was vergeten. Nu was hij juist bereid de onrechtmatigheden die hem werden aangedaan te vergeven en te vergeten, want zijn hart zat vol van Gods woord. De benden van de goddelozen hadden hem zijn beste schat niet afgenomen. Ze hadden hem zijn heiligheid en zijn geluk gelaten.
Sommigen lezen deze plaats zo: “De benden der goddelozen omringen mij.” Ze sloten hem in. Ze sneden hem af van hulp en versperden elke uitweg. Toch had de man van God zijn Beschermer bij zich. Een zuiver geweten steunde op de belofte, en een moedig besluit hield vast aan het gebod. Hij liet zich niet omkopen en niet dwingen tot zonde. De kring van goddelozen kon God niet van hem scheiden, en hem niet van God. Dat kwam doordat God zijn deel was, en niemand hem dat kon afnemen, noch met geweld noch met list. Dit is echte genade, die de proef doorstaat. Sommigen zijn nauwelijks genadig te midden van hun vrienden. Deze man was heilig midden in een kring van vijanden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 61
“De goddeloze hopen hebben mij beroofd.” Er zijn twee lezingen overgebleven, en elk van de twee mag: De koorden van de goddelozen hebben mij vastgegrepen, of: De benden van de goddelozen hebben mij beroofd. Wat we ook kiezen, de profeet wil laten weten dat hij, toen satan met zware verzoekingen de grondbeginselen van godsvrucht in zijn ziel bestormde, onwankelbaar standvastig bleef in de liefde voor Gods wet en in het uitvoeren ervan. De koorden kunnen op twee manieren worden verstaan. Het kan ten eerste gaan om de bedrieglijke verlokkingen waarmee de goddelozen hem in hun gezelschap wilden verstrikken. Het kan ten tweede gaan om de bedriegerij waarmee ze zijn ondergang probeerden te bewerken. – Johannes Calvijn.
Vers 61
“De goddeloze hopen hebben mij beroofd.” Sommigen lezen: “Koorden van goddeloze mensen hebben mij omstrengeld.” Anderen: “Strikken van goddeloze mensen omringen mij.” De bedoeling is dat goddeloze mensen hem met hun listen en plannen hadden ingesloten, zoals je een wild dier met netten vangt. Ze konden hem in de woestijn omsingelen, maar de vrije geest konden ze niet in de boeien slaan. Hij zou zich in zijn geest vrij blijven voelen en Gods wet niet vergeten. – John Stephen.
Vers 61
“De goddeloze hopen hebben mij beroofd.” Ze vielen zijn eigendommen aan en ontnamen hem die, hetzij door plundering in oorlogstijd, hetzij door boetes en beslagleggingen onder de schijn van recht. Waarschijnlijk nam Saul zijn bezittingen in beslag, Absalom zijn paleis, en plunderden de Amalekieten Ziklag. – Matthew Henry.
Vers 61
We moeten de vriendschap van goddelozen mijden. Ten eerste omdat die ons vastbindt, zoals zijzelf aan elkaar vastzitten: “de goddeloze hopen” (Engels: bands, dat ook ‘banden’ betekent). Iedere zondaar is een gladiator met net en zwaard, die de arena in gaat en iedereen die in zijn buurt komt in zijn net probeert te vangen. Een tweede reden om de vriendschap van de goddelozen te mijden, die we uit het Hebreeuwse woord kunnen halen, is hun wreedheid en barbaarsheid. De goddelozen binden hun vrienden niet alleen, ze maken van hen ook een buit en een prooi: “hebben mij beroofd.” Het zijn dieven die met lokkertjes werken. Ze trekken met een onoplettende reiziger op tot ze hem in dichte, donkere bossen hebben gebracht, waar ze hem van de hemelse rijkdommen beroven. – Thomas Le Blanc.
Vers 61
“De goddeloze hopen hebben mij beroofd.” Toen zei Christen tegen zijn metgezel: nu herinner ik me wat mij is verteld over iets wat hier in de buurt een goed man is overkomen. Die man heette Kleingeloof. Hij was een goed man en woonde in de stad Oprecht. Het ging als volgt. Aan het begin van deze doorgang loopt vanaf de Brede Poort een steegje naar beneden, de Doodmanslaan. Zo heet het omdat daar gewoonlijk moorden worden gepleegd. Deze Kleingeloof was net als wij op pelgrimstocht. Hij ging daar toevallig zitten en viel in slaap.
Op datzelfde moment kwamen er drie stevige schurken door die laan van de Brede Poort af. Ze heetten Flauwhartig, Wantrouwen en Schuld, drie broers. Ze zagen Kleingeloof zitten en kwamen in galop op hem af. De goede man was net wakker geworden uit zijn slaap en stond op om zijn reis voort te zetten. Ze kwamen allemaal bij hem staan en bevalen hem met dreigende taal te blijven staan. Kleingeloof werd zo wit als een doek. Hij had geen kracht om te vechten en geen kracht om te vluchten. Toen zei Flauwhartig: geef je beurs hier!
Maar hij deed dat niet snel, want hij wilde zijn geld niet kwijt. Daarom liep Wantrouwen op hem af, stak zijn hand in zijn zak en trok er een zak zilver uit. Toen riep Kleingeloof luid: dieven! Dieven! Daarop sloeg Schuld hem met een grote knuppel die hij in zijn hand had op het hoofd. Door die klap viel hij plat op de grond, waar hij lag te bloeden alsof hij zich dood zou bloeden… De plek waar zijn juwelen zaten, doorzochten ze nooit, en die hield hij dus nog. Maar de goede man was, zoals ik hoorde, erg bedroefd over zijn verlies.
De dieven kregen immers het grootste deel van zijn reisgeld. Wat ze niet kregen, waren (zoals ik zei) zijn juwelen. Ook had hij nog wat kleingeld over, maar nauwelijks genoeg om zijn reis ermee te voltooien. Ja, als ik niet verkeerd ben ingelicht, moest hij onderweg bedelen om in leven te blijven, want zijn juwelen mocht hij niet verkopen. Maar hoe hij ook bedelde en wat hij ook deed, het grootste deel van de rest van de weg liep hij, zoals we zeggen, met een hongerige maag. – John Bunyan.
Vers 61
“Hopen.” Om zich in een kwade weg te versterken, trekken de goddelozen samen op, in benden en gezelschappen. Maar hoe ze dat ook aanpakken: het helpt hen niet en het deert ons niet. De bouwers van Babel, of Moab, Ammon en Edom die zich verbonden, kunnen ons dat vertellen: “Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn.” De goddelozen zijn immers als doornen voor het vuur. Dat ze met velen zijn, geeft de vlam alleen meer moed. Weerstaan kunnen ze haar niet. – William Cowper.
Vers 61
Het is goed om ons voortdurend te realiseren dat duizenden geestelijke tegenstanders steeds op de loer liggen om ons als hun prooi te grijpen. – John Morison.
Wenken voor predikers
Vers 61
–
- Geestelijke struikroverij.
- De reiziger die op zijn weg blijft. Of: wat vijanden kunnen doen en wat niet.
Uitleg
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.” Bang voor rovers was hij niet. Hij stond op, niet om op zijn huis te passen, maar om zijn God te eren en Hem te danken. Middernacht is het uur van de inbreker, en er waren benden van hen rond David. Maar zijn gedachten waren niet bij hen. Die waren opgestaan en met de HEERE, zijn God, vertrokken. Hij dacht niet aan dieven, maar aan dank. Niet aan wat zij zouden stelen, maar aan wat hij zijn God zou geven.
Een dankbaar hart is zo’n grote zegen dat het angst verdrijft en plaats maakt voor lof. Dankzegging verandert de nacht in dag en wijdt alle uren aan de aanbidding van God. Voor een heilige is elk uur een uur van aanbidding. De psalmist nam een lichaamshouding aan: hij bleef niet in bed liggen om God te loven. De houding van het lichaam betekent niet veel, maar wel iets. Dat moeten we in acht nemen als het onze aanbidding helpt en onze ijver of nederigheid zichtbaar maakt. Veel mensen knielen zonder te bidden, en sommigen bidden zonder te knielen.
Het beste is knielen én bidden. Zo ook hier: het zou geen verdienste zijn geweest op te staan zonder te danken, en geen zonde te danken zonder op te staan. Maar opstaan én danken is een gelukkige samenhang. Het tijdstip was stil en eenzaam, en het bewees zijn ijver. Om middernacht zag niemand hem en stoorde niemand hem. Het was zijn eigen tijd, door hem zelf aan zijn slaap ontnomen. Daarom kon niemand hem beschuldigen dat hij openbare plichten opofferde aan zijn persoonlijke devotie. Middernacht rondt de ene dag af en opent de andere. Het was dus passend om dit plechtige moment te wijden aan gemeenschap met de HEERE.
Op het keerpunt van de nacht keerde hij zich naar zijn God. Hij had te danken voor weldaden die God hem had geschonken. Ps. 119:57 lag hem zwaar op het hart: “De HEERE is mijn deel.” En als iets iemand midden in de nacht kan laten zingen, dan is het dat wel.
De rechtvaardige daden van de grote Rechter maakten het hart van deze godvruchtige man blij. Gods oordelen zijn de ontzagwekkende kant van God Zelf, maar de rechtvaardigen hebben er geen angst voor. Zij bewonderen ze en aanbidden de HEERE erom. Ze staan ’s nachts op om God te zegenen, omdat Hij Zijn eigen uitverkorenen zal wreken. Er zijn mensen die het idee van goddelijke gerechtigheid zelfs haten. Zij staan zo ver van deze man van God af als de polen van elkaar. Hem vervulde de herinnering aan de vonnissen van de Rechter van de hele aarde met blijde dankbaarheid.
Zonder twijfel denkt David bij de uitdrukking “de rechten Uwer gerechtigheid” ook aan Gods geschreven oordelen over allerlei kwesties van zedelijk gedrag. In feite kunnen alle goddelijke geboden zo bekeken worden. Het zijn stuk voor stuk de rechterlijke uitspraken van de hoogste Scheidsrechter over goed en kwaad. David was gecharmeerd van die oordelen. Net als Paulus kon hij zeggen: “Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.” Overdag kon hij nooit genoeg tijd vinden om de woorden van goddelijke wijsheid te bestuderen of God ervoor te danken. Daarom offerde hij zijn slaap op om zijn dankbaarheid voor zo’n wet en zo’n Wetgever uit te spreken.
Dit vers gaat verder dan de gedachte van Ps. 119:52, en bevat daarnaast de kern van Ps. 119:55. Onze dichter herhaalt zichzelf nooit. Hij loopt dan wel steeds dezelfde toonladder op en neer, maar zijn muziek is onuitputtelijk gevarieerd. Uit enkele wezenlijke waarheden kun je ontelbare wisselingen en samenklanken opbouwen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven.” We kunnen jullie dit als bijzonder gebruik niet opleggen. Toch valt er uit Davids gewoonte veel op te steken.
- De gloed van zijn devotie, zijn vurig verlangen om God te prijzen: “te middernacht”, als de slaap de ogen van mensen het sterkst overmant, stond hij op. Zijn hart zat zo vol van Gods lof. Het besef van Gods rechtvaardige voorzienigheid trof hem diep en dreef hem tot deze plicht. Hij hield zich niet alleen overdag met dit werk bezig om zo zijn liefde voor God te laten zien. Hij kwam ook zijn bed uit om God te aanbidden en Zijn lof te zingen. Gewone mensen worden uit hun slaap gehouden door zorgen over deze wereld, door ongeduldige wrok over aangedaan onrecht of door de steek van een slecht geweten.
Zulke dingen houden anderen wakker, maar David werd wakker gehouden door één verlangen: God prijzen. Voor een genadig hart is geen enkel uur ongelegen. Hij toont zijn liefde voor God terwijl anderen rusten. Zo lezen we van onze Heere Christus dat Hij hele nachten in gebed doorbracht (Luk. 6:12). Over de verheerlijkte heiligen in de hemel staat dat ze God voortdurend prijzen: “Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen” (Openb. 7:15). Heilige mensen worden door hun lichamelijke behoeften sterk gehinderd, maar ze komen zo dicht bij voortdurende lofprijzing als onze huidige zwakheid toelaat.
Helaas beginnen we de dag vaak met een gloeiend gebed en gloeiende lofprijs, en dan zijn we moe voordat de avond valt.
- Zijn oprechtheid, die zichtbaar werd in zijn verborgenheid. David wilde zijn geloof in God uitspreken zonder dat iemand het hoorde: “te middernacht”, toen er geen kans was op opschepperij. Het was een stille blijmoedigheid, een stil plezier in God. Hij was alleen, dus het applaus van mensen kon hem niet bezighouden. Hem ging het erom dat God hem goedkeurde, Die in het verborgene ziet. Denk aan wat Christus aanraadt: “Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden” (Matth. 6:6).
Let ook op wat Christus Zelf deed: “En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar” (Mark. 1:35). Voordat het dag werd, trok Hij Zich terug in een woestenij om te bidden. Zowel het tijdstip als de plaats duidden op verborgenheid.
- Hieruit leren we dat tijd kostbaar is. Voor David was dat zo. Kijk hoe hij zijn levenstijd besteedde. We lezen van David dat hij ’s nachts, als hij ging slapen, na onderzoek van zijn hart zijn bed met zijn tranen drenkte (Ps. 6:7). Om middernacht stond hij op om te danken. In de ochtend kwam hij de morgenwaken voor, en zevenmaal per dag loofde hij God. Ochtend, middag en nacht wijdde hij aan God. Het zijn allemaal daden van uitzonderlijke, bijzondere godsvrucht. We moeten ons niet tevredenstellen met net zoveel genade als nodig is om gered te worden. Helaas hangt er heel veel lege tijd aan onze handen. Gaven we die tijd aan God, dan zou dat goed zijn, heel goed.
- De waarde van godvruchtige oefeningen, die zwaarder weegt dan onze natuurlijke verkwikking. Gods woord is zoeter dan het eten dat ons is toegemeten: “De redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd” (Job 23:12). David stelt Gods lof boven zijn slaap en nachtrust. Dat moet ons zeker beschamen, en wel over onze zinnelijkheid. Voor ons nutteloze plezier kunnen we andere dingen best laten schieten. Dat hebben we net zo goed gedaan voor de zonde, voor ijdele pleziertjes, enz. Zouden we dan niet ook onszelf kunnen verloochenen voor God?
- De diepe eerbied die we nodig hebben in het verborgen aanbidden. David richtte niet alleen zijn geest op om God te prijzen. Hij kwam ook zijn bed uit om voor Hem de knie te buigen. Verborgen plichten moeten we met ernst vervullen en niet afraffelen. Lofprijzing is een bijzondere vorm van aanbidding en vraagt dat we aanbidden met lichaam én ziel. – Thomas Manton.
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven.” In de voorhoven van het huis van de HEERE had hij God al geprezen, en nu wil hij het ook doen in zijn slaapvertrek. Wie in de eredienst met anderen is geweest, is daarmee nog niet ontheven van aanbidding in het verborgene. – Matthew Henry.
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven.” Was hij dan niet ook bereid om God midden op de dag te prijzen? Zeker wel. Maar hij zegt “te middernacht” om te laten voelen hoe vurig zijn ziel verlangde. Wij willen onze vrienden vaak van onze goede wil verzekeren met de woorden dat we midden in de nacht zouden opstaan om met hen over hun zaken te praten. – Wolfgang Musculus.
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven, enz.” Uit deze woorden halen we drie punten. 1. Wat David zich heilig tot taak stelt: de plicht die hij belooft, God danken. 2. Hoe ernstig en vurig hij is. Dat zien we aan het tijdstip dat hij noemt: “Te middernacht sta ik op.” Hij brak liever zijn slaap en rust af dan dat God Zijn lof zou moeten missen. 3. Waarom hij dankt en waarvoor: “voor de rechten Uwer gerechtigheid.” Hij heeft het hier over de manier waarop Gods voorzienigheid werkt: de godvruchtigen redden en de goddelozen straffen, zoals Zijn woord zegt. – Thomas Manton.
Vers 62
“Te middernacht sta ik op, om U te loven.” Zorgen om deze wereld, ongeduld bij onrecht en een slecht geweten houden de goddelozen uit hun slaap (Rivetus). Maar wat mij wakker maakt, is het verlangen om U te danken. – A. R. Faussett.
Wenken voor predikers
Vers 62
–
- De plicht tot dankbaarheid: “loven.”
- De reden voor dankbaarheid: “de rechten Uwer gerechtigheid.”
- De tijd voor dankbaarheid: ’s nachts net zo goed als overdag. – G.R.
Vers 62
Op in de nacht. Zingen in de nacht. Redenen voor zo’n opvallend gedrag.
Vers 62
De nachtegaal.
- Een vanzelfsprekende gedachtenverbinding: “middernacht” en “rechten” (Engels: judgments, oordelen). Ex. 12:29, enz.
- Een vreemde gevoelsverbinding: “loven” en “rechten.”
- Een volledige verdediging van deze schijnbare vreemdheid: “om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.”
- Het krachtig doen van een plicht die op ons rust: “Te middernacht sta ik op, om U te loven.” – C.A.D.
Uitleg
Vers 63
“Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” Het vorige vers zei: “Ik zal” (Engels: I will rise; SV: “sta ik op”), en dit vers zegt: “Ik ben.” Willen we later goed zijn, dan moeten we het nu al zijn. Anders kunnen we er nauwelijks op hopen. Deze heilige man zocht in de nacht God op en overdag Gods volk. Wie God vrezen, hebben ieder lief die Hem vreest. In hun gezelschap zijn ze niet veeleisend, zolang de mensen maar werkelijk godvrezend zijn. David was koning, en toch trok hij op met “allen” die de HEERE vreesden, of ze nu onbekend waren of beroemd, arm of rijk. Hij was medestudent aan het College van Alle Heiligen.
Hij pikte niet een paar heel uitmuntende heiligen eruit om de gewone gelovigen te laten staan. Nee, hij was blij met het gezelschap van wie van de wijsheid alleen de beginselen hadden, in de gestalte van “de vreze des HEEREN”. Hij zat graag met hen op de lage banken van de school van het geloof. Hij zocht innerlijke godsvrucht, maar verwachtte ook uiterlijke vroomheid te zien bij wie hij in zijn gezelschap toeliet. Daarom voegt hij eraan toe: “en van hen, die Uw bevelen onderhouden.” Wilden zij de geboden van de HEERE houden, dan zou de dienaar van de HEERE hun gezelschap houden.
Het was bekend dat David aan de kant van de godvruchtigen stond. Hij hoorde altijd bij de puriteinse partij. De mannen van Belial haatten hem daarom, en ze verachtten hem ongetwijfeld omdat hij omging met zulke ouderwetse mensen: gewone mannen en vrouwen die streng zijn en godsdienstig. Maar de man van God schaamt zich helemaal niet voor zijn vrienden. Integendeel, hij is er trots op om openlijk te zeggen dat hij bij hen hoort, wat zijn vijanden daar ook van maken. In heilig gezelschap vond hij zowel genot als nut. Hij werd beter van de omgang met de goeden, en kreeg eer van het gezelschap dat hij hield, want het was zeer eervol.
Wat zeg jij, lezer? Smaakt heilig gezelschap je? Voel je je thuis onder mensen met genade? Dan mag je daar troost uit putten. Soort zoekt soort. Een mens wordt gekend aan zijn gezelschap. Wie God niet voor ogen hebben, zoeken zelden de omgang met heiligen. Die is hun te traag en te saai. Laat dit onze troost zijn: als de dood ons loslaat, gaan we naar ons eigen gezelschap. En wie de heiligen op aarde liefhadden, worden met hen in de hemel geteld.
Er is enige gelijkenis tussen dit zevende vers van zijn strofe en het zevende van Teth (Ps. 119:71) en van Jod (Ps. 119:79). Maar meestal verbleken de overeenkomsten, die in de eerdere verzen zo duidelijk waren, nu. Hoe dieper de inhoud wordt, des te minder let de dichter op de kunstmatige vorm waarin hij het zegt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 63
“Ik ben een gezel, enz.” In het eerste vers van dit onderdeel zei hij dat God zijn deel was. Nu zegt hij dat alle heiligen van God zijn gezellen zijn. Die twee horen bij elkaar: liefde tot God en liefde tot Zijn heiligen. Hoe zou iemand God liefhebben, Die hij niet gezien heeft, als hij zijn broeder niet liefheeft die hij wel ziet, en die naar Gods beeld is gemaakt? Onze goedheid reikt niet tot de HEERE. Tonen we haar om Zijnentwil aan Zijn heiligen en uitnemenden op aarde, dan is dat een niet geringe aanwijzing van onze liefdevolle verbondenheid met Hemzelf.
Toen Jonathan gestorven was, zocht de godvruchtige David zorgvuldig uit: is er niemand meer van Jonathans nageslacht aan wie ik om Jonathans wil goed kan doen? Uiteindelijk vond hij een eenvoudige, kreupele Mefiboseth. Zo moeten ook wij zorgvuldig vragen: is er niemand op aarde aan wie ik goed kan doen om Christus’ wil, Die in de hemel is? We zullen altijd wel iemand vinden aan wie alles wat we doen, wordt aanvaard alsof het Hemzelf was gedaan.
Let op zijn grote bescheidenheid. Hij zegt niet: ik ben een gezel van allen die U volgen, maar van allen die U vrezen. De vreze Gods is nu eenmaal het begin van de wijsheid. In nederigheid schaart hij zich bij de beginners, hoewel hij de ouderen overtrof in godsvrucht. – William Cowper.
Vers 63
“Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” Wat is de menselijke natuur zwak! Zeker, er zijn tijden dat de aanwezigheid van Iemand Die zo groot is als de Almachtige, op ons drukt, en dat we iemand zoals wijzelf nodig hebben die met ons meeleeft. Gelukkig staan er onderweg veel vriendelijke, meelevende vrienden voor ons klaar, zoals Jezus. Terwijl we verdergaan, krijgen we de menselijke steun die de HEERE heeft klaargezet. Die krijgen we ook voor de gemeenschap. – John Stephen.
Vers 63
“Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” Soort zoekt soort. Dienaren van dezelfde Heere voegen zich, als ze trouw zijn, bij hun medeknechten en niet bij de knechten van Zijn vijand. Komt iemand bij een herberg aan? Dan kun je vrij goed raden waar hij heen gaat, aan het gezelschap waar hij naar vraagt. Zijn vraag: “Weet je van iemand die naar Londen reist? Ik zou hartelijk blij zijn met hun gezelschap”, verraadt zijn bedoeling en zijn route. Hoort hij van mensen die naar een andere kust gaan? Dan laten ze hem koud. Maar kent hij eerlijke reizigers die dezelfde weg moeten rijden en naar dezelfde stad vertrekken als hijzelf?
Dan stuurt hij naar hen toe en vraagt hij hun om hun goede gezelschap. Deze wereld is een herberg. Alle mensen zijn in zekere zin pelgrims en vreemdelingen, ze hebben hier geen blijvende plaats. Naar welk gezelschap ze vragen en welk gezelschap hun goeddoet, laat zien of ze naar de hemel gaan of naar de hel. Het gezelschap kan zijn van wie op de “brede weg” van het vlees lopen, of van wie op de “smalle weg” van de Geest lopen. Een goddeloze verlangt niet naar het gezelschap van wie de andere kant op gaan, en een heilige vindt geen plezier in omgang met wie dwars tegen zijn reis ingaan.
“Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?” Jonge patrijzen die door een kip zijn uitgebroed, trekken een tijd met haar kuikens mee en houden hen gezelschap, samen in de grond krabbend. Maar zodra ze volgroeid zijn en hun vleugels sterk genoeg, stijgen ze op in de lucht en zoeken ze vogels van hun eigen soort. Zo wordt een christen vóór zijn bekering grootgebracht onder de vorst van de duisternis en loopt hij mee met diens vervloekte bende, naar de loop van deze wereld. Maar als de Geest zijn gezindheid verandert, verandert hij snel van metgezellen.
Dan heeft hij alleen nog plezier in de heiligen op aarde. – George Swinnock.
Vers 63
“Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” 1. De persoon die spreekt. Let op het verschil tussen de personen. David was een groot profeet, ja een koning, en toch zegt hij: “Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” Christus Zelf noemde hen Zijn “medegenoten”: “Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten” (Ps. 45:8). Daarom kon David terecht zeggen: “Ik ben een gezel.”
- De personen over wie hij spreekt. David zegt het van “allen, die U vrezen.” Let goed op dat woord “allen”: niet alleen sommigen, maar allen. Kwam hij iemand van hen tegen, of kwam iemand van hen op hem af? Dan was zo iemand welkom. Wat zou het goed zijn voor de wereld als de machtigen van de aarde ook zo dachten, praatten en handelden: “Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” In de meeste mensen regeert eigenliefde. We houden van de rijken en gaan de armen voorbij, en zo belijden we het geloof van onze Heere Jezus Christus met aanzien des persoons (Jak. 2:1).
Daarom moeten we goed letten op dit “allen”. “Gehoord hebbende het geloof … en de liefde tot al de heiligen” (Ef. 1:15), zowel de eenvoudigen als de grootsten. Eenvoud doet niets af aan de verbondenheid in de gemeente (1 Kor. 11:20). In wereldse zaken verschilt de ene christen veel van de andere. Ook in geestelijke gaven is de een zwakker en de ander sterker. Toch moeten we allen liefhebben, want allen zijn kinderen van één Vader en allen worden door Christus erkend: “… Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen” (Hebr. 2:11).
Wat ik zeg, is dit: let op het opvallende verschil tussen de personen. Aan de ene kant David, aan de andere kant het hele volk van God. – Thomas Manton.
Vers 63
“Ik ben een gezel, enz.” Het is alsof hij zegt: dit is voor mij een teken dat ik tot Uw gezin behoor, want “ik ben een gezel van allen, die U vrezen” met een kinderlijke vreze, “en van hen, die Uw bevelen onderhouden.” – Paulus Palanterius.
Vers 63
Een gezel is eigenlijk iemand met wie ik gewoonlijk kies om op te trekken en om te praten, als vrienden. Gezelschap houden betekent dus drie dingen. Ten eerste: het is een keuze. Daarom heten verwanten, als zodanig, niet eigenlijk onze gezellen. Ten tweede: je trekt voortdurend met een ander op en gaat met hem om. Zo staat het in Job 34:8 en Spr. 13:20. Ten derde: dat gewone omgaan of optrekken met een ander moet vriendschappelijk zijn. – William Bridge, 1600-1670.
Vers 63
Ga het gezelschap uit de weg dat God uit de weg gaat, en zoek het gezelschap op dat God opzoekt. Beschouw de omgang met vleselijke of goddeloze mensen als besmettelijk, maar reken ernstige, biddende mensen tot de uitnemenden van de aarde. Zij helpen je weer op gang als je loom bent en verwarmen je als je koud bent. Maak de levendigsten van Gods volk tot je beste vrienden. Zorg dat jouw liefde voor hen vooral voortkomt uit hun liefde tot Christus en hun gelijkenis met Hem, meer dan uit hun liefde voor jou of hun gelijkenis met jou. – John Willison, 1680-1750.
Wenken voor predikers
Vers 63
–
- Ware godsdienst is vriendelijk.
- Onze vriendelijkheid moet voor iedereen gelden.
- Onze vriendelijkheid moet kunnen onderscheiden.
- Zulke vriendelijkheid is het nuttigst.
Vers 63
Over goed en slecht gezelschap. Hoe het ene te vermijden en het andere te benutten. Zie de preek van W. Bridge in zijn werken, deel V, blz. 90. Uitgave Tegg, 1845.
Vers 63
De keuze van gezellen door de gelovige.
- Wordt bepaald door hun godsvrucht: “Die U vrezen.”
- Wordt gestuurd door hun gedrag: “Die Uw bevelen onderhouden.”
- Moet zo ver mogelijk reiken: “Allen.”
- Brengt een wederzijdse verplichting mee: “Ik ben een gezel.” – J.F.
Uitleg
Vers 64
“De aarde is vol van Uw goedertierenheid.” David was een balling geweest, maar hij was nooit buiten het bereik van Gods goedertierenheid gekomen. Overal vond hij de wereld ermee gevuld. Hij had door woestijnen gezworven en zich in spelonken schuilgehouden, en ook daar had hij de goedertierenheid van de HEERE gezien en gevoeld. Hij had ontdekt dat Jehova’s liefde veel verder reikte dan de grenzen van het beloofde land en dan het volk Israël. In dit vers laat hij een ruimhartig beeld van God horen, dat we bij de Joden van nu zo zelden aantreffen.
Wat doet het ons goed om te weten dat er niet alleen overal ter wereld goedertierenheid is, maar zo’n overvloed dat de aarde er “vol” van is! Geen wonder dat de psalmist, omdat hij de HEERE kende als zijn deel, ook voor zichzelf op een deel van die goedertierenheid hoopte. Dat gaf hem moed om te bidden: “Leer mij Uw inzettingen.” Door God onderwezen worden, en dan nog in Gods eigen wet, was voor hem het schoonste beeld van goedertierenheid. Een grotere kon hij niet bedenken. Zeker zal Hij, Die het hele heelal met Zijn genade vult, zo’n verzoek van Zijn eigen kind inwilligen.
Laten we dit verlangen voorleggen aan de algoedertieren Jehova. Dan mogen we er zeker van zijn dat het wordt vervuld.
Het eerste vers van deze strofe geurt naar volle zekerheid en sterk besluit. Dit laatste vers loopt over van het besef van Gods volheid en van de afhankelijkheid van de psalmist zelf. Dat laat zien hoe het zit met volle zekerheid: zij dooft het gebed niet en staat de nederigheid niet in de weg. Wie zegt dat ze nederigheid voortbrengt en tot smeken aanzet, zit er niet naast. Na “De HEERE is mijn deel” past heel goed: “Leer mij.” De erfgenaam van een groot landgoed moet immers goed worden opgeleid, zodat hij zich gedraagt zoals bij zijn bezit past.
Wat voor leerlingen moeten wij dan zijn, wij wier erfdeel de HEERE der heirscharen is! Wie God als hun Deel hebben, willen Hem ook als hun Leraar hebben. Bovendien zijn juist zij die besloten hebben te gehoorzamen, het meest gretig om onderwezen te worden. Na “Ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren” volgt prachtig: “Leer mij Uw inzettingen.” Wie een wet oprecht wil houden, is bang uit onoplettendheid te overtreden en wil daarom graag al haar bepalingen en voorschriften kennen. Wie er niets om geeft door de HEERE onderwezen te worden, heeft nooit oprecht en van harte besloten heilig te zijn, hoe mooi zijn woorden daarover ook mogen klinken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 64
“HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid.” Een nederige en toegewijde knecht van God bekijkt het toneel waarover hij naar zijn eeuwige woning reist, niet met een scheefgetrokken, galachtige blik. Hij kent veel verdriet en gemis, die onvermijdelijke oogst van de zonde. Maar in heel de schepping en in Gods bestuur ziet hij het rijke bewijs van de vaderlijke welwillendheid en barmhartigheid van God over de mensenkinderen schijnen. – John Morison.
Vers 64
“HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid.” Wat verkondigen de gegoten zee, de toonbroden, de zoete reukwerken, de rook van de offers, Aärons borstschild, de prediking van het kruis en de sleutels van het koninkrijk der hemelen anders dan goedertierenheid? Wie kon een heiligdom binnengaan, zijn geweten doorzoeken, zijn ogen naar de hemel opslaan, bidden of offeren, God aanroepen of nadenken over de boom des levens in het midden van het paradijs van God, als er geen goedertierenheid was? Worden niet alle gezichten, verbonden, beloften, boodschappen, verborgenheden, wettische reinigingen en evangelische verzoening daardoor bekrachtigd?
Ja, goedertierenheid is de lucht die we inademen en het dagelijkse licht dat ons beschijnt. Ze is de genadige regen op Gods erfdeel, de openbare bron voor elke dorstige en het gemeenschappelijke gasthuis voor al wie gebrek heeft. Alle straten van de gemeente zijn met deze stenen bestraat. Wat moest er van de kinderen worden als er geen borsten van vertroosting waren? Hoe zou de bruid, de vrouw van het Lam, versierd kunnen zijn als haar Bruidegom haar niet kleedde met deze sieraden? Hoe zou Eden als de hof van God kunnen verschijnen zonder deze stromen die het bevloeien?
Goedertierenheid neemt ons uit de moederschoot, voedt ons gedurende onze pelgrimsreis, verschaft ons geestelijke teerkost, sluit vredig onze ogen en brengt ons over naar een veilige rustplaats. Ze is de bede van de eerste smekeling en het artikel van de eerste gelovige, het peinzen van Henoch en het vertrouwen van Abraham, de last van de profetische gezangen en de roem van alle apostelen, de pleitgrond van de boetvaardige, de verrukking van wie verzoend zijn, het hosanna van de gelovige en het halleluja van de engel. Verordeningen, godsspraken, altaren, kansels, de poorten van het graf en de poorten van de hemel: ze hangen allemaal van goedertierenheid af.
Ze is de poolster van wie dwalen, het losgeld van de gevangene, het tegengif voor de verzochte, de profetes van wie leven en de krachtige troost van wie sterven. Zonder die goedertierenheid zou er werkelijk geen enkele wedergeboren heilige op aarde zijn en geen verheerlijkte heilige in de hemel. – Uit G.S. Bowes’ “Illustrative Gatherings”, 1869.
Vers 64
“HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid.”
“Waarom barst zo’n melodie los uit boom en struik,
die overvloeit uit het hart van elke zanger
en mijn eigen hart zo vervult dat het nauwelijks
een ogenblik stil kan blijven om te luisteren,
maar zelf wil meezingen?
Waar ik ook ga, ik hoor maar één lied,
hoe ontelbaar de tonen ook zijn: dat God liefde is.
Waarom springt het beekje de berghelling af,
en haast het zich zo snel naar het dal beneden,
om de dorstige kudde van de herder te laven, of verder te glijden
waar de hete zon een verdorde krans heeft achtergelaten,
of om kabbelend mee te spelen met de muziek van het bosje?
Zijn eigen blijde stem antwoordt: dat God liefde is!
Is het een gevallen wereld waarnaar ik kijk?
Ben ik niet even diep gevallen als alle anderen?
En toch deel ik in vreugden die al mijn lof te boven gaan,
in plaats van verloren en ongezegend rond te zwerven.
Het is alsof een onzichtbare geest zich inspande
om het in mijn hart te griffen: dat God liefde is!”
– Thomas Davis, 1864.
Wenken voor predikers
Vers 64
De kern van dit vers zit in deze vijf stellingen:
- Zaligmakende kennis is een weldaad die we van God moeten vragen.
- Deze weldaad kunnen we niet te vaak of genoeg vragen: het is zijn voortdurende bede.
- Bij het vragen worden we aangemoedigd door Gods mildheid of goedertierenheid.
- Dat God goedertieren is, verkondigen al Zijn schepselen.
- Gods goedheid voor al Zijn schepselen moet ons sterken in de hoop op zaligmakende genade en geestelijke goede dingen. – T. Manton.
Vers 64
–
- Waarnemingen in de school van de natuur.
- Smekingen die de school van de genade binnengaan.
Vers 64
Gods goedertierenheid in de natuur en Zijn goedertierenheid zoals ze in het woord is geopenbaard.
- De ene is voortreffelijk, de andere is oneindig voortreffelijk.
- De ene wordt zonder enige inspanning geschonken, de andere komt door een groot offer heen.
- De ene kan iemand genieten en daarmee zelfs zijn veroordeling verzwaren, de andere is, als iemand haar geniet, zaligheid.
- De ene moet tot bekering leiden, de andere is geschikt om de boetvaardige weer tot heiligheid te brengen. – J.F.
Uitleg
In deze negende afdeling begint elk vers met de letter Teth. Ze vormen het getuigenis van de ervaring. Ze getuigen van Gods goedheid, de genade in Zijn handelen en de kostbaarheid van Zijn woord. Vooral laat de psalmist zien hoe nuttig tegenspoed kan zijn, en hoe goed God is als Hij hem verdrukt. Het vijfenzestigste vers is de tekst voor de hele strofe.
Vers 65
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.” Hier trekt hij de som van zijn leven, en zeker ook van het onze. De psalmist zegt de HEERE wat zijn hart hem ingeeft. Zwijgen kan hij niet. Zijn dank moet klinken in het bijzijn van Jehova, zijn God. Van Gods goedheid voor alles in de natuur, in Ps. 119:64, is het een gemakkelijke en aangename stap naar het belijden van Gods standvastige goedheid voor onszelf persoonlijk. Het is al opmerkelijk dat God Zich inlaat met zulke onbetekenende en onwaardige schepselen als wij.
Nog veel opmerkelijker is dat Hij ons goed heeft gedaan, en wel zo goed, zo wonderbaar goed. Hij heeft alle dingen welgedaan, en op die regel is geen enkele uitzondering. In voorzienigheid en genade, in het geven van voorspoed en het sturen van tegenspoed: in alles heeft Jehova ons goed gedaan. Het is van onze kant ook goed gedaan om de HEERE te zeggen dat wij merken dat Hij ons goed gedaan heeft, want zulke lof is passend en schoon. Toch is deze goedheid van de HEERE geen toeval. Hij beloofde haar, en Hij heeft het gedaan naar Zijn woord.
Het is zo kostbaar om Gods woord in onze eigen gelukkige ervaring vervuld te zien. Daardoor wordt de Schrift ons dierbaar en gaan we de Heere van de Schrift meer liefhebben. Het boek van Gods voorzienigheid sluit aan bij het boek van de belofte. Wat we lezen op de bladzijde van de inspiratie, vinden we terug op de bladzijden van ons eigen levensverhaal. Misschien verwachtten we niet dat het zo zou gaan. Maar nu we Gods goedertierenheid voor ons zien en Zijn trouw aan Zijn woord, spijt ons ons ongeloof. Voortaan moeten we met een vaster geloof leven, in God en in Zijn belofte.
Hij heeft goed gesproken en Hij heeft goed gedaan. Hij is de beste Meester die er bestaat, en dat zeggen we met overtuiging. Aan een zeer onwaardige en ongeschikte knecht schonk Hij zo’n zegen. Maakt ons dat niet steeds blijder in Zijn dienst? Wij mogen niet beweren dat wij onze Meester goed hebben gediend. Want als wij alles gedaan hebben, zijn wij onnutte dienstknechten. Maar onze Heere heeft ons licht werk gegeven, ruim levensonderhoud, liefdevolle aanmoediging en een royaal loon. Het is een wonder dat Hij ons niet allang heeft weggestuurd, of onze toelage in elk geval heeft verlaagd, of ons ruw heeft behandeld.
En toch hebben we geen harde bejegening gekend. Alles is geregeld met evenveel inschikkelijkheid alsof we volmaakt gehoorzaam waren geweest. Brood hebben we genoeg en over. Onze livrei is ons keurig verstrekt, en Zijn dienst heeft ons verheven en zo gelukkig gemaakt als koningen. Klachten hebben we werkelijk niet, en reden daartoe al helemaal niet. We verliezen onszelf in aanbiddende dankzegging en vinden onszelf terug in zorgvuldig, dankbaar leven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Teth. – In de Hebreeuwse grondtekst opent iedere strofe met de letter T. In onze eigen Engelse vertaling is dat bij alle verzen ook zo, behalve bij Ps. 119:67 en Ps. 119:71. Met een kleine ingreep passen ook die twee er gemakkelijk in, als we lezen: “Totdat ik verdrukt werd” en “Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest.” – C.H.S.
Vers 65
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE!”
- De handelende partij is God Zelf: al het goede moeten we terugvoeren op God als de Bewerker ervan.
- Wat is eigenlijk die “weldaad”? Meestal wordt de zin weergegeven met: “Gij hebt goed gedaan.” Uit het Hebreeuws maken sommigen er “Bonum fecisti” van: “U hebt goed gedaan met Uw knecht.” De Septuaginta schrijft chrèstotèta epoièsas meta tou doulou sou, en dat betekent: “U hebt goedheid bewezen aan of met Uw knecht.” De Vulgaat neemt dat over als “Bonitatem fecisti”. Een andere groep legt de zin breed uit: “Alles wat U Uw knechten laat overkomen, is goed.” In hun ogen is dus alles wat God doet goed, ook wat lijnrecht tegen de wil van ons vlees ingaat.
Ziekte is dan goed, en het verlies van vrienden ook. Voor een nederig en dankbaar hart zijn zelfs armoede en geldelijk verlies goed. Maar ik denk dat David hier toch een concrete hulp of redding bedoelt, waarin God een belofte aan hem had waargemaakt. Joodse rabbijnen zien erin dat hij weer koning mocht worden. De meeste christelijke schrijvers zien er een geestelijke weldaad in: het goede dat God hem had geschonken. Als we de volgende verzen erbij nemen, kan het haast niet anders dan dat het om geestelijk goed ging. De Septuaginta gebruikt het woord chrèstotèta zelfs twee keer, in dit vers en in het volgende.
Zo lijkt David dankbaar te erkennen dat hij dat goede oordeel en die kennis al ten dele bezat. Hij vraagt er daarna immers méér van. Een deel was hem dus al gegeven, en wel door zijn verdrukkingen. Dat lezen we in het derde vers van dit gedeelte: “Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.” Wat hij nu bidt, is dit: “Zet dit werk voort en maak die goedheid groter, die U Uw knecht hebt laten zien.”
- Dan het voorwerp van die goedheid: “Uw knecht”. Dat is een eervolle en troostrijke titel, en David droeg hem met vreugde. God is een royale en genadige Meester. Hij wil Zijn knechten graag goeddoen. Op aarde beloont Hij hen met genade, en daarna zet Hij er de kroon van heerlijkheid op: “Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken” (Hebr. 11:6). — Thomas Manton.
Vers 65
“Gij hebt … goed gedaan.” Als Gods kinderen werkelijk begrepen wat voor hen het beste is, dan zouden ze zien dat God telkens precies dát voor hen deed. — John Mason.
Vers 65
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan.” David wist dat God Zijn gaven nooit terugneemt. Hij wist ook dat God niet moe wordt van goeddoen en dat Hij Zijn begonnen werk zeker voltooit. Daarom herinnert hij God aan wat Hij vroeger deed. Er is niets dat zo sterk helpt om barmhartigheid te ontvangen als God Zijn eigen eerdere barmhartigheid voorhouden. Het steunt op twee gronden. Ten eerste: zorgde God al goed voor hem toen hij nog niet wedergeboren was, hoeveel meer dan nu! Ten tweede: alle gaven van God komen volledig tot hun doel, dus Hij blijft goeddoen aan Zijn knecht.
Hier zie je het verschil tussen geloof en een aanklagend geweten. Een aanklagend geweten durft niet nog meer te vragen, want het heeft de vroegere genade verkwanseld. Het geloof weet dat alles wat God geeft een teken is van Zijn liefde, die Hij ons toont naar Zijn woord. Daarom vraagt het vrijmoedig om méér. — Richard Greenham.
Vers 65
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan.” “Zeker”, zei wijlen ds. J. Brown uit Haddington in Schotland, “ook ik heb zware tijden gekend, net als iedereen. Maar God is zo goed voor mij geweest, dat ik niets aan mijn levensomstandigheden zou willen veranderen, ook niet als Hij mij nog eens evenveel jaren gaf als ik al heb geleefd. Eén ding alleen: ik zou wensen dat ik minder zonde had gehad. Op mijn doodkist mag staan: ‘Hier ligt een kind waar de Voorzienigheid extra voor zorgde. Het verloor vroeg vader én moeder en heeft hen toch nooit gemist.’” — Arvine’s Anecdotes.
Vers 65
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.” De woorden “naar Uw woord” klinken in deze psalm zo vaak, dat we er snel overheen lezen. Of we denken er alleen bij: “omdat U het beloofd hebt.” Toch ligt er veel meer in. Deed God dan “goed” met David naar de maatstaf van mensen? Wat moeten we dan met uitspraken als deze: “Verlaat mij niet al te zeer” (Ps. 119:8), “Ik ben een vreemdeling op de aarde” (Ps. 119:19), “Mijn ziel kleeft aan het stof” (Ps. 119:25), “Mijn ziel druipt weg van treurigheid” (Ps. 119:28), “Wend mijn smaadheid af, die ik vreze” (Ps. 119:39), “De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot” (Ps. 119:51) en “Grote beroering heeft mij bevangen” (Ps. 119:53)?
Als je zulke teksten leest, kun je dan volhouden dat God “goed” deed met David, zoals mensen dat beoordelen? Zijn leven was één lange reeks van zware en uiteenlopende beproevingen. Geen enkele stemming van ons hart in verdriet ontbreekt in zijn psalmen, want er staat voor alles een passend woord. Toch zegt hij: “Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, … naar Uw woord.”
Hoe leggen we dan die uitdrukking, die hier zo vaak terugkeert, uit, zodat ze klopt met wat David geestelijk beleefde?
God deed goed met hem “naar Zijn woord” in deze betekenis: Hij ging met hem om volgens wat Zijn woord als het werkelijk goede aanwijst. Hij bevrijdde hem niet van alle beproeving. Hij zond hem precies die beproeving die hij nodig had. Diep vanbinnen merkte David dat God goed voor hem gezorgd had, op het moment dat hij kon zeggen (Ps. 119:67): “Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.” En nog eens (Ps. 119:71): “Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.” Voor vlees en bloed was dit een harde weg. Toch was het écht “goed”, omdat hij er de rijkste zegen mee kreeg.
Het was ook “naar Zijn woord”, omdat het paste bij hoe God, zoals Hij Zelf heeft laten weten, met Zijn volk omgaat. Zijn kinderen worden immers getuchtigd tot hun eigen bestwil.
Er is nog iets. God had “goed gedaan” met David naar Zijn woord, ofwel naar Zijn verbond. Wat nu in vervulling ging, kon op zichzelf bitter smaken. Toch was het een vaste borg dat Hij Zijn werk uiteindelijk zou afmaken. God zou Zichzelf eer geven doordat Zijn woord volledig zou uitkomen in de voltooide zaligheid van Zijn knecht.
“Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.” Uw woord is licht en lamp. Het laat de dingen zien zoals ze echt zijn en leert ons dat alles meewerkt ten goede voor Uw volk, en dat U “alles wel gedaan” hebt. “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” Wat is voor onze ogen wonderlijker dan zulke inzichten?
Naar Uw woord: dat is niet alleen “omdat U het beloofd hebt”, maar op de wijze en in de mate die Uw woord zelf aangeeft. Merk op hoe zo’n uitleg het gebed “Wees mij genadig naar Uw toezegging” (Ps. 119:58) opent. Alle zoete beloften en verklaringen over Gods oneindige barmhartigheid komen dan voor ons te staan, en het wordt een reusachtige bede. Hetzelfde geldt voor “Maak mij levend” en “Richt mij op naar Uw woord”: tot de volle breedte van wat U Uw volk beloofd en klaargemaakt hebt. Kijk hoe rijk daardoor Ps. 119:76 wordt: “Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.” Zo ook Ps. 119:169: “Maak mij verstandig naar Uw woord”, en Ps. 119:170: “Red mij naar Uw toezegging.” In al die bijbelse verzoeken voelen we dat de bede alles insluit wat Gods woord over dat onderwerp zegt.
Laten we daarom altijd zó bidden om barmhartigheid, kracht, troost, verstand en verlossing: we vragen dit alles dan in de volle maat waarin het in het woord van God geopenbaard en beloofd is. — Mary B.M. Duncan (1825-1865), in “Under the Shadow.”
Wenken voor predikers
Een schets rond de sleutelwoorden van de psalm, van ds. C. A. Davis.
Verzen 65-72
Hoe de Heere handelt. Daarvoor wordt Hem dankbaar eer gebracht (Ps. 119:65), en omdat we er veel van leren, blijven we erom vragen (Ps. 119:66). Zelfs de verdrukking die Hij zendt, is “goed” (Ps. 119:67-68). Vanwege de heilzame vrucht ervan kiest David haar liever dan de voorspoed van de goddelozen (Ps. 119:69-72).
Wenken voor predikers
Vers 65
Een knecht die zijn meester een goed getuigschrift meegeeft; of: wat klopt met de Schrift. Twee vruchtbare thema’s.
Vers 65
—
- Wat we beleven, wordt bevestigd door het woord.
- Het woord wordt op zijn beurt bevestigd door wat we beleven. — G.R.
Vers 65
Het levensverhaal van een knecht.
- Hij wist wat mijn tekorten waren en nam mij toch aan.
- Ik sta ver onder Hem, en toch geeft Hij mij vertrouwelijk les.
- Ik ben altijd wat ziekelijk, en toch behandelt Hij mij in mijn nood buitengewoon vriendelijk.
- Ik ben een van Zijn minste knechten, en toch mag ik aan Zijn eigen tafel mee-eten.
- Ik verricht weinig werk, en toch betaalt Hij mij goed.
- Mijn loon is hoog, en daarbovenop krijg ik nog allerlei extra’s.
- Mijn Meester is dit alles voor mij (kun je het geloven?), en toch mopper en klaag ik tegen Hem als Hij mij ergens dwarszit. Toepassing:
(a) Is het woord “knecht” dan eigenlijk een verkeerde benaming? “Ik heet u niet meer dienstknechten; … maar Ik heb u vrienden genoemd.”
(b) Zegt Hij “vriend” tegen mij, dan blijf ik Hem toch altijd “Meester” noemen. — Richard Andrew Griffin, in “Stems and Twigs.”
Uitleg
Vers 66
“Leer mij een goeden zin en wetenschap.” Weer vraagt hij om onderricht, net als in vers 64, en weer gebruikt hij Gods barmhartigheid als reden. God had goed gehandeld met hem, en dat geeft hem moed om te bidden om oordeelsvermogen. Dan kan hij Gods goedheid ook waarderen. Een goed oordeel is de vorm van goedheid die een godvrezend mens het meest nodig heeft en het diepst verlangt. De Heere geeft het ook uiterst graag. David merkte dat hij zich telkens vergist had in zijn oordeel over wat de Heere met hem deed.
Omdat het hem aan kennis ontbrak, had hij de tuchtigende hand van zijn hemelse Vader verkeerd gezien. Daarom bidt hij nu om beter onderwijs. Hij ziet dat hij de Heere onrecht deed met zijn haastige conclusies. Hij bedoelt: “Heere, U was goed voor mij toen ik U hard en streng vond. Wilt U mij meer inzicht geven, zodat ik niet voor de tweede keer zo slecht over mijn Heere denk?” Wie zijn dwalingen onder ogen ziet en zijn onwetendheid voelt, wordt daardoor leerbaar. Wij kunnen niet goed oordelen, want onze kennis is helaas zo vol gaten en fouten.
Leert de Heere ons kennis, dan komen we tot een goed oordeel. Zonder Hem lukt het nooit. Alleen de Heilige Geest kan ons met licht vullen en ons verstand weer recht in balans brengen. Laten we vurig naar Zijn onderwijs verlangen! Het is hoogst nodig dat we niet langer slechts kinderen blijven in kennis en verstand.
“Want ik heb aan Uw geboden geloofd.” Davids hart was oprecht. Daarom hoopte hij dat ook zijn verstand recht zou worden gezet. Hij geloofde, en dus verwachtte hij wijsheid te ontvangen. Hij stond onwrikbaar in de overtuiging dat de voorschriften uit het woord van de Heere voortkwamen. Dan zijn ze ook rechtvaardig, wijs, vriendelijk en nuttig. Hij geloofde in heiligheid, en dat met heel zijn hart! Zo’n geloof is geen gering werk van genade in een ziel. Daarom rekende hij erop dat Gods genade nog meer in hem zou doen. Wie de geboden gelooft, zál de leerstellingen en beloften leren kennen en begrijpen.
Kijken we terug op onze vergissingen en onze onwetendheid, en zien we dan dat we Gods wil toch van harte liefhadden? Dan hebben we goede reden om te hopen dat we leerlingen van Christus zijn. Dan mogen we verwachten dat Hij ons onderricht geeft, zodat we mensen worden met een gezond oordeel en gezonde kennis. Iemand die door ervaring heeft leren onderscheiden en zo een man van gezond oordeel is geworden, is een kostbaar lid van de gemeente. Hij bouwt anderen op een heleboel manieren op. Wie veel nut wil zijn, doet er dus goed aan het gebed van dit vers te bidden: “Leer mij een goeden zin en wetenschap.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 66
“Leer mij een goeden zin, enz.” David had ontdekt hoe heilig smaak kan zijn (Ps. 19:11; 104:34; 119:103) en had die ook bij anderen aanbevolen (Ps. 34:9). In onze tekst bidt hij dat die smaak groeit. Het woord dat de Engelse vertalers met “oordeel” weergeven (SV: “zin”), betekent in feite “smaak”. Het wijst op een voorliefde voor de goddelijke waarheid en voor Gods goedheid en heiligheid, waar je ware heiligen aan herkent. Laten we daarom het wezen van die geestelijke smaak onderzoeken, en waarop ze zich richt. Elke ziel die genade heeft ontvangen, bezit haar. En alle ware heiligen verlangen ernaar haar nog sterker te bezitten.
In de oorspronkelijke taal wordt het woord vaak gebruikt voor wat de zintuigen en het gehemelte van elkaar onderscheiden. Hier gebruikt de psalmist het beeldend, zoals het verwante woord in onze eigen taal ook vaak voorkomt. “Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?” (Job 12:11). Onze vertalers kozen hier voor “oordeel”. Dat ligt er dicht tegenaan, maar zoals wij die woorden gebruiken, is er toch een verschil. Smaak is het vermogen dat iemand sneller tot een oordeel brengt. Oordeel gaat langzamer te werk dan smaak en komt via een omweg tot zijn conclusies.
We gebruiken het woord smaak dan ook bij allerlei geestelijke keuzes. Bij de schoonheid van een gedicht, bij de kwaliteit van een schrijfstijl, bij verzorgde kleding en goede manieren, en bij schilderkunst en muziek. Heeft iemand daarvoor een goede smaak, dan weet hij snel en toch precies te zeggen of iets mooi is, uitstekend, of passend. Het gaat om dingen die hij al lang kent. Moeizaam onderzoek heeft hij daarvoor niet nodig.
Zo kunnen ook ware heiligen genieten van de schoonheid van de heiligheid. Die schittert in Gods woord en in Zijn goddelijke karakter. Ze schittert in de wet en in het evangelie, en in het kruis van Christus. Ze schittert in Christus’ voorbeeld en in het leven van al Zijn echte volgelingen, voor zover zij op Zijn lieflijke beeld lijken. Daarmee bedoel ik niet dat zij zich laten leiden door een blinde ingeving waarvoor ze geen goede reden hebben. De echte gevoelens van een waar christen laten zich allemaal met de beste argumenten verdedigen. Maar die gevoelens zijn eerst door vernieuwende genade in ons gewekt.
Daarna groeien ze door dagelijkse omgang met God en door veel nadenken over geestelijke zaken, tot ze fijngevoelig en snel van opmerking worden. Wie nog nooit heeft geproefd hoe genadig de Heere is, heeft dat niet. Je hoeft als het ware maar één bepaalde snaar aan te raken, en het vernieuwde hart antwoordt vanzelf. Alles wat God werkelijk groot maakt, de ziel dicht bij Hem brengt en Hem laat verheerlijken en genieten, trekt meteen de aandacht van wie uit God geboren is. Het raakt zijn gevoelens en stuurt zijn gedrag. “En zoeter dan honig en honigzeem.” “Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” “Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!” “Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is.” — John Ryland, 1753-1825.
Vers 66
“Leer mij een goeden zin en wetenschap, enz.” Woordelijk kun je dit zo weergeven: “Leer mij goedheid en onderscheidingsvermogen en kennis, want ik heb Uw geboden geloofd of erop vertrouwd.” Als we over goddelijke zaken nadenken, plaatsen we kennis en onderscheidingsvermogen snel op de eerste plaats, als wat “goedheid” in ons zou moeten wekken. Maar het is zeker dat verstand en geweten elkaar beïnvloeden. Ook het zedelijk besef geeft het verstand kracht. En alleen de geestelijke mens kan de dingen van God beoordelen. Wie geestelijk gezind is en met Gods zaken vertrouwd, krijgt een kracht en weidsheid van verstand die duidelijk blijken uit het leven van vooraanstaande mannen.
Merk je op dat sommigen vooraanstaand waren zonder geestelijke eigenschappen? Dan kun je antwoorden: hoeveel groter zouden ze nog zijn geweest, als ze die eigenschappen wél hadden bezeten! De bede luidt: “Leer mij goedheid en onderscheidingsvermogen en kennis.” Het verlangen om God te behagen kan al in ons leven en toch kan ons verstand nog verlichting nodig hebben bij elke plicht. Ook kan het zijn dat we elke plicht kennen, maar het geestelijk onderscheidingsvermogen missen om die goed te zien en te voelen. — John Stephen.
Vers 66
“Leer mij een goeden zin” (letterlijk: goeden smaak). Sir John Lubbock hield een lezing over de bevruchting van bloemen door insecten. Daarin vertelt hij over een opvallend verschil tussen mooie en afzichtelijke planten. Bijen hebben kennelijk graag aangename geuren en heldere kleuren. Telkens kiezen ze de planten waar mensen plezier aan beleven. Als je die insecten volgt op hun bezoek aan een tuin, zie je dat ze landen op de roos, de lavendel en alle andere aangename bloemen met pronkende kleuren of een zoete geur. Vliegen gedragen zich juist tegengesteld. Zij kiezen steeds planten met een doodsbleke gele of vuilrode kleur, en planten die onaangenaam ruiken. De bij heeft een fijne, gevoelige smaak. De vlieg is “een soort insectengier”: van nature gaat ze af op plantaardig voedsel dat op aas lijkt.
Zet maar eens twee schalen op een grasveld, op enige afstand van elkaar. Leg in de ene die kwalijk riekende ondergrondse zwam, de stinkzwam, en in de andere een handvol mosrozen. Het verschil is dan meteen te zien. De vuile lucht en de onooglijke zwam zitten al snel vol vliegen, en de bijen vliegen naar de schaal met rozen. Aan die voorliefde van de bijen voor mooie kleuren en geurige parfums hebben wij onze uitgelezen bloemen te danken. Ze dragen het stuifmeel van de ene opvallende bloem naar de stamper van een andere. Door die vereniging ontstaat zaad van een nog rijkere soort.
Zo zijn allerlei bloesems door de eeuwen heen steeds mooier geworden. Vreemd genoeg is op een vergelijkbare manier, maar dan in tegengestelde richting, vooruitgang geboekt bij de planten die door vliegen worden bezocht. Hun ongezonde en weerzinwekkende eigenschappen zijn juist heviger geworden.
Zo is het ook met de twee grote groepen waarin de mensheid uiteenvalt: de mensen van deze wereld en de mensen van de toekomende. De gezuiverde verlangens van de ene groep gaan voortdurend uit naar “al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt”. De aardse en lage verlangens van de andere groep klampen zich daarentegen vast aan het verderf. Een vlijtige bij vliegt niet zekerder van de ene mooie bloem naar de volgende dan de christen bewust zoekt naar alles wat op aarde het mooist, het zoetst en het best is.
Zijn gebed is hetzelfde als dat van David in Ps. 119:66: “Leer mij een goeden zin” (letterlijk vertaald: goeden smaak). En “zo er enige deugd is, en zo er enige lof is”: dat bedenkt hij. — James Neil, in “Rays from the Realms of Nature”, 1879.
Vers 66
“Een goeden zin en wetenschap” (Engels: good judgment and knowledge). Geen zegeningen passen beter bij ons dan goed oordeel en wetenschap. Wetenschap over onszelf, over onze Zaligmaker en over de weg van gehoorzaamheid. En goed oordeel om die kennis te sturen en voor een waardevol doel in te zetten. Deze twee onderdelen van onze verstandelijke uitrusting hangen zeer nauw samen en zijn van elkaar afhankelijk. “Wetenschap” is het bespiegelende inzicht in de algemene waarheid. “Oordeel” is de praktische toepassing daarvan op hart en gedrag. — Charles Bridges.
Vers 66
“Want ik heb aan Uw geboden geloofd.” Deze woorden zijn het waard om even bij stil te staan, want het geloof wordt hier verbonden met een ongebruikelijk voorwerp.
Had er gestaan: “want ik heb Uw beloften geloofd”, of “Uw geboden gehoorzaamd”, dan had ieder gewoon verstand de zin sneller begrepen. Geboden geloven klinkt voor een gewone luisteraar even stug als zien met het oor en horen met het oog. Toch zijn het de geboden waar het om gaat. En hij zegt er niet van: “ik heb ze gehoorzaamd”, maar: “ik heb ze geloofd”. Sommige uitleggers willen die schijnbare hardheid wegnemen en menen dat “geboden” hier staat voor het hele woord van God. Dan horen de beloften er ook bij, en volgens hen zijn die zelfs vooral bedoeld.
Het zijn dan vooral de beloften die hem moed gaven van God te verwachten wat hij nodig had, zoals goed oordeel en kennis. Maar die uitleg leidt ons af van het gewicht en de kracht van deze veelzeggende woorden. Laten we daarom het volgende opmerken:
- Er bestaat zeker geloof in de geboden, net zoals er geloof bestaat in de beloften. We moeten geloven dat God hun Auteur is en dat ze de uitdrukking zijn van Zijn gebiedende, wetgevende wil. Wij zijn verplicht hen te gehoorzamen. Het geloof moet inzien dat de Wetgever heerst en goed is. Het moet geloven dat Zijn geboden heilig, rechtvaardig en goed zijn. Het moet ons bovendien leren dat God houdt van wie Zijn wet bewaart, en dat Hij toornt over wie haar overtreedt. En ook dat Hij er op de grote laatste dag zeker voor zorgt dat Zijn wet wordt gehandhaafd.
- Geloof in de geboden is net zo noodzakelijk als geloof in de beloften. Beloften worden pas gewaardeerd, aanvaard en gebruikt wanneer je gelooft dat ze van God komen. Met de voorschriften is het hetzelfde: ze krijgen geen greep op ons geweten en bewegen onze gevoelens niet, zolang we niet geloven dat ze van God zijn.
- Geloof in de geboden moet net zo levend zijn als geloof in de beloften. Een belofte wordt niet met levend geloof geloofd, tenzij ze het hart losmaakt van vleselijke ijdelheid. Ze moet ons aansporen om het geluk te zoeken dat ze ons voorhoudt. Zo geldt het ook voor de voorschriften: ze worden pas echt geloofd als we er helemaal voor gekozen hebben ons erbij neer te leggen, als de enige richtlijn die ons naar dat geluk leidt. En als we vastbesloten zijn ze te houden en te gehoorzamen. De wetten van een koning worden niet nageleefd alleen omdat men gelooft dat het zijn wetten zijn.
Dat gebeurt pas als we ons ook buigen voor zijn gezag en macht. Zo wijst dit geloven op een bereidwillige ijver om Gods stem te horen en te gehoorzamen. En op de ijver om ons hart en onze daden te laten leiden door Zijn raad en aanwijzing in het woord. — Thomas Manton.
Vers 66
“Want ik heb aan Uw geboden geloofd.” Gods geboden staan er niet alleen voor. Aan hun rechterkant staan beloften van genade, aan hun linkerkant bedreigingen met toorn. Het geloof richt zich op beide. Zonder zo’n geloof kan niemand Gods geboden gehoorzamen en dat ook laten zien. — Wolfgang Musculus.
Wenken voor predikers
Vers 66
—
- Een bijzonder geloof: “Ik heb aan Uw geboden geloofd.”
- En ook een bijzondere bede die hierop rust: “Leer mij.”
Vers 66
Wat een goed oordeel betekent voor gezonde kennis.
- Het houdt waarheid en dwaling zorgvuldig uit elkaar.
- Het zet elke waarheid op haar juiste plaats ten opzichte van de andere waarheden.
- Het houdt elke waarheid vast, maar zorgt het meest voor de belangrijkste.
- Wat nieuwsgierig en speculatief is, laat het liever liggen, maar het houdt oprecht van wat eenvoudig en nuttig is.
- Het weet dat waarheden alleen goed worden vastgehouden als je ze toepast, en maakt daarom alles praktisch bruikbaar.
- Het weet ook dat goed voedsel onder bepaalde omstandigheden giftig kan worden, en kiest en gebruikt de waarheden daarom met zorg. — J.F.
Uitleg
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik.” Dat lag misschien deels aan het ontbreken van beproeving. Onze moeilijke tijden werken vaak als een doornhaag: ze houden ons in de goede weide. Voorspoed is dan juist de opening in die haag, waar wij doorheen glippen. Kan iemand van ons zich een tijd zonder zorgen herinneren? Dan weet hij waarschijnlijk ook nog dat de genade toen laag stond en de verzoeking sterk was. Soms zucht een gelovige: “Ach, was het maar weer zoals in die zomerse dagen, voordat ik verdrukt werd!” Zo’n zucht is hoogst onverstandig.
Hij komt voort uit vleselijke liefde voor een makkelijk leven. Wie geestelijk is en geeft om groei in genade, zal God juist loven dat die gevaarlijke dagen voorbij zijn. Het weer is nu wel stormachtiger, maar ook gezonder, en daarvoor zal hij Hem danken. Het is goed als iemands hart zo open en eerlijk is als hier. Misschien had David zijn eigen afdwalen nooit gekend, laat staan beleden, als hij de roede niet had gevoeld. Laten we zijn nederige belijdenis overnemen. Zonder twijfel zijn wij immers in zijn afdwalen met hem meegegaan. Waarom brengt een klein beetje gemak zoveel onrust in ons teweeg?
Kunnen we nooit uitrusten zonder te verroesten? Nooit genoeg krijgen zonder dik en vet te worden? Nooit opstijgen naar de ene wereld zonder neer te dalen naar de andere? Wat zijn we zwakke schepselen, dat we een klein beetje genot niet kunnen dragen! Wat zijn het voor lage harten, die de overvloed van Gods goedheid verdraaien tot een aanleiding om te zondigen!
“Maar nu onderhoud ik Uw woord.” Een hart dat van de tuchtiging profiteert, heeft genade ontvangen. Het heeft geen nut om onvruchtbare grond om te ploegen. Waar het geestelijk leven ontbreekt, geeft verdrukking ook geen geestelijke opbrengst. Maar is het hart gezond, dan houdt moeite het geweten wakker. Het afdwalen wordt beleden. De ziel luistert opnieuw naar het gebod en blijft dat doen. Een pak slaag maakt van een rebel geen kind, maar voor een echt kind is de roede een bewezen middel tot verbetering. Bij de psalmist deed de medicijn van de verdrukking haar werk: hij werd een ander mens.
“Maar”: de verandering kwam onmiddellijk. “Nu”: ze bleef. “Ik”: ze zat vanbinnen, persoonlijk. “Onderhoud”: ze wees naar God toe. “Uw woord.” Vóór zijn moeite zwierf hij rond. Daarna bleef hij binnen de haag van het woord en vond zijn ziel goede weide. De beproeving zette hem terug op zijn ware plaats. Ze hield hem vast, en daardoor hield hij Gods woord vast. Zoet zijn de goede gevolgen van tegenspoed, en dit is er één van: ze doet de overtreding een bit in de mond en geeft de heiliging een prikkel.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, enz.” David bedoelt niet dat hij opzettelijk, kwaadwillig en uit verachting voor zijn God afweek. Dat ontkent hij zelf (Ps. 18:22). Nee, hij raakte van het rechte pad door de zwakte van het vlees, de overmacht van het verderf en de kracht van de verzoeking. Vooral kwam het door een zorgeloze, onoplettende en slappe geestesgesteldheid. Zo kwam hij ervan af voordat hij het goed doorhad. Het woord dat hier staat, wordt ook gebruikt voor dwalen uit onwetendheid (Lev. 5:18). Het gebeurde in zijn voorspoedige tijd. Misschien ging hij niet zoals Jeschurun vet worden en achteruitslaan, en liet hij de Rots van zijn zaligheid niet los en achtte hij Hem niet gering.
Misschien viel hij niet in verzoekingen en schadelijke begeerten, dwaalde hij niet van het geloof af en werd hij niet met veel smarten doorstoken. Maar toch kon hij onoplettend worden voor zijn godsdienstige plichten en er slordig mee omgaan. Dat gebeurt vaak. — John Gill.
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd.” De Septuaginta en de Latijnse Vulgaat lezen: “Eer ik vernederd werd.” Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen: verdrukt worden. Het kan dus op elke vorm van beproeving wijzen. — Albert Barnes.
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd.” Voorspoed toetst het karakter fijner en strenger dan tegenspoed. Eén uur zomerzon veroorzaakt immers meer bederf dan de langste winterdag. — Eliza Cook.
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd.” Denk aan een groot man met een ongehoorzame zoon. Die zoon verlaat het huis en leeft er onder de pachters van zijn vader maar op los. Wat doet de vader? Hij draagt zijn pachters op de jongen slecht te behandelen, te kwetsen en van zich af te jagen, en dat alles om hem terug te krijgen. In Zijn wijsheid gaat God net zo met ons om. De mens is Zijn wilde, losbandige zoon. Hij rent weg voor de geboden van zijn Vader, want hij kan niet leven onder Diens strenge, harde gezag.
Hij gaat achter de genoegens van de wereld aan, viert feest en raast tussen de schepselen rond. Maar God is vastbesloten hem terug te winnen. Daarom beveelt Hij elk schepsel hem ruw aan te pakken. “Brand hem, vuur! Gooi hem heen en weer, stormen! Breng zijn bezit tot schipbreuk! Laat hem alleen, vrienden! Mislukt, plannen! Kom tegen hem in opstand, kinderen, net zoals hij dat doet tegen Mij! Laat alles waarop hij steunt en vertrouwt onder hem wegzakken en zijn rijkdom wegsmelten! Laat hem arm, veracht en berooid achter!” Al die schepselen zijn dienaren van God en moeten Zijn wil doen.
En waartoe dit alles? Zodat hij ziet dat iedereen hem heeft verlaten, en hij ten slotte als verarmde verloren zoon naar zijn Vader terugkeert. — Ezekiel Hopkins, 1633-1690.
Vers 67
“Eer ik verdrukt werd.” Mensen knippen de vleugels van pluimvee als het te hoog of te ver wil vliegen. Zo laat God ook onze rijkdommen slinken enz., zodat we niet over onze grenzen gaan en niet te veel roemen op zulke gaven. — Otho Wermullerus.
Vers 67
“Maar nu onderhoud ik Uw woord.”
Verdrukking haalt de mens naar huis.
“Vaak dwaalt de mens af als een dwaas schaap,
en weet niet waar zijn weg hem heen leidt.
Door wegloze woestijnen en de wildernis van de zonde
trekt hij dag aan dag;
niets brengt hem sneller terug naar de schaapskooi
dan de verdrukking.
In de zonneschijn zwerft hij, maar bij regen en storm
haast hij zich weer naar huis.
Grote Herder van mijn ziel, o bewaar
mij, Uw onwaardig schaap, voor het zwerven. Maar
als zachte middelen bij mij niets uithalen,
laat dan een harde hand mij terughalen.
Eer ik in mijn dwaling verloren zou gaan,
breng mij terug, Heere, al jaagt U mij angst aan.
Liever getuchtigd met Uw roede en Uw staf,
dan dat ik, mijn God, van U afdwaal.
Al doen de slagen mij nu bitter zeer,
uiteindelijk doen ze mij des te meer goed:
ze brengen mij ertoe Uw woord te onderhouden,
dat ik vroeger verwaarloosde.
Laat mij liever langs de weg van tranen thuiskomen
dan nog langer radeloos rond te dolen.
Voor mijn gezondheid slik ik liever een bittere pil
dan dat ik van zoetigheid altijd ziek blijf.”
— Thomas Washbourne, 1606-1687.
Vers 67
Uit de ontelbare menigte voor de troon van God en het Lam klinken ook nu nog de woorden van de psalmist: “Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.” Velen zullen zeggen: “Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft” (Job 5:17). De een vertelt je dat zijn aardse ondergang de bouw was van zijn hemelse toekomst. Een ander zegt dat het verlies van alles de winst was van Alles in allen. Er zijn menigten die God met een natuurlijke blindheid heeft verdrukt, zodat ze geestelijk zicht zouden krijgen. Er zijn ook mensen die onder lichamelijke zwakheid en allerlei ziekten dit aardse leven hebben verteerd en zijn weggekwijnd. Zij namen met vreugde heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid in de plaats ervan aan. — William Garrett Lewis, in “Westbourne Grove Sermons”, 1872.
Vers 67
Door verdrukking scheidt God de zonde die Hij haat, van de ziel die Hij liefheeft. — John Mason.
Wenken voor predikers
Vers 67
—
- De gevaren van voorspoed.
- De voordelen van tegenspoed. — G.R.
Vers 67
De beteugelende kracht van verdrukking.
Verzen 67, 71, 75
Verdrukking driemaal bekeken en driemaal gezegend.
- Vóór de verdrukking: afdwalen.
- Tijdens de verdrukking: leren.
- Na de verdrukking: weten. — C.A.D.
Uitleg
Vers 68
“Gij zijt goed en goeddoende.” Zelfs in de verdrukking is God goed en doet Hij goed. Zo belijdt iemand die het zelf heeft meegemaakt. God is in Zichzelf het werkelijke Goede. In elke eigenschap van Zijn wezen is Hij goed, in de allervolste zin. Ja, alleen Hij is goed: “Niemand is goed dan Een, namelijk God.” Wat Hij doet, komt overeen met Wie Hij is. Uit een zuivere bron komen zuivere stromen. Zijn goedheid is niet verborgen en niet werkeloos. Hij laat Zich kennen in Zijn daden, want Hij is actief weldadig.
Hij doet goed! Geen tong kan opsommen hoeveel goeds Hij doet. Geen hart kan peilen hoe goed Hij is! Het is goed om de Heere te aanbidden zoals de dichter hier doet: door Hem te beschrijven. Feiten over God zijn de beste lofprijzing voor God. Alle eer die wij Hem kunnen geven, is Zijn eigen heerlijkheid naar Hem terug te laten stralen. Meer goeds dan wat God is en doet, kunnen wij van Hem niet zeggen. Geloven wij in Zijn goedheid, dan eren we Hem met ons geloof. Bewonderen we haar, dan verheerlijken we Hem met onze liefde. Maken we haar bekend, dan maken we Hem groot met ons getuigenis.
“Leer mij Uw inzettingen.” Dit is hetzelfde gebed als eerder, met hetzelfde argument. Hij bidt in feite: “Heere, U bent goed en doet goed. Wees dan ook goed voor mij, zodat Uw onderwijs mij goed maakt en goed laat doen.” De man van God was een leerling en leerde graag. Hij schrijft dat toe aan de goedheid van de Heere. Daarom hoopte hij ook in de school te mogen blijven en te blijven leren, tot hij elke les volmaakt kon uitvoeren. Zijn leerboek, door hemzelf gekozen, waren de koninklijke inzettingen. Een ander boek wilde hij niet.
Hij wist hoe droevig het afloopt als je die inzettingen overtreedt. Door pijnlijke ervaring was hij teruggebracht op de weg van de gerechtigheid. Daarom bad hij om het grootste teken van goddelijke goedheid dat hij zich kon bedenken: dat hij de wet volmaakt mocht leren kennen en er helemaal mee in overeenstemming zou zijn. Wie treurt omdat hij het woord niet heeft bewaard, verlangt ernaar het te leren. En wie zich verheugt dat hij door genade heeft geleerd het te onderhouden, is er niet minder op gespitst dat dit onderwijs hem gegeven blijft worden.
In vers 12, het vierde vers van Beth, vinden we ongeveer dezelfde gedachte als in dit vierde vers van Teth.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 68
“Gij zijt goed en goeddoende.” God heeft Zichzelf als goed voor ons neergezet, opdat we ons niet tevredenstellen met een laag voorbeeld van goedheid. Hij wordt ons getoond als louter goedheid. Hij is goed van natuur, en Zijn werk past bij Zijn natuur. Niets ontbreekt eraan en niets is eraan gebrekkig. Je kunt er niets aan toevoegen om het beter te maken. Philo zegt: ho on to proton agathon, dat wil zeggen: het eerste Wezen moet wel het eerste Goed zijn. Zodra we ons voorstellen dat er een God is, stellen we ons meteen voor dat Hij goed is. Hij is goed uit Zichzelf, goed in Zichzelf, en goedheid zelf. Van al het goede in de schepselen is Hij zowel de bron als het voorbeeld.
- Begin bij Zijn natuur. Van oorsprong is Hij daar “goed”, in Zichzelf en voor anderen. Je kunt denken aan de zon: ze heeft zelf licht en geeft het door aan alles om haar heen. God is wezenlijk goed, meer nog: Hij ís de goedheid. Bij ons is goedheid een eigenschap die erbij komt, een geschenk. Bij God is ze geen eigenschap, maar Zijn eigen wezen. Een vat dat verguld is, heeft een glans die er later bij is gekomen. Een vat dat helemaal van goud is, heeft glans en stof in één. God is oneindig goed.
Wat schepselen aan goeds hebben, kent een grens, maar niets stelt een grens aan Gods volmaaktheid of meet haar af. Hij is een oceaan van goedheid zonder oever of bodem. Wat is onze druppel naast die oceaan! God is bovendien onveranderlijk goed. Zijn goedheid wordt nooit meer of minder. Niets kun je eraan toevoegen en niets kun je ervan afnemen. De mens had in zijn onschuld de mogelijkheid te zondigen, hij was “peccabilis”. Daarna werd hij “peccator”: werkelijk een zondaar. God daarentegen was en blijft altijd goed. Zo ziet het voorbeeld eruit dat ons voor ogen staat, maar Zijn natuur is een grote diepte.
Daarom volgt nu: 2. Zijn werk: “Hij doet goed.” Wat voor werk heeft God al deze zesduizend jaar op het grote toneel van de wereld gedaan, behalve goedheid tonen? Hand. 14:17: “Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid.” Hij liet Zichzelf niet onbetuigd, agathopoiōn. Hij strafte hun afgoderij niet met wraak, maar gaf weldaden. Zo’n voorbeeld wordt ons voorgehouden om na te volgen, zodat heel ons leven niets anders wordt dan goed doen. Matth. 5:48: “Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.” Daarom bidt de psalmist terecht: “Leer mij Uw inzettingen.” — Thomas Manton.
Vers 68
“Gij zijt goed en goeddoende.” De Heere mogen we altijd zegenen. Bij elke gelegenheid horen we goed over God te denken, en zeker als we het zwaar hebben. Daarom staat er: “eert den HEERE in de valleien” (Jes. 24:15; Engels: “in de vuren”). De drie jongemannen deden dat in de heetste oven … Dat we niet kunnen danken voor verdrukking op zichzelf, geef ik toe. Maar we kunnen wel danken voor het goede dat ze ons brengt, of omdat we er Gods genadige hand op de een of andere manier duidelijk in zien. Zo bekeken is er, voor wie nog aan deze kant van de hel is, geen toestand waarin we geen reden hebben om God te loven.
Ook niet in de zwaarste ramp. Daarom zegt David direct na zijn klacht over zijn verdrukking: “Gij zijt goed en goeddoende.” Hij erkent ook (Ps. 119:65): “Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.” Zo prezen Paulus en Silas God terwijl ze werden geslagen en gevangengezet. — John Willison, 1680-1750.
Vers 68
“Gij zijt goed.” De Heere tuchtigde David, en de gezegende uitkomst daarvan was een bijzonder bewijs van Zijn goedheid. Dat kon hem als vanzelf brengen tot de erkenning van Zijn goedheid in het algemeen. Die goedheid zit in Wie Hij Zelf is en in Zijn onvermoeibare liefdevolle bemoeienissen.
Wie ongelovig en overhaast oordeelt over Gods bestuur en Zijn genadig handelen, meent een frons te zien met zwakke zin. Het oog van het geloof ziet juist een lach op Zijn gezicht. Hoe meer het geloof oefent in het terugblikken op wat voorbij is en in het ervaren van wat nu is, hoe sneller we klaarstaan met de lofzang: “Gij zijt goed.” — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 68
Een tweeledig pleidooi om een bijzondere zegen. Gods goedheid is waar onze onwetendheid op hoopt.
Vers 68
“Gij zijt goed en goeddoende.” Wie God is en wat Hij doet, wordt zichtbaar in de natuur, in Zijn voorzienigheid, in de genade en in de heerlijkheid. Het is zedelijk goed, weldadig goed, volmaakt goed, onmetelijk goed, onveranderlijk goed, goed zoals we het ervaren en goed zoals het ons bevredigt. — W.J.
Vers 68 (eerste zinsnede)
Een preek over Gods goedheid.
- Hoe volmaakt die goedheid is.
- Waaruit ze blijkt.
- Welke macht ze over ons moet hebben. — J.F.
Uitleg
Vers 69
“De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd.” Eerst hadden ze hem bespot (Ps. 119:51), vervolgens bedrogen (Ps. 119:61), en nu belasterden ze hem. Ze grepen naar de leugen om zijn naam te beschadigen, want met de waarheid konden ze niets tegen hem inbrengen. Ze smeedden een leugen zoals een smid een ijzeren wapen maakt. Of ze vervalsten de waarheid zoals vals geld wordt geslagen. Het oorspronkelijke woord roept een alledaagse uitdrukking op: “Ze hebben een leugen tegen mij in elkaar gedraaid.” Te trots om te liegen waren ze dus niet. Hoogmoed is zelf een leugen, en zodra een hoogmoedig mens liegt, “spreekt hij uit zijn eigen”.
Meestal zijn juist de hoogmoedigen de bitterste tegenstanders van wie rechtvaardig leeft. Ze zijn jaloers op hun goede naam en zouden die graag verwoesten. Laster is daarvoor een goedkoop, handig wapen als het erom gaat de goede reputatie van een gelovige te vernietigen. Spannen veel hoogmoedigen samen om een kwaadaardige leugen uit te denken, te overdrijven en rond te strooien, dan weten ze hun slachtoffer meestal te raken. Dat ze hem niet helemaal doden, is niet hún verdienste.
O, wat een venijn schuilt onder de tong van een leugenaar! Menig gelukkig leven is er bitter door geworden. Menige goede naam is eraan vergiftigd, als door het dodelijkste gif. Het is verschrikkelijk om gewetenloze mensen op het aambeeld van de duivel te horen hameren aan een nieuwe laster. Eén ding helpt daartegen: de zoete belofte. “Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen.”
“Doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.” Mijn enige zorg is voortaan mijn eigen werk te doen en me vast te houden aan de geboden van de Heere. Als de modder waarmee ze ons bekogelen onze ogen niet blind maakt en onze oprechtheid niet beschadigt, doet ze weinig kwaad. Bewaren wij de bevelen, dan bewaren de bevelen ons op de dag van smaad en laster. David herhaalt zijn besluit: “Ik bewaar.” De geboden zijn voor hem als nieuw: hij ziet dat ze waarlijk van de Heere zijn, “Uw bevelen”. En met “van ganser harte” zet hij heel zijn wezen in beweging.
Brengt laster ons ertoe vastberadener en zorgvuldiger te gehoorzamen, dan is ze ons blijvend ten goede. Leugens die op ons worden afgevuurd, kunnen onze trouw aan de waarheid vergroten. Mensenhaat kan onze liefde voor God laten groeien. Als we leugens met woorden willen bestrijden, verliezen we misschien de strijd. Maar een heilig leven weerlegt alle laster en laat zich zelf niet weerleggen. Kwaadwilligheid wordt gedwarsboomd wanneer wij, hoeveel tegenstand er ook is, in heiligheid blijven volharden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 69
“De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd.” Raast in onze tijd de vijand van de waarheid in leugenachtige geschriften tegen de rechtzinnige leraars in de Kerk? Dan gebruikt hij een heel oude list van de duivel. David klaagt immers dat hij het in zijn eigen dagen al ervoer. — Solomon Gesner.
Vers 69
“De hovaardigen hebben leugens … gestoffeerd” (Engels: gesmeed). Ze versieren hun leugens met de schijn van waarheid en mooie woorden. Ze beschikken over munthuizen om hun leugens kunstig te vormen en over persen om ze te drukken. — William Greenhill, 1591-1677.
Vers 69
“De hovaardigen.” Geloof maakt nederig, ongeloof maakt trots. Geloof maakt nederig, want het toont ons onze zonden en wat ze verdienen. Het toont ook dat we alleen via Christus als Middelaar met God te maken kunnen hebben, en dat we alleen door genade goed kunnen doen en kwaad kunnen vermijden. Weten mensen dat niet, dan denken ze groot over zichzelf en worden ze hoogmoedig. Zo zijn alle onwetenden, alle ketters en alle wereldlingen hoogmoedig. Wie zich vernedert onder Gods handen, is nederig tegenover mensen. Wie God veracht, vervolgt ook Zijn knechten. — Richard Greenham.
Vers 69
“Leugens … gestoffeerd.” Vatablus vertaalt: “concinnarunt mendacia”. Tremellius volgt hem: ze hebben leugens opgetooid. Satan kan zich als een engel van het licht voordoen. Zo kan hij ook zijn leugens met een mantel van waarheid bedekken, zodat mensen ze eerder aannemen. En het is zeker geen kleine verzoeking als de leugens over godvrezenden worden bedekt met een schaduw van waarheid. Dat gebeurt wanneer goddelozen hun onrechtvaardig gedrag verbergen onder de schijn van recht. Dan worden niet alleen de godvrezenden onrechtvaardig vervolgd. Ook eenvoudige mensen krijgen te horen dat ze het volkomen verdiend hebben. In zo’n geval moeten de godvrezenden overeind blijven op het getuigenis van een goed geweten. — William Cowper.
Vers 69
“Gestoffeerd” (Engels: gesmeed). Dit vertaalt wel de kern van het Hebreeuwse woord, maar niet het beeld dat erin zit. Dat beeld lijkt naaien te zijn, verwant aan weven, dat in het Hebreeuws en in andere talen voor dezelfde zaak wordt gebruikt. Ook ons eigen beeld “in elkaar flansen” past ernaast. Het wijst echter minder op list en vaardigheid dan op het ontbreken ervan. Het verband tussen de zinsdelen is dit: alle sluwheid en boosheid van zijn vijanden moet hem alleen maar brengen tot gehoorzaamheid aan God, met een hart dat nog ongedeelder is dan eerst. — Joseph Addison Alexander.
Vers 69
“Gestoffeerd.” Het beeld kan hetzelfde zijn als het Griekse (rhaptein dolon): naaien of in elkaar flansen. Het kan ook gaan om smeren of bepleisteren (Delitzsch, Moll enz.), zoals je een muur bepleistert zodat het echte materiaal niet meer te zien is. De psalmist blijft God trouw, hoeveel leugens de hovaardigen ook gebruiken om zijn ware trouw te besmeuren en te verbergen. — “The Speaker’s Commentary.”
Vers 69
“Leugens.” Satan worstelt met twee armen tegen de godvrezenden: geweld en leugens. Waar hij geen geweld kan of durft te gebruiken, zul je hem zeker met leugens zien vechten. Juist hier laat de Heere in hoge mate Zijn zorgende voorzienigheid zien. Hij zet een hek om Zijn kinderen, tegen de boosheid van Satan en tegen de trotse grootspraak van zijn werktuigen. Zo gebeurt het dat zelfs hun hoogmoedigste harten zich tot leugens moeten beperken. Hun boosheid is zó groot dat ze kwaad móéten doen, en toch is hun macht zó beteugeld dat ze niet alles kunnen uitvoeren wat ze willen. — William Cowper.
Vers 69
“Ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.” Laat het woord van de Heere dus komen, laat het maar komen! Hadden we zeshonderd nekken, dan bogen we ze alle onder Zijn bevelen. — Augustinus.
Wenken voor predikers
Vers 69
Oprechte gehoorzaamheid is de beste troost wanneer je wordt belasterd. Ze is het beste antwoord, en de beste manier om de lasteraars te winnen voor God.
Uitleg
Vers 70
“Hun hart is vet als smeer.” Zij hebben plezier in vettigheid, ik heb plezier in U. Door zich over te geven aan hun zinnen zijn hun harten ongevoelig, grof en kruipend geworden. David bedoelt: “Door Uw tuchtigende hand hebt U mij voor zo’n lot behoed.” Hoogmoedige mensen groeien vet van vleselijke weelde, en daar worden ze nog hoogmoediger van. In hun voorspoed vieren ze feest en ze vullen er hun hart mee, tot ze ongevoelig, slap en zelfzuchtig zijn geworden. Een smerig, vet hart is iets afschuwelijks. Het is een vet dat een mens dwaas maakt: een vette aantasting van het hart, die tot zwakte en dood voert.
Het vet dat zulke mensen opslaan, doodt het leven in hen. Dryden schreef: “O zielen, in wie nooit hemels vuur werd gevonden, vette geesten, kruipend over de grond, aan de aarde gebonden.”
Zo iemand heeft nergens meer hart voor, behalve voor weelde. Zijn hele bestaan lijkt te drijven en te sudderen in het vet van de keuken en de kroeg. Hij leeft van het vet van het land en zijn natuur raakt overheerst door wat hij heeft gegeten. De spier van zijn natuur is slap en vettig geworden.
“Maar ik heb vermaak in Uw wet.” Blij zijn met de wet van de Heere is zoveel beter dan genieten van wat de zinnen prikkelt! Zo’n blijdschap houdt het hart gezond en het gemoed nederig. Wie heiligheid liefheeft, heeft nauwelijks reden om jaloers te zijn op de voorspoed van een wereldling. Genot in de wet tilt je op en maakt je edel. Vleselijk genot doet het tegenovergestelde: het verstopt het verstand en drukt onze verlangens omlaag. Tussen een gelovige en een zinnelijk mens is altijd een scherp verschil, en dat hoort ook zo te zijn.
Je ziet dat verschil in wat het hart wil, net zo goed als in wat het leven doet. Hun hart is vet als smeer, ons hart heeft vermaak in de wet van de Heere. Waar we blij van worden, laat méér van ons karakter zien dan wat dan ook. Zoals het hart van een mens, zo is de mens. David hield de raderen van zijn leven niet soepel met het vet van de zinnelijkheid, maar met zijn vermaak in Gods wet. Ook hij had zijn lekkernijen en delicatessen, zijn feesten en genoegens. Hij vond ze allemaal terug in het doen van de wil van de Heere, zijn God.
Is de wet eenmaal een vermaak geworden, dan is gehoorzamen zalig. Heiligheid in het hart laat de ziel eten van het vette van het land. Maken we de wet tot ons vermaak, dan werkt dat in ons hart precies omgekeerd als hoogmoed. Doodsheid, zinnelijkheid en halsstarrigheid genezen, en wij worden leerzaam, gevoelig en geestelijk. Laten we daarom heel nauwkeurig zijn in ons leven onder de invloed van Gods wet! Dan komen we niet onder de wet van zonde en dood te vallen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 70
“Hun hart is vet als smeer.” Het woord tafash staat nergens anders in de Schrift. In het Chaldeeuws betekent het: vet maken of vet doen worden. Het betekent ook: dom en stompzinnig maken, omdat vette mensen dat vaak zijn … Zo worden de hovaardigen van het vorige vers neergezet als mensen die onwrikbaar op het kwade gericht zijn. Ze voelen namelijk bijna niets meer. Dat zie je bij varkens. Steek je een varken met een els door de huid, dan merkt het dat maar traag, zolang de els alleen in het vet zit. Pas wanneer de punt het vlees raakt, voelt het die.
Zo is het ook met de hovaardigen, wier grote voorspoed elders met vettigheid wordt vergeleken: hun hart is helemaal ongevoelig. Al die vleselijke overvloed maakt het ongevoelig voor de strenge terechtwijzingen van het goddelijke woord, en ook voor de heilige geneugten en genoegens ervan. Sterker nog: het deugt helemaal niet voor goede aandriften. Zo zie je het ook elders bij vette dieren: hoe traag ze zijn en hoe weinig geschikt om te werken. Dieren die zo’n vettigheid niet belemmert, zijn daarentegen vlug en snel. — Martin Geier.
Vers 70
“Hun hart is vet als smeer.” Daardoor worden ze: 1. Zinloos en zorgeloos: ze zijn gevoelloos geworden. Zo wordt de uitdrukking gebruikt in Jes. 6:10: “Maak het hart dezes volks vet.” Ze voelen niets bij het onderwijs van Gods woord, en niets bij Zijn roede.
- Zinnelijk en wellustig: “Hun ogen puilen uit van vet” (Ps. 73:7). Ze baden zich in de genoegens van hun zintuigen en vinden dat het hoogste goed. Wel bekome het hun! Ruilen wil ik niet met hen: “Ik heb vermaak in Uw wet.” — Matthew Henry.
Vers 70
“Hun hart is vet als smeer, maar ik heb vermaak in Uw wet.” Het klinkt als: mijn hart is een mager, hongerig hart. Mijn ziel houdt van Uw woord en vindt er vreugde in. Ik heb niets anders waarmee ik het kan vullen dan Uw woord en de troost die ik daaruit put. Hun harten zijn juist vol en vet, van de wereld en van hun lusten. Zij haten het woord. Wie een volle maag heeft, krijgt een afkeer van eten en kan het niet meer verteren. Zo hebben goddelozen een afkeer van het woord. Het komt er bij hen niet in en geeft hun lusten niet wat ze willen. — William Fenner.
Ik wilde graag weten wat een vet hart in medische zin betekent. Daarom ging ik naar een vooraanstaand man, die bekendstaat als voormalig voorzitter van het College of Physicians. Zijn antwoord laat zien dat de bijbeltekst meer beeldspraak is dan letterlijk bedoeld. Hij schreef mij vriendelijk het volgende: —
Wat men “het vette hart” noemt, komt in twee vormen voor. In de eerste vorm zit er veel te veel vetweefsel aan de buitenkant van het orgaan, vooral rond de basis. Je ziet dat in alle gevallen waarin het hele dier te vet is, zoals bij vee dat voor de slacht wordt vetgemest. Het hart hoeft daardoor niet slechter te werken, en medisch gezien is het misschien niet erg belangrijk. De tweede vorm is een veel ernstiger toestand. Daar wordt de spier van het hart zelf aangetast, en juist daar hangt zijn taak als centrale pomp van af.
De samentrekkende vezels van de spier veranderen in weefsel dat geen enkele eigenschap van gewone spiervezels heeft. Onder de microscoop zie je daarin makkelijk een aantal vette oliebolletjes. Is de aandoening enigszins uitgebreid, dan gaat het hart zwak en onregelmatig kloppen. Het is zeer gevaarlijk en leidt niet zelden tot een plotselinge dood. Het komt voor bij een lichaam dat over het geheel ongezond is, en het wijst op slechte voeding in het algemeen. De oorzaak is een lui en weelderig leven, of in elk geval het verwaarlozen van beweging en van de leefregels die voor gezonde voeding onmisbaar zijn.
Toch kun je niet beweren dat het niet samengaat met geestelijke kracht, en met domheid hoeft het zeker niet samen te gaan. Maar bij deze ziekte is het hart letterlijk “smerig”, en je kunt het terecht “vet als smeer” noemen.
Dat was het over fysiologie en pathologie. Mag ik het wagen me te begeven op het heilige terrein van de bijbeluitleg, zonder voor dwaas te worden versleten? Zet de psalmist niet de mensen die een dierlijk, zelfzuchtig en zondig leven leiden, waardoor lichaam en geest niet meer geschikt zijn voor hun eigenlijke bestemming, tegenover mensen die kunnen lopen op de weg van Gods geboden, mensen die er plezier in hebben Zijn wil te doen en over Zijn bevelen na te denken? Luiheid, vettigheid en domheid staan dan tegenover werklust, stevige spieren en geestelijke kracht. Lichaam staat tegenover geest. De mens die een dier is geworden, tegenover de mens die het beeld van God bewaart. — Sir James Risdon Bennett, 1881.
Wenken voor predikers
Vers 70
- Het hart dat vettig is ontaard.
- Het hart dat van de grond af opnieuw geboren wordt.
Vers 70
Een hart dat vet is geworden.
- Vaststellen wat de ziekte is.
- Waaraan je haar herkent: hoogmoed, geen vermaak in God en in Zijn wet, afkeer van Zijn volk, en de bereidheid om te liegen (Ps. 119:69).
- Hoe fataal ze is.
- De enige genezing: Ps. 51:12; Ezech. 36:26. — C.A.D.
Vers 71
- David wist wat voor hem goed was.
- David leerde wat in wezen goed is. Actieve gehoorzaamheid leer je door lijdelijke gehoorzaamheid.
Vers 71
Verdrukking als leermeester.
- Nooit welkom geheten: “Ben geweest.”
- Vaak met ongeduld gedragen.
- Altijd dankbaar herdacht: “Het is mij goed” enz.
- Werkzaam bij een weerspannige leerling: “Opdat ik Uw inzettingen leerde.”
- Onmisbaar in de opvoeding van ieder mens. — J.F.
Vers 71
De school van de verdrukking.
- De onwillige leerling wordt naar school gestuurd.
- De harde les die de leerling krijgt.
- Het gezegende leren van de leerling.
- Het zoete overpeinzen van de leerling. — C.A.D.
Uitleg
Vers 71
“Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” Slechte mensen veroorzaakten de verdrukking, maar ze werd tot goede doelen omgebogen. Voor zover ze hún werk was, was ze slecht. Voor David was ze goed. Ze deed hem op meer dan één manier goed, en dat besefte hij. Hoe hij ook over de beproeving gedacht mag hebben terwijl hij erin zat, toen ze voorbij was zag hij dat ze hem verbeterd had. Voorspoed was niet goed voor de hovaardigen, want hun harten werden daardoor zinnelijk en ongevoelig. Maar verdrukking was goed voor de psalmist.
Wat voor ons het slechtste is, is beter dan het beste van de zondaar. Zondaren schaadt blijdschap, heiligen doet verdriet goed. Pijn en smart hebben ons duizend weldaden gebracht, en één daarvan is deze: we kregen er onderwijs in de wet door. “Opdat ik Uw inzettingen leerde.” Die zijn we gaan kennen en bewaren doordat we de pijn van de roede voelden. Eerder vroegen we de Heere ons te leren (Ps. 119:66), en nu zien we dat Hij dat al heeft gedaan. Waarachtig, Hij heeft goed met ons gedaan, want Hij is wijs met ons omgegaan.
Dankzij onze beproevingen zijn we gespaard gebleven voor de onwetendheid van mensen met een vet hart. Alleen daarom al hebben we reden om voortdurend dankbaar te zijn, ook als er verder niets was. Voor de hovaardigen is het niet goed om door voorspoed vet te worden. Maar voor de nederigen is het wél goed om in tegenspoed de waarheid te leren. Zonder verdrukking is er bar weinig te leren. Willen we geleerd worden, dan moeten we lijden. De Latijnen zeggen het zo: “Experientia docet”, ervaring leert. Er is geen koninklijke weg om de koninklijke inzettingen te leren. Gods geboden lees je het best met ogen die nat zijn van tranen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 71
“Het is mij goed enz.” Mijn ziekte maakt mij beter, mijn armoede maakt mij rijker en mijn zwakheid sterker. Ik bid met Bernardus: “Irascaris mihi, Domine”: Heere, wees toornig op mij. “Want als U mij niet straft, hebt U geen zorg voor mij. Als ik geen bitterheid proef, heb ik geen geneesmiddel. Als U mij niet tuchtigt, ben ik Uw zoon niet.” Zo ging het ook Manasse, de achterkleinzoon van David, toen hij in nood zat: “… bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan.” De ijzers van die koning waren hem zelfs kostbaarder dan zijn goud.
Zijn gevangenis was een gelukkiger woonplaats dan zijn paleis, en Babylon een betere school dan Jeruzalem. Wat zijn we dwaas dat we onze verdrukkingen met een zure blik aankijken! Hoe nors ze er ook uitzien, ze zijn onze beste vrienden. Ze zijn er niet om ons te plezieren, maar om ons te helpen. Door wat ze opleveren, verdienen ze een welkom. Wat maakt het uit hoe bitter het drankje smaakt als het gezondheid brengt? — Abraham Wright.
Vers 71
“Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” Heiligen halen veel winst uit verdrukking, want in zo’n tijd is “godzaligheid”, die “een groot gewin” is en “tot alle dingen nut”, krachtiger dan voorheen. Door een wonder van genade loopt de roede van de tuchtiging uit en bloeit ze, net als die van Aäron. Ze draagt de beste vruchten van gerechtigheid. Het is echt een zeldzaam gezicht: iemand die uit een ziekbed of uit een andere oven van verdrukking tevoorschijn komt. Hij lijkt dan meer op de engelen in reinheid. Hij lijkt meer op Christus, Die heilig was, onnozel, onbevlekt en afgescheiden van de zondaren.
Hij lijkt meer op God Zelf, want hij is in al zijn wegen nauwgezetter rechtvaardig en leeft in heel zijn wandel meer als voorbeeld van heiligheid. — Nathanael Vincent, 1697.
Vers 71
“Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” Heb ik vandaag geen kruis te dragen, dan schiet ik niet op naar de hemel. Een kruis (alles wat onze vrede verstoort) is de spoorslag die ons voortjaagt. Zonder kruis zouden we hoogstwaarschijnlijk blijven staan en, verblind door lege ijdelheid, steeds dieper in de zonde wegzakken. Een kruis duwt ons vooruit, hoe onverschillig en dwars we ook zijn.
Languit op een bed van donsveren liggen lijkt misschien heerlijk zoet. Maar aangenaam gemak en rust zijn niet wat een christen is toebedeeld. Wil hij hoger en hoger komen, dan moet dat via een ruwe weg. Wee wie geen dagelijks kruis heeft! Wee wie erover mort en mokt! — Uit “Gold Dust”, 1880.
Vers 71
“Het is mij goed enz.” Er zijn dingen die goed zijn zonder prettig te wezen, zoals verdriet en verdrukking. Zonde voelt prettig maar levert niets op. Verdriet doet pijn maar levert wél iets op. Water is het zuiverst wanneer het in beweging is, en niet als het stilstaat. Zo zijn ook heiligen meestal het heiligst als ze verdrukt worden. Sommige christenen doen denken aan kinderen die hun boeken alleen leren zolang de roede op hun rug zit. Het is algemeen bekend dat de Heere Zijn zoetste lessen juist heeft bezegeld met de zwaarste verdrukking.
Veel mensen worden er niet beter van als ze oordelen zien die anderen treffen. Maar zodra ze die oordelen aan den lijve hebben gevoeld, gebeurt dat wel. Het zuiverste goud is het buigzaamst: het geeft het gemakkelijkst mee. En het beste zwaard is het zwaard dat soepel buigt zonder krom te blijven. — William Secker, 1660.
Vers 71
“Het is mij goed enz.” Godsvrucht kan op wonderlijke wijze alles omzetten in troost en blijdschap. Voor een vrome mens bestaat feitelijk geen enkele toestand die slecht of treurig is. Zijn verdriet is zelfs zoet. Zijn zwakheden doen hem goed. Wat hij tekortkomt, maakt hem rijk. Wat hem te schande maakt, siert hem. Wat hem drukt, verlicht hem. Zijn plichten zijn voorrechten en zijn val wordt de grond waarop hij vooruitkomt. Ja, zelfs zijn zonden komen hem ten goede en winnen hem iets, omdat ze berouw, nederigheid, behoedzaamheid en waakzaamheid in hem voortbrengen. Goddeloosheid werkt andersom. Zij ruïneert elke situatie, bederft en vernedert alles wat goed is, en maakt alle gemak en alle troost van het leven bitter. — Isaac Barrow, 1630-1677.
Vers 71
“Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” In het bijzonder boeiende boek dat mejuffrouw E.J. Whately schreef over het leven van haar vader, de beroemde aartsbisschop van Dublin, staat een feit dat dr. Whately zelf vertelde. Het gaat om de komst van de lariksboom naar Engeland. Toen de eerste planten arriveerden, hoorde de tuinman dat ze uit Zuid-Europa kwamen. Hij nam dus aan dat ze warmte nodig hadden. Dat ze ook vlak bij de sneeuwgrens groeien, vergat hij. Hij zette ze in een broeikas. Elke dag verschrompelden ze verder, tot de tuinman het vol walging opgaf en ze op de mesthoop buiten smeet. Daar kwamen ze weer tot leven, schoten ze uit en werden ze uiteindelijk bomen. Ze hadden kou nodig.
Zo redt de grote Hovenier Zijn planten vaak door ze juist de kou in te sturen. Als Gods lariksen willen groeien, is de bijtende vorst van beproeving en verdrukking dikwijls onmisbaar. Onder zo’n tucht komen nieuwe gedachten en gevoelens op. Het hart sterft verder af voor de wereld en voor het eigen ik. Uit de nacht van verdriet breekt de ochtend van vreugde aan. De winter kondigt de lente aan. Uit de kruisiging van de oude mens komt de opstanding van de nieuwe voort, net zoals in de natuur het leven een kind van de dood is.
“De nacht is de moeder van de dag,
de winter die van de lente,
en uit oud verval ontspruiten altijd
de groenste mossen.” — James Wareing Bardsley, in “Illustrated Texts and Texts Illustrated”, 1876.
Vers 71
“Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” Een opmerkelijk feit: de schitterendste kleuren in de plantenwereld zie je op de hoogste bergen, op de plekken die het meest aan het wildste weer zijn blootgesteld. Helemaal boven op de kale, door storm kaalgeschoren top groeien de helderste korstmossen en mossen en de mooiste juweeltjes van wilde bloemen in overvloed. Een van de rijkste kleurenspelen die ik ooit zag, was vlak bij de top van de Chenebettaz. Dat is een berg van zo’n 10.000 voet, direct boven het grote hospitium van Sint-Bernhard. Een groot rotsvlak was helemaal bedekt met een fel gele korstmos. In de zon glom het als de gouden kantelen van een betoverd kasteel.
Daar in die hoge streek, midden in de grimmigste verlatenheid en overgeleverd aan de felste storm van de hemel, liet deze korstmos een pracht van kleur zien die hij in de beschutte vallei nooit vertoont. Terwijl ik dit schrijf, heb ik twee exemplaren van dezelfde korstmos voor mij liggen. Het ene komt van de grote Sint-Bernhard, het andere van de muur van een Schots kasteel dat diep tussen esdoorns verscholen ligt. Wat vorm en kleur betreft, is het verschil tussen beide enorm. Het exemplaar dat tussen de wilde stormen van de bergtop is opgegroeid, heeft een heerlijke sleutelbloemgele kleur, een gladde structuur en een gave omtrek. Het exemplaar uit de zachte lucht en de fijne buien van het dal is dof en roestkleurig, schilferig van structuur en met een gebroken omtrek.
Is het niet precies zo met de christen die verdrukt wordt, door de storm heen en weer geslingerd en zonder troost? Zolang de stormen en de wisselvalligheden van Gods voorzienigheid niet telkens opnieuw tegen hem aan beuken, zie je zijn karakter nog bedorven en beneveld door zelfzuchtige en wereldse invloeden. Maar de beproevingen halen die sluier weg, maken de lijnen van zijn aard volmaakt en geven zijn godsvrucht glans en zegen.
“In heel de lijst van mijn ontelbare zegeningen
staat dit vooraan: dat mijn hart heeft gebloed.
Voor alles loof ik U, maar het meest voor wat hard was.” — Hugh Macmillan.
Vers 71
“Opdat ik Uw inzettingen leerde.” Hij bedoelt niet het leren dat je krijgt door Gods woord te horen of te lezen. Hij bedoelt wat hij door ervaring had geleerd. In moeilijke tijden had hij de waarheid en troost van Gods woord krachtiger en levendiger gevoeld dan hij ooit zonder moeite had kunnen voelen. Daardoor was hij ook vromer, wijzer en godsdienstiger geworden, toen de moeite voorbij was. — William Cowper.
Vers 71
“Opdat ik … leerde.” “Ik zou nooit hebben geweten”, zei Maarten Luthers vrouw, “wat die en die dingen in die en die psalmen betekenen, wat zulke klachten en roerselen van de geest zijn. Ik zou het beoefenen van christelijke plichten nooit hebben begrepen, als God mij niet in enige verdrukking had gebracht.” Het is zeer waar: Gods roede is als de aanwijsstok van de schoolmeester bij een kind. Die wijst de letter aan, zodat het kind haar beter opmerkt en onthoudt. Zo wijst Hij ons ook veel goede lessen aan, die we anders nooit zouden hebben geleerd. — Uit John Spencers “Things New and Old”, 1658.
Vers 71
“Opdat ik … leerde.” Voorspoed maakt mensen blind, tegenspoed opent hun ogen. Denk aan de zalf die een oogziekte moet genezen. Eerst bijt en prikt ze zodat de ogen gaan tranen, maar daarna ziet men helderder dan voorheen. Zo kwelt moeite mensen eerst vreselijk, maar verlicht ze daarna de ogen van hun verstand. Ze worden dan redelijker, wijzer en behoedzamer, want uit moeite groeit ervaring en uit ervaring wijsheid. — Otho Wermullerus, 1551.
Vers 71
“Uw inzettingen leerde.” De christen mag God danken dat het leven niet is gegaan zoals hij het zelf wilde.
Toen er een waas van tranen in zijn ogen stond, las hij in Gods woord en ontdekte hij schitterende dingen. Toen Jona uit de diepten van de zee omhoogkwam, bleek hij Gods inzettingen te hebben geleerd. Hij kon niet te diep gaan om die kennis te krijgen. Niets hield hem nu nog tegen om naar Ninevé te trekken. Het was alsof hij uit de diepte een leger van twaalf legioenen met de gevaarlijkste troepen had meegebracht. Gods woord, door het geloof vastgegrepen, was dat alles voor hem, en nog veel meer. Toch had hij nog meer verdrukking nodig, want sommige inzettingen kende hij nog niet.
Enkele wonderbomen moesten nog verdorren. Hij moest nog afdalen in een diepere vallei van vernedering. Misschien leert zelfs de diepste verdrukking ons niet alles. Dat is een vergissing die we soms maken. Maar waarom zouden we God dwingen ons zo hard aan te pakken? Waarom gaan we niet gewoon aan de voeten van Jezus zitten, om rustig te leren wat we moeten leren? — George Bowen, in “Daily Meditations”, 1873.
Vers 71
“Inzettingen.” Het werkwoord waar dit woord van komt, betekent graveren of inschrijven. Het woord staat voor een vaste, voorgeschreven, geschreven wet. Het wordt gebruikt voor Jozefs wet over het deel van de priesters in Egypte, voor de wet op het pascha enzovoort. In deze psalm heeft het echter een meer innerlijke betekenis. Het is Gods zedelijke wet die gegraveerd staat op de vlezen tafelen van het hart. Het is het diepste, geestelijke begrijpen van Zijn wil, dus wat er ten diepste achter Zijn wil zit. Het ligt minder voor de hand dan de wet en de getuigenissen en komt meer rechtstreeks door geestelijke mededeling dan Zijn bevelen.
Die bevelen worden meer uitgewerkt door de inspanning van het verstand zelf, dat weliswaar door God wordt geleid, maar wellicht meer als werktuig wordt gebruikt en minder lijdzaam. Over de inzettingen wordt voortdurend gesproken als dingen die nog geleerd moeten worden, geheel of gedeeltelijk, en die dus niet al van buitenaf begrepen zijn, zoals Gods wet … Je leert ze niet plotseling, maar door ervaring en door beproevingen die God in Zijn barmhartigheid heeft voorbestemd. Het zijn dus lessen die diep in het hart gegraveerd staan, en daar blijven ze ook. “Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.” “Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.” — John Jebb.
Uitleg
Vers 72
“De wet Uws monds.” Wat een zoete, veelzeggende naam voor Gods woord! Het komt met frisheid en kracht uit Gods eigen mond naar onze ziel. Wat alleen opgeschreven staat, is als gedroogde kruiden, maar gesproken taal heeft levendigheid en dauw. We doen er goed aan Gods woord te zien alsof het zojuist in ons oor is gefluisterd. Want in werkelijkheid is het door de jaren niet vervaagd. Het is even krachtig en betrouwbaar als de dag waarop het werd uitgesproken. Voorschriften krijgen waarde zodra we zien dat ze van de lippen van onze Vader in de hemelen komen.
Dezelfde lippen die ons tot bestaan hebben gesproken, spraken ook de wet waarmee we dat bestaan moeten sturen. Waar zou een wet zo lieflijk vandaan kunnen komen als uit de mond van onze verbondsGod? Met recht waarderen we boven alle prijs wat uit zo’n bron komt.
“Is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.” Zei een arme man dit, dan haalden de wijsneuzen van de wereld hun schouders op: zure druiven, wie niets heeft, kijkt als eerste op rijkdom neer. Maar hier spreekt iemand die zijn duizenden gewoon bezat. Hij wist uit ervaring wat geld waard is en wat de waarheid waard is. Hij heeft het over enorme rijkdom, hij telt hem in duizenden, hij noemt zelfs de vormen waarin die voorkomt: “goud of zilver”. Daarna zet hij Gods woord er ver boven, als iets wat voor hém beter is, ook als een ander dat voor zichzelf niet zo ziet.
Rijkdom is soms goed, gehoorzaamheid is altijd beter. De schatten van dit leven bewaren is verstandig. De wet van de Heere bewaren is veel prijzenswaardiger. De wet is beter dan goud en zilver. Goud en zilver kunnen gestolen worden, het woord niet. Goud en zilver krijgen vleugels, Gods woord blijft. Goud en zilver baten niet in het uur van de dood, maar juist dan is de belofte het kostbaarst. Christenen die goed onderwezen zijn, weten wat Gods woord waard is, en ze zeggen dat ook met warmte. Dat doen ze niet alleen tegenover andere mensen, maar ook als ze tot God bidden.
Een hart dat Gods inzettingen hoger waardeert dan elk aards bezit, heeft ze zeker geleerd. En het is een even zeker teken van genade als de voorschriften van de Schrift ons net zo dierbaar zijn als haar beloften. Moge de Heere ons genadig zó leren denken over de wet van Zijn mond. Merk op hoe dit deel van de psalm naar goedheid ruikt. Gods handelen is goed (Ps. 119:65), heilig oordeel is goed (Ps. 119:66), verdrukking is goed (Ps. 119:67), God is goed (Ps. 119:68), en hier is Zijn wet niet alleen goed maar beter dan de beste schat. Heere, maak ons goed door Uw goede woord. Amen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 72
“De wet Uws monds is mij beter enz.” Waardeer de Schrift ten zeerste en heb haar in hoge eer. Hoe zou iemand ooit een vak goed leren als hij het niet belangrijk vindt en er op neerkijkt? Stel dit boek van God boven alle andere boeken. Sint Gregorius noemt de Bijbel “het hart en de ziel van God”. Volgens de rabbijnen hangt aan elk streepje en puntje van de Schrift een berg van betekenis. “De wet des HEEREN is volmaakt” (Ps. 19:8). De Schrift is de bibliotheek van de Heilige Geest. Alles wat we van God kunnen weten, staat erin bijeengebracht, en ze geeft ons het nauwkeurige model en het bouwplan van de godsdienst.
De Schrift bevat de credenda, “wat we moeten geloven”, en de agenda, “wat we moeten doen”. Ze kan “u wijs … maken tot zaligheid” (2 Tim. 3:15). Ze is de maatstaf van de waarheid en beslecht elke twist als rechter. Ze is de poolster die ons naar de hemel wijst (Jes. 8:20). “Het gebod is een lamp” (Spr. 6:23). Ze is het kompas waarmee we het roer van onze wil moeten besturen. Ze is het veld waarin Christus, de Parel van grote waarde, ligt verborgen. Ze is een rots vol diamanten. Ze is een heilig collyrium, een oogzalf: wie erin kijkt, gaat beter zien.
Ze is een geestelijke kijker waarin Gods heerlijkheid schittert. Ze is de panacee, het ene geneesmiddel dat voor alles helpt wat de hele ziel mankeert. De bladzijden van de Schrift zijn als “de bladeren des booms … tot genezing der heidenen” (Openb. 22:2). De Schrift laat genade ontstaan en voedt haar daarna. Waardoor wordt een bekeerling anders geboren dan door “het Woord der waarheid” (Jak. 1:18)? En waardoor groeit hij anders dan door “de redelijke onvervalste melk” van het woord (1 Petr. 2:2)? Het geschreven woord is het boek waar onze bewijzen voor de hemel uit komen.
Het is het baken dat ons de klippen van de zonde laat zien, zodat we ze vermijden. Het is het tegengif tegen dwaling en tegen het afvallen van de waarheid, het tweesnijdende zwaard dat de oude slang verwondt. Het is onze vesting, waarachter we standhouden tegen de kracht van de begeerte, net als het Capitool in Rome een sterke plek vol wapens en voorraad was. De Schrift is “Davids toren”, waar de schilden van ons geloof aan hangen (Hoogl. 4:4). “Haal het woord weg, en u berooft ons van de zon”, zei Luther.
Het geschreven woord gaat boven een gezantschap van engelen of een stem uit de hemel. “… deze stem hebben wij gehoord … En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is” (2 Petr. 1:18-19). O, heb het geschreven woord hoog! Wie waardeert, wint. Caesar hechtte zoveel waarde aan zijn aantekeningen dat hij zijn purperen mantel kwijtraakte om ze te redden. Hoeveel hoger moeten wij dan Gods heilige woorden schatten? “De redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd” (Engels: meer geacht dan mijn nodige spijs). — Thomas Watson, in “The Morning Exercises”.
Vers 72
“De wet Uws monds is mij beter.” De heilige Schriften zijn de schatten en het genot van een ziel waar genade in woont.
Voor David waren ze beter dan duizenden van goud en zilver. Zelfs een berg van doorzichtige parels, opgetast tot aan de hemel, is niet zo rijk als zij. Daarom koos die goede man ze voor altijd als zijn erfdeel en verheugde hij zich erin als in alle rijkdommen samen. Geen gierigaard geniet zo van zijn geldzakken, en geen jonge erfgenaam zo van zijn grote erfenis, als de heilige David genoot van het woord van zijn God.
Het woord “wet” gaat terug op een stam die “beproeven” betekent, zoals kooplieden doen. Zij onderzoeken en keuren de goederen die ze kopen en opslaan. Van dezelfde stam komt het woord voor edelstenen en juwelen die zijn getest en echt zijn gebleken. De gezonde christen is de wijze koopman op zoek naar mooie parels. Wat hij leest of hoort, houdt hij tegen de maatstaf, de toetssteen van de Schrift. Heeft hij echte waarheden gevonden, dan legt hij ze op voorraad, tot grote verrijking van dit hoogste en soevereine vermogen van zijn verstand. — Oliver Heywood.
Vers 72
Gods woord moet voor ons dichterbij staan dan onze vrienden, ons dierbaarder zijn dan ons leven, zoeter dan onze vrijheid en heerlijker dan elke aardse troost die we kennen. — John Mason.
Vers 72
Wat verdrukking, als ze geheiligd wordt, ons onder andere leert, is liefde voor Gods woord. “Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” Aan mejuffrouw Westbrook, die op sterven lag, werd een stuk uit de honderdnegentiende psalm voorgelezen. Ze zei: “Stop maar, meneer. Zoveel heb ik nog nooit tegen u gezegd. Dat kon ik nooit. Maar nu kan ik zeggen: ‘De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.’ Wat kunnen goud en zilver nu nog voor mij betekenen?” — George Redford, in “Memoirs of the late Rev. John Cooke”, 1828.
Vers 72
“Duizenden van goud of zilver.” Aardse rijkdom verdien je met zwoegen, bewaar je met zorg en verlies je met pijn. Het zijn valse vrienden, want precies wanneer we troost het hardst nodig hebben, zijn ze het verst bij ons vandaan. Alle wereldlingen zullen dat in het uur van hun dood ervaren. Dan wordt hun troost hun afgenomen, net zoals Jona’s wonderboom hem op een ochtend werd afgenomen, juist toen hij hem het meest nodig had tegen de zon. Heel anders is Gods woord. Zetten we het in ons hart vast, zoals Maria deed, dan blijft de troost ervan ons dragen als alle andere troost ons begeeft.
Zo worden we rijk voor God, namelijk wanneer onze zielen voorraadschuren zijn, volgestopt met de schatten van Zijn woord. Is het armoede als je weinig goud en zilver hebt? “An ideo angelus pauper est, quia non habet jumenta” enz. (Chrysostomus). Zijn engelen arm, omdat ze geen kudden vee bezitten? Was Petrus arm, omdat hij de kreupele geen goud of zilver kon geven? Nee, hij bezat een voorraad genade die oneindig veel meer waard was. Laat de rijkdom van goud maar aan de wereldlingen. In Kanaän is hij geen betaalmiddel en in ons hemelse vaderland telt hij niet mee. Willen we daar aanzien hebben, dan moeten we onze zielen verrijken met geestelijke genaden. Daar hebben we een overvloed van in de mijnen en schatkamers van Gods woord. — William Cowper.
Vers 72
De Schrift is een bron die altijd overloopt en nooit leeg te scheppen is. Ze is een schat die nooit opraakt. Daarop zijn de beelden van de wet gericht die David in deze psalm gebruikt, en ze passen evenzeer bij het evangelie. Het is beter dan niet alleen “goud of zilver”, die kostbaar zijn, maar zelfs dan “duizenden”, en dat spreekt van overvloed. In een ander vers zet hij het naast alle rijkdommen en een grote buit. Beide omvatten multiplex genus: allerlei waardevolle goederen, zoals schapen, ossen, land, huizen, kleding, bezit, geld en meer van dat.
Zo valt er in het evangelie allerlei geestelijke rijkdom te halen, ja, van elke soort volop en in overvloed. Daarom vergelijken de Griekse kerkvaders de waarheden van de Schrift met edelstenen en onze Zaligmaker met een parel van grote waarde. Een dienaar van het Woord wordt in dat opzicht een koopman in onschatbare juwelen genoemd, want de waarheden van het evangelie zijn uitgelezen en voortreffelijk. Ze zijn zoveel waard als onze zielen, als de hemel, als de zaligheid. Ga ik nog hoger, dan zijn ze zoveel waard als de rijkdom van Gods genade en het dierbare bloed van Christus.
Dat laatste kun je ook op het evangelie toepassen, omdat het ons beide laat zien en aanbiedt. — Abraham Wright.
Verzen 72, 127
David zag hoe sommigen Gods wet krachteloos maken. Daarom zei hij: “Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.” Alsof hij zegt: ik heb Uw wet juist zoveel liever, omdat sommigen haar als afval behandelen. Ze gooien haar weg als iets wat krachteloos en verouderd is, zonder nog enige waarde. Of ze durven haar als het ware in te trekken en ongeldig te verklaren, zodat hun eigen lusten en ijdele inbeeldingen haar plaats kunnen innemen. Nu ik zie dat zowel goddeloze als bijgelovige mensen niets van Uw wet willen weten, brandt mijn liefde ervoor des te feller.
“Ik heb Uw geboden lief, meer dan goud”, waar de meeste mensen in hun liefde ervoor als gevangenen achteraan lopen. En ik acht haar méér dan wat mensen het meest achten en wat hun in deze wereld de meeste eer oplevert: “het fijnste goud”. Ja, zoals hij zei (Ps. 19:11): “begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud.” — Joseph Caryl.
Vers 72
U die heren bent, bedenk wat Hiëronymus vertelt over Nepotianus, een jonge edelman uit Rome: “qui longa et assidua meditatione Scripturarum pectus suum fecerat bibliothecam Christi”. Door lang en onafgebroken over de Schriften na te denken, maakte hij van zijn borst de bibliotheek van Christus.
Denk aan wat er over koning Alfonsus wordt verteld: dat hij de Bijbel veertien keer doorlas, samen met alle commentaren die zijn tijd te bieden had.
U die geleerd bent, denk aan Cranmer en Ridley. Cranmer leerde het Nieuwe Testament uit zijn hoofd onderweg naar Rome, Ridley tijdens zijn wandelingen over het terrein van Pembroke Hall in Cambridge. Denk aan wat er over Thomas a Kempis wordt gezegd: dat hij nergens rust vond “nisi in angulo cum libello”, tenzij in een hoekje met dit Boek in zijn hand. En aan wat men over Beza zegt: dat hij op zijn tachtigste en ouder elk Grieks hoofdstuk uit de brieven van Paulus feilloos uit zijn hoofd kon opzeggen. U die vrouwen bent, bedenk wat Hiëronymus zegt over Paula, Eustochium en andere dames die uitzonderlijk goed thuis waren in de Heilige Schriften.
Iedereen moet die overdreven uitspraak van Luther goed overdenken: dat hij zonder het Woord niet in het paradijs zou willen wonen, en met het Woord best in de hel zou kunnen leven. Deze uitspraak van Luther moet “cum grano salis” worden opgevat. — Edmund Calamy.
Wenken voor predikers
Vers 72
Wat rijkdom oplevert, wordt ver overtroffen door wat Gods woord ons als zegen geeft.
Vers 72
Een schatting van waarde.
- Hoe hoog de heiligen Gods wet schatten.
- Laat zien wanneer die schatting ontstond: in verdrukking, Ps. 119:71.
- Verdedig dat ze waar is, door te laten zien hoe hol rijkdom is en hoe bevredigend godzaligheid. — C.A.D.
Vers 72
Het woord is beter dan goud en zilver.
- Het geeft wat je met goud en zilver niet kunt kopen.
- Zonder wat het woord geeft, kunnen goud en zilver een vloek zijn.
- Zonder goud en zilver deelt het woord zijn schat vrijer en rijker uit dan mét goud en zilver.
- Het woord en wat het geeft blijven het hart verblijden, ook op de dag dat goud en zilver voor hun teleurgestelde aanbidders waardeloos blijken te zijn. — J.F.
Vers 72
“De wet Uws monds is mij beter enz.”
- Ze zuivert meer en maakt mij een beter mens.
- Ze verrijkt meer en maakt mij een rijker mens.
- Ze doet méér onderscheiden en maakt mij een groter mens.
- Ze draagt meer en maakt mij een sterker mens.
- Ze behoedt meer en maakt mij een veiliger mens.
- Ze stilt meer en maakt mij een gelukkiger mens.
- Ze blijft langer en past beter bij mij, een mens die onsterfelijk is. — W.J.
Uitleg
We zijn nu bij het tiende gedeelte aangekomen. Elke strofe begint met de letter Jod, maar het gaat zeker niet over jota’s, tittels en andere kleinigheden. Het onderwerp lijkt eerder persoonlijke ervaring, met de aantrekkingskracht die die op anderen heeft. De profeet zit diep in het verdriet, maar hij houdt uit naar verlossing en naar het worden van een zegen. Hij wil anderen onderwijzen, maar eerst vraagt de psalmist zelf om onderwezen te worden, want hij is eerst zelf leerling (vers 73). Dan overtuigt hij zichzelf dat hij goed ontvangen zal worden (74), en hij noemt wat hij wil getuigen (75).
Hij bidt om meer ervaring (76, 77), om de mislukking van de hovaardigen (78) en om de verzameling van de godvrezenden rond hem (79). En dan weer voor zichzelf: dat hij helemaal toegerust mag zijn voor zijn getuigenis en daarin wordt gedragen (80). Het is de bange maar hoopvolle noodkreet van iemand die zwaar gekweld wordt door wrede tegenstanders. Daarom doet hij zijn beroep op God, zijn enige vriend.
Vers 73
“Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid.” Het loont om stil te staan bij het feit dat we geschapen zijn. En het is een fijn besef dat Gods hand zoveel met ons te maken heeft gehad, want die hand handelt nooit los van Zijn denken. Kijken we naar God als onze Maker, Die de zorgvuldige kunde en kracht van Zijn handen liet werken om ons te vormen en toe te rusten, dan voelen we ontzag, dankbaarheid en liefde voor Hem. Hij liet Zich persoonlijk met ons in, want Hij maakte ons met Zijn eigen handen.
Op twee manieren bewees Hij Zijn zorg: Hij wordt voorgesteld als Degene Die ons maakte en ook boetseerde. Zowel in het geven van het bestaan als in het inrichten ervan toonde Hij liefde en wijsheid. Zo vinden we in ons bestaan, en in hoe goed het ons gaat, redenen om Hem te loven, op Hem te vertrouwen en iets van Hem te verwachten.
“Maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.” “U hebt mij gemaakt, onderwijs mij nu ook. Hier staat het vat dat U hebt gevormd: Heere, vul het! U gaf mij een ziel en een lichaam. Geef mij nu Uw genade, opdat mijn ziel Uw wil leert kennen en mijn lichaam helpt die uit te voeren.” Wat een krachtig argument, en wat een sterke grond voor het gebed! Het is een verbreding van de roep: “Laat niet varen de werken Uwer handen.” Wie Gods wet niet begrijpt en haar niet gehoorzaamt, blijft onaf en is nergens voor bruikbaar.
Maar we mogen redelijkerwijs verwachten dat de grote Pottenbakker Zijn werk voltooit. Hij zet er de laatste streek aan door ons heilige kennis en een heilig leven mee te geven. Als God ons slordig had gemaakt en niet ook zorgvuldig had gevormd, zou dit pleidooi veel kracht verliezen. Maar kijk eens hoe fijn en vakkundig de Heere het menselijk lichaam heeft gemaakt. Daaruit mogen we met zekerheid afleiden dat Hij net zoveel moeite voor de ziel wil doen, tot ze helemaal Zijn beeld draagt. Een mens zonder verstand is een zwakzinnige, een spot met wat een mens hoort te zijn.
En een verstand zonder genade is slecht, een trieste ontsporing van wat een verstand kan zijn. We bidden dat we niet zonder geestelijk oordeel worden achtergelaten. Daarvoor bad de psalmist in vers 66, en hier pleit hij er opnieuw voor. Zonder dat oordeel kun je de geboden niet werkelijk kennen en houden. Zondigen kunnen ook dwazen. Alleen wie door God is onderwezen, kan heilig zijn. Vaak spreken we over “begaafde” mensen. Maar de beste gaven heeft hij aan wie God een geheiligd verstand heeft gegeven, om de wegen van de Heere te kennen en op prijs te stellen.
Merk op dat David niet vraagt om verstand voor theorie of om zijn nieuwsgierigheid te voeden. Hij verlangt een verlicht oordeel om Gods geboden te leren en zo gehoorzaam en heilig te leven. Dat is de beste vorm van leren die er bestaat. Iemand kan zijn hele leven op de hogeschool blijven waar deze wetenschap wordt onderwezen en toch smeken om meer vermogen om te leren. Gods gebod is namelijk geweldig ruim, dus het geeft de krachtigste, best geschoolde geest ruimte genoeg. Eigenlijk beschikt niemand van nature over een verstand dat zo’n groot terrein kan overzien.
Vandaar: “Maak mij verstandig.” Het is alsof hij zegt: “Andere zaken kan ik met mijn verstand wel leren, maar Uw wet is zo zuiver, volmaakt, geestelijk en verheven, dat mijn verstand eerst moet groeien voordat ik er iets van kan.” Hij vraagt zijn Maker dit te doen, alsof hij aanvoelde dat alleen de macht die hem schiep, hem wijs kon maken tot heiligheid. We hebben een nieuwe schepping nodig, en wie kan die geven, behalve de Schepper Zelf? Wie ons maakte om te leven, moet ons maken om te leren. Wie ons kracht gaf om te staan, moet ons genade geven om te begrijpen.
Laat ieder van ons het gebed van dit vers naar de hemel zuchten, voordat we nog één stap verder gaan. Want zelfs in deze verzoeken raken we de weg kwijt, tenzij we ons er biddend doorheen vechten en God om verstand roepen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
In dit gedeelte begint elk vers met de Hebreeuwse letter Jod. Dat is de kleinste letter van het Hebreeuwse alfabet, in Matth. 5:18 een jota genoemd: “… zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan.” — Albert Barnes.
Verzen 73-80
Middeleeuwse theologen zien in dit gedeelte meestal het gebed van de mens die hersteld wil worden in zijn oorspronkelijke onschuld en wijsheid, doordat hij gelijkvormig wordt gemaakt aan het beeld van Christus. Dat sluit aan bij de voor de hand liggende betekenis. Zij bestaat voor een deel uit een smeekbede om goddelijke genade en voor een deel uit de bewering dat het voorbeeld van vroomheid en berusting in moeilijke tijden aantrekkelijk genoeg is om mensen naar God toe te trekken.
Dat is een waarheid die zowel in het lijden van Christus als in het leven van alle heiligen te zien is, die geprobeerd hebben Hem na te volgen. — Neale en Littledale.
Vers 73
“Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid enz.” Dit vers bevat een bede om verstand, met een reden erbij: ik ben het werk van Uw handen, geef mij dus verstand. Iedereen is goed voor wat zijn handen hebben gemaakt. Zou de Heere dan Zijn schepselen niet veel meer liefhebben, en dan vooral de mens, Zijn voortreffelijkste schepsel? Kijk je naar de vorm van zijn lichaam, dan vind je op aarde niets kostbaarders. Maar in wat je niet ziet, namelijk zijn ziel, is hij nog veel schoner. Je ziet dus: Davids redenering is bijzonder doeltreffend. Het komt neer op wat hij elders zegt, alsof hij roept: “Heere, laat niet varen de werken Uwer handen. U bent mijn Maker en mijn Auteur. Uw hulp zoek ik, en de hulp van niemand anders.”
Wie goede dingen van God wil vragen, moet eerst bedenken hoeveel goeds de Heere hem al heeft gedaan. Doet hij dat niet, dan vraagt hij het zonder enig recht daarop. Maar velen weten hier zo weinig van, dat ze niet beseffen hoe wonderlijk God hen heeft gemaakt. Daardoor kunnen ze Hem niet zegenen en ook niets van Hem verwachten als van hun Schepper en Onderhouder. Het argument van onze eerste schepping kan alleen goed gebruiken wie door genade deelt in de tweede schepping. Want alle voorrechten van de eerste schepping zijn we door onze val kwijtgeraakt.
Van nature is het dus geen troost en geen reden tot hoop dat God ons gemaakt heeft. Het is eerder reden tot angst en wantrouwen, omdat we onszelf verkeerd hebben gemaakt. We hebben Zijn beeld verspeeld en zijn nu niet meer wat God ons in het begin schiep. — William Cowper.
Vers 73
“Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid enz.” Twee dingen vallen hier op. Ten eerste: als hij bidt om heilig verstand, beschuldigt hij zichzelf en alle anderen terecht van blindheid. Die komt niet van de Schepper, maar van de verdorven mens. Ten tweede: omdat hij is geschapen, durft hij al te hopen dat God Zijn werk in hem blijft doen. God laat Zijn werk immers niet los. Daarom vraagt hij God hem nieuwe genade te schenken en te voltooien wat Hij in hem is begonnen. — Thomas Wilcocks, 1586.
Vers 73
Hugo haalt vernuftig uit de verschillende werkwoorden van dit vers de zonden die we moeten mijden. Ondankbaarheid, waar staat: “Uw handen hebben mij gemaakt.” Hoogmoed, bij: “en bereid.” Vertrouwen op eigen oordeel: “maak mij verstandig.” En nieuwsgierige bemoeizucht: “opdat ik Uw geboden lere.”
Vers 73
“Uw handen.” Hilarius en Ambrosius menen dat het meervoud “handen” aanwijst dat de mens nauwkeuriger en volmaakter is gemaakt. Het lijkt dan alsof God hem met meer inspanning en vakmanschap heeft gevormd, omdat hij is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Nergens staat dat God iets anders dan de mens met beide handen heeft gemaakt. In Jesaja zegt Hij immers: “Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond” (Jes. 48:13). — John Lorinus, 1569-1634.
Toch is dit een vergissing, zoals Augustinus aanwijst. Er staat immers: “De hemelen zijn het werk Uwer handen.” Ps. 102:26. — C.H.S.
Vers 73
“Uw handen.” O, zie toch naar de wonden van Uw handen, en vergeet het werk van Uw handen niet! Zo bad koningin Elizabeth. — John Trapp.
Vers 73
Sommigen betrekken het werkwoord asah, “gemaakt”, op de ziel, en kunan, “bereid”, op het lichaam. — D.H. Mollerus.
Vers 73
“Gemaakt, en bereid; maak mij verstandig.” Gods grootheid staat Zijn omgang met ons niet in de weg. Het hoort juist bij Zijn grootheid dat Hij Zich kan neerbuigen tot de kleinheid van Zijn schepselen. Want wie geschapen is, is al volgens het woord zelf klein. God blijft immers altijd God en de mens blijft altijd mens. De oceaan blijft de oceaan, en de druppel blijft de druppel. Gods grootheid omgeeft onze kleinheid zoals de hemel de aarde omspant. Aan alle kanten sluit ze erop aan, zoals de lucht alle delen van de aarde vult.
Daardoor is het contact zo volledig en zo gezegend: “In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen” (Job 12:10). Zo dichtbij staat Hij bij het werk van Zijn handen, zo vertrouwd is Hij ermee. De naam Schepper wijst op nabijheid, niet op afstand. Alleen al het feit dat Hij ons gemaakt heeft, is de zekerheid dat Hij ons wil zegenen en met ons wil omgaan. Verbondenheid tussen het gemaakte en zijn maker zit al in het begrip schepping. “Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.” Zijn naam is “den getrouwen Schepper” (1 Petr. 4:19), en zo roepen wij Hem aan: “Laat niet varen de werken Uwer handen” (Ps. 138:8). — Horatius Bonar, in “The Rent Veil”, 1875.
Vers 73
“Maak mij verstandig enz.” Het boek van God lijkt op een apotheek. Voor elke wond ligt er een geneesmiddel. Komt er een vreemde in zo’n apotheek, dan weet hij niet waar alles ligt, ook al is alles aanwezig. De apotheker zelf weet het wel. Zo ligt er in de Schrift een voorraad geneesmiddelen voor elke zwakte en troost tegen elk verdriet. Wanneer we het ene hoofdstuk naast het andere leggen, zullen we ze begrijpen. De Schrift laat ons niet in de steek, maar wijzelf laten haar in de steek, en dat ligt dus aan onszelf. Laten we met haar vertrouwd raken, dan zullen we haar begrijpen, terwijl grote geleerden die nalatig zijn, in het donker blijven. — Richard Stock.
Vers 73
“Maak mij verstandig.” Laten we God bidden ons verstand te openen. Hij heeft ons een geweten gegeven om ons te leiden. Zo moet Hij ook die gidsen ogen geven, zodat ze ons de goede kant op kunnen sturen. Het is namelijk zo dat alleen God ons geweten grondig kan verlichten. Laten we Hem daarom vragen dat te doen. Al ons studeren, luisteren, lezen en overleggen kan het nooit bereiken. Alleen Hij Die ons gemaakt heeft, kan het. Hij Die ons geweten maakte, is de enige Die het hemelse licht van ware kennis en juist inzicht kan geven. Laten we Hem er dus ernstig om zoeken. — William Fenner, 1600-1640.
Vers 73
“Opdat ik Uw geboden lere.” Hij wil ze zo leren dat hij hun zin en betekenis kent, en hun reinheid en geestelijkheid. En zo dat hij ze doet uit liefde, in geloof en tot eer van God. Want het gaat hier niet om het alleen maar van buiten leren, noch om ze in het geheugen te prenten of er theorie van te hebben. Het gaat om ze in geloof en liefde te beoefenen. — John Gill.
Verzen 73-74
Leer uit deze verzen:
- Hoewel niets het ongeloof kan tevredenstellen, gebruikt het ware geloof zelfs de meest gewone weldaad van de schepping om zichzelf te sterken: “Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid.”
- Het is een goede manier om met God te redeneren: om een nieuwe gave vragen omdat je al een gave hebt ontvangen. God gaf ons gewone weldaden, dus vragen we Hem ook om genade die zalig maakt: “Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.”
- God is onze Schepper, en wij zijn geschapen om Hem te dienen. Daarom mogen we met vrijmoedigheid vragen om elke genade die ons in staat stelt Hem te dienen, zoals het voorbeeld van de psalmist ons leert …
- Alle gelovigen mogen blij zijn als ze zien dat één van hen in zijn lijden wordt gedragen en ondersteund. Want wat dat ene lijdende kind overkomt, is voor alle anderen een onderpand: God zal ook hen in zo’n geval helpen. “Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden.” — David Dickson.
Wenken voor predikers
Een schets rond de sleutelwoorden van de psalm, van ds. C. A. Davis.
Verzen 73-80
Natuurlijke en geestelijke schepping. De psalmist vraagt de Schepper om geestelijk leven, om “verstand” (Ps. 119:73). Dan zullen de geestelijke mensen hem welkom heten (Ps. 119:74). Hij aanvaardt verdrukking gewillig als training voor zijn geestelijk leven (Ps. 119:75-77). Hij wijst de vijandschap van de hovaardigen af (Ps. 119:78), verlangt naar het gezelschap van de geestelijke mensen (Ps. 119:79) en bidt om een gezond hart (Ps. 119:80).
Vers 73
- Bedenk met hoeveel zorg de Heere ons heeft gemaakt.
- Zie daarin een reden voor Hem om de nieuwe schepping in ons af te maken.
- Let op de manier waarop Hij dat doet.
Uitleg
Vers 74
“Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.” Krijgt een man van God genade voor zichzelf, dan wordt hij ook een zegen voor anderen. Dat is zeker zo als die genade hem gezond inzicht en heilige kennis heeft gegeven. Mensen die God vrezen, krijgen er moed van als ze ervaren gelovigen ontmoeten. Een hoopvol mens is een geschenk uit de hemel als het bergafwaarts gaat of als er gevaar dreigt. Als de hoop van één gelovige uitkomt, worden zijn metgezellen opgemonterd en gesterkt, en leren zij ook hopen.
Het doet je ogen echt goed om iemand te zien die getuigt dat de Heere waarachtig is. De heiligen hebben veel vreugde aan de omgang met broeders die al verder zijn. Dat de vreze Gods een sombere genade zou zijn, zoals sommigen haar noemen, klopt niet. Ze gaat heel goed samen met blijdschap. Maakt zelfs het zien van een kameraad de godvrezenden al blij, hoe blij moeten ze dan zijn in de tegenwoordigheid van de Heere Zelf! We komen niet alleen bij elkaar om elkaars lasten te dragen, maar ook om elkaars vreugde te delen.
En sommigen brengen veel vreugde in de gemeenschappelijke pot. Mensen met hoop nemen blijdschap mee. Moedeloze mensen besmetten anderen met hun somberheid, en daarom is bijna niemand blij hen te zien. Mensen die hun hoop op Gods woord hebben gebouwd, hebben zonneschijn in hun gezicht en worden door hun broeders en zusters hartelijk ontvangen. Sommige belijders verspreiden verdriet zodra ze er zijn, en de godvrezenden glippen dan stilletjes weg uit hun gezelschap. Laat dat bij ons nooit het geval zijn, nooit!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 74
“Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden enz.” Wie God vrezen, “verblijden” zich van nature als ze iemand “aanzien” die op hen lijkt, en ze praten graag met hem. Dat geldt het meest voor iemand van wie geloof en geduld hem door moeilijkheden heen hebben gedragen en hem boven verzoekingen hebben laten zegevieren. Iemand die “op Uw woord gehoopt” heeft en niet is teleurgesteld. Elk voorbeeld als dit geeft nieuwe moed aan allen die in hun eigen strijd dezelfde moeilijkheden moeten doorstaan en dezelfde verzoekingen onder ogen moeten zien. Laten we daarom in al onze beproevingen onthouden dat onze broeders, evenzeer als wijzelf, diep betrokken zijn bij hoe het afloopt.
Het kan de handen van velen sterker of slapper maken. — George Horne.
Vers 74
“Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden enz.” Wat een troost voor de erfgenamen van de belofte om elkaar te zien en samen te komen: “aspectus boni viri delectat”, alleen al de aanblik van een goed mens doet goed. Het is een genoegen om om te gaan met wie hun best doen God te behagen en bang zijn Hem te kwetsen. Wat leven ze mee met de barmhartigheid die ieder van hen ontvangt: “zullen mij aanzien, en zich verblijden”, omdat er bij mij iets is uitgekomen wat bij mijn hoop past.
Ze zullen komen kijken naar mij als naar een gedenkteken, als naar een schouwspel van Gods barmhartigheid en waarheid. Maar welke barmhartigheid had hij ontvangen? Uit de samenhang lijkt het te gaan om genade om Gods geboden te gehoorzamen. Dat was het gebed dat er onmiddellijk aan voorafging: om onderwezen en onderricht te worden in Gods wet (Ps. 119:73). Nu zullen ze blij zijn als ze mijn heilige levenswandel zien en hoe ik daarin vooruit ben gegaan en God heb verheerlijkt. De Hebreeuwse schrijvers noemen als reden: “Dan zal ik hen kunnen onderwijzen in die inzettingen, wanneer ze mij, hun koning, Gods wet zien bestuderen.” Het kan ook worden verstaan van elke andere zegen die God hem naar zijn hoop had geschonken.
Ik versta het liever zo: ze zullen blij zijn als ze zien dat hij in zijn moeiten en lijden wordt opgehouden, gesteund en erdoorheen gedragen. “Ze zullen blij zijn als ze in mij een treffend voorbeeld zien van wat het oplevert om op Uw genade te hopen.” — Thomas Manton.
Vers 74
“Omdat ik op Uw woord gehoopt heb.” En hij is niet teleurgesteld. De Vulgaat vertaalt het met “supersperavi”: ik heb overhoopt. Aben Ezra verklaart dat dan zo: “Ik heb gehoopt op heel Uw besluit.” Ook op Uw besluit om mij te verdrukken, zoals in het volgende vers. — John Trapp.
Wenken voor predikers
Vers 74
- De bemoedigende invloed van goede mensen op anderen.
- De leerzame invloed van anderen op hen. — G.R.
Vers 74
Omgang met een beproefde maar standvastige gelovige is een bron van blijdschap voor de kinderen van God.
- Hij heeft een aangrijpend verhaal uit ervaring te vertellen.
- Hij heeft waardevolle raad en waarschuwingen te geven.
- Hij is een gedenkteken van Gods trouw, dat de hoop van anderen bevestigt.
- Hij is een brief van Christus, met een bepaald doel geschreven: om te laten zien hoe kostbaar en krachtig het evangelie is, en hoe het werkt. — J.F.
Uitleg
Vers 75
“Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” Wie het meest wil leren, moet dankbaar zijn voor wat hij al weet en dat tot eer van God willen belijden. De psalmist had het zwaar gehad, maar in die beproeving had hij op God blijven hopen. Nu zegt hij vol overtuiging dat hij rechtvaardig en wijs was getuchtigd. Dat dacht hij niet alleen, hij wist het. Zijn zekerheid was zo groot dat hij geen moment aarzelde. Heiligen zijn er zeker van dat hun moeilijkheden rechtvaardig zijn, ook als ze de bedoeling ervan niet zien.
De godvrezenden werden er blij van dat David dit zei. “En dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” Liefde had strengheid nodig, en daarom paste de Heere die toe. Dat de gelovige in zware nood kwam, kwam niet doordat God ontrouw was. Het kwam juist door het tegenovergestelde: Gods trouw aan Zijn verbond bracht de uitverkorene onder de roede. Het was misschien niet nodig dat anderen op dat moment werden beproefd. Maar voor de psalmist was het nodig, en daarom hield de Heere de zegen niet van hem terug. Onze hemelse Vader is geen Eli.
Hij laat Zijn kinderen niet zomaar en ongestraft zondigen, want daarvoor is Zijn liefde te sterk. Wie de belijdenis van dit vers uitspreekt, komt al verder in de school van de genade en leert de geboden. Dit derde vers van dit gedeelte komt overeen met het derde vers van Teth (67) en tot op zekere hoogte met enkele andere verzen die in hun achttal het derde zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 75
“Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” Toen ik heel jong was, leek de boom van de kennis me prachtig, een heerlijke boom. Maar wat heb ik me daarin vaak vergist, wat een vergissingen heb ik gemaakt! En hoeveel vergissingen zijn er nog over wat we in het dagelijks spraakgebruik zo graag “kennis” noemen. Wie de klassieken heeft gelezen, zich in wiskunde heeft verdiept, thuis is in geschiedenis, grammatica en gewone welsprekendheid, wordt gezien als iemand met kennis. Hetzelfde geldt voor wie een lastige vraag handig weet op te lossen en bedreven is in oude geleerdheid.
En dat is hij ook, vergeleken met de onwetende massa van de mensheid. Maar wat is dat alles waard naast de kennis in mijn tekst? Van die kennis weten maar weinig van de zogenaamde geleerden ook maar iets af; ze zijn er nauwelijks mee vertrouwd.
“Ik weet.” Wat precies, David? Wat is het dat jij weet? “Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.”
Hoe graag ik me ook met andere beschouwingen bezighoud, ik zou veel en veel liever de kennis van deze man uit deze tekst hebben dan de grootste vertrouwdheid met alle wetenschappen samen, zoals men dat in alle trots noemt … Mijn indruk is dat de psalmist in de eerste helft algemeen spreekt. Hij heeft het dan over Gods verordeningen, beschikkingen, voorzienigheid en gerichten. Wat hij zegt, is dat hij weet dat ze rechtvaardig zijn, billijk, wijs en eerlijk, en dat er niets op aan te merken is. Dat blijft zo, ook als mensen zichzelf door hun dwaasheid in de problemen brengen en dan in hun hart tegen God mopperen.
David was gezegend met een uitzonderlijk verstand. Hij maakt geen enkele uitzondering: “Ik weet … dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” In de tweede helft van de tekst maakt hij het persoonlijk. Iemand zou kunnen zeggen: jij hebt makkelijk praten. Jij ziet koninkrijken omslaan, tronen schudden en de ellende van de een en de pijn van de ander, en je vindt dat het allemaal klopt. “Jazeker”, antwoordt hij, “maar ik ben net zo overtuigd over al mijn eigen verdriet. Ik weet … dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” — Uit een preek van John Martin, 1817.
Vers 75
“Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn enz.” Deze tekst lijkt op een toespraak tot God Zelf. Zo doet David dat wel vaker. Als hij een diep gevoel wil uitdrukken, of iets wat hij geestelijk heeft meegemaakt, dan wendt hij zich rechtstreeks tot God. Wie God liefheeft, geniet van de omgang met Hem. Er zijn gevoelens die een geestelijk mens met bijzonder veel troost en blijdschap aan God Zelf vertelt. “Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” God stuurt alles aan. Zijn “gerichten” zijn hier Zijn algemene beschikkingen, beslissingen en daden.
Het gaat dus niet alleen om verdrukkingen, al horen die er wel bij. Zegt de psalmist “Uw gerichten”, dan denkt hij vooral aan wat God over hém had besloten: hoe God met hem omging, en dus alles wat hem was overkomen of nog zou overkomen. Voor de psalmist bestond er namelijk geen toeval. Hij geloofde dat God alles bepaalde wat hem overkwam, en dat vond hij fijn om te denken. Hij laat een vast en gelukkig vertrouwen horen in alles wat God deed en nog zou doen met hem. Hij vertrouwde zich helemaal toe aan Gods wijsheid, macht en liefde.
“Ik weet … dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” Volkomen rechtvaardig, op alle punten rechtvaardig, zonder één onderdeel dat beter had gekund, helemaal wijs en goed. Hij is hiervan rotsvast overtuigd, hij twijfelt er geen moment aan. Hij zegt “ik weet”, niet slechts “ik denk”. Juist die woorden “ik weet” maken duidelijk dat het hier om geloof ging en niet om zien. Hij zegt immers niet: “ik zie dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn”, maar: “ik weet.” Wat hij bedoelt, is helder: “Ik kan niet alles zien, en er zijn dingen in Uw handelen die ik niet helemaal begrijp. Toch geloof ik het, ik ben overtuigd, en daarom weet ik, Heere, dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.”
“Uw gerichten.” Niet een paar ervan, maar allemaal. Hij overziet heel Gods handelen met hem en zegt van alles zonder uitzondering: “Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” Ontvangen we iets wat duidelijk tot ons genoegen en ons goed is, zoals zoveel dat we krijgen, dan nemen we dat dankbaar aan van God. Dan erkennen we Hem als de Gever van alles en danken we Hem voor Zijn genadige zorg. Dat is goed, zeker. Maar het geloof dat daarvoor nodig is (en er is wel enig geloof mee gemoeid) komt hierop neer: we erkennen dat God met ons bezig is, in plaats van de gaven ondankbaar aan te nemen zonder aan de Gever te denken.
Veel hoger staat het geloof dat van alles wat God doet zegt: “Ik weet … dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn”, ook als het ons ogenschijnlijk niet gelukkig maakt. Toch is dat hier de betekenis, of in elk geval de hoofdbetekenis. Het woord “gerichten” kan namelijk wel Gods handelen van elke soort aanduiden. Maar de woorden die erop volgen, laten het hier vooral gaan over Gods bedrukkende handelen: de daden van Hem Die ons geen geluk lijken te brengen. “Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” De gerichten die de psalmist vooral voor ogen had, en waarvan hij zo zeker was dat ze rechtvaardig waren, waren geen vreugden maar verdriet.
Het waren geen gaven die hij ontving, maar dingen die hem werden afgenomen. Het waren zegeningen in vermomming, barmhartigheid onder een sluier, gaven in een rouwgewaad, zoals God ze Zijn kinderen zo vaak zendt. De psalmist wist, en dat tegen alle schijn in, dat deze gerichten “de gerechtigheid” waren. Wat het ook was, verlies, sterfgeval, teleurstelling, pijn of ziekte: het was rechtvaardig. Net zo rechtvaardig als de duidelijker zegeningen die eraan voorafgingen. Helemaal rechtvaardig, door en door rechtvaardig. Zo rechtvaardig dat het niet beter had gekund. Precies wat het beste was. En dat allemaal, alleen en uitsluitend omdat het Gods gerichten waren.
Dat ene stelde de geest van de psalmist tevreden en bracht elke twijfel tot rust. Over de gebeurtenissen zelf had hij kunnen twijfelen, maar nooit over Hem Wiens werk ze waren. “Uw gerichten.” Daarmee lag alles vast, en was alles gezegd. “En dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” Dat betekent: toen God verdrukking als zijn deel bepaalde, was dat trouw aan Zijn woord, trouw aan Zijn plannen van barmhartigheid, met een trouwe en geen zwakke liefde. Hij had hem net dat gestuurd wat het meest tot zijn goed was, al was het niet altijd wat het prettigst voelde.
En daarin had Hij Zich getrouw getoond. Zacht en liefdevol gaat de Heere met Zijn kinderen om, altijd weer. Hij veroorzaakt geen pijn die niet nodig is, maar wat nodig is, zal Hij niet achterhouden. — Francis Bourdillon, 1881.
Vers 75
“Uw gerichten.” Er zijn judicia oris en er zijn judicia operis, in gewone taal: oordelen van Gods mond en oordelen van Gods handen. Het eerste soort hoor je Hem zeggen, het tweede soort zie je Hem doen. De eerste komen ter sprake in vers 13: “Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.” Met deze “rechten” worden alleen Gods heilige wet en heel Zijn geschreven woord bedoeld.
Overal in deze psalm krijgen die door elkaar de namen Zijn “inzettingen”, “geboden”, “bevelen”, “getuigenissen” en “rechten”. Gods wetten heten onder andere “rechten”, omdat we er een goed oordeel door krijgen waarmee we goed en kwaad onderscheiden. Anders konden we niet met zekerheid beoordelen wat we moeten doen en wat we moeten mijden. “A lege tua intellexi” in Ps. 119:104: “Uit Uw bevelen krijg ik verstand.” Sint Paulus belijdt (Rom. 7:1-25) dat hij nooit goed had geweten wat zonde was, als de wet er niet was geweest. Hij noemt als voorbeeld de begeerte. Hij had niet geweten dat die zonde was, als de wet niet had gezegd: “Gij zult niet begeren.” Zonder twijfel zijn ook deze “rechten”, deze judicia oris, allemaal “gerechtigheid”.
Het zou echt onredelijk zijn om te denken dat God ons iets als maatstaf van recht zou geven wat zelf niet recht is. We vinden zowel de naam (“rechten”) als de zaak zelf (dat ze “rechtvaardig” zijn) in de negentiende psalm. Daar prijst de profeet Gods wet hoog, onder de verschillende namen “wet”, “getuigenis”, “bevelen” en “gebod” (vers 8 en 9). Dan sluit hij af onder de naam “rechten”, in vers 10: “De rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.”
Behalve deze judicia oris, Gods oordelen in de zin van aanwijzingen, zijn er ook judicia operis. Dat zijn Zijn oordelen die corrigeren. Daar zit altijd aliquid poenale in, dat wil zeggen iets van een straf: iets wat de almachtige God ons als het ware als straf oplegt, iets wat ons moeite of verdriet doet. De apostel zegt in Hebr. 12:11 dat alle kastijding droevig is. Dat is ze ook, meer of minder, want anders zou ze voor ons geen straf zijn. Ook deze oordelen zijn weer van twee soorten. Je onderscheidt ze niet zozeer naar wat er wordt opgelegd, maar naar de toestand van de mensen aan wie het wordt opgelegd, en vooral naar de gezindheid en bedoeling van God Die het oplegt.
Alles kun je namelijk op twee manieren zien. Het kan gaan om openbare rampen die hele volken en steden treffen, of andere grotere en kleinere groepen mensen: pest, hongersnood, oorlog, overstromingen, slecht weer. Het kan ook gaan om persoonlijke verdrukkingen die bepaalde gezinnen of personen treffen: ziekte, armoede, schande, onrecht, het overlijden van vrienden en dergelijke. Al deze en alle andere van beide soorten kun je op twee manieren beschouwen. In beide gevallen kun je ze terecht oordelen van God noemen, al is dat in verschillende opzichten. Zo zien we de verschillende soorten oordelen van God.
Welke daarvan zouden hier bedoeld zijn? Nemen we ze allemaal mee, dan houdt de conclusie stand en klopt ze ook. Judicia oris en judicia operis, openbare en persoonlijke oordelen: de plagen waarmee Hij Zijn vijanden in grimmigheid straft, en de roeden waarmee Hij Zijn kinderen in barmhartigheid tuchtigt. Het is volkomen zeker dat ze allemaal “gerechtigheid” zijn. Toch denk ik dat de judicia oris hier niet in eigenlijke zin worden bedoeld. De uitleg in het laatste deel van het vers lijkt ze namelijk uit te sluiten. Daar wordt wat hier gerichten heet, uitgelegd als “verdrukt”.
Daardoor blijft de tekst, naar zijn eigenlijke bedoeling, beperkt tot alleen deze judicia operis. Dat wel tot al deze, van welke soort ook: openbare of persoonlijke plagen of tuchtigingen. Van die allemaal zegt hij dat ze “gerechtigheid” zijn. Dat is het gezegde van de slotsom, dat wil zeggen wat er over de conclusie gezegd wordt: “Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn.” — Robert Sanderson.
Vers 75
“En dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” Zie de nadruk. Hij zegt niet alleen dat God getrouw bleef, ook al verdrukte Hij hem. Hij zegt dat God getrouw was toen Hij de verdrukkingen stuurde. Verdrukking en moeite staan niet alleen niet haaks op Gods liefde, die in het verbond van genade is verpand. Ze horen bij hoe het nieuwe verbond wordt bestuurd, het zijn er zijtakken van. God is niet alleen trouw ondanks de verdrukkingen. Hij is trouw in het sturen ervan. Dat is een verschil. In het eerste geval is het een uitzondering op de regel, “quae firmat regulam in non exceptis”.
In het tweede geval is het zelf een onderdeel van de regel: God kan niet trouw zijn zonder alles te doen wat ons goed en ons eeuwig welzijn dient. Zijn bestuur van de voorzienigheid is één kant van wat Hij in het verbond op Zich heeft genomen. Zoals Hij onze zonden vergeeft, ons heiligt en ons ten slotte heerlijkheid schenkt, zo richt Hij ook Zijn voorzienigheid in op wat wij nodig hebben en wat ons helpt op de weg naar de hemel. Het is een daad van Zijn soevereine barmhartigheid, die Hij Zijn volk beloofd heeft: een tucht toepassen die hun veiligheid dient. Kortom, het kruis staat niet buiten de genade van het verbond. Het hoort er zelf bij.
De oorzaak van alle verdrukkingen is de zonde, en daarom moeten we Gods gerechtigheid erkennen. Hun doel is bekering, en daarom moeten we Gods trouw erkennen. Het doel is geen vernietiging en ondergang, want dan zouden de verdrukkingen daden van gerechtigheid zijn, zoals bij de goddelozen. Het doel is dat wij klaar worden gemaakt om de beloften te ontvangen. Zo zijn ze daden van trouw. — Thomas Manton.
Vers 75
“En dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” Dat wil zeggen: met de oprechte bedoeling mij goed te doen. God kent onze aard van binnen en van buiten. Hij weet wat onze gezondheid schaadt en wat onze kwalen kan genezen. Daarom bepaalt Hij voor ons “pro jucundis aptissima quaeque”: het meest geschikte, in plaats van het aangename. Soms schrijft Hij ons geen zoete honing voor maar heilzame alsem. Wijzelf weten bijzonder weinig over wat ons werkelijk goed doet. Als de keuze van onze levensomstandigheden helemaal aan ons werd overgelaten, zouden we heel dwaze en heel nadelige keuzes maken.
We zouden zeker allemaal een rijk en overvloedig bezit kiezen. Maar God weet dat dit ons lui en verwend zou maken. Het zou ons opblazen met hoogmoed en trotse gedachten, ons belasten met angstige zorgen en blootstellen aan gevaarlijke verzoekingen. Het zou ons onszelf doen vergeten en Hem verwaarlozen. Daarom schikt Hij in Zijn wijsheid armoede voor ons: de moeder van matigheid, de voedster van vlijt en de meesteres van wijsheid. Armoede leert ons onszelf kennen en ons beseffen hoe afhankelijk we van Hem zijn, en ze dwingt ons om bij Zijn hulp onze toevlucht te zoeken. Hebben we dan geen reden om dankbaar te zijn voor de middelen waarmee we van zulke wanhopige kwalen worden verlost en deze uitstekende voordelen krijgen?
We zouden zeker ook allemaal de gunst en het applaus van mensen kiezen. Maar ook dat zou, zoals God weet, ons denken bederven met ijdele verbeelding, onze fantasie bedwelmen met onechte genoegens, ons verleiden onszelf buitensporig te prijzen en God op heiligschennende wijze de eer te ontnemen die Hem toekomt. Daarom laat Hij ons met opzet schande, ongenoegen, haat en verachting van mensen ondervinden. Zo kunnen we onze eer alleen zoeken in de hoop op Zijn gunst en gaan we met meer ijver achter de zuiverder genoegens van een goed geweten aan. Verdient dit deel van Gods voorzienigheid dan niet onze hartelijke dank?
We zouden allemaal hoge plaatsen willen beklimmen, zonder te bedenken op welke afgronden ze staan en hoe snel het ons duizelt. Maar God houdt ons veilig in de nederige dalen, en geeft ons werk dat we beter aankunnen.
Misschien zouden we onze macht overmoedig misbruiken als die ons werd toevertrouwd. We zouden grote gaven inzetten voor onhandelbare plannen, zoals velen doen, tot onrust bij anderen en hun eigen ondergang. Veel kennis zou ons onszelf te hoog doen aanslaan en anderen doen minachten. Bij voortdurende gezondheid zouden we niet merken wat het ons oplevert en niet denken aan Hem Die haar gaf. Daarom meet Gods goedheid ons een passende middelmaat van deze dingen toe, zodat we niet omkomen van gebrek en ook niet misselijk worden van overvloed.
Kortom, de voordelen van verdrukkingen zijn zo talrijk en zo groot, dat het gemakkelijk zou zijn te bewijzen dat we alle reden hebben om niet alleen tevreden te zijn met elk kruis en elke kwelling die we tegenkomen. We mogen er zelfs blij mee zijn en er heel dankbaar voor wezen. Neem ze vrolijk aan uit Gods hand, als de medicijnen voor je ziel en de smaakmakers van je lot. Zie ze als bewijzen van Zijn goede wil en als werktuigen van deugd. Zie ze als stevige gronden voor hoop en als troostrijke voortekenen van vreugde die komen gaat. — Isaac Barrow.
Vers 75
“En dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.” Een vader die zijn kind verstoot en wegstuurt, tuchtigt het niet meer. Zo kan God iemand die Hij wil vernietigen, ongetuchtigd laten gaan. Iemand met wie Hij een verbond heeft, laat Hij nooit ongetuchtigd. — William S. Plumer.
Vers 75
“Ik weet, HEERE! enz.”
“Toch, Heere, berg ik op de dierbaarste plek van mijn herinnering
die droeve tijden als in een heiligdom,
toen ik opzag en Uw aangezicht zag,
gehuld in vriendelijke strengheid.
Geen zucht, geen traan zou ik willen missen,
geen hartenpijn, geen bonzend voorhoofd.
Zoet was de strenge tuchtiging,
en zoet is nu de herinnering eraan.
Ja, laat de geurige littekens blijven,
als liefdetekens zolang U Zelf niet hier bent:
flauwe schaduwen van de met een speer doorstoken zijde
en van het Hoofd, met doornen omkranst.
En laat Uw tedere kracht zo nog altijd werken,
wanneer mijn eigen ik wil uitwijken of afdwalen,
en de weerbarstige wil naar de waarheid buigen
op Uw smalle weg.” — John Henry Newman, 1829.
Wenken voor predikers
Vers 75
Kennis uit ervaring: stellig, persoonlijk, tot eer van God en tot troost van de heiligen.
Uitleg
Vers 76
“Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.” Eerst had hij beleden dat de Heere rechtvaardig is. Nu doet hij een beroep op Zijn barmhartigheid. Hij vraagt niet of de roede kan worden weggehaald, maar smeekt vurig om troost zolang de roede er is. Gerechtigheid en trouw troosten ons niet, als we niet ook barmhartigheid kunnen proeven. Gelukkig, God zij gedankt, is dat ons in het woord beloofd, dus we mogen het verwachten. De woorden “barmhartige goedertierenheid” (zo staat het in de Engelse Bijbel) zijn een gelukkige combinatie.
Ze zeggen precies wat we in onze verdrukking nodig hebben: barmhartigheid om de zonde te vergeven, en goedertierenheid om ons te steunen onder het verdriet. Met die twee kunnen we getroost zijn op een donkere, bewolkte dag. Zonder die twee zijn we werkelijk ellendig. Laten we daarom die twee van de Heere vragen, Die we door onze zonde hebben bedroefd. En laten we het woord van Zijn genade voorhouden als onze enige reden om Zijn gunst te verwachten. Gezegend zij Zijn naam: ondanks onze fouten zijn we nog altijd Zijn knechten, en we hebben een Meester Die medelijden heeft.
Sommigen lezen het slot van het vers als “naar Uw zeggen tot Uw knecht”. Dan wordt een bepaald woord van de Heere in herinnering gebracht en voorgehouden. Weten wij nog zo’n “getrouw woord”? Kunnen wij er niet de basis van ons smeken van maken? De uitdrukking “naar Uw woord” komt vaak terug, en is dierbaar. Ze laat zien waarom God barmhartig is, en hoe Hij dat is. Onze gebeden volgen Gods gedachte, wanneer ze Gods woord volgen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 76
“Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten.” In het vorige vers beleed hij dat de Heere hem had verdrukt. In dit vers vraagt hij diezelfde Heere om hem te troosten. Merkwaardig: een mens zoekt troost bij de hand die hem slaat. Dat is het werk van het geloof. Van nature leren we dat nooit. “Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.” Zo zien we ook dat God Zijn kinderen niet het kruis op de schouders legt om hen te verwarren of te vernietigen.
Hij doet het alleen om hen klaar te maken voor een grotere troost. Daaraan hield David zich vast toen Simeï hem vervloekte: “Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek.” Daarmee troost onze Zaligmaker Zijn discipelen: “… uw droefheid zal tot blijdschap worden.” Jobs laatste toestand was beter dan zijn eerste. Zo geeft de Heere Zijn kinderen uiteindelijk meer terug dan Hij hun nu aan het begin afneemt. Laten we dus Zijn kruis dragen als voorbereiding op troost. — William Cowper.
Vers 76
“Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten.” Verschillende verzen hiervoor gingen over verdrukking (Ps. 119:67; Ps. 119:71; Ps. 119:75). Nu doet de psalmist zijn verzoek om verlichting daarbij. Maar om welke verlichting? Hij vraagt niet of ze mag worden weggehaald. Hij smeekt de Heere niet dat ze van hem zou wijken (2 Kor. 12:8). Nee. Steeds weer had hij erkend hoe hij eronder was gesteund en wat hij eraan had overgehouden. Daardoor was hij ermee verzoend dat Hij de omvang en de duur ervan beslist. Alles wat hij nodig heeft en alles wat hij vraagt, is dat hij in zijn ziel Gods “goedertierenheid” voelt. Zo buigt hij zich voor Gods gerechtigheid in zijn opeengestapelde beproevingen, en verwacht hij troost daarbij alleen vanuit Gods vrije gunst. — Charles Bridges.
Vers 76
“Laat toch Uw goedertierenheid enz.” Laat mijn troost en mijn geluk komen uit een stroom van Uw liefde en barmhartigheid: chasdecha, Uw overvloedige goedheid die door mijn ziel stroomt. — Adam Clarke.
Vers 76
“Naar Uw toezegging aan Uw knecht.” Behaagde Zijn belofte Hem niet, waarom deed Hij haar dan? Behaagde ons vertrouwen op die belofte Hem niet, waarom bracht Zijn goedheid het dan tot stand? Het zou niet bij Zijn goedheid passen Zijn schepsel te bespotten. En het zou de hoogste spot zijn om Zijn woord te laten horen en in het hart van Zijn smekeling een houding te kweken die past bij Zijn belofte, terwijl Hij nooit van plan was haar na te komen. Hij kan Zijn schepsel net zo min onrecht doen als Zichzelf.
Daarom zal Hij nooit het geloof teleurstellen dat zich op Zijn eigen manier in de armen van Zijn goedertierenheid werpt, dat Zijn eigen maaksel is en Hem Auteur noemt. Zijn goedheid heeft zich zo gul aan de redeloze schepping gegeven. Dan zal ze de edelere schepselen niet laten vallen die op Hem vertrouwen. Hierdoor is God een geschikt voorwerp van vertrouwen en zekerheid. — Stephen Charnock.
Vers 76
“Naar Uw toezegging.” David kreeg een bijzondere belofte van een bijzondere weldaad: het koninkrijk van Israël. Die belofte maakte God aan hem waar. Maar zijn troost lag daar niet. Saul had het koninkrijk immers vóór hem, maar de beloften van barmhartigheid hoorden niet bij hem. Toen God hem verliet, kon zijn koninkrijk hem dus niet overeind houden. Hier steunt David echter op de algemene beloften van Gods barmhartigheid aan Zijn kinderen. Daarin ziet hij een bijzondere belofte van barmhartigheid die aan hem is gedaan. De algemene beloften van barmhartigheid en genade in het evangelie worden door het geloof immers persoonlijk voor elke gelovige. — William Cowper.
Vers 76
“Naar Uw toezegging aan Uw knecht.” Hier past de vraag van de kamerling: “… van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” Zonder twijfel spreekt hij over zichzelf, onder de naam van knecht van God. Maar dan dient zich een nieuwe vraag aan. Is dit een belofte die speciaal aan hem persoonlijk is gedaan, of aan Gods knechten in het algemeen? Sommigen denken aan het eerste, namelijk de beloften die Nathan hem overbracht. Ik denk eerder aan het tweede, en dat leert ons drie dingen. Ten eerste: alleen Gods knechten kunnen de zoete vruchten van Zijn barmhartigheid en de troost van Zijn beloften ontvangen.
Wie zijn Gods knechten? (1.) Mensen die erkennen dat God recht op hen heeft en die dat ook voelen: God, “Wiens ik ben, Welken ook ik dien” (Hand. 27:23). (2.) Mensen die zich aan Hem toevertrouwen en met alle andere meesters breken. Breken moeten we, want eens hadden we een andere meester (Rom. 6:17; Matth. 6:24; Rom. 6:13; 2 Kron. 30:8). (3.) Mensen die er dan ook eerlijk op uit zijn Zijn werk te doen: “Welken ik diene in mijn geest” (Rom. 1:9) en “in nieuwigheid des geestes” (Rom. 7:6), zoals het hoort bij wie door de Geest nieuw gemaakt zijn.
Ze doen dat ijverig (Hand. 26:7), met heel hun leven (Luk. 1:74-75), en ze wachten op Hem om daar genade voor te krijgen (Hebr. 12:28). Voor hen alleen is er troost. Het boek van God spreekt geen troost uit tot mensen die in zonde blijven leven, maar wel tot Gods knechten. Die leven niet alsof ze zelf over zichzelf beslissen, maar op een wenk van God. Zegt Hij: ga, dan gaan ze. Ze geven zich over om te zijn en te doen wat God wil.
Ten tweede. Willen we van de belofte profiteren, dan moeten we ons op de een of andere manier voegen bij hen aan wie ze is gedaan. Zijn we geen kinderen van God, dan toch Zijn knechten. Dan staat de belofte voor ons even vast, alsof onze eigen naam erin stond.
Ten derde. Alle knechten van God hebben dezelfde redenen om getroost te zijn. Elk van hen mag bij God aandringen zoals David dat doet. De troost uit het woord is het gedeelde bezit van Gods volk. — Thomas Manton.
Vers 76
“Naar Uw toezegging aan Uw knecht.” Onze Meester heeft al Zijn knechten Zijn woord gegeven dat Hij goed voor hen zal zijn. Ze mogen Hem daar met vrijmoedigheid aan houden. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 76
Troost, waar het om gaat.
- Is een onderwerp om voor te bidden.
- Is bij de Heere te vinden.
- Is in het woord beloofd.
- Is van groot belang voor wie gelooft.
Vers 76
- Waarom we troost nodig hebben.
- Waar de troost vandaan komt: “Uw goedertierenheid.”
- Volgens welke maatstaf: “Naar Uw toezegging.” — G.R.
Uitleg
Vers 77
“Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve.” Hij zat zo in het nauw dat de dood al voor de deur stond, tenzij God hem te hulp kwam. Eén barmhartigheid was niet genoeg, hij had “barmhartigheden” nodig. En het moesten heel milde en zorgzame zijn, echt “tedere ontfermingen”, want zijn wonden deden pijn. Deze zachte gaven moesten van de Heere komen, want minder volstond niet. Ze moesten ook helemaal tot in het hart van de lijder “komen”, want zelf kon hij er niet heen. Hij kon niets anders doen dan zuchten: “Kwamen ze maar!” Kwam de redding niet snel, dan voelde hij zich klaar om te sterven.
En toch zei hij nog maar een paar verzen eerder dat hij op Gods woord hoopte. Wat is het waar: hoop blijft leven, ook als alles om je heen naar de dood ruikt. Een heiden zei: “dum spiro spero”, zolang ik adem, hoop ik. Maar de christen kan zeggen: “dum expiro spero”, ook als ik mijn laatste adem uitblaas, verwacht ik nog de zegen. Toch kan geen echt kind van God leven zonder de tedere barmhartigheid van de Heere. Onder Gods ongenoegen leven is voor hem al de dood. Let nog eens op hoe mooi de woorden samengaan in onze Engelse vertaling.
Heb je ooit iets zoeters gehoord dan “tedere barmhartigheden”? Alleen wie zwaar gebukt ging en toch zacht werd gedragen en geholpen, weet wat zulke gekozen woorden betekenen.
Wat leven we echt op als tedere barmhartigheid ons bereikt. Dan bestaan we niet alleen maar wat, dan leven we echt. We zijn levendig, vol leven, sprankelend en sterk. Wat leven werkelijk is, weten we pas als we God kennen. Van sommigen zegt men dat ze sterven door een bezoeking van God. Wij leven er juist door.
“Want Uw wet is al mijn vermaking.” O gezegend geloof! Wie zich in de wet verheugt, zelfs als de overtreding van haar geboden hem pijn doet, is zeker geen zwakke gelovige. Plezier houden in het woord terwijl het ons terechtwijst, bewijst dat het ons goed doet. Dit is vast en zeker een pleidooi dat God raakt, hoe bitter ons verdriet ook is. Als we nog altijd blij zijn met de wet van de Heere, kan Hij ons niet laten sterven. Dan zal Hij ons zeker vriendelijk aanzien en ons hart troosten, ook in onze diepste pijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 77
“Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve.” Als we goed opletten, zien we dat David hier een ander soort barmhartigheid zoekt dan eerder in dit gedicht. Eerst vroeg hij erbarmen om zijn zonden vergeven te krijgen. Daarna vroeg hij erbarmen om getroost te worden in zijn nood. Nu vraagt hij erbarmen om te leven en niet meer te zondigen. Veel mensen vragen de eerste barmhartigheid, vergeving, en de tweede, troost in de nood, maar interesseren zich totaal niet voor de derde: goed leven. Dat God je leven verbetert, is een groot geschenk van Hem.
Waar dat ontbreekt, moet niemand denken dat hij een van de eerste twee wel kreeg. Het is een grote barmhartigheid van God dat Hij niet alleen vergeeft wat er verkeerd ging, maar ons ook sterk maakt voor het goede dat we nog niet deden. Dat is precies de barmhartigheid die David hier van de Heere zoekt. — William Cowper.
Vers 77
“Laat mij Uw barmhartigheden overkomen.” Gods barmhartigheden zijn “tedere ontfermingen”. Ze zijn als de barmhartigheid van een vader voor zijn kinderen, ja, zo teder als het medeleven van een moeder voor het kind van haar eigen schoot. Ze “komen” naar ons toe op de momenten dat wij er zelf niet naartoe kunnen gaan. Alleen door hen “leven” we het leven van geloof, liefde, vreugde en blijdschap. En wie vermaak vindt in Zijn wet, zal God deze barmhartigheden en dit leven geven. Hij schenkt hun vergeving, en met die vergeving geeft Hij hun als het ware leven uit de doden. — George Horne.
Vers 77
“Laat mij Uw barmhartigheden overkomen.” In de meer letterlijke vertaling klinken de woorden heel zeker: “Uw tedere ontfermingen zullen mij overkomen en ik zal leven, want Uw wet is mijn vermaking.” Had de gelovige alleen zijn eigen verdiensten om zijn bede bij de troon van genade mee te steunen, dan zou hij nooit kunnen opstijgen tot zo’n groot vertrouwen. Hij bouwt op Gods goedheid, zoals die in de Gezalfde is getoond, en op die grond staat hij stevig en zeker. — John Stephen.
Vers 77
“Komen.” Dat iets tot ons komt, wijst op een persoonlijke en werkzame toepassing. Eerst de persoonlijke toepassing, zoals in Ps. 119:41: “En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging.” David wilde niet vergeten worden, niet overgeslagen en niet kwijtraken in de massa van de mensheid wanneer de barmhartigheid haar zegen uitdeelde. Dan de werkzame toepassing. Die houdt twee dingen in: 1. Hindernissen en belemmeringen worden weggehaald. 2. We krijgen de vruchten en gevolgen van deze barmhartigheid.
Eerst het wegnemen van hindernissen. Zolang er geen pad is, kan Gods barmhartigheid ons niet bereiken en niet bij ons komen. Onze zonden hebben de weg immers versperd. Zoals de Heere een pad effent voor Zijn toorn (Ps. 78:50) door obstakels te verwijderen, zo effent Hij een pad voor Zijn barmhartigheid. Of liever: de barmhartigheid baant zichzelf een weg als ze de blokkade opruimt. Zonde is de grote hindernis voor barmhartigheid. Wijzelf roepen de mist en de wolken op, en dat doen we steeds opnieuw, die het licht van Gods gezicht tegenhouden. Wij bouwen de muur die ons van God scheidt. Toch vindt de barmhartigheid een weg.
Dan komt het ontvangen van de vruchten van barmhartigheid… Het is niet genoeg om iets over Gods reddende barmhartigheid te horen. We moeten erom bidden dat ze bij ons aankomt, en dat ze ons echt en merkbaar wordt gegeven, zodat we haar zelf in onze eigen ziel ondervinden en beleven. Wie over honing las of erover hoorde, kan zich de zoetheid voorstellen en gissen. Maar wie honing proefde, weet hoe zoet ze werkelijk is. Zo kunnen we door lezen en horen over Gods genade en barmhartigheid in Christus vermoeden dat ze zoet is. Maar wie ervaren heeft wat die zoete werking en vrucht in zijn eigen hart doet, merkt dat alles wat over Gods vergeven en troosten van zondaars wordt gezegd, in hemzelf waar wordt. — Thomas Manton.
Vers 77
“Want Uw wet is al mijn vermaking.” Een kind van God kan de Heere niet volmaakt dienen, maar dient Hem wel graag. Zijn wil ligt in de wet van de Heere. Hij is geen dienstplichtige die moet, maar een vrijwilliger die wil. Aan de slag van deze hartspols kunnen we merken of er geestelijk leven in ons is of niet. David zegt dat Gods wet zijn vermaak was. Hij had zijn kroon om zich in te verheugen, en zijn muziek. Maar de liefde voor Gods wet verdronk alle andere genoegens. Zoals de vreugde van oogst en druivenpluk groter is dan die van nalezen. — Thomas Watson.
Wenken voor predikers
Vers 77
- Bezoekers worden uitgenodigd.
- Een gunst wordt verwacht.
- Een welkom is gegarandeerd: “want Uw wet” enz.
Vers 77
Goddelijk leven. Het wordt geboren, onderhouden en vermeerderd door Gods tedere barmhartigheden. — W.W.
Uitleg
Vers 78
“Laat de hovaardigen beschaamd worden.” Hij bad dat Gods oordelen niet langer hemzelf zouden treffen, maar zijn wrede vijanden. God laat niet toe dat wie op Zijn woord hoopt beschaamd uitkomt, want die uitkomst bewaart Hij voor hoogmoedige harten. Zij zullen nog door schaamte worden ingehaald en een voorwerp van minachting worden, terwijl Gods gebogenen hun hoofd weer omhoog brengen. Schaamte hoort bij de hovaardigen, want hovaardig zijn is iets beschamends. Schaamte hoort niet bij de heiligen, want aan heiligheid is niets om je voor te schamen. “Omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben” (Engels: zij hebben mij zonder oorzaak verkeerd behandeld). Hun kwaad was zomaar, uit eigen beweging.
Hij had hen op geen enkele manier uitgedaagd. Om hem aan te klagen, verzonnen ze leugens. Ze moesten zijn daden eerst scheef trekken voordat ze zijn karakter konden aanvallen. Duidelijk voelde de psalmist de haat van zijn vijanden heel diep en scherp. Hij wist zich onschuldig tegenover hen, en dat gaf hem een brandend gevoel van onrecht. Hij riep de rechtvaardige Heere aan om zijn zaak te steunen, hem bij te staan en zijn valse beschuldigers met schaamte te bekleden. Waarschijnlijk noemt hij hen “de hovaardigen” omdat hij wist dat de Heere altijd wraak neemt op hoogmoedigen en opkomt voor wie door hen onderdrukt worden.
Soms spreekt hij over de hovaardigen en soms over de goddelozen, maar hij bedoelt steeds dezelfde mensen. De woorden zijn uitwisselbaar. Wie hovaardig is, is vrijwel zeker ook goddeloos, en hoogmoedige vervolgers zijn de ergste van alle goddelozen.
“Doch ik betracht Uw geboden” (Engels: ik zal Uw bevelen overdenken). Hij liet de hovaardigen verder aan God over en gaf zich over aan heilige studie en stille overdenking. Wie Gods geboden wil gehoorzamen, moet ze eerst kennen en er veel over nadenken. Daarom voelde deze vervolgde gelovige dat overdenken zijn eerste taak was. Hij ging de wet van God bestuderen en dacht er niet over na hoe hij kon terugslaan. De hovaardigen verdienen geen enkele gedachte. Het ergste wat ze ons kunnen aandoen, is dat ze ons bij onze gebeden vandaan houden. Laten we hun plan doorkruisen en juist dichter bij onze God blijven, op het moment dat ze het kwaadaardigst tekeergaan.
Eerder, in andere strofen van acht regels, kwamen we de hovaardigen al tegen. En we zullen ze nog vaker ontmoeten. Ze zijn duidelijk een zware plaag voor de dichter. Maar hij staat boven hen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 78
“Laat de hovaardigen beschaamd worden.” Dat is het rechtvaardige loon voor hun hoogmoed. Ze willen graag eer en een voorste plaats, maar God geeft hun die niet. Ze lopen weg voor schande en minachting, maar God zal die over hen uitstorten. “Omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben.” David klaagt over het valse en goddeloze spel dat zijn vijanden met hem spelen. Zijn gebed is opgeschreven om ons te steunen wanneer wij in dezelfde verzoeking komen. De satan is immers altijd zichzelf. Hij haat wie de Heere liefheeft. Veel slechter kan hij niet worden, en beter wordt hij nooit.
Daarom zet hij al zijn vervloekte werktuigen, in wie hij de baas is, met onvermoeibare boosaardigheid aan het werk. Ze moeten vervolgen wie door de Heere wordt bemind en beschermd. “Doch ik betracht Uw geboden.” Davids vijanden vochten tegen hem met de wapens van het vlees: slechtheid en leugen. Hij verzet zich met het harnas van de Geest. Slechtheid beantwoordt hij niet met slechtheid, leugen niet met leugen. Want als wij de satan bestrijden met de wapens van de satan, wint hij het spoedig van ons. Maar als wij de volle wapenrusting van God aantrekken om hem te weerstaan, slaat hij op de vlucht. — William Cowper.
Vers 78
“Laat de hovaardigen beschaamd worden.” Dit betekent dat hun pogingen niet mogen slagen. Mensen worden immers beschaamd als hun verwachting wordt beschaamd. Alles wat ze doen om Gods volk uit te roeien, is vergeefs en zonder vrucht. Wat ze met veel sluwheid hebben bedacht, loopt anders af dan ze zich hadden voorgesteld. “Omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben.” De Septuaginta heeft hier aoikwv, onrechtvaardig. Ainsworth leest: “Met valsheid hebben zij mij verdraaid.” Dat zegt twee dingen. Ten eerste dat ze een reden verzonnen. Ten tweede dat David voor God zijn onschuld betuigt.
Hij had niets misdaan, en toch beschuldigden, belasterden en veroordeelden ze wat hij deed. Zo gaat het gewoonlijk in dergelijke zaken. Wanneer de hovaardigen Gods volk het leven zuur maken en onrecht aandoen, mogen de heiligen hun zaak vrijmoedig aan God voorleggen. Er zijn twee redenen waarom we de Heere daarbij kunnen aanroepen. Hij is een vijand van de hovaardigen en een vriend van de nederigen (Jak. 4:6, Ps. 138:6). En Hij is het deel van de ellendigen en onderdrukten (Ps. 140:13). Wanneer de satan zijn werktuigen ophitst tegen wie de Heere liefheeft, zal de Heere Zijn kracht inzetten om hen te helpen en te verdedigen.
Is dit dan geen gebed vol wraaklust? Het antwoord is nee. Ten eerste omdat wie zo bidt, zijn eigen bevrijding zoekt. Hij wil daarna des te vrijer God dienen. Als God Zijn volk barmhartigheid bewijst, wordt de hoogmoed van de goddelozen inderdaad gebroken (Ps. 119:134). Maar de barmhartigheid is wel het hoofddoel van het gebed.
Ten tweede omdat hij zich over zijn vijanden zacht uitdrukt: “laat de hovaardigen beschaamd worden”. Hij bedoelt dat hun plannen, hoop, listen en pogingen teleurgesteld worden. Het gebed richt zich dus niet tegen de mensen zelf, maar tegen hun aanslagen en ondernemingen. In zo’n geval kan schande en teleurstelling hun zelfs goed doen. Ze denken Gods volk helemaal klein te krijgen, maar dat zou hen alleen maar verharden in hun zonden. Daarom wensen Gods kinderen dat Hij hun onschuld niet laat vertrappen, maar de tegenstanders teleurstelt. Zo worden de hovaardigen beschaamd, omdat hun pogingen mislukken.
Ten derde omdat de gebeden van de rechtvaardigen om de val van de goddelozen een soort profetie zijn. Terwijl David bidt, voorzegt hij eigenlijk dat wie zo verkeerd handelden, binnenkort beschaamd zullen worden. Een goede zaak wordt immers niet eeuwig onderdrukt: “Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden” (Jes. 66:5).
Ten vierde omdat de heiligen de vrijheid hebben om wraak af te smeken. Die vrijheid moeten ze wel zuinig en met grote behoedzaamheid gebruiken: “Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn” (Ps. 71:13). Tegen kwaadwillige vijanden mag uitdrukkelijk gebeden worden. — Thomas Manton.
Vers 78
“Laat de hovaardigen beschaamd worden.” Hier moeten de goddelozen goed over nadenken. Pas op dat jullie met jullie onverzoenlijke haat tegen de waarheid en tegen de gemeente van God haar gebeden niet over jezelf afroepen. Deze vloekgebeden van de heiligen zijn moorddadig geschut, als ze op het juiste doel zijn gericht en op de goede wijze worden afgeschoten. Ze treffen dodelijk waar ze neerkomen. “Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal.” Luk. 18:7-8.
Dat zijn geen holle woorden, zoals de vervloekingen van de goddelozen. Die worden in de lucht uitgestort en verdwijnen met hun adem. Deze gebeden worden in de hemel ontvangen en komen met donder en bliksem terug op de hoofden van de goddelozen. Davids gebed trok de fijngesponnen politiek van Achitofel uit elkaar en draaide hem zijn eigen strop. De gebeden van de heiligen zijn meer te vrezen dan een leger van twintigduizend man in het open veld. Een groot man zei het eens en ondervond het ook. Esthers vasten bracht Hamans ondergang dichterbij. Hizkia’s gebed tegen Sanherib leverde diens enorme leger uit aan de slachting. Het haalde een engel uit de hemel om het in één nacht te verslaan. — William Gurnall.
Vers 78
“De hovaardigen.” In deze psalm worden de goddelozen, vooral wie Gods volk vervolgen, meestal met dit woord aangeduid: “de hovaardigen” (Ps. 119:51; Ps. 119:69; Ps. 119:122). Hoogmoed zet slechte mensen ertoe aan om Gods volk te kwellen en onrecht te doen. Maar waarom heten vervolgers en onrechtplegers eigenlijk “de hovaardigen”? 1. Omdat goddeloze mensen het juk van God afwerpen. Ze willen zich niet onderwerpen aan hun Schepper en houden daarom niet op Zijn volk te treiteren: “Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken?” (Ex. 5:2).
Wat Farao op zijn tong had, leeft in het hart van alle mensen. Ze minachten God en Zijn wetten. In elke zonde zit een stuk hoogmoed en een geringschatting van God (2 Sam. 12:9). 2. Omdat ze dronken zijn van aards geluk en nooit aan veranderingen denken. “Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen” (Ps. 123:4). Als het mensen voor de wind gaat, zijn ze er snel bij om anderen onrecht aan te doen. Dan spotten ze met hen in hun ellende. Ze verachten het volk van God en zijn zaak.
Dat is een zeker gevolg van grote aanmatiging en hoogmoed. Ze denken dat ze alles mogen doen wat ze willen: “Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.” En ze slaan hun handen aan wie vrede met hen hadden (Ps. 55:20-21). Zolang het hun voorspoedig en rustig gaat, kunnen ze zich niet van geweld en onderdrukking onthouden. 3. Omdat ze een leven van pracht, gemak en vleselijke grootheid najagen. Daarom verachten ze de ellende, de geringheid en de eenvoud van Gods volk. De valse kerk heeft meestal de macht van de wereld en uiterlijke glans aan haar kant.
De ware kerk herken je aan goddelijke kracht, aan gaven en genaden en aan de glans van heiligheid. 4. Ze heten “hovaardig” vanwege hun uitdagende houding tegenover het volk van de Heere. Dat blijkt deels uit hun wetten en bevelen. Daarin eisen ze van de gelovigen meer eer, respect en gehoorzaamheid dan het geweten kan geven. Zo wilde Haman dat Mordechai zich naar Perzische wijze voor hem zou neerbuigen (Esth. 3:5). — Samengevat uit Manton.
Vers 78
“Als iemand van jullie,” zegt Caesarius, “het vers uit de psalm zingt waarin staat: Laat de hovaardigen beschaamd worden, laat hij dan ernstig werk maken van het mijden van hoogmoed. Dan ontkomt hij aan de eeuwige schande.” — William Kay.
Vers 78
“Doch ik betracht Uw geboden.” Hij zegt hetzelfde keer op keer. De wereld zou de boeken niet kunnen bevatten die over Christus geschreven zouden kunnen worden. Toch heeft de Heere ons, vanwege onze zwakheid, alles in zo weinig boeken samengevat. En ook daarin wordt één ding vaak herhaald. Dat laat zien dat het belangrijk is en dat wij het zorgvuldig en vaak moeten overwegen. Bovendien leren we dat niemand hier zo goed op let als nodig is. Hij laat zien dat zijn vijanden hem met slechte middelen probeerden te schaden, terwijl hij een goed geweten wilde bewaren.
Zo konden ze hem geen kwaad doen. Wij moeten dus geen list tegenover list zetten en ook niet “cretizare cum Cretensibus”. Laten we altijd op het Woord gericht blijven, binnen zijn grenzen blijven en strijden met de wapens die het ons aanreikt. Als we ons aan God en Zijn Woord overgaven en niets toelieten dan wat met het Woord overeenstemt, zouden we wijzer worden dan onze vijanden. — Richard Greenham.
Vers 78
“Doch ik betracht Uw geboden.” Het werkwoord tyva, asiach, in de tweede helft van het vers kan vertaald worden met “ik zal spreken van” en ook met “ik zal het telkens opnieuw overdenken”. Dan zegt hij dat hij na zijn overwinning Gods goedheid zal uitroepen, die hij zelf heeft ervaren. Spreken over Gods verordeningen komt neer op dit: uit de wet laten zien hoe getrouw Hij Zijn heiligen bewaart, hoe veilig Hij hen bevrijdt en hoe rechtvaardig Hij hun onrecht wreekt. — Johannes Calvijn.
Vers 78
“Betracht” (Engels: peinzen). Waarheden blijven krachteloos en onwerkzaam in het hart verborgen, totdat diepe, ernstige en indringende gedachten ze nuttig maken. Wie een kaars vluchtig door een kamer draagt, krijgt geen goed overzicht van wat er allemaal staat. Wie er een tijdje bij blijft kijken, wel. Rustig blijven overdenken is een groot voordeel. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 78
—
- Een moeilijke zaak: de hovaardigen beschaamd maken.
- Een wrede zaak: “zij mij met leugen nedergestoten” enzovoort.
- Een wijze zaak: “doch ik betracht Uw geboden” enzovoort.
Uitleg
Vers 79
“Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.” Het kan zijn dat de lasterlijke tong een deel van de godvrezenden van David had vervreemd. En vermoedelijk hadden Davids eigen, werkelijke fouten er nog veel meer verdriet gedaan. Hij smeekt God om Zich naar hem om te draaien. En daarna om ook Zijn volk weer naar hem toe te draaien. Wie met God in het reine is, wil ook in het reine zijn met Gods kinderen. David verlangde naar de liefde en het medeleven van mensen met genade, van elke rang en stand.
Beginnelingen in de genade en rijpe gelovigen hoorden daarbij: “die U vrezen” en “die Uw getuigenissen kennen”. We kunnen het ons niet veroorloven de liefde van zelfs de geringste heilige te verliezen. En hebben we hun achting kwijtgeraakt, dan is het goed en terecht om te bidden dat ze terugkomt. David stond aan het hoofd van de godvrezende kring in het volk. Het raakte hem tot in zijn hart toen hij zag dat wie God vreesden niet meer zo blij waren hem te zien als vroeger. Hij zette geen grote mond op met de woorden: kunnen zij zonder mij, dan kan ik ook best zonder hen.
Nee, hij voelde zó sterk hoeveel hun medeleven waard was, dat hij er een gebedszaak van maakte. De Heere moest hun hart weer naar hem toe wenden. Wie God lief zijn en in Zijn Woord zijn onderwezen, moeten ook voor ons zeer kostbaar zijn. We moeten er alles aan doen om met hen goed overweg te kunnen.
David noemt twee kenmerken van deze heiligen. Ze vrezen God en ze kennen God. Ze hebben dus toewijding én inzicht. Ze bezitten zowel de geest als de kennis van de ware godsdienst. We kennen gelovigen die vol genade zijn, maar niet erg verstandig. En andersom kennen we ook belijders die alleen maar hoofd zijn en geen hart. Een mens die toewijding combineert met inzicht, is de echte man. We zitten niet te wachten op vrome domkoppen. Maar ook niet op verstandelijke ijsbergen. Als vrees en kennis hand in hand gaan, zijn mensen tot elk goed werk volledig uitgerust. Als dit mijn uitgelezen gezelschap is, mag ik hopen dat ik zelf tot hun soort behoor. Laat zulke mensen zich steeds tot mij keren. Want in mij vinden ze een gezel die bij hen past.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 79
“Laat hen tot mij keren, die U vrezen.” Sommigen denken dat hier iets doorklinkt van de tijd waarin David die afschuwelijke zonde van de moord op Uria had begaan. Hoewel hij koning was, gingen de godvrezenden hem toen als een vreemde behandelen en keerden zich van hem af. Ze schaamden zich namelijk voor hem. Dat bedroefde hem. Daarom bidt hij: Heere, laat hen weer “tot mij keren”. Hij verlangt vooral naar het gezelschap van mensen die niet alleen eerlijk zijn, maar ook verstandig: “die Uw getuigenissen kennen”. Mensen met een goed hoofd én een goed hart, van wie de omgang opbouwt. Het is te wensen dat we met zulke mensen vertrouwelijk omgaan. — Matthew Henry.
Vers 79
“Laat hen tot mij keren, die U vrezen” enzovoort. David moest niet alleen de strijd aan met zijn eigen vlees, maar ook met de wereld. Daarom vocht hij niet in zijn eentje. Hij zocht steun bij anderen. Wanneer mensen merken dat het belijden van het geloof gevaar oplevert, omdat zo velen zich ertegen keren, haken ze af. Ze lopen dan over naar de grootste groep, de goddelozen. Wie dat wil voorkomen, moet zich aansluiten bij Gods kinderen. Zij staan ons bij met raad en advies. Is de één sterk wanneer wij zwak zijn, dan weet een ander raad wanneer wij het niet meer weten.
Zo blijven we voor veel kwaad bewaard. Zo ging het ook met Paulus (2 Tim. 1:16). Hij had eerst geklaagd over het onrecht dat velen hem hadden aangedaan. Vlak daarna dankt hij voor het gezin van Onesiforus. Dat gezin had hem méér opgebeurd dan al zijn vijanden hem ooit konden neerhalen. Dit ene huisgezin durfde hij dus op één lijn te stellen tegenover heel de bende van de goddelozen. — Richard Greenham.
Vers 79
“Laat hen tot mij keren, die U vrezen” enzovoort. Je moet naar God toe en Hem vragen om je omgang voor je uit te zoeken. Kijk maar wat David zei en deed. In Ps. 119:63 getuigt hij: “Ik ben een gezel van allen, die U vrezen.” Toch loopt hij in dit vers naar God toe en bidt: “Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.” Het is alsof hij zegt: Heere, ik ben inderdaad een gezel van iedereen die U vreest. Maar het ligt niet in mijn macht om hun hart naar mij te laten uitgaan.
Alle mensenharten liggen in Uw hand. Laat dus nu “hen tot mij keren, die U vrezen”. Doe jij ook zo. Ga naar God en zeg: Heere, zoek U mijn vrienden voor mij uit. O, buig hun hart en neig het tot mij, zodat zij mijn gezellen worden. — William Bridge.
Vers 79
“Die U vrezen.” “Die Uw getuigenissen kennen.” Pas als vrees en kennis bij elkaar komen, ontstaat een godvrezend mens. Kennis zonder vrees maakt arrogant. Vrees zonder kennis maakt bijgelovig. Blinde ijver lijkt op een blind paard: het zit vol vuur, maar het struikelt voortdurend. Kennis moet de vrees de richting wijzen, en vrees moet de kennis kruiden. Zo ontstaat een gelukkige mengeling. — Thomas Manton.
Vers 79
Een krachtig middel om de goede verstandhouding tussen Gods kinderen te herstellen is het gebed. David brengt dit voor God: “Laat hen tot mij keren.” De Heere heeft de leiding over harten en belangen. Alles ligt in Zijn hand. Of mensen van elkaar vervreemden of weer samenkomen, Hij gebruikt het: soms als oordeel en soms als barmhartigheid. Als het Hem behaagt, neemt Hij de troost van godvrezende vrienden bij ons weg. Als het Hem behaagt, brengt Hij hen ook weer terug. De voetstappen van Gods kinderen worden door God Zelf gericht. Komen ze naar ons toe? Dan is dat Gods zegen. Blijven ze weg? Dan is dat een vermaning. Hij liet Jakob en Laban in vrede bij elkaar komen (Gen. 31), en in het hoofdstuk daarna Jakob en Ezau. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 79
Terugkeer in de gemeenschap van de kerk.
- Goede mensen kunnen in een toestand raken waarin ze hersteld moeten worden.
- Ze mogen zich er niet voor schamen dat herstel te zoeken.
- Ze moeten er ook om bidden.
Vers 79
Uitgelezen gezelschap.
- Gezelligheid zit in de menselijke natuur ingebakken.
- Gezelligheid helpt mee aan een gezond christelijk leven.
- De keuze van ons gezelschap moet een onderwerp van gebed zijn. — C.A.D.
Uitleg
Vers 80
“Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.” Dit weegt nog zwaarder dan de goede mening van vrome mensen. Hier gaat het om de wortel. Is het hart gezond in de gehoorzaamheid aan God? Dan is het goed, of het wordt goed. Als ons hart recht is, deugt het in de hoofdzaak. Maar zijn wij voor God niet gezond, dan is onze reputatie van vroomheid een holle klank. Een belijdenis alleen houdt het niet vol. Waardering die we niet verdienen, spat uiteen als een zeepbel. Alleen wat oprecht en waar is, blijft overeind op de boze dag.
Wie rechtschapen van hart is, heeft geen reden voor schaamte en krijgt die ook nooit. Huichelaars hadden zich nu al moeten schamen. Eens zullen ze eindeloos beschaamd staan. Hun hart is verrot en hun naam zal wegrotten. Dit tachtigste vers is een variant op het gebed uit vers drieënzeventig. Daar vroeg de dichter om gezond verstand. Hier graaft hij dieper en vraagt hij om een gezond hart. Wie door bittere ervaring hun eigen zwakheid hebben leren kennen, kijken verder dan de buitenkant. Ze roepen de Heere aan om waarheid in het diepst van hun wezen.
Nu we deze acht verzen hebben bekeken, bidden we aan het eind met de schrijver mee: “Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 80
“Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen.” Wat verstaan we onder een gezond hart? Het duidt op echte, stevige genade. De Septuaginta vertaalt: Laat mijn hart zonder vlek en gebrek zijn. Het gaat dus om genade die werkelijk is. Dat is iets anders dan de kale vorm van godzaligheid, de mooie schijn van huichelaars en de plotselinge, even snel verdwenen opwellingen van mensen die maar een tijd geloven.
Wil je weten wat dat gezonde hart nu precies is? Daarvoor zijn vier dingen nodig:
- Een verlicht verstand. Dat is het besturende deel van de ziel. Het is gezond zolang het vrij blijft van het zuurdesem en de aansteking van dwaling: “Een man van verstand zal recht wandelen” (Spr. 15:21). Een gezond verstand is een goede steun voor een gezond hart.
- Een wakker geweten. Dat zegt ons wat we moeten doen en komt bij elke gelegenheid tegen de zonde in verzet: “Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken” (Spr. 6:22).
We dragen dus steeds een waarschuwer in ons mee. Die houdt ons God voor de geest wanneer onze nieren ons prediken in de nachten (Ps. 16:7). Diep in ons zit een heimelijke toeschouwer. Hij let op alles wat we doen, denken en zeggen. Het is een kapelaan aan huis, die nooit ophoudt ons te preken. Zijn hart is zijn Bijbel.
- Een goed gerichte wil, dat wil zeggen een vast besluit om in alle omstandigheden met God te gaan en te doen wat goed en welgevallig is in Zijn ogen: “En vermaande hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven” (Hand. 11:23). Er zijn er veel met lichte neigingen of wankelende besluiten. Hun hart is niet vast en uit gewoonte gericht op het behagen van God. Dáár zit juist de kern van dit gezonde hart: het blijft in alle dingen onverbrekelijk aan God vastgehecht.
- Zuivere en levendige gevoelens. Het zijn de krachtige bewegingen van de wil. Daarom moeten we er goed op letten. Ze moeten schoongemaakt worden van het vleselijke en aardse dat eraan vastzit. De Schrift noemt dit de besnijdenis van het hart (Deut. 30:6). — Samengevat uit Manton.
Vers 80
“Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen.” “Een gezonde geest in een gezond lichaam” was de bede van een heiden. Hij wenste zoveel als hij wist. Maar een hart dat gezond is in Gods inzettingen, gezond tot in de kern, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, en net als de koningsdochter “geheel verheerlijkt inwendig”: dát vraagt de psalmist.
Dat is het doel van elk kind van God en ook zijn gebed: “gelijk Hij rein is.” — Barton Bouchier.
Vers 80
“Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen.”
Oprecht van hart en met heel ons hart, getrouw en toegewijd,
zo willen wij, o Koning van ons leven, door Uw genade zijn!
Onder Uw hoge, koninklijke banier
strijden wij, sterk in Uw kracht, voor U alleen.
Oprecht van hart en met heel ons hart! Voortaan geven wij
onze volle trouw aan onze heerlijke Koning;
dappere inzet en gehoorzaamheid uit liefde
brengen wij U nu, van harte en met vreugde.
Oprecht van hart! Heiland, U kent ons levensverhaal;
zwak zijn de harten die wij aan Uw voeten leggen,
zondig en trouweloos! Maar genees ze, tot Uw eer,
en reinig ze van zonde en bedrog.
Met heel ons hart! Heiland, geliefd en heerlijk,
neem Uw grote macht en heers daar alleen,
zegevierend over onze wil en onze liefde,
die wij U vrij hebben overgegeven, geheel de Uwe.
Halfhartig! Vals van hart! Laten wij ons laten waarschuwen!
Alleen wat heel is, kan volkomen oprecht zijn;
breng heel het offer en schuif alle schroom opzij;
oprecht van hart is alleen wie ook zijn hele hart geeft.
Halfhartig! Heiland, zouden wij iets achterhouden
en U een deel geven, terwijl U ons alles gaf?
U, Die zegeningen uitstort en gouden beloften toezegt,
zonder ooit iets achter te houden of terug te nemen.
Halfhartig! Meester, zal iemand die U kent U zijn leven misgunnen,
terwijl U het Uwe hebt afgelegd?
Nee, wij willen U de harten geven die wij U schuldig zijn,
en leven voor Uw liefde en Uw eer alleen.
Zusters, lieve zusters, de roep klinkt overal;
zingen jullie het zilveren refrein niet mee,
krachtig en lieflijk, overvloeiend van blijdschap:
“Oprecht van hart en met heel ons hart!”, telkens weer?
Jezus is met ons, Zijn rust wacht ons;
stralend wappert Zijn banier boven ons.
Broeders, lieve broeders, zing samen in aanzwellend koor,
laat het wachtwoord van moed en liefde schallen!
Laat het wachtwoord schallen en laat het nooit verstommen,
lied van onze geest, jubelend en vrij:
“Oprecht van hart en met heel ons hart, nu en voor eeuwig,
zo willen wij, o Koning van ons leven, door Uw genade zijn!” — Frances Ridley Havergal (1836-1879) in “Loyal Responses.”
Vers 80
“Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen” enzovoort. Een gezond hart en een vals hart verschillen duidelijk van elkaar. Als het gezonde hart Christus ontvangt, ontvangt het Hem zoals een lieveling een prins ontvangt. Het geeft Hem alles in handen en laat Hem over alles de baas zijn. Een gewone herbergier doet dat niet. Hij neemt wie het eerst binnenkomt in huis. Hij pakt het geld van iedereen aan en heet elke gast welkom. Komt de slechtste mens langs? Dan maakt hem dat niets uit, want winst gaat bij hem boven alles. Zo doet het goede hart niet. Dat heet Christus alleen welkom en draagt alles aan Christus over. Wat Christus behaagt, zal het doen. En wat van Christus komt, zal het verwelkomen. — Thomas Hooker (1586-1647) in “The Soules Implantation.”
Vers 80
“Oprecht zijn.” Hebreeuws: volkomen zijn. Het woord van dezelfde stam is in Job 1:1 zo weergegeven. Dr. R. Young geeft als betekenis in het gebruik van de psalmist: heel, volledig, eenvoudig.
Vers 80
“Oprecht tot Uw inzettingen” enzovoort. Een rechtzinnige geloofsbelijdenis is nog niet hetzelfde als ware godsdienst. Toch vormt ze er het fundament van. Het is een grote zegen om haar te bezitten. — Nicolson, aangehaald door W. S. Plumer.
Vers 80
Wil je Christus trouw blijven en oprecht zijn in je belijdenis van Hem? Maak dan Davids gebed en wens tot de jouwe: “Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.” Een geloof dat met huichelarij begint, loopt gegarandeerd uit op afval. En afval brengt altijd smaad en schande mee. — William Spurstowe (1666)
Vers 80
“Beschaamd.” We kunnen beschaamd staan tegenover God of tegenover mensen, tegenover onszelf of tegenover anderen.
- Voor God. Dat kan zijn als we Hem naderen bij de troon van de genade. Het kan ook zijn als we op de laatste dag voor de rechterstoel van Zijn gerechtigheid moeten verschijnen.
(a) Gaat het om ons naderen tot Hem? Dan kunnen we niet met vrijmoedigheid voor Zijn aangezicht komen, als ons hart niet gezond is. “Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God” (1 Joh. 3:21). Die heilige vertrouwelijkheid en blijmoedigheid raken we kwijt, wanneer we ons hart bij onze hemelse Vader uitstorten terwijl dat hart niet gezond is.
(b) Gaat het om het moment waarop wij voor de rechterstoel van Zijn gerechtigheid verschijnen? Nu dringen veel mensen zich nog met brutale vrijpostigheid op aan de eredienst van God. Ze zien Hem immers niet en beseffen Zijn majesteit niet goed. Maar er komt een tijd waarin ook de onbeschaamdste en brutaalste zondaars sprakeloos zullen staan. Dat is op het moment dat de geheimen van alle harten openliggen en de verborgen dingen aan het licht komen (1 Kor. 4:5). Dan krijgt ieder van God zijn oordeel, naar wat hij gedaan heeft, goed of kwaad.
- Voor mensen kan iemand zich ook schamen, dus voor onszelf en voor anderen.
(1) Voor onszelf. Pythagoras zei: Heb ontzag voor jezelf en schaam je niet voor jezelf. God houdt in ons een spion en plaatsvervanger. Die let erop of ons leven met Zijn wil strookt of er tegenin gaat. Als we een zonde hebben begaan, geselt hij onze ziel met het besef van haar eigen schuld en dwaasheid, zoals het lichaam met zwepen wordt geslagen: “Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt?” (Rom. 6:21).
(2) Voor anderen. Onze schaamte kan dan het gevolg zijn van onze schandalen of van onze straffen. Het is moeilijk te zeggen welke van de twee hier bedoeld is. — Samengevat uit Manton.
Wenken voor predikers
Vers 80
—
- Davids gebed om oprechtheid. Zijn hart moest tot Gods inzettingen gebracht worden en er gezond in zijn, niet verrot of vol bedrog.
- Zijn angst voor de gevolgen van huichelarij: “opdat ik niet beschaamd worde.” Schaamte is het loon van huichelaars, hier of straks. — M. Henry.
Vers 80
—
- Het hart in het geloof.
- Waarom het daarin gezond moet zijn.
- Wat zo’n gezond hart oplevert.
Uitleg
Hier zien we de dichter in zijn diepste nood. Dit deel van de reusachtige psalm laat zien hoe zijn vijanden hem tot de bodem van angst en somberheid hebben gedreven. En toch laat hij de wet niet los en blijft hij op zijn God vertrouwen. De strofe van acht regels die nu volgt, is het middernachtelijk uur van de psalm. Het is er pikdonker. Maar er schitteren sterren, en het laatste vers kondigt de dageraad aan. Daarna klinkt de psalm weer opgewekter. Intussen mag het ons bemoedigen dat zo’n vooraanstaande dienaar van God door de goddelozen zo ruw is behandeld. Wat ons in onze eigen vervolgingen overkomt, is dus kennelijk niets bijzonders.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil.” Hij wilde geen andere verlossing dan die van God. Zijn ene wens was “Uw heil”. Maar naar die verlossing van God verlangde hij tot het uiterste. Hij gaf alles wat hij aan kracht had, en nog meer, totdat hij bezweek. Zijn verlangen was zo sterk dat zijn geest er uitgeput van raakte. Hij werd moe van het wachten, flauw van het uitkijken en ziek van de brandende nood. Zo werd zichtbaar hoe oprecht en vurig zijn verlangen was. Niets kon hem tevredenstellen, behalve een redding die uit Gods hand kwam. Zijn diepste wezen smachtte en verkwijnde naar redding van de God van alle genade. Hij moest die hebben, of hij ging helemaal ten onder.
“Op Uw woord heb ik gehoopt.” Daarom voelde hij dat de redding zou komen. God kan Zijn belofte immers niet breken. Hij stelt ook de hoop niet teleur die Zijn eigen woord heeft gewekt. Ja, de vervulling van Zijn woord is dichtbij als onze hoop vast is en ons verlangen vurig. Alleen de hoop kan de ziel voor flauwvallen behoeden, met het reukflesje van de belofte. Toch smoort hoop het verlangen naar een snel antwoord op ons gebed niet. Ze maakt ons juist nog dringender. Want ze wakkert het vuur aan en houdt het hart overeind als het antwoord op zich laat wachten.
Bezwijken van verlangen naar redding, en door de hoop erop toch niet helemaal ineenstorten: dat maakt een christen vaak mee. Wij zijn “moede, nochtans vervolgende”. Hoop draagt ons wanneer verlangen ons uitput. Verlangen als genade werpt ons neer. Hoop als genade richt ons weer op.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Verzen 81-88
Kaf, de elfde letter, betekent de holle hand. De uitleggers houden echter alleen rekening met de betekenis “gebogen”, en dat is slechts de helft. Ze zien in dit gedeelte het buigen van boetvaardigen. Of ze denken aan de vaders van het Oude Testament, die leken op oude soldaten: door de jaren en het zware werk gebogen. Nog verder doorgebogen door het drukkende gewicht van de wet. Dat gewicht kon pas verdwijnen met de komst van Christus, waarom zij baden. Weer anderen rekken de gedachte op tot de heiligen van de kerk, die door de zorgen en het leed van dit leven worden neergedrukt.
Daarom verlangen zij ontbonden te worden en bij Christus te zijn. Maar de ware betekenis zoek je in de volledige uitleg van het woord. Een hand is hol om iets vast te houden dat er echt in ligt. Of om iets te ontvangen dat een ander er zo meteen in legt. Het kan dus de hand van God zijn, de Gever van overvloed, of de hand van de mens, de ontvanger. Dit hele gedeelte is een gebed om vlugge hulp. Het gaat erom dat de mens zijn hand uitstrekt als een bedelaar die Gods barmhartigheid afsmeekt. — Hiëronymus, Ambrosius en anderen, in Neale en Littledale.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil.” In Ps. 73:26 is hetzelfde woord vertaald met “bezwijkt”: “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart.” De bedoeling is dat zijn kracht het begaf. Zijn verlangen naar redding was zo intens dat hij zwak werd en geen kracht meer had. Elke sterke emotie kan zo’n uitwerking hebben. Liefde tot God, verlangen naar Zijn gunst en heimwee naar de hemel kunnen zó groot zijn, dat ze ons dit aandoen. — Albert Barnes.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken.” Flauwvallen hoort eigenlijk bij het lichaam. Hier wordt het aan de ziel toegeschreven, zoals op veel andere plaatsen. De apostel zegt: “Opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen” (Hebr. 12:3). Hier staan twee woorden, verflauwen en bezwijken, allebei van het lichaam geleend. Verflauwen is een lichtere en bezwijken een zwaardere vorm van uitputting. Bij verflauwen heeft het lichaam wat rust of verkwikking nodig. De werkkracht is dan verzwakt en de levensgeesten en bewegingskrachten zijn afgestompt. Bij bezwijken trekt de levenskracht zich samen en verdwijnt ze. Dan blijven de uiterlijke delen levenloos en gevoelloos achter.
Wie moe is, heeft minder kracht. Wie bezwijkt, is helemaal leeg. Deze dingen worden als beeld op de ziel of het gemoed toegepast. Iemand is moe wanneer de standvastigheid van zijn gemoed, zijn morele of geestelijke kracht, gebroken is of begint af te nemen. Zijn ziel zit dan niet lekker onder het lijden. Maar als hij bezwijkt onder de last van zware, slopende of langdurige ellende, zegt men dat hij bezwijkt: alle redenen en gronden voor zijn troost zijn dan op, en hij houdt het niet langer vol. — Thomas Manton.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken.” Wat is dit bezwijken anders dan de verheven toestand van verrukte overpeinzing? De kracht van hemelse verlangens maakt dan de aardse verlangens zwak. Het is zoals bij het beklimmen van de hoogste bergen: je moet op een nieuwe manier ademhalen. Zo vertelt Daniël over het grote gezicht dat hij van God kreeg: “Toen werd ik, Daniel, zwak, en was enige dagen krank.” — E. Paxton Hood, 1871.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.” Blijf geloven onder een wolk. Blijf op Hem wachten als er geen maanlicht of sterrenlicht te zien is. Laat het geloof leven en ademen, en de vaste redding van God vastgrijpen, ook als wolken en duisternis je omgeven en je in de gevangenis dreigt weg te rotten. Neem je in acht voor ongelovige harten. Die schuiven leugens in de schoenen van Christus. Neem je in acht voor de vraag “Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op?” Want dat was een mens die dit zei, en niet God.
Wie denkt er ooit aan dat een belofte van God kan mislukken, bewusteloos neervalt of sterft? Wie kan God ziek maken, of Zijn beloften zwak? Willen we bij Christus een pleitgrond zoeken? Laten we dan pleiten dat we op Hem hopen. O, wat een stoer woord van het geloof: “Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?” O, wat een lieflijk grafschrift op de steen van een gelovige die is ingeslapen: “Ik stierf hopend, en mijn stof en as geloven in het leven!” De ogen van het geloof kunnen door een molensteen heen kijken.
Zo zien ze ook door een donkere bui van God heen en lezen eronder Gods gedachten van liefde en vrede. Houd Christus vast in het donker. Dan zul je de redding van God beslist zien. Je tegenstanders zijn rijp en kurkdroog voor het vuur. Nog even en ze slaan in vlammen op. De adem van de Heere zal als een zwavelstroom om hen heen ontbranden. — Samuel Rutherford, 1600-1601.
Vers 81
“Naar Uw heil.” Hoger opgevat is de heilige man hier hunkerend naar de Zaligmaker, Die in het vlees zou komen. — Cornelius Jansen.
Vers 81
“Uw heil.” Wie in God gelooft, zoekt geen verlossing langs een andere weg dan een weg die God goedkeurt. Dat geldt hoe ellendig hij ook is. “Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil” betekent dus ook: tot U mij redt op Uw goede wijze. — David Dickson.
Vers 81
“Op Uw woord heb ik gehoopt.” David wist waar zijn schip aan de kant lag. Hoop zonder belofte is als een anker zonder bodem om zich in vast te haken. Maar Davids hoop zette zich vast in het woord van God. — William Gurnall.
Vers 81
“Op Uw woord heb ik gehoopt.” Dat wil zeggen: mijn hoop reikt verder dan alles wat ik begrijp en alles wat ik zelf kan doen. Ze gaat boven wat ik verdien en boven alle vleselijke en geestelijke troost uit. Want het is alleen U naar wie ik verlang en uitzie. Ik zoek Uzelf, niet wat van U is. Mijn hart wil “Uw woord” horen, om het met geduld en zachtmoedigheid na te leven. — Le Blanc.
Vers 81,83
In elke tijd van vervolging of ellende is het goed om én op de beloften én op de geboden te letten. Wie naar de belofte kijkt, wordt aangemoedigd om te hopen. Wie naar de geboden kijkt, bewijst dat zijn hoop gezond is. De psalmist hoopte op het woord (Ps. 119:81) en vergat de inzettingen niet (Ps. 119:83). — David Dickson.
Wenken voor predikers
Schetsen bij de sleutelwoorden van de psalm, door ds. C. A. Davis.
Verzen 81-88
Hoop in neerslachtigheid. Soms zijn we terneergeslagen door onze sterfelijke zwakheid (Ps. 119:81-84). Soms ook door onrechtvaardige vervolging (Ps. 119:85-87). In beide gevallen is het Woord van God de bron van vreugde en troost.
Wenken voor predikers
Vers 81
Een tekst die past bij een zendingspreek.
- De toestand van de heidense wereld is genoeg om een christen te laten bezwijken van verlangen naar Gods heil, dat haar mag bezoeken.
(a) Hoe diep haar duisternis is.
(b) Hoe groot het gebied is.
(c) Hoe lang het al duurt.
(d) Hoe beperkt het zendingswerk is, en wat het bereikt.
(e) De krachten die dwarsliggen.
- Hoe droevig deze toestand ook is, hij is niet hopeloos. Want:
(a) Denk aan het doel, de geschiktheid en de roeping van het evangelie voor iedereen.
(b) Denk aan de opdracht die Christus Zijn kerk gaf.
(c) Denk aan het mededogen van wie geestelijk verlicht zijn. Dat groeit uit hun geloof in het Woord.
(d) Denk aan de profetieën en beloften. Zo is er hoop in het Woord.
- Als christenen bezwijken van verlangen naar dat heil maar hopen op het Woord, zal hun belangstelling voor het zendingswerk groot zijn en zichtbaar worden:
(a) In ernstig gebed om meer werkers en grotere resultaten.
(b) In dat ze zich, als het kan, zelf aan het werk wijden.
(c) In vrijgevig en gul geven om het werk vooruit te helpen. — J.F.
Vers 81
“Mijn ziel is bezweken” enzovoort. Mensen bezwijken van verlangen naar gezondheid, levensonderhoud, rust, promotie, succes en soms ook naar redding. David bezweek.
- Naar zijn eigen redding.
(a) Van schuld: “Verlos mij van al mijn overtredingen” en “van bloedschulden”.
(b) Van bezoedeling: “Schep mij een rein hart.” “Was mij.”
(c) Van lege vorm: “Laat de redenen mijns monds” enzovoort.
(d) Van duisternis: “Waarom verbergt Gij U?” “Verhef” enzovoort. “Zeg tot mijn ziel” enzovoort.
(e) Van ongeluk: “Uit de diepten” enzovoort.
- Naar de redding van anderen.
(a) Daar praatte hij over: “Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke.”
(b) Daarvoor bad hij: “Och, dat Israels verlossing” enzovoort. “Uw werk” enzovoort. “God zij ons genadig.” “Och HEERE! geef nu heil.”
(c) Daarvoor werkte hij: “Ik zal Uw gerechtigheid vermelden.” “Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren.” — W.J.
Vers 81
- Hunkerend uitzien.
- Krachtige hoop.
- Vaste belofte: “Op Uw woord.”
Vers 81
“Heil” of “zaligheid” heeft in de Schrift meerdere betekenissen. Het wordt gebruikt:
- Voor de aardse bevrijding die God Zijn volk geeft of beloofd heeft te geven. Zo moet het worden opgevat in Ex. 14:13.
- Voor het verschijnen van Christus in het vlees. Ps. 98:2-3, Luk. 2:29-30.
- Voor de weldaden die wij door Christus al aan deze kant van de hemel hebben, zoals de vergeving van zonde en de vernieuwing van onze natuur. Matth. 1:21; Titus 3:5, Ps. 51:14.
- Voor het eeuwige leven: “Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen” (1 Petr. 1:9). Daarmee bedoelt men ons uiteindelijke loon. — T. Manton.
Vers 81
—
- Flauw.
- Doorgaand. — W.D.
Uitleg
Vers 82
“Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Zijn ogen raakten uitgeput van het gespannen turen naar het vriendelijke verschijnen van de Heere. Zijn vermoeide hart schreeuwde ondertussen om snelle troost. Je kunt in het Woord lezen tot je ogen niets meer zien. Maar dat stelt weinig voor naast het wachten op de vervulling van de belofte, tot de ogen van je verwachting dof worden door uitgestelde hoop. We mogen God geen tijden opleggen. Dan zetten we de Heilige van Israël een grens.
Wel mogen we hardnekkig aandringen en zonder omwegen vragen waarom de belofte zo lang uitblijft. David zocht alleen troost die van God komt. Zijn vraag is: “Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Komt de hulp niet uit de hemel, dan komt ze helemaal niet. Alle hoop van deze goede man is daarop gericht. Voor een andere kant heeft hij geen blik. Volwassen gelovigen kennen dit wachten en bezwijken maar al te goed. Het leert hun veel kostbaars, dat ze op geen andere manier hadden kunnen leren. Een van de mooiste vruchten is dat het lichaam meegaat met de ziel.
Hart en vlees roepen allebei om de levende God, en zelfs de ogen krijgen een tong: “terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Wat moet dat verlangen intens zijn als de lippen het niet meer kunnen zeggen en de ogen het overnemen, omdat ze bezwijken van het strakke uitkijken! Ogen zijn zeer welsprekend. Ze kennen zowel klanken zonder geluid als vloeiende klanken. Soms zeggen ze meer dan tongen. Op een andere plaats zegt David: “De HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord” (Ps. 6:9). Onze ogen zeggen het meest wanneer ze moe worden van vermoeidheid en ellende.
Een nederig oog dat in stil gebed naar de hemel opkijkt, kan zo’n vuur afgeven dat de grendels smelten die gesproken gebed tegenhouden. Zo wordt de hemel stormenderhand genomen met het kanon van de tranen. Gelukkig zijn de ogen die zich uitrekken naar God. De ogen van de Heere zorgen ervoor dat zulke ogen nooit echt bezwijken. Hoeveel beter is het om met pijnlijke ogen naar de Heere uit te zien dan om ze te laten stralen bij de schittering van de ijdelheid.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 82
“Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging.” Stel dat een moeder haar zoon of dochter een bezoek heeft beloofd, en ze kan niet komen. Dan zegt het kind: “Helaas! Mijn moeder had beloofd bij mij te komen. Wat heb ik naar haar uitgekeken! Maar er zit een vlekje op mijn oog. Ik kan niets zien, mijn ogen laten het afweten.” Hij bedoelt: omdat hij zo ingespannen heeft uitgekeken naar haar komst. — Joseph Roberts.
Vers 82
“Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging.” Hij hield zijn ogen onophoudelijk naar de hemel gericht en keek uit naar hulp van God. Hij deed het zó voortdurend dat zijn ogen er uiteindelijk dof van werden.
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Dat zei hij bij zichzelf. Dat zei hij hardop. Ook zijn ogen zeiden het, want die bleven steeds naar de hemel gericht. — Wolfgang Musculus.
Vers 82
“Naar Uw toezegging.” Wie bij God hoort, haalt meer uit een belofte dan anderen. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste: zij waarderen de beloofde zegen. Ten tweede: de zekerheid die Gods woord geeft, is hun genoeg. Anderen lopen er met een onverschillige blik langs. Maar hun ziel komt in beweging en blijft vurig vragen om die beloofde zegen. Er staat over de huurling dat hij zijn loon moet ontvangen vóór de zon ondergaat.
Hij is arm en zijn ziel verlangt ernaar (Deut. 24:15). In het Hebreeuws staat zelfs: hij heeft er zijn ziel naartoe opgetild. Dat omvat zowel zijn verlangen als zijn hoop. Zijn loon is voor hem kostbaar, want daarmee kan hij zijn zwoegen verzachten en in leven blijven. Hij weet bovendien zeker dat het komt, door de belofte en de afspraak van wie hem aan het werk zet. Zo gaat het ook met Gods kinderen. Zij zien de beloofde zegen als iets kostbaars. En Gods woord geeft hun stevig houvast dat ze niet tevergeefs op Hem wachten. — Thomas Manton.
Vers 82
“Terwijl ik zeide: Wanneer?” Dezelfde Geest van het geloof die iemand leert vurig te roepen, leert hem ook geduldig te wachten.
Hij verzekert hem immers dat de barmhartigheid in de hand van de Heere ligt, en ook dat ze tevoorschijn komt op de tijd van de Heere. — John Mason, 1688.
Vers 82
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” God gaat gewoonlijk zo met Zijn kinderen om dat Hij het antwoord op hun gebeden uitstelt en de vervulling van Zijn beloften opschort. Dat komt niet doordat Hij niet wil geven. Hij wil hen juist beter klaarmaken om te ontvangen. Tardius dando quod petimus instantiam nobis orationis indicit: wat wij vragen geeft Hij met vertraging, zodat wij niet met vertraging gaan vragen, maar worden wakker geschud tot aandringen en gloed in het gebed. Hij weet dat Hem die dienst het meest behaagt en dat die onszelf het meeste oplevert. — William Cowper.
Vers 82
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Laten we niet klagen over God, maar tot God. Wie over God klaagt, geeft lucht aan morren. Wie tot God klaagt, geeft lucht aan geloof, hoop en geduld. — Thomas Manton.
Vers 82
De profeet wil niet de indruk wekken dat hij te week en kleinmoedig was. Daarom geeft hij aan dat zijn bezwijken een reden had. Hij vraagt God: “Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Daarmee laat hij duidelijk genoeg zien dat hij al lange tijd als het ware verstoten en verlaten was. — Johannes Calvijn.
Vers 82
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Soms is Gods volk diep troosteloos en heeft het troost nodig. Dat komt door de overmacht van de zonde, de kracht van de verzoekingen van de satan, het verborgen blijven van Gods aangezicht en allerlei ellende. Dan gaan ze voor troost naar God, want alleen Hij kan troosten, en Hij heeft daar vaste tijden voor. Maar zij vinden het snel te lang duren. Net als David vragen ze hier wanneer het zover is. — John Gill.
Vers 82
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” Een arme vrouw twijfelde al heel lang aan zichzelf en aan haar zaligheid. Uiteindelijk maakte de Heere in haar ziel waar dat Christus van haar was. Toen zei haar predikant tegen haar: De Heere geeft Zijn kinderen niet altijd een hartversterking. Maar Hij heeft er wel een voor hen klaar wanneer ze flauw dreigen te vallen. — Thomas Hooker.
Vers 82
“Wanneer zult Gij mij vertroosten?” We hebben troost nodig, omdat veel van onze verzoekingen bestaan uit moeilijkheden én uit verleidingen. Pijn kan ons uit balans brengen, net zoals genot ons kan verleiden. De wereld vervolgt ons, maar lokt ons ook. Het vlees kwelt ons, maar het verleidt ons ook. De duivel jaagt ons angst aan, maar hij legt ons ook strikken. Toch is troost, hoe hard we die ook nodig hebben, werkelijk niet zó nodig als heiligheid. We moeten troost dus zeker niet minachten. Maar oprechte liefde tot God gaat voor. En als die troost in deze wereld niet zo zeker, zo onafgebroken en in zo’n ruime mate wordt gegeven, moeten we daar vrede mee hebben.
Het troostende werk van de Geest wordt vaker onderbroken dan het werk van de heiligmaking. Toch krijgen we beslist zoveel als we nodig hebben om God in deze wereld te dienen. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 82
Het antwoord op de vraag: “Wanneer zult Gij mij vertroosten?”
- Wanneer je verdriet zijn doel heeft bereikt.
- Wanneer je gelooft.
- Wanneer je de zonde achterlaat.
- Wanneer je gehoorzaamt.
- Wanneer je je aan Mijn wil overgeeft.
- Wanneer je Mijn eer zoekt.
Vers 82
—
- Hoe verlangend de gelovige in zijn ellende naar God toe gaat voor troost: “Wanneer zult Gij mij vertroosten?”
- Hoe strak hij zijn blik op de beloften van God houdt: “Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging.”
- Hoe de vermoeidheid van het wachten zijn geduld niet kan opmaken, terwijl de hoop zijn aandringen versterkt: “Wanneer zult Gij?” — J.F.
Vers 82
Wat de ogen te bepleiten hebben.
- Hoe ogen spreken. Zo laten ze zien wat er in de ziel leeft: verlangen (Jes. 8:17), geloof (Jes. 45:22, Hebr. 12:2), verwachting (Ps. 5:4, Filipp. 3:20, Titus 2:13) en liefde (2 Kor. 3:18, Joh. 1:14).
- Wat ogen zeggen. “Wanneer zult Gij mij vertroosten? Alle andere troosters laat ik varen. U bent mijn zon, mijn leven, mijn liefde, mijn alles.”
- Hoe smekende ogen het antwoordende Oog van de Heere tegenkomen: Ps. 33:18. Dat Oog kijkt ons dan aan met erkenning van ons verdriet (Ex. 2:25), met vergeving (Luk. 22:61), met kracht die Hij geeft (Richt. 6:14) en met een liefde die in ons verheugd is (Jes. 66:2). — C.A.D.
Uitleg
Vers 83
“Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook.” In de tent werden de lege wijnzakken van dierenhuid opgehangen. Vulde de ruimte zich met rook, dan werden die huiden zwart van het roet en in de hitte kregen ze rimpels en gingen ze kapot. Zo ging het ook met de psalmist. Zijn gezicht was donker en somber geworden van verdriet, vol groeven en lijnen. Eigenlijk had heel zijn lichaam het verdriet van zijn geest zó meebeleefd, dat het zijn vocht was kwijtgeraakt. Het leek op een gedroogde, gelooide huid. Laster had zijn goede naam berookt en vervolging had zijn geest uitgedroogd.
Hij vreesde half dat al dit zielenleed hem nutteloos en machteloos zou maken. Zouden mensen hem gaan zien als een oude, kapotgesleten zak die niets meer kan bevatten en nergens meer voor deugt? Wat een beeld, uit de mond van een man die zeker dichter was, godgeleerde en leraar in Israël, en zelfs koning en man naar Gods hart! Dan is het niet vreemd dat wij, gewone mensen, weinig van onszelf denken en onder zware druk van het gemoed zitten. Sommigen van ons weten van binnenuit wat dit beeld betekent. Ook wij voelden ons vuil, laag en waardeloos.
We voelden ons goed genoeg om weggegooid te worden. De rook om ons heen was pikzwart en bloedheet. Ze scheen niet alleen uit de Egyptische oven op te stijgen, maar uit de bodemloze put. En ze bleef hangen. Het roet zette zich op ons vast en kleurde ons zwart met ellendige gedachten.
“Doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.” Hier zien we het geduld van de heiligen en ook de zege van het geloof. Leugens mochten de man van God zwartmaken, de waarheid woonde in hem en die liet hij nooit varen. Hij bleef zijn Koning trouw, ook al leek hij in de steek gelaten en bestemd voor het gemeenste gebruik. Zijn gedachten gingen naar de beloften. En, nog meer bewijs van trouw, ook naar de inzettingen. Hij hield vast aan zijn plichten, niet alleen aan zijn vertroostingen. Wat er ook gebeurt, het kan de greep van een echte gelovige op zijn God niet breken.
Genade is een levende kracht. Ze blijft in leven waar elk ander leven zou stikken. Vuur kan haar niet opeten. Rook kan haar niet smoren. Een mens kan uitgemergeld raken tot er alleen huid en bot is. Alle troost kan uit hem worden gezogen. Toch kan hij zijn oprechtheid vasthouden en zijn God eer geven. Het is dan ook niet vreemd dat de ogen, door de rook gepijnigd, in zo’n geval schreeuwen om de reddende hand van de Heere. En dat het verhitte, flauwe hart smacht naar het heil van God.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 83
“Een lederen zak in den rook.” Slapen kon niet. Ik stikte bijna in de rook van een houtvuur, want er was geen schoorsteen. Ik was werkelijk “als een lederen zak in den rook”: zwart geworden en droog tot het bijna barstte. Dát had de psalmist ongeveer voor ogen. De zakken waren van leer en hingen in kamers met grote houtvuren zonder schoorsteen. Ze werden rookdroog, schrompelden en waren niet meer bruikbaar. — Uit “My Wanderings”, door John Gadsby, 1860.
Vers 83
“Als een lederen zak in den rook.” Het verblijf van een doorsnee Arabier is zó rokerig, dat ik de uitdrukking “een lederen zak in den rook” beschouw als hetzelfde als “een zak in de tent van een Arabier”. Ook in de Arabische tent waar bisschop Pococke op weg naar Jeruzalem werd binnengeleid, brandde blijkbaar een vuur. Wat een rook moet daar hangen, en hoe zwart moet al het gerei zijn! Le Bruyn merkte dat goed op zijn tocht van Aleppo naar Scanderoon. Een hele nacht moest hij doorbrengen in een rieten hut. Midden in die hut brandde een vuur. Daarop hing een ketel met vlees te koken en in de as werd brood gebakken. De rook was voor hem niet te harden, want de deur was het enige gat waardoor de rook de hut uit kon.
De psalmist denkt hier niet alleen aan het zwart van een geitenleren zak in een tent. Hij denkt ook aan hoe armoedig zo’n drinkvat is. Dat beeld lag voor hem erg voor de hand. Uit de zilveren en gouden bekers van Sauls paleis was hij verdreven, en hij leefde nu zoals Arabieren nog leven en toen leefden. Dus moest hij vaak drinken uit een beroete leren zak. — Thomas Harmer, 1719-1788.
Vers 83
“Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook.” In een zak in de rook zit nauwelijks nog zwelling, vet, vocht of schoonheid. Zo laat God Zijn volk verkwijnen. Hij brengt het laag en maakt het leeg, terwijl Hij het oefent met verdrukkingen en met het gewacht en gehoop dat onrustig maakt. De pracht en het gretige van het vlees moeten leeg, zodat Gods gaven ruimte krijgen en de herinnering aan Gods geboden bewaard blijft. Die kun je niet goed bewaren in zakken die gezwollen, opgeblazen en vol zijn. — Wolfgang Musculus.
Vers 83
“Een lederen zak in den rook.” Bij de ouden had zo’n blootstelling aan rook één bedoeling: de wijn mild laten worden. De hitte en de rook stegen langzaam op uit het vuur waarboven de huid hing. Zo leren deze woorden ons iets over het grote nut van ellende: ze laat de ziel rijpen en beter worden. — Rosenmüller, aangehaald in Neale en Littledale.
Vers 83
“Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook” enzovoort. Via de geest kan de satan het lichaam pijnigen. Geest en lichaam zijn zo met elkaar verweven dat goed en kwaad in beide worden gedeeld.
Is het hart blij, dan straalt het gezicht, komt er nieuwe kracht en bloeien de beenderen als groen kruid. Is het hart verontrust, dan gaat de gezondheid achteruit, verdort de kracht en verschrompelt het merg in de beenderen. En zo verder. Verdriet in het hart is als een mot in een kleed. Het vreet het lichaam ongemerkt op en richt het te gronde. Dit voordeel, een zwakker lichaam, valt de satan automatisch in de schoot, net als de rijpe vijgen van de profeet in de mond van wie ze at. Hij is daar vast heel blij mee, want hij is vijand van lichaam en ziel.
Maar nog liever doet hij het ook andersom. Zoals hij de pijn van de geest het lichaam zwak en ziek kan laten maken, zo kan hij ook de ziekte van het lichaam (als een soort tegenprestatie) de nood van de geest laten opvoeren. Wat kan een ziek lichaam weinig! Het sluit een mens uit van elke dienst. Vaak kan hij niet bidden, niet lezen en niet luisteren. Ziekte haalt de zoetheid en troost uit religieuze oefeningen. Dat is voor hen een reden om het ergste over zichzelf te denken. Ze menen dat hun ziel de wegen van God moe is, als hun lichaam het niet meer redt. — Richard Gilpin, in “A Treatise of Satan’s Temptations”, 1677.
Vers 83
“Als een lederen zak in den rook.” De gebukte psalmist herkende hierin zijn eigen innerlijke toestand. Hij zag verlangend uit naar de komst van de Heere. Zijn geest was kurkdroog door de druk die op hem lag. Hij bleef uitzien naar de komst van de Heere en bracht ondertussen onder woorden hoe verschrompeld hij was. Misschien droeg ook zijn uiterlijke mens op dat moment diezelfde droevige sporen. Maar het uiterlijk van de man van God, waar hij mogelijk op zinspeelt, was niet meer dan het beeld van zijn geestelijke gesteldheid in die tijd, welke zichtbare gevolgen er ook waren.
David werd overspoeld met lasterlijke geruchten van kwaadwillende mensen en met de hete vervolging van onverbiddelijke vijanden. Zo diep trof hem dat in zijn gemoed, dat zijn hele geestelijke wezen er in zijn eigen ogen uitzag als een huid die lang in de rook heeft gehangen. Zijn aanzien was in de openbare mening ingekrompen, maar ook in zijn eigen ogen. Dat was niet omdat hij toen vond dat hij het verdiende, gezien de beschuldigingen tegen hem. Maar de bittere aanval op zijn geest ging zó onophoudelijk en in zoveel vormen door, dat hij er, ondanks al zijn geloof in God, bijna letterlijk onder bezweek.
Onze vertaling geeft het oorspronkelijke woord zo weer dat het lijkt alsof hij zich ondanks alles goed hield:
“Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.” Maar vertaal je de woorden nauwkeuriger, dan komt een belangrijk gegeven aan het licht: dit alles overkwam hem terwijl hij juist op het pad van zijn plicht liep. “Ik ben geworden als een lederen zak in den rook, en Uw inzettingen vergeet ik niet.” Hij stond midden in Gods bepalingen voor alle heil, en toch kwam er nood. Het is triest als onze geestelijke mens verschrompelt en uitdroogt omdat we in zonde zijn gevallen of schuldig iets hebben nagelaten. Maar hier lijkt zowel de geestelijke als de lichamelijke mens achteruit te gaan, terwijl de gelovige zich bewust is dat hij de inzettingen van zijn genadige God niet vergeet. — John Stephen.
Vers 83
Let hier goed op het verschil tussen de schoonheid en de kracht van het lichaam en die van de ziel. Door ellende wordt de schoonheid van de ziel mooier, terwijl die van het lichaam verwelkt. David was een zak die was verschrompeld en ingedroogd. Toch was de heilige gesteldheid van zijn ziel helemaal niet veranderd. Zijn schoonheid was weg, maar zijn genade niet. — Thomas Manton.
Vers 83
“Ik ben geworden als een lederen zak in de vorst” (zo luidt het bij de Zeventig). Branden de geestelijke verlangens in ons, dan doven de vleselijke vanzelf. Daarom staat er verderop: “Sinds ik een lederen zak in de vorst ben geworden, vergeet ik Uw gerechtigheden niet.” Hij leest in de zak ons sterfelijke vlees, en in de vorst de hemelse zegen. Die zegen maakt de lusten van het vlees loom, alsof de vorst ze aan banden legt. Zo glijden Gods gerechtigheden niet uit ons geheugen weg, zolang we er maar niet los van nadenken.
Dan komt uit wat de apostel schrijft (Rom. 13:14): “Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.” Eerst zei hij dus: “Want ik ben geworden als een lederen zak in de vorst”, en toen kwam er aan toe: “en ik vergeet Uw gerechtigheden niet.” Hij bedoelt: juist doordat ik zo geworden ben, vergeet ik ze niet. De gloed van het verlangen naar het kwade was gedoofd, zodat het geheugen van de liefde kon branden. — Augustinus.
Wenken voor predikers
Vers 83
—
- Een uiterlijke mens in slechte staat.
- Een karakter dat zwart is gemaakt.
- Voortdurend blootgesteld aan ongemak.
- Wat erin zit, rijpt.
Vers 83
Een lederen zak in de rook.
- Ook Gods volk kent beproevingen.
(a) Die komen voort uit de armoede van hun situatie.
(b) Onze beproevingen komen vaak uit onze troost voort.
(c) Aan het ambt zit veel rook.
(d) De arme zak hangt lange tijd in de rook, tot hij zwart is.
- Christenen voelen hun zorgen. Net als “zakken” in de rook.
(a) Een beproeving die je niet voelt, is geen beproeving.
(b) Beproevingen die we niet voelen, brengen niets op. Een zak in de rook wordt erg zwart en erg onbruikbaar, wanneer hij leeg is.
- Christenen vergeten in hun zorgen Gods inzettingen niet. Zowel de inzettingen van het gebod als die van de belofte blijven. Waarom bleef David zich aan Gods inzettingen vasthouden?
(a) Hij was geen zak in het vuur. Anders waren ze hem uit het hoofd gegaan.
(b) Jezus Christus hing met hem in de rook, en de inzettingen hingen ook met hem in de rook.
(c) De inzettingen zaten in zijn ziel, waar rook niet binnenkomt. — Uit “Spurgeon’s Sermons.” Nr. 71.
Uitleg
Vers 84
“Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn?” Ik kan niet verwachten dat ik nog lang leef in zo’n toestand. U moet snel komen om mij te helpen, anders ga ik dood. Moet heel mijn korte leven worden opgeslokt door zulk vernietigend verdriet? Dat het leven kort is, is een goed argument tegen een lange ellende. Misschien bedoelt de psalmist dat zijn dagen hem te talrijk leken, nu ze in zo’n nood werden doorgebracht. Hij wenste half dat ze voorbij waren. Daarom vroeg hij in zijn benauwdheid: “Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn?” Als een ingehuurde knecht moest hij een vaste tijd dienen, en daar wilde hij niet over klagen.
Toch leek die tijd lang, omdat zijn verdriet zo zwaar woog. Niemand weet hoeveel dagen ons zijn toegemeten, behalve de Heere. Daarom doet hij een beroep op Hem: Maak ze niet langer dan Zijn knecht kan dragen. Het kan niet de gedachte van de Heere zijn dat Zijn eigen knecht voortdurend zo onrechtvaardig wordt behandeld. Hier moet een einde aan komen, en wel spoedig. Wanneer zal dat zijn?
“Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?” Zijn zaak had hij aan de Heere overgedragen. Nu bad hij dat het vonnis zou vallen en worden uitgevoerd. Wat hij wilde, was niets anders en niets meer dan recht: zijn naam moest schoon worden en zijn vervolgers moesten verstommen. Dat God Zijn eigen uitverkorenen recht zou doen, wist hij zeker. Alleen liet de dag van de redding op zich wachten. De uren sleepten zich zwaar voort. En de vervolgde riep dag en nacht om verlossing.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 84
“Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn?” enzovoort. Sommige uitleggers behandelen de twee delen als twee aparte zinnen. In het eerste deel zien zij een algemene zucht over hoe kortstondig het mensenleven is, zoals die in andere psalmen klinkt en vaker in het boek Job. In het tweede deel lezen zij een afzonderlijk gebed om Gods wraak op de vijanden. Zelf lees ik de twee delen liever als één geheel, en ik zie beide als verwijzing naar Davids eigen lijden. Het is dan alsof hij zegt: Heere, hoe lang denkt U Uw knecht nog uit te leveren aan de grillen van de goddelozen?
Wanneer treedt U hun wreedheid en geweld tegemoet, om hen te straffen? De Schrift gebruikt het woord “dagen” vaak zo. In het meervoud duidt het een bepaalde periode aan. Elders wordt die vergeleken met de dag van een dagloner: “als een dagloner” (Job 14:6), “als de jaren eens huurlings” (Jes. 16:14). Hij treurt hier dus niet om de vergankelijkheid van het menselijk bestaan in het algemeen. Zijn klacht is dat zijn strijd op aarde veel te lang duurt. Het is dan ook begrijpelijk dat hij hoopt dat die ophoudt. Wanneer hij God aanspreekt op zijn nood, klinkt er geen koppigheid of gemor in.
Hij vraagt alleen hoe lang hij moet lijden, en daarmee smeekt hij nederig dat God niet te lang wacht met hulp. — Johannes Calvijn.
Vers 84
“Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?” Hij zegt hiermee heel duidelijk dat hij geen moment betwijfelt dat zijn ellende ooit ophoudt. Hij weet dat er een tijd komt waarin zijn haters en vijanden gericht en gestraft worden. Het feit staat voor hem vast. Daarom vraagt hij alleen nog naar de datum. Zo laat het ongeduld van de heiligen over het uitblijven zien dat zij zeker zijn van toekomstig heil en toekomstige verlossing. — Wolfgang Musculus.
Vers 84
“Wanneer zult Gij recht doen” enzovoort. Dit is een gewoon, eenvoudig gebed. Het gaat niet tegen bepaalde personen, maar meer tegen Gods vijanden in het algemeen en hun slechte wegen. De Heere oefent immers gericht over Zijn kinderen om hen tot bekering te brengen, zoals bij Paulus (Hand. 9:1-43). En over de goddelozen om hen te verwarren. David bidt tegen mensen die niet bij God hoorden. Maar zijn gebed gaat minder tegen hun personen dan tegen hun kwade zaken. Tegen hun personen alleen voor zover ze aan die kwade zaken vastzitten. Zo mogen wij bidden om de verwarring van Gods vijanden, maar op geen andere manier. — R. Greenham.
Vers 84
In dit vers vinden we geen van de tien woorden die voor Gods wet gebruikt worden. — Adam Clarke. Is “recht” er dan niet een van? — C.H.S.
Wenken voor predikers
Vers 84
Een ernstige vraag. Ze herinnert ons aan de kortheid van het leven, de scherpte van het verdriet, de noodzaak van vlijt en de nabijheid van het loon.
Uitleg
Vers 85
“De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.” Wie op wilde dieren jaagt, maakt daar gewoonlijk valkuilen en strikken voor. Zo probeerden Davids vijanden hem in de val te laten lopen. Ze zetten zich met veel moeite en sluwheid aan het werk om hem te vernietigen: “zij hebben putten gegraven”, en niet één, maar veel. Lukte het met de ene put niet, dan misschien met een andere, en zo groeven ze steeds opnieuw. Je zou denken dat zulke hoogmoedige mensen hun vingers niet vuil wilden maken met graven.
Maar ze slikten hun trots in, in de hoop hun slachtoffer op te slokken. Ze hadden zich moeten schamen voor zoveel laagheid. In plaats daarvan voelden ze geen enkele schaamte. Integendeel, ze waren trots op hun slimheid, trots dat ze een val hadden gezet voor een godvrezend mens. “Hetwelk niet is naar Uw wet.” Noch de mannen, noch hun putten pasten bij Gods wet. Het waren wrede en listige bedriegers. Hun putten gingen tegen de wet van Levi in, en tegen het gebod dat ons zegt onze naaste lief te hebben. Hielden mensen zich aan de inzettingen van de Heere, dan zouden ze de gevallene uit de put trekken.
Of ze zouden de put dichtgooien, zodat niemand erin kon struikelen. Maar nooit zouden ze ook maar even bezig zijn anderen schade te doen. Worden ze echter hoogmoedig, dan gaan ze vanzelf op anderen neerkijken. Daarom proberen ze hen te slim af te zijn, om hen daarna belachelijk te kunnen maken. Voor David was het goed dat zijn vijanden ook Gods vijanden waren, en dat de Heere hun aanvallen op hem niet goedkeurde. Het was ook winst voor hem dat hij hun listen kende. Zo stond hij op zijn hoede en lette hij op zijn wegen om niet in hun putten te vallen.
Zolang hij zich aan de wet van de Heere hield, was hij veilig. Maar prettig was het ook dan niet dat zijn pad door de list van brutale kwaadwilligheid gevaarlijk werd gemaakt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 85
“Putten.” Hajji vertelde dat hij me een paar verhalen over krokodillen zou doen. Hij begon met te zeggen hoe ze die soms vangen. Langs de rivier, zei hij, graaft men een diepe put en dekt die af met doerra-stro. De krokodillen vallen erin en komen er niet meer uit. Zonder enige twijfel groef men vroeger zulke putten voor krokodillen, zoals Hajji beschreef. Op sommige plekken in de wereld doet men dat nog voor andere dieren. Naar die gewoonte wordt verwezen in Ps. 7:16; 9:16; 10:2; 35:8; 141:10; Spr. 26:27; Pred. 10:8 en andere plaatsen: “Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.” Dit was waarschijnlijk ook het soort kuil in Ex. 21:33: “Wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe”, dat wil zeggen niet goed genoeg toedekt, “en een os of ezel valt daarin” enzovoort.
Soms sloot men gevangenen op in zulke putten en liet ze zonder water achter, om letterlijk van dorst te sterven. Wat een gruwelijke dood! Men zegt dat er niets ergers bestaat. Hoe afschuwelijk moet hun gekreun zijn! — John Gadsby.
Vers 85
“De hovaardigen hebben mij putten gegraven.” Het klinkt vreemd dat een trots mens zich bukt om putten te graven. Maar zo gaat het. Hoogmoed kan zich een poos bukken om een groter voordeel te behalen op wie hij wil vertrappen. “De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet” (Ps. 10:4), maar: “Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten” (Ps. 10:10). Zo vernederde ook de hoogmoedige Absalom zich voor de geringste onderdanen. Hij wilde de weg vrijmaken om zijn koning en vader het gezag te ontnemen.
Maar let op: hij zegt niet dat hij zelf was gevallen in de putten die zijn vijanden hadden gegraven. Nee, in Gods rechtvaardige oordelen raken de goddelozen verstrikt in wat hun eigen handen maakten, terwijl de goeden vrij uitgaan. “Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven”, en is gevallen in de groeve die hij gemaakt heeft. Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren en zijn geweld op zijn schedel nederdalen (Ps. 7:16-17). Zo was Haman de eerste die de galg gebruikte die hij voor Mordechai had gebouwd. En Saul dacht David met een slimme zet te doden door het zwaard van de Filistijn, toen hij hem eropuit stuurde om tweehonderd voorhuiden van hen als bruidsschat te halen. Dat plan mislukte. Uiteindelijk werd hijzelf door het zwaard gedood. — William Cowper.
Vers 85
Laat mensen zich wachten voor het graven van putten voor anderen. Heel Gods Woord getuigt tegen zulke goddeloosheid. Hoeveel proeven worden er alleen verzonnen om het geweten van mensen te verstrikken en een grond voor vervolging te geven! — William S. Plumer.
Vers 85
“Hetwelk niet is naar Uw wet.” In het Hebreeuws staat: Niet naar Uw wet. Dat kan op de mensen slaan, maar ook op hun werk. Zijzelf leven niet naar Uw wet, en hun valse streken zijn evenmin naar Uw wet. In Gods wet staat een verbod op kuilen voor tamme dieren (Ex. 21:33-34). Een jager mocht wel wilde dieren vangen. Maar hij moest goed opletten dat er geen tam dier in viel. Gebeurde dat toch, dan kwam de schade voor zijn rekening. — Thomas Manton.
Vers 85
“Hetwelk niet is naar Uw wet.” Naar Gods wet konden ze niet zijn, zolang ze zulke dingen deden. Misschien denkt hij meer aan de daad dan aan de mensen: “De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.” Dus: wat tegen Uw wet ingaat. En ze lijken het juist daarom te doen, omdat het tegen Uw wet is, want ze vinden hun lust in het kwade. Zulke mensen lijken de afschuwelijke geest in zich op te nemen die Milton aan de gevallen aartsengel toeschrijft: “Kwaad, wees gij mijn goed.” Toch is de strekking van de woorden duidelijk: de hovaardigen hebben geprobeerd mij ten val te brengen, omdat ze Uw wet niet gehoorzamen.
Daarna zet hij hun gedrag naast Gods heilige geboden, zodat je beide kunt vergelijken: “Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen.” Wat de Heere deed, was in waarheid gedaan. Deze mensen kwamen zonder reden tegen Zijn knecht in actie. En daarmee handelden ze ook in opstand tegen Zijn bekende wil. — John Stephen.
Vers 85
“De goddelozen hebben mij fabels verteld, maar niet zoals Uw wet” (zo leest de Septuaginta). Dit is de bijzondere reden waarom hij ervan verlost wil worden om bij de goddelozen te zijn: zij verleiden de vromen altijd met verhalen over de geneugten van de wereld.
Dat zijn niets dan fabels, smerig en vluchtig genot, meer schijn dan echt. Het is niet te vergelijken met het grote, solide genot dat altijd voortkomt uit een godvruchtig leven naar de wet van de Heere. — Robert Bellarmine.
Wenken voor predikers
Vers 85
Putten; oftewel de geheime plannen van slechte mensen tegen de godvrezenden.
Uitleg
Vers 86
“Al Uw geboden zijn waarheid.” Hij had niets op Gods wet aan te merken, hoewel hij er door zijn gehoorzaamheid aan in trieste moeilijkheden was gekomen. Wat het gebod hem ook mocht kosten, het was die prijs ruimschoots waard. Gods weg mocht ruw zijn, vond hij, maar hij was recht. Hij kon hem vijanden opleveren, maar het bleef zijn beste vriend. Hij geloofde vast dat Gods gebod uiteindelijk goed voor hemzelf zou uitpakken, en dat hij door te gehoorzamen niets zou verliezen.
“Zij vervolgen mij met leugen.” Bij zijn vervolgers lag de schuld, niet bij zijn God en ook niet bij hemzelf. Hij had niemand iets misdaan. Alles wat hij deed, was naar waarheid en rechtvaardigheid. Daarom keert hij zich vol vertrouwen tot zijn God met de kreet: “Help mij.” Wat een gouden gebed, zo kort en toch zo kostbaar. Er staan maar weinig woorden, maar de inhoud is boordevol. Hij had hulp nodig om de strik te ontlopen, om de smaad te kunnen dragen en om zo verstandig te handelen dat zijn vijanden niets in handen kregen.
Gods hulp is onze hoop. Het maakt niet uit wie ons pijn doet, zolang de Heere ons helpt. Want als de Heere ons werkelijk bijstaat, kan niemand ons echt deren. Verdrukte heiligen hebben dit gebed al zo vaak gekreund. Het past bij duizend soorten nood, pijn, angst, zwakheid en zonde. “Help, Heere” kan een jongere bidden en een oudere, in het werk en in het lijden, in het leven en in het sterven. Geen andere hulp is genoeg. Gods hulp is méér dan genoeg, en daarop werpen we ons zonder angst.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 86
“Al Uw geboden zijn waarheid.” David zet hier drie dingen op een rij. Het eerste is dat God waarachtig is. Daarna beweert hij dat hij goed leeft en wordt geleid, en dat zijn tegenstanders kwaadaardig zijn. Ten derde roept hij God aan in zijn nood. Wat het eerste betreft: hij laat ons zien dat de satan ons met list en sluwheid probeert te misleiden, om ons aan het wankelen te brengen en ons ten slotte helemaal mee te voeren. Wij moeten juist leren zijn hinderlagen te herkennen en eraan te ontkomen. Elke keer dat tegenspoed en ellende ons kwellen, waar moeten we dan beginnen?
Kijk hoe de satan zijn netten uitspant en zijn hinderlagen zet, om ons erin te laten lopen. Wat zegt hij? Zie je niet dat je door je God verlaten bent? Waar zijn de beloften waarop je vertrouwde? Nu zie je dat je een ellendig, verloren schepsel bent. Je ziet dus best dat God je bedrogen heeft en dat de beloften waarop je rekende helemaal niet voor jou gelden. Zo sluw is de satan, dat is zijn manier van werken. Wat moeten we dan doen? Samen met David moeten we besluiten en zeggen: God is toch waarachtig en getrouw.
Laten we de waarheid van God voor ogen houden als een schild, om alles af te slaan wat de satan ons ook maar kan voorhouden. Wil hij ons ons geloof laten verloochenen? Verspreidt hij leugens over ons, zodat we gaan geloven dat God niet meer aan ons denkt of dat het zinloos is op Zijn beloften te vertrouwen? Laten we dan precies het tegendeel weten en geloven dat wat God tegen ons zegt, de zuivere en gezonde waarheid is. De satan mag nog zoveel pijlen op ons afschieten. Hij mag nog zoveel listen tegen ons bedenken.
Soms met geweld, soms met sluwheid en bedrog lijkt het werkelijk of hij ons zal overwinnen. Toch haalt hij het nooit, want Gods waarheid zal vast en zeker in onze harten staan. — Johannes Calvijn.
Vers 86
“Al Uw geboden zijn waarheid.” In het Hebreeuws staat: Getrouwheid. Dat wil zeggen dat ze waar en zeker zijn, rechtvaardig en onfeilbaar. En “zij vervolgen mij met leugen”, ongetwijfeld omdat hij Gods waarheden en geboden verdedigde en zich eraan hield. — John Trapp.
Vers 86
“Zij vervolgen mij met leugen.” Het gewicht ligt hier op het woord leugen (of valsheid). Een martelaar uit lang geleden zei het zo goed: “De zaak, niet de pijn, maakt de martelaar.” Daarom leert de apostel ons dit: “Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit; maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele.” — Neale en Littledale.
Vers 86
“Help mij.” “God helpe mij” is een uitstekend gebed dat alles omvat. Het is jammer dat het ooit luchtig en als stopwoordje wordt gebruikt. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 86 (laatste zinsdeel)
Een gebed voor elke gelegenheid. Kijk naar de vele gevallen waarin het in de Schrift wordt gebruikt.
Uitleg
Vers 87
“Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde.” Zijn vijanden hadden hem bijna de das omgedaan, tot hij helemaal zou bezwijken. Als het kon, hadden ze hem opgegeten of levend verbrand. Het mocht allemaal, als ze maar helemaal een einde konden maken aan die goede man. Duidelijk was hij grotendeels in hun macht geraakt. En ze hadden die macht zó gebruikt, dat hij bijna was opgebrand. Bijna was hij van de aarde verdwenen. Maar bijna is niet helemaal. Zo kwam hij er nog net van af. De leeuwen liggen aan de ketting.
Meer dan onze God hun toestaat, kunnen ze niet razen. De psalmist ziet waar hun macht eindigt. Alleen aan zijn aardse leven en aardse bezit konden ze komen. Op aarde hadden ze hem bijna verslonden. Maar hij bezat een eeuwig deel, waar ze zelfs niet aan kunnen knagen. “Maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.” Niets kon hem ervan weerhouden de Heere te gehoorzamen. Houden wij ons aan de bevelen? Dan redden de beloften ons. Als slechte behandeling de onderdrukte heilige van het goede pad had gebracht, was het doel van de goddelozen bereikt, en hadden wij niets meer van David gehoord.
Zijn wij vastbesloten liever te sterven dan de Heere te verlaten? Dan mogen we er zeker van zijn dat we niet sterven. We zullen leven om de val te zien van wie ons haten.
Vers 87
“Bijna vernietigd.” Het leven van goede mensen zit vol met ontsnappingen op het laatste moment. De rechtvaardigen komen er met moeite doorheen. Heel vaak glijden hun voeten bijna weg. Maar Hij Die hen heeft verlost, zal hen niet zo laten vallen dat ze niet meer kunnen opstaan. Een van de grootste gevaren voor hen is de verleiding om ongeoorloofde middelen te gebruiken om hun beproevingen te beëindigen. — William S. Plumer.
Vers 87
Merk op dat er staat “op de aarde”. Daaruit blijkt dat hij ook bij het wegnemen van zijn aardse leven door zijn vijanden nog vol vertrouwen op een ander leven in de hemel rekende. Hij was al door het geloof de hemel ingegaan en leefde een hemels leven. Daarom hoefde hij het verlies van het lichamelijke leven niet als iets kwaads te zien. Wie zo leven, komen snel weer overeind uit de wanhoop. — D.H. Mollerus.
Wenken voor predikers
Vers 87
—
- Wat de goede man verliest door te winnen.
- Wat hij wint door te verliezen. — G.R.
Vers 87
—
- “Bijna”, maar niet helemaal.
- De redding zit in de bijzin: “Ik heb Uw bevelen niet verlaten.”
Vers 87
Door vuren gaan, en de asbestlaag.
Uitleg
Vers 88
“Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Wat een wijs en gezegend gebed! Als wij in ons eigen, persoonlijke geloofsleven worden verlevendigd, kunnen onze belagers ons niet meer bereiken. Meer leven is de beste bescherming tegen verleiders en vervolgers. Goedertierenheid zelf kan ons geen betere dienst bewijzen dan ons een overvloediger leven te geven. Zijn we levend gemaakt, dan kunnen we ellende verdragen, sluwheid doorzien en zonde overwinnen. We kijken naar Gods goedertierenheid als de bron van geestelijke opleving. Daarom smeken we de Heere ons levend te maken, niet naar wat we verdienen, maar naar de grenzeloze energie van Zijn genade.
Wat een gezegend woord: “goedertierenheid” (Engels: lovingkindness, liefdevolle goedertierenheid). Leg het uit elkaar en bewonder de dubbele kracht van liefde die erin zit. “Dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.” Als de Heilige Geest ons levend maakt, zullen we zeker een heilig karakter laten zien. Dan blijven we de gezonde leer trouw, omdat de Geest bij ons komt en ons trouw maakt. Niemand onderhoudt het woord uit de mond van de Heere, tenzij dat woord hem eerst levend maakt. We moeten de geestelijke wijsheid van de psalmist hoog waarderen. Hij vraagt niet zozeer om vrijgesteld te worden van beproeving.
Hij bidt om nieuw leven, zodat hij onder de beproeving overeind blijft. Is het innerlijke leven krachtig, dan is alles goed. In het slotvers van de vorige strofe bad David om een gezond hart. Hier smeekt hij om een hart dat nieuw leven heeft gekregen. Zo gaat hij naar de wortel van de zaak, want hij zoekt wat van alles het meest nodig is. Heere, laat het bij ons om het hart gaan, en laat onze harten recht staan voor U.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 88
“Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Aan het eind zien we de man van God smeken om levend gemaakt te worden. Zo kan hij het getuigenis van God bewaren. Dit is een laatste toevlucht, maar wel een zekere. Wordt de ziel bezield met de levende beginselen van Gods genade? Dan staat de gelovige boven de schrik voor mensen. Wat een overwinning bereikt een geestelijke gezindheid zelfs op de zwakheden van het lichaam! Dat zien we aan het sterfbed van een gelovige. En we kunnen het ons voor de geest halen uit het leven en sterven van velen die zich onderscheidden.
Een mens met een zuiver gemoed gaat meteen naar de bron van het leven. Hij doet dat met inzicht, want hij houdt zich aan de naam waarmee de Heere Zichzelf heeft beschreven: “Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Opeens laat hij de gedachte aan zijn vijanden los. Hij is in de tegenwoordigheid van zijn God. Zijn verlangen is op te stijgen naar een hoger geestelijk bestaan. Zo kan hij nauwer verkeren met de Vader van de lichten, “bij Welken geen verandering is”. — John Stephen.
Vers 88
“Maak mij levend” enzovoort. Een eerdere keer bad hij: “Maak mij levend door Uw gerechtigheid” (Ps. 119:40). Nu vraagt hij: “Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Dat God ons goed gezind is, zie je het zekerst aan wat Hij goeds in ons doet. — Matthew Henry.
Vers 88
“Maak mij levend.” Vaak doet David in deze psalm dit verzoek. Het lijkt vreemd dat hij zichzelf zo vaak een dode noemt en God vraagt hem levend te maken. Maar zo gaat het met een kind van God: elk gevoel van verlatenheid en elke afname van kracht is een soort sterven. Zij verlangen zó sterk om voor God te leven, dat ze zich dood voelen als het hun niet lukt. Vinden ze in hun ziel geen kracht om God te dienen zoals ze willen, dan bidden ze de Heere hen levend te maken. — William Cowper.
Vers 88
“De getuigenis Uws monds.” De titel die de richtlijn voor onze plicht hier krijgt, “de getuigenis van Gods mond”, maakt onze verplichting steeds sterker. Laten we daarom elk woord dat we lezen of horen zien als woorden die rechtstreeks uit “de mond van God” komen (Joh. 6:63). Wat een ontzag en wat een onvoorwaardelijke overgave vraagt dat! Mocht dit ons altijd vinden in een houding van aandacht, nederigheid en geloof. Laat ieder van ons klaar staan om te zeggen: “Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort.” — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 88
—
- Nieuw leven veroorzaakt nieuwe gehoorzaamheid.
- Nieuwe gehoorzaamheid volgt uit nieuw leven. — G.R.
Vers 88
Levend maken.
- Wat wij het meest nodig hebben.
- Wat God het genadigst geeft.
- Wat ons garandeert dat we standhouden. En zo:
- Wat Gods eer bevordert.
Vers 88
—
- Hij sluit af met een bede die hij vaak herhaalt: “Maak mij levend.” Alle ware godsdienst bestaat uit het leven van God in de ziel van de mens.
- Hoe hij levend gemaakt wil worden: “Naar Uw goedertierenheid.” Hij wil niet door de donderslagen van God uit de dood van de zonde worden gewekt. Hij wil het door de liefdevolle stem van een zachtmoedige Vader.
- Wat dit in hem moet doen: “Dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.” Wat U ook zegt, ik zal het horen, aannemen, liefhebben en doen. — Adam Clarke.
Uitleg
Vers 89
“O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.” Hier klinkt het blijer. De zanger heeft ervaren hoe troostrijk Gods woord is, en dat geeft vrolijke taal. Hij is op een zee van moeiten heen en weer geworpen. Nu springt hij op het strand en staat hij op een rots. Het woord van Jehova is niet grillig en niet onzeker. Het is vast, bepaald, onwankelbaar en onbeweeglijk. De leerstellingen van mensen veranderen zo vaak dat ze nooit de kans krijgen om te beklijven. Maar het woord van de Heere is vanouds hetzelfde en blijft tot in eeuwigheid ongewijzigd.
Sommige mensen hebben het nooit zo naar hun zin als wanneer ze alles en iedereen onderuit halen. Maar Gods gedachten gaan niet met hen mee. De kracht en luister van de hemel hebben elke zin die de mond van de Heere sprak, bevestigd. En zo stevig bevestigd dat die tot in alle eeuwigheid onveranderd blijft staan, “in de hemelen”, buiten ieders bereik. In het vorige gedeelte kwijnde Davids ziel weg. Hier kijkt de goede man van zichzelf af. Hij ziet dat de Heere niet kwijnt en niet moe wordt, en dat Zijn woord nergens te kort schiet.
Het vers klinkt als een lofzang. Gods getrouwheid en onveranderlijkheid zijn onderwerpen die passen bij heilige zang. Als we moe zijn van de steeds wisselende gebeurtenissen van dit leven, laat de gedachte aan de onveranderlijke belofte ons zingen. Wat God Zich heeft voorgenomen, beloofd en geboden, ligt allemaal vast in Zijn eigen gedachten, en niets ervan zal omver gaan. Afspraken uit het verbond verhuizen niet, hoe onzeker mensen ook worden. Laten we daarom in ons hart afspreken dat we zolang we leven in het geloof in onze Jehova blijven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 89
Lamed. Dit is het toppunt van wat over de pelgrimstocht van de smekeling wordt geschilderd. We zijn aan het midden van de psalm gekomen en de lijn van het verband breekt met opzet af. Het ging in de eerste elf strofen kennelijk om dit: “Tot hier heeft de Heere mij gebracht. Zou ik nu soms vergaan?” De elf strofen daarna geven het antwoord: “Het woord van de Heere is onveranderlijk. Ondanks elk kwaad voorgevoel zal de Heere voor mij het werk afmaken dat Hij Zelf al begonnen is.” — Joseph Francis Thrupp, 1860.
Vers 89
“O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.” Meestal leest men dit als één zin. Het accent athnach wijst echter op twee delen. Het ene deel spreekt van Gods eeuwigheid. Het andere van de vastheid en de duur van Zijn woord. Dus:
- “Voor eeuwig zijt Gij, HEERE.”
- “Uw woord is gevestigd in de hemel.”
Zo staat het in de Syrische vertaling. Geier en na hem anderen onderbouwen en onderschrijven die lezing. Zo sluiten dit vers en het volgende ook beter op elkaar aan, als we naar begin en einde kijken.
“Gij zijt voor eeuwig, HEERE” hoort bij “Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht”. Die twee lopen volkomen gelijk. En ook de slotdelen zijn in overeenstemming: “Uw woord is gevestigd in de hemel” en “Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan”.
Het betekent dat het woord van God even eeuwig is als God Zelf. En dat dit woord een passend beeld heeft in hemel én aarde. In de hemel is dat de onophoudelijke beweging van de hemellichamen. Op aarde zijn het de vastheid en bestendigheid ervan. Zoals Gods woord in de hemel vaststaat, staat ook Zijn trouw vast op aarde, waar het lijden van de vromen hier tegenin lijkt te gaan. — Thomas Manton.
Vers 89
“O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.” Job ziet voor zich hoe zijn lichaam stof en wormenvoer wordt (Job 19:25-26). En toch zegt hij door het geloof: “Mijn Verlosser leeft” enzovoort. Ook toen Jobs geduld het begaf, begaf zijn geloof het niet. Al maakt God alle andere genaden en vertroostingen dood, en ook mijn ziel, mijn geloof zal Hij niet doden, zegt hij. Haalt Hij mijn ziel uit mijn lichaam, dan haalt Hij toch mijn geloof niet uit mijn ziel. Daarom leeft de rechtvaardige door het geloof, meer nog dan door andere genaden.
Als alles weg is, blijft het geloof namelijk staan. Het geloof blijft staan, omdat de belofte blijft staan: “O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.” Zo moet deze plaats eigenlijk en in de eerste plaats worden verstaan. — Matthew Lawrence.
Vers 89
“O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.” Kijken we naar Gods beloftewoord zoals het in onze onvaste harten leeft? Dan dromen we dat het even snel wankelt als onze harten. Net zoals de weerspiegeling van zon en maan in het water net zo hevig lijkt te trillen als het water waarop ze schijnen. Toch trekken zon en maan, ondanks dat schijnbare trillen hier beneden, in de hemel op een vaste baan voort. Zo vertelt de psalmist ons: onze harten mogen bij een belofte nog zo wankelen door ongeloof, ja, ons ongeloof kan ons zelfs doen geloven dat de belofte vaak wordt geschud, Gods woord staat toch vast.
Niet in onze harten, maar “in de hemelen”. En daar “in der eeuwigheid”, even vast als de hemel zelf. Meer nog: “het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle” (Luk. 16:17), en dus van het evangelie. — Anthony Tuckney, 1599-1670.
Vers 89
“Gevestigd.” J. M. Good geeft het vers zo weer: “Voor eeuwig, o Jehova, heeft Uw woord de hemelen in slagorde gesteld.” Hij wijst erop dat het Hebreeuwse woord nitsab uit de krijgstaal komt. Het gaat dan om het in slagorde zetten van de onderdelen van een leger, elk op zijn eigen plek, wanneer het ten strijde trekt. Zo zouden ook de heirscharen van de hemel in volkomen orde zijn opgesteld. Ze houden eeuwig de onderlinge taken vol die hun zijn gegeven. Ook de aarde heeft, net als de hemelen, een vaste route gekregen, en die loopt ze even trouw af.
Want allen dienen ze de grote Schepper. Door hun wisseling brengen ze de prachtige regelmaat van de jaargetijden voort en de rijke opbrengst van de oogst. En elke dag verkondigen ze de eer van de Heere.
Vers 89
“In de hemelen.” Kijk je naar de hemel? Bedenk dan dat je daar een God hebt, Die Zijn verblijf daar heeft gekozen en daar Zijn heerlijkheid heeft laten zien. Van die plaats heeft Hij de zetel van Zijn barmhartigheid en Zijn gerechtigheid gemaakt. Daar heb je ook een Zaligmaker. Nadat Hij voor onze zonden was gestorven, nam Hij plaats aan de rechterhand van de Majesteit.
Vanaf die plek ziet Hij toe op de vervulling van Zijn beloften, en onderwerpt Hij de hele wereld met Zijn woord. Daar staan engelen die Zijn woord doen, “gehoorzamende de stem Zijns woords” (Ps. 103:20). Daar zijn verheerlijkte heiligen, die God van aangezicht tot aangezicht zien en eeuwig bij Hem blijven. Zij kwamen daar door hetzelfde verbond dat ons wordt aangeboden als de oorkonde van onze vrede en hoop. In het buitengebied van de hemel zien wij zon, maan en alle hemellichamen bewegen op de vaste baan en in de orde waarin God hen zette.
Zou God in de gang van de natuur standvastig zijn en in het verbond van genade, waarin Hij de orde en de manier van Zijn barmhartigheid heeft bepaald, onbetrouwbaar en wisselvallig? — Thomas Manton.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 89, 91
In deze verzen wordt een verband gelegd tussen het woord van God en de werken van God. Over Zijn “woord” staat dat het “bestaat in der eeuwigheid in de hemelen” en dat het Zijn trouw van het ene geslacht op het andere bewaart. Over Zijn “werken”, vooral die om ons heen, zelfs over de aarde waarop we wonen, staat dat ze, zoals ze in het begin zijn vastgelegd, ook daarna blijven staan. En dan, alsof de gelijkstelling van beide moet worden afgemaakt, staat er van beide in Ps. 119:91: “Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.” Zo wordt de zekerheid van het woord dat uit Zijn lippen is gekomen, gelijkgesteld aan de onfeilbare standvastigheid van de natuur die door Zijn handen is gevormd en wordt onderhouden.
Dat de natuur onveranderlijk is, leert iedereen uit eigen ervaring. Zelfs een gewone voorbijganger ziet het: het is wat haar het meest kenmerkt van alles wat in haar is gelegd. Misschien heb je de hulp van de wijsbegeerte nodig om te beseffen hoe onwrikbaar de natuur in elk van haar werkwijzen is. Dan zie je dat zelfs de schijnbare uitzonderingen terug te voeren zijn op een wet die niet meegeeft. Wat in het begin lijkt op de nukken van een eigenzinnige natuur, blijkt het draaien van een raderwerk dat nooit verandert. Wie de natuur dieper doorzoekt en haar op de proef stelt met alle vragen van nieuwsgierige onderzoekers, merkt steeds zekerder dat ze een regel volgt die nooit afneemt.
Gehoorzaam blijft ze die gelijkmatige gang volhouden, stap voor stap. Zelfs het strengste onderzoek heeft er nog nooit een haarbreed afwijking in gevonden. Wetenschappers betwijfelen tegenwoordig niet langer dat elke resterende schijn van wanorde in het heelal niet komt door de wispelturigheid van de natuur, maar door de onwetendheid van de mens. Haar meest verborgen bewegingen verlopen met een regelmaat die zo streng is als het noodlot, zonder uitzondering. Zelfs de onrustige wisselingen van het weer hebben hun wet en hun beginsel. Of het nu gaat om de sterkte van elk briesje, het aantal druppels in elke bui, het ontstaan van elke wolk, alle wisselingen van storm en zon, het eindeloze schuiven van de temperatuur, of de trillende veranderingen in de lucht die onze instrumenten wel hebben opgespoord maar niet verklaard hebben: ze volgen elkaar steeds op volgens een vaste volgorde.
Die is veel ingewikkelder, maar toch even onverbiddelijk als de volgorde van de jaargetijden of de berekende banen van de sterrenkunde. Dat is de indruk die elke denkende geest van de natuur heeft, en die is er ook zo. Elke nieuwe stap in de wetenschap versterkt hem. Maar de natuur heeft ook voor de gewone mens genoeg zichtbare en voelbare regelmaat om dezelfde indruk van haar bestendigheid te geven. Een ruwe, algemene ervaring, die iedereen heeft, leert dezelfde les. Ze heeft in elk hart een soort rustig en vast vertrouwen in de gelijkmatigheid van haar werking gelegd.
Zelfs een kind weet het en gedraagt zich er ook echt naar. Het is zich bewust dat de elementen om hem heen blijvende kenmerken en eigenschappen hebben. Het weet al zoveel over vuur, water, wat het eet, de stevige grond waarop het loopt, en zelfs over de zwaartekracht waarop het zijn houding en bewegingen moet afstemmen, dat een ding bewezen is: hoe klein het ook is, het heeft al de leer opgenomen dat de natuur haar wetten en regels heeft en daaraan vasthoudt. Het bewijs groeit voortdurend aan, bij elke stap op de weg van de menselijke waarneming.
Dus lezen we als volwassenen in elk deel van de zichtbare wereld hoe standvastig de natuur is. Ze loopt ons tegen het lijf, waar we onze ogen ook op richten, in elke hoek van de wereld. God heeft het raderwerk van mijn waarneming zó gebouwd dat ik, of ik wil of niet, verwacht dat alles overal op elkaar volgt in dezelfde rij als waarin ik het altijd heb leren kennen. Als God de gelijkmatigheid van de natuur zo onderhoudt dat het werkelijk altijd zo is, laat Hij alleen zien hoe betrouwbaar Hij is. Het kon ook niet anders.
Anders zou Hij de verwachting die Hij Zelf had ingegeven, belachelijk maken. Je kunt zeggen dat God aan elk mens heeft beloofd dat de natuur vast zal blijven. Misschien niet door een innerlijke stem die tegen ieder hart fluistert, maar dan toch door een onweerstaanbare neiging die Hij in elke mens heeft gelegd. Zien we dus dat de natuur haar bestendigheid bewaart? Dan zien we de God van de natuur Zijn trouw bewaren. Het stelsel van zichtbare dingen, met zijn algemene wetten en zijn onveranderlijke opeenvolgingen, is dan geen ondoorzichtig materialisme dat het gezicht van de Godheid voor sterfelijke mensen aan het oog onttrekt.
Het wordt de spiegel die de onveranderlijke waarheid weerkaatst, en de ordening die nooit faalt. Zo staan in onze tekst twee dingen naast elkaar, zij aan zij, alsof ze verwant zijn: dezelfde God Die vast is in de ordeningen van de natuur, is ook trouw in de uitspraken van Zijn woord. Elke ervaring bewijst hoe stevig je op Hem kunt rekenen bij het eerste. Daarom is er een argument, even sterk als ervaring, waaruit blijkt hoe stevig je op Hem kunt rekenen bij het tweede. Door wat Hij in ons heeft gewerkt, heeft Hij de verwachting gewekt dat de natuur bestendig is, en die stelt Hij nooit teleur.
Wekt Hij door Zijn woord de verwachting dat Zijn verklaringen zeker zijn? Dan stelt Hij ook die niet teleur. Juist omdat de natuur zo vast is, begrijpen we dat de God van de natuur zo trouw is. Hij Die de hoop die in elk hart is gerezen uit het instinct dat Hij Zelf heeft meegegeven, nooit teleurstelt, zal ook nooit de hoop teleurstellen die in een hart oprijst uit de uitdrukkelijke uitspraak van Zijn stem. Zou Hij een God zijn in Wiens hand de processen van de natuur voortdurend veranderden, dan konden we ons ook voorstellen dat de verkondigingen van genade uit Zijn mond even wisselvallig en weifelend waren.
Maar omdat we op het ene vertrouwen, voelen we zoveel rust in ons vertrouwen op het andere. En dezelfde God Die zo onfeilbaar is in de ordeningen van Zijn schepping, houden we voor even onfeilbaar in de ordeningen van Zijn woord. — Thomas Chalmers.
Wenken voor predikers
Schetsen bij de sleutelwoorden van de psalm, door ds. C. A. Davis.
Verzen 89-96
Het onveranderlijke woord van God. Het staat op de troon in de hemel (Ps. 119:89) en ook op aarde (Ps. 119:90-91). Het is het heil van de gelovige in zijn ellende (Ps. 119:92; Ps. 119:94), zijn schuilplaats in gevaar (Ps. 119:95) en het toonbeeld van volmaaktheid (Ps. 119:96).
Wenken voor predikers
Vers 89-92
De psalmist geeft ons hier het middel dat zijn pijn verzachtte en zijn geest overeind hield. Hier vinden we sterke troost voor onze ziel.
- In bepaalde feiten die hij zich herinnerde.
(a) Dat God eeuwig bestaat.
(b) Dat Zijn woord onveranderlijk is.
(c) Dat dat woord trouw wordt vervuld.
(d) Dat het woord vaststaat in de natuur.
(e) Dat het woord vaststaat in de ervaring.
- Het geluk dat hij in zijn nood ervoer. Bij sterfgevallen. Als alles veranderlijk en onzeker leek. Als zijn eigen geloof hem afliet. Als alle helpers hem lieten zitten. Dan zocht hij zijn toevlucht bij de eeuwige zekerheden: “O HEERE! Uw woord bestaat” enzovoort. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1656: “My Solace in my Affliction.”
Vers 89
Eeuwige vastigheden, of hemelse zekerheden.
Vers 89
Gods eeuwige kalmte (tegenover het veranderlijke van de aarde), afgebeeld in de sterrenhemel. — William Bickle Haynes, van Stafford, 1882.
Vers 89
Denk na over:
- De uitdrukking “Uw woord”.
(a) Een woord is een gedachte die je kenbaar maakt. De Schrift is precies dat: Gods gedachten en plannen, voor mensen begrijpelijk gemaakt.
(b) Maar een “woord” staat ook voor eenheid (het is één woord) en voor ongedeeldheid of volledigheid: een woord, niet een los lettergreepje. De Schrift is één en compleet.
- De bewering “in der eeuwigheid in de hemelen”.
(a) Het was “in de hemelen” al vastgesteld voordat het op aarde kwam. Daarom kon het komen als een ononderbroken uitrol door verschillende bedelingen heen, zonder dat er een schaduw van aarzeling of tegenspraak in te vinden is.
(b) Het blijft “in de hemelen” vaststaan door wat de kern ervan openbaart. De verzoening is een voltooid feit. Christus is nu in de hemel een volmaakte Zaligmaker. Zo kan het woord nooit meer veranderen.
(c) “In der eeuwigheid in de hemelen.” Niet alleen omdat God in de hemel één gedachte heeft en niet te bewegen is. Maar ook omdat de gerechtigheid zelf, de gerechtigheid van de hemel, eist dat een verzoening door lijden volledig en voor eeuwig wordt beantwoord met het loon dat daarbij hoort.
- De lessen.
(a) Staat het vast in de hemel, dan kunnen mensen op aarde het nooit omverhalen.
(b) Goddelozen mogen niet rekenen op hoop voor later, die ontstaat uit een nieuwe bedeling voorbij het graf. Gods woord voor ons nu kan dus niet worden omgegooid.
(c) Wie God vreest, mag blijven vertrouwen op een vaststaand woord, te midden van de wankele ervaringen en gevoelens die bij het leven op aarde horen. — J.F.
Uitleg
Vers 90
“Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht.” Dit is een tweede heerlijkheid. Hier komt nog een extra glans bij, een heerlijkheid erbovenop. De voortgang van de eeuwen kan God niets doen. Hij is niet alleen een heel mensenleven lang trouw aan één mens. Hij blijft ook trouw aan de kinderen van zijn kinderen, ja, aan alle geslachten die Zijn verbond bewaren en Zijn geboden indachtig zijn om ze te doen. De beloften zijn al oud, maar het gebruik van eeuwen heeft ze niet afgesleten, want Gods trouw blijft eeuwig. Hij Die Zijn knechten duizenden jaren geleden terzijde stond, toont Zich nog altijd sterk voor allen die op Hem vertrouwen.
“Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan.” De natuur wordt geregeerd door vaste wetten. De aarde houdt haar baan door Gods gebod en maakt geen onregelmatige bewegingen. De jaargetijden volgen de volgorde die voor hen is bepaald. De zee houdt zich trouw aan de regel van eb en vloed. En al het andere staat opgesteld in de volgorde die voor het is vastgelegd. Tussen het woord van God en de werken van God bestaat een verwantschap. Vooral hierin, dat ze allebei standvastig zijn, vast en onveranderlijk. Het woord van God waardoor de wereld is gevestigd, is hetzelfde woord dat Hij in de Schrift heeft laten opschrijven.
Door het woord van de Heere zijn de hemelen gemaakt, en in het bijzonder door Hem Die nadrukkelijk het Woord is. Zien we de wereld op haar plek blijven en al haar wetten dezelfde blijven? Dan hebben we daar de verzekering in dat de Heere trouw zal blijven aan Zijn verbond en het geloof van Zijn volk niet zal laten beschamen. Blijft de aarde bestaan, dan blijft ook de geestelijke schepping bestaan. Is Gods woord genoeg om de wereld te vestigen, dan is het zeker genoeg om elke gelovige afzonderlijk te vestigen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 90
“Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht.” Zoals hij Gods woord eerst als zeker liet zien vanwege het blijven van de hemel, bevestigt hij dat nu door naar de fundering van de aarde te kijken. Het fundament van de aarde is door Gods woord gemaakt en blijft vaststaan. Denken we dan niet dat het fundament van onze zaligheid, in Jezus Christus gelegd, nog veel vaster is? Hoewel schepselen ons de weg naar onze zaligheid niet kunnen leren (die moeten we uit het Woord leren), bevestigen ze wel wat het Woord zegt: “Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen” (Jer. 31:35-36).
Net zoals Jeremia daar de duurzaamheid van de kerk afleidt uit de duurzaamheid van de schepselen, bevestigt David hier de zekerheid van onze zaligheid met de allerzekerste en onveranderlijkste loop van de schepping. En Christus Jezus breidt beide uit: “Het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.” Laten we daarom in het geloof sterk worden en aan God de eer geven die Hem toekomt. — William Cowper.
Vers 90
“Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan.” Elke keer dat we onze voet op de grond zetten, mogen we denken aan hoe vast Gods beloften staan. En het sterkt ook ons geloof. Dus:
- De aarde staat vast als gevolg van Gods woord. Dit is de echte pijler waarop de aarde rust. Want Hij houdt alles in stand door het woord van Zijn kracht: “Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er” (Ps. 33:9). Zijn machtswoord helpt ons nu te leunen op Zijn beloftewoord.
- Nergens is iets te zien waar de aardbol op zou kunnen leunen of rusten: “Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet” (Job 26:7). Het is een wonder dat dit machtige, zware lichaam rust op vloeibare lucht, alsof dat een stevige ondergrond is. In het boek Job staat de vraag: “Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?” (Job 38:6). En toch ligt ze muurvast, hoewel ze als een bal in de lucht zweeft. Als Zijn woord dus al zo’n gewicht kan dragen, en daarbij het gewicht van heel de kerk, en als onze eigen last rust op Gods belofte, dan kan Hij door de kracht van Zijn woord alles dragen, zonder dat we iets zien wat Hem steunt.
Zijn volk mag daarom ook echt op Zijn voorzienigheid rekenen. In welke nood ook kan Hij hen overeind houden, ook al is er nergens een weg naar hulp te bekennen.
- Vastheid en bestendigheid worden hier ons voorgehouden. De aarde blijft op dezelfde plaats en in dezelfde staat waarin God haar achterliet. Dat blijft zo zolang het huidige verloop en de huidige orde van de natuur doorgaan (Ps. 104:5). Gods waarheid staat even onwrikbaar als de aarde (Ps. 117:2). Blijft het fundament van de aarde stevig staan, dan is het fundament van onze zaligheid, door Jezus Christus gelegd, ongetwijfeld nog véél steviger.
- De vastheid blijft staan te midden van veranderingen (Pred. 1:4). Alles in de wereld ondergaat vele omwentelingen. Maar Gods waarheid is één en dezelfde.
- Doordat Hij het bouwwerk van de wereld in stand houdt, zien we al die eigenschappen die een vaste steun zijn voor het hart van een gelovige: wijsheid, macht en goedheid. Het verbond van genade staat even vast als het verbond dat na de zondvloed werd gesloten. Wie naar deze aarde kijkt, ziet daarin dezelfde eigenschappen in volle werking die ons geloof sterken terwijl we op God wachten, tot Zijn beloften aan ons zijn vervuld. — Samengevat uit T. Manton.
Vers 90
“Zij blijft staan.” Je kunt de schepping de moeder noemen en de voorzienigheid de voedster. Samen houden ze alle werken van God in leven. God is niet zoals een mens. Als een mens iets heeft gemaakt, kan hij het niet zelf vasthouden. Een schip kan hij bouwen, maar hij kan het niet behoeden voor schipbreuk. Een huis kan hij optrekken, maar hij kan het niet behoeden voor verval. Bij God ligt het anders. We zien elke dag hoe Hij Zijn schepselen in stand houdt en draagt. Dat moet ons de zekerheid geven dat Hij ons niet zal afwijzen of laten vergaan, want we zijn het werk van Zijn handen. Dat geldt als wij zo van Hem afhankelijk zijn en Hem eren als onze Schepper, Onderhouder en Verlosser. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 90
De vastheid van de aarde is een beeld voor nu van eeuwige trouw.
Vers 90-91
Denk na over:
- De standvastigheid van de natuur, afhankelijk van Gods besluit: “naar Uw verordeningen”.
- Hoe de natuur Gods wil dient: “want zij allen zijn Uw knechten”.
- Dat de natuurwetten vaststaan en tegelijk Gods bedoelingen dienen, versterkt het geloof van de christen. Het versterkt zijn geloof in het geschreven Woord, in de zorg van een goddelijke voorzienigheid en in de zekerheid van geestelijke en hemelse zaken. “Uw goedertierenheid is” enzovoort. — J.F.
Uitleg
Vers 91
“Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan.” Het heelal bestaat nog, omdat de Heere het heeft opgedragen te blijven. Daarom blijven al zijn wetten nauwkeurig en krachtig werken. Alles blijft staan, omdat Gods macht er altijd bij is om het te onderhouden. Het woord dat alle dingen in het leven riep, heeft ze tot vandaag gedragen. Het draagt ze nog altijd, in hun bestaan en in hun welzijn. De reden dat de schepping blijft bestaan, is Gods verordening. Wat voor zware en gewichtige krachten zijn deze verordeningen! “Want zij allen zijn Uw knechten.” Uw woord heeft ze geschapen, en dat woord gehoorzamen ze.
Zo komen ze uit op het doel van hun bestaan en voeren ze het ontwerp van hun Schepper uit. Grote dingen én kleine dingen brengen de Heere hulde. Geen atoom ontkomt aan Zijn heerschappij. Geen wereld ontloopt Zijn bestuur. Zouden wij Zijn gezag willen ontlopen en onze eigen meester willen zijn? Dan werden wij verschrikkelijke uitzonderingen op een wet die het welzijn van het heelal verzekert. Laten we liever doen wat we van alle andere dingen lezen: blijven bestaan en dienen. We blijven dienen, en dienen steeds volmaakter naarmate ons leven langer duurt. Mogen wij vast gemaakt worden door het woord dat vaststaat.
Mogen wij bevestigd worden door de stem die de aarde vestigt. En mogen wij, door het gebod dat alles wat geschapen is gehoorzaamt, dienaren worden van de Heere God, de Almachtige.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 91
“Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan” enzovoort. Is er één werk van God dat niet doortrokken is van prachtige orde? Denk aan hoe dag en nacht elkaar opvolgen. Denk aan de kringloop van de jaargetijden. Denk aan de sterren, die hun majestueuze paden bewandelen onder één grote wet van harmonie. Daarin worden “de liefelijkheden van het Zevengesternte” gebonden en wordt “den Wagen met zijn kinderen” geleid (Job 38:31-32). Kijk omhoog, midden in de pracht van de macht, naar dat volgepakte gewelf, wereld op wereld gestapeld. Zie hoe rustig en groots die statige optocht verloopt!
Geen valse noot verstoort daar de harmonie, terwijl ze met onvoorstelbare snelheid door hun ingewikkelde en afdwalende banen draaien. Alle hemelse schildwachten houden hun aangewezen wachttoren bezet. Deze Levieten van het hemelgewelf steken hun altaarvuren aan “ten tijde van het avondreukwerk”. En ze doven ze weer als de zon, die over de dag moet regeren, uit haar kamer stapt. “Zij allen wachten op U” (Ps. 104:27). “Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.” — J.R. Macduff, in “Sunsets on the Hebrew Mountains”, 1862.
Vers 91
“Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan.” Een plant kan de mens wel vernietigen, maar hij kan haar niet dwingen ongehoorzaam te zijn aan de wetten van haar gezamenlijke Schepper. “Wil hij haar gebruiken”, zegt iemand, “dan moet hij aandachtig kijken naar wat ze nodig heeft en hoe ze groeit. Zijn trotse wil moet zich buigen voor het kleinste sprietje gras aan zijn voeten. Met geweld kan hij een groeiend takje de weg versperren, maar het buigt rustig opzij en vervolgt geduldig en onstuitbaar zijn bestemde weg.” Wat hij ook probeert: gras groeit niet in de tropen en de palm draagt geen vrucht in een koud land.
Rijst gedijt alleen in waterige moerassen. Katoen vormt zijn vacht van sneeuwwitte vezels niet waar de regen erbij kan. Sommige van de mooiste bloemen ter wereld en, wat nog vreemder is, sommige van de sappigste en vlezigste planten die wij kennen, sieren de dorre, verlaten zanden van Kaap de Goede Hoop. Nergens anders willen ze bloeien, hoe je ook je best doet. Draai de tak van een boom zo dat de onderkant van de bladeren naar de hemel wijst. Binnen korte tijd keren die bladeren zich allemaal weer om en nemen ze hun bestemde stand weer aan.
Hoe snel dat gaat, hangt af van de warmte van de zon en de buigzaamheid van de bladeren. Maar het gebeurt zeker. De treurboom van India kun je niet dwingen overdag te bloeien. En je kunt hem ook niet laten ophouden met het hele jaar door de nachtlucht te vullen met de rijke geur van zijn oranjeachtige bloemen. De wijsgeer hoeft niet ver te gaan om daar het geheim van te vinden. De psalmist legt het uit, wanneer hij over de hele natuur spreekt en wijst op de ware oorzaak van haar onveranderlijke orde. God, zegt hij, “heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden”.
Of, zoals de Prayer Book-vertaling het zegt: “heeft hun een wet gegeven die niet gebroken zal worden” (Ps. 148:6). Op een andere plaats staat terecht (Ps. 119:91): “Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.” De eigenzinnige mens waagt het zijn Maker te trotseren en Zijn wijze, barmhartige geboden voor niets te houden. Maar de rest van de natuur doet dat niet. Wat een geluk voor ons dat Zijn andere werken ons voorbeeld van opstand niet hebben nagevolgd! Dat zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, met alles wat erbij hoort, niet zijn opgehouden!
Het gebod dat de planten kregen toen ze op de derde scheppingsdag werden geroepen, houden ze nog altijd volledig. De tederste plant gaat dood voordat ze het overtreedt. Wat een afschuwelijk contrast met de mens, Gods edelste werk, begiftigd met verstand en een nooit stervende ziel! Toch ruïneert hij maar al te vaak zijn gezondheid. Hij verspilt en vernietigt zijn verstandelijke kracht en bezoedelt zijn onsterfelijke geest. Kortom: hij probeert met waanzin elk doel te dwarsbomen waarvoor hij was gevormd. — James Neil, in “Rays from the Realms of Nature”, 1879.
Vers 91
Alle schepselen houden zich precies aan de wet die Hij in hun natuur heeft gelegd. Elk op zijn eigen manier erkennen ze Hem als hun Soeverein. Ze volgen de neigingen die Hij hun heeft ingeprent. De zee blijft binnen haar grenzen. De zon verlaat haar baan niet. De sterren trekken in hun volgorde voorbij: “Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.” Geeft Hij een opdracht die haaks staat op hun oorspronkelijke natuur? Dan gehoorzamen ze Hem toch. Als Hij het woord spreekt, wordt het verterende vuur mild en roert het geen haar aan van de kinderen die Hij wil behouden.
Hongerige leeuwen zetten hun roofzucht even stop, zodra zo’n heerlijke hap als Daniël hun wordt voorgezet. En de zon, die sinds haar schepping altijd in beweging was, gehoorzaamt het bevel om uit te rusten dat God in de tijd van Jozua gaf, en blijft staan. — Stephen Charnock.
Vers 91
“Zij allen zijn Uw knechten.” Bedenk eens hoe groot de verdorvenheid is waardoor alleen de mens, die naar Gods beeld is gemaakt, de gehoorzaamheid aan God verliet, samen met de verworpen engelen. Wat van alle andere schepselen wordt gezegd, kan dus niet van hem gezegd worden, tenzij hij door bijzondere genade is vernieuwd. — Wolfgang Musculus.
Vers 91
“Zij allen zijn Uw knechten.” Alle schepselen moeten God dienen. Daarom mogen wij ze nooit voor iets anders inzetten, en ze zeker niet laten werken voor de zonde. Door de zonde van onze eerste ouders is de schepping aan de ijdelheid overgeleverd. Ze zucht en verlangt ernaar bevrijd te worden (Rom. 8:19-22). Christenen die het schepsel en de wereld gebruiken, moeten ze daarom gebruiken zonder ze te misbruiken (1 Kor. 7:31). Ze moeten ervan genieten onder lof voor Gods majesteit en goedheid (1 Tim. 4:4-5). — Solomon Gesner.
Vers 91
“Zij allen zijn Uw knechten.”
Zeg niet, mijn ziel: “Hoe zou
God mijn zorgen kunnen verlichten?”
Bedenk: de Almachtige heeft overal
dienaren die Zijn wil verrichten. — Thomas T. Lynch, 1855.
Wenken voor predikers
Vers 91
Onze sterrenvermaners. Ze leren ons:
- Te dienen, ook al kunnen wij niet stralen met hun glans.
- Alles te doen met strikte aandacht voor Gods wil.
- Te “blijven staan”, “naar Uw verordeningen”. — W.B.H.
Vers 91
De dienst van de natuur.
- Universeel: “zij allen zijn Uw knechten.”
- Gehoorzaam: “naar Uw verordeningen.”
- Voortdurend: “zij blijven staan.”
- Afgeleid: “Gij hebt de aarde vastgemaakt.”
Uitleg
Vers 92
“Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.” Het woord dat hemel en aarde in stand houdt, houdt ook het volk van God staande in tijden van beproeving. Dat is geen toeval: het is dezelfde macht. Dat woord houdt ons in zijn greep. Voor ons is het een goudmijn van vreugde. We beleven er dubbel en driedubbel plezier aan en halen er steeds meer vreugde uit. Dat komt ons zeer van pas wanneer alle andere vreugde ons is ontnomen: dan blijft deze over.
We hadden bij ons verdriet het liefst willen gaan liggen om te sterven, als de geestelijke troost uit Gods woord ons niet had opgericht. Maar die steun heeft ons boven alle neerslachtigheid en wanhoop uit getild, die vanzelf uit zware ellende opkomen. Sommigen van ons kunnen daar uit eigen ervaring hun handtekening onder zetten. Zonder Gods genade had onze ellende ons uit het bestaan gedrukt, zodat we waren vergaan. In onze donkerste tijden heeft niets ons van wanhoop weerhouden, behalve de belofte van de Heere. Soms stond zelfs niets tussen ons en zelfvernietiging in, behalve het geloof in Gods eeuwige woord.
Waren we zo uitgeput van de pijn dat ons hoofd versuft was en ons verstand bijna uitgedoofd? Dan fluisterde een lieflijke tekst ons zijn hartversterkende verzekering toe, en ons arme, worstelende gemoed kon uitrusten aan Gods borst. Wat ons in voorspoed vreugde gaf, werd in tegenspoed ons licht. Wat ons overdag behoedde voor aanmatiging en overmoed, behoedde ons in de nacht voor ondergang. Dit vers bevat een heel droeve veronderstelling: “indien … niet”. Het beschrijft een vreselijke toestand: “in mijn druk al lang vergaan”. En het sluit ook een heerlijke redding in, want hij stierf niet, maar leefde om de eer van Gods woord uit te dragen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 92
“Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking”, enzovoort. Deze tekst laat zien hoeveel nut en troost David in zijn ellende in Gods wet vond. Ze behoedde hem voor ondergang: “Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.” Volgens Musculus zegt David dit over de benarde tijd waarin Saul hem achtervolgde. Hij moest bij de Filistijnen schuilen en kroop soms weg in rotsen en aardgrotten. Naar alle waarschijnlijkheid (zegt hij) had David dan ook het boek van Gods wet bij zich. Als hij daarin las, werd zijn verdriet minder en kwam hij tot rust.
Zo bleef hij ook vrij van het bijgeloof van de heidenen, waarmee hij anders gemeenschap had gekregen. De Griekse uitleggers zeggen dat David deze woorden sprak toen Saul hem had weggejaagd en hij onder de Filistijnen moest leven. Als hij de overdenking van Gods woord niet met zich had meegedragen, was hij immers in verleiding gekomen om hun goddeloze gewoonten over te nemen.
Wie in Gods woord werkelijk vreugde vindt, heeft daar als bedrukte heilige een tegengif tegen ondergang en verderf. Gods woord is de zalf voor de zieke heilige. Het is de versterking van de stervende heilige en een kostbaar medicijn dat Gods volk in tijden van ellende behoudt. Dit hield Jakob overeind en liet hem niet zinken, toen zijn broer Ezau woedend naderde om hem te vernietigen (Gen. 32:12). Zijn pleidooi bij God was: “Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen”, enzovoort. Zo werd hij gedragen door Gods belofte. Ook Jozua kreeg hierdoor houvast.
Zo kon hij onverschrokken de oorlogen van de Heere voeren, omdat God had gezegd: “Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten” (Joz. 1:5). Melanchthon vertelt dat de landgraaf van Hessen hem in Dresden zei dat hij de velerlei ellende van zijn lange gevangenschap onmogelijk had kunnen verdragen, nisi habuisset consolationem verbo divino in suo corde: zonder de troost van de Schrift in zijn hart. — Edmund Calamy (1600-1666) in “The Godly Man’s Ark”.
Vers 92
Het lezen van het grootste deel van de Schrift is vast en zeker iets heel troostrijks. Naar mijn idee weet een godvrezend hart dat goed gestemd is bijna niet hoe het bedroefd kan zijn, zolang het daarmee bezig is. Wat een troost is het immers voor iemand om brieven van zijn aardse vader te lezen die aan hem gericht zijn, ook al zijn ze lang geleden geschreven. Wat een zorg besteden we aan het bewaren van zulke brieven in onze kisten! Hoe graag halen we ze telkens weer tevoorschijn om ze te bekijken!
En wat een verdriet als we ze kwijtraken! Is mijn liefde voor mijn aardse vader zo groot? Zou mijn liefde voor mijn hemelse Vader dan minder zijn? Mijn hart kan dan niet anders dan juichen, en mijn beenderen niet anders dan opbloeien als groen kruid, elke keer dat ik het laatste testament van mijn Verlosser inzie. Daaruit weet ik dat Hij zoveel van mij houdt, dat Hij dit voortdurend voor mij doet en dat ik altijd bij Hem zal zijn.
Wat spreekt David toch vaak over zijn vreugde in Gods wet, in Zijn inzettingen en getuigenissen! Ze nam bij hem de plaats in van alle andere genoegens, zonder dat hij iets miste. En ze bleef bij hem toen alle andere genoegens hem verlieten: “Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking (of: mijn zeer grote vermaking), ik ware in mijn druk al lang vergaan” (Ps. 119:92). Vorsten kunnen er gaan zitten en nog zoveel kwaad over hem spreken: hij blijft Gods inzettingen overdenken (Ps. 119:23). Hij mag nog zoveel vervolgers en vijanden hebben: van Gods getuigenissen wijkt hij niet af (Ps. 119:157).
Zit hij in een vreemd land? Daar zijn Gods inzettingen zijn lied (Ps. 119:54). Moet hij zijn leven lang als vreemdeling op aarde leven? Dat deert hem niet, zolang hij maar geen vreemde is voor Gods geboden (Ps. 119:19). Wordt hij nog zozeer geminacht, Gods bevelen vergeet hij toch niet (Ps. 119:141). Al lag zijn ziel voortdurend in zijn hand, dan nog zou hij Gods wet niet vergeten. Ja, ook al werd hij als een lederen zak in de rook, Gods inzettingen vergat hij niet (Ps. 119:83). Hij was er zelfs blij om dat hij verdrukt was geweest, want zo had hij Gods inzettingen leren kennen.
Verder verlangde hij niet naar rijkdom: “Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid” (Ps. 119:111). Om het leven zelf gaf hij niet veel, behalve om Gods woord te bewaren (Ps. 119:17). Wat hij eerder ook had gezegd of nog van plan was te zeggen, telkens roept hij weer: “Leer mij Uw inzettingen”, en: “Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen”, of iets in die trant. Zwijgen over Gods woorden, dat kon hij niet. Ze stonden hem immers voortdurend voor ogen (Ps. 119:30). Het is dus niet vreemd dat hij er zo vaak bij stilstond en erover nadacht, zoals hij zelf zegt: “Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag” (Ps. 119:97).
En: “… Uw getuigenissen mijn betrachting zijn” (Ps. 119:99). Gods geboden waren voor David zoeter dan honing in zijn mond, als hij erover sprak en erover praatte (Ps. 119:103). — Zachary Bogan, 1653.
Vers 92
De mensen aan wie Gods woord werkelijk vreugde geeft, zijn de kinderen van God en niemand anders. Alleen zij zijn geschikt om de troost van het woord echt in zich op te nemen.
- Alleen zij hebben geestelijk licht ontvangen om de grote, troostrijke dingen erin te herkennen, en wel op een manier waarop niemand anders dat kan: “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden” (1 Kor. 2:14).
- Zij waarderen het woord van God het hoogst. Daardoor staan ze open om er troost uit te ontvangen.
- Hun hart en hun levenswandel passen bij het woord van God. Dat is een tweede reden waarom ze er zoveel vreugde uit putten. “Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is” en vinden daar hun plezier in, “maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is” (Rom. 8:5). De troost van het woord is geestelijk. Alleen een geestelijk hart, door genade vernieuwd, kan die proeven en smaken. De vreugde die Gods volk aan het woord heeft, is een voorrecht dat uitsluitend hun toebehoort. En dit woord heeft genoeg te geven om iedereen van hun kring blij te maken. — Daniel Wilcox, 1676-1733.
Vers 92
“Al mijn vermaking.” In het Hebreeuws staat het woord in het meervoud: vermakingen. Davids leven kende veel verdriet. Maar tegenover al dat verdriet vond hij evenveel troost en verkwikking in Gods woord. God heeft Zijn woord laten opschrijven met zo’n rijkdom aan heilige wijsheid, dat het voor elke levensomstandigheid de juiste troost bevat. Gods kinderen vinden daarom niets zo kostbaar. Ze verkiezen het zelfs boven hun vaste dagelijkse maaltijd. — William Cowper.
Vers 92
“Uw wet … al mijn vermaking, … in mijn druk.” Op een dag stond ik toevallig in een kruidenierswinkel in een grote industriestad in het westen van Schotland. Er kwam een arme, oude, gebrekkige weduwe binnen om iets te kopen. Misschien is die stad nooit door een ergere tijd van nood en armoede gegaan. Bijna alle weefgetouwen lagen stil. Nette, achtbare ambachtslieden, die betere tijden hadden gekend, moesten van openbare liefdadigheid rondkomen. Voor de werkelijk armen en behoeftigen was er per dag een vast bedrag. Veel was het niet. De arme weduwe had haar schamele dagelijkse deel gekregen en kwam het nu bij de kruidenier besteden, zo voordelig mogelijk.
In haar uitgedroogde handen hield ze slechts enkele koperen muntjes. Met zorg gaf ze haar kleine voorraad uit. Een stuiver voor dit, een stuiver voor dat, het nodigste van het nodige, en bijna alles was op. Zo kwam ze bij de laatste cent. Met een bijzondere blik van heldhaftige tevredenheid en vrolijke berusting op haar gerimpelde gezicht zei ze: “Hier moet ik nu olie voor kopen, zodat ik in deze lange, donkere nachten in mijn Bijbel kan lezen. Want die is nu mijn enige troost, nu elke andere troost is weggevallen.” — Alexander Wallace, in “The Bible and the Working Classes”, 1853.
Vers 92
Dit vers kan ik noemen: een geurkruid tegen de pest, de zalf voor de zieken, de troost voor wie bedrukt is en een gezegende zegetocht in en over alle ellende. — Richard Greenham.
Wenken voor predikers
Vers 92
De steunende kracht van de vreugde in God.
Vers 92
Het woord van God als steun te midden van de zwaardere smarten van het leven.
- Waarom we het zo hard nodig hebben.
(a) Zonder dat gaan mensen drinken om hun verdriet te verdrinken. Anderen maakten een einde aan hun leven, omdat het niet meer te dragen was. Weer anderen raakten gebroken en wanhopig, omdat ze de kracht misten om tegen tegenslag te vechten. Ze werden atheïst in hun belijdenis, zoals ze helaas in de praktijk al waren. Kortom, ze vallen dan allemaal ten prooi aan het bitterste verdriet en de ergste gevolgen van rampspoed.
(b) Niets kan de plaats van Gods woord innemen. De natuur werpt geen enkel licht op het raadsel van het lijden. Menselijke wijsbegeerte is op zijn best een schrale troost. En wanneer je haar het hardst nodig hebt, laat ze het meest afweten.
- Waarom het werkt, en hoe dat bewezen wordt:
(a) In de ervaring van wie het hebben beproefd.
(b) Door het karakter van zijn beloften.
(c) Door wat het ons laat ontdekken: een weldadige voorzienigheid die werkt door ramp en verdriet heen.
(d) Door wat het ons openbaart van Gods medelijden en het medeleven van Christus.
(e) Door het verslag van de “Man van smarten”, Die door lijden de zaligheid van de mens bewerkte en in de heerlijkheid inging.
(f) Door wat het leert over het vleesgeworden Woord. Zo laat het een lijdende God zien, en dat kan lijdende mensen goed troosten.
(g) Doordat het de heerlijkheid van de hemel toont en de eeuwige gelukzaligheid die wacht op wie overwinnen door het bloed van het Lam. — J.F.
Vers 92
“The Godly Man’s Ark; or, City of Refuge in the day of his Distress. Discovered in divers (five) Sermons…” Geschreven door Edmund Calamy, B.D. … Achttiende druk. 1709. Duodecimo.
Vers 92
De psalmist houdt ons hier voor:
- Hoe het met hem gesteld was, en waar hij nu op terugkijkt: een droevige toestand waarin hij wegzakte. Hij was zo zwaar verdrukt dat hij op het punt stond om te komen. Dat omvat naar het schijnt zowel innerlijke als uitwendige nood: beproevingen van buiten en druk van binnen.
- Wat hem opluchting gaf, en wel toen niets anders kon helpen, enzovoort: de wet van God.
- Hoe hij op die ontvangen opluchting terugkijkt, namelijk met dankbaarheid aan God, tot Wie hij spreekt. Hij legt vast wat God deed, om anderen te bemoedigen en de weg te wijzen: “Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.” — Daniel Wilcox, 1676-1733.
Vers 92
De reddingsboei. Vertel het verhaal van een schipbreukeling. Beschrijf zo wat de ziel meemaakt die worstelt in de zee van ellende. Ze wordt bijna overspoeld, maar blijft boven elke volgende golf drijven. Uiteindelijk wordt ze gered doordat ze zich vastklampt aan het Woord van God. — C.A.D.
Vers 92
Hoe de psalmist huivert bij de herinnering aan het gevaar.
- Groot gevaar: ellende die neigt naar wanhoop en ondergang.
- Beangstigend kantelpunt: “ik ware … al lang vergaan” (Engels: “then”, dan).
- Hulp uit vele handen: “Uw wet … al mijn vermaking.” — W.B.H.
Uitleg
Vers 93
“Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.” Wie de levendmakende kracht van een gebod aan den lijve heeft ervaren, vergeet het nooit meer. Een gebod lezen, instuderen en opdreunen kan iedereen, en toch glipt het weer weg uit je hoofd. Heeft het je echter eens leven gegeven, of dat leven vernieuwd, dan raak je het nooit meer kwijt. Ervaring is een meester die grondig onderwijst. Wat een zegen als de geboden op het hart geschreven zijn met de gouden pen van de ervaring, en in het geheugen gegrift met de hemelse griffel van de genade!
Vergeetachtigheid is een groot kwaad waar het om heilige zaken gaat. Hier zien we de man van God daartegen strijden, en hij is zeker van de overwinning, omdat hij in zijn eigen ziel de levenwekkende kracht van het woord heeft gevoeld. Wat het hart doet leven, zal ook het geheugen doen leven. Opvallend is dat hij die levendmakende werking juist aan de geboden toeschrijft. Toch zit die kracht daarin, net zo goed als in alle andere woorden van de Heere. Denk eraan hoe de Heere dode mensen opwekte: Hij sprak hun een bevel toe. Hij zei: “Lazarus, kom uit!”, of: “Kind, sta op!” Wij hoeven dus niet terug te schrikken voor het brengen van evangeliegeboden aan dode zondaars, want de Geest geeft hun daardoor leven.
Let ook hierop: de psalmist zegt niet dat de geboden hem levend maakten, maar dat de Heere dat deed, door middel van die geboden. Zo gaat hij van het kanaal terug naar de bron en geeft hij de eer aan Wie die toekomt. Toch bleef hij de werktuigen van die zegen hoog houden en nam hij zich voor ze nooit te vergeten. Eerder dacht hij al aan Gods inzettingen, toen hij zich een zak in de rook noemde. Nu weet hij dat Gods geboden hem bijblijven, of hij nu in de rook of midden in het vuur is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 93
“Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten”, enzovoort. Tegen vergeetachtigheid moet je met alle middelen strijden, anders sluipt ze er langzaam in, door ondankbaarheid, ouderdom, een zwakker verstand of andere zware zorgen. Zie Psalm 119:16, 61 en 83. — Martin Geier.
Vers 93
“Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten”, enzovoort. Deze beproefde, goede man heeft nu troost ontvangen. Die troost vloeide voort uit zijn blijdschap over Gods wet. Hij denkt eraan, hij voelt hoe krachtig ze is, en om altijd zulke troost te mogen ontvangen, verbindt hij zich met een belofte aan de Heere: hij zal Zijn bevelen nooit vergeten. Hij voegt er een reden aan toe, namelijk dat ze voor hem geest en leven waren.
“Want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.” Levend gemaakt werd hij, zoals hij zegt, door God. Maar dat gebeurde ook door het woord: zuiver gepredikt, tot behoud begrepen en persoonlijk op het geweten gelegd. Zo brengt de kracht van Christus’ dood ons ertoe voort te gaan in een nieuw leven. Niets is te vergelijken met dit levenswater uit de hemel, waardoor wij innerlijk vrede hebben in ons geweten en uitwendig gehoorzaam zijn aan Gods geboden. David verheugde zich over deze zegen, en dat behoren wij ook te doen. We willen altijd levendig en blijmoedig zijn in alle goede werken. Alleen God kan dat geven, door Zijn Geest, in het woord. — Richard Greenham.
Vers 93
“Door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.” De Geest Die levend maakt, werkt met vreugde door het woord heen. Toch komt de weldaad van God, ook al is het woord het middel: “Want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.” Leven stroomt uit de bron van het leven. Het evangelie is een krachtige pleister, maar God Zelf moet hem met Zijn hand aanbrengen en aandrukken, zodat het voor onze ziel vrede, troost en nieuwe levenskracht wordt. Levend gemaakt worden kan op twee manieren gebeuren: wanneer we van dood levend worden gemaakt, of wanneer we van koel, treurig en loom weer levendig worden.
Dan hebben we niet alleen leven, maar hebben we het overvloedig, naar Christus’ genadige belofte (Joh. 10:10), zodat wij levend en levendig zijn en voortdurend in kracht blijven. Dit tweede levendmaken kun je ruim nemen, als de levenskracht van de genade, of strikter, als werkelijke vertroosting. In ruime zin maakt God levend door het leven van de genade te doen toenemen. Inwendig doet Hij dat door dat leven toe te zeggen, en in ons gedrag en naar buiten door het leven van de heerlijkheid te beloven. In de strikte zin is Zijn levendmaken troost en ondersteuning in onze nood.
Zo is het hier vermoedelijk bedoeld. Vlak ervoor zei hij: “Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan”, en nu: “Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.” Voor hem was dat een grote troost en steun. Daarom moest hij het woord blijven waarderen, zolang hij leefde. — Thomas Manton.
Vers 93
“Gij hebt mij levend gemaakt.” Blijf de Bijbel lezen tot je hart warm geworden is. Lees het woord niet slechts als geschiedenis, maar span je in om er echt door geraakt te worden. Laat het je niet alleen verlichten, maar ook ontvlammen. “Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE” (Jer. 23:29). Ga pas van het woord weg als je kunt zeggen wat die twee discipelen zeiden: “Was ons hart niet brandende in ons?” (Luk. 24:32). — Thomas Watson.
Wenken voor predikers
Vers 93
Ervaring drukt het woord vast in het geheugen.
Vers 93
- Een goed besluit: “Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten.”
(a) De bevelen zijn het onthouden waard.
(b) Wie ze onthoudt, is veilig.
(c) Zonder ze te onthouden kun je God niet trouw zijn.
(d) Ze vergeten is schandelijke ondankbaarheid.
- Een uitstekende reden voor dit besluit: “Want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.”
(a) Een reden die rust op eigen ervaring: “mij.”
(b) Een reden die de ontvangen weldaad op prijs stelt: “levend gemaakt.”
(c) Een reden die dankbaarheid aan God uitdrukt: “Gij.” — J.F.
Vers 93
Nooit vergeten: een uitdrukking die vaak wordt gebruikt. Hier is ze goud waard.
- Iets dat je niet kunt vergeten: ontvangen leven en vergeving. Hoe zou je dat ook kunnen?
- Iets dat je niet mag vergeten: het kostbare middel. — W.B.H.
Vers 93
- De kracht van de waarheid als werktuig.
(a) God gebruikt haar bij onze wedergeboorte: Jak. 1:18, Ps. 19:8.
(b) Ze wordt gebruikt bij onze bevrijding: Joh. 8:32.
(c) Ze wordt gebruikt bij onze heiliging: Joh. 17:17.
- Onze liefde ervoor, die daaruit volgt. We kunnen het niet vergeten.
(a) Wat we er vroeger aan te danken hadden.
(b) Hoe afhankelijk we er nu van zijn.
(c) Hoe hard we het in de toekomst nodig hebben. — W.W.
Uitleg
Vers 94
“Ik ben Uw, behoud mij.” Dit is een gebed dat alles in zich draagt en een argument dat overtuigt. Wie zich heeft toegewijd, heeft een goed pleidooi voor bewaring. Beseffen we dat we van de Heere zijn, dan kunnen we er zeker van zijn dat Hij ons zal behouden. Wij zijn van de Heere door de schepping, de verkiezing, de verlossing, de overgave en de aanneming. Vandaar onze vaste hoop en onze zekere verwachting dat Hij ons behoudt. Een mens zal zijn eigen kind toch redden? Heere, behoud mij. Hoe hard redding nodig is, zien Gods kinderen scherper dan wie ook.
Dat verklaart hun gebed: “behoud mij”. Zij weten dat alleen God hen kan behouden, en roepen dus alleen Hem aan. Zij weten ook dat zij zelf geen enkele verdienste kunnen aanvoeren. Daarom halen ze hun reden uit Gods genade: “Ik ben Uw.” “Want ik heb Uw bevelen gezocht.” Zo bewees hij dat hij bij de Heere hoorde. Alle heiligheid die hij verlangde had hij misschien niet bereikt, maar hij had zich ernstig ingespannen om de Heere te gehoorzamen. Daarom smeekte hij om behouden te worden tot het einde. Iemand kan naar de leerstukken en beloften zoeken en toch een hart hebben dat niet vernieuwd is.
Maar wie de geboden zoekt, vertoont een onmiskenbaar teken van genade. Nog nooit heeft iemand gehoord van een rebel of een huichelaar die de geboden zocht. Het is duidelijk dat de Heere veel in de psalmist had gedaan, en hij vroeg Hem dit werk te voltooien. Behouden en zoeken horen bij elkaar: “behoud mij, want ik heb … gezocht”. Zet de Heere ons aan het zoeken, dan zal Hij ons het behoud niet onthouden. Wie heiligheid zoekt, is al behouden. Hebben wij de Heere gezocht, dan weten we zeker dat de Heere ons heeft gezocht en ons beslist zal behouden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 94
“Ik ben Uw, behoud mij.” David, een man naar Gods hart, wilde behouden worden. Maar niet zoals de mensen van deze wereld, die behouden willen worden om van zichzelf te zijn en naar eigen believen van het leven te genieten. Nee, wie behouden wordt, wordt volgens hem Gods eigendom; dus hoort hij Hem te dienen, en God beschikt over hem: “Ik ben Uw, behoud mij.”
In dit argument zit een drievoudige kracht.
- De wet van de natuur. Die verplicht een vader om goed voor zijn kind te zijn, en een man voor zijn vrouw, enzovoort. God heeft Zich nog sterker aan die natuurwet onderworpen dan zij allen. Hij staat er meer onder, en Hij houdt haar volmaakter, voller en heerlijker dan wie ook. Geen vader is als Hij, geen vriend, geen echtgenoot. “Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten” (Jes. 49:15). Een moeder kan dat nauwelijks. De natuur leert haar innerlijk mededogen en een barmhartige gedachtenis voor haar kind. Veel eerder zal Ik het doen, zegt God.
- Als wij tegen God kunnen zeggen: “Ik ben Uw”, dan doen we een beroep op het verbond dat God met ons gemaakt heeft. In dat verbond is Hij onze Vader en Vriend geworden. Dat beroep klonk ook in Jes. 63:16: “Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.” Zie welke slotsom hier getrokken wordt. Hij is zeker onze Vader, en daarom roepen wij Hem om hulp aan, zonder dat er een andere grond nodig is. Zo spreekt het kind dat zijn vader kent.
- Wie zo met God in gesprek gaat en Hem als het ware aan Zijn woord houdt, krijgt daar moed en kracht voor zijn geest bij. Kan hij naar waarheid zeggen: “Ik ben de Uwe”, dan zal God nog veel meer tegen Zijn schepsel zeggen: “Ik ben de jouwe.” Als wij al zoveel liefde hebben dat we onszelf aan God aanbieden om de Zijnen te worden, hoeveel te meer zal Gods liefde Hem dan drijven om de onze te worden! God heeft immers als Eerste lief, Hij heeft het meest lief en Hij heeft het zekerst lief.
Als mijn hart zich naar God uitstrekt, hoeveel sterker trekt dan Gods hart zich naar mij toe, want bij Hem ligt de liefde aan de bron. Nooit heeft een bruid tegen haar man, van wie ze met heel haar ziel hield, met meer blijdschap gezegd: “Ik ben de jouwe”, dan de geest van een oprecht mens tegen God zegt: “Heere, ik ben de Uwe.” En Hij houdt van zo iemand met een liefde die dankbaarheid oproept. Heb jij jezelf aan Mij gegeven, zegt Hij, en zou Ik Mij dan voor jou terughouden? Hebt U, Die zo groot bent, dit alles voor mij gedaan, zegt de ander, en zou ik dan tegen U in verzet blijven?
Een mens die Gods genade kent, wil maar al te graag erkennen dat hij van de Heere is. De heiligen doen dat vaak. In deze psalm komt David wel twintig keer met deze belijdenis, en ook in Psalm 116:16 zegt hij: “Ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht.” Eén keer was niet genoeg. Hij zegt het nog eens, om te laten zien hoe oprecht hij is. Zo getuigt hij dat zijn hart er volkomen gelukkig mee was dat hij niet van zichzelf was, maar van de Heere. Weten dat we bij God horen, maakt de weg naar Hem veel gemakkelijker.
Heeft een mens daar eenmaal zekerheid over en kan hij met een heldere geest zeggen: “Ik ben de Uwe”, dan roept hij vanzelf: “Behoud mij.” Zo iemand is een man van gebed. Hij is veel in gesprek met God en gaat voortdurend met Hem om. — Joseph Symonds, 1653.
Vers 94
“Ik ben Uw.” Hier hebben we een prachtig argument om de Heere in onze benauwdheid tot hulp te bewegen: “Ik ben Uw.” Door de schepping, want U hebt mij gemaakt. Door de aanneming, want ik ben aan U overgedragen. Door een gift, want ik ben aan U geschonken. Door het huwelijk, want ik ben aan U verloofd. Door de verlossing, want U hebt mij gekocht. Door een gelofte, want ik heb mijzelf aan U beloofd. — Richard Greenham.
Vers 94
“Want ik heb Uw bevelen gezocht.” Merk op hoe David zijn verklaring hier nader bepaalt. Zijn vurige liefde voor Gods woord bewijst dat hij van God was en niet de dienaar van zichzelf. Niet met woorden, maar met genegenheid en daden moeten we aantonen dat we bij de Heere horen. Tuus sum, quia id solum quod tuum est quaesivi: ik ben de Uwe, omdat ik niets anders zocht dan wat van U is en hoe ik U kon behagen. Mihi in tuis justificationibus est omne patrimonium: in het onderhouden van Uw inzettingen ligt heel mijn erfdeel. — William Cowper.
Vers 94
- David beroept zich op zijn band met God: “Ik ben Uw”, dat wil zeggen: aan U gewijd en door U erkend, de Uwe in het verbond.
- Hij onderbouwt dat beroep: “Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.” Hij heeft dus met zorg nagegaan wat zijn plicht is en zich ijverig ingespannen om die te doen.
- Hij maakt gebruik van dat beroep: “Ik ben Uw, behoud mij.” Behoud mij voor de zonde, behoud mij voor de ondergang. — Mr. Henry.
Vers 94
- Een groot gebed: “Behoud mij.”
- Een verheven pleitgrond: “Ik ben Uw.”
- Een ervaring van genade: “Ik heb … gezocht”, enzovoort.
Vers 94
- Een band: “Ik ben Uw.”
- Bewaring: “behoud mij.”
- Een verplichting: “Ik heb … gezocht”, enzovoort. — G.R.
Vers 94
- Gods kind herinnert Hem nederig aan Zijn verantwoordelijkheid: “Ik ben Uw.”
- Het durft zijn eigen oprechtheid te noemen: het heeft in elk geval “gezocht.”
- Met die twee uitgestrekte handen roept het luid om hulp: “behoud mij.” — W.B.H.
Vers 94
Multum in parvo, veel in weinig.
- Een belijdenis.
- Een gebed.
- Een argument. — C.A.D.
Vers 94
- Wat God aan ons heeft.
- Wat wij aan God hebben. — W.D.
Vers 94
De kenmerken van een persoonlijk geloof.
- Persoonlijke overgave aan God: “Ik ben Uw.”
- Persoonlijke gehoorzaamheid: “Ik heb Uw bevelen gezocht.”
- Persoonlijke verwachting: “behoud mij.” — J.F.
Vers 94
De moed die gehoorzaamheid geeft.
- Ze geeft ons moed voor een vaste zekerheid: “Ik ben Uw, … want ik heb”, enzovoort.
(a) Alleen door het geloof worden we eigendom van God.
(b) Maar zekerheid dat we van Hem zijn, bestaat niet zonder gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid toont onszelf dat ons geloof echt is en stelt ons gerust over de genade die we ontvingen.
(c) Gebrekkige gehoorzaamheid staat zekerheid altijd in de weg.
- Ze geeft ons moed om te bidden, en in het gebed te zeggen: “Behoud mij.”
(a) De gebeden van een christen komen alleen voort uit geloof en worden alleen in geloof opgezonden.
(b) Maar ongehoorzaamheid doet hem terugdeinzen om in het gebed tot God te naderen en maakt hem zwak in zijn smeken.
(c) Gehoorzaamheid is nederig, maar ook vrijmoedig. Wat de middelste zin van de tekst zegt, geldt evengoed voor de eerste en de derde. — J.F.
Uitleg
Vers 95
“De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.” Denk aan roofdieren die langs het pad in een hinderlaag liggen, of aan struikrovers die een weerloze reiziger opwachten. De psalmdichter echter wandelde door en keek niet eens naar hen om. Zijn aandacht ging uit naar iets veel beters: het getuigenis dat God aan de mensenkinderen heeft gegeven. Wat de goddelozen ook van plan waren, het hield hem niet af van zijn heilige studie van Gods woord. Hij bleef zo kalm dat hij nog “acht” kon “nemen”.
Hij was zo toegewijd dat hij het heerlijk vond om te letten op de “getuigenissen” van de Heere. En zijn overwinning op al hun aanslagen was zo volkomen dat ze hem niet uit zijn vrome overpeinzingen konden verjagen. Als de vijand ons niet kan dwingen onze gedachten van de heilige studie los te maken, onze voeten van de heilige weg of ons hart van heilig verlangen, dan is hij met zijn aanvallen slecht geslaagd. De goddelozen zijn immers de aartsvijanden van heilige mensen en heilige gedachten. Konden ze het, dan zouden ze ons niet alleen schade toebrengen maar ons vernietigen.
Lukt dat vandaag niet, dan wachten ze gewoon op een volgende kans, want ze blijven hopen dat hun kwade plannen toch nog slagen. Tot nu toe wachtten ze tevergeefs, en dat zullen ze nog lang doen. Wie zo onbewogen blijft dat hij hun niet eens aandacht schenkt, laat hun nauwelijks hoop om hem ten onder te brengen. Merk op dat er twee keer gewacht wordt. De goddelozen wachten geduldig: ze loeren lang en zorgvuldig op een moment om de godvrezenden te vernietigen. Maar ook de heilige wacht geduldig: hij laat zijn overdenkingen niet los, ook niet om zijn vijanden te bedaren.
Zo ligt het zaad van de slang op de loer, als een adder die het paard in de hiel bijt. Maar de uitverkorenen van de Heere leven hoog boven het bereik van hun gif en letten er niet meer op dan wanneer die vijanden niet bestonden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 95
“De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan.” Opnieuw valt hem iets op bij zijn vijanden, en wel twee dingen. Ten eerste hun ijver: ze letten op alle mogelijkheden om hem kwaad te doen. Ten tweede hun meedogenloosheid: ze wilden hem werkelijk vernietigen. Wat zien we hier duidelijk hoe de boosheid van de goddelozen tegen de vromen nooit rust en nooit verzadigd is! Daniëls bewaring in de leeuwenkuil was een groot wonder. Maar het is evengoed een wonderwerk van God dat de vromen, de schapen van Christus, dag aan dag veilig blijven midden tussen de goddelozen. Dat zijn immers niets dan verscheurende wolven, die dorsten naar het bloed van Gods heiligen. In hun hart koesteren ze het wrede plan om hen helemaal uit te roeien, zodra ze maar de kans krijgen. — William Cowper.
Vers 95
“Ik neem acht op Uw getuigenissen.” Het was al een zware beproeving dat mensen hem zochten om hem te doden. Toch was het een nog groter geschenk van genade dat hij op Gods getuigenissen lette, juist op het moment dat zijn leven werd bedreigd. Had hij die aandacht voor Gods getuigenissen niet gehad, dan was hij, het is duizend tegen één, van het geloof afgevallen. — Richard Greenham.
Wenken voor predikers
Vers 95
Goddeloze mensen hebben geduld om hun kwade plannen uit te voeren. Goede mensen hebben geduld om de wegen van de Heere te overdenken.
Vers 95
De haat van de goddelozen tegen de rechtvaardigen.
- Laat zien dat die haat er altijd is geweest en er nog steeds is.
(a) Kies voorbeelden uit de Schrift, te beginnen bij Abel.
(b) Wijs op de vervolgingen van de kerk.
(c) Denk aan hoe men met christenen omgaat op het werk.
(d) Vaak ook thuis.
(e) Denk aan de minachting waarmee over de “heiligen” wordt gesproken, enzovoort.
- Onderzoek waarom het zo is.
(a) Het vleselijke hart is vijandig tegenover God.
(b) De jaloezie die ontstaat door de zekerheid die een christen heeft over de eeuwige zaligheid.
(c) Het besef door een heilig leven terechtgewezen te worden.
(d) De satan zet hen daartoe aan.
(e) De rusteloze kwaadwilligheid van de zonde: kan zij de heiligheid niet tegenhouden, dan doet zij met boze opzet de aanhangers ervan kwaad.
- Wijs aan hoe we moeten handelen als we daaraan blootstaan: “Ik neem acht op Uw getuigenissen.” Dat betekent:
(a) Wees des te gehoorzamer aan God.
(b) Houd je woorden en gevoelens des te scherper in toom.
(c) Heb je vijanden lief.
(d) Bid voor wie jou haten.
(e) Doe hun goed bij elke gelegenheid.
(f) Wees dankbaar dat je bij de gehaten hoort en niet bij de haters.
(g) Bedenk vooral het heilige getuigenis van Christus’ geduldige verdraagzaamheid. — J.F.
Vers 95
Wachten dat door wachten wordt beantwoord.
- Verzoekingen in een hinderlaag.
- De heilige met zijn Heere. — W.B.H.
Vers 95
Onaantastbaar.
- Ik ben in gevaar.
- Ik houd mij bij mijn plicht.
- Ik vertrouw erop dat U mij zult redden. — C.A.D.
Uitleg
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.” Hij had gezien waar de volmaaktheid ophield, want ze kwam niet ver. Hij had gezien hoe ze in de beproevingen van het leven in damp opging. Hij had gezien hoe ze door het doordringende licht van de waarheid werd ontmaskerd en door de belijdenis van de boetvaardige werd blootgelegd. Onder de maan is er geen volmaaktheid. Mensen die in de volle zin van het woord volmaakt zijn, wonen alleen in een volmaakte wereld. Sommigen zien geen einde aan hun eigen volmaaktheid, maar dat komt doordat ze volkomen blind zijn.
Een ervaren gelovige heeft het einde van alle volmaaktheid gezien: in zichzelf, in zijn broeders en zusters en in de beste werken van de beste mens. Het zou goed zijn als sommigen die beweren volmaakt te zijn, op zijn minst het begin van volmaaktheid zouden zien. We vrezen dat ze verkeerd zijn begonnen, anders spraken ze niet zo ontzettend hoogmoedig. Is het niet juist het begin van volmaaktheid dat je je onvolmaaktheid betreurt? Wat mensen maken, is nooit volmaakt. “Maar Uw gebod is zeer wijd.” Wie weet hoe wijd de wet reikt, zet het idee van volmaaktheid in het vlees uit zijn hoofd.
Die wet raakt elke daad, elk woord en elke gedachte. Ze is zo geestelijk dat ze zelfs de beweegredenen, verlangens en gevoelens van de ziel beoordeelt. Ze toont een volmaaktheid die ons net zo goed veroordeelt voor wat we nalaten als voor wat we verkeerd doen. En ze staat niet toe dat we een tekort op de ene plek goedmaken door extra zorgvuldigheid op een andere. Het goddelijke ideaal van heiligheid is veel te wijd om te hopen dat we ooit het hele terrein bestrijken. Toch is het niet wijder dan het hoort te zijn.
Wie wil er nu een onvolmaakte wet? Nee, haar volmaaktheid is haar glorie. Maar het is wel het einde van alle trots op onze eigen volmaaktheid. Zo wijd als dit gebod is, zo wijd is de heiligheid van een gewoon mens hier op aarde nog nooit geweest. Alleen in Jezus zien we die volledig verwezenlijkt. De wet is in elk opzicht een volmaakte regel. Elk gebod afzonderlijk heeft een heilige betekenis die ver reikt. En de tien samen omvatten alles, zodat er geen hoekje overblijft waar we onze driften kunnen laten gaan. Laten we dan de oneindige heiligheid van God aanbidden, onszelf aan Zijn maatstaf meten en ons diep nederig voor de Heere buigen. En laten we erkennen hoe ver we daarbij achterblijven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien”, enzovoort. Over deze woorden lopen de meningen van de uitleggers uiteen, zowel in de vertaling als in de verklaring. Toch komen ze in al die verscheidenheid vrijwel op hetzelfde uit. De Chaldeeuwse Paraphrase leest: “Van alles waar ik mijn zorg aan gewijd heb, heb ik het einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.” De Syrische vertaling leest: “Van alle streken en landen heb ik het einde gezien” (ik heb dus ontdekt dat de bewoonde wereld een grens heeft en niet oneindig is), “maar Uw gebod is onmetelijk groot.” Weer anderen leggen het zo uit: “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien.” Ze denken dan aan alles in deze wereld wat mensen zo hoog waarderen: wereldse wijsheid en kennis, rijkdom, eer en macht.
Dat alles vergaat en gaat voorbij. “Maar Uw wet is eeuwig en blijft altijd dezelfde.” Of, in de woorden van de Schrift elders: “Het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.” — John Tillotson, 1630-1694.
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien.” Arme volmaaktheid, als je er het einde van kunt zien! Zo staat het toch met alles in deze wereld dat voor volmaakt doorgaat. David zag in zijn dagen de sterkste, Goliath, ten onder gaan. Hij zag de snelste, Asahël, worden ingehaald, de wijste, Achitofel, voor gek worden gezet en de knapste, Absalom, lelijk worden toegetakeld. — Matthew Henry.
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien”, enzovoort. In de woorden van de psalmdichter zit een dubbele troost en bemoediging voor ons. Je kunt ze op twee manieren lezen. Eerst zo: (1) “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.” En dan zo: (2) “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd.”
Lezen we het op de eerste manier, dan klinkt er een bemoedigende gedachte in door. Ons knagende besef dat we tekortschieten, komt voort uit de heldere, ontzagwekkende volmaaktheid van de wet die we willen gehoorzamen, en van het ideaal dat we onszelf voorhouden. We zijn niet onrustig en ontevreden over onszelf omdat we slechter zijn dan mensen zonder wet of mensen die zichzelf tot wet zijn. Nee, we meten onszelf en onze medemensen aan de hoge maatstaf van Gods gebod. Het gebod is zo wijd dat we het niet kunnen omvatten. Het is zo hoog dat we het niet kunnen bereiken.
Het is zo volmaakt dat we het niet volmaakt kunnen houden. Maar we kunnen het vers ook op de andere manier lezen en er toch troost en moed uit putten. Dan zeggen we: “In mijzelf en in de wereld heb ik van alle volmaaktheid het einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd. Dát is volmaakt, ook al ben ik onvolmaakt, en in de volmaaktheid ervan vind ik de belofte van de mijne.” Zou God immers een wet voor het menselijk leven geven om haar voor altijd onvervuld te laten? Onmogelijk! “De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”: ze zijn onherroepelijk en worden nooit verminderd of teruggenomen.
Onze zwakheden en zonden maken Zijn plan niet krachteloos. In de wet heeft Hij ons laten zien wat Hij wil dat we zijn. Zouden we dat dan nooit worden? Kan de wet eeuwig blijven staan zonder een leven dat bij haar past en haar vervult? Nee, God zal het mooie, volmaakte ideaal van het menselijk leven dat Hij in Zijn wet heeft getekend nooit terugnemen. Hij zal Zijn plan nooit opgeven om het leven van de mens omhoog te tillen tot het dat ideaal bereikt en vervult. Zo is dezelfde wet die ons tot wanhoop brengt, ook onze troost.
Want als zij volmaakt is, móéten wij volmaakt worden. Haar volmaaktheid is het onderpand van de onze. — Uit “The Expositor”, 1876.
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien.” Met zijn lichamelijke oog had David menige menselijke volmaaktheid zien eindigen. Met het oog van zijn verstand zag hij dat alles zal eindigen. Hij had sommige dingen werkelijk zien ophouden en hij begreep dat alles ophoudt. Adam hield de volmaaktheid zonder enig gebrek niet vol. Hoe zou dan een van zijn kinderen staande blijven in een volmaaktheid die in het beste geval nog gebrekkig is? — Abraham Wright.
Vers 96
“In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien”, enzovoort. Bij de Grieken had Lycurgus zijn wetten en bij de Romeinen Numa. Daar zat wel iets goeds in, maar niet alles wat goed is. Ze verboden een deel van het kwaad, maar niet al het kwaad. De christelijke godsdienst gaat veel verder, in wat ze gebiedt en in wat ze verbiedt: “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.” Met zijn lichamelijke ogen kan iemand het einde zien van talloze wereldse volmaaktheden: van mooie bezittingen, grote schoonheid, ruime gaven en gezinnen met een goede toekomst.
Maar met de ogen van zijn ziel, door het geloof, ziet hij het einde van elke aardse volmaaktheid. Hij ziet de wereld in lichterlaaie staan. Alle pracht, trots, glans en pronk, alle kronen en scepters, alle rijkdommen en schatten ziet hij tot as worden. Hij ziet de hemelen verdwijnen als een boekrol, de elementen smelten van vurige hitte en de aarde met alles wat erop is, verbranden. Alle volmaaktheden waar mensen zo smoorverliefd op waren, zijn dan in rook en niets opgegaan. Het einde van alle aardse volmaaktheid zie je gemakkelijk. Maar het einde van de goddelijke voorschriften zien is moeilijk, ja onmogelijk: “Maar Uw gebod is zeer wijd”, onmetelijk breed, meer dan we kunnen bevatten.
Ze zijn zo diep dat niemand ze kan peilen, Ps. 36:7. Ze zijn zo hoog dat ze in de hemel vaststaan, Ps. 119:89. Ze zijn zo lang dat ze eeuwig duren, Ps. 119:160. En ze zijn zo breed dat niemand ze kan opmeten. Ze zijn niet alleen “wijd” maar “zeer wijd”: hoger dan de hemel, langer dan de aarde, breder dan de zee. “Gods geboden reiken tot het innerlijk, tot de meest verborgen roerselen en de afgelegen schuilhoeken van de ziel. Alle heimelijke gedachten vallen eronder. Ze dringen zelfs door tot de verdeling van ziel en geest, van samenvoegselen en merg, en ze beoordelen de gedachten en overleggingen van het hart, Hebr. 4:12. Ze reiken tot al onze daden, tot de daden die klein en onbelangrijk lijken en tot de grotere en gewichtiger daden.” — George Swinnock.
Vers 96
“Uw gebod is zeer wijd.” Zoals het evangelie meer genade bevat dan wij kunnen bevatten, zo is er ook in de wet meer heiligheid dan wij kunnen bevatten. Nooit heeft iemand de diepte van die gerechtigheid gepeild. De wet is van oneindige heiligheid. “In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.” Hij zegt niet iets bepaalds, zoals: ik heb volmaakte dingen zien eindigen. Hij zegt het in het algemeen: een einde “van volmaaktheid”. Ik ben aan de buitenrand gekomen, of op de bodem van alles. (Een mens is snel rondgereisd langs alle volmaaktheden van de wereld, en dan ziet hij ofwel hun einde, ofwel dat ze ophouden.) “Maar Uw gebod is zeer wijd.” Dat betekent: het is oneindig veel breder dan al die volmaaktheden.
Ik ontdek het einde ervan niet, en ik weet dat het nooit zal komen. De wet heeft een onmetelijke reinheid en een onmetelijk geestelijk karakter. — Joseph Caryl.
Vers 96
“Uw gebod is zeer wijd.” Allereerst omdat de grote, eenvoudige regels ervan overal gelden: “Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.” Ten tweede omdat de bijzondere bevelen ervan alles ruim regelen. Is er een plek waar geen teken van Gods wil staat? Ten derde omdat het met gezag de hand legt op de eerste beginselen en de oorsprong van alles wat in de menselijke geest en daad kan opkomen.
Daarom reikt het ook tot alles wat daaruit voortkomt of kan voortkomen. Het eist het recht op over elke gedachte en elke innerlijke neiging. Elk woord dat wordt gesproken, valt onder ditzelfde recht. Wat de wereld en elke mens ook doen: het valt eronder. En zelfs voor wat níet gedaan wordt, blijft zijn gezag gelden, en ook daarover spreekt het zijn bevelen en oordelen uit. Tegenover het negatieve, het verzuim en het niet-bestaan, is het een positieve kracht. Zo is het ook met Gods bestuur in de stoffelijke wereld, dat zich uitstrekt over woestenijen, wildernissen en dorre zandvlakten.
En uit die ruimten van als het ware niets kan de wet echte gestalten van kwaad en zonde oproepen als bewijs tegen mensen. Zo zullen ook bij de opstanding mensen oprijzen uit lege wildernissen, waar niemand had gedacht dat iemand verborgen lag. Laat iemand eens terugkijken op al zijn verzuim en bedenken wat de goddelijke wet daaruit tegen hem kan opdiepen. De wet is in haar zeer grote wijdte dus nergens leeg. Er zijn geen spleten en leegten die haar zo ver uit elkaar trekken. Zou iemand er één vinden, dan kon hij zich daar vestigen om te zondigen zonder gestraft te worden, al was het dan niet zonder schuld. — John Foster, 1768-1848.
Vers 96
“Uw gebod is zeer wijd.” In de godsdienstige boeken en bladen van deze tijd lees je voortdurend over “ruim” en “vrij”. Dat die woorden zo aanlokkelijk klinken, komt ook doordat ze steeds tegenover hun tegendeel worden gezet: “eng” en “bekrompen”. Met een slimme omgang met deze en soortgelijke woorden probeert de dwaalleer van vandaag de leer en de geest van het evangelische geloof de nek om te draaien. Ze wil de christelijke massa meetrekken in de aanzwellende stroom van het rationalisme. Wie naar de markt gaat waar de dwaalleer haar koopwaar uitstalt onder zulke aantrekkelijke etiketten, komt als goedgelovige klant al snel tot de ontdekking dat “hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien.” Is het niet tijd dat de aanhangers van het ware geloof proberen die woorden terug te veroveren?
Hun tegenstanders lijken ze nu voor zichzelf te willen opeisen. Wie in de geest van zijn Meester het dichtst blijft bij het hele geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd en er het hardnekkigst voor strijdt, moet juist het ruimste van geest en het meest veelomvattend van hart zijn. En wie de “oude paden” verlaat, wordt naarmate hij verder afdwaalt steeds beperkter in zijn denken en steeds enger van ziel. Is de Bijbel, de hele Bijbel, niet het enige handboek van een brede kerk in de ware en hoogste zin? Is het niet de openbaring van Gods Zoon in ons die de ziel zo krachtig ruimte geeft?
“Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.” En moeten we uit Christus’ woorden: “En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken”, niet opmaken dat een geest die de waarheid omvat, een thuis van innerlijke vrijheid is? Brengt een leven dat nauwgezet met Gods wet overeenkomt niet juist echte ruimheid van karakter voort? Want “Uw gebod is zeer wijd.” Is het evangelie niet de enige echte brede kerk, “de volmaakte wet, die der vrijheid is”? En is de gelovige niet de enige echte brede kerkman, en dat des te meer naarmate zijn geloof sterker wordt?
Hij “opwast met goddelijken wasdom” en wordt “vervuld … tot al de volheid Gods.” — James Kerr, in “The Modern Scottish Pulpit”, 1880.
Vers 96
“Zeer wijd.” Er is veel dat laat zien hoe smal de weg ten leven is. Toch is het voor een godvrezend mens een weg van grote breedte: niet om te zondigen, maar wel om zijn plicht te doen en vreugde te vinden. Hij maakt haast en vordert op die weg. — Robert Trail, 1642-1716.
Vers 96
Houd in gedachten dat de wet, het doel waarop je mikt, zeer wijd is. Dat maakt het niet makkelijker om haar te raken. Je moet er namelijk in elke plicht op mikken met een uitvoering die even wijd is. Anders raak je haar helemaal niet. — Stephen Marshall.
Wenken voor predikers
Vers 96
- Een einde: “gezien”; gezien door één mens; gezien waar het niet had mogen zijn; gezien waar het roemen geen einde had; gezien in alle volmaaktheid.
- Geen einde: aan de omvang, de geestelijke diepte, de duur en de volmaaktheid van de wet.
Vers 96
- Het eindige onderzocht.
- Het oneindige onontgonnen. — W.D.
Vers 96
Het perfectionisme, weerlegd door ervaring en inspiratie. — W.B.H.
Vers 96
Volmaaktheid — volmaakt en onvolmaakt.
- Hoogdravende beweringen over volmaaktheid komen voort uit onwetendheid (over onszelf of over wat God vraagt).
- Ze storten opvallend gemakkelijk in: “Ik heb een einde gezien.”
- Ze worden het best rechtgezet als we ons de wijdte van Gods wet voor ogen houden. — C.A.D.
Uitleg
Vers 97
“Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.” Dit is een uitroep. Hij houdt zoveel van Gods wet dat hij het moet uitspreken. Terwijl hij het probeert, voelt hij dat zijn liefde niet in woorden te vangen is. Daarom roept hij: “Hoe lief heb ik!” We hebben ontzag voor de wet, maar we hebben haar ook lief. We gehoorzamen uit liefde, en ook als ze ons terechtwijst om onze ongehoorzaamheid, houden we er niet minder van. De wet is Gods wet, en daarom is ze onze liefde.
We houden van haar om haar heiligheid en verlangen daarom zelf heilig te zijn. We houden van haar om haar wijsheid en doen daarom ons best om wijs te worden. We houden van haar om haar volmaaktheid en snakken er daarom naar volmaakt te zijn. Wie de kracht van het evangelie kent, ziet een oneindige schoonheid in de wet wanneer hij haar vervuld en belichaamd ziet in Christus Jezus. “Zij is mijn betrachting.” Dit was een gevolg van zijn liefde en tegelijk de oorzaak ervan. Hij overdacht Gods woord omdat hij het liefhad. Daarna hield hij er nog meer van, juist omdat hij het overdacht.
Hij kreeg er geen genoeg van, zo vurig was zijn liefde. Een hele dag was niet te lang om ermee om te gaan. Zijn morgengebed, zijn gedachte op het middaguur en zijn avondlied waren allemaal aan de Heilige Schrift ontleend. Ja, ook midden in zijn dagelijkse werk hield hij zijn gedachten doordrenkt van de wet van de Heere. Van sommige mensen zegt men dat je ze minder bewondert naarmate je ze beter leert kennen. Met Gods woord is het precies andersom. Wie vertrouwd raakt met het woord van God, krijgt het lief. En die liefde wil nog meer vertrouwdheid.
Gaan “Uw wet” en “mijn betrachting” de hele dag samen op, dan wordt de dag heilig, vroom en gelukkig, en leeft het hart bij God. David keerde al het andere de rug toe. In het vorige vers vertelde hij ons immers dat hij van alle volmaaktheid het einde had gezien. Maar hij wendde zich tot de wet en bleef daar de hele dag van zijn leven op aarde. Vanaf dat moment werd hij steeds wijzer en heiliger, ja, hij werd ziek van liefde. De gemeente zegt (Hoogl. 2:5; 5:8) dat zij “krank van liefde” is voor Christus.
Zo lijkt de profeet krank te zijn van liefde voor het woord van God. Het woordje “hoe” bevat ook een vergelijking. Het wijst erop dat David het woord meer liefhad dan rijkdom of wat dan ook. Daarom zegt hij verderop in dezelfde psalm (Ps. 119:127) dat hij de geboden van de Heere liefheeft “meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.” Wie Christus niet zo liefheeft dat hij, vergeleken met Christus en om Christus’ wil, vader en moeder, broers en zussen, vrouw en kinderen en ook zijn eigen leven achterlaat (en rijkdom en andere dingen die niet met het leven te vergelijken zijn des te eerder), is Hem niet waardig.
Zo is ook wie het woord niet boven alles liefheeft, ja, wie niet alles hier beneden haat vergeleken met het woord, het woord niet waardig. Christus Zelf hield meer van Gods woord dan van enige rijkdom. Nam Hij om het woord te vervullen niet zo’n armoede op Zich dat de vossen holen hadden en de vogels nesten, maar Hij nergens Zijn hoofd kon neerleggen? En werd Hij, hoewel Hij de Erfgenaam is van alle dingen, niet door een aantal vrouwen onderhouden? Hij hield meer van het woord van God dan van Zijn moeder, Zijn broers en Zijn zussen…
Ja, Christus hield meer van het woord van God dan van Zijn eigen leven. Gaf Hij Zijn leven niet om het woord van God te vervullen?… Als Christus Jezus Zelf meer van het woord hield dan van al het andere, ja, meer dan van Zijn leven, dat méér waard was dan het leven van alle engelen, had David dan niet alle reden om er op dezelfde manier van te houden? Had David het niet net zo hard nodig als Christus?… “Zij is mijn betrachting.” Het woord “betrachting” lijkt meer te zeggen dan wanneer hij alleen had gezegd dat hij erover nadacht.
Hij lijkt namelijk te bedoelen: ook al dacht hij vaak aan andere zaken, hij maakte alleen datgene wat hij hier noemt tot zijn “betrachting”. Dat was zijn enige, of in elk geval zijn voornaamste overdenking en vaste studie. Waarover David nadacht, is niet alleen de kale letter van het woord, alsof hij steeds een of andere geschreven tekst overpeinsde. Het ging ook om de zaken die in het woord staan. Denk aan Gods rechtvaardigheid, macht, wijsheid, barmhartigheid en goedheid, aan de broosheid, het bederf en de slechtheid die van nature in de mens zitten, aan de zonden die God verbiedt en de deugden die Hij in het woord gebiedt, en aan zulke dingen meer.
Wie daarover nadenkt, mag terecht gezegd worden het woord te overdenken, ook als hij niet over één bepaalde tekst nadenkt.
“Den gansen dag.” We moeten ons niet voorstellen dat de profeet niets anders deed dan over het woord nadenken. Maar twee dingen deed hij zeker. Ten eerste: er ging geen dag over zijn hoofd waarop hij het woord niet overdacht. Ja, hij greep iedere gelegenheid aan om erover na te denken. Hij werd het nooit zat. Hij had nog veel andere zaken te doen, maar de overdenking van het woord liet hij daarvoor nooit liggen. Geen enkele andere bezigheid trok zijn geest weg van die overdenking. Elk ander werk spoorde hem er juist des te sterker toe aan.
Denk aan iemand die op een dag nog zo hard in zijn beroep heeft gewerkt: daardoor raakt hij niet zo uitgeput dat hij de volgende dag niet weer aan de slag kan, en zo gaat het dag na dag. Zo ging het ook met de profeet en het overdenken. Ten tweede bedoelt hij met het “voortdurend” of “den gansen dag” overdenken van het woord dit: op geen enkel moment van de dag deed hij iets zonder bij dat doen het woord te overdenken. Daarom kunnen we met een gerust hart zeggen dat het voortdurend overdenken van het woord nog noodzakelijker is dan voortdurend bidden.
Je hebt het nodig voordat je iets doet en terwijl je het doet. Zelfs vóór het bidden en tijdens het bidden zelf is het overdenken van het woord altijd nodig. Zonder dat weten we niet waarvoor we moeten bidden, en ook niet op welke wijze en met welke houding. Alleen Gods woord kan en moet ons leren waarvoor we moeten bidden én hoe we moeten bidden. — Thomas Stoughton, in “Two Profitable Treatises”, 1616.
Vers 97
“Hoe lief heb ik Uw wet!” Wie iets in Gods wet aanpakt zonder liefde, doet dat koel en geeft het snel op. De geest kan zich immers niet met ernst en volharding wijden aan dingen waar hij niet van houdt. Alleen wie van de wet houdt, maakt haar de hele dag tot zijn betrachting. — Wolfgang Musculus.
Vers 97
“Hoe lief heb ik Uw wet!” Zou mij dezelfde gunst ten deel vallen als Hizkia en kreeg mijn leven er vijftien jaar bij, dan zou ik veel vaker voor de troon van de genade verschijnen. Zou ik opnieuw mogen gaan studeren, dan nam ik afscheid van die keurige onbelangrijkheden: de geschiedschrijvers, de redenaars en de dichters van vroeger tijden. Dan wijdde ik mijn aandacht aan de Schriften van de waarheid. Veel ijveriger zou ik aan de voeten van mijn goddelijke Meester zitten, en ik zou niets willen weten “dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” Deze wijsheid heeft als vrucht vrede in het leven, troost in het sterven en eeuwige zaligheid na de dood.
Naar die wijsheid zou ik speuren, die zou ik zoeken en die zou ik naspeuren door de ruime en prachtige akkers van het Oude en het Nieuwe Testament. — James Hervey, 1714-1758.
Vers 97
Dit kostbare juweel gaat boven alle schatten. Heb je honger? Dan is het voedsel dat je verzadigt. Heb je dorst? Dan is het drank die je verkwikt. Ben je ziek? Dan is het een geneesmiddel dat meteen helpt. Ben je zwak? Dan is het een staf om op te leunen. Valt je vijand je aan? Dan is het een zwaard om mee te strijden. Zit je in het donker? Dan is het een lamp die je voeten de weg wijst. Twijfel je over de richting? Dan is het een heldere, stralende ster die je leidt.
Sta je op slechte voet met God? Dan is het de boodschap van de verzoening. Wil je je ziel redden? Ontvang dan het ingeplante woord, want dat kan het: het is het woord van het leven. Wie de zaligheid liefheeft, zal dit woord liefhebben. Hij leest het graag en hoort het graag. En van wie het niet wil lezen en niet wil horen, zegt Christus ronduit dat ze niet uit God zijn. De bruid luistert immers graag naar de stem van de Bruidegom. En “Mijn schapen horen Mijn stem”, zegt de Opperherder (Joh. 10:27). — Edwin Sandys, 1519-1587.
Vers 97
“Hoe lief heb ik Uw wet!” Het geloof is werkzaam door de liefde. Dat geldt voor de liefde tot God en daarom ook voor de liefde tot Zijn woord. Wie Mij liefheeft, houdt van Mijn woord. Wie een koning liefheeft, houdt van zijn wetten. Zo was het met David, en zo hoort het ook met ons te zijn. “Hoe lief heb ik Uw wet!” roept David uit. Dat zou ieder van ons moeten uitroepen. We zeggen dat niet alleen omdat het een goede wet is, maar vooral omdat het Gods wet is. — Richard Capel, 1586-1656.
Vers 97
“Hoe lief heb ik Uw wet!” Hij roept God Zelf aan als Getuige van zijn liefde voor het woord. Daarmee betuigt hij dat zijn liefde niet geveinsd was. Ze was volkomen en oprecht. Petrus zei het op dezelfde manier: “Heere! … Gij weet, dat ik U liefheb.” — William Cowper.
Vers 97
“Uw wet.” Acht verzen lang noemt de dichter de Bijbel het eigendom van de Heere, en dat doet hij eigenlijk in heel de psalm. Wie heeft de Schrift geschreven? God. Waar gaat ze over? Over God. Het paste ook niet dat iemand anders over God schreef dan God Zelf. En wat is haar doel? God. Waarom is de Schrift gegeven? Toch om de gezegende God eeuwig te mogen genieten? Caesar schreef zijn eigen verslagen. Zo heeft ook God over Zichzelf geschreven, want boven Hem was niemand over wie Hij kon schrijven. Met geschiedenissen, wetten, profetieën, beloften en nog veel meer onderwijs heeft Hij Zich laten zien als Schepper, Onderhouder, Verlosser en Verheerlijker van de mensen. En dat alles heeft Hij volmaakt gedaan. — Thomas Manton.
Vers 97
“Zij is mijn betrachting.” De Heilige Schrift is niet bedoeld voor mensen die zich laten gaan. Je kunt haar niet uitleggen zonder de Heilige Geest, of buiten Hem om, en nog minder door wie Hem verwerpen, terwijl de Schrift toch door Hem is gekomen. Ze lijkt meer op een akker. Soms rapen we er zonder moeite manna op, dat ons als het ware om niet in de handen wordt gelegd. Maar grote stukken van die akker moeten we met zwoegen en zweten bewerken voordat ze brood voor mensen opleveren. Zo moeten we ook dit brood des levens eten in het gezonde zweet van ons aangezicht. — Richard Chenevix Trench, 1807-.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, door dominee C. A. Davis.
Vers 97-104
Wat heilige overdenking oplevert. Waar het over gaat: “Uw wet” (Ps. 119:97). Wat het geeft: “wijsheid” (Ps. 119:98-100). Hoe het zich in het dagelijks leven laat zien (Ps. 119:101-102). Hoe zoet het is (Ps. 119:103). En hoe het heiligt (Ps. 119:104).
Wenken voor predikers
Vers 97
- Een ongewone uitroep.
- Een ongewone toepassing. — W.D.
Vers 97
Liefde die je niet kunt beschrijven en overdenking waar je nooit genoeg van krijgt. Hoe genegenheid en overdenking op elkaar inwerken en elkaar versterken.
Vers 97
- Waar de liefde naar uitgaat: “Uw wet.”
- Hoe groot die liefde is: “Hoe lief heb ik”, enzovoort.
- Waaraan je die liefde ziet: “Zij is mijn betrachting”, enzovoort. — G.R.
Vers 97
Liefde voor de wet.
- Een vurige liefdesbelijdenis.
- Een bewijs van liefde waar niets tegenin te brengen is. — C.A.D.
Vers 97 (eerste zinsdeel)
Hoe hevig de liefde voor Gods woord is.
- Hoe je haar herkent.
(a) Diep ontzag voor het gezag van het woord.
(b) Bewondering voor de heiligheid ervan.
(c) IJver voor de eer ervan. Gods knecht voelt een scherpe pijn als mensen het woord ook maar een beetje minachten.
(d) Respect voor het woord als geheel. Hij zou geboden niet van beloften losknippen en geen enkele uitspraak erin negeren.
(e) Onvermoeibaar studeren.
(f) Een brandend verlangen om het te gehoorzamen.
(g) Gretigheid om het te prijzen.
(h) IJver om het te verspreiden.
- Waarom dat redelijk is.
(a) Het woord verdient het volledig.
(b) Het bewijst echt inzicht.
(c) Het is niet minder dan wat onze zorg voor ons eigen belang vraagt.
- Waarom het onmisbaar is voor de ware aanbidding van God. Spottend noemen mensen zo’n genegenheid “bijbelaanbidding”, alsof je een boek aanbidt. Maar in feite hoort ze wezenlijk bij een goede aanbidding van God, want:
(a) Zonder haar is er geen geloof dat God eer geeft.
(b) Ze zit al in de liefde tot God, die de kern van aanbidding is.
(c) Ze is zelf een daad van eerbetoon, die een aanbidder niet kan weigeren. — J.F.
Vers 97-100
Geestelijke wijsheid.
- Gods woord is de bron van een wijsheid die uitblinkt boven die van “mijn vijanden”, “mijn leraars” en “de ouden”.
- De drie wegen om deze wijsheid te verkrijgen: liefde, overdenking en praktijk.
- De enige Gever van deze wijsheid: God Zelf, Ps. 119:98. — C.A.D.
Uitleg
Vers 98
“Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.” Met de geboden had hij zijn boek, maar God Zelf was zijn Leraar. De letter kan ons veel laten weten, maar alleen de Geest van God kan ons wijs maken. Wijsheid is kennis die je in de praktijk brengt. Ze komt tot ons door gehoorzaamheid: “Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen.” We leren niet alleen uit de belofte, de leer en de heilige geschiedenis, maar ook uit het voorschrift en het gebod.
Sterker nog: uit de geboden halen we de meest praktische wijsheid. Het is ook de wijsheid die ons het best helpt om onze tegenstanders de baas te blijven. Een heilig leven is de hoogste wijsheid en de zekerste bescherming. Onze vijanden staan bekend om hun sluwheid. Zo was het al bij hun eerste vader, de oude slang, en zo is het nog bij de laatste adder die uit het ei kruipt. Het is zinloos om met hen te willen wedijveren in de kunst van het sluwe bedrog, want “de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.” We moeten naar een andere school en bij een andere Leermeester in de leer.
Dan verslaan we met oprechtheid het bedrog, met eenvoudige waarheid de diep doordachte plannen en met openheid de laster. Een mens die volkomen recht door zee gaat en nergens iets achter verbergt, is voor diplomaten een groot raadsel. Ze verdenken hem van een listige dubbelhartigheid waar ze niet doorheen kijken. Hij zelf trekt zich van hun achterdocht niets aan, gaat rustig zijn eigen weg en maakt al hun kunstgrepen onschadelijk. Ja, eerlijk duurt het langst. Wie door God is onderwezen, heeft een praktische wijsheid die de boosheid de sluwen niet kan geven. Hij is oprecht als een duif en toont toch meer wijsheid dan een slang.
“Want zij is in eeuwigheid bij mij.” Hij was altijd met de geboden bezig, hetzij in zijn studie, hetzij in zijn gehoorzaamheid. Ze waren zijn zelfgekozen, vaste metgezellen. Willen we bedreven worden, dan mogen we nooit moe worden. Houden we de wijze wet altijd dicht bij ons, dan worden we wijs. En vallen onze tegenstanders ons aan, dan zijn we tegen hen gewapend met de vaardigheid van ieder die Gods woord in de vingers heeft. Een soldaat in de strijd mag zijn schild nooit neerleggen. Zo mogen ook wij Gods woord nooit uit onze gedachten laten. Het moet altijd bij ons zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 98
“Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn.” Hier prijst hij het woord om de bijzondere winst en vrucht die het hem bracht: door het woord leerde hij wijsheid. Hij onderstreept dat door zichzelf met drie groepen te vergelijken: met zijn vijanden, zijn leraars en de ouden. Dat komt niet voort uit eigen roem, want grootspraak is ver weg bij wie door de Geest van de genade wordt geleid. Hij wil het woord van de Heere aanbevelen en anderen bewegen er liefde voor op te vatten, door te laten zien hoeveel goeds hij erin vond.
“Wijzer … dan mijn vijanden.” Hoe kan dat, als onze Zaligmaker zegt dat de kinderen van deze wereld in hun geslacht voorzichtiger zijn dan de kinderen van God? Het antwoord is dat de Zaligmaker deze mensen niet zonder meer wijs noemt. Hij zegt dat ze wijzer zijn “in hun geslacht”, dus wijs voor alles wat bij dit leven hoort. Of, zoals Jeremia het zegt: “wijs zijn zij om kwaad te doen.” Hebben ze dat gedaan, dan weten ze ook hoe ze het moeten verbergen en toedekken. Maar dat is in werkelijkheid allemaal dwaasheid. Daarom was David, die door het licht van Gods woord zag hoe het zat, nooit te bewegen hun weg te volgen.
Tussen vromen en goddelozen woedt dus een groot geschil. Elk van beide partijen houdt de ander voor dwaas. Het licht van Gods woord moet de knoop doorhakken. — William Cowper.
Vers 98
“Wijzer … dan mijn vijanden.” De vromen zijn wijzer dan hun vijanden waar het gaat om veiligheid: veiligheid tegen de aanvallen, de vijandschap en het verzet waarmee hun vijanden hen belagen. Wie schuilt onder Gods bescherming, is veel veiliger dan zijn vijanden ooit kunnen zijn, ook al hebben die alle wereldse voordelen. Een vrome en wijze mens let erop dat hij goed staat met God. Hij is beter voorbereid en toegerust. Hij kan op meer hopen en meer succes verwachten dan anderen. En komt dat niet, dan is er toch ruimschoots voor hem gezorgd, ook als alles tegen zijn wensen in gaat.
Denk eens aan de afloop: wie van de twee heeft de verstandigste voorzorgen genomen? Degene die God tot zijn Vriend heeft gemaakt, of degene die rust op wereldse steunpilaren en afhankelijkheden? Degenen die zich laten leiden door Gods Geest, of degenen die zich laten leiden door de satan? Degenen die er werk van maken om stap voor stap met God te wandelen, of degenen die Hem niet alleen verlaten maar Hem ook nog recht in Zijn gezicht tarten? Degenen die met mensen breken en bij God blijven, of degenen die met God breken? Een kind van God heeft door zijn vroomheid zonder twijfel meer zekerheid dan zijn vijanden ooit kunnen krijgen door wereldse slimheid.
Daarmee denken ze hem te slim af te zijn en hem te gronde te richten. De veiligheid van Gods kind rust op twee dingen. 1. God is zijn Vriend. 2. Zolang God nog werk voor hem heeft, houdt Hij hem staande en staat Hij hem daarin bij. — Thomas Manton.
Vers 98
“Want zij is in eeuwigheid bij mij.” De laatste zinsnede betekent niet alleen: ‘zij is altijd bij mij’. Ze zegt ook: ‘zij is voor eeuwig de mijne’. Dat wil zeggen dat ze mijn eigen bezit is: niemand kan haar mij afnemen en ik kan haar nooit kwijtraken. — Joseph Addison Alexander.
Vers 98
“Want zij is in eeuwigheid bij mij.” God geeft kennis aan wie Hij wil. Maar wie het meest nadenkt, komt het verst. Het kan ook betekenen dat het woord een hulp is die direct klaarstaat. Wie zijn wijsheid van buitenaf haalt, kan zijn raadgevers niet altijd bij zich hebben voor een advies.
Maar heeft iemand het woord eenmaal in zijn hart, dan krijgt hij hulp op het juiste moment. Hij heeft een passend woord dat hem de weg wijst in alle moeilijkheden, in alle benauwdheden en in alle verzoekingen. Het leert hem wat hij moet doen tegenover de druk van het moment, en ook wat hij moet doen en waarop hij mag hopen. — Thomas Manton.
Vers 98
“Want zij is in eeuwigheid bij mij.” Een goed mens neemt zijn Bijbel overal mee naartoe. Heeft hij haar niet in zijn handen, dan toch in zijn hoofd en in zijn hart. — Matthew Henry.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 98-100
Hij noemt drie soorten mensen: “vijanden”, “leraars” en “ouden”. Vijanden zijn sterk in sluwheid, leraars in leer en ouden in raad. Toch maakte het woord David wijzer dan al deze mensen. Kwaadwilligheid scherpt het verstand van vijanden en leert hen hoe ze hun tegenwerking moeten beramen. Leraars zijn door hun ambt voorzien van geleerdheid. Ouden worden wijs door ervaring. Toch ging David door de studie van het woord hen allemaal te boven. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 98
Wie voortdurend met de waarheid omgaat, komt als leerling het verst.
Vers 98-100
De werkelijk wijze mens.
- De bron van zijn wijsheid. Het woord van “den alleen wijzen God”, dat hier wordt omschreven als:
(a) Uw geboden.
(b) Uw getuigenissen.
(c) Uw bevelen.
- Hoe zijn wijsheid groeit. Ze komt voort uit:
(a) Het woord dat blijvend in hem woont: “zij is in eeuwigheid bij mij”, Ps. 119:98.
(b) Het overdenken van het woord, Ps. 119:99.
(c) Gehoorzaamheid aan het woord, Ps. 119:100.
- Hoe ver zijn wijsheid reikt.
(a) Hij is wijzer dan zijn vijanden, wier wijsheid niet is die “van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.”
(b) Hij is wijzer dan zijn leraars, wier wijsheid een wijsheid “dezer wereld” was.
(c) Hij is wijzer dan de ouden, wier wijsheid de wijsheid was van een ongeheiligde leeftijd en ervaring. — W.H.J. Page, van Chelsea, 1882.
Uitleg
Vers 99
“Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.” Wat de Heere hem had geleerd, was al van pas gekomen in het leger. Nu blijkt het in de scholen net zo waardevol. We kunnen onze leraars niet altijd vertrouwen. Eigenlijk mogen we geen van hen blindelings volgen, want God houdt ons verantwoordelijk voor ons eigen oordeel. Daarom moeten we de zeekaart van Gods woord nauwgezet volgen. Dan kunnen we het schip nog redden als zelfs de loods fouten maakt. Zijn onze leraars in alles gezond en betrouwbaar, dan vinden ze het alleen maar fijn als wij beter worden dan zij.
Dan geven ze ook altijd graag toe dat wat de Heere ons leert, beter is dan alles wat zij ons ooit kunnen bijbrengen. Leerlingen van Christus die aan Zijn voeten zitten, weten vaak meer van de dingen van God dan doctoren in de godgeleerdheid.
“Omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.” Dit is de beste manier om inzicht te krijgen. We kunnen de wijste leraren beluisteren en toch dwaas blijven. Maar overdenken we het heilige woord, dan worden we vanzelf wijs. In de getuigenissen van de Heere zit meer wijsheid dan in alles wat mensen ooit hebben onderwezen, ook al zou je al hun werk in één reusachtige bibliotheek bijeenbrengen. Dat ene Boek weegt zwaarder dan alle andere samen.
David schroomt niet om hier de waarheid over zichzelf te zeggen, want hij denkt helemaal niet aan zichzelf. Als hij het over zijn verstand heeft, wil hij de wet en de Heere groot maken en niet zichzelf. In deze gedurfde woorden zit geen spoor van grootspraak. Je proeft er alleen het oprechte, kinderlijke verlangen in om te laten zien hoe uitnemend het woord van de Heere is. Wie de waarheden kent die de Bijbel leert, is niet verwaand als hij gelooft dat hij belangrijker waarheid bezit dan alle agnostische professoren, de gestorven en de nog levende.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 99
“Ik ben verstandiger dan al mijn leraars.” Ook wanneer een prediker godvrezend is en zelf deel heeft aan de genade waarvan hij voor anderen een gezant is, gebeurt het vaak dat zijn dienst een ander meer licht en genade geeft dan hijzelf heeft ontvangen. Zo ging Augustinus, die eerst door Ambrosius tot inzicht en bekering werd gebracht, zijn leermeester ver vooruit, in kennis en in geestelijke genade. Daarin toont God op een wonderlijke manier Zijn heerlijkheid. Wie het werktuig ook is, Hij schenkt het licht en de heerlijkheid. Door het werktuig geeft Hij meer dan het werktuig zelf heeft. Een godvrezende leraar hoeft daar niet bedroefd over te zijn. Het is juist een eer. — William Cowper.
Vers 99
“Ik ben verstandiger dan al mijn leraars.” Het is geen verwijt aan mijn leraars, maar juist een eer voor hen als ik zo vooruitga dat ik hen voorbijstreef en ze niet meer nodig heb. Door te overdenken preken we voor onszelf. Zo gaan we méér begrijpen dan onze leraars, want wij leren ons eigen hart kennen, en dat kunnen zij niet. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 99
De zekerste weg naar uitmuntendheid.
- Een goed onderwerp: “Uw getuigenissen.”
- Een goede methode: “mijn betrachting.”
Uitleg
Vers 100
“Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.” Oude mensen en mensen uit vervlogen tijden werden voorbijgestreefd door de jongere leerling die heiliger leefde. Hij was onderwezen om de bevelen van de Heere in hart en leven te bewaren. Dat was meer dan de meest eerbiedwaardige zondaar ooit had geleerd. Zelfs de denker uit de oudheid had zoiets nooit nagejaagd. Hij had het woord altijd bij zich en liet zo zijn vijanden achter zich. Hij overdacht het en liet zo zijn leraars achter zich. Hij leefde ernaar en liet zo zijn ouderen in de schaduw staan.
Het onderricht uit de Heilige Schrift helpt in vele richtingen. Het steekt uit boven alles, vanuit welke hoek je het ook bekijkt, en niets kan het evenaren, waar of hoe dan ook. Onze ziel mag zich beroemen in de Heere. Zo mogen we ook roemen in Zijn woord. “Er is zijns gelijke niet; geef het mij”, zei David over het zwaard van Goliath. Dat kunnen we ook over het woord van de Heere zeggen. Houden mensen van wat oud is? Dan vinden ze het hier. Er is veel respect voor de ouden. Maar wat wisten zij allemaal vergeleken met wat wij zien in Gods bevelen?
“De oude is beter”, zegt iemand. Maar het alleroudste is het beste van alles. En dat is toch het woord van de Oude van dagen?
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 100
“Ik ben voorzichtiger dan de ouden … omdat ik … bewaard heb.” Willen we de Heere kennen? Dan moeten we Zijn geboden bewaren. “Uit Uw bevelen”, zegt David, en hij bedoelt: doordat ik Uw bevelen houd, “krijg ik verstand.” “Zo iemand wil Deszelfs wil doen”, zegt onze gezegende Zaligmaker (Joh. 7:17), “die zal van deze leer bekennen.” “Boulei theologos genesthai? Tas entolas phylaxon”, zegt Nazianzenus. Wil je theoloog worden? Doe dan wat God gebiedt. Het handelen is namelijk als het ware de grondslag van het beschouwen. Gregorius merkt dat op bij de twee leerlingen die Christus niet herkenden terwijl Hij onderweg met hen sprak.
Maar toen ze Hem gastvrij onthaalden en het brood met Hem braken, kenden ze Hem wel. Ze kregen dus geen licht door naar Hem te luisteren, maar door te doen wat God voorschrijft. Quisquis ergo vult audita intelligere; festinet ea quae jam audire potuit, opere implere: wie dus wil begrijpen wat hij hoort, moet zich haasten te doen wat hij al heeft kunnen horen. — Nathanael Hardy, 1618-1670.
Vers 100
“Ik ben voorzichtiger dan de ouden.” Onwetende mensen reageren meestal verontwaardigd: “Wat! Moeten wij dan wijzer zijn dan onze voorouders?” En toch willen precies diezelfde mensen rijker zijn dan hun voorouders ooit waren. Het hoogste doel voor een christen is dit: hij moet groeien in genade, tot zijn hoofd tot in de hemel reikt, tot de genade in heerlijkheid haar voltooiing vindt. — Christopher Love, 1618-1651.
Vers 100
“Dan de ouden.” Wijsheid die je opdoet uit de bevelen van het woord, is beter dan wijsheid die uit jarenlange ervaring groeit. Daar zijn vier redenen voor. Eén: ze is nauwkeuriger. Wat wij zelf meemaken, raakt maar enkele zaken. Maar Gods woord geeft antwoord in elke situatie die met het ware geluk te maken heeft. Het woord vloeit voort uit de wijsheid van God, de Oude van dagen. Daarom gaat het uit boven de wijsheid van de ouden, boven de ervaring van wie dan ook, en boven die van alle mensen bij elkaar.
Twee: omdat het nauwkeuriger is, is het ook een betrouwbaarder weg naar wijsheid, terwijl ervaring onzekerder blijft. Veel mensen hebben veel meegemaakt en toch geen hart om uit hun ervaringen wijsheid te zien en op te doen: Deut. 29:2-4. Drie: het is veiliger en goedkoper om volgens een regel te leren dan om met schade en schande door eigen pijn wijs te worden. Zelf ervaren kost te veel. Hadden we niets anders om ons te leiden, dan zouden we in duizenden ellendige situaties terechtkomen! Vier: het duurt minder lang. Wie de weg van leeftijd en ervaring neemt, gaat een lange weg.
Daardoor blijft de hele jeugd van een mens lang vol ellende en dwaasheid. Maar bestudeer je Gods woord, dan word je al vroeg wijs. Het is voor een mens niet genoeg dat hij uiteindelijk wijs wordt. Hij moet op tijd wijs worden. De dwaze maagden werden te laat wijs. Maar niemand is ooit te vroeg wijs geworden. — Samengevat uit Thomas Manton.
Vers 100
Was Gods woord al in Davids tijd zo volmaakt, hoeveel meer is het dat dan nu, nu er in de eeuwen daarna zoveel gedeelten van de Schrift bij zijn gekomen? Toen al maakte het de eenvoudigen wijs (Ps. 19:8). David was als herder opgegroeid en werd door het woord wijzer dan zijn vijanden, zijn ouden en zijn leraars. Het gaf hem het inzicht van een engel van God om goed en kwaad te onderscheiden (2 Sam. 14:17). Het maakte hem geschikt om het volk te leiden met “een zeer verstandig beleid zijner handen” (Ps. 78:72).
Welke wijsheid kunnen wij er dan nu niet uit putten? Wat een diepgang over de natuur vinden we in Genesis en Job! Wat een rijkdom aan welsprekendheid bij de profeten! Wat een logische kracht in de brieven van Paulus! Wat een dichtkunst in de psalmen! Wat een voortreffelijke levensregels staan er in Spreuken en Prediker, niet alleen voor ons eigen leven, maar ook voor het bestuur van gezinnen en van de staat! Daarnaast zijn er, op de tweede plaats, nog het boek Wijsheid en Ecclesiasticus. Die zijn weliswaar apocrief, maar wel zeer nuttig. Wat een redelijke en rechtvaardige wetten hebben we in Leviticus en Deuteronomium!
Daarom huurde de grote Ptolemaeus de Zeventig in om ze in het Grieks over te zetten. Wat een weergaloos oude, rijke en wonderlijke geschiedenis, en wat een betrouwbare verslaggeving, vinden we in de boeken van Mozes, Jozua, Richteren, Samuël, Koningen en Kronieken, samen met Ruth en Esther, Ezra en Nehemia, en sinds Christus in de heilige evangeliën en in de Handelingen van de apostelen! En ten slotte: wat een diepe geheimen liggen er in de profetieën van Ezechiël en Daniël en in de Openbaring van Johannes! Maar hierin overtreft de Schrift alle menselijke geschriften oneindig ver: alleen de heilige Schriften zijn het “die u wijs kunnen maken tot zaligheid” (2 Tim. 3:15).
Daarom liet Karel V van Frankrijk, de Wijze genoemd, de Bijbel niet alleen in het Frans vertalen, maar verdiepte hij zich zelf ook ijverig in de Heilige Schrift. En van Alfons, koning van Aragon, wordt verteld dat hij de volledige Bijbel veertien keer las, samen met de aantekeningen van Lyra. Hij was ook op andere gebieden bijzonder geleerd. Toch was Gods wet zijn grootste vreugde, “begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem” (Ps. 19:11). — George Hakewell, 1579-1649.
Wenken voor predikers
Vers 100
Ouderdom is geen garantie voor waarheid, als je haar naast de openbaring zet. Een hoge leeftijd bewijst geen wijsheid, als je haar naast een heilig leven zet. Openlijk belijden bewijst geen grootspraak, als je het naast mokkende hoogmoed zet.
Vers 100
Gehoorzaamheid is de grote weg naar inzicht. — W.B.H.
Vers 100
Gehoorzaamheid is de sleutel tot kennis. Joh. 7:17.
Uitleg
Vers 101
“Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.” Je kunt het heilige woord alleen als een schat bewaren als je alle onheiligheid uitbant. Willen we het goede woord vasthouden, dan moeten we het kwade loslaten. David had zijn stappen ijverig bewaakt en zijn gedrag bijgestuurd: hij had zijn voeten geweerd. Geen enkel kwaad pad kon hem lokken. Hij wist namelijk dat hij de weg van gerechtigheid in feite al had verlaten zodra hij één enkel verkeerd pad insloeg. Daarom meed hij elk verkeerd pad.
De zijpaden liepen glad en lagen vol bloemen. Maar hij wist heel goed dat ze kwaad waren. Dus wendde hij zijn voeten af en bleef hij het smalle, doornige pad volgen dat naar God leidt. Het is goed om terug te kijken op wat je jezelf hebt weten te ontzeggen: “Ik heb … geweerd.” Nog beter is het om te weten dat we dat niet deden om bij onze medemensen in de gunst te staan, maar met één doel: de wet van de Heere houden. De kern van dit vers is: we mijden de zonde, zodat onze gehoorzaamheid volkomen kan worden.
Misschien wil de psalmdichter ons ook leren dat er geen echt ontzag is voor het Boek, zolang we niet zorgvuldig elke overtreding van zijn voorschriften vermijden. Hoe kunnen we Gods woord onderhouden als we onze eigen daden niet voor verdorvenheid behoeden?
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 101
“Ik heb mijn voeten geweerd”, enzovoort. Hier zien we:
- Hoe David zich gedroeg: “Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden.”
- En waarom: “Opdat ik Uw woord zou onderhouden.” Hij wilde nauwgezet en stipt zijn tegenover God, in een leven van gehoorzaamheid.
Eerst zijn gedrag. Let op hoe ernstig het was: ik heb mijn voeten geweerd. De voeten staan voor de genegenheden: “Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat”, Pred. 4:17. Onze genegenheden zijn de krachtige neiging van de ziel en zetten ons aan tot daden. Daarom worden ze terecht met voeten vergeleken, want daarmee gaan we naar elke plek waar we heen willen. “Ik heb mijn voeten geweerd” komt dus hierop neer: ik houd mijn genegenheden stevig en streng in bedwang, zodat ze mij niet tot zonde brengen. Let ook op hoe ver het reikt.
Hij zegt niet alleen dat hij zich van het kwaad heeft onthouden, hij zegt het zonder uitzondering: “van alle kwade paden.” Hoe kon David dit met een eerlijk hart zeggen, terwijl hij wist wat hij Uria had aangedaan? Het antwoord is: zo was de gewone gesteldheid van zijn ziel en de koers van zijn leven. Dit soort uitspraken over heiligen moeten we opvatten als voce et conatu, licet non semper eventu: in woord en streven, al niet altijd in uitkomst. Dit was waar hij heen wilde en waar hij voor ging, zijn voornemen en zijn inzet, zijn gewone koers, ook al bleef hij zijn tekortkomingen houden.
Daarna zijn doel en beweegreden: “Opdat ik Uw woord zou onderhouden.” Hij wilde nauwgezet en stipt met God omgaan in een leven van gehoorzaamheid. Hij wilde Zijn woord volledig en zonder voorbehoud aanhangen. — Thomas Manton.
Vers 101
“Ik heb mijn voeten geweerd”, enzovoort. Waar echte heiligheid woont, is ook heilige afkeer, walging en verontwaardiging over alle goddeloosheid en boosheid, en wel om heilige redenen: “Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden.” Waarom? “Opdat ik Uw woord zou onderhouden.” “Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden”, Ps. 119:104. Wat hij aan goeds uit Gods bevelen ontving, wakkerde zijn haat tegen alle leugenpaden aan. Hetzelfde zien we in Ps. 119:128: “Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.” Omdat hij elk bevel zo hoog achtte, ontstond in hem een heilige verontwaardiging tegen elk kwaad pad.
Een heilig mens weet dat elke zonde zich keert tegen Gods heiligheid, Gods eer, Gods natuur, Gods bestaan en Gods wet. Daarom komt heel zijn hart in opstand tegen alles wat zonde is. Voor hem is elke zonde als de schriftgeleerden en farizeeën die Christus aanklaagden. Ze is als die Judas die Christus verried, als die Pilatus die Christus veroordeelde, als die soldaten die Christus geselden en als die speren die Christus doorboorden. Daarom roept zijn hart om recht tegen elke zonde. — Thomas Brooks.
Vers 101
“… geweerd … opdat ik … zou onderhouden.” Door te doen wat goed is, leren we wat goed is kennen, en kunnen we het ook steeds beter doen. — “Plain Commentary.”
Vers 101
“Ik heb mijn voeten geweerd”, enzovoort. Het woord “geweerd” herinnert ons eraan dat onze voeten ons van nature naar elke soort zonde dragen, en dat de stroom van menselijke hartstochten ons erheen sleurt. Zelfs wijze en verstandige mensen moeten daarom hun stappen inhouden, terugroepen en terugzetten, willen ze Gods woord onderhouden en niet verworpen worden. Let er ook op dat het Hebreeuwse werkwoord dat hier met “geweerd” is weergegeven, eigenlijk nog sterker is. Het betekent: “ik heb mijn voeten in boeien gelegd, of opgesloten.” Zo zien we dat een beetje tegenstand niet volstaat om te voorkomen dat onze voeten ons laten afdwalen. — Agellius en Genebrardus, in Neale en Littledale.
Wenken voor predikers
Vers 101
Zelfbeheersing hoort onmisbaar bij godsvrucht.
Uitleg
Vers 102
“Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.” Wie God Zelf onderwijst, is goed onderwezen. Wat we van de Heere leren, vergeten we nooit. Wat God ons leert, werkt door in de praktijk: als Hij ons onderwijst, volgen we Zijn weg. En het blijft werken: we wijken niet af van de heiligheid. Lees dit vers samen met het vorige. Dan heb je het “Ik heb” en het “Ik ben niet” van de gelovige. Hij is goed in wat hij doet én in wat hij nalaat. Wat hij deed (“Ik heb mijn voeten geweerd”), behoedde hem voor wat hij anders had kunnen doen: “geweken van Uw rechten”.
Wie er goed op let dat hij geen centimeter opzij stapt, verlaat de weg niet. Wie de bedwelmende beker nooit aanraakt, wordt nooit dronken. Wie nooit een ijdel woord uitspreekt, wordt nooit een vloeker. Gaan we eenmaal een beetje afwijken, dan weten we nooit waar we eindigen. De Heere brengt ons ertoe in heiligheid te volharden doordat we ons van het eerste begin van de zonde onthouden. Maar welke weg Hij ook kiest, Hij is het Die ons laat volharden. Hem komt alle eer toe.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 102
Met “misphallim”, “rechten”, wordt Gods wet bedoeld, want daarmee zal Hij de wereld oordelen. “Niet geweken” laat zien dat David zowel nauwgezet als standvastig was. Nauwgezet: hij week niet één haarbreed van zijn richtsnoer af. “Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand” (Deut. 5:32). Ook standvastigheid ligt erin besloten. Wij heten immers van God en Zijn wet afgeweken te zijn wanneer we ons van Hem afkeren in wat we oordelen en doen. Jer. 32:40. — Thomas Manton.
Vers 102
“Want Gij hebt mij geleerd.” God leert op twee manieren:
- Door algemene verlichting.
- Door een bijzondere werking.
- Door algemene verlichting. Die geeft de geest alleen licht om te kennen en te begrijpen wat God via Zijn boodschappers voorhoudt. Zo heeft God Zich aan de heidenen laten zien: Rom. 1:20. Maar daarnaast
- door een bijzondere werking. Die buigt de wil krachtig om de plichten die men zo kent, aan te nemen en na te jagen: “Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven”: Jer. 31:33. Zulk onderwijs is altijd krachtig en overtuigend. In die betekenis zijn zij door God onderwezen: zij krijgen niet alleen een oor om te horen, maar ook een hart om te begrijpen, te leren en te doen.
Dit onderwijs vormt de basis van standvastigheid, want (1) wie zo door God onderwezen zijn, zien alles helderder dan anderen. God is de allerbeste Leraar. (2) Ze weten dingen met meer zekerheid, namelijk zoals je iets weet dat bewezen is. Anderen hebben maar twijfelachtige vermoedens en losse, wankele meningen over de dingen van God. (3) Dit onderwijs werkt zo krachtig dat er direct vrucht van komt: “Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen” (Ps. 86:11). (4) God vernieuwt dit onderwijs telkens opnieuw en staat altijd klaar om ons te leiden en te raden. Daardoor blijven wij staan. — Thomas Manton.
Vers 102
“Want Gij hebt mij geleerd.” David wilde niet de indruk wekken dat hij de eer van zijn godsvrucht aan zichzelf gaf. Ook kwam het niet door een goede eigenschap van hemzelf dat hij zijn voeten weerhield van alle kwade paden. Daarom geeft hij hier alle eer aan God. Hij zegt uitdrukkelijk: ik ben niet geweken, omdat God mij heeft geleerd. Daar leren wij het volgende uit. Blijven wij ooit overeind, of staan wij na een val op en krijgen we berouw, dan moeten we dat altijd aan God toeschrijven, Die ons leert. Er is namelijk geen kwaad zo afschuwelijk of het zou ons snel redelijk lijken, als God ons aan onszelf overliet.
David kreeg onderwijs van zijn gewone leraars en hij had ontzag voor hen. Maar dat hij daardoor vooruitging, schrijft hij aan God toe. Paulus mag planten en Apollos mag natmaken, maar God moet de wasdom geven. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 102
Goddelijk onderwijs is nodig om te volharden, en het is ook krachtig genoeg om dat te bewerken.
Vers 102
Bedenk:
- Het pad dat voor mensen is uitgezet om te bewandelen: “Uw rechten.”
(a) Een rechte weg.
(b) Een zuivere weg.
(c) Een aangename weg.
(d) Een veilige weg.
(e) Het einde: eeuwige heerlijkheid.
- Hoe vasthoudend je dat pad volgt: “Ik ben niet geweken.”
(a) Vervolging zou je ervan wegdrijven.
(b) Genoegens zouden je ervan weglokken.
(c) Het vlees zou erop vermoeid raken.
(d) Maar de ware gelovige is vastbesloten zijn weg tot het einde te blijven gaan.
(e) En hij let nauwkeurig op zijn stappen, zodat ze niet afwijken.
- De kracht die de reiziger op dat pad bewaart: “Want Gij hebt mij geleerd.”
(a) De reiziger gaat met God op weg en krijgt onderwijs door de bijzondere verlichting van de Heilige Geest.
(b) Het bijzondere van dit onderwijs is niet alleen dat het wijs maakt. Het neemt de ziel ook gevangen, geeft haar kracht en houdt haar bij heilige gehoorzaamheid. — J.F.
Uitleg
Vers 103
“Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!” Hij had Gods woorden (zo heten de “redenen” hier) niet alleen gehoord, maar ook gegeten. Ze raakten zijn smaak net zo goed als zijn gehoor. Gods woorden zijn talrijk en veelsoortig, en samen vormen ze wat we “het woord” noemen. David hield van elk woord afzonderlijk en van alle samen als geheel. Hij proefde er een zoetheid in die niet te beschrijven is. Hij stelt vast dat ze zoet zijn, maar omdat hij niet kan zeggen hóé zoet, roept hij: “Hoe zoet!” Het waren Gods woorden, dus waren ze voor Gods knecht goddelijk zoet.
Hij Die de zoetheid erin had gelegd, had ook de smaak van Zijn knecht bereid om haar op te merken en ervan te genieten. David maakt geen onderscheid tussen beloften en voorschriften, tussen leerstukken en waarschuwingen. Ze behoren allemaal bij Gods woorden en ze zijn allemaal kostbaar voor hem. O, was er maar een diepe liefde in ons voor alles wat de Heere heeft geopenbaard, in welke vorm ook!
“Meer dan honig mijn mond.” Wanneer hij het woord niet alleen proefde maar er ook anderen mee onderwees, vond hij er nog meer vreugde in. Het zoetste dat deze wereld kent, schiet tekort bij de eindeloze lekkernij van het eeuwige woord. Zelfs honing wordt door het woord van de Heere in zoetheid overtroffen. Toen de psalmdichter het woord proefde, vond hij het zoet. Maar toen hij ervan getuigde, werd het nóg zoeter. Wat is het verstandig om het woord op ons gehemelte te houden door erover na te denken, en op onze tong door het te belijden. Het moet zoet smaken als we eraan denken, anders zal het niet zoet zijn in onze mond als we erover spreken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 103
“Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest!” Zelfs de woorden van een medemens kunnen soms onbeschrijfelijk zoet zijn, kostbaar boven alle maten. Al het goud en zilver zou ernaast niets zijn. Die woorden worden vol liefde gesproken en ze vullen het hart alsof Gods adem erin was gekomen. Maar verbleekt die regenboog van aardse blijdschap niet langzaam? Worden die betoverende woorden vroeg of laat niet droog en vaal in onze herinnering, en worden ze dan niet minachtend behandeld als aandenkens aan een aardse illusie? Dat kan, en zo gaat het ook.
Toch kan het hart zijn geluk, zijn echte en blijvende geluk, in woorden vinden. Op dit moment is er in heel de wereld niets wat ik zo graag wil als bepaalde woorden. Woorden van liefde. Woorden die oneindige liefde uitdrukken. Schatten, genoegens en eer op aarde: wat betekenen ze? Mijn onverzadigde ziel roept: geef mij woorden. Woorden waaraan ik merk hoe lief God mij heeft. Woorden die zeggen dat de Zaligmaker voor altijd aan mij verbonden blijft. Woorden die mijn hart reinigen. Woorden die mij moed geven om te bidden. Woorden die mij de zalige toekomst laten zien.
Woorden die mijn dode krachten leven geven en mij veranderen “van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.” — George Bowen, in “Daily Meditations”, 1873.
Vers 103
“Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest!”, enzovoort. Wie opnieuw geboren is, ontvangt een nieuw zintuig dat boven de natuur uitgaat: een goddelijke, geestelijke smaak. Dat zintuig is door en door anders dan de vijf andere. Gebruikt een ware heilige dit nieuwe zintuig van zijn geest, dan ziet hij in geestelijke en goddelijke zaken iets wat natuurlijke mensen helemaal niet zien. Het verschil is even groot als tussen de zoete smaak van honing en het beeld dat mensen van honing krijgen als ze ernaar kijken of het aanraken. Dat zintuig neemt de schoonheid van de heiligheid waar, en die lijkt in niets op wat natuurlijke mensen erin opmerken.
Je kunt het ook zo zeggen: deze schoonheid is wat dit geestelijke zintuig rechtstreeks aanspreekt. Het is de zoetheid waarvoor deze geestelijke smaak gemaakt is. De Schrift beschrijft de schoonheid en zoetheid van de heiligheid vaak als het grote voorwerp van geestelijke smaak en geestelijke honger. Zo was het ook het zoete voedsel voor de heilige ziel van Jezus Christus, Joh. 4:32, 34: “Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet. … Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.” Ik ken geen gedeelte van de Heilige Schrift waarin zo breed en volledig wordt uitgelegd en uitgetekend wat ware, oprechte godsvrucht is en waaraan je haar herkent, als de 119e psalm.
De dichter zegt in de eerste verzen waar hij naartoe wil, houdt dat de hele psalm door in het oog en werkt ernaartoe tot het eind. De uitnemendheid van de heiligheid wordt getoond als het directe voorwerp van geestelijke smaak en vreugde. Gods wet is de grote uitdrukking en weerspiegeling van de heiligheid van Gods wezen en legt het schepsel heiligheid op. Alle verzen door wordt ze getoond als het grote voorwerp van liefde, voldoening en jubel voor een mens met een begenadigd hart. Zo iemand stelt Gods geboden hoger dan goud, ja, dan het fijnste goud, en ze zijn hem zoeter dan honing en honingraat, en wel vanwege hun heiligheid.
Dezelfde dichter zegt dat juist dit de zoetheid is die een geestelijke smaak in Gods wet proeft: Ps. 19:8-11. — Jonathan Edwards, 1703-1758.
Vers 103
“Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest!” Waarom zegt hij niet liever dat Gods woorden zo aangenaam in zijn oren klinken? Waarom noemt hij ze zoet voor zijn smaak en zijn mond? Mijn antwoord: spreekt God door de mond van Zijn dienaren, dan hoort het dat wij luisteren, en Gods woorden zijn voor ons oor het heerlijkste dat er is. Maar vromen spreken ook graag onderling over Gods woorden. Wat ze daarover zeggen, smaakt hun zelf zo zoet dat het hun meer vreugde geeft dan welke honing uit de raat ook. Dat is vooral nodig als er te weinig leraars zijn, zoals voor David in de woestijn en toen hij bij de Filistijnen woonde. Het is ook nodig als zij die leraar zijn, het zuivere woord van God vervalsen en bederven. — Wolfgang Musculus.
Vers 103
Het woord dat hier met “redenen” wordt weergegeven, vat ik liever op als “rechten”. Ten eerste omdat het woord in de grondtekst niet staat, en ten tweede omdat hij “rechten” in het vers hiervoor ook al gebruikte. Maar sommigen zullen tegenwerpen: hoe kunnen Gods rechten zoet zijn, terwijl ze zo moeilijk, schrikwekkend en zwaar zijn? Mijn antwoord is dat de vromen niets blijer maakt dan te zien hoe Gods barmhartigheid wordt uitgedeeld aan wie Hem vrezen, of hoe Zijn oordelen over de verworpenen neerdalen. — Richard Greenham.
Vers 103
“… mijn gehemelte.” “… mijn mond.” Dat betekent: het geeft mij evenveel genoegen om over Uw rechten te spreken, ze te bespreken en anderen ervan te overtuigen, als mijn mond, of de mond van ieder die van honing houdt, genoegen heeft in honing. — Richard Greenham.
Vers 103
“Zoeter.” In een bosje viooltjes zijn er altijd een paar die veel zoeter geuren dan de rest. Zo zijn er ook onder de teksten enkele die ons méér waard zijn dan andere. — Henry Ward Beecher, 1879.
Vers 103
Een vrouw die van haar man houdt, zegt vaak: “Mijn man! Jouw woorden zijn mij zoeter dan honing. Ja, zoeter dan suikerriet.” “Ach, mijn man is er niet meer”, zegt de weduwe. “Wat waren zijn woorden zoet! Honing droop van zijn lippen. Zijn woorden waren ambrozijn.” — Joseph Roberts.
Wenken voor predikers
Vers 103
Ervaring in het geloof is de bron van het genot ervan. Of:
- Het woord proeven: hoe zoet het is.
- Het woord met de mond verkondigen: hoeveel zoeter het dan nog is.
Vers 103
- Het woord is zoet: “zoet … mijn gehemelte.”
- Het is zoeter dan iets anders: “meer dan honig.”
- Het is het allerzoetst: “hoe zoet”, enzovoort. — G.R.
Vers 103
De vergelijking die laat zien hoe kostbaar de zoetheid van het woord is: “Meer dan honig.” “Beter dan honing” zou niet hetzelfde zijn. Het is:
- De zuiverste zoetheid, ook in voorschriften en berispingen.
- Een zoetheid waar je niet misselijk van wordt.
- Altijd een zoetheid die goed doet.
- Een extra welkome zoetheid: in beproeving en in het uur van de dood. — J.F.
Vers 103
Geestelijk fijnproeven.
- De smaak die je nodig hebt om ervan te genieten.
- Het leven dat er alleen door gevoed wordt.
- Het zeldzame genot dat eruit voortkomt. — G.A.D.
Vers 103
- Het is zoet.
- Laten we ervan genieten.
- De beste gevolgen komen vanzelf. George Herbert zegt:
“O Boek! Oneindige zoetheid! Laat mijn hart
uit elke letter honing zuigen,
een balsem bij elk verdriet, voor elke smart,
die de borst verlicht en alle pijn verzacht.”
Vers 103
Willen we de honing van God proeven, dan moeten we het gehemelte van het geloof hebben. — A.R. Fausset.
Uitleg
Vers 104
“Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.” Wat God ons voorhoudt, is voor ons het beste onderwijs. Wie de wil van God doet, wordt wijs in zijn denken en doen. Gods weg is altijd de beste, dus wie hem volgt, blijkt aan het eind zeker gelijk te hebben. Als de Wetgever dwaas was, dan was Zijn wet het ook, en wie zo’n wet gehoorzaamde, zou zich in duizend vergissingen storten. Maar het is juist andersom. Wat mogen we ons gelukkig prijzen dat zo’n wijze, verstandige en heilzame wet de maatstaf voor ons leven is! Als we gehoorzamen, zijn we wijs, en door te gehoorzamen worden we nog wijzer!
“Daarom haat ik alle leugenpaden.” Hij had inzicht gekregen en kende Gods bevelen. Daarom walgde hij van zonde en leugen. Elke zonde is een leugen. We zondigen omdat we een leugen geloven. Uiteindelijk blijkt het kwaad dat ons zo vleide, een leugenaar te zijn, en dan zien we dat we bedrogen zijn. Een oprecht hart laat leugen niet koud. Het raakt verhit van verontwaardiging: net zoals zo’n hart de waarheid liefheeft, zo haat het de leugen. Heiligen walgen van alles wat onwaar is, overal en altijd. Ze dulden geen leugen en geen dwaasheid. Ze zetten zich schrap tegen elke dwaling in de leer en elke boosheid in het leven.
Wie één zonde koestert, staat aan de kant van het hele leger van zonden. Met zelfs maar één van die Amalekieten mogen we geen wapenstilstand sluiten en niet onderhandelen. De Heere voert immers oorlog tegen hen, van geslacht op geslacht, en dat moeten wij ook doen. Het is goed om een goede hater te zijn. Wat betekent dat? Je haat geen enkel levend mens, maar je haat “alle leugenpaden”. De weg van eigenzinnigheid, van eigengerechtigheid, van wereldsgezindheid, van hoogmoed, van ongeloof en van huichelarij: al die wegen zijn leugenpaden. We moeten ze dus niet alleen mijden, maar er ook een afkeer van hebben.
Dit laatste vers van het couplet laat zien dat zijn karakter een grote stap vooruit heeft gezet. De man van God wordt sterker, moediger en gelukkiger dan eerst. De Heere heeft hem onderwezen, zodat hij het kostbare van het waardeloze onderscheidt. Hij houdt vurig van de waarheid en haat de leugen met hart en ziel. Mogen wij allemaal zo scherp kunnen onderscheiden en zo vastberaden zijn, zodat we God groot maken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 104
“Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.” In deze zin lijkt de profeet de volgorde van Ps. 119:101 om te draaien. Daar zei hij: “Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.” Daar was het mijden van het kwaad het middel om voordeel te halen uit het woord. Hier is het voordeel uit het woord juist de reden om het kwaad te mijden. In het ene vers lees je hoe hij met God begon, in het andere hoe hij vorderde. — Thomas Manton.
Vers 104
“Ik haat alle leugenpaden.” David zegt: “Ik haat alle leugenpaden.” Ik haat zo’n weg niet alleen als ik erin ben verdwaald. Ik haat het zelfs om erop te gaan. In Ps. 119:163 zegt hij dat ook: “Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.” De leugen nalaten en je ervan weerhouden wijst op een genadig hart; haar haten en verafschuwen doet dat nog meer. Een godvrezend mens doet niet alleen wat goed is. Hij vindt er ook vreugde in, zijn ziel blijft eraan vastzitten. Hij is in zijn element als hij het doet.
Niets past hem beter dan het werk van zijn plicht. Hij doet het graag, ja, hij houdt ervan zelfs als hij het niet kan doen: Rom. 7:22. Paulus klaagde veel dat zijn verdorven neigingen hem belemmerden, hinderden en in boeien sloegen. Waar het erom ging het goede te doen, zat hij als aan een lijmstok vast. Toch zegt hij: “Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.” Dat betekent: de innerlijke mens gaat vol vreugde de wet van God achterna, terwijl ik door mijn verdorven hart op een lage manier word bewogen en door verzoeking ertegenin word opgezweept.
Een godvrezend mens kiest er niet alleen voor om Gods heilige wil te doen, hij is er ook blij mee en vindt er zoete voldoening in. Net zo weigert hij niet alleen om de wil van het vlees te doen of de weg van de wereld te volgen. Hij haat het om dat te doen. Hij is nooit zo ontevreden over zichzelf als wanneer hij door onachtzaamheid en slordige wacht is overvallen en gevallen. Een vleselijk mens kan het kwade nalaten en doen wat uiterlijk goed is. Maar hij walgt nooit van het kwade en heeft nooit vreugde in het goede.
Hij houdt zich misschien in van wat God verbiedt, maar hij zegt niet met Job: “Het zij verre van mij.” … Genieten van het goede is beter dan het doen ervan, en walgen van het kwade is beter dan je ervan onthouden. Vergelijken we de aard van de zonde met de nieuwe natuur van een godvrezend mens, dan zien we duidelijk waarom zijn onthouding van de zonde samengaat met afschuw ervan. — Joseph Caryl.
Vers 104
“Uit Uw bevelen krijg ik verstand.” Geestelijk inzicht hoort bij het proeven van geestelijke zoetheid. (Vergelijk Spr. 2:10-11.) “De zoetheid der lippen”, zegt de wijze, “zal de lering vermeerderen. Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen”, Spr. 16:21, 23. Hebben we eenmaal “het beginsel der leer van Christus” geleerd, dan klinkt de aansporing: “laat ons tot de volmaaktheid voortvaren”, en: “wast op in de genade en kennis” van Christus. Het verband tussen “genade en kennis” is hier immers duidelijk te zien. — Charles Bridges.
Vers 104
“Ik haat alle leugenpaden.” Dat het alle paden zijn, is een zeker teken van oprechtheid. Herodes spuugt sommige zonden uit, terwijl hij andere als zoete hapjes in zijn mond laat rollen. Een huichelaar laat de duivel altijd een nestei waar hij op kan zitten, ook al neemt hij er veel weg. Sommigen kopen bepaalde waren niet, omdat ze die niet voor hun eigen prijs krijgen. Maar hetzelfde geld geven ze aan iets anders uit. Zo laten huichelaars sommige zonden na, ze zijn er zelfs boos op, omdat ze die niet kunnen hebben zonder schande, ziekte of een ander nadeel.
Maar ze besteden dezelfde liefde aan andere zonden die beter bij hun plannen passen. Sommigen beweren dat de zee wat ze op de ene plek verliest, op een andere plek terugwint. Zo wint de verdorvenheid van een onbekeerde mens aan de ene kant terug wat ze aan de andere kant kwijtraakt. Eén lust is bij hem in het bijzonder zijn lieveling, een koningszonde, zoals Agag, die gespaard moet worden terwijl anderen worden vernietigd. “In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht”, zegt Naäman. Maar wie opnieuw geboren is, werkt eraan om zichzelf te reinigen “van alle besmetting des vleses en des geestes”. 2 Kor. 7:1. — George Swinnock.
Vers 104
“Ik haat.” De Schrift legt de nadruk in het geloof grotendeels op de liefde: liefde tot God en tot de Heere Jezus Christus, liefde tot het volk van God en tot alle mensen. De teksten waarin dat blijkt, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zijn ontelbaar. De tegenovergestelde neiging, haat met de zonde als doel, noemt de Schrift ook als een niet onbelangrijk deel van het ware geloof. Ze noemt haat als iets waaraan je het ware geloof kunt herkennen en onderscheiden.
Spr. 8:13: “De vreze des HEEREN is, te haten het kwade.” Daarom worden de heiligen opgeroepen hiermee te bewijzen dat ze oprecht zijn, Ps. 97:10: “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade.” En de psalmdichter noemt haat vaak als bewijs voor zijn eigen oprechtheid: Ps. 101:2-3: “Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten. Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen.” Zo ook Ps. 119:128 en de plaats waar we nu zijn, en ook Ps. 139:21: “Zou ik niet haten HEERE! die U haten?” — Jonathan Edwards.
Vers 104
“Ik haat.” Haat is een gevoel dat neersteekt en doodt. Met een gloeiend hart neemt ze zich voor de zonde te vermoorden, als een bloedwreker: een wreker van het bloed van de ziel dat de zonde zou vergieten, en van het bloed van Christus dat de zonde heeft vergoten. Haat de zonde volkomen en altijd, en je zult haar niet sparen, maar meteen doden. Zolang je de zonde niet haat, kun je haar niet doden. Dan roep je niet tegen haar, zoals de Joden tegen Christus: Kruisig haar! Kruisig haar! Dan ben je mild voor haar, zoals David voor Absalom, en zeg je: Ga zachtzinnig met de jongeman om, met deze of die lust, mij ter wille. Barmhartigheid voor de zonde is wreedheid tegen de ziel. — Edward Reyner, 1600-1670.
Vers 104
“Leugenpaden.” Er staat niet “kwade weg” maar “leugenpaden”, of, zoals het in de grondtekst staat, elk pad van leugen en valsheid. Valsheid zit ofwel in je mening, ofwel in je gedrag. Neem je het in de eerste betekenis, voor valsheid in mening, een dwaling in je oordeel, valse leer of valse eredienst, dan klopt deze uitspraak. Wie door het woord inzicht krijgen, worden vast tegen dwaling. Ze zijn niet alleen vast tegen dwaling, dus tegen het aannemen of bezitten ervan, maar ze haten haar. — Thomas Manton.
Vers 104
“Leugenpaden.” Alle zonde is een leugen. Daarmee proberen we God te bedriegen. Daarmee bedriegen we in werkelijkheid onze eigen ziel: Spr. 14:12. Er bestaat geen waan als de dwaasheid om te geloven dat een leven van zonde ons gelukkig zal maken. — William S. Plumer.
Wenken voor predikers
Vers 104
Wat de bevelen teweegbrengen.
- In het verstand.
- In de gevoelens.
- In het leven.
Vers 104
- Het gevolg van de Schrift voor het verstand: “Ik krijg verstand.”
- Het gevolg voor het geweten: “Ik haat”, enzovoort. — G.R.
Vers 104
Het inzicht dat uit Gods bevelen voortkomt, brengt heilige haat voort.
- Tegen de leugenpaden van de gangbare moraal.
- Tegen de leugenpaden van een vormelijke godsdienstigheid.
- Tegen de leugenpaden van een dwalende theologie.
- Tegen de leugenpaden van een huichelachtige levenspraktijk.
- Tegen de leugenpaden van zondige ingevingen.
- Tegen de leugenpaden van je eigen bedrieglijke hart. — J.F.
Uitleg
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” We zijn wandelaars door de stad van deze wereld. Vaak moeten we er het donker in. Laten we daar nooit naartoe gaan zonder het woord dat licht geeft, zodat we niet uitglijden. Ieder mens moet Gods woord persoonlijk, praktisch en elke dag gebruiken, zodat hij zijn weg ziet en ziet wat erop ligt. Als de duisternis over alles om mij heen neerdaalt, laat het woord van de Heere mij mijn weg zien als een brandende fakkel. In de steden van het Oosten stonden in oude tijden geen vaste lantaarns.
Daarom had elke voorbijganger zijn eigen lantaarn bij zich om niet in het open riool te vallen of te struikelen over de hopen vuil die de weg bevuilden. Zo ziet ook ons pad door deze donkere wereld eruit. We zouden de weg niet kennen, en ook niet weten hoe we erop moeten lopen, als de Schrift hem ons niet liet zien als een laaiende toorts. Eén van de praktische voordelen van de Heilige Schrift is dat ze ons leidt in wat we elke dag doen. Ze is niet gegeven om ons te verbluffen met haar glans, maar om ons met haar onderricht te leiden.
Het hoofd heeft inderdaad licht nodig. Maar de voeten hebben nog meer richting nodig, anders vallen hoofd en voeten samen in een kuil. Gelukkig is de mens die Gods woord persoonlijk tot het zijne maakt en het in de praktijk gebruikt als zijn troost en raadsman: een lamp voor zijn eigen voeten.
“En een licht voor mijn pad.” Het is een lamp in de nacht, een licht overdag en op alle momenten een vreugde. David bepaalde er zijn eigen stappen mee en zag in de glans ervan ook de moeilijkheden op zijn weg. Wie in het donker loopt, struikelt vroeg of laat zeker. Wie loopt bij het licht van de dag of bij de lamp van de nacht, struikelt niet en blijft rechtop. Onwetendheid doet pijn als het om de praktijk gaat. Ze brengt aarzeling en onzekerheid voort, en die voelen onprettig. Gods woord geeft hemelse kennis en brengt zo tot een besluit. Volgt er dan een vastberaden voornemen op, zoals hier, dan geeft dat een diepe rust in het hart.
Dit vers spreekt tot God op een toon die aanbiddend is en toch vertrouwelijk. Hebben ook wij niet iets van dezelfde strekking te zeggen tegen onze Vader in de hemel?
Let op hoe nauw dit vers verwant is aan het eerste vers van het eerste achttal, en ook aan het eerste vers van het tweede achttal en van alle volgende achttallen. Vaak klinken ook de tweede verzen van die achttallen als één stem.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad”, enzovoort. David was een heel verstandig man met een scherp, natuurlijk inzicht. Toch geeft hij God de eer voor zijn wijsheid. Zijn beste licht, zegt hij zelf, was donker zodra het woord van God hem niet verlichtte en bestuurde. Och, dat wij dit goed zouden overdenken! Op elke weg waar Gods woord ons niet bijlicht om de goede richting te wijzen, tasten we in het duister rond. En zonder dat woord kunnen onze wegen ons nergens heen leiden dan naar volslagen duisternis. Luisteren we niet naar Gods woord en leven we niet naar zijn regel, hoe is het dan ooit mogelijk dat we voor Gods aangezicht komen? — William Cowper.
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” Een lamp heb je nodig in de nacht, terwijl overdag het licht van de zon schijnt. Of het bij ons nu dag of nacht is, door Gods woord zien we duidelijk wat onze plicht is. De nacht staat voor tegenspoed en de dag voor voorspoed. Daaruit kunnen we leren hoe we ons in elke situatie moeten gedragen. Het woord “pad” duidt op de keuze en koers van ons hele leven, het woord “voet” op onze afzonderlijke daden. Of we nu willen weten welke weg naar het ware geluk leidt, of hoe we die weg handig kunnen blijven volgen, Gods woord wijst een nederige en welwillende geest steeds de weg. — Thomas Manton.
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet”, enzovoort. Volgens Basilius de Grote is het “woord” hier Gods wil, zoals die ons in de Heilige Schrift bekend is gemaakt. Het Oude Testament, en vooral de wet, noemt hij slechts een lantaarn (een lamp of een kaars). Die geeft namelijk kunstlicht, en daarmee blijft de duisternis half bestaan. Het evangelie dat de Heere Jezus Zelf heeft gebracht, is licht van “de Zon der gerechtigheid”, en alles wordt er helder en stralend door. Ambrosius gaat een stap dieper: Christus is Zelf lamp én licht.
Voor de één is Hij als het Woord van God een groot licht, voor de ander een lamp. Mij is Hij een lamp, de engelen een licht. Petrus was Hij een licht, toen de engel in de gevangenis bij hem stond en het licht om hem heen scheen. Paulus was Hij een licht, toen het hemelse licht rondom hem straalde en hij Christus tegen zich hoorde zeggen: “Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?” En een lamp is Hij zeker voor mij, wanneer ik met mijn mond over Hem spreek. Hij schijnt in klei, in het vat van een pottenbakker. Zo is Hij de schat die wij “in aarden vaten” dragen. — Neale en Littledale.
Vers 105
“Uw woord is een lamp … en een licht.” Zolang de “lamp” niet brandt, dat wil zeggen zolang de Geest het woord niet komt uitleggen, blijft alles “duisternis” en “donkerheid.” Hielden we ons vaker klaar om het licht van het woord te ontvangen en letten we beter op wat we ermee moeten doen, dan zouden we niet zo vaak jammeren dat ons pad zo verward is. — Charles Bridges.
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet”, enzovoort. Niemand van ons zit te wachten op wonderen die ons duizelig maken, op opgetogen visioenen of op grootse pracht. We willen een beetje licht op het donkere, moeilijke pad dat voor ons ligt: een lamp die kalm en trouw brandt boven ons werk. De sterren zijn oneindig veel verhevener en vallende sterren oneindig veel schitterender en verblindender. Maar de lamp in een donkere ruimte sluit oneindig veel beter aan bij wat wij werkelijk nodig hebben. — Uit “The Expositor”, 1864.
Vers 105
“Uw woord is een lamp voor mijn voet.” Ik had twee mijl gelopen naar een streek waar bijna niemand kon lezen, om er een avond voor te lezen aan mensen die waren samengekomen om te horen. Voor mijn terugweg lag er een smal bospad voor mij, met allerlei afslagen. Daarom kreeg ik een fakkel van harshout mee, “pitch pine”. Ik bracht ertegen in dat ze te klein was: ze woog nog geen half pond. “Ze zal u naar huis lichten”, zei mijn gastheer. “De wind kan haar uitblazen”, zei ik. “Ze zal u naar huis lichten”, zei hij weer. “En als het gaat regenen?” probeerde ik nog. “Ze zal u naar huis lichten”, bleef hij zeggen.
Mijn vrees bleek ongegrond: de fakkel verlichtte mijn pad tot aan mijn deur. Ik zie daar vaak een prachtig beeld in van hoe twijfelende harten veilig over de “enge weg” kunnen gaan. Als ze de Bijbel als gids kozen, zou die voor hun voeten een lamp zijn en hen naar het huis in de hemel brengen. Een man noemde vijf bezwaren tegen de Bijbel. Zou hij haar als lamp voor zijn voet gebruiken, dan zou ze hem “naar huis lichten.” Een ander vertelde mij dat hij twee dingen op de Bijbel aan te merken had. Ik gaf hem hetzelfde antwoord dat mijn vriend mij gaf bij de fakkel: “Ze zal u naar huis lichten.” — Uit “The American Messenger”, 1881.
Vers 105
“Een lamp voor mijn voet”, enzovoort. Het gaat erom hoe je met de lamp omgaat. Iemand vertelt dat hij als jongen trots was op zijn taak: hij droeg de lantaarn voor zijn zondagsschoolleraar. Hun weg naar school ging door straten zonder licht, vol modder. De jongen hield de lantaarn veel te hoog, en allebei zakten ze diep weg in de blubber. Aan de overkant van het moeras stonden ze weer op vaste grond. “Ach! Je moet de lamp lager houden”, riep de leraar. Daarna verklaarde hij onze tekst op een mooie manier, en de man zegt dat hij de les van die avond nooit meer is vergeten. Je kunt de lamp al snel te hoog houden, maar bijna niet te laag. — James Wells, in “Bible Images”, 1882.
Vers 105
Licht.
Leid, vriendelijk Licht, door het duister om mij heen,
leid U mij voort.
Ver is mijn huis, en diep de duisternis,
leid U mij voort.
Behoed mijn voet; ik vraag niet om het verre zicht,
één stap is mij genoeg, o vriendelijk Licht. — John Henry Newman (1801).
Vers 105-106
“Een licht voor mijn pad. Ik heb gezworen, en zal het bevestigen”, enzovoort. Ik zag Uw woord als een lamp voor mijn eigen voeten, als iets wat mij zelf rechtstreeks raakt. En toen zwoer ik, en ik zal het nakomen, dat ik de rechten van Uw gerechtigheid zal houden. Er is weinig dat iemands geest zo krachtig wakker schudt en tot gehoorzaamheid aanzet als dit: het woord zien als aan jou persoonlijk geschreven, als een lamp en een licht voor jou. Luister je naar Gods Woord en laat God de prediker zo spreken dat de waarheid jou treft, dan zul je wakker worden en in beweging komen.
Dan zeg je: “O, het leek vandaag wel of elk woord van de prediker voor mij bedoeld was. Ik moet daar goed op letten.” Zo schrijft God ook elk woord in de Schrift dat jou aangaat, aan jou. Neem je het zo aan, dan is het een krachtig middel om jou tot gehoorzaamheid op te wekken. — Jeremiah Burroughs, 1599-1646.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, van dominee C. A. Davis. Verzen 105-112. — Het woord als lamp. Als leiding (Ps. 119:105-106). Als leven in verdrukking (Ps. 119:107). Als bewaring wanneer vijanden dreigen (Ps. 119:109-110). Als blijdschap voor het hart (Ps. 119:111-112).
Wenken voor predikers
Vers 105-108
- Verlichting (Ps. 119:105).
- Besluit (Ps. 119:106).
- Beproeving: “Ik ben gans zeer verdrukt” (Ps. 119:107).
- Toewijding (Ps. 119:108).
- Onderwijs: “leer mij”, enzovoort (Ps. 119:108).
Vers 105
Hoe je Gods woord praktisch, persoonlijk en elke dag gebruikt.
Vers 105
Lamplicht.
- De gevaarlijke reis van de gelovige door de wereld in het donker.
- De lamp die zijn pad verlicht.
- De eeuwige dag waar hij naartoe reist (dan wordt de lamp weggelegd: Openb. 22:5). — C.A.D.
Uitleg
Vers 106
“Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.” Het heldere licht van kennis had hem tot een vaste keuze gebracht. Voor het oog van God sprak hij die keuze plechtig uit. Misschien vertrouwde hij zijn eigen veranderlijke gemoed niet, en bond hij zich daarom met een heilige eed om trouw te blijven aan de bevelen en besluiten van zijn God. Welke weg hem ook werd aangeboden, hij had gezworen alleen die weg te gaan waarop de lamp van het woord scheen. De Schriften bevatten Gods rechten, dat zijn Gods oordelen over grote vragen van goed en kwaad.
Alle zijn ze rechtvaardig. Rechtvaardige mensen horen dus vast van plan te zijn ze te houden, wat het ook kost, want goed doen is altijd goed. Uit ervaring weten we dat het beter is als mensen zich niet te veel in verbonden en eden vastleggen. En in het hele onderwijs van onze Zaligmaker klinkt verzet tegen onnodige beloften en eden. Toch moeten we ons onder het evangelie even sterk verplicht voelen om het woord van de Heere te gehoorzamen, alsof we daar een eed op hadden gezworen. De banden van de liefde zijn niet minder heilig dan de ketenen van de wet.
Wie iets heeft beloofd, moet er goed voor zorgen dat hij het “bevestigt”. En wie niet met zoveel woorden heeft beloofd Gods rechten te houden, is er evengoed toe gehouden. Die plicht bestaat los van wat wij beloven. Ze is gegrond op wat in de eeuwige orde van de dingen vanzelf past, en wordt bevestigd door de overvloedige goedheid van de Heere, onze God. Zal niet elke gelovige toegeven dat hij tegenover de Heere, zijn Verlosser, gebonden is om Zijn voorbeeld te volgen en Zijn woorden te houden? Ja, de geloften aan de Heere rusten op ons.
Dat geldt vooral voor wie openlijk beleden hebben dat ze discipel zijn, gedoopt zijn in de driewerf heilige Naam, van de gewijde gedenktekens gegeten hebben en in de naam van de Heere Jezus gesproken hebben. We zijn aangeworven en beëdigd, en moeten de hele oorlog door trouwe soldaten blijven. Als we dus Gods woord in ons hart hebben opgenomen en vast besloten hebben het te gehoorzamen, dan hebben we een lamp in onze ziel én in het Boek. Dan zal onze weg licht zijn tot het einde.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 106
“Ik heb gezworen”, enzovoort. Patrick geeft het zo weer: “Ik ben een plechtig besluit aangegaan en heb mij met de heiligste banden gebonden. Die zal ik nooit verbreken, ik bevestig ze nu juist.”
Vers 106
“Ik heb gezworen.” Ik wil je nu oproepen om jezelf plechtig aan de dienst van God over te geven. Beslis dat niet alleen in je hart, maar zeg het ook openlijk in Gods tegenwoordigheid. Zo’n plechtige handeling is gezien de aard van de zaak zeker redelijk. Het is ook hoogst nuttig om een hart als het onze, waarvan we weten hoe ontrouw het is, aan de Heere vast te maken. Later zul je er met plezier aan terugdenken: zo en zo laat is het gebeurd, op die plaats en op die manier.
Dat kan je herinnering en je geweten blijven raken. Als je bedenkt dat je aan God gebonden bent door je geloften, helpt dat je om op het moment van verzoeking sterk te staan. En de herinnering eraan kan je de nederige moed en vrijheid geven om je tot Hem te richten als de God en Vader van je verbond, zoals een toekomstige nood dat zal vragen.
Doe het dus, maar doe het weloverwogen. Denk na over wat je gaat doen. Bedenk ook hoe redelijk het is dat het gebeurt, en dat het van harte en met blijdschap gebeurt: “niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.” Dat geldt in dit opzicht en in elk ander opzicht… Ik wil je eraan herinneren dat deze overgave voor altijd moet zijn. Je moet jezelf zo aan God geven dat je nooit meer doet alsof je van jezelf bent. Gods rechten zijn namelijk net als Zijn wezen eeuwig en onveranderlijk. Voor Zijn redelijke schepselen zijn ze gisteren, vandaag en voor altijd dezelfde.
Verder raad ik je nadrukkelijk aan om deze toewijding zo plechtig mogelijk te doen. Zeg het met duidelijke woorden. In veel gevallen is het misschien het beste, zoals veel vrome theologen hebben aangeraden, om het op te schrijven. Zet er je handtekening en zegel onder: “dat je op die en die dag van die en die maand en dat jaar, op die en die plaats, na rijp beraad en ernstige overdenking tot dit gelukkige besluit kwam: wat anderen ook zouden doen, jij zou de Heere dienen.” — Philip Doddridge (1702-1751) in “The Rise and Progress of Religion in the Soul.”
Vers 106
Vernieuw je vaste, heilige besluiten regelmatig. Een soldaat die niet vastbesloten is te vechten, wordt makkelijk verslagen. Echte, scherpe moed vertrapt de moeilijkheden die over een koele, wankelende geest zouden zegevieren. Een zwak mens met een vast besluit bereikt meer dan een lafaard met veel kracht. Onze genade is zwak, de verzoekingen zijn sterk en onze geestelijke vijanden werken hard. Daarom hebben we sterke besluiten nodig. We moeten “standvastig, onbewegelijk” zijn, “altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren”: 1 Kor. 15:58. Wie veel in Gods werk doet, versterkt zijn gewoonte van genade, wordt vaardiger in de strijd en wint de overwinning gemakkelijker en met meer plezier.
Laten we onze besluiten nemen in geloof en nederigheid, in de kracht van Gods genade, met angst voor onszelf maar met vertrouwen op God. David bond zich met een hartelijke gelofte aan God en rekende daarbij op Zijn kracht: “Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.” Het gebeurde niet in zijn eigen kracht. In Ps. 119:107 vraagt hij God immers hem levend te maken en in Ps. 119:108 “de vrijwillige offeranden” van zijn mond aan te nemen. Daarmee bedoelt hij de eed die uit een vrije, vastberaden wil voortkwam.
God veracht de hartelijke besluiten van Zijn schepsel niet, maar maakt ze sterk. We kunnen onszelf niet voor vallen bewaren als we niet eerst onze besluiten voor verslappen bewaren. — Stephen Charnock.
Vers 106
“Ik heb gezworen, en zal het bevestigen.” Keizer Sigismund vroeg aartsbisschop Theodoricus van Keulen eens wat de directste en kortste weg was naar ware gelukzaligheid. De aartsbisschop gaf kort antwoord: “Doe als je gezond bent wat je beloofde toen je ziek was.” David deed dat. Hij deed in de oorlog geloften en betaalde ze in vredestijd. Alle goede mensen horen dat zo te doen. Ze moeten niet zijn zoals de sluwe duivel, over wie de dichter van een puntdicht schrijft:
De duivel lag ziek: toen wilde hij monnik worden.
De duivel werd beter: van monnik was geen sprake meer.
Ze moeten ook niet lijken op velen van nu. Drukt Gods hand maar een beetje zwaar op hen, och, wat een beloften en toezeggingen om hun leven te beteren! Zo lijken ze op marmer in de regen: ze zweten en lijken te smelten, maar blijven even hard. Neem de roede van hun rug of laat hun gezondheid terugkeren, en hun gelofte sterft zodra hun lichaam weer leeft. Alles wordt vergeten. Ja, vaak gebeurt het dat ze er veel slechter aan toe zijn dan ooit tevoren. — Uit John Spencers “Things New and Old”, 1658.
Vers 106
“De rechten Uwer gerechtigheid.” David noemt Gods woord zo omdat het uiterst rechtvaardig oordeelt over goed en kwaad, waarheid en leugen. En ten tweede omdat God volgens het oordeel dat daarin staat, met de mensen zal omgaan. Laten we dat ter harte nemen. In het woord staat namelijk Gods oordeel over de mensen. Er staat een lijst in van wie het koninkrijk van God niet zullen beërven, en een andere lijst van wie in Gods tabernakel zullen wonen. Laten we lezen en zien op welke van de twee lijsten wijzelf staan. Naar dat woord zal het oordeel immers gaan. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 106
Kiezen voor God, en passende manieren om dat uit te spreken.
Vers 106
- Eerbied voor het woord.
- Overgave aan het woord.
- Trouw aan het woord. — G.R.
Vers 106
Zweren en nakomen.
- Het nut van godsdienstige geloften. Ze maken het inzicht scherper en wekken het geweten. (Dat zie je bij het Joodse volk: Ex. 24:3-7, 2 Kron. 15:12-15, Neh. 5:12-13, en bij het Schotse volk: het Solemn League and Covenant.)
- Het gevaar van godsdienstige geloften. Een gelofte die niet wordt gehouden of wordt teruggenomen, doet morele schade: Pred. 5:3-6.
- Hoe godsdienstige geloften beschermd worden: door afhankelijkheid van de Geest van God: Ezech. 11:19-20, 2 Kor. 4:5. — C.A.D.
Uitleg
Vers 107
“Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.” Volgens het vorige vers was hij beëdigd als soldaat van de Heere. In dit vers wordt hij in die rol meteen geroepen om ontberingen te dragen. Dienst aan de Heere beschermt ons niet tegen beproeving; ze brengt die juist op ons pad. De psalmdichter was een toegewijd mens en toch een gekastijd mens. Zijn kastijdingen waren bovendien niet licht. Het leek zelfs alsof hij meer te lijden kreeg naarmate hij gehoorzamer werd. Duidelijk voelde hij hoe diep de roede sneed, en dat legt hij de Heere voor. Hij klaagt niet, hij pleit. Uit het grote lijden leidt hij af dat hij ook veel nieuw leven nodig heeft.
“HEERE! maak mij levend naar Uw woord.” Dit is het beste medicijn bij verdrukking. Zo wordt de ziel hoger getild dan de gedachte aan de nood van nu en vult ze zich met de heilige vreugde die bij elk sterk geestelijk leven hoort. Dan wordt het lijden licht. Alleen Jehova kan levend maken. Hij heeft het leven in Zichzelf, dus Hij kan het gemakkelijk geven. Hij kan ons op ieder moment leven geven, ja, op dit moment, want het hoort bij levend maken dat het snel gaat. De Heere heeft deze zegen van nieuw leven beloofd, klaargemaakt en veiliggesteld voor al Zijn wachtende knechten.
Ze hoort bij Zijn verbond: ze is net zo goed te krijgen als nodig. Vaak gebruikt God het lijden zelf als middel om levend te maken, net zoals je door in een vuur te poken de vlam heter maakt. Sommigen wensen in hun nood de dood. Laten wij bidden om leven. Onze angst is bij tegenslag vaak erg donker. Laten we de Heere vragen met ons om te gaan, niet zoals wij vrezen, maar volgens Zijn eigen woord. David had nog maar weinig beloften om op te pleiten. Waarschijnlijk stonden ze in zijn eigen psalmen.
Toch pleit hij op het woord van de Heere. Hoeveel te meer moeten dan wij dat doen! Zoveel heilige mannen hebben door de Geest van de Heere tot ons gesproken in die wonderbare bibliotheek die nu onze Bijbel is. Hebben wij meer beloften, laten we dan ook meer bidden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 107
“Ik ben gans zeer verdrukt”, enzovoort. Hier leren we drie dingen. 1. Het is niet vreemd dat juist de heiligste mensen de droefste vormen van lijden kennen, in lichaam en geest: “Ik ben gans zeer verdrukt.”
- Waar de verdrukking ook vandaan komt, het geloof gaat voor troost alleen naar God, zoals hier: “HEERE! maak mij levend.”
- Maakt God het woord van de belofte levend, of laat Hij ons krijgen wat de belofte ons te verwachten geeft, dan is die troost genoeg als tegengif tegen het zwaarste lijden: “HEERE! maak mij levend naar Uw woord.” — David Dickson.
Vers 107
“Ik ben gans zeer verdrukt.” Zo overtuigend kunnen we iemand aanraden de beker van het verdriet vrolijk te drinken, zolang hij in andermans hand ligt. Maar wat een scheve gezichten trekken we als hij aan onszelf wordt gegeven. — Alfred John Morris, 1814-1869.
Vers 107
“Ik ben gans zeer verdrukt, … maak mij levend.” Een christen woont midden in het kruis, zoals een vis in de zee woont. — Jean Baptiste Marie Vianney, 1786-1859.
Vers 107
“HEERE! maak mij levend.” Hoe maakt God ons levend? Door onze lijdende genaden weer op te laten leven, zoals onze hoop, ons geduld en ons geloof. Zo brengt Hij weer leven in ons. Door nieuwe vertroostingen in te storten gaan we dan weer blij verder in onze dienst. Hij doet het hart van Zijn verslagenen opleven, zegt de profeet (Jes. 57:15). Dat is hard nodig, want elders zegt de psalmdichter: “behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen” (Ps. 80:19). Wie niet getroost is en de moed verliest, heeft geen kracht meer om God aan te roepen.
Zolang de Heere ons niet weer opvrolijkt, is er geen leven in ons gebed. Vooral twee dingen gebruikt God om ons in lijden nieuw leven te geven: Hij laat ons Zijn liefde weer voelen en Hij laat onze hoop op heerlijkheid weer opleven. — Thomas Manton.
Vers 107
“Naar Uw woord.” Dat zinnetje herhaalt David telkens weer. Daaruit blijkt dat hij zich bewust was van een belofte die God had gedaan: Hij zou zijn hart levend maken wanneer het in de war was. Ook somt hij op hoe Gods Geest genadig in hem werkt, en hij zegt dat hij Zijn bevelen nooit zal vergeten, omdat God hem daardoor levend heeft gemaakt: Ps. 119:93. Doe dus zo: leg je dode hart neer aan de voeten van Christus en pleit op deze manier. Heere, mijn hart is dof en onrustig. Ik voel niet die ruimte en dat smelten die Uw heiligen hebben gevoeld.
Maar horen die niet bij de belangrijkste, wezenlijke barmhartigheden van het verbond? Belooft U niet een Geest die verlicht, overtuigt en vernedert? Hoort heiligheid van hart en leven daar niet nadrukkelijk bij? Belooft U in dat verbond niet om Uw wet in mijn hart te schrijven? Om mij één hart te geven? Om Uw vreze in mij te leggen, mijn verdorvenheid te bedwingen en mijn zwakte in het gebed te helpen? Heere, juist die barmhartigheid heeft mijn ziel nodig, en daar wacht ze op. Vul mijn ziel met die bezielende invloeden. Laat Uw genadewerk in mijn ziel weer opleven.
Trek mijn hart naar U toe. Laat mijn liefde voor U groeien. Herstel Uw beeld in mij. Wek genade tot levend werk. Is dat genadige woord niet bedoeld als zo’n barmhartigheid, als U zegt dat U niet alleen een nieuw hart zult geven, maar ook “een nieuwen geest geven in het binnenste van u” (Ezech. 36:26)? Daarmee maakt U mijn ziel levendig, actief en geestelijk in alles wat ik te doen heb. Lieve Heere, ben ik niet in het verbond met U? Zijn dit niet de barmhartigheden van dat verbond? Waarom, mijn God, is mijn hart dan zo hard geworden tegen de vreze voor U? Waarom laat U mij zo dood en verstrooid?
Denk aan Uw woord aan Uw knecht, waarop U mij hebt laten hopen en waarmee U mij hebt geholpen te pleiten. O, maak mijn doffe hart levend naar Uw woord. — Oliver Heywood.
Vers 107
“Naar Uw woord.” Als David om nieuw leven vraagt, krijgt hij daar moed voor uit een belofte. Maar welke belofte is dat? Sommigen denken aan de algemene belofte van de wet: “welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven” (Lev. 18:5). Volgens hen trok David daaruit de conclusie dat God Zijn volk leven zou geven. Maar waarschijnlijker was het een andere belofte, een woord van God dat hij had en waarmee hij zijn verzoek kon onderbouwen. De Heere heeft ons veel beloofd om ons lijden te heiligen. Als vrucht daarvan wordt de zonde weggenomen (Jes. 27:9).
Het lijden maakt ons beter en brengt ons verder (Hebr. 12:10). Het lijden wordt getemperd: Hij houdt Zijn harde wind tegen “in den dag des oostenwinds” (Jes. 27:8). En Hij legt ons niet meer op dan Hij ons laat dragen (1 Kor. 10:13). Hij heeft beloofd ons lijden te verzachten, zodat we niet boven ons vermogen verzocht worden. Hij heeft beloofd ons ervan te bevrijden: “de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen” (Ps. 125:3). En Hij heeft beloofd dat Hij er bij ons is en ons nooit in de steek laat (Hebr. 13:5).
Ik redeneer nu zo. Kon Gods volk zijn hart tot rust brengen bij Gods woord, terwijl het maar zulke vage aanwijzingen had dat wij niet eens weten waar de belofte staat, och, hoeveel te meer moeten onze harten dan rusten in God, nu we zoveel beloften hebben! De Schrift is uitgebreid om ons te troosten en ons geloof te laten groeien. Dan moeten we nu zeker zeggen wat Paulus zei toen hij een woord had gekregen: “ik geloof Gode” (Hand. 27:25). Ik mag verwachten dat God dit voor mij zal doen, want Zijn woord zegt het overal. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 107
- Een goed mens in zware nood.
- Een zeker geneesmiddel tegen de pijn van het lijden: “Maak mij levend.”
- Een veilige regel om in het lijden mee te bidden: “naar Uw woord.”
Vers 107
- De mensen die “gans zeer” verdrukt zijn.
(a) De wereld heeft ze: weduwen, wezen, enzovoort, enzovoort.
(b) De meesten komen een keer aan de beurt.
- Maar er is ook “gans zeer” veel genade.
(a) Gods woord belooft het nieuwe leven dat nodig is.
(b) God Zelf is veel groter dan al onze behoeften.
(c) Christus, Die “in alle dingen” is verzocht geweest, heeft alle hulp.
- Breng daarom “gans zeer” veel geloof mee, zoals de psalmdichter hier.
(a) Met scherpe ogen voor beloften.
(b) Met vuur om erop te pleiten.
(c) Met sterke verwachting. — W.B.H.
Uitleg
Vers 108
“Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.” De levenden loven de levende God. Daarom brengt wie levend is gemaakt zijn offer. Hij brengt gebed, lof, belijdenis en getuigenis. Hij bracht ze hardop, ten aanhoren van anderen, en zo vormden ze de schatting van zijn mond aan Jehova. Hij is bang dat ze zo gebrekkig worden uitgesproken dat de Heere ze afwijst. Daarom smeekt hij om aanvaarding. Hij pleit erop dat hij zijn mond met blijdschap en vanuit zichzelf als hulde heeft gebruikt.
Alles wat hij zei, was een vrijwillig offer. Een afgedwongen belijdenis is niets waard. God krijgt Zijn inkomsten niet uit gedwongen belasting, maar uit vrijwillige giften. Waar geen bereidheid is, kan er geen aanvaarding zijn. Waar geen vrucht van de vrije wil is, is er geen werk van vrije genade. Aanvaarding is een gunst die we met heel ons hart bij de Heere moeten zoeken. Zonder haar zijn onze offers erger dan nutteloos. Wat een wonder van genade dat de Heere iets wil aannemen van zulke onwaardige mensen als wij!
“En leer mij Uw rechten.” Geven we de Heere ons best, dan raken we juist des te meer bezorgd om het nog beter te doen. Nemen Zijn zegen en aanvaarding ons werkelijk in, dan willen we verder worden onderwezen om Hem nog meer te behagen. Na nieuw leven hebben we onderwijs nodig. Leven zonder licht, of ijver zonder kennis, is maar een halve zegen. Deze telkens terugkerende smeekbeden om onderwijs laten de nederigheid van de man van God zien. Ze tonen ook aan ons hoe hard wij datzelfde onderwijs nodig hebben. Ons oordeel moet worden opgevoed, tot het Gods rechten kent, ermee instemt en ernaar handelt. Die rechten zijn niet altijd zo helder dat je ze meteen ziet. We moeten erin worden onderwezen tot we hun wijsheid bewonderen en hun goedheid aanbidden zodra we ze opmerken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 108
De vrijwillige offeranden van de mond zijn misschien de offers die de mond had beloofd en toegezegd. Wie heeft daar zoveel recht op als de Heere? Van Hem is alles. — John Stephen.
Vers 108
“De vrijwillige offeranden mijns monds.” Dit vers wijst op een soort offers die niet te stuiten is door verdrukking of gebrek aan middelen. Er is ook geen uiterlijke tempel voor nodig. Een godvrezend mens kan ze brengen op woeste plaatsen en onder heidenen. En deze offers van de mond hecht God Zelf meer waarde dan wanneer alle kuddes van de hele aarde aan Hem waren geofferd, met alle schatten van goud, zilver en edelstenen. — Wolfgang Musculus.
Vers 108
“Vrijwillige offeranden.” Deze uitdrukking gebruikt de wet vaak (Lev. 22:18, Num. 29:39, 2 Kron. 31:14, Amos 4:5). Wat zijn die vrijwillige offeranden? Ze waren iets anders dan Gods vaste eredienst en iets anders dan de dienst die onder een gelofte viel. Naast de vaste vredeoffers waren er offers bij bepaalde gelegenheden. Daarmee getuigde men van Gods algemene goedheid, of dankte men voor een bijzondere weldaad. Je zult merken dat die offers uitdrukkelijk worden onderscheiden van de diensten waartoe men zich door een gelofte had verbonden (Lev. 7:16)… Ze leren ons twee dingen.
Ten eerste leren ze ons hoe gretig wij moeten zijn om elke gelegenheid voor dankbaarheid en geestelijke aanbidding aan te grijpen. Behalve de diensten uit een gelofte en de voorgeschreven offers hadden zij namelijk ook hun vrijwillige offeranden. Die brachten ze God uit dank voor een bijzondere zegen die ze hadden ontvangen, of voor redding uit gevaar.
Ten tweede laten ze zien met hoeveel vrije wil en blijdschap wij Gods dienst in het evangelie moeten verrichten. Ons hart moet er vrij voor zijn, en onze gevoelens moeten er scherp en gretig op zijn, bij alles wat we aan God aanbieden. In dit laatste opzicht moeten onze offers aan God, ons gebed en onze lof, vrijwillige offeranden zijn. Ze moeten niet uit ons komen als water uit een distilleerketel, dat door het vuur eruit wordt gedreven. Ze moeten uit ons opwellen als water uit een bron: vanzelf, gewillig en vrij. — Thomas Manton.
Vers 108
“Offeranden.” Het hele volk van God is tot priesters voor God gemaakt, want waar een offer is, hoort een priester. Zo staat er dat Christus Jezus ons “gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader” (Openb. 1:6). Alle christenen hebben deel aan Christus in al Zijn ambten. Wat Christus ook is, dat zijn zij zeker ook, in zekere mate en graad. — Thomas Manton.
Vers 108
“Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds.” Het is een grote genade dat de Heere iets van ons wil aannemen, als we deze drie dingen bedenken: ten eerste wie de Heere is, ten tweede wat wij zijn en ten derde wat wij Hem te geven hebben.
Om te beginnen de Heere: Hij is volledig genoeg in Zichzelf en heeft niets nodig van wat wij Hem kunnen geven. Onze goedheid komt niet bij de Heere. Dan wijzelf: wij zijn arme schepselen die leven van Zijn gulle hand. We bedelen bij alle andere schepselen: bij de zon en de maan, bij de lucht, het water en de aarde, bij vogels en vissen, ja, zelfs bij de wormen. De één geeft ons licht, de ander eten, weer een ander kleding. Zouden zulke bedelaars als wij dan geschikt zijn om iets aan een koning te geven?
En ten derde, als we er goed over nadenken: wat geven wij eigenlijk? Hebben wij iets te geven wat we niet van Hem hebben gekregen? Met David kunnen we zeggen: “Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand” (1 Kron. 29:14). Laat dit ons klein maken en ons ervan weerhouden te denken dat we iets bij God kunnen verdienen.
David kon op dat moment, in zijn grote nood, geen ander offer aan de Heere brengen. Daarom bracht hij Hem “de varren onzer lippen”. Maar ongetwijfeld bracht hij meer als hij kon.
Niets is zo klein of God neemt het aan, mits het uit een goed hart komt. Denk aan het penninkje van de weduwe, aan een beker koud water, en ja, ook aan de lof van onze lippen, hoewel er geen ander uiterlijk offer bij is. Maar zijn mensen in staat meer te doen en willen ze dat niet, dan is dat een bewijs dat hun hart niet oprecht naar Hem uitgaat en dat Hij hun lof niet graag hoort. — William Cowper.
Vers 108
“Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.” Hier leren we dat we om twee dingen moeten bidden als het gaat om onze godsdienstige plichten.
- Dat ze worden aanvaard. Daar moeten we bij alles wat we in ons geloof doen naar streven: dat we, hetzij aanwezig hetzij afwezig, de Heere behagen. David bidt hier vurig dat Hij “de vrijwillige offeranden” aanvaardt. Dat zijn geen offers van zijn geld, maar van zijn “mond”: zijn gebeden en lofprijzingen. “De varren onzer lippen” (Hos. 14:3), “de vrucht der lippen” (Hebr. 13:15). Dat zijn de geestelijke offers die alle christenen, als geestelijke priesters, aan God moeten brengen. Ze moeten “vrijwillig” zijn, want we moeten ze met overvloed en blijdschap brengen, en juist die bereidwillige gezindheid wordt aanvaard. Hoe vrijer en bereidwilliger de dienst aan God is, hoe aangenamer ze Hem is.
- Hulp daarbij: “Leer mij Uw rechten.” Wat wij God ook brengen, we kunnen er alleen vanuit gaan dat Hij het aanneemt als Hij ons zelf leert hoe we het moeten doen. En we moeten net zo vurig bidden om Gods genade in ons als om Gods gunst jegens ons. — Matthew Henry.
Vers 108
“Leer mij Uw rechten.” Het is alsof de man van God zegt: hier zal ik mij op toeleggen, dat ik zie hoe U de goddelozen straft en Uw kinderen leidt. We moeten dus leren dat we niet alleen de wet en het evangelie moeten verstaan, maar ook Gods oordelen moeten onderscheiden. We leren het ene immers niet zonder Gods barmhartigheid op te merken, en we bereiken het andere niet zonder Zijn wraak op te merken. Door het bijzondere onderricht van Gods Geest moeten we steeds zien hoe de Heere straft in rechtvaardigheid en toch in barmhartigheid, in toorn en toch in liefde.
Met ernst en afkeer van onze zonde buigt Hij ons met de ene hand, en met medelijden en ontferming, om ons te redden, troost Hij ons met de andere. Zo zien we hoe de profeet bidt om ze te zien en ze op te merken. We moeten dat vaak leren, omdat we zoveel dromen over een onvermijdelijk noodlot en over het verband tussen natuurlijke oorzaken. Of omdat we het kruis van de vromen en dat van de goddelozen niet uit elkaar kunnen houden. Daarom is het een bijzondere gave van God om te onderscheiden hoe de Heere met dezelfde middelen de goeden klein maakt en de goddelozen omver werpt. — Richard Greenham.
Wenken voor predikers
Vers 108
Bedenk —
- De leerzame naam die aan gebed en lof wordt gegeven: “De vrijwillige offeranden mijns monds.”
(a) Hij laat zien dat de gelovige een priester is: “offeranden.”
(b) Hij laat zien wat bijzonder is aan zijn dienst: “vrijwillig.”
(c) Hij houdt een volledige toewijding in.
- De nederigheid die uit het gebed spreekt: “Laat U toch … welgevallen.”
(a) Hier hoor je geen farizeïsch gepraal.
(b) Zelfs het vrijwillige offer heeft volgens hem een smeekbede nodig.
- Het sterke verlangen naar meer onderricht, om God nog volmaakter te kunnen gehoorzamen: “en leer mij Uw rechten.” — J.P.
Vers 108
Een vrije wil die op zoek is naar vrije genade. — W.D.
Vers 108
Werk voor “vrijwilligers”.
- Offers van gebed: voor elke zegen van de zaligheid.
- Offers van afwijzing: je wijst elke aanspraak af op iets goeds dat zonder hulp van boven zou komen.
- Offers van lof: voor soevereine genade. — W.B.H.
Uitleg
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.” Hij leefde midden in het gevaar. Voortdurend moest hij vechten om in leven te blijven: zich verstoppen in grotten of strijden in veldslagen. Zo’n situatie is zwaar en kost veel. Mensen denken dan al snel dat elk middel geoorloofd is waarmee ze eraan kunnen ontsnappen. David zocht zijn veiligheid echter niet in de zonde. Hij zegt immers: “nochtans vergeet ik Uw wet niet.” Er wordt wel gezegd dat in de liefde en in de oorlog alles geoorloofd is. De heilige man dacht daar anders over.
Terwijl hij zijn leven in zijn hand droeg, droeg hij Gods wet in zijn hart. Geen gevaar voor ons lichaam mag ons ertoe brengen onze ziel in gevaar te brengen door te vergeten wat goed is. Nood laat veel mensen hun plicht vergeten. Zo zou het ook de psalmdichter zijn vergaan, als hij niet nieuw leven (Ps. 119:107) en onderwijs (Ps. 119:108) had ontvangen. Hij was veilig doordat hij Gods wet in gedachten hield. Hij wist zeker dat God hem niet zou vergeten, want hij vergat God niet. Het is een bijzonder bewijs van genade als niets de waarheid uit onze gedachten of de heiligheid uit ons leven kan verdrijven.
Denken we aan de wet, ook als de dood ons recht in het gezicht kijkt, dan mogen we er zeker van zijn dat de Heere aan ons denkt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand.” Hij hield zijn ziel in zijn hand, klaar om haar uit te delen zodra God haar zou vragen. Merk op: geen nood is zo gretig om het leven van Gods kinderen te nemen als zij zelf bereid zijn het te geven. Elia kwam naar de mond van zijn grot om de Heere te ontmoeten. Abraham stond in de deur van zijn tent om met de engel te praten. Zo staat ook de ziel van een godvrezende klaar in de deur van het tentje dat dit lichaam is, om te vertrekken zodra de Heere het gebiedt.
De ziel van een goddeloze blijft juist achter en kruipt weg, zoals Adam tussen de struiken. Met geweld wordt ze uit het lichaam gehaald, zoals bij die wereldse man: “in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen.” Maar zulke mensen offeren hun ziel nooit gewillig aan de Heere. — William Cowper.
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand.” Stel: iemand houdt een breekbaar vat in zijn hand, van glas of iets dergelijks, gevuld met kostbare drank. Is zijn hand zwak, of dreigt er om andere redenen gevaar, dan kan hij nauwelijks voorkomen dat het vat breekt en de drank wegstroomt. Zo is het met mijn leven. Verschillende vijanden belagen mij, en ik draag mijn leven bij wijze van spreken in mijn hand. Het is daardoor zo ernstig in gevaar dat ik de dood steeds voor ogen zie en mijn leven aan een haartje hangt. — Andreas Rivetus, 1572-1651.
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand.” De gelovige zit voortdurend tussen de kaken van de dood. Hij leeft met gespreide vleugels, klaar om weg te vliegen. Paulus getuigde: “Ik sterf alle dagen.” Zelfs bij de zwaarste vervolging wilde hij vooral weten wat God van hem verlangde. — Henry Law.
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand.” Mijn leven is mij zo weinig waard als een kind zijn vogeltje is, dat het draagt op zijn opengevouwen handpalm. — John Trapp.
Vers 109
“Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand”, enzovoort. Waarom zegt David: “Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand”? Had hij haar uit Gods hand teruggenomen en de zorg voor haar zelf overgenomen? Allesbehalve. Hij bedoelt alleen dit: voortdurend loop ik te midden van gevaren, tussen duizend vormen van dood. Vaak sta ik oog in oog met de dood, elke dag staat mijn leven op het spel, en toch vergeet ik Uw wet niet. Ik houd mij dicht bij U en ik blijf dat doen, wat er ook van komt. Bij deze plaats bekent Augustinus openhartig dat hij niet begreep wat David bedoelde met zijn ziel in zijn handen. Maar Hiëronymus, een andere kerkvader, leert ons dat het een hebraïsme is voor een toestand van het uiterste gevaar. Ook de Grieken kenden er een spreekwoord van met dezelfde betekenis.
Maar waarom wijst het in je hand houden of leggen van je leven op het gevaar waarin je dat leven brengt? Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste: wat je openlijk in je hand draagt, valt gemakkelijk uit je hand, en wat je zichtbaar draagt, kan gemakkelijk uit je hand worden gegrist of gerukt. Zit je in Gods hand, dan ben je veilig, want Zijn hand is gewapend met een onweerstaanbare macht om ons te beschermen. Maar draagt een mens iets in zijn eigen hand, dan draagt hij het in gevaar, want zijn hand is zwak en er zijn veiligere manieren om iets te dragen en te vervoeren dan open in je hand.
Moet iemand een lange reis te paard maken met een schat bij zich, dan houdt hij die niet in zijn hand, maar bergt hij haar op een geheime, gesloten plek, waar ze verborgen is en dus veiliger. De Chaldeeuwse vertaler wil de sierlijkheid van deze psalmplaats weergeven en zegt: “Mijn leven is in even groot gevaar alsof het op het vlakke oppervlak, de buitenkant van mijn hand stond.” Het is dan alsof hij er geen houvast aan heeft, en het alleen op zijn hand staat. Wat op de handpalm staat en niet wordt vastgegrepen, loopt namelijk meer gevaar. Wat veilig wordt bewaard, ligt verborgen of wordt stevig vastgehouden.
Ten tweede is er nog een andere reden voor deze uitdrukking: als iemand iets wil overhandigen of afstaan, neemt hij het in zijn hand. Wie zich voor God en Zijn volk in grote gevaren begeven, geven hun leven en hun hele bezit aan God over. Daarom geeft de apostel deze raad (1 Petr. 4:19): “Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.” Zo wordt ook hier van het leven van mensen in gevaar gezegd dat ze het in hun hand hebben gelegd.
Zulke mensen staan als het ware klaar om hun leven aan God over te geven en toe te vertrouwen. Zo kan Hij voor hun leven zorgen en het voor het gevaar behoeden, of het bij Zich opnemen als ze het in Zijn dienst verliezen. — Joseph Caryl.
Wenken voor predikers
Vers 109
Het leven van de ziel in gevaar. Het leven van de ziel veilig.
Verzen 109, 110
Hier zien we:
- David die gevaar loopt zijn leven te verliezen. Er is maar één stap tussen hem en de dood, want “de goddelozen hebben mij een strik gelegd.” Waar hij ook kwam, steeds ontdekte hij weer een plan dat tegen hem was bedacht. Daarom zei hij: “Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand.” Dat gold niet alleen voor hem als mens (van ons allemaal geldt dat de slagen van de dood ons kunnen treffen), maar voor hem als krijgsman, en vooral als “een man naar Mijn hart.”
- David die door dit gevaar niet in gevaar komt zijn godsvrucht te verliezen. Want:
(a) Hij “vergeet Uw wet niet” en zal daarom waarschijnlijk volhouden.
(b) Hij is nog niet van Gods bevelen afgedwaald, en daarom is te hopen dat hij dat ook niet zal doen. — M. Henry.
Uitleg
Vers 110
“De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.” Het geestelijk leven is een toneel van voortdurend gevaar. De gelovige leeft met zijn leven in zijn hand, en intussen lijkt iedereen samen te spannen om het hem af te nemen, met list als dat met geweld niet lukt. We zullen merken dat het niet gemakkelijk is om het leven van de gelovigen te leven. Boze geesten en boze mensen laten niets onbeproefd om ons ten val te brengen. Mislukken alle andere plannen en slagen zelfs verborgen kuilen niet, dan blijven de goddelozen hun verraderlijke pogingen toch voortzetten.
Ze worden nog sluwer en spannen strikken voor het slachtoffer van hun haat. Kleinere soorten wild worden meestal zo gevangen: met een klem, een val, een net of een lus. Het kan goddeloze mensen niets schelen hoe ze de goede mens kunnen vernietigen. Ze denken niet méér aan hem dan aan een konijn of een rat. List en verraad gaan altijd samen met kwaadwilligheid. Een edelmoedig of ridderlijk gevoel kent niemand die zonder genade leeft. Zulke mensen behandelen de vromen alsof het ongedierte is dat je moet uitroeien. Weet iemand dat hij zo wordt aangevallen, dan wordt hij maar al te makkelijk bang.
Hij grijpt dan naar een overhaast middel om te ontsnappen, en dat gaat niet zonder zonde. Maar David bleef rustig zijn weg gaan en kon schrijven: “nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.” Hij werd niet verstrikt, want hij hield zijn ogen open en bleef dicht bij zijn God. Hij werd niet in de val gelokt en beroofd, want hij liep op de koninklijke weg van heiligheid, waar God elke reiziger veilig laat gaan. Hij week niet af van wat goed was en liet zich er ook niet van afhouden om het te volgen, omdat hij de Heere om leiding vroeg en die kreeg.
Dwalen we af van Gods bevelen, dan nemen we afscheid van Zijn beloften. Raken we weg uit Gods tegenwoordigheid, dan dwalen we de wildernis in, waar de vogelaars hun netten vrij kunnen uitspreiden. Uit dit vers moeten we leren op onze hoede te zijn, want ook wij hebben sluwe en goddeloze vijanden. Jagers zetten hun vallen op de gewone paden van de dieren, en onze ergste strikken worden op onze eigen wegen gelegd. Houden we ons aan de wegen van de Heere, dan ontlopen we de strikken van onze tegenstanders, want Zijn wegen zijn veilig en vrij van verraad.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 110
“De goddelozen.” Hij noemt hen goddeloze mensen, en dat betekent drie dingen. Ten eerste: ze doen wat slecht is. Ten tweede: ze houden ervan. Ten derde: ze blijven het doen. — William Cowper.
Vers 110
“Een strik.” Er waren verschillende manieren om wilde dieren te vangen: leeuwen, beren, jakhalzen, vossen, herten, reeën en damherten. Eén ervan was de val (paech), en dat woord staat ook hier. Zo’n val werd in de grond verstopt (Job 18:10), op de vaste route van het dier (Spr. 22:5), en hij sloot zich om de poot van het dier (Job 18:9). — William Latham Bevan, in Smith’s Dictionary of the Bible, 1863.
Vers 110
“De goddelozen hebben mij een strik gelegd.” Als we eten, houdt hij ons gulzigheid voor. In de liefde jaagt hij ons naar wellust, in het werk naar luiheid, in een gesprek naar afgunst, in het besturen naar hebzucht, in het straffen naar woede, in eer naar hoogmoed. In het hart zet hij boze gedachten, in de mond boze woorden, in ons doen boze daden. Zijn we wakker, dan zet hij ons aan tot slechte handelingen, en slapen we, dan stuurt hij ons smerige dromen. — Girolamo Savonarola, 1452-1498.
Vers 110
“Een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald”, enzovoort. Dat het aas wordt uitgelegd, doet de vis geen kwaad, zolang hij maar niet toehapt. — Thomas Watson.
Wenken voor predikers
Vers 110
Allerlei soorten strikken, en de ene weg om ze te ontlopen.
Vers 110
Sta hierbij stil:
- Een paar van de strikken die zondaars voor gelovigen leggen.
(a) Strikken van de leer, gelegd door slimme zondaars.
(b) Valse beschuldigingen, afkomstig van kwaadwillige zondaars.
(c) Valse complimenten van bedrieglijke zondaars.
(d) Valse mildheid, tegenwoordig bij heel veel zondaars te vinden.
- De betrouwbare bescherming voor het behoud van een gelovige: “nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen”. Wie God gehoorzaamt, staat veilig. Want:
(a) Dan ruik je onraad in de strikken en blijf je op je hoede.
(b) Je voeten kunnen er niet in verstrikt raken.
(c) God houdt vast wie Zijn woord vasthoudt. — J.F.
Uitleg
Vers 111
“Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve.” Hij koos ze als zijn lot, zijn deel, zijn eigen land. En er is meer: hij pakte ze vast en maakte ze daadwerkelijk tot zijn bezit, want hij nam ze in eigendom en genoot ervan. Davids keus is ook de onze. Als het aan ons lag, wilden we Gods geboden volmaakt houden. De leer kennen, de belofte genieten, het gebod in praktijk brengen: laat dát maar mijn koninkrijk zijn, groot genoeg voor mij. Dit is een erfdeel dat niet verflenst en dat niemand ons kan afnemen.
Het geldt voor eeuwig en het blijft voor eeuwig van ons, als we het tenminste zo hebben aangenomen. Soms moeten we ons erfdeel met hard vechten veroveren, net als Israël toen het voor het eerst Kanaän binnentrok. Dan is het elke inspanning en elk lijden meer dan waard. Maar altijd moeten we het aannemen met een vaste keus van het hart en een stevige greep van de wil. Wat God geeft, moeten wij nemen.
“Want zij zijn mijns harten vrolijkheid.” De blijdschap die Gods woord hem had geschonken, bracht hem tot een keus waar hij nooit meer op terug zou komen. Alle delen van de Schrift hadden David goed gedaan en deden dat nog steeds. Daarom bleef hij eraan vasthouden en was hij van plan dat eeuwig te blijven doen. Wat het hart blij maakt, wordt vanzelf gekozen en gekoesterd. Niet de kennis in ons hoofd maar de ervaring in ons hart geeft ons die vreugde.
Dit vers is het zevende van zijn groepje van acht. Hier komen we dus op dezelfde zoetheid uit als in het vorige zevende vers (Ps. 119:103). Ook in meerdere van de andere zevende verzen om ons heen is vreugde duidelijk te merken. Wat een zegen is het als onze ervaring uitgroeit tot vreugde! Ze gaat dan door verdriet, gebed, strijd, hoop, besluit en heilige tevredenheid heen en klimt op naar jubel. Vreugde zet de geest vast. Zodra iemands hart zich verheugt in Gods woord, krijgt hij het zeer hoog op en blijft hij er voor altijd mee verbonden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 111
“Ik heb Uw getuigenissen genomen”, enzovoort. De Schrift heet “getuigenissen” als je let op God Zelf. Zij getuigt immers van Hem en maakt Hem aan ons bekend. Ze legt getuigenis af van alle eigenschappen die Hij Zelf is: Zijn wijsheid, Zijn macht, Zijn gerechtigheid, Zijn goedheid en Zijn waarheid. Al die verklaringen vinden we terug in de verschillende bijbelboeken. Er is geen enkel boek zonder een getuigenis van deze eigenschappen. In Genesis lezen we hoe machtig Hij is, want Hij schiep de wereld. We lezen er ook hoe rechtvaardig Hij is, want Hij liet de wereld verdrinken, en hoe goed Hij is, want Hij redde Noach.
In Exodus lezen we hoe Hij alles bestuurt: Hij leidde het volk Israël door de Rode Zee en bracht het uit Egypte. Daar zien we ook Zijn wijsheid, want Hij gaf het Zijn wet. Wat zal ik nog meer noemen? In het Nieuwe Testament, in het Evangelie, is alles getuigenis. Zoals het Oude Testament van God getuigde, zo getuigt het Nieuwe van Christus: “Dezen geven getuigenis al de profeten”. Dat geldt dus niet alleen voor het Oude Testament maar ook voor het Nieuwe: “Die zijn het, die van Mij getuigen.” Overal wordt over Christus getuigd.
We lezen over Zijn nederigheid, omdat Hij onze menselijke natuur aannam. We lezen over Zijn macht, omdat Hij wonderen deed, en over Zijn wijsheid in de gelijkenissen die Hij vertelde. En we lezen over Zijn geduld en liefde in de martelingen die Hij voor ons onderging. Wet en Evangelie, het hele boek van de Schrift en ieder deel ervan, heten om deze redenen terecht “de getuigenis des HEEREN”. De heilige psalmist koos deze naam toen hij over de eer en heerlijkheid ervan wilde spreken. Hij haalde uit juist deze naam namelijk veel troost, omdat de Schrift voor hem het getuigenis was van Gods waarheid, goedheid, wijsheid en macht.
Daarom acht hij haar zo kostbaar dat hij haar zijn “erve” noemt. — Richard Holdsworth (1590-1649), in “The Valley of Vision.”
Vers 111
“Uw getuigenissen.” Met “getuigenissen” bedoelt de psalmist het verbond tussen God en Zijn volk. Daarin bindt Hij Zich aan hen en hen aan Zich. Sommigen denken dat de Schrift hier met veel verschillende namen wordt geprezen. Maar we moeten letten op wat elk woord op zich betekent. Net als eerder bij “rechten” gaat het ook bij het woord “getuigenissen” om het verbond. Het gaat dus niet om de geboden. Die kunnen geen erfenis zijn, want ze kunnen ons niet troosten. We kunnen ze immers niet nakomen en schieten erin tekort, en daarom vinden we er geen troost in.
Het is het evangelie dat vrede en troost brengt. “De wet” betekent in algemene zin het hele woord, en in het bijzonder de geboden. Op dezelfde manier betekent “het woord” in het algemeen zowel wet als evangelie, en in het bijzonder de beloften, zoals in Rom. 10. Zo worden ook de “getuigenissen”, als ze tegenover de wet staan, de beloften van het verbond genoemd, zoals in Jes. 8. En dit getuigenis wordt ons bevestigd door de sacramenten, zoals het voor Israël bevestigd werd door de offers. — Richard Greenham.
Vers 111
“Tot een eeuwige erve.” Waarom noemt de psalmist Gods getuigenissen een erfenis? Waarom brengt hij ze onder dit beeld? Dat is misschien niet meteen duidelijk. Het woord van God wijst de erfenis immers aan, maar is zelf niet de erfenis. Toch is er een goede reden voor deze uitdrukking, al was het alleen dit. Denk aan de onschatbare troost en de hemelse schat die in het woord van God te vinden zijn! Het is een rijke mijn vol hemelse schatten, een voorraadkamer vol goede dingen, vol kennis die redt. Alle voorrechten die we op aarde of in de hemel kunnen verwachten, zitten in het woord van God. Dat is reden genoeg om het een erfenis te noemen. Wie dit alles bezit, heeft een goed erfdeel.
Toch is er een betere reden. Als de hemel onze erfenis is, dan is Gods woord dat ook, want het wijst de hemel aan en geeft ons de zekerheid van de hemel. In Gods woord hebben we alle bewijsstukken voor de hemel. Welk recht op de hemel een heilige ook heeft, hij heeft het in en uit het woord van God. Daar staan de bewijsstukken. Het is een bewijs dat de weg wijst, want het is de heilige kadasterkaart van het hemelse Kanaän. Het is ook een bewijs dat zekerheid geeft, want het is als een heilige schuldbrief of akte tussen God en Zijn schepsel.
Sint Gregorius noemde het geestig Gods brief, die Hij de mens stuurde om hem Zijn wil en welbehagen te laten weten. Hij had het evengoed Gods schenkingsakte kunnen noemen, waarmee Hij ons alle hoop overdraagt die we voor de hemel koesteren. Wat we ook van God hebben, van Christus, wat we ook mogen hopen aan zaligheid en heerlijkheid, aan vertroosting door de Geest, aan genade, het wordt ons allemaal overgedragen in de beloften van het evangelie, in het woord van God.
Leg dit nu naast elkaar. In het gewone leven zijn bewijsstukken niet zelf de erfenis. Toch noemen we ze erfenis en zijn ze het ook. Niet in feite, maar wel in aanleg, want al ons recht op een erfenis ligt vast in de aktes en bewijsstukken. Daarom zijn bewijsstukken kostbaar. Het mag een vodje papier of perkament zijn, vol stof en door de wormen aangevreten, soms is het evenveel waard als een heel graafschap, evenveel als alle andere bezittingen van een mens bij elkaar. Zo is het ook met de Schriften. Zij zijn niet in feite en eigenlijk de erfenis zelf, maar wel de weg naar het koninkrijk.
Het heet het evangelie van het koninkrijk, ja meer nog: het koninkrijk zelf. “Zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen”, of “nabij u gekomen”. Waarom het koninkrijk? Waarom de erfenis? Om dezelfde reden bij beide: hier ligt de akte van overdracht, hier het eigendomsbewijs, hier de zekerheid voor elk recht en elke aanspraak die we op de hemel maken. — Richard Holdsworth.
Vers 111
“Want zij zijn mijns harten vrolijkheid.” Hij zegt niet dat Gods getuigenissen vreugde geven. Hij zegt dat zij vreugde zíjn. Er bestaat geen andere vreugde dan de blijdschap in de wet van de Heere. Over alle andere vreugde zei de wijze koning, tot het lachen: “Gij zijt onzinnig”, en tot de vreugde: “Wat maakt deze?” Pred. 2. Ware vreugde is het onderpand dat we van de hemel hebben. Ze is de schat van de ziel en hoort daarom op een veilige plek bewaard te worden. Niets in deze wereld is een veilige plek. Daarom zeggen we met de bruid: “Wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn.” Laat anderen hun vreugde maar zoeken in wijn, in gezelschap, in gesprekken, in muziek. Maar mij, Heere, hebt U blijdschap in het hart gegeven, meer dan toen hun koren en hun most zich vermenigvuldigden.
Dit zijn zeker kostbare vruchten van de aarde, maar ze zijn geen zegel van Gods bijzondere gunst. Je kunt ze allemaal hebben en toch een lege, dorre en kafachtige ziel. Daarom zijn dit niet de vreugden van de heiligen. Zij moeten God hebben, anders sterven ze van verdriet. Zijn wet is hun leven. — Abraham Wright.
Wenken voor predikers
Vers 111
- Bezit.
- Er bezit van nemen.
- Het in de familie houden.
- Er plezier van hebben.
Vers 111
Let op:
- Hoe rijk de psalmist vastbesloten was te worden: “Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve.” Rijk:
(a) Aan kennis.
(b) Aan heiligheid.
(c) Aan troost.
(d) Aan gezelschap, want Gods nabijheid hoort bij Zijn woord.
(e) Aan hoop.
- Hoe hij zich aan zijn rijkdom vastklampte: “Een eeuwige.”
(a) Hij deed er niemand kwaad mee. Hij kon zijn deel royaal weggeven en er toch niets van verspillen.
(b) Hij had gelijk, want hij had de enige rijkdom die eeuwig te bezitten is.
(c) Hij was wijs.
- Hoe hij blij was met zijn rijkdom: “Zij zijn mijns harten vrolijkheid.”
(a) Hier is een diepe vreugde van binnen, en die hoort niet altijd bij het bezit van rijkdom.
(b) Het is zuivere vreugde zonder bijsmaak. Bij andere rijkdom is dat nooit zo.
(c) Het is veilige vreugde. Andere vreugde is gevaarlijk.
(d) Het is vreugde die je nooit kwijtraakt. — J.F.
Uitleg
Vers 112
“Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.” Hij was niet half geneigd tot het goede, maar met heel zijn hart. Zijn hele hart stond gericht op een godzaligheid die je in daden ziet en die volhoudt. Hij was vastbesloten Gods inzettingen te houden met alles wat hij had, zijn leven lang, zonder af te dwalen en zonder te stoppen. Zijn doel was de wet te houden tot het einde, en dan nog zonder einde. Door gebed, overdenking en vaste wil had hij zijn hele wezen laten overhellen naar Gods geboden.
Of, anders gezegd: Gods genade had hem ertoe gebracht zijn hart zelf in een heilige richting te buigen. Velen hebben zin om te preken, maar de psalmist had zin om te doen wat hij hoorde. Velen voelen zich getrokken tot plechtige ceremonies, maar hij werd getrokken tot Gods inzettingen. Velen willen soms wel gehoorzaam zijn, maar David wilde altijd gehoorzamen. En helaas kiezen velen voor een godsdienst voor even, terwijl deze godvrezende man op weg was naar de eeuwigheid. De inzettingen van zijn Heere en Koning wilde hij doen tot het einde. Heere, geef ons zo’n hemelse neiging van het hart.
Dan laten we zien dat U ons levend hebt gemaakt en onderwezen. Schep daarvoor in ons een rein hart en vernieuw elke dag een juiste geest diep in ons. Alleen zo zullen we de goede kant op buigen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 112
“Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen”, enzovoort. Eerst sprak hij in het vorige vers over zijn geloof en over de blijdschap die daaruit groeide. Nu zegt hij dat hij in die vreugde de geboden zál bewaren. Dat bewijst dat zijn vreugde echt was, want ze maakte hem bezorgd om het goede te doen. Geloven we de beloften werkelijk? Dan houden we ook van de geboden. Zonder dat is geloven zinloos. Wie zich erom bekommert godvrezend te leven, voedt daarmee zijn geloof in Gods beloften. Hier ligt dus de oorzaak waarom velen niets geven om het woord en de sacramenten.
Of ze geven er een beetje om, maar zonder resultaat, omdat ze zich niet inspannen om de geboden te houden. Als ze dat niet willen, kan Gods woord hun niet tot zegen zijn en zijn de sacramenten voor hen niet heilig. — Richard Greenham.
Vers 112
“Ik heb mijn hart geneigd, om … te doen”, enzovoort. Let goed op. In Ps. 119:36 bad hij tot God: “Neig mijn hart tot Uw getuigenissen.” En hier spreekt hij over zichzelf: “Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.” Waarom moest hij dan van God vragen wat hij elders zelf gedaan zegt te hebben? Mijn antwoord is: deze twee staan niet tegenover elkaar. God neigt, en de godvrezende mens neigt. De mens neigt door zijn best te doen, God neigt door het te werken. Wat de mens probeert, en wat hij met zijn inspanning aan goeds bereikt, komt niet uit de mens zelf. Het komt van God, “Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen”, Filipp. 2:13. — Wolfgang Musculus.
Vers 112
Een zondig hart loopt uit zichzelf alle kanten op: naar aardse dingen, naar slechte dingen, of naar dingen die er niet toe doen en niet passen. Naar waar het zijn aandacht op moet richten gaat het niet vanzelf, en daar blijft het ook niet. Daarom moet je het als met harde hand pakken en op geestelijke dingen zetten, op het mijmeren en nadenken over hemelse zaken. Een vleselijk hart is als een magneet. Het plakt alleen aan staal of ijzer, en die twee zoeken elkaar moeiteloos. Maar het hart moet een andere aard hebben en op een hogere manier werken.
Een goed hart denkt wel eens te veel aan het aardse en gaat vaak de verkeerde kant op. Toch richt het zijn denken op de juiste dingen en laat het zichzelf en die dingen elkaar ontmoeten en één worden. David vertelt ons hoe hij dat deed. Hij neigde zijn hart naar Gods geboden, zowel om ze te houden als om erover na te denken. Hij greep zijn hart en boog het, want het helde te veel naar andere dingen over. Hij zette zijn gedachten aan het werk om erover te peinzen. Hij merkte dat zijn hart en Gods wet te ver uit elkaar lagen, en dat zou zo blijven als hij ze niet bij elkaar bracht en tot één maakte.
Had hij zijn hart niet naar het woord gebracht, dan had hij er nooit over nagedacht. Het onderwerp kan zich niet zelf naar ons verstand schikken. Ons verstand moet zichzelf naar het onderwerp brengen. Heilige plichten komen niet naar ons toe. Wij moeten naar hen toe. — Nathanael Ranew, in “Solitude Improved by Divine Meditation”, 1670.
Vers 112
“Ik heb mijn hart geneigd, om … te doen”, enzovoort. In dit werk was hij vastbesloten vol te houden.
- “Ik heb mijn hart geneigd.” Het overleg van de ziel lijkt op een weegschaal. Het verstand heeft het gezag over onze gevoelens en laat de schaal doorslaan naar wat het het beste vindt.
- Hij neigde zijn hart zo om het ook echt te doen.
- En niet voor even of bij een bepaalde gelegenheid, maar altijd en tot het einde. Dan is het einde van het leven het begin van de heerlijkheid. — Adam Clarke.
Vers 112
“Ik heb mijn hart geneigd.” De profeet wil in het kort zeggen wat het betekent God te dienen. Daarom verzekert hij dat hij niet alleen zijn handen, ogen of voeten inzette om de wet te houden. Hij begon bij de neiging van zijn hart. — Johannes Calvijn.
Vers 112
“Ten einde toe.” Ons leven op aarde is een hardloopwedstrijd. Het helpt niemand om vlot te beginnen als hij moe wordt en afhaakt vóór de finish. Volgens Gregorius werd dit al aangeduid doordat in de wet de staart van het offerdier samen met de rest werd geofferd. Volharden zet overal de kroon op. Het is goed dat we zijn begonnen met goed doen. Laten we ons ook inspannen om vol te houden tot het einde. — William Cowper.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Verzen 112, 113
Toen David in zijn hart de neiging kreeg om Gods inzettingen te doen, was het directe gevolg dat hij de “kwade ranken” haatte, de ijdele gedachten. We lezen: “Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen.” En daarna volgt: “Ik haat de kwade ranken.” De ijdelheid van zijn hart drukte hem als een last. Een nieuw schepsel past even goed op voor het kwaad in zijn hoofd of hart als voor het kwaad in zijn leven. Een godvrezend mens wil voor Gods ogen zuiverder zijn dan voor mensenogen. Hij weet dat niemand behalve God kan zien hoe zijn hart ronddwaalt en wat er door zijn hoofd gaat. Maar hij waakt er even streng over dat zonden niet in hem opkomen, als dat ze er niet uit losbarsten. — Stephen Charnock.
Wenken voor predikers
Vers 112
Hartsneigingen. Persoonlijk, aandrang, neiging, uitvoering, standvastigheid, eeuwigdurend.
Vers 112
De gehoorzaamheid van de godvrezende mens.
- Haar echtheid:
(a) “Te doen”: niet alleen woorden of gevoelens, maar daden.
(b) “Uw inzettingen”: geen mensenbedenksels, geen eigen ideeën en geen algemeen aanvaarde stelregels.
- Haar hartelijkheid: “Ik heb mijn hart geneigd.”
(a) Een neiging van het hart is nodig om een God te behagen Die de harten doorgrondt.
(b) Ze maakt gehoorzaamheid ook gemakkelijk en zelfs prettig.
(c) “Ik heb”, zegt hij. Was het dus zijn eigen werk? Ja. Was het alleen zijn werk? Nee. Zie Ps. 119:36.
(d) De bewijzen. (1) Alles omvattend: “inzettingen”, ze allemaal. (2) Gelijkmatig: “eeuwiglijk.”
- Haar standvastigheid: “ten einde toe.”
(a) Een mens moet wel voorzichtig zijn met plannen voor de toekomst. Toch is dit voornemen voor het hele leven juist, wijs en veilig.
(b) En als heilige gloed het hart vervult, kan hij zich ook niet minder voornemen.
(c) Het is niet meer dan wat God en een consequente levenshouding vragen. — J.F.
Uitleg
Vers 113
“Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.” In dit gedeelte gaat het over gedachten, dingen en mensen die lijnrecht ingaan tegen Gods heilige gedachten en wegen. De psalmist heeft duidelijk grote angst voor de machten van de duisternis en hun bondgenoten. Zijn hele ziel komt in beweging om hun met vastberaden verzet tegemoet te treden. Het vorige achttal begon in Ps. 119:97 met “Hoe lief heb ik Uw wet!” Zo begint hij hier met te zeggen dat hij haat wat de wet overtreedt. Het tegendeel van Gods vaste en onfeilbare wet is de wankele, steeds wisselende mening van mensen.
David had daar een diepe minachting en afschuw van. Al zijn eerbied en respect ging uit naar het zekere woord van het getuigenis. Zijn haat tegen wat mensen bedenken was precies zo groot als zijn liefde voor de wet. Mensengedachten zijn ijdelheid, maar Gods gedachten zijn waarheid. Tegenwoordig horen we veel over “mensen van gedachten”, “denkende predikers” en “modern denken”. Wat is dat anders dan de oude trots van het mensenhart? De ijdele mens wil wijs zijn. De psalmist roemde niet in zijn eigen gedachten. En wat in zijn dagen “denken” heette, verafschuwde hij. Ook als de mens op zijn best denkt, liggen zijn hoogste gedachten even ver onder Gods openbaring als de aarde onder de hemel.
Sommige van onze gedachten zijn bijzonder ijdel omdat ze draaien om ijdele eer, trots, eigenwaan en zelfvertrouwen. Andere zijn ijdel omdat ze teleurstelling brengen, zoals dwaze eerzucht, zondige dagdromen en vertrouwen op mensen. Weer andere zijn ijdel omdat ze leeg en oppervlakkig zijn, zoals de nutteloze gedachten en het lege gefantaseer waar zo velen zich aan overgeven. En tot slot zijn veel te veel van onze gedachten ijdel omdat ze zondig, slecht en dwaas zijn. De psalmist is niet onverschillig voor slechte gedachten, zoals onbezorgde mensen dat wel zijn. Hij kijkt ernaar met een haat die even echt is als de liefde waarmee hij zich vastklampte aan Gods zuivere gedachten.
Het vorige achttal was praktisch, dit is bedachtzaam. Daar lette de man van God op zijn voeten, hier op zijn hart. De bewegingen van onze ziel zijn net zo belangrijk als de daden van ons leven, want ze zijn de bron waaruit die daden opwellen. Wanneer we de wet liefhebben, wordt ze een wet van liefde. Dan klampen we ons met ons hele hart aan haar vast.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 113
“Ik haat de kwade ranken”, of anders gezegd: de ijdele gedachten, of de boze plannen, of de dubbelhartige verbeeldingen, of de gedachten die zich overal tussen dringen en elkaar dwarsbomen. Hiermee wordt de gewoonte bedoeld van mensen die met elke wind meezeilen en altijd twee pijlen op hun boog willen hebben. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk takken of ranken, die in een boom door elkaar en kriskras omhoog schieten. — Theodore Haak, 1618-1657.
Vers 113
“Ik haat de kwade ranken.” Er zijn van die lege uren die overblijven naast werk, vermaak, gezelschap en slaap. Mensen die God niet kennen, brengen ze door in eenzaamheid, thuis of onderweg. Dan nemen nutteloze, trotse, hebzuchtige, zinnelijke, jaloerse of kwaadwillige voorstellingen hun denken in beslag. Vaak sluipen ze zelfs hun dromen binnen. Zulke gedachten zijn op zichzelf al zondig, want ze verraden hoe het met het hart gesteld is. Daarom worden ze op de dag van het oordeel meegerekend. Bovendien wekken ze het verdorven sluimerende in ons wakker en voeren ze tot openlijker en grover overtreden van Gods heilige wet. De vleselijke geest ontvangt deze verwante verbeeldingen met open armen. Hij blijft er graag bij hangen en zoekt troost in denkbeeldig genot, als er geen kans is op ander genot of als iemand de werkelijke zonde niet durft te doen.
De geestelijke geest deinst er echter voor terug. Zulke gedachten dringen zich van tijd tot tijd wel op, maar hij wil ze niet. Ze doen hem pijn en hij zet ze meteen buiten de deur. Intussen liggen andere onderwerpen uit Gods woord klaar, om zijn denken nuttiger en prettiger bezig te houden in uren van vrije tijd en afzondering. Er is geen betere toets voor ons ware karakter dan te letten op wat “ijdele gedachten” gewoonlijk met ons doen. Houden we van ze en geven we ons eraan over? Of verafschuwen we ze en waken en bidden we ertegen? — Thomas Scott, 1747-1821.
Vers 113
“Ik haat de kwade ranken.” Ook een godvrezend mens kan tijdens zijn geestelijke plichten rondzwervende gedachten hebben. Droevige ervaring bewijst dat. Onze gedachten dansen in het gebed heen en weer. De heiligen worden sterren genoemd, maar bij hun plichten zijn ze vaak dwaalsterren. Het hart lijkt op kwikzilver, dat zich niet laat vastzetten. Het is moeilijk twee goede gedachten aan elkaar te knopen. We kunnen ons hart nooit zo dicht op slot doen dat storende gedachten er als de wind niet in kunnen. Hiëronymus klaagt over zichzelf: “Soms”, zegt hij, “loop ik, terwijl ik God dien, door de galerijen of ben ik rekeningen aan het optellen.” Maar zulke dwalende gedachten worden niet goedgekeurd: “Ik haat de kwade ranken.” Het zijn ongewenste gasten, die nog maar nauwelijks zijn opgemerkt of ze worden de deur uit gezet. — Thomas Watson.
Vers 113
“Ik haat.” Het is niet genoeg om het kwaad een beetje onprettig te vinden. Van ons wordt een volkomen haat gevraagd, tegen elke soort en elke graad van zonde. — David Dickson.
Vers 113
Kwade ranken. Het woord wordt gebruikt voor de meningen van mensen. Je kunt het toepassen op alle onzuivere meningen, op leerstellingen van mensen en op verderfelijke ketterijen. Het gaat dan om meningen die niet passen bij Gods volmaakte eigenschappen, die Zijn genade verkleinen en afbreuk doen aan de Zoon en de ambten van Christus, en die tegen het woord ingaan. Daarom worden ze door goede mensen afgewezen en verafschuwd. — John Gill.
Vers 113
Kwade ranken. Het Hebreeuwse woord is “sé’appim” en het betekent: hinken op twee gedachten. Zie 1 Kon. 18:21. Daarom heeft het ook de betekenis van twijfel die niets zeker weet. — Christopher Wordsworth.
Vers 113
IJdele gedachten. Ons denken is gericht op kleinigheden en onbenullige dingen, die noch onszelf noch een ander ten goede komen: “het hart der goddelozen is weinig waard”. Al hun overleggingen, bedenksels en gemijmer zijn niets waard, want hun gedachten gaan helemaal op aan kinderachtige ijdelheid en dwaze inbeelding. “De gedachte der dwaasheid is zonde” (Spr. 24:9). Dat geldt dus niet alleen voor gedachten aan het kwaad, maar ook voor gedachten aan dwaasheid. Gedachten zijn de eerstgeborenen van de ziel, de directe voortbrengselen van ons verstand. En toch verkwisten we ze aan elke kleinigheid.
Loop de hele dag achter mensen aan en schrijf op wat ze denken. Wat een waanzin en dwaasheid zit er in al het gepeins dat ze zelf opmerken! “De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn” (Ps. 94:11). Als wij oordeelden zoals God oordeelt, en alle gedachten, redeneringen en gesprekken van ons verstand in een tabel stonden, dan konden we er onderaan schrijven: Dit is het totaal van alles: niets dan ijdelheid.
De zonden die onze gedachten het vaakst in beslag nemen, zijn de volgende. Ten eerste onreinheid. Zondigen in gedachten maakt de weg vrij voor zondigen in daden: “die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan” (Matth. 5:28). Door onze gedachten maken we onszelf vuil, en deze zonde werkt meestal op die manier.
Ten tweede wraak. Wijn wordt zuur als je hem te lang bewaart. Zo slaat ook ontevredenheid om in wraak als we erbij blijven stilstaan. Wraakplannen zijn voor onze vleselijke natuur het zoetst en prettigst: “In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad” (Spr. 6:14). Dat betekent: hij zit vol met wraakzuchtige en boosaardige gedachten.
Ten derde afgunst. Het is een zonde die zich met ons denken voedt. De liederen van de vrouwen, dat Saul zijn duizenden had verslagen maar David zijn tienduizenden, bleven maar door Sauls hoofd gaan. Daarom haatte hij David (1 Sam. 18:9). Afgunst is een kwade ziekte die in het hart woont en zich meestal in gedachten verraadt.
Ten vierde hoogmoed. Of het nu trots is in het begeren of trots in het denken, ijdele eer of eigenwaan: in alle gevallen laten we ons hart toefluisteren door ijdelheid. Daarom staat er: “Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten” (Luk. 1:51). Hoogmoedige mensen zitten vol verbeeldingen.
Ten vijfde gierigheid, die niets anders is dan ijdel mijmeren en oefenen van het hart: “hebbende het hart geoefend in gierigheid” (2 Petr. 2:14). En ze trekt het hart juist weg als we God aanbidden: “hun hart wandelt hun gierigheid na” (Ezech. 33:31).
Ten zesde wantrouwen. Ook dat neemt onze gedachten vaak in beslag: verwarrende bewegingen tegen Gods bestuur van de wereld. — Thomas Manton.
Vers 113
IJdele gedachten. Laten we eens kijken wat ijdelheid is. Neem het in alle betekenissen: van onze gedachten geldt in elk geval dat ze “ijdel” zijn.
- IJdel kan betekenen: nutteloos. Zo zegt Pred. 1:2-3: “IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid”, want: “Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?” Zo zijn onze gedachten van nature. Zelfs de wijste ervan helpen ons niet als we in nood zijn, als we verzocht worden, als ons geweten benauwd is, op de dag van onze dood of van het oordeel. 1 Kor. 2:6 zegt: wijsheid “der oversten dezer wereld, die te niet worden”, en Spr. 10:20: “het hart der goddelozen is weinig waard”, geen cent voor alles bij elkaar.
- IJdel kan betekenen: licht van gewicht. “Lichter dan de ijdelheid” is een uitdrukking uit Ps. 62:10. En over wie wordt dat gezegd? Over mensen. Als iets in hen lichter is dan de rest, dan zijn het hun gedachten. Die zwemmen in de bovenste lagen, drijven bovenop en zijn als het schuim van het hart. Toen alle beste, wijste, diepste en degelijkste gedachten van Belsazar, een vorst, op de weegschaal werden gelegd, bleken ze te licht: “gij zijt te licht gevonden” (Dan. 5:27).
- IJdel kan betekenen: dwaas. Zo wordt in Spr. 12:11 het volgen van “ijdele mensen” gelijkgesteld aan “verstandeloos” zijn. Zo zijn onze gedachten. Van de andere kwaden die “van binnen uit het hart der mensen” voortkomen (Mark. 7:21), noemt vers 22 ook het Griekse woord aphrosunè, “onverstand”. Dat zijn gedachten zoals gekken en dwazen die hebben: ze slaan nergens op en je kunt er niets mee doen.
- IJdel kan betekenen: onvast en broos. Daarom zijn ijdelheid en een schaduw woorden met dezelfde betekenis, Ps. 144:4: “De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.” Zo zijn onze gedachten: vluchtig en vergankelijk als zeepbellen. Ps. 146:4: “te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.”
- Ten slotte zijn ze slecht en zondig. In Jer. 4:14 wordt ijdelheid aan boosheid gekoppeld. IJdele mannen en kinderen van Belial zijn één en hetzelfde, 2 Kron. 13:7. Zo zijn onze gedachten van nature: Spr. 24:9: “De gedachte der dwaasheid is zonde.” Daarom moet een mens zich voor God verootmoedigen, zelfs over één trotse gedachte. — Thomas Goodwin.
Vers 113
“Maar heb Uw wet lief.” Geef je hart ballast met liefde tot God. Liefde houdt onze gedachten met een prettige dwang neer. Als ze ons denken niet vastzet, gaat het door het kleinste zuchtje en een kort rimpeltje in het water als een kurk heen en weer, weg van zijn plek. Wetenschappers die van hun vak houden, blijven voortdurend hameren op een of ander idee dat hun werk verder kan brengen. Gretig houden ze het vast, zoals ijzer zijn geliefde magneet. Wie door goddelijke liefde tot Christus “vleugels” heeft gekregen, richt zijn blik en vlucht vaak naar Hem toe.
Meerdere keren per dag schiet hij uit zijn wereldse bezigheden weg om Hem een bezoek te brengen. Liefde zet al in het werken zelf vast. Ze vergroot ons genot in God. Dat komt ten dele doordat we Zijn beminnelijkheid zien, die voor ons helder wordt in het liefhebben zelf. Het komt ten dele ook door de beloningen die Hij geeft aan de liefdevolle houding van Zijn schepsel. Beide zorgen ervoor dat het hart geen losse vrienden als kwade gedachten bij zich laat binnenkomen. — Stephen Charnock.
Verzen 113, 114
Toen David zijn liefde voor het gebod kon bewijzen, twijfelde hij niet aan zijn recht op de belofte. Hier verzekert hij dat hij de geboden oprecht toegedaan is: “Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.” Merk op: hij zegt niet dat hij vrij is van ijdele gedachten. Hij zegt dat hij ze “haat”. Hij vindt hun gezelschap net zo onaangenaam als iemand die een bende dieven in zijn huis heeft zien inbreken. Hij zegt ook niet dat hij de wet volmaakt hield, maar dat hij “de wet lief had”, ook toen hij haar niet precies kon nakomen.
Door dit getuigenis dat zijn geweten voor zijn liefde tot de wet aflegde, werkt zijn geloof nu helder en krachtig op de belofte, in de volgende woorden: “Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.” — William Gurnall.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door predikant C. A. Davis. Verzen 113-120. IJdele gedachten tegenover Gods wet. De gelovige kiest partij (Ps. 119:113-115). Hij bidt dat hij mag worden ondersteund in de wet (Ps. 119:116-117). Hij denkt na over het lot van wie ijdele gedachten navolgen (Ps. 119:118-119) en spreekt het godvrezende ontzag uit die dit in hem wekt (Ps. 119:120).
Wenken voor predikers
Vers 113
De gedachte van deze tijd en de waarheid van alle tijden. Vers 113.
- Waar de haat zich op richt.
- Waar de liefde zich op richt.
OF
- Liefde is de oorzaak van haat.
- Haat is het gevolg van liefde. — G.R.
Vers 113
IJdele gedachten. Wat ze zijn. Waar ze vandaan komen. Welk kwaad ze doen. Hoe we ermee moeten omgaan. — W.H.J.P.
Vers 113
Hoe de gelovige:
- Door ijdele gedachten wordt gekweld. Dat is een veelvoorkomende en pijnlijke ervaring.
- IJdele gedachten niet duldt. Sommigen laten ze binnen overnachten. Hij is er juist op uit ze te verjagen.
- Over ijdele gedachten zegeviert. Door zijn liefde tot Gods wet. Zijn gebed is:
“Laat gedachten aan Christus en goddelijke dingen
dit dwaze hart van mij geheel doordringen.” — W.H.J.P.
Uitleg
Vers 114
“Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild.” Voor ijdele gedachten vluchtte hij naar zijn God. Daar dook hij weg voor hun kwellende indringerij. In de plechtige stilte van zijn ziel ontdekte hij dat God zijn schuilplaats was. Moest hij de wereld in en kon hij niet met God alleen zijn als in een schuilplaats, dan kon hij de Heere nog altijd als schild bij zich hebben. Zo wist hij de aanvallen van boze ingevingen af te weren. Dit vers is geboren uit ervaring. Het getuigt van iets wat de schrijver zelf had doorleefd.
Tegen zijn eigen gedachten kon hij niet vechten en ontsnappen kon hij er ook niet aan. Pas toen hij naar zijn God vluchtte, werd hij bevrijd. Let op: hij zegt niet dat Gods woord zijn dubbele bescherming is. Dat schrijft hij toe aan God Zelf. Worden we aangevallen op een diep geestelijk vlak, zoals bij ijdele gedachten, dan doen we er goed aan ons rechtstreeks tot de Persoon van onze Heere te wenden. We mogen ons werpen op Zijn echte aanwezigheid. Gelukkig is wie in waarheid tot de drie-enige God kan zeggen: “Gij zijt mijn Schuilplaats.” Hij heeft God gezien in de heerlijke gedaante van het verbond, en wie Hem zo ziet, ontvangt de zekerste troost.
“Op Uw Woord heb ik gehoopt.” En dat mocht hij ook, want hij had het getoetst en echt bevonden. Van Hem, Die eerder zijn sterke toren was geweest, verwachtte hij bescherming tegen elk gevaar en bewaring voor elke verzoeking. Hopen is gemakkelijk waar we hulp hebben ervaren. Soms, als sombere gedachten ons kwellen, kunnen we niets anders doen dan hopen. Gelukkig houdt Gods woord ons altijd dingen voor om op te hopen en redenen om te hopen. Zo wordt het zelf het terrein en de steun van onze hoop, en worden vermoeiende gedachten overwonnen. Midden in alle ergernis en zorg brengt de hoop op de hemel echt rust.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 114
“Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild”, enzovoort. Voor ijdele gedachten en ijdele mensen leert de psalmist ons in gebed naar God te vluchten, naar onze Toevlucht en Beschermer. Dat is wat een gelovige in het uur van verzoeking en gevaar vanzelf doet. Het is net zoals kuikens doen als ze een roofvogel boven zich zien hangen: ze duiken weg in hun “schuilplaats” onder de vleugels van de moederkip. Of als een krijger die zijn “schild” opheft tegen de pijlen die op hem worden afgeschoten. — George Horne.
Vers 114
“Gij zijt mijn Schuilplaats.” Christus bezit alle eigenschappen die nodig zijn om voor gelovigen een schuilplaats te zijn.
- Hij heeft kracht. Een schuilplaats moet een uiterst sterke plek zijn (locus munitissimus). Een huis van papier is nooit een goede schuilplaats. Huizen van riet of rottend hout zijn ook geen veilige plekken om je in te verbergen. Jezus Christus is een plaats van kracht. Hij is de Rots der eeuwen. Zijn naam is “Sterke God”, Jes. 9:5.
- Hij heeft hoogte. Een schuilplaats moet een uiterst hoge plek zijn (locus excelsissimus). Lage huizen zijn zó beklommen. Jezus Christus is een hoge plaats. Hij is zo hoog als de hemel. Hij is de ladder van Jakob die van de aarde tot de hemel reikt, Gen. 28:12. Hij is te hoog voor mensen en te hoog voor duivels. Geen schepsel kan deze hoge muren beklimmen.
- Hij heeft geheime plaatsen. Een schuilplaats moet een uiterst verborgen plek zijn (locus abditissimus). Hoe geheimer, hoe veiliger. Jezus Christus heeft vele geheime kamers die geen schepsel ooit kan vinden. Hoogl. 2:14: “Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats.” Christus heeft verborgen troost die niemand kent behalve wie haar ontvangt. Zo heeft Hij ook verborgen schuilplekken die niemand kan vinden behalve wie erin woont. “Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe” (Jes. 26:20).
- Christus is trouw. Wie anderen wil verbergen, moet heel trouw zijn. Een beschermer met een vals hart is erger dan een openlijke achtervolger. “Zouden de burgers van Kehila mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul?” vraagt David. En de Heere zegt: “Zij zouden u overgeven.” Maar Christus is trouw. Openb. 3:14: Hij is “de trouwe, en waarachtige Getuige”. Je kunt Hem niet omkopen om een schepsel uit te leveren dat bij Hem schuilt. Christus zal eerder sterven dan dat Hij het vertrouwen beschaamt dat in Hem gesteld wordt.
- Christus is ijverig. Wie anderen wil verbergen, moet net zo ijverig als trouw zijn. Een slaperige wacht kan een kasteel of een garnizoen even goed verraden als een trouweloze wacht. Maar Jezus Christus is uiterst ijverig en waakzaam. Hij heeft Zijn verkenners overal. Ja, Zijn eigen ogen gaan voortdurend heen en weer over de aarde. Ze letten op welke plannen er gesmeed en in gang gezet worden tegen wie bij Hem schuilen. Ps. 121:4: “Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.” — Ralph Robinson (1614-1655), in “Christ All in All.”
Vers 114
Schuilplaats. Het eerste woord van dit vers betekent eigenlijk iets geheims, of een geheime plek. — Joseph Addison Alexander.
Vers 114
“Mijn Schild.” Goede mensen zijn veilig onder Gods bescherming. Hij is hun “Sterkte en Schild”, hun “Hulp en Schild”, hun “Zon en Schild”, hun “Schild”, met “uw Loon zeer groot”. En hier is Hij hun “Schuilplaats en Schild”. — Matthew Henry.
Vers 114
Schild. De kracht en de eigenschappen van een schild liggen in dit:
- In zijn grootte en breedte. Het verbergt en bedekt degene die het draagt voor alle pijlen die naar hem worden gegooid, zodat ze hem niet kunnen raken: “Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas” (Ps. 5:13).
- De kracht van een schild ligt in het feit dat het hard is en niets erdoorheen kan. Zo past het bij de onoverwinnelijke macht van Gods bestuur, waarmee Hij de aanvallen van alle vijanden kan breken. Zo’n schild is God voor Zijn volk: “mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe” (Ps. 144:2).
- Zal ik er nog één ding aan toevoegen? Stenen en pijlen die tegen een hard schild gegooid worden, kaatsen terug op wie ze werpt. Zo kaatst God het kwaad terug op Zijn vijanden en op de vijanden van Zijn volk: “werp hen neder, o Heere, ons Schild!” (Ps. 59:12). — Thomas Manton.
Vers 114
“Op Uw Woord heb ik gehoopt.” Er zijn veel dingen die de beker van het menselijk leven zoeter maken, maar geen enkel ingrediënt is zo rijk en zo krachtig als de hoop. Mist ze, dan smaakt zelfs het mooiste leven bitter. Is ze er, dan wordt het zwaarste leed draaglijker. Laat mij omringd zijn door alle vreugde die een herinnering kan oproepen of bezit kan schenken: zonder hoop is dat niet genoeg. Waar hoop ontbreekt, zit er een droeve rand aan elke vreugde van vroeger en van nu. Dan denk je: het verleden is voorbij, en dit moment glipt ook al weg.
Maar al zou je mij alles ontnemen wat verleden en vandaag aan vreugde kunnen geven: schijnt de morgen helder van hoop, dan ben ik blij, midden in mijn verdriet. Van alle krachten die deze krioelende aarde in beweging zetten, is de hoop de meest bedrijvige. Ze is de zoetste balsem voor ons verdriet, de helderste lichtstraal die ons genot verguldt. Hoop is het edelste kind, de eerstgeborene en het laatst begravene van de mens die vooruitkijkt en vooruitdenkt. Zonder haar kan het onnadenkende vee tevreden zijn bij zijn voer van nu. Maar zonder haar kan de mens die nadenkt niet echt gelukkig zijn en zal dat ook nooit worden. — William Grant (1814-1876), in “Christ our Hope, and other Sermons.”
Verzen 114, 115
“Gij zijt mijn Schuilplaats.” “Wijkt van mij, gij boosdoeners.” David zit veilig en rustig in zijn schuilplaats. Daarom wil hij niet dat iemand zijn vrede komt verstoren. Het gezelschap van goddelozen kan hij dan ook niet verdragen en hij stuurt hen met een frons weg. Hij had ondervonden dat zij zijn beste belangen dwarsboomden. Hij was ook bang dat hun invloed zijn besluit zou ondermijnen om zijn God te gehoorzamen. En wanneer heeft Gods volk dat ooit anders ervaren? Zulk gezelschap bleek altijd een zware rem te zijn, zowel op het genieten van God als op het dienen van Hem. — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 114
Onze bescherming tegen gevaar: “Schuilplaats”. In gevaar: “Schild”. Vóór het gevaar: “ik heb gehoopt”.
Vers 114
Schuilplaats. Geheimhouding om ons te verbergen. Ruimte om ons te herbergen. Veiligheid. Troost. — T. Manton.
Vers 114
Schuilen en hopen.
- Een schuilplaats is nodig.
- Een schuilplaats is gegeven (Jes. 25:4; 32:2).
- Een schuilplaats wordt gebruikt. — C.A.D.
Vers 114
- De toevlucht is gegeven: “Gij zijt”, enzovoort.
- De toevlucht is onthuld: “Op Uw Woord.”
- De toevlucht is gevonden: “heb ik gehoopt”, enzovoort. — G.R.
Vers 114
“Gij zijt mijn Schuilplaats.”
- In Uw genade, tegen de veroordeling.
- In Uw ontferming, tegen het verdriet.
- In Uw hulp, tegen de verzoeking.
- In Uw kracht, tegen de tegenstand.
- In Uw volheid, tegen het gebrek. — W.J.
Uitleg
Vers 115
“Wijkt van mij, gij boosdoeners!” Wie zijn gedachten serieus neemt, zal niet snel slecht gezelschap dulden. Vluchten we voor ijdele gedachten naar God, dan mijden we ijdele mensen nog veel meer. Koningen worden maar al te makkelijk omringd door mensen die hen vleien en zich ondertussen de vrijheid permitteren Gods wetten te overtreden. David zuiverde zijn paleis van zulke profiteurs. Onder zijn dak wilde hij hen niet hebben. Ze zouden hem ongetwijfeld een slechte naam bezorgd hebben. Hun daden zouden aan hem worden toegerekend, want wat hovelingen doen, wordt meestal als daden van het hof zelf aangemerkt.
Daarom stuurde de koning hen met pak en zak weg met de woorden: “Wijkt van mij.” Zo liep hij vooruit op het vonnis van de laatste grote dag, wanneer de Zoon van David zal zeggen: “Wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!” Niet alle boosdoeners kunnen wij zo uit ons huis sturen. Maar vaak is het onze plicht dat wel te doen, als daar goede reden voor is. Een huis is beter af zonder leugenaars, dieven, vuilbekken en lasteraars. Wat het ook kost, we moeten onszelf vrijhouden van zulke gezellen als ze uit eigen keus bij ons komen en we reden hebben om te denken dat ze een verdorven karakter hebben.
Boosdoeners zijn slechte raadgevers. Wie tot God zeggen: “Wijk van ons”, moeten meteen de echo van hun woorden horen uit de mond van Gods kinderen: “Wijk van ons. We kunnen geen brood eten met verraders.”
“Dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.” Omdat hij het moeilijk vond de geboden te houden in gezelschap van goddelozen, stuurde hij hen weg. Hij moest de geboden houden, maar hij hoefde hun gezelschap niet te houden. Wat een prachtige titel voor de Heere zit in dit vers! Het woord God komt in deze hele lange psalm maar op één plaats voor, en daar staat het samen met het persoonlijke woord “mijn”: “mijn God.”
Mijn God! Hoe lieflijk is die klank,
hoe zoet is het, dat na te zeggen!
Dat hart mag juichen, vol van dank,
waar God Zijn troon heeft willen leggen. — Doddridge.
Omdat Jehova onze God is, besluiten we daarom Hem te gehoorzamen. Iedereen die ons in Zijn dienst zou willen tegenhouden, jagen we uit ons gezicht weg. Wat een groot goed is het voor onze geest, als hij op dit punt is aangekomen en onwrikbaar vaststaat in het heilige besluit: “Ik zal de geboden bewaren.” Gods wet is ons plezier, als de God van die wet onze God is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 115
“Wijkt van mij, gij boosdoeners!” enzovoort. Alsof hij zei: Hou erover op, bespaar je adem. Ik ben vastbesloten en zet mijn weg voort. Ik heb gezworen en ik ben standvastig van plan de geboden van mijn God te houden. Met Gods hulp blijf ik daarbij, en de hele wereld krijgt mij daar niet van los. — Robert Sanderson, 1587-1663.
Vers 115
“Wijkt van mij, gij boosdoeners!” enzovoort. Mensen zondigen vaak om erbij te horen. De beker gaat gewoonlijk rond en wordt van hand tot hand doorgegeven. Het is daarom verstandig om weg te gaan uit een gezelschap dat door de zonde is aangetast. Je hebt er helemaal niets aan om te blijven. Slecht gezelschap zal in elk geval het goede in je kleiner maken. Het plantje van de genade groeit nooit in zo’n koude bodem. Wat een armzalige groei heeft goed koren dat helemaal door onkruid is omringd! Het koren heeft voortdurend last van die buren.
Versterkende middelen en medicijnen doen een lichaam nauwelijks goed zolang het vol zit met slechte sappen. Zo helpen de genademiddelen een ziel nauwelijks die ontregeld is door zulke schadelijke bewoners. Van de berg Kadish wordt gezegd dat elke wijnstok die in de buurt wordt geplant, verdort en sterft. Het komt uiterst zelden voor dat heiligen bloeien in de buurt van mensen die hen telkens weer terugtrekken. Het is bijna een wonder om Gods geboden te houden én slecht gezelschap te houden. Daarom moest David een scheidingsbrief sturen aan zijn goddeloze vrienden, toen hij zich aan Gods geboden wilde geven.
Hij wilde ze liefhebben en met ze leven, in voor- en tegenspoed, al de dagen van zijn leven, zoals dat bij een echt huwelijk hoort. Hij wist dat dit huwelijk anders nooit zou lukken: “Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.” Alsof hij zei: Weet dit, zondaars. Ik sluit van harte een verbond met Gods geboden. Ik vind ze zo mooi dat ik besloten heb mij helemaal aan hen te geven en hen in alles te behagen. Dat lukt mij nooit, zolang jullie hier blijven. Jullie zijn als een hoer die de liefde van de echte echtgenote steelt.
Zolang jullie in mijn buurt blijven, kan ik de bevelen van mijn God niet gehoorzamen zoals het hoort. Dus: “Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.” — George Swinnock.
Vers 115
“Wijkt van mij, gij boosdoeners.” Wee de goddeloze, en wee wie zich bij hem voegt en met hem optrekt, zegt Ben Sira. Zelfs de heidenen van vroeger vonden dat er een vloek rustte op wie slecht gezelschap hield. Wonen of reizen met iemand die geen respect voor de goden had, gold bij hen als een bron van pech en ongeluk.
Vetabo qui Cereris sacrum vulgarit arcanae, sub isdem sit trabibus fragilemque mecum solvat phaselum, zoals Horatius zegt.
Wie heilige geheimen verraadt,
zal nooit onder mijn dak wonen
en nooit met mij varen in een broze boot.
Onder één dak wonen, of in dezelfde jacht of hetzelfde pleziervaartuig varen met goddeloze mensen: heidenen vonden dat onveilig en gevaarlijk. Hoeveel te meer moeten christenen er dan door en door van overtuigd zijn dat omgang met goddeloze mensen schadelijk en gevaarlijk is? Het kan op geen enkele manier veilig zijn om met hen contact te houden. Ja, we lopen groot gevaar zolang we bij hen zijn. Je hebt vast wel eens gehoord wie het was die zo lang niet in het badhuis wilde blijven als er een aartsketter was. Dat was de heilige Johannes, de evangelist. Hij wilde (zoals Irenaeus ons vertelt) niet op die plek blijven omdat Cerinthus daar op dat moment was, die ontkende dat Christus God is. Die heilige man vond geen enkele plaats veilig waar zulke mensen zijn.
Houd daarom de vermaning van de apostel goed in gedachten, en neem haar ter harte: “Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af” (2 Kor. 6:17). Luister naar die stem uit de hemel: “Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.” Scheid je van hen af. Anders breng je niet alleen je zielen schade toe maar ook je lichamen. Dan treft je hier misschien een opvallend oordeel, en overvalt Gods wraak je daarna nog veel heftiger. De dichters, die graag fantaseren, vertellen dat Theseus en Pirithoüs, twee dikke vrienden, zoveel van elkaar hielden dat ze samen naar de hel afdaalden.
Het is zeker geen dichterlijk verzinsel dat velen dit echt doen. Ze komen samen om. Ze dalen, alleen maar voor de gezelligheid, samen af in de bodemloze put. — John Edwards (1637-1716), in “Theologia Reformata.”
Vers 115
Wijk van wie van God wegwijkt. — T. Manton.
Vers 115
“Mijns Gods.” Iemand kan pas echt van iets houden als hij weet dat het van hemzelf is. Zo kan hij ook niet anders dan God liefhebben en Hem zorgvuldig gehoorzamen, zodra hij weet dat God de zijne is. En geen mens kan God hartelijk en blijvend dienen als hij niet overtuigd is dat hij met David kan zeggen: Hij is mijn God. Alle genoegens en alle schrikbeelden van de wereld kunnen die ziel niet van God losscheuren die waarachtig kan zeggen: de HEERE is mijn God. — W. Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 115
- Slecht gezelschap staat vroomheid in de weg.
- Vroomheid wijst slecht gezelschap de deur.
- Als vroomheid dit vertrek afdwingt, doet ze wat God op het laatst ook zal doen.
Vers 115
Slecht gezelschap gaat niet samen met echte rechtvaardigheid.
- Het dwingt tot verbergen en tot compromissen.
- Het vernietigt het vermogen om met God om te gaan en de smaak voor geestelijke dingen.
- Het maakt het geweten minder gevoelig.
- Het betekent bewust ongehoorzaam zijn aan God. — J.F.
Uitleg
Vers 116
“Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve.” De dienaar van de Heere had Zijn ondersteuning zó hard nodig dat hij zonder die steun niet eens kon leven. Onze ziel zou sterven als de Heere haar niet voortdurend op de been hield. Elke genade die geestelijk leven tot echt leven maakt, zou verwelken als Hij Zijn dragende hand terugtrok. Het is een zoete troost dat Gods woord al voorziet in deze grote nood aan ondersteuning. Het staat er al in beloofd. We hoeven er dus niet om te vragen alsof het een gunst is waarvoor geen verbond bestaat.
We mogen eenvoudig pleiten dat een belofte wordt vervuld: “Ondersteun mij naar Uw toezegging.” Wie ons het eeuwige leven heeft geschonken, heeft ons in die gave alles toegezegd wat daarbij hoort. Genadige ondersteuning behoort tot de noodzakelijke dingen, dus we mogen er zeker van zijn dat we haar zullen krijgen.
“En laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.” In Ps. 119:114 had hij over zijn hoop gesproken als iets wat op het woord was gebouwd. Nu vraagt hij dat dat woord wordt vervuld, zodat zijn hoop in aller ogen gerechtvaardigd wordt. Iemand zou zich schamen voor zijn hoop als bleek dat die niet op een vast fundament rustte. Maar dat zal bij ons nooit gebeuren. Voor onze gedachten, woorden en daden kunnen we ons wel schamen, want die komen uit onszelf. Voor onze hoop schamen we ons nooit, want die komt van de Heere, onze God.
Onze natuur is zo zwak dat we allemaal, als het erop aankomt, diep zouden vallen als de genade ons niet voortdurend ondersteunde. Dan zouden we ons gaan schamen voor onszelf en voor al die heerlijke verwachtingen die nu de kroon en de glans van ons leven zijn. De man van God had heel stellig zijn voornemens uitgesproken. Toch voelde hij dat hij niet op zijn eigen plechtige besluit kon bouwen. Vandaar deze gebeden. Het is niet verkeerd om voornemens te maken, maar het heeft geen zin als we ze niet goed zouten met gelovig roepen tot God.
David wilde de wet van de Heere houden. Maar eerst had hij de Heere van de wet nodig, om hemzelf te houden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 116
“Ondersteun mij.” Een vlieger die hoog zweeft, bevindt zich in een toestand die helemaal niet bij zijn aard past. Net zo gaat het met de ziel van de mens, als ze boven deze lage wereld wordt getild naar hoge en hemelse bezigheden. Wie van een afstand kijkt, ziet niet hoe de vlieger daar hoog blijft. Hij ziet de wind niet die hem opblaast, de hand niet die hem vasthoudt en het touw niet waarmee dat gebeurt. Maar al die krachten zijn nodig om de vlieger in die onnatuurlijke toestand te houden. Gaat de wind liggen, dan valt hij.
Er is in hemzelf niets aanwezig waarmee hij zichzelf omhoog kan houden. Hij wil nog steeds naar de aarde zakken, net als altijd, en laat je hem even los, dan stort hij neer. Zo gaat het met de ziel van elke ware gelovige. De Geest van God heeft haar opgetild naar een nieuwe, bovennatuurlijke, hemelse toestand. Daarin wordt ze door het geloof gedragen door een onzichtbare, almachtige hand. Ze wordt ook echt gedragen, maar niet door een kracht in haarzelf. Liet Hij haar even los, dan zou ze vallen, net als altijd. Al haar kracht ligt alleen bij God.
Al haar zekerheid ligt in de onveranderlijkheid van Zijn wezen en in de kracht van Zijn genade. Samengevat, in één woord: “die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid.” — Uit “The Book of Illustrations” van H. G. Salter, 1840.
Vers 116
“Opdat ik leve.” Het leven van een christen bestaat hierin dat de Geest van genade zijn ziel levend maakt. Als de ziel in het lichaam aanwezig is, leeft het lichaam. Gaat ze weg, dan komt meteen de dood, en zonder haar is het lichaam niets dan een dode klomp leem. Zo is het ook de aanwezigheid van Gods Geest die de ziel van de mens leven geeft. Dit leven herken je aan twee opvallende uitwerkingen die het heeft. Het eerste is een blij besef van Gods barmhartigheid, waar je het van binnen aan merkt.
Het tweede is een geestelijke gezindheid, een innerlijke neiging tot geestelijke oefeningen. Zonder dit is iemand, hoe hij zich ook voordoet, slechts het evenbeeld van een christen. Hij lijkt enigszins op een echte christen, maar het leven van die christen maakt hem zelf niet levend. — William Cowper.
Vers 116
“Opdat ik leve.” Gods kinderen vinden dat ze geen leven hebben als ze niet leven in Gods leven. Denken we dat we leven omdat we zien? Dat doen de redeloze dieren ook. Denken we dat we leven omdat we horen? Dat doet het vee ook. Denken we dat we leven omdat we eten, drinken of slapen? Ook dat doen dieren. Denken we dat we leven omdat we redeneren en overleggen? Dat doen de heidenen ook. Het leven van Gods kinderen betekent dat de zonde in hen sterft. Want waar de zonde nog leeft, is dat deel van ons dood voor God.
Merken Gods kinderen dat ze traag en loom zijn als het om het goede gaat? Kunnen ze zich niet verblijden in Gods beloften, of vindt hun innerlijke mens geen vreugde in Gods wet? Dan houden ze zichzelf voor dood. — Richard Greenham.
Wenken voor predikers
Vers 116
- Ondersteuning is beloofd.
- Ze is nodig voor een heilig leven.
- Ze voorkomt schandelijke daden.
Vers 116
“Ondersteun mij naar Uw toezegging enz.”
- De psalmist beroept zich op Gods belofte, op zijn afhankelijkheid van die belofte en op wat hij ervan verwacht: “Ondersteun mij naar Uw toezegging”. Op dat woord hoop ik, en als het niet wordt vervuld, zal ik “beschaamd worden over mijn hope.”
- Hij beroept zich er bij God op hoe hard hij Gods genade nodig had, en hoe groot het voordeel ervan voor hem zou zijn: “Ondersteun mij … opdat ik leve.” Daarmee laat hij weten dat leven zonder Gods genade voor hem onmogelijk was. — M. Henry.
Uitleg
Vers 117
“Ondersteun mij.” Zo tilt een kindermeisje een peuter op. “Zo zal ik behouden zijn”, en op geen andere manier. Want als U mij niet draagt, zak ik door mijn knieën als een baby die nog niet kan staan. Genade van gisteren heeft ons gered, maar veilig zijn we alleen als we ook genade van vandaag ontvangen. De psalmist had beloofd zich aan de geboden van de Heere te houden. Maar hier smeekt hij de Heere om hém vast te houden. Zeer verstandig! In onze vertaling staat eerst “ondersteun” en dan “houd mij vast” (Engels: uphold … hold Thou me up; de Statenvertaling heeft in beide verzen “ondersteun mij”).
We hebben deze zegen ook echt nodig, in elke vorm waarin ze ons kan bereiken. Onze vijanden zoeken immers allerlei wegen om ons onderuit te halen. Veilig zijn is een gelukkige toestand. Er is maar één ingang, en die is: door God Zelf overeind gehouden worden. Gode zij dank, die ingang staat open voor de kleinste onder ons.
“Dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.” Gehoorzaamheid geeft veiligheid, en wie wordt vastgehouden, gehoorzaamt. Niemand blijft Gods inzettingen lang uiterlijk houden als hij er innerlijk geen ontzag voor heeft. Dat ontzag komt er nooit als de hand van de Heere ons hart niet voortdurend draagt in heilige liefde. Doorzetten tot het einde en altijd gehoorzamen: dat kan alleen door Gods kracht. We schieten opzij als een bedrieglijke boog, tenzij Hij ons recht houdt, Hij Die ons voor het eerst genade gaf. Gelukkig is de mens die dit vers in zijn leven werkelijk meemaakt.
Zijn hele leven wordt hij vastgehouden op een weg van onwankelbare oprechtheid. Zo wordt hij veilig en betrouwbaar, en behoudt hij een heilige gevoeligheid van geweten, die anderen niet kennen. Hij heeft een zacht, eerbiedig ontzag voor Gods inzettingen. Daardoor blijft hij vrij van de tegenstrijdigheden en aanpassingen aan de wereld die bij anderen zo gewoon zijn. Daarom is hij een pilaar in het huis van de Heere. Helaas kennen we enkele belijders die niet oprecht zijn. Daarom hellen ze steeds verder over naar de zonde, tot ze vallen. Ook als ze worden hersteld, zijn ze nooit meer veilig of betrouwbaar. Ze missen ook de zoete reinheid van ziel die de aantrekkingskracht is van de meer geheiligden, die zijn behoed voor het vallen in de modder.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 117
“Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Ik ben me bewust van mijn zwakheid, en ik zie hoe glad het pad voor mij is. Beide herinneren mij eraan dat mijn veiligheid van moment tot moment hangt aan de dragende kracht van mijn trouwe God. De wegen van de verzoeking zijn zo talrijk en je merkt ze zo moeilijk op. Haar invloed is ontzagwekkend, en de toegang is zo bedrieglijk, zo schijnbaar goed en zo onopvallend. Dat alles komt boven op mijn eigen zwakheid en onoplettendheid, die niet in woorden te vatten zijn. Ik kan daarom maar één ding doen: mijn weg vervolgen en bij elke stap bidden: “Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” — Charles Bridges.
Vers 117
“Ondersteun mij.” David had drie redenen om bang te zijn. De eerste was de zware verzoeking van buiten: uit alle windrichtingen blaast de wind van de verzoeking een christen tegemoet. De tweede was het grote bederf in zijn eigen binnenste. De derde was het voorbeeld van andere waardige mannen die vóór hem waren gevallen en wier val voor ons is opgeschreven. We moeten daaruit niet leren hoe je valt, maar dat we ervoor moeten vrezen. Deze drie dingen horen ons altijd nederig te houden, volgens de waarschuwing: “Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.” — William Cowper.
Vers 117
Omhoog, omhoog! Weg uit de kleinheid waarin ik al veel te lang heb geleefd. Weg van de strikken waarin ik zo vaak ben gevangen. Weg van de struikelblokken waarover ik zo vaak ben gevallen. Weg van de wereld, weg van mezelf, hoger dan ik ooit gekomen ben, boven het peil van mijn eigen sterfelijkheid uit. Zodat ik U waardig ben en het bloed waarmee ik ben gekocht, dichter bij de hemel, dichter bij U: “ondersteun mij.”
Er zijn veel manieren waarop God Zijn volk overeind houdt. Soms gebeurt dat door het woord van de prediker, als dat woord op het juiste moment het hart en het geweten raakt. Moge God, in Zijn oneindige tederheid, Zijn dienaren in deze gemeente ertoe in staat stellen jullie zo overeind te houden. Soms gebeurt het door de middelen en sacramenten die Hij in Zijn genade heeft ingesteld.
Soms gebeurt het door de kracht van de Heilige Schrift. Een tekst die je op je eigen kamer leest, treft je geest precies op het juiste moment. Of de steun van een zoete belofte komt je onder de armen grijpen. Soms gebeurt het doordat de Heilige Geest op eenvoudige wijze werkt in iemands eigen gedachten, zoals Hij wil: “de vrijmoedige geest ondersteune mij.” Soms dienen engelen: “Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.” Soms laat Hij je diep zakken, zodat je ervaart dat het dal de veilige plek is. Geen hoogte is zo hoog als de hoogte van nederigheid.
Soms doet Hij het met strenge tucht, om het hart te stalen en sterk te maken, zodat het niet meer van uiterlijke dingen afhangt. Soms met een zware beproeving. Dat is dan de greep van Zijn hand, zodat Hij je steviger kan vasthouden. Soms legt Hij je in het hart precies te denken wat je nodig hebt, en precies dát gebed te bidden dat Hij op dat moment wil verhoren. Soms lijkt het alsof Hij je laat gaan en in de steek laat. Maar tegelijk geeft Hij je, net als de Syro-Fenicische vrouw, de wil om vast te blijven houden, zodat Hij je aan het eind des te meer kan geven. — James Vaughan, van Brighton, 1877.
Vers 117
“Dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.” Ik zal mij bezighouden met Uw inzettingen, zeggen sommigen. Ik zal mij erin verlustigen, zeggen anderen. Als Gods rechterhand ons ondersteunt, moeten we in Zijn kracht doorgaan met onze plicht, met ijver en met plezier. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 117
- Ondersteuning, dat is: God houdt ons overeind. Er ligt gevaar in besloten, en dat gevaar komt in vele vormen. Je kunt het leven van de gelovige omschrijven als wandelen in oprechtheid. Hij is een pelgrim. Hij moet ondersteund worden, want:
(a) De weg is glibberig.
(b) Het gevaar zit niet alleen in de weg, maar ook in onze voeten.
(c) Sluwe vijanden proberen ons te laten struikelen.
(d) Soms ligt de moeilijkheid niet aan de weg maar aan de hoogte waarop God ons kan zetten.
(e) Dit gebed is des te harder nodig omdat de meeste mensen niet recht blijven lopen.
- Twee gezegende dingen die uit deze ondersteuning voortkomen.
(a) We staan veilig, voor onszelf, als voorbeelden en als pilaren in de gemeente.
(b) We worden waakzaam en gevoelig: “dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.” Zonder dat staat niemand veilig. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1657: “My Hourly Prayer.”
Vers 117
“Ondersteun mij enz.”
- De goede mens staat overeind.
- De goede mens wil overeind blijven.
- De goede mens bidt dat hij overeind wordt gehouden.
- De goede mens weet dat Gods steun ruimschoots genoeg is.
— W.J.
Vers 117
- Afhankelijkheid voor de toekomst: “Ondersteun” enz.
- Vastbesloten voor de toekomst: “dan zal ik mij steeds … vermaken” enz. — G.R.
Uitleg
Vers 118
“Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen.” Hen ondersteunt U niet. Ze worden neergesmeten en dan platgetrapt, omdat ze er zelf voor kiezen af te dalen op de dwaalwegen van de zonde. Vroeg of laat zet God Zijn voet op wie zijn voet van Gods geboden wegdraait. Dat is altijd zo geweest en zo blijft het tot het einde. Is het zout zijn kracht kwijt? Waar is het dan nog goed voor, behalve om onder de voet getreden te worden? God veegt de goddelozen weg als slakken. Daar kun je niets mee beginnen dan ze als straatgrind te storten en plat te laten trappen.
“Want hun bedrog is leugen.” Zij noemen het vooruitziend beleid, maar het is pure leugen en het zal ook zo behandeld worden. Gewone mensen noemen het slimme diplomatie, maar de man van God noemt het beestje bij zijn naam. Hij zegt dat het leugen is, niets minder, want hij weet dat het dat is in Gods ogen. Wie van de rechte weg afdwaalt, verzint mooie excuses om zichzelf en anderen te misleiden. Zo sussen ze hun geweten en houden ze hun goede naam op peil. Maar hun masker van leugens is veel te doorzichtig. God vertrapt leugens. Ze deugen alleen om met Zijn voeten weggeschopt en tot stof vermalen te worden. Wat zullen ze schrikken, die hun hele leven bezig zijn geweest met het knutselen aan een zoetgebakken godsdienst, als ze zien hoe God alles vertrapt als een schijnvertoning die Hij niet kan verdragen!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 118
“Gij vertreedt enz.” Door opnieuw na te denken, versterkt David zich hier in de weg van de godzaligheid. Hij kijkt naar de oordelen van God, die in alle eeuwen volgens Zijn woord over de goddelozen zijn uitgevoerd. En daardoor besluit hij des te meer: ik zal God vrezen en Zijn getuigenissen bewaren. Zo horen de oordelen die God over anderen uitvoert, ons als remmen te binden, zodat we niet net als zij gaan zondigen.
Straft de Heere Zijn eigen kinderen? Dan pakt Hij ze aan als een vader die wil corrigeren. Maar als Zijn toorn ontbrandt tegen de goddelozen, trapt Hij hen onder Zijn voeten, als nietswaardige wezens die Hij geen blik waardig keurt. — William Cowper.
Vers 118
“Gij vertreedt.” De Septuaginta heeft “exouthenōsas”, ad nihil deduxisti: U hebt tot niets gemaakt. Aquila: confixisti, U hebt doorstoken. Symmachus: “apedokimasas”, reprobasti, U hebt afgekeurd. De Vulgaat: sprevisti, U hebt geminacht. Apollinarius: parvi pependisti, U hebt weinig waarde gehecht aan hen. Alle vijf bedoelen hetzelfde. Wanneer wij zeggen dat iemand “onder de voet wordt getreden”, bedoelen we daarmee: 1. Een volledige straf. 2. Een vernederende straf. 1. Een volledige straf. God haalt hen neer van de hoogten waarop ze staan, helemaal tot in het stof, hoe hoog en trots ze zich ook tegen God verheffen. In de Schrift zie je vaker dat een totale overwinning op vijanden zo wordt beschreven. Van de Assyriër staat: “opdat hij den roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk der straten” (Jes. 10:6).
- Het betekent een vernederende straf: “totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten” (Ps. 110:1). Daarmee wordt de schande en minachting aangegeven die God hun zal aandoen. Zo trad Sapor, de koning van Perzië, keizer Valentinianus met voeten, en maakte Timoer Lenk van Bajezid zijn voetenbank. Het gaat erom dat God hen niet alleen onderwerpt, maar hen ook brengt tot een verachtelijke, nietige toestand. Zo legt Chrysostomus deze uitdrukking uit: God zal hen maken “eponeidistous kai kataphronētous”, smadelijk en verachtelijk. Ze zullen niet met eer vertrekken, maar met hoon en schaamte op hun gezicht, jammerlijk gebroken. — Thomas Manton.
Vers 118
“Gij vertreedt enz.” Mensen hebben de neiging om alle eigenschappen van God tot één samen te laten vloeien. Veel van onze beste schrijvers hebben liefdevol en uitgebreid stilgestaan bij Zijn overvloedige goedheid, Zijn zachte, toegeeflijke vriendelijkheid en Zijn barmhartigheid, die de zwakheden van mensen door de vingers ziet en ruim verontschuldigt. Maar over Zijn waarheid, Zijn reinheid en Zijn haat tegen het morele kwaad hebben ze, zoals de Fransen zouden zeggen, een terughoudendheid getoond die misschien niet bedoeld was, maar die toch duidelijk merkbaar is. Er bestaat geen bestuur zonder wet. Toch vragen we ons nauwelijks af wat er met de overtredingen van die wet moet gebeuren.
Elke wet heeft haar sancties: aan de ene kant de hoop op een beloning die wordt aangeboden, aan de andere kant de angst voor een straf die wordt aangekondigd. Mag je de straf dan alleen maar dreigen, en nooit uitvoeren? Wordt schuld alleen aangepakt met aankondigingen vooraf, en nooit met straffen achteraf? Haal de straffen uit de rechtspraak weg. Of, wat nog erger is: kondig ze alleen af, maar eis ze nooit op. Dan maken we van het geheel een lege spot. Het gebouw van het morele bestuur stort in elkaar. In plaats van een groot, besturend gezag in het heelal hebben we een omvergeworpen troon en een vernederde Heerser.
Stel dat er alleen een vertoning van rechtspraak is, zonder de macht of de uitvoering ervan. Stel dat de waarheid alleen wordt vastgehouden in de beloften van beloning, maar steeds wordt losgelaten in de dreigementen van straf. Stel dat de rechter zo wegvalt achter een al te toegeeflijke vader. Dan is er van een moreel bestuur over ons niets anders over dan de naam. Dan zijn we niet de onderdanen van Gods gezag, maar de lievelingen van Zijn genegenheid. In zo’n stelsel zou heel het heelal als het ware wegglijden in anarchie. In het lawaai van dat wilde wanbeheer zou de Koning Die hoog op de troon zit, Zijn greep verliezen op de schepping die Hij heeft gevormd. — Thomas Chalmers.
Vers 118
“Want hun bedrog is leugen.” Wat hier in feite bedoeld wordt, is: “want hun sluwheid is bedrieglijk gebleken.” Anders gezegd: hun sluwheid heeft henzelf bedrogen en hun eigen ondergang gebracht. — Samuel Horsley, 1733-1806.
Vers 118
“Hun bedrog is leugen.” Hij heeft het hier niet over het bedrog waarmee goddelozen anderen misleiden, maar over het bedrog waarmee ze zichzelf misleiden. Daarin zitten twee kanten. Ten eerste verwachten ze iets goeds van de zonde. De zonde belooft dat op verraderlijke wijze, maar ze zullen het nooit vinden. Ten tweede stellen ze zichzelf gerust met de ijdele gedachte dat ze het oordeel wel zullen ontlopen, terwijl dat hen zeker zal inhalen. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 118
Zonde en leugen: hoe ze samenhangen, wat de straf is en wat ertegen helpt.
Vers 118
- Luister naar het marcheren van Gods legers. In de natuur, in Zijn bestuur van de wereld, in de engelenlegers van de laatste dag.
- De gewonde slachtoffers. God verafschuwt sluwe bedriegers in het bijzonder. Denk aan Bileam, Farao, Rome en de verleider van de volken.
- De waarschuwingen aan ons, uit dit Akeldama, dat veld van bloed. Keer om. Bedrieg niemand. Blijf binnen de grenzen die God getrokken heeft. Schuil in Christus. — W.B.H.
Vers 118
Gods straf over de goddelozen is, hoe ontzagwekkend streng ook, rechtvaardig en noodzakelijk.
- Ze is verschuldigd als het verdiende loon van de ongerechtigheid.
- Ze wordt geëist door Gods positie als zedelijk Regeerder en door Zijn rechtvaardige karakter.
- Ze is nodig om te laten zien wat rechtvaardigheid en haar beloning werkelijk waard zijn. Als goddelozen niet worden gestraft, komt de volle waarde van rechtvaardigheid niet aan het licht.
- Het is vanzelfsprekend dat ze onontkoombaar is, tenzij er één voorwaarde vervuld wordt: dat een mens na zijn dood waarachtige bekering en heiligheid krijgt. Niemand mag dat verwachten, en God heeft ook nergens het minste teken gegeven dat Hij dit zal doen.
- De hel zit in het hart van de zonde. Zouden goddelozen naar de hemel worden gehaald, dan namen ze de hel mee. De hemel biedt niet de dingen waar goddelozen blij van worden, maar zit vol met wat ze niet kunnen begrijpen en niet kunnen delen. — J.F.
Vers 118 (tweede zinsdeel)
Het bedrog van goddelozen is leugen van begin tot eind.
- De wereld die ze omhelzen is een valse Delila.
- Het genot dat ze smaken is een satanische strik.
- Hun uiterlijke vroomheid is een lege zelfmisleiding.
- Hun ideeën over God zijn leugens die ze zelf bedacht hebben. — J.F.
Verzen 118-120
Gered door ontzag.
- Gods toorn wordt geopenbaard tegen de zonde.
- Gods oordeel wordt uitgevoerd over zondaars.
- Het ontzag voor God wordt in het hart gewekt. — G.A.D.
Uitleg
Vers 119
“Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim.” Hij speelt niet met hen en pakt hen niet met fluwelen handschoenen aan. Nee, Hij vindt dat ze het uitschot van de aarde zijn en behandelt hen ook zo: Hij ruimt ze op. Hij ruimt ze op uit Zijn gemeente, weg van hun eer, weg van de aarde, en uiteindelijk weg van Zichzelf. “Gaat weg van Mij, gij vervloekten”, zegt Hij. Voelt zelfs een goed mens zich gedwongen om boosdoeners van zich weg te sturen? Hoeveel te meer zal dan de driemaal heilige God de goddelozen opruimen!
Ze zagen eruit als edel metaal. Ze zaten er innig doorheen gemengd. Ze lagen in dezelfde hoop. Maar de Heere is een smelter. Elke dag haalt Hij enkele goddelozen uit het midden van Zijn volk, hetzij doordat hun huichelarij op beschamende wijze ontdekt wordt, hetzij doordat Hij hen van de aarde wegneemt. Ze worden weggedaan als schuim, om nooit meer terug te komen. Zoals metaal beter wordt als het zijn bijmenging kwijtraakt, zo wordt de gemeente beter als de goddelozen verdwijnen. Deze goddelozen zijn “der aarde”: de goddelozen van de aarde. Ze hebben geen recht om te zijn bij mensen die niet van de wereld zijn.
De Heere ziet dat ze misplaatst zijn en schade doen. Daarom doet Hij hen weg, allemaal, zodat er niet één overblijft om Zijn gemeente aan te tasten. Eens zal dit proces volmaakt zijn. Geen schuim blijft gespaard en geen goud blijft onzuiver. Waar zullen we dan zelf staan als dat grote werk klaar is? “Daarom heb ik Uw getuigenissen lief.” Zelfs Gods strengheid wekt de liefde van Zijn volk. Liet Hij mensen ongestraft zondigen, dan zouden we Hem minder met liefde en bewondering aanzien. Hij is heerlijk in heiligheid, juist doordat Hij Zijn koninkrijk van rebellen ontdoet en Zijn tempel van wie hem ontwijden.
Het zijn kwade dagen. Gods straf over zondaars is het treurige mikpunt geworden van trotse, sceptische disputen. Daarom mogen we het als kenmerk van een echte man van God zien dat hij de Heere niet minder liefheeft, maar juist heel veel méér, vanwege Zijn rechtvaardige oordeel over de goddelozen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 119
“Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim.” In de zichtbare gemeente leven gelovigen en goddelozen door elkaar heen, zoals schuim en goed metaal. Maar God zuivert Zijn gemeente Zelf. Door allerlei beproevingen en oordelen zal Hij zeker verschil maken tussen hen. Aan het eind scheidt Hij hen volkomen en werpt Hij de goddelozen weg als afval. — David Dickson.
Vers 119
Als God anderen oordeelt, kan dat voor ons juist een noodzakelijke liefdesdaad zijn. De goddelozen worden als “schuim” weggehaald. Zo steken ze ons niet aan met hun voorbeeld en vallen ze ons niet lastig met hun vervolging en onderdrukking. Hoe meer ons dat op deze manier te hulp komt, hoe meer we verplicht zijn God met blijdschap te dienen: “Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens” (Luk. 1:74-75). De wereld hoort bij die vijanden, net als de goddelozen van de aarde. Daarom moeten we Hem trouw dienen. — Thomas Manton.
Vers 119
“Gij doet alle goddelozen der aarde weg.” Goddeloze mensen verdwijnen op allerlei manieren. Soms door de hand van anderen, soms door hun eigen hand. De Filistijnen hebben Saul niet gedood. Ze dwongen hem om zichzelf te doden. Toch richt het oog van het geloof zich altijd op de vinger van God, en ziet het dat het Gods werk is wanneer de goddelozen vallen. — William Cowper.
Vers 119
“De goddelozen der aarde.” Waarom noemt de dichter hen zo? Omdat het hun hier voor de wind gaat. “Zij zullen in de aarde geschreven worden” (Jer. 17:13).
Ze worden groot en machtig, en iedereen rekent hier met hen. Judas beheerde de kas. Ze hebben succes in de wereld: “Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld” (Ps. 73:12). Hier worden ze gerespecteerd: “Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen” (1 Joh. 4:5). Hun hart en hun denken zitten vast aan de wereld (Matth. 6:19-20). Het is hun natuur om werelds te zijn. Ze hebben alleen smaak voor wat van de wereld is. Een goede carrière, eer, een groot aanzien: dat is hun “enige grote ding” (unum magnum). Hier hebben ze hun plezier, hier is hun deel, hier liggen hun hoop en hun geluk. Een kind van God zoekt een andere erfenis, die niet vergaat en onbevlekt is. — Thomas Manton.
Vers 119
“Als schuim.” Mensen van deze wereld zien Gods kinderen als het uitschot van de aarde. Zo werd ook Paulus, door God uitgekozen als werktuig, door mensen niets waard gevonden. Maar kijk wat de goddelozen volgens God zijn: niets anders dan schuim, de afval van goud of zilver. Laat dat de godvrezenden sterk maken tegen de minachting van mensen. De Heere alleen heeft de weegschaal in handen, die mensen weegt naar wat ze werkelijk zijn. — William Cowper.
Vers 119
“Schuim.” 1. Schuim doet de glans en pracht van het metaal verdwijnen. Het bedekt het zelfs helemaal, zodat je het niet meer ziet. Roest en vuil zitten om het goud heen en verbergen het, zodat je niet kunt zien wat het is en hoe het glanst. 2. Schuim misleidt. Het lijkt op metaal, maar is het niet. Schuim van zilver ziet eruit als zilver en schuim van goud als goud, maar het is geen van beide. 3. Het vuur verbetert schuim niet. Leg het telkens opnieuw in de oven, het blijft hetzelfde.
- Schuim is waardeloos. Het heeft geen waarde: het is gemeen, laag en verachtelijk. 5. Het is onbruikbaar en wordt weggegooid. 6. Schuim is hinderlijk. Roest vreet zich in het metaal, vormt een gevaar ervoor en dwingt de goudsmid het vuur aan te steken om het van goud en zilver te scheiden. — Samengevat uit William Greenhill.
Vers 119
“Uw getuigenissen.” Zo noemt hij Gods woord zeer vaak, en daarin staan zowel geboden als beloften. Gods geboden gelden voor iedereen. Zijn getuigenissen zijn alleen van Zijn kinderen. Daarmee bedoel ik, nauwkeuriger gezegd, Zijn beloften. Die bevatten bijzondere verklaringen van Zijn liefde en gunst voor de Zijnen in Christus Jezus. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 119
Gods wil leren kennen is de beste hulp op onze reis over de aarde. Of: wat ben ik, waar ben ik, waar ga ik heen en hoe kom ik er?
Vers 119 (eerste zinsdeel)
De vreemdeling op aarde.
- Een korte uitleg. De tekst betekent:
(a) Dat de heilige niet uit de aarde geboren is.
(b) Dat de heilige op aarde niet wordt herkend.
(c) Dat het erfdeel van de heilige niet op aarde ligt.
(d) Dat de heilige op aarde omringd wordt door verdriet en beproevingen.
(e) Dat de heilige de aarde binnenkort verlaat.
- Een korte toepassing.
(a) Wees niet als de wereld.
(b) Wees erop voorbereid dat je op aarde moet lijden.
(c) Houd de wereld op afstand.
(d) Blijf in contact met huis.
(e) Koester broederliefde voor je medevreemdelingen op aarde.
(f) Haast je naar huis.
(g) Spoor anderen aan om met je mee te gaan.
— Duncan Macgregor, preek in “The Shepherd in Israel”, 1869.
Vers 119
Het gebed van de vreemdeling.
- Hoe hij een vreemdeling op aarde werd. Hij was opnieuw geboren. Hij leerde de gewoonten van zijn nieuwe, vreemde thuisland. Hij sprak de taal van zijn vaderland en werd daarom op aarde niet begrepen en afgewezen.
- Hoe hij verlangde naar alles wat aan huis deed denken. De huisregels: “Uw geboden.” Het onderwijs thuis: “verberg … niet.” En vooral de stem van zijn Vader.
- Hoe hij in zijn eenzaamheid troost zocht in contact met zijn Vader.
- Zou je niet graag een vreemdeling willen zijn? — C.A.D.
Wenken voor predikers
Vers 119
Dat de heilige zich neerlegt bij Gods oordelen. — W.B.H.
Vers 119
- Goddelozen worden met schuim vergeleken.
- Hun lot wordt vergeleken met het weggooien van schuim.
- De heilige bewondert Gods rechtvaardigheid, zoals die zichtbaar wordt in het verwerpen van de goddelozen.
Vers 119
God doet de goddelozen weg als schuim.
- Gods oordelen zijn een vuur dat doorzoekt en scheidt.
- Het laatste oordeel van de grote dag voltooit dit scheidingsproces.
- Het grote resultaat is dat het echte metaal en het schuim elk op hun eigen plek terechtkomen. — J.F.
Uitleg
Vers 120
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U.” Zijn ontzag was zo groot in de nabijheid van de Rechter van de hele aarde, over Wiens oordeel hij net had nagedacht, dat hij hevig vreesde en sidderde. Zelfs het ruwere deel van zijn wezen, zijn vlees, voelde een plechtige schrik bij de gedachte dat hij zo’n goede en grote God zou beledigen, Die zo doeltreffend de goddelozen uit de rechtvaardigen zal scheiden. Ach, arm vlees, hoger kun jij niet komen!
“En ik heb gevreesd voor Uw oordelen.” Gods woorden van oordeel zijn plechtig en Zijn daden van oordeel zijn vreselijk. Terecht maken ze ons bang. Denk aan de Rechter van allen: Zijn doordringende blik, Zijn boeken waarin alles is opgetekend, Zijn rechtsdag en de werking van Zijn gerechtigheid. Dan mogen we met reden roepen om gezuiverde gedachten, harten en wegen, zodat Zijn oordelen ons niet treffen. Zien we hoe de grote Smelter het kostbare van het waardeloze scheidt? Dan mogen we een godvrezende angst voelen dat Hij ook ons weg zal doen en achter zal laten, om onder Zijn voeten vertrapt te worden.
Liefde in het vorige vers gaat prima samen met vrees in dit vers. De angst die pijn doet, wordt uitgedreven. Maar de kinderlijke vrees, die tot eerbied en gehoorzaamheid voert, wordt niet uitgedreven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
De vijftiende letter, Samech, betekent steun of pilaar. Dat past goed bij wat deze strofe behandelt. Daarin wordt God tweemaal gesmeekt om Zijn dienaar te ondersteunen (Ps. 119:116-117). De totale vernietiging van wie Gods wet niet serieus nemen of twijfel eraan aanmoedigen, kun je vergelijken met het lot van de Filistijnse vorsten. Simson liet het dak boven hun hoofd instorten van het huis waarin ze feestvierden, door de pilaren omver te duwen die het droegen. — Neale en Littledale.
Vers 120
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U.” In plaats van te juichen over wie onder Gods ongenoegen vielen, vernedert hij zichzelf. Wat we lezen en horen over Gods oordelen over goddeloze mensen, moet ons (1) eerbied geven voor Zijn schrikwekkende majesteit, en ontzag voor Hem. “Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, dezen heiligen God?” 1 Sam. 6:20. (2) Ons bang maken Hem te beledigen en Zijn toorn over ons af te roepen. Ook goede mensen moeten door Gods schrikwekkende oordelen van de zonde worden afgehouden. Dat geldt vooral wanneer het oordeel begint bij het huis van God en huichelaars aan het licht komen en als schuim worden weggedaan. — Matthew Henry.
Vers 120
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U enz.” Als Jehova verschijnt om te oordelen, beeft de aarde en wordt het stil. Ook Zijn beste dienaren ontkomen dan niet aan een ontzagwekkende schrik. Taferelen van dit soort werden de profeten in een visioen getoond, en hun vlees begon te sidderen en al hun botten te beven. We leven met een broos lichaam in een zondige wereld, dus we hebben alle mogelijke banden nodig. Zowel de angst als de liefde moeten we inzetten om onszelf van overtreding terug te houden. We moeten tegelijk “Gods getuigenissen liefhebben en Zijn oordelen vrezen.” — George Horne.
Vers 120
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U enz.” Terwijl ik ’s avonds bad, kreeg ik zulke dichtbije, schrikwekkende beelden van Gods oordelen over zondaars in de hel, dat mijn vlees beefde van angst. Bevend vluchtte ik naar Jezus Christus, alsof de vlammen mij al vastgrepen. O, Christus zal mij werkelijk redden, of ik kom om. — Henry Martyn, 1781-1812.
Vers 120
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U.” Wie veel met mensen omgaat, gaat hen minder respecteren. Met God is dat niet zo. Niemand heeft meer eerbied voor de Heere dan wie Hem het best kent en het meest met Hem omgaat. — William Cowper.
Verzen 120, 116
“Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U … en ik heb gevreesd … en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.” Echte godsdienst is een juiste menging van vrees voor God en hoop op Zijn barmhartigheid. Als een van beide helemaal ontbreekt, kan er van echte godsdienst geen sprake zijn. God heeft deze dingen aan elkaar verbonden, en wij mogen ze nooit van elkaar losmaken. Hij kan geen behagen scheppen in mensen die Hem met slaafse vrees vrezen zonder te hopen op Zijn barmhartigheid. Want zij lijken Hem te zien als een wreed en tiranniek wezen, zonder enige barmhartigheid of goedheid in Zijn natuur.
Bovendien beschuldigen zij Hem zonder het uit te spreken van onwaarheid, omdat zij weigeren te geloven en te hopen op Zijn uitnodigingen en aanbod van genade. Aan de andere kant kan Hij geen behagen scheppen in mensen die beweren te hopen op Zijn barmhartigheid maar Hem niet vrezen. Zij beledigen Hem namelijk door te veronderstellen dat er niets in Hem is wat gevreesd moet worden. Bovendien maken zij Hem tot een leugenaar, omdat zij Zijn ontzagwekkende dreigementen tegen zondaars niet geloven. En zij trekken Zijn gezag in twijfel, omdat zij weigeren Hem te gehoorzamen. Alleen wie Hem zowel vrezen als hopen op Zijn barmhartigheid, geven Hem de eer die Zijn naam toekomt. — Edward Payson.
Vers 120
“Te berge gerezen”, of beven, wordt in strikte zin gezegd van het haar dat van schrik overeind gaat staan (vergelijk Job 4:15). — J.J. Stewart Perowne.
Wenken voor predikers
Vers 120
Gods oordelen over de goddelozen wekken in de rechtvaardigen:
- Liefde.
- Ontzag.
- Vrees.
Vers 120
- Beschrijf wat voor vrees dit werkelijk is.
(a) Het is de vrees van eerbied voor Gods gezag en macht.
(b) Het is de vrees van afschuw voor de zonde, omdat die een oordeel verdient.
- Laat zien dat ze samengaat met kinderlijke liefde.
(a) Hoe meer we van God houden, hoe vaster we geloven dat Zijn oordelen zeker komen en verschrikkelijk zijn.
(b) Hoe meer we van God houden, hoe banger we worden om Zijn tuchtigende roede op onszelf neer te laten komen.
(c) Sterker nog: als we niet van God houden, zijn we ook niet bang dat de zonde ons in het oordeel meesleept.
- Beveel haar aan.
(a) Omdat ze laat zien dat je goed beseft wat de zonde verdient.
(b) Omdat ze laat zien dat je Gods rechtvaardigheid echt waardeert.
(c) Omdat het geen angst is die pijn doet, maar een angst die ons waakzamer maakt en hand in hand gaat met volledig vertrouwen op genade die redt. — J.F.
Uitleg
Vers 121
“Ik heb recht en gerechtigheid gedaan.” Voor een oosterse heerser was dit altijd een groot woord, want deze alleenheersers gaven meestal meer om winst dan om gerechtigheid. Sommigen verwaarloosden hun plicht helemaal en spraken zelfs helemaal geen recht, omdat ze hun plezier boven hun plicht stelden. Anderen, en dat waren er veel, verkochten hun uitspraken aan de hoogste bieder. Ze namen steekpenningen aan of keken naar wie iemand was. Sommige heersers spraken geen recht en deden geen gerechtigheid. Anderen spraken recht zonder gerechtigheid. David deed allebei: hij sprak recht, deed gerechtigheid, en zorgde dat zijn vonnissen ook werden uitgevoerd.
Voor de Heere kon hij zeggen dat hij eerlijk en onpartijdig recht had gesproken, en dat nog steeds deed. Op dit feit bouwde hij een pleidooi om zijn gebed kracht bij te zetten: “Geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.” Wie, voor zover zijn macht strekt, het goede heeft gedaan, mag hopen dat hij wordt bevrijd van zijn meerderen wanneer die hem onrecht willen aandoen. Wil ik zelf anderen niet onderdrukken? Dan mag ik met hoop bidden dat anderen mij ook niet onderdrukken. Een leven van eerlijkheid geeft ons vrijmoedigheid om bij de grote Rechter te pleiten voor bevrijding van het onrecht van anderen.
Zo’n pleidooi is ook niet af te keuren als eigengerechtigheid. Gaat het om onze tekortkomingen tegenover God, dan gebruiken we een heel andere toon dan wanneer we staan tegenover de beschuldigingen van onze medemensen. Gaat het om hen, en zijn we tegenover hen onschuldig? Dan mogen we pleiten op onze onschuld.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 121
Hier begint een nieuw gedeelte van de psalm, aangegeven met de Hebreeuwse letter Ajin. Die letter laat zich niet goed weergeven in ons alfabet, omdat er in onze taal eigenlijk geen letter is die er precies mee overeenkomt. Hij wordt waarschijnlijk het best weergegeven door wat in het Grieks “ademtekens” heet. — Albert Barnes.
Vers 121
“Ik heb recht gedaan” tegen de goddelozen “en gerechtigheid” jegens de goeden. — Simon de Muis, 1587-1644.
Vers 121
“Ik heb recht en gerechtigheid gedaan.” Hier kun je denken aan David als rechter. Dan zien we David midden in een rijke levenservaring, want deze woorden zouden een groot deel van zijn leven omvatten. Wat zou het een zegen zijn als alle heersers na een lange regering zo een beroep op God konden doen! Zo hoort het ook te zijn, want aan Hem zullen ze allemaal uiteindelijk verantwoording moeten afleggen. Zelfs als we ons David voorstellen als iemand die spreekt als gewoon burger, is deze gedachte alle aandacht waard. Voor ouders is het zeer mooi als ze dit over hun omgang met hun kinderen kunnen zeggen, voor bazen over hun knechten, voor iemand over zijn buren. — John Stephen.
Vers 121
“Recht” en “gerechtigheid” worden in de Schrift vaak voor hetzelfde gebruikt. Staan ze naast elkaar, dan is het tweede een bijvoeglijke bepaling bij het eerste. “Ik heb recht en gerechtigheid gedaan” betekent dus: ik heb rechtvaardig recht gesproken, nauwkeurig, tot op een haar. — Joseph Caryl.
Vers 121
Doe wat recht is, en je zult een koning zijn.
Laat dit je bronzen muur van verdediging zijn:
een rein geweten, je van geen schuld bewust,
en nooit verbleken om een misdaad. — Francis’ Horatius.
Vers 121
“Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God”, 1 Joh. 3:21. Deze “getuigenis van ons geweten” is vaak de “roem” geweest van Gods mensen die leden onder onverdiende smaad of “hoogmoedige onderdrukking”. Ze konden zich er zonder aanstoot op beroepen in de aanwezigheid van hun heilige God, Die het hart doorgrondt. Zelfs als de grote, laatste rekenschap dichtbij kwam, hadden ze het strenge, onfeilbare onderzoek van hun Alwetende Rechter misschien wel mogen schuwen. Toch zijn we ons waarschijnlijk niet genoeg bewust van het belang van morele rechtschapenheid voor onze geestelijke troost. Zie hoeveel vrijmoedigheid het David gaf in het gebed: “Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.” — Charles Bridges.
Vers 121
“Geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.” Dat betekent: sta mij bij tegen wie mij onrecht willen doen, want ik doe wat recht is. Ga Zelf tussen mij en mijn vijanden in staan, alsof U mijn onderpand bent. Wie onpartijdig recht spreekt over onderdrukkers, stelt zichzelf als rechter soms bloot aan onderdrukking. Maar wie in zijn ijver voor God het meeste risico loopt, zal ervaren dat God klaarstaat om hun borg te zijn, als ze bidden: “Wees borg voor Uw knecht”, zoals in het volgende vers. — Abraham Wright.
Verzen 121-122
“Ik heb recht en gerechtigheid gedaan.” Maar om dat altijd te blijven doen en daarin nooit tekort te schieten: “Wees borg voor Uw knecht ten goede.” Leid hem zo dat hij steeds smaak heeft in wat goed is. Het gevolg is dan dat “de hovaardigen mij niet onderdrukken.” Want wie stevig staat “ten goede” en zo is gevormd dat alleen wat goed en rechtvaardig is hem bevalt, houdt zo vol dat hij niets te vrezen heeft van “de hovaardigen” die hem belasteren. — Robert Bellarmine.
Wenken voor predikers
Verzen 121-128
Het gebed van een rechtvaardige tegen onrecht. Vanuit de gevangenis van de onderdrukking roept hij God aan om zijn borg te zijn (Ps. 119:121-122). Hij laat horen hoe moe hij is van het verlangen naar bevrijding (Ps. 119:123-125). Hij wijst naar de “tijd” (Ps. 119:126). En hij zegt dat hij Gods wet boven alles liefheeft, anders dan de onderdrukkers, die haar minachten (Ps. 119:127-128).
Wenken voor de dorpsprediker
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door predikant C. A. Davis.
Verzen 121-122
Het dubbele beroep.
- Het beroep op bewuste oprechtheid: “Ik heb recht … gedaan” enz.
- Het beroep op bewuste tekortkoming: “Wees borg voor Uw knecht ten goede.”
C.A.D.
Uitleg
Vers 122
“Wees borg voor Uw knecht ten goede.” Sta in voor mij. Laat Uw arme knecht niet sterven door de hand van zijn vijand, die ook Uw vijand is. Neem mijn belangen in handen, vlecht ze met de Uwe samen en kom voor mij op. Als mijn Meester neemt U de zaak van Uw knechten op U. Treed voor mij op tegenover trotse mensen, tot ze zien wat voor machtige bondgenoot ik heb in de Heere, mijn God.
“Laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.” Als U tussenbeide komt, ben ik gered. Zien de hovaardigen dat U mijn pleitbezorger bent, dan verstoppen ze zich. De duivel, onze trotse tegenstander, zou ons hebben vermorzeld als onze Heere Jezus niet tussen ons en de aanklager was gaan staan en onze borg was geworden. Door Zijn borgtocht ontsnappen we als een vogel aan de strik van de vogelaar. Wat een zegen als we onze zaken in de handen van onze Borg kunnen leggen! Dan weten we dat het goed komt, want Hij heeft een antwoord op elke aanklager en een berisping voor elke lasteraar.
Goede mensen zijn bang voor onderdrukking, want ze maakt zelfs een wijs mens razend. Ze roepen vanuit hun nood naar de hemel om bevrijding. En ze roepen niet tevergeefs, want de Heere neemt de zaak van Zijn knechten op Zich en voert hun strijd tegen de hovaardigen. Het woord “knecht” is verstandig gekozen, als pleidooi om gunst voor zichzelf. Het woord “hovaardigen” is een argument tegen zijn vijanden. Het lijkt onvermijdelijk dat trotse mensen onderdrukkers worden, en dat ze er het meeste plezier in hebben juist mensen te onderdrukken die werkelijk door genade leven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 122
“Wees borg voor Uw knecht ten goede.” Wat David God vraagt voor hem te zijn, dat is Christus voor heel Zijn volk: Hebr. 7:22. Hij kwam dicht bij God, gaf Hem de hand erop, en beloofde met Zijn woord en borgtocht dat Hij de schulden van Zijn volk zou betalen. Hij nam hun plaats in voor de wet en werd voor hen aansprakelijk tegenover de wet en de gerechtigheid. Hij beloofde genoegdoening te geven voor hun zonden, een eeuwige gerechtigheid te brengen voor hun rechtvaardiging, en hen te behoeden en vast te houden, en veilig te brengen naar eeuwige heerlijkheid en gelukzaligheid. En dat is: borg voor hen zijn ten goede. — John Gill.
Vers 122
“Wees borg.” Dit zinsdeel kun je op drie manieren uitleggen, afhankelijk van wat het aanwijst: het doel, de oorzaak of het gevolg. 1. Sta in voor mij, ut sim bonus et justus. Zo leest Rabbi Arama het hier: wees mijn borg, zodat ik goed ben. Theodoretus legt het zo uit: “Sta ervoor in dat ik mijn voornemen waarmaak, Uw wet te houden.” Wie zich verbindt, staat in. We kennen wel Gods geboden, maar als God niet instaat, kunnen we ze nooit uitvoeren. 2. Sta in voor mij zodat ik word geholpen goed te doen.
Zo lezen sommigen het: God neemt geen partij in een kwade zaak. Wie onrecht onder Gods bescherming wil brengen, daagt Hem uit onze straf te vervroegen, zodat we onze onderdrukkers moeten dienen. Maar met een goede zaak en een goed geweten erkent Hij ons als de Zijnen. Verwachten we dat Hij ons overeind houdt en bijstaat in de dienst van de duivel, waarin we ons zelf door onze zonde hebben verstrikt? Dat kan niet.
- Wees met mij ten goede. Zo wordt het vaak vertaald: “Doe aan mij een teken ten goede” (Ps. 86:17). “Bid niet voor dit volk ten goede” (Jer. 14:11). En: “Gedenk mijner, mijn God, ten goede” (Neh. 13:31). Zo ook hier: “Wees borg … ten goede.” — Thomas Manton.
Vers 122
“Wees borg.” Zo bad Hizkia in zijn benauwdheid al: “O HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg” (Jes. 38:14). Zo bad ook Job, die een “scheidsman” zocht die zijn hand zou leggen op hem en op God (Job 9:33). Zo riep de gemeente vóór de menswording om een goddelijke Middelaar. En sinds die gezegende tijd rust het vertrouwen van elke gelovige ziel hierop: onze grote Hogepriester bidt zonder ophouden voor ons in de hemel, en dat is voor ons de waarborg dat we zalig zullen worden. — Agellius en Cocceius, in Neale en Littledale.
Vers 122
“Wees borg.” Hij bedoelt: U weet hoe vals ik word beschuldigd, en hoe slecht er over mij wordt gepraat in streken waar ik zelf niet ben, of waar ik mij niet kan verdedigen. Antwoord dan U voor mij. — William Cowper.
Vers 122
“Wees borg.” Misschien ziet het scherpe oog van de wereld geen enkele vlek op wat ik naar buiten toe belijd. Maar: “Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?” Mijn schuld wordt almaar groter, en de afbetaling lijkt even ver weg als altijd. Ik had met recht kunnen verwachten dat ik “aan mijn onderdrukkers” zou worden overgegeven en dat ik alles zou moeten betalen wat mijn Heere nog te goed had. Maar kijk! “Waar is dan de grimmigheid des benauwers?” Jes. 51:13. De borg is gevonden, de schuld is voldaan, het losgeld is aangenomen, de zondaar is vrij.
In de hemel klonk een stem: “Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden”, Job 33:24. De Zoon van God Zelf stond borg voor een vreemde en “zal zekerlijk verbroken worden”, Spr. 11:15. Tegen een prijs die niemand kan betalen, Zijn kostbaar bloed, heeft Hij mij bevrijd van “mijn onderdrukkers”: zonde, Satan, wereld, dood en hel. — Charles Bridges.
Vers 122
“Wees borg.” Sommigen merken op dat dit het enige vers in de hele psalm is waarin Gods Woord niet wordt aangeduid met een naam als “wet”, “oordelen” of “inzettingen”. En ze voegen daar deze opmerking aan toe: “Waar de Wet tekortschiet, is Christus de Borg van een beter testament.” Weer anderen, die de woorden anders opvatten, vertalen ze zo: “Verzoet Uw knecht ten goede”, of: “laat Uw knecht genieten ten goede”. Dat betekent: maak hem blij en getroost bij het najagen en het genieten van wat goed is. — John Trapp.
Wenken voor predikers
Vers 122
- Borgtocht wordt afgesmeekt.
- Goed wordt verwacht.
- Verplichting wordt erkend: “Uw knecht.”
Vers 122 (eerste zinsdeel)
Eerst leg je uit wat de psalmist bedoelt, zoals uit het vorige vers blijkt. Daarna kun je deze zin gebruiken voor een preek over de borgtocht van Christus, met verwijzing naar Hebr. 7:22.
- Een Borg ten goede is nodig: de diep gevoelde, al is het misschien vage, behoefte van een ziel die gebukt gaat onder zonde.
(a) Het blote bericht dat God uit vrije genade vergeeft, is voor zo’n ziel niet helemaal te geloven. En zelfs als ze het kon geloven, zou het haar geweten geen vrede geven. Want aan de ene kant ziet het geweten de vergeving niet als rechtvaardig en ook niet als verenigbaar met Gods noodzakelijke haat tegen de zonde, terwijl het geweten juist dat inzicht eist. Aan de andere kant laat blote vergeving niet zien hoe er voldaan kan worden aan de plicht Gods wet volmaakt te vervullen, als gerechtigheid. Ook dat wil het geweten zien voordat het tot rust kan komen. Luthers ervaring.
(b) De Schrift zegt ons nu juist dat God “den goddeloze rechtvaardigt”, en dat Zijn “rechtvaardigheid” te zien is doordat Hij zondaars rechtvaardigt: Rom. 3:25. Hij kan zonden vergeven en daarbij rechtvaardig blijven. Hij kan zondaars als rechtvaardigen behandelen en tóch rechtvaardig zijn terwijl Hij dat doet. Hoe kan dat? Door een Borg. Dus wat een zondaar echt nodig heeft, is een Borg.
- Er is een Borg. Jezus is de Borg.
(a) Hij nam onze verplichting op Zich om de straf van de wet te dragen, en voldeed daaraan in Zijn dood. Zo is vergeving voor ons genade, maar jegens Christus een daad van gerechtigheid.
(b) Hij nam onze verplichting op Zich tot volmaakte gehoorzaamheid, en voldeed daaraan door de wet te vervullen. Als God ons dus als rechtvaardigen behandelt, is dat jegens Christus alleen maar rechtvaardig.
(c) God heeft laten zien dat Hij tevreden is met het ambt van Christus en met Zijn werk, door Christus op te wekken en te verheerlijken. Dus er is een Borg die goed bekendstaat en die werkelijk iets kan.
- Een Borg is dichtbij.
(a) In het evangelie komt Christus als Borg net zo echt naar de zondaar toe, alsof Hij Zijn troon had verlaten en persoonlijk kwam.
(b) Hij is zo dichtbij dat een zondaar het evangelie alleen maar in zijn hart hoeft te ontvangen om Christus te ontvangen.
(c) Christus, aangenomen als Borg, is de Borg voor ieder die Hem aanneemt. — J.F.
Uitleg
Vers 123
“Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil.” Hij huilde, hij wachtte en hij speurde naar de reddende hand van God. Door al die inspanning raakten de ogen van zijn geloof bijna uitgeput. Hij keek alleen naar God uit. Hij keek verlangend, hij keek lang, hij keek tot het pijn deed. Gelukkig bezwijkt God niet wanneer onze ogen bezwijken, en Zijn ogen evenmin. Ogen zijn tere dingen, en ons geloof, onze hoop en onze verwachting zijn dat ook. De Heere vraagt van hen nooit meer dan ze kunnen verdragen. “En naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid”: een woord waarmee de onrechtvaardige woorden van zijn onderdrukkers zouden verstommen.
Zijn ogen, net als zijn oren, wachtten op wat de Heere zou zeggen. Hij wachtte tot Gods woord zou klinken als een bevel dat hem bevrijdde. Hij wachtte op het vonnis, het vonnis van de rechtvaardigheid zelf. Wat zijn we gelukkig als de gerechtigheid aan onze kant staat! Dan is wat zondaars doet sidderen onze hoop, en wat de hoogmoedigen vrezen onze verwachting en ons verlangen. David legde zijn goede naam helemaal in de hand van de Heere. Hij wilde liever door het woord van de Rechter worden vrijgesproken dan door een verdediging die hij zelf kon verzinnen.
Hij wist dat hij goed had gehandeld. Daarom ontweek hij het hoogste gerechtshof niet, maar vroeg hij juist om het vonnis, waarvan hij wist dat het hem zou bevrijden. Met gretige ogen wachtte hij zelfs op het oordeel en de verlossing: het woord van gerechtigheid van God, dat voor hemzelf redding betekende.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 123
“Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil.” In tijden van groot verdriet, als zorgen op het hart drukken en het gevaar van alle kanten dreigt, laat het menselijk oog verrassend precies zien hoe benauwd en bang de ziel is. Hier zien we iemand die zich omringd weet door geduchte vijanden. Hij voelt hoe zwak hij is en dat hij het niet tegen hen opkan. Maar hij kijkt vol verlangen uit naar de komst van een toegewijde, machtige vriend, die hem in zijn nood hulp heeft beloofd. Maar zijn vriend laat op zich wachten, en zo groeien zijn angst en zijn zorgen met het uur, totdat zijn ogen dof worden en bijna dichtvallen van al dat turen naar zijn grote redder.
Zo was het met de smekeling die hier wordt beschreven. Zijn vijanden stonden klaar om hem op te slokken. Behalve van de hemel verwachtte hij geen enkele uitkomst meer. Hij nam zijn toevlucht tot Gods beloften. Terwijl hij wachtte tot ze zouden uitkomen en met stijgend verlangen uitkeek naar het woord van Gods gerechtigheid, liet hij deze moedeloze verzuchting horen: “Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil.” Och, hadden wij maar zulke warme en onstuimige verlangens naar het grote heil! Dat heil zal ons de overwinning geven over al onze geestelijke vijanden. Dan kunnen we in alle eeuwigheid victorie juichen in de naam van onze almachtige Redder! — John Morison.
Vers 123
“Mijn ogen zijn bezweken … naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.” De woorden van de belofte mogen dan niet zijn uitgekomen en lijken ook niet uit te zullen komen: toch moet het geloof de belofte als waar en betrouwbaar erkennen. — David Dickson.
Vers 123
“Naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.” Dit kan de belofte van heil zijn, die de Heere in gerechtigheid had gegeven. Wat een verbluffend argument: God aanroepen op grond van Zijn eigen gerechtigheid, om verlossing te vragen! En toch, hoe waar het is! Het kan ook het woord zijn van Zijn rechtvaardigheid: de uitspraak van het recht, een rechtvaardige beslissing tussen hem en zijn onderdrukkers. Hij had gewacht tot de Heere tussenbeide zou komen en alles zou vervullen wat Hij de gelovige had beloofd. De Heere zal Zijn eigen mensen recht doen. Zit iemand diep in de moeilijkheden? Wacht hij op de Heere om tussenbeide te komen, aan Wie hij zijn zaken heeft toevertrouwd? Blijf dan wachten, houd vol. Hij zal een hoop die uit genade komt niet teleurstellen. — John Stephen.
Vers 123
“Naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid”, of: “het woord van Uw gerechtigheid”. Dat wil zeggen: naar het vonnis van gerechtigheid over mijn onderdrukkers, zoals het eerste deel van het vers laat zien. Want als dit vonnis wordt uitgesproken, komt dat op hetzelfde neer als het schenken van het heil waar de psalmist zo vurig naar verlangt. — George Phillips.
Wenken voor predikers
Vers 123
Heilige verwachting: lang volgehouden en in gevaar van bezwijken. Dit feit als reden aanvoeren. Redenen om haar nooit op te geven.
Uitleg
Vers 124
“Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid.” Hier komt hij weer bij zinnen en bezint hij zich. Tegenover mensen was hij zo zuiver dat hij het woord van gerechtigheid mocht eisen. Maar tegenover de Heere voelde hij zich Zijn knecht, en dan moest hij een beroep doen op barmhartigheid. Daar voelen we ons het veiligst en het meest thuis. Ons hart is rustiger bij de roep “O God! wees mij zondaar genadig!” dan bij een beroep op gerechtigheid. Het is mooi als je kunt zeggen: “Ik heb recht en gerechtigheid gedaan”, en daar in alle nederigheid aan toevoegt: “Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid.” In de titel “knecht” zit een pleidooi verborgen.
Een meester moet de goede naam van zijn knecht zuiveren als die ten onrechte wordt beschuldigd, en hem redden van wie hem willen onderdrukken. Bovendien hoort een meester zijn knecht barmhartig te behandelen, ook als hij tegen een vreemde streng is. De Heere is zo goed dat Hij met Zijn knechten omgaat en met hen spreekt. Hij wijst hen niet af maar zoekt gemeenschap met hen. Hij doet dat zacht en barmhartig, want op elke andere manier zouden we tot stof worden vermorzeld. “En leer mij Uw inzettingen.” Dit is een manier om ons met barmhartigheid te behandelen.
Van een meester mogen we verwachten dat hij zijn eigen knecht uitlegt wat zijn eigen opdrachten betekenen. Maar onze onwetendheid komt voort uit onze eigen zondige domheid, en daarom is het een grote barmhartigheid van God dat Hij Zich vernedert om ons Zijn geboden te leren. Dat onze Heerser onze leraar wordt, is een daad van grote genade, waar we nooit genoeg dankbaar voor kunnen zijn. Van al onze zegeningen is dit een van de uitgelezenste.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 124
“Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid.” Ben ik een “knecht” van God? Dan kan ik mijn diensten alleen op grond van “barmhartigheid” bij Hem brengen. Ik voel dat ik, zelfs voor het beste wat ik doe, een onmetelijke wereld aan barmhartigheid nodig heb: barmhartigheid die vergeeft, die redt en die eeuwig duurt. En toch durf ik door het bloed van Jezus voor mijn ziel te pleiten: “Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid.” Maar ik ben niet alleen schuldig, ik ben ook onwetend. En ik durf niet om goddelijk onderwijs te bidden, hoe dringend en hoe voortdurend ik het ook nodig heb, voordat ik opnieuw barmhartigheid heb ontvangen.
“Barmhartigheid” is de eerste zegen, niet alleen in belang maar ook in volgorde. Ik moet de Heere zoeken en Hem als Redder leren kennen, voordat ik met vertrouwen naar Hem toe kan gaan om mijn leraar te zijn. Maar zodra mijn smeekbede “Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid” is verhoord, ligt de weg open om mijn smeekbede voort te zetten: “Leer mij Uw inzettingen. Maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.” Dan kan ik ze kennen en er niet alleen mee wandelen, maar ze zelfs lopen: “Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben”, Ps. 119:32.
Mijn pleidooi is hetzelfde als wat ik eerder met succes heb aangevoerd (Ps. 119:94): “Ik ben Uw.” — Charles Bridges.
Vers 124
“Uw goedertierenheid.” Het hele jaar, elk uur van elke dag, zegent God ons rijkelijk. Of we slapen of wakker zijn: Zijn goedertierenheid wacht op ons. De zon kan stoppen met schijnen, maar onze God zal Zijn kinderen nooit ophouden te verkwikken met Zijn liefde. Als een rivier stroomt Zijn goedertierenheid altijd door, even onuitputtelijk als Zijn wezen Zelf, dat haar bron is. Net als de dampkring die de aarde altijd omringt en klaarstaat om het leven van de mens te dragen, omringt Gods goedheid al Zijn schepselen.
Daarin leven en bewegen ze en zijn ze, helemaal in hun eigen element. Maar zoals de zon op zomerdagen ons met warmere, helderder stralen blij lijkt te maken dan anders, zoals rivieren in sommige seizoenen door de regen zwellen, en zoals de lucht soms frisser, sterker of milder aanvoelt dan eerder: zo is het ook met Gods barmhartigheid. Ze kent haar gouden uren en haar dagen van overvloed, waarop de Heere Zijn genade groot maakt en Zijn liefde hoog opheft voor de mensenkinderen. — C.H.S.
Vers 124
“Leer mij.” David had Nathan en Gad, de profeten, en daarnaast de gewone Levieten om hem te onderwijzen. Hij las Gods woord ijverig en overdacht de wet dag en nacht, zonder ophouden. Toch erkent hij dat al dat werk niets betekende, als God hem niet Zelf onderwees. Andere leraren spreken tot het oor, maar God spreekt tot het hart. Zo preekte Paulus voor Lydia, maar het was God Die haar hart opende. Laten we om deze genade bidden. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Verzen 124-125
De knecht van God.
- Hij legt een belijdenis af: “Ik ben Uw knecht.”
- Hij belijdt zijn schuld, zijn traagheid en zijn onwetendheid.
- Hij bidt om barmhartigheid, verstand en onderwijs.
C.A.D.
Vers 124
Hemels onderwijs is een grote barmhartigheid.
Vers 124
- Zijn vertrouwen in Gods barmhartigheid.
- Zijn overgave aan Gods gezag.
- Zijn bede om goddelijk onderwijs. — G.R.
Vers 124
Een volmaakt gebed.
- De inhoud ervan.
(a) Er staat niets overbodigs in: geen vraag om rijkdom of eer, of om iets anders wat een wereldmens wil hebben.
(b) Er ontbreekt niets: “Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid” omvat alles wat een schuldige ziel nodig heeft, en “leer mij Uw inzettingen” omvat alles waar een heilige zich zorgen over hoeft te maken.
- De manier waarop er gebeden wordt.
(a) Het is direct en duidelijk.
(b) Het is eenvoudig en vurig.
(c) Het is eerbiedig en toch vrijmoedig.
- De geest ervan.
(a) “Doe bij Uw knecht”: een gevoel van verplichting, van toewijding, van wijding aan heilig werk.
(b) “Doe … naar Uw goedertierenheid”: een gevoel van onwaardigheid, passende nederigheid, overgave aan Gods wil over de vorm die de barmhartigheid zal krijgen, en groot geloof in de barmhartigheid, haar vrijheid en haar toereikendheid.
(c) “Leer mij Uw inzettingen.” Verlangen naar heiligheid, besef van onwetendheid en zwakheid, en van afhankelijkheid van de bijzondere geestelijke invloed van God. — J.F.
Uitleg
Vers 125
“Ik ben Uw knecht.” Dit is de derde keer dat hij deze titel gebruikt, in dit ene gedeelte. Hij houdt duidelijk van deze naam en ziet haar als een bijzonder krachtig argument. Wij zijn blij dat we kinderen van God zijn, maar we vinden het daarom niet minder heerlijk Zijn knechten te zijn. Heeft de eerstgeboren Zoon niet de gedaante van een knecht aangenomen en het werk van een knecht tot het einde toe gedaan? Welke hogere eer kunnen de jongere broers verlangen dan aan de Erfgenaam van alle dingen gelijk te worden gemaakt?
“Maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.” In het vorige vers vroeg hij om onderwijs. Hier gaat hij veel verder en smeekt hij om inzicht. Meestal geeft de leraar het onderwijs, en brengt de leerling zelf het inzicht mee. In ons geval hangen we veel meer van Hem af. We moeten om inzicht bedelen, en ook om onderwijs. Een gewone leraar kan dat niet geven, en wat zijn we gelukkig dat onze goddelijke Leermeester het wél kan. We moeten onszelf dwazen noemen, en dan maakt onze Heere ons wijs en geeft Hij ons ook kennis.
Het beste inzicht is dat wat ons in staat stelt volmaakt te gehoorzamen en met verstand te geloven. Dat is wat David verlangt: “Maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.” Sommigen willen die dingen liever niet weten. Ze zitten liever lekker in het donker dan dat ze het licht hebben dat tot bekering en ijver leidt. De knecht van God verlangt ernaar met begrip alles te kennen wat de Heere over de mens en aan de mens bekendmaakt. Hij wil zo worden onderwezen dat hij vat en doorgrondt wat hem geleerd wordt. Een knecht mag niet onwetend zijn over zijn meester en over alles wat zijn meester doet. Hij moet zijn denken, zijn wil, zijn plan en zijn doel bestuderen, want alleen zo kan hij zijn dienst afmaken. En niemand kent die dingen zo goed als zijn meester zelf. Daarom moet hij vaak bij hem komen voor instructies, anders maakt zijn ijver hem alleen maar een grotere knoeier.
Het valt op dat de psalmist niet bidt om inzicht via het opdoen van kennis. Hij bidt de Heere eerst om de genadige gave van inzicht, en daarna pas om het gewenste onderwijs. Alles wat we weten voordat we inzicht hebben, bederft ons snel en maakt ons ijdel. Maar is er eerst een hart dat inzicht heeft, dan maakt een voorraad kennis de ziel rijker en brengt ze geen zonde of verdriet met zich mee. Bovendien werkt deze gave van inzicht ook als onderscheidingsvermogen. Zo wordt de goede mens ervoor behoed om dingen die vals en gevaarlijk zijn te verzamelen. Hij weet wat wél en wat niet de getuigenissen van de Heere zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 125
“Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig enz.” Ik ben voor U geen onbekende. Ik ben Uw eigen huisknecht, die bij U in dienst is. Laat mij nooit een genade missen die ik nodig heb om U te kunnen dienen. — William Cowper.
Vers 125
“Ik ben Uw knecht.” Ben jij een knecht van God? Zie dat dan als jouw grootste eer en jouw grootste geluk. — Martin Geier.
Wenken voor predikers
Vers 125
- Een ambt wordt aanvaard.
- Er wordt om geschiktheid gevraagd.
- Er wordt naar onderscheidingsvermogen verlangd.
Vers 125
- Een vrolijke erkenning: “Ik ben Uw knecht.”
- Een verlangen dat daarin besloten ligt: nog beter te dienen.
- Een behoefte die wordt erkend: goddelijk onderricht voor heilige dienst.
- Een pleidooi dat wordt aangevoerd: “Ik ben Uw knecht”, en daarom: “leer mij” enz.
W.H.J.P.
Uitleg
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.” David was een knecht, dus voor hem was het altijd tijd om te werken. Maar het godsdienstloze gedrag van de mensen drukte op hem. Daarom voelt hij dat de hand van zijn Meester nodig is, en roept hij Hem op te werken tegen het werk van het kwaad. Mensen verbreken Gods wet op allerlei manieren. Ze ontkennen dat het Zijn wet is. Ze maken geboden en leerstellingen bekend die er lijnrecht tegenin gaan. Ze zetten de traditie op haar plaats.
Of ze negeren en verachten het gezag van de Wetgever gewoon helemaal. Dan wordt zonde in de mode, en een heilige levenswandel geldt als vervelend puritanisme. Slechtheid heet dan plezier, en ijdelheid voert de boventoon. Dan verlangen de heiligen smachtend naar de aanwezigheid en de kracht van hun God. O, één uur de Koning op de troon met Zijn ijzeren staf! O, nog een Pinksteren met al zijn wonderen, om de kracht van God te laten zien aan wie Hem tegenspreken, zodat ze zien dat er een God in Israël is! De nood van de mens, of die nu uit gebrek komt of uit zonde, is Gods gelegenheid.
Toen de aarde woest en leeg was, kwam de Geest en bewoog Zich over het water. Zou Hij dan niet komen als de samenleving terugglijdt in zo’n chaos? Toen Israël in Egypte was teruggebracht tot het diepste punt en het leek alsof het verbond niets meer waard zou zijn, trad Mozes op en deed hij machtige wonderen. Zo mogen ook wij, als Gods gemeente wordt vertrapt en haar boodschap wordt bespot, verwachten dat Gods hand wordt uitgestrekt: om de godsdienst op te wekken, de waarheid te verdedigen en Gods naam te verheerlijken. De Heere kan op twee manieren werken.
Of Hij doet het met oordelen, die de wallen van de vijand neerhalen. Of Hij doet het met opwekkingen, die de muren van Zijn eigen Jeruzalem opbouwen. Wat mogen we de Heere van harte bidden om nieuwe evangelisten te sturen, om de evangelisten die we al hebben nieuw leven te geven, om Zijn hele gemeente in vuur en vlam te zetten en de wereld aan Zijn voeten te brengen! Gods werk is altijd eervol en heerlijk. Ons werk is niets zonder Hem.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke.” Is er ooit een schip zo hopeloos op volle zee in de windstilte beland? Heeft een bemanning ooit zo woest gesmeekt om een gunstige wind als de mensen zouden moeten doen die de gemeente van de levende God bemannen? Werkt God niet, dan staat de gemeente niets anders te wachten dan een volledige nederlaag en ondergang. De wereld is groter dan de gemeente, wanneer God niet in haar woont. Maar als God in haar woont, zal ze niet wankelen. Moge Hij haar helpen, en dan vroeg in de morgen!
Als Hij opstaat om te werken, weten we niet in welke vorm en op welke manier. Hij werkt naar de raad van Zijn eigen wil. En wie weet: als Hij eenmaal wakker wordt en Zijn kracht aandoet, blijven de gevolgen misschien niet beperkt tot het onmiddellijke en uitsluitende levendmaken van het geestelijk leven van de gemeente. Misschien gaat het samen met onverwachte omwentelingen en schokken in de loop van de wereld, die het hart van de wereld met verbazing en schrik vervullen. Zijn geestelijk koninkrijk staat immers niet los van de rest. Het is nauw verbonden met het stoffelijke heelal, met de menselijke samenleving en met het leven van volken.
Er zijn tijden geweest dat God werkte en dat de tekenen van Zijn aanwezigheid zichtbaar waren. Volken werden vreselijk geschud, oud onrecht werd met wortel en tak omgeploegd, verpletterende tirannieën werden neergeslagen en volken werden bevrijd wier leven één lange, hopeloze zucht was geweest. Er zijn ook vele tijden geweest waarin Hij werkte door de elementen van de natuur. Hij deed dat door verschroeiing en meeldauw, door overstromingen en hongersnood, door sprinkhaan, rups en kevers. Hij deed het door een kwijnende handel, met machines die in de fabriek wegroesten en schepen die in de haven wegrotten.
Al deze dingen zijn Zijn dienaren. Soms is de slaap van de wereld, en ook van de gemeente, zo diep dat alleen krachten als wind, vuur of aardbeving hem kunnen verbreken. Die deden de profeet sidderen bij de ingang van de grot. Zonder hen had de stem die daarna kwam, zo stil, zo zacht en teder, veel van haar vermogen verloren om te ontroeren en te overwinnen. Wanneer de samenleving is verdoofd door de Circebeker van wereldsgezindheid, en de stemmen die uit de eeuwigheid komen worden genegeerd als ze al niet worden gehoord, heeft zelfs de schrik een barmhartige opdracht.
De lichtzinnige, oppervlakkige harten van mensen moeten ernstig worden gemaakt. Hun afgoden moeten worden stukgeslagen. Hun nesten moeten worden gestenigd of uit de bomen worden geslagen, waar ze die met zoveel zorg hadden gebouwd. En ze moeten leren dat dit leven, als het alles is, niet meer is dan een schim en een bespotting. Als de dag van de Heere komt, waarop Hij begint te werken, laten we ons dan niet verbazen als die dag zal zijn: “tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; en tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, … en tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur; en tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen. En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.” Maar dit werken van God zal ook andere vormen aannemen.
Zien we het niet wanneer de gemeente weer bezield raakt van geloof in haar eigen belijdenis, voor zover die belijdenis het fiat van Gods Woord heeft? Gelooft de gemeente haar belijdenis? Ze schrijft haar op, legt haar uit, zingt haar en verdedigt haar. Maar gelooft ze haar ook, tenminste met een geloof dat zelf enthousiasme wekt of respect afdwingt van de wereld? Zijn de waarheden, die de geordende symbolen van de gemeente vormen, niet stellingen geworden in plaats van levende krachten? Liggen ze niet met bijgelovig ontzag gebalsemd in de ark van de overlevering, liefdevol bewaard om wat ze zijn geweest en wat ze hebben gedaan?
Maar vergeet men niet dat ze, als ze waarheden zijn, niet dood zijn en niet kunnen sterven? Ze zijn nu waar, of ze waren nooit waar. Ze leven nu, of ze hebben nooit geleefd. De tijd kan hen niet raken, menselijke meningen ook niet, en de loomheid of het ongeloof van de gemeente evenmin, want ze zijn uitstralingen van Gods wezen, doortrokken van Zijn eigen leven dat nooit vergaat. Ze zijn geen machinerie die ouderwets en achterhaald kan worden en wordt vervangen door betere uitvindingen. Ze zijn geen beleidsmethoden, opgesteld voor voorbijgaande omstandigheden en dus mee verdwijnend.
Ze zijn ook geen steigers, waarbinnen van eeuw tot eeuw andere en hogere waarheid moet worden opgebouwd. Ze zijn als Hij Die het einde is van onze wandel: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” Er is er niet één van die de gemeente niet zou kleden met een nieuwe, wonderlijke kracht, als het geloof dat ze wekt maar even groot was als haar eigen waarde. Maar wat voor kracht zou dat zijn als dat geloof ze allemaal omvatte? Het zou leven uit de doden zijn. — Enoch Mellor (1823-1881), in “The Hem of Christ’s Garment, and other Sermons.”
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke.” Hiermee wordt sterk benadrukt dat Gods eigen werk op Zijn eigen tijd gedaan moet worden. Alsof de psalmist wilde zeggen: “Wij kunnen God niet voorschrijven wanneer en bij welke gelegenheid Hij Zijn macht moet tonen en het gezag van Zijn wet moet verdedigen. Alles wat Hij doet, doet Hij op het juiste moment. Op de juiste tijd zal Hij hen straffen die Zijn wet hebben verbroken en die er een slechte naam mee hebben gekregen om hun goddeloosheid en slechtheid.” — George Phillips.
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE.” Het is als wanneer een ziekte erger wordt: je haast je naar de dokter, zodat hij sneller komt en later niet te laat is om nog iets te kunnen doen. Zo zag de profeet in de Heilige Geest de opstand van het volk, met zijn weelde, zijn genoegens, zijn bedrog, zijn oplichterij, zijn hebzucht en zijn dronkenschap. Daarom rent hij, om ons te helpen, naar Christus. Hij wist dat alleen Hij zulke zonden kon genezen. Hij smeekt Hem te komen en duldt geen uitstel. — Ambrosius, in Neale en Littledale.
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke.” Het ongeloof is nog nooit zo sluw, zo schadelijk, zo aannemelijk en misschien zo succesvol geweest als in onze dagen. Het heeft het lage terrein van platheid, grofheid en schunnige taal verlaten en heeft zich verschanst op de hoge toppen van kritiek, taalwetenschap en zelfs wetenschap zelf. In angstaanjagende mate is het doorgedrongen in onze populaire literatuur. Het heeft zich omringd met de charme van poëzie, om de publieke geest te betoveren. Het heeft ook geprobeerd zich in de wetenschap te verweven. En wie niet weet dat een groot deel van de ontwikkelde mensen van deze generatie het ongeloof omarmt, weet weinig van de opinies in dit land. “Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke.” — John Angell James, 1785-1859.
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke enz.” Het is tijd dat Hij de Messias zendt, om gerechtigheid te werken, om de wet te vervullen en om de eer ervan te herstellen, die door mensen was geschonden. De Joden hadden altijd het idee dat de Messias zou komen in een tijd van grote goddeloosheid op aarde. Dat lijkt in overeenstemming met het woord van God, en het was ook in werkelijkheid waar. Zie Matth. 2:17; 3:1-3, 15-16; 4:2. — John Gill.
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke enz.” Het is waar, Heere, dat wij U geen tijden en grenzen hoeven voor te schrijven. U bent immers de Oude van dagen, de Schepper en het doel van de tijd. We beelden ons ook niet in dat we kunnen binnenstormen in Uw binnenkamer om “de tijden of gelegenheden” te weten, “die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft”. Toch hebt U ons geleerd om de tekenen van de tijd te herkennen, zoals we ook het uiterlijk van de hemel kunnen lezen. En U hebt ons geleerd uit de oorzaak het gevolg te verwachten dat er onvermijdelijk op volgt.
“Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid” (Ps. 103:8). U draagt veel onrecht van de mensenkinderen. Hun zonden drukken U zwaar, zoals een wagen onder zijn schoven. Maar blijven ze U toch maar belasten, dan zult U Zich van die last bevrijden en hem op de grond van verwarring gooien. “De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig” (Nah. 1:3). Lange tijd zwijgt U over de zonden van mensen. U blijft stil en houdt Zich in. Maar als mensen zich niet bekeren, slijpt U Uw zwaard, spant U Uw boog en maakt U die klaar.
U bent geduldig. U houdt Uw hand lange tijd tegen. Maar het komt een moment dat het voorhoofd van de zonde niet meer rood wordt van schaamte, dat de lijst van overtredingen van oost tot west steeds langer wordt, dat hun geschreeuw door de wolken heen dringt, dat de goddeloosheid haar toppunt heeft bereikt en haar vruchten rijp en vol zijn. Dan is het tijd voor U, Heere, om dit op te merken, om als een reus wakker te worden en Uw alles wrekende hand in te zetten.
Maar onze zonden zijn al rijp, ja, zo rijp dat ze rotten. De maat van onze ongerechtigheid is tot de rand toe vol. Ons land is ongetwijfeld diep in ongerechtigheid weggezakt. Onze tongen en onze daden zijn tegen de Heere gericht, om “de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren”. “Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen” (Jes. 3:8-9). Ja, we roepen onze zonden uit als Sodom en we verbergen ze niet. Het geschreeuw van onze zonden is buitengewoon zwaar. Hun gegil dringt door de hemelen heen en brult met luide stem: “Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser?” En: “Zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?” Openb. 6:10, Jer. 9:9. — George Webbe, in “A Posie of Spiritual Flowers”, 1610.
Vers 126
“Het is tijd voor den HEERE.” Sommigen vertalen het zo, en de grondtekst staat dat toe: “Het is tijd om voor den HEERE te werken.” Dan is het de tijd waarop ieder op zijn eigen plaats voor de Heere moet opkomen, tegen de dreigende opmars van goddeloosheid en zedeloosheid. We moeten alles doen wat we kunnen om de belangen van de godsdienst, die aan het wegzinken zijn, overeind te houden. En als we dat gedaan hebben, moeten we God smeken het werk Zelf ter hand te nemen. — Matthew Henry.
Vers 126
“Zij hebben Uw wet verbroken.” In het tweede vers van deze strofe klaagde hij dat de hovaardigen hem zouden onderdrukken. Nu zegt hij dat ze Gods wet vernietigen. Wie zijn dan Davids vijanden, die hem onderdrukken? Dat zijn alleen mensen die ook God tot vijand hebben en Zijn wet te gronde willen richten. Dat troost ons enorm. Hebben we de Heere lief en proberen we Hem met een zuiver geweten te dienen? Dan hebben we geen andere vijanden dan degenen die ook Gods vijanden zijn. — William Cowper.
Vers 126
“Zij hebben Uw wet verbroken.” Het lijkt of ze niet alleen tegen de wet zondigen, maar de wet weg willen zondigen. Ze onttrekken zich niet alleen aan haar gehoorzaamheid, maar willen haar de wereld uit jagen. Gods heilige besluiten moeten ongeldig worden en worden ingetrokken, zodat niemand hun eigen goddeloze daden nog ter discussie stelt. En om te voorkomen dat de Wet de macht heeft hen te straffen, ontzeggen ze haar de macht om over hen te regeren. Dat is de kracht van het eenvoudige woord dat hier staat, als het wordt gebruikt voor het ergste overtreden van Gods wet. — Joseph Caryl.
Verzen 126-127
Alles maakt een heilige beter. Niet alleen de verordeningen, het woord, de sacramenten en het heilige gezelschap, maar zelfs zondaars en hun zondigen. Ook zij brengen zijn genaden in beweging en brengen hem tot godvruchtige, gebroken rouw. Een heilige zeilt met alle winden mee. Zoals de goddelozen door de beste dingen worden geschaad, zo worden de godvrezenden door de slechtste dingen beter. “Want zij hebben Uw wet verbroken. Daarom heb ik Uw geboden lief.” Hoe meer de wereld de heiligheid veracht, hoe meer de godvrezenden haar erkennen. De uitnemendste heiligen waren die van “het huis des keizers” (Nero), Filipp. 4:22.
Zij die Gods naam hielden, waren zij die woonden “daar de troon des satans is”, Openb. 2:13. IJver voor God wordt heter door tegenstand, en daardoor doen de godvrezenden hun best het meest om Gods eer te herstellen. — William Jenkyn (1612-1685), in “The Morning Exercises”.
Wenken voor de dorpsprediker
Verzen 126-128
- Een vreselijk feit: “Zij hebben Uw wet verbroken”: Ps. 119:126.
- Twee gezegende conclusies: “Daarom”, “Daarom” enz.: Ps. 119:127-128.
Vers 126
Ze maken de wet krachteloos door de inspiratie te ontkennen, door de overlevering te verheffen, door antinomianisme, door twijfel, door onverschilligheid enz.
Vers 126
- Er zijn tijden waarin de zonde bijzonder actief is en de boventoon voert.
- Zulke tijden laten zien hoe afhankelijk de gemeente van God is.
- Zulke tijden wekken in de gemeente het verlangen dat God ingrijpt.
- Zulke tijden zijn de tijden waarop God opstaat om Zijn eigen zaak te bepleiten. — W.H.J.P.
Vers 126
- Het werk wordt verwacht: Gods wet wordt gerechtvaardigd.
- Het werk wordt uitgesteld.
- Het werk wordt uitgevoerd: “Het is tijd” enz. — G.R.
Uitleg
Vers 127
“Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.” Het was Gods tijd om te werken, en zo was het Davids tijd om lief te hebben. Hij liet zich niet meeslepen door het voorbeeld van slechte mensen om net als zij de Schrift te minachten. Het bracht hem juist tot een nog vurigere liefde ervoor. Zag hij hoe de goddelozen de geboden minachtten? Dan voelde zijn hart mee met God, en brandde hij van genegenheid voor Zijn heilige voorschriften. Het is het kenmerk van een echte gelovige dat hij voor zijn geloof niet van anderen afhangt. Hij drinkt water uit zijn eigen put, die blijft opwellen, ook als alle regenbakken van de aarde zijn opgedroogd.
Terwijl iedereen de wet kleineerde, voelde onze heilige dichter zijn eigen waardering ervoor zó hoog stijgen dat goud en zilver erbij verbleekten. Rijkdom brengt zoveel gemakken met zich mee dat mensen haar vanzelf waarderen, en goud, als symbool ervan, wordt hoog geschat. En toch zijn Gods wetten volgens wijze mensen verrijkender en geven ze meer troost dan alle kostbaarste schatten. De psalmist kon niet opscheppen dat hij de geboden altijd had gehouden. Maar hij kon wel verklaren dat hij ze liefhad. Hij was oprecht van hart en zou graag ook volmaakt zijn geweest in zijn leven. Hij oordeelde Gods heilige geboden beter dan het beste wat de aarde heeft, ja, beter dan de beste soort van het beste wat de aarde heeft. Die waardering werd bevestigd en kwam tot uitdrukking door juist de tegenstand van de wereld, die huichelaars ertoe brengt de Heere en Zijn wegen te verlaten.
Hoe feller zij woeden, des te meer
heb ik Uw woorden lief, o Heer:
een erfdeel, rijker dan het fijnste goud,
meer waard dan alle edelstenen samen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 127
“Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud enz.” Ten dele omdat het een bewijs van hun voortreffelijkheid is dat de slechtste mensen er een hekel aan hebben. Ten dele uit terechte verontwaardiging en verzet tegen mijn gezworen vijanden. En ten dele omdat de grote, algemene afval van anderen deze plicht nog noodzakelijker maakt, om hun eigen terugval en die van anderen te voorkomen. — Matthew Pool.
Vers 127
“Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.” Het beeld dat hier wordt gebruikt, laat ons de vrek zien. Zijn hart en zijn schat liggen in zijn goud. Wat een genot beleeft hij aan het tellen! Wat waakt hij over zijn bezit! Hij verbergt het veilig, zodat hij niet wordt beroofd van wat hem dierbaarder is dan zijn leven. Zo moeten christenen zijn: geestelijke vrekken, die hun schat tellen, die “meer dan het fijnste goud” is. Ze moeten haar in hun hart verbergen, veilig bewaard, waar de grote rover er niet bij kan. O christenen, wat is jullie deel veel meer dan de schat van de vrek! Verberg haar, bewaak haar, houd haar vast. Jullie hoeven niet bang te zijn voor hebzucht in geestelijke dingen. “IJvert” er liever voor om je voorraad te vermeerderen. Door ervan te leven en erin te leven wordt ze groter en in waarde kostbaarder. — Charles Bridges.
Vers 127
“Heb ik Uw geboden lief.” Hij belijdt niet dat hij ze volbracht, maar dat hij ze liefhad. Het is werkelijk een grote vooruitgang in godzaligheid als we het zover gebracht hebben dat we ze met heel ons hart liefhebben. De natuurlijke mens haat Gods geboden, want ze staan lijnrecht tegenover zijn verdorvenheid. Maar de wedergeboren mens heeft het woord lief, juist omdat hij zijn eigen verdorvenheid haat. Hij verlangt ernaar volgens dat woord te worden vernieuwd. Dit troost ons: ook al kunnen we niet doen wat God gebiedt, als we het graag willen doen, is dat een bewijs dat we genade hebben ontvangen.
“Meer dan goud” enz. Mag je de schepselen liefhebben die God voor ons gebruik heeft aangewezen? Ja, onder twee voorwaarden. De eerste is dat de eerste plaats in onze liefde gereserveerd blijft voor God. Alles wat we daarnaast liefhebben, hebben we lief in Hem en om Hem, en dat krijgt van ons alleen de tweede plaats. David was een gewoon mens en had zijn dagelijkse eten dus lief. Maar hij betuigt dat hij de wet van de Heere liever had dan het eten dat hem was toegewezen. En hier heeft hij Gods geboden liever dan al het goud. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 127
Dat de wereld de waarheid aanvalt, is een reden om haar lief te hebben.
Vers 127
- Waar de liefde zich op richt: “Uw geboden.”
- Hoe groot de liefde is: “meer dan goud” enz.
- De reden van deze liefde: “daarom” enz., omdat wat we liefhebben uiteindelijk moet zegevieren. — G.R.
Vers 127
Gods wil tegenover het gouden afgodsbeeld.
- Gods geboden zijn beter dan goud.
- De liefde ervoor is dan ook evenredig edeler.
- Het karakter dat ze voortbrengen is onmetelijk veel beter.
W.B.H.
Uitleg
Vers 128
“Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden.” De goddelozen vonden fouten in Gods geboden. Juist daardoor werd David er nóg zekerder van dat die geboden goed zijn. Als slechte mensen iets afkeuren, is dat een bewijs van kwaliteit. Wat zij toejuichen, mogen we met recht wantrouwen. Maar wat zij verfoeien, mogen we vol vuur bewonderen. Wie God liefheeft, vindt in Zijn wet een vreugde zonder enig voorbehoud: hij gelooft dat al Gods geboden over álle dingen recht zijn. “Maar alle valse pad heb ik gehaat.” Liefde voor de waarheid bracht haat tegen de leugen voort.
Deze godvrezende man liet niets ongemoeid. Wat hij niet liefhad, haatte hij. Hij was geen smakeloos papje! Hij was een goed liefhebber of een goed haater, maar nooit iemand die heen en weer wankelde. Hij wist wat hij voelde en hij sprak het uit. Hij was geen Gallio, die zich om niets van dit alles bekommerde. Zijn afkeer was even groot als zijn liefde. Voor geen enkele gewoonte die het licht van de waarheid niet kon verdragen, had hij een goed woord over. Dat zulke grote massa’s de brede weg bewandelen, deed deze heilige man niets. Het maakte hem alleen vastberadener om elke vorm van dwaling en zonde te mijden. Mogen we bidden dat de Heilige Geest zo in onze harten regeert dat onze gevoelens tegenover de geboden van het Woord net zo beslist zijn!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 128
“Alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden.” Daarmee rondt de psalmist af, en hij laat geen ruimte voor een compromis over hoe volkomen en waardevol de geboden van de Heere zijn. Hij bedoelt: ieder gebod, ook het zwaarste. Iedere opdracht, ook die ons niet bevalt. Ieder voorschrift, ook het strengste. Zelfs “uw rechterhand … houwt ze af”, “uw rechteroog … trekt het uit”, “vergeet uw volk en uws vaders huis”, “neme zijn kruis dagelijks op”, “verkoop alles, wat gij hebt”. Ja, Heere, ook dan zijn “alle Uw bevelen, van alles,” recht! Wat een gezegende waarheid om bij te komen en daarin rust te vinden! — Barton Bouchier.
Vers 128
“Alle Uw bevelen,” enzovoort. Wij mogen Gods geboden niet alleen met respect behandelen. We moeten ze ook allemaal even hoog schatten en ze allemaal evenveel eerbied geven. Gehoorzaamheid is pas gehoorzaamheid als ze het hele gebod omvat. — R. Mayhew, in “The death of Death in the Death of Christ,” 1679.
Vers 128
“Alle.” Het woord “alle” komt in dit vers vaak voor (net zoals in Ezech. 44:30). Zo laat de psalmist zien hoe volledig en algemeen zijn gehoorzaamheid is. “Alle” is maar een klein woordje, maar het reikt heel ver. — John Trapp.
Vers 128
“Alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden.” David had een verheven beeld van Gods geboden. In alles zag hij ze als rechtvaardig. Ze zijn dat om twee redenen: ze eisen niets wat niet volstrekt rechtvaardig is, en ze leggen overtreders een rechtvaardige straf op terwijl ze de rechtvaardigen belonen. — William Nicholson.
Vers 128
De oprechte mens meet al zijn daden af aan de juiste maatstaf. Redeneringen van het vlees kunnen hem niet op een dwaalspoor brengen en een slechte gewoonte kan hem niet meeslepen. Gods heilige Woord wijst hem de weg. Daarom heeft hij eerbied voor alle goddelijke geboden zonder uitzondering: hij mijdt al het kwade en doet al het goede. Zo houdt Davids oprechte man Gods bevelen aangaande alle dingen voor recht, en dus let hij er nauwgezet op dat hij ze naleeft. Daarom is hij altijd en overal dezelfde, want in elke tijd en in elk gezelschap handelt hij naar één en dezelfde regel.
Cyprianus zei het treffend: “ea non est religio, sed dissimulatio, quae per omnia non constat sibi.” Dat wil zeggen: wie in alles niet zichzelf gelijk blijft, heeft geen godsvrucht maar huichelt. De oprechte man toetst immers elke daad aan de rechte lijn van Gods voorschrift. — Abraham Wright.
Vers 128
“Alle valse pad heb ik gehaat.” Of we God en Zijn Woord werkelijk liefhebben, zien we het best aan het tegenovergestelde: of we zonde en goddeloosheid haten. “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade.” Wie van een boom houdt, haat de worm die hem aanvreet. Wie van een kledingstuk houdt, haat de mot die er gaten in maakt. Wie het leven liefheeft, walgt van de dood. Zo haat ook wie de Heere liefheeft alles wat Hem beledigt. Dit mogen alle mensen zich aantrekken die hun zonden koesteren: hoe zou Gods liefde dan in hen kunnen wonen?
Godsdienst vraagt van ons dat we niet slechts één valse weg haten, maar al haar wegen. Er bestaat niets goeds wat een godvrezend mens niet tot op zekere hoogte liefheeft, en niets kwaads wat hij niet tot op zekere hoogte haat. Dat is wat Gods kinderen volmaakt maakt. Dit is geen volmaaktheid van mate, want wij houden niet zoveel van het goede en haten het kwade niet zoveel als we zouden moeten. Het is een volmaaktheid van omvang: we hebben alles wat goed is lief en alles wat slecht is haten we, elk naar zijn maat. — William Cowper.
Vers 128
“En ik haat.” Hij Die met een oneindige gloed van het goede houdt, moet het kwade met diezelfde gloed haten. Er is helemaal geen tegenstrijd tussen die liefde en die haat. Het zijn elkaars spiegelbeeld, de twee tegenovergestelde polen van één en dezelfde morele aandrift. — John W. Haley, in “An Examination of the alleged Discrepancies of the Bible,” 1875.
Vers 128
“Alle valse pad heb ik gehaat.” Krijgt de satan je via één zonde in zijn greep? Dan is dat al genoeg om je naar de verdoemenis te voeren! Een slager brengt een dier soms met alle vier de poten vastgebonden naar de slacht, en soms met maar één. Zo werkt ook de satan. Je hoeft niet aan alle zonden verslaafd te zijn. Ben je slaaf van één zonde, dan houdt hij je via die ene zondige neiging al stevig genoeg vast om je gevangen te nemen. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 128 (eerste zinsdeel)
Zo moeten we alle goddelijke geboden zien, in hun verband met:
- Christus.
- Onszelf.
- De wereld.
- De Gemeente.
- De hemel. — W.J.
Vers 128
De Bijbel heeft gelijk.
- Haar wetenschap klopt.
- Haar geschiedenis is waar.
- Haar beloften zijn echt.
- Haar zedenleer is volmaakt.
- Haar leer is goddelijk. — W.J.
Vers 128
Leer vier lessen.
- Het is goed als goddeloze mensen de waarheid niet prijzen, omdat ze die niet kunnen liefhebben.
- Het is verdacht als zij een deel ervan wel prijzen. Dat is dan een Judaskus, bedoeld om de belangen van de waarheid te verraden.
- Wat de goddelozen tegenstaan, moeten we juist aanvaarden en liefhebben, want het kan alleen maar goed zijn.
- Het is altijd veilig om aan de andere kant te staan dan zij. — J.F.
Uitleg
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.” Ze zijn vol wonderlijke onthullingen, geboden en beloften. Wonderbaar zijn ze van aard, want ze zijn vrij van elke dwaling en dragen een overweldigend bewijs van hun eigen waarheid in zich. Wonderbaar zijn ze ook in wat ze uitwerken, want ze onderwijzen, verheffen, versterken en troosten de ziel. Jezus, het eeuwige Woord, wordt Wonderbaar genoemd. En alle woorden die God heeft gesproken, zijn wonderbaar, ieder op zijn eigen wijze. Wie ze het best kennen, verwonderen zich er het meest over. Het is al wonderlijk dat God ooit getuigenis heeft gegeven aan zondige mensen. Nóg wonderlijker is dat Zijn getuigenis zó is: zo helder, zo vol, zo genadig en zo krachtig.
“Daarom bewaart ze mijn ziel.” Het wonderbare van Gods getuigenissen sloeg zo diep bij hem in, dat hij ze in zijn geheugen opsloeg. Hun wonderbare schoonheid betoverde zijn hart zozeer, dat hij ze in zijn leven bewaarde. Sommige mensen verbazen zich over Gods woorden en maken er stof van voor hun bespiegelingen. Maar David bleef altijd praktisch. Hoe meer hij zich verwonderde, des te gehoorzamer werd hij. Let erop: zijn godsdienst kwam uit zijn ziel. Niet met alleen hoofd en handen bewaarde hij de getuigenissen. Zijn ziel, zijn diepste en meest echte zelf, klampte zich eraan vast.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.” De Schriften zijn “wonderbaar” om wat ze behelzen, om de manier waarop ze geschreven zijn en om wat ze uitwerken. Hun inhoud bestaat uit de hoogste geestelijke waarheden, verborgen onder uiterlijke plechtigheden en sacramenten, beeldrijke beschrijvingen, voorbeeldige geschiedenissen, gelijkenissen en vergelijkingen. Worden ze goed ontsloten en toegepast, dan doen ze ons beven en vernederen ze ons. Ze bekeren en vernieuwen, ze troosten en sterken. Wie zou er geen vreugde in vinden om “getuigenissen” te onderzoeken en te bewaren die ons Gods wil en wijsheid, liefde en macht laten zien, de wil van de Allerhoogste! Zolang we deze heilige geschriften hebben, moeten we onze tijd niet verspillen, onze gedachten niet misbruiken en onze verbazing niet ontwijden door verslingerd te raken aan menselijke dwaasheid en versteld te staan van menselijke kleinigheden. — George Horne.
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.” Gods getuigenissen zijn “wonderbaar” (1) door hun majesteit en kalmte. Wie erover nadenkt, wordt van eerbied vervuld. De Schrift spreekt tot ons zoals het God betaamt. (2) Ze zijn “wonderbaar” door de diepte van het geheim dat ze bevatten en dat nergens anders te vinden is: over God en Christus, over de schepping van de wereld, over de zielen van de mensen en hun onsterfelijke, eeuwige toestand, over de val van de mens, enzovoort. (3) Ze zijn “wonderbaar” door hun reinheid en volmaaktheid. De Decaloog omvat in tien woorden alles wat de mens verschuldigd is.
Hij raakt de ziel zelf en elke beweging van het hart. (4) Ze zijn “wonderbaar” door de eensgezindheid van al hun delen. Heel de godsdienst is uit één stuk. Geen deel gaat in tegen een ander deel. Alle werken ze samen aan het ene grote doel: dat het schepsel zich aan God onderwerpt. (5) Ze zijn “wonderbaar” door hun kracht. Er gaat van Gods Woord een machtige kracht uit, die ieder die erover nadenkt en haar voelt, met verbazing treft. 1 Thess. 1:5. — Thomas Manton.
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.” De Bijbel is zelf een verbijsterend wonder dat blijft bestaan. Ze is in stukken en brokken opgetekend, verspreid over vijftien eeuwen, in heel verschillende samenlevingen en in verschillende talen. Haar schrijvers hadden de meest uiteenlopende karakters, gaven en posities: geleerden en ongeleerden, prinsen en boeren, slaven en vrije mensen. Ze nam elke denkbare vorm van leerzaam en goed schrijven aan: geschiedenis, profetie, dichtkunst, allegorie, zinnebeelden, wijze uitleg, nuchtere vaststelling, gebod, voorbeeld, spreuk, beschouwing, brief, preek, gebed. Kortom: alle redelijke vormen van menselijke taal. En de onderwerpen liggen bovendien niet voor het grijpen, maar zijn juist het lastigst.
Toch spreken haar schrijvers elkaar niet tegen, zoals andere mensen dat wel doen over de gewoonste feiten en meningen. Over het geheel van hun verheven en belangrijke plan zijn ze het volkomen eens. — J. Maclagan, 1788-1852.
Vers 129
Wie de Schriften niet hoog acht, zal ze nooit gehoorzamen. Let op David: “daarom bewaart ze mijn ziel.” Waarom deed hij dat? Alleen omdat hij ze wonderbaar vond! Niemand brengt het ver in een vak dat hij minacht en afkeurt. Zet dit boek van God dus boven alle andere. De heilige Gregorius noemt de Bijbel “het hart en de ziel van God”. Bij de rabbijnen leeft de gedachte dat aan elke punt en tittel van de Schrift een berg van zin hangt. “De wet des HEEREN is volmaakt” (Ps. 19:8). De Schrift is de bibliotheek van de Heilige Geest, een verzameling van alles wat goddelijk is om te weten, een precieze afbeelding en een grondplan van de godsdienst.
In haar vinden we de credenda, “de dingen die we moeten geloven”, en de agenda, “de dingen die we moeten doen”. Het zijn de Schriften “die u wijs kunnen maken tot zaligheid”, zegt 2 Tim. 3:15. “De Schrift is de maatstaf van de waarheid” en beslecht elk geschilpunt. Ze is de poolster die ons de weg naar de hemel wijst (Jes. 8:20). “Het gebod is een lamp”: Spr. 6:23. Ze is het kompas waarop onze wil als een roer moet worden gestuurd. Ze is de akker waarin Christus als de kostbare parel verborgen ligt. Ze is een rots van diamanten, en ook een heilig collyrium, dat is “oogzalf”: wie ernaar kijkt, ziet scherper.
Ze is een geestelijke lens waarin Gods heerlijkheid straalt. Ze is de panacee, het “geneesmiddel voor alles”, voor de ziel. Haar bladzijden zijn als de bladeren van “de boom des levens”, “tot genezing der heidenen”: Openb. 22:2. De Schrift brengt genade voort en voedt haar daarna ook. Waardoor wordt de bekeerling geboren? Alleen door “het Woord der waarheid”: Jak. 1:18. En waardoor groeit hij? Door “de redelijke onvervalste melk”: 1 Petr. 2:2. Het geschreven woord is het boek waaruit onze bewijsstukken voor de hemel komen. Het is de boei die ons waarschuwt voor de rotsen van de zonde.
Het is een tegengif voor dwaling en afval en het tweesnijdende zwaard dat de oude slang treft. Het is onze vesting tegen de aanvallen van de lust, zoals het Capitool in Rome een sterkte vol munitie was. De Schrift is “Davids toren” met de schilden van ons geloof aan de muur: Hoogl. 4:4. “Neem het woord weg, en je rooft ons de zon,” zei Luther. Het geschreven woord weegt zwaarder dan een boodschap van engelen of een stem uit de hemel. “En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest.” Maar daarnaast “hebben wij”, bebaioteron logon, “het profetische woord, dat zeer vast is”: 2 Petr. 1:18-19.
O, houd het geschreven woord in ere, want door te waarderen kom je verder! Caesar was zo gesteld op zijn Commentaren dat hij zijn purperen mantel prijsgaf om ze te redden. Hoe hoog moeten wij dan de heilige woorden van God schatten? “De redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd”: Job 23:12. Toen koning Eduard de Zesde op de dag van zijn kroning drie zwaarden kreeg aangeboden, ten teken dat hij vorst was van drie koninkrijken, zei hij dat er een zwaard ontbrak. Men vroeg welk. “De Heilige Bijbel,” antwoordde hij.
“Die is het zwaard des Geestes en moet boven deze koninklijke tekenen worden gesteld.” Robert, de koning van Sicilië, hield zoveel van Gods Woord dat hij zijn vriend Petrarca verzekerde: “De Schriften zijn mij dierbaarder dan mijn koninkrijk. Moet ik het ene of het andere missen, dan verlies ik liever mijn kroon dan de Schriften.” — Thomas Watson, in “The Morning Exercises.”
Vers 129
In het Woord is stof genoeg om de grootste geesten bezig te houden. Veel mensen verdragen het niet om hun gedachten en tijd aan kleinigheden te verspillen. Andere mensen zijn al tevreden als ze met het simpelste werk hun brood kunnen verdienen. O, laat iedereen met hoge idealen zich verdiepen in Gods wet! Hier liggen onderwerpen die bij grote geesten passen, onderwerpen die zelfs de grootste mensen nog groter maken. Er zijn trouwens geen echt grote mensen op aarde behalve de heiligen. Zij vestigen hun aandacht immers op Gods grote besluiten. Wij noemen de mensen die zich met staatszaken bezighouden de groten van de aarde.
De heiligen echter staan boven alles wat de wereld te bieden heeft. Zij zien dat alles als klein en gering. Zij zijn bezig met de grote zaken van het koninkrijk van Jezus Christus. Daarom gebood de Heere de koningen en rechters om het wetboek te laten schrijven, Deut. 17:18-19. Van Alfonsus, de koning van Aragon, vertelt men dat hij midden in al zijn grote en talrijke zaken de Schriften veertien keer las, met commentaren. Hoeveel mensen zijn er onder ons met veel bezit, die denken dat ze een groot verstand hebben, en die Gods wet nauwelijks waarderen!
Ze vinden Gods wet iets voor lagere standen. Boeken over geschiedenis en oorlog lezen ze met ijver. Maar de Schrift is voor hen iets waar weinig voordeel uit te halen valt. Hoge gedachten over Gods wet zijn een bijzonder middel om gehoorzaam te worden. Zo zegt de profeet ook: “Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds”: Hos. 8:12. Het klinkt alsof Hij zegt: hadden ze de dingen van Mijn wet echt in gedachten gehad, dan zouden ze nooit zo hebben gehandeld. Ps. 119:129: “Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.” David zegt niet: daarom bewaar ík ze, maar: daarom bewaart ze mijn ziel.
Mijn ziel zelf zit daarin, in het bewaren van Uw getuigenissen, want voor mij zijn het wonderbare dingen. Het is een goed teken dat de Geest van de grote God in iemand woont, wanneer Hij hem boven al het andere uit tilt. Dan ziet hij de dingen van Zijn Woord als de enige grote dingen die er in de wereld zijn. “Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid”: Jes. 40:6, 8. Alles wat de wereld biedt, is ijdel.
Maar wat het Woord openbaart, is eeuwig. Verbaas je daarom over niets zozeer als over het Woord, en laat Gods geboden je grootste vreugde zijn. Een gewone portie verwondering of blijdschap is niet genoeg. Gods wet vraagt om grote verwondering en grote blijdschap. En alle redenen die uit Gods wet voortkomen, moeten bij jou zwaar tellen. — Jeremiah Burroughs.
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.” Het wonderlijke houdt nooit op. Lucht, aarde en water, de wereld boven ons en de wereld onder ons, de tijd en de eeuwigheid, wormen, vogels, vissen, dieren, mensen en engelen: overal wonderen. Hoe meer we alles bestuderen, hoe meer wonderen we ontdekken. Het heeft dus geen zin om de verborgenheden van de Schrift te bekritiseren of te ontkennen. De inspiratie roemt juist in die verborgenheden. Wie in Gods Woord de geheimen van liefde, genade, waarheid, macht, gerechtigheid en dankbaarheid afwijst, wijst de zaligheid af. Het Woord kent wonderen in zijn wezen en wonderen in zijn werking. Reden genoeg om lief te hebben en niet te struikelen, om Gods geboden te bewaren en niet te breken. — William S. Plumer.
Vers 129
“Mijn ziel”: niet alleen ik, maar ik met mijn hele hart en mijn hele ziel. — Joseph Addison Alexander.
Vers 129
Ik ben sinds januari door de hele Bijbel heen. Op de eerste dag van het jaar begon ik, op 26 oktober was ik klaar. In die tijd las ik hem vier maal uit, en het heeft mij werkelijk goed gedaan. Ik vind er altijd weer iets nieuws in. Hij lijkt op zijn Auteur: oneindig en onuitputtelijk. — Samuel Eyles Pierce, 1814.
Vers 129
Hoeveel heb ik de Heere te danken, dat ik mocht meewerken aan de vertaling van Zijn Woord! Zulke wonderen, zoveel wijsheid en zoveel liefde heb ik nooit in het gezegende boek gezien als sinds ik elke uitdrukking moest doorgronden. En wat een heerlijke gedachte dat de dood ons de lust niet kan afnemen om de geheimen ervan te blijven onderzoeken. — Henry Martyn.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door pastor C. A. Davis. Vers 129-136. — Gods getuigenissen zijn wonderbaar (Ps. 119:129). Dat zien we aan het licht dat ze geven (Ps. 119:130) en aan het hijgende verlangen ernaar (Ps. 119:131). Dan volgt een beroep op leiding van God in Zijn Woord (Ps. 119:132-135), omdat anderen het afwijzen (Ps. 119:136).
Wenken voor predikers
Vers 129-136
In dit deel:
- Prijst de psalmist Gods Woord.
- Laat hij zien hoe lief hij het heeft.
- Bidt hij om genade om het te bewaren.
- Treurt hij om hen die het niet bewaren. — Adam Clarke.
Vers 129
Dat het Woord zo wonderbaar is, geeft ons reden om het te gehoorzamen. Het is zo wonderlijk zuiver, rechtvaardig, evenwichtig en verheffend. Het is zo goed voor ons zelf, voor het welzijn van de samenleving en voor de eer van God.
Vers 129
- Wat wonderlijk is in Gods Woord, moet worden geloofd.
- Wat men gelooft, moet men gehoorzamen. — G.R.
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.”
- De feiten die ze vertellen, zijn wonderbaar. Ze zijn zó wonderbaar dat, als het boek waarin ze staan nu voor het eerst zou worden uitgegeven, er geen grens zou zijn aan de gretigheid en nieuwsgierigheid waarmee mensen het zouden zoeken en lezen.
- De zedenleer die ze inscherpen, is wonderbaar.
- Ga je van de zedenleer door naar de leerstellingen van de Bijbel, dan zal je bewondering voor de inhoud van dit buitengewone boek eerder groeien dan slinken.
- Deze getuigenissen zijn wonderbaar door de stijl waarin ze geschreven zijn.
- Ze zijn wonderbaar doordat ze in de wereld bewaard zijn gebleven.
- Ze zijn wonderbaar door wat ze teweeggebracht hebben. — Hugh Hughes, 1838.
Vers 129
“Uw getuigenissen zijn wonderbaar.”
- De ceremoniële wet is wonderbaar, want zij wijst op het geheim van onze verlossing door het bloed van Christus.
- De profetieën zijn wonderbaar, omdat ze op menselijke wijze gesproken zulke onzekere dingen, zo ver vooruit in de tijd, zo nauwkeurig voorspellen.
- De Decaloog is wonderbaar, omdat hij in heel weinig woorden alle beginselen van gerechtigheid en liefde bevat.
- Komen we bij het Nieuwe Testament, dan zien we wonder na wonder. Alles is verbazingwekkend! Maar daar kan de psalmist niet aan gedacht hebben. — Adam Clarke.
Vers 129 (eerste zinsdeel)
- Laten we vijf van de wonderen van de Bijbel bekijken.
(a) Haar gezag. Voor elke bewering staat: “Zo zegt de HEERE.”
(b) Haar licht.
(c) Haar kracht: ze overtuigt, schudt wakker, trekt en maakt levend.
(d) Haar diepte.
(e) Haar toepasbaarheid voor iedereen.
- Wijs drie praktische toepassingen aan.
(a) Bestudeer de Bijbel elke dag.
(b) Bid dat de Geest haar met een ijzeren griffel in je hart graveert.
(c) Pas haar dagelijks toe. — D. Macgregor.
Vers 129
Voor wie en in welk opzicht zijn Gods getuigenissen wonderbaar?
- Voor wie? Voor hen en alleen voor hen die de waarheid en de kracht ervan door genade zelf kennen, geloven en ondervinden.
- In welk opzicht wonderbaar? Dat wil zeggen: verbazend aangenaam, verrukkelijk en nuttig (zie Ps. 119:174).
(a) Met het oog op hun Auteur en oorsprong: van Wie ze zijn en waar ze vandaan komen.
(b) Met het oog op de inhoud die ze bevatten en onthullen.
(c) Met het oog op de taal waarin ze zijn geopenbaard en verkondigd.
(d) Met het oog op hun grote aantal en verscheidenheid, passend bij elk geval.
(e) Met het oog op hun nut en het grote voordeel dat hij ervan had.
(f) Met het oog op het genoegen en de vreugde die hij erin vindt (zie Ps. 119:111).
(g) Met het oog op hun uiteindelijke doel en strekking, het einde waarnaar ze toewerken: het eeuwige leven, de zaligheid en de heerlijkheid. — Samuel Medley, 1738-1799.
Uitleg
Vers 130
“De opening Uwer woorden geeft licht.” Zodra Gods woorden bij de ziel zijn binnengelaten, brengen ze haar al licht. Wat zal er dan niet gebeuren als ze lang in haar blijven wonen! Door alleen al binnen te komen, overspoelen ze het verstand met onderwijs, want ze zijn zo rijk en zo helder. Maar er moet wél zo’n “opening” zijn, anders komt er geen licht. Het woord alleen met het oor van het lichaam horen heeft op zichzelf weinig waarde. Gaan Gods woorden echter binnen in de kamers van het hart, dan gaat het licht aan in alle hoeken.
Bij sommige mensen vindt het Woord geen ingang. Hun geest zit dicht door verwaandheid, vooroordeel of onverschilligheid. Maar waar men goed oplet, moet de kennis van Gods gedachten wel leiden tot goddelijk licht. O, laten Uw woorden als zonnestralen door het venster van mijn verstand naar binnen vallen en het donker in mijn geest verjagen!
“De slechten verstandig makende.” De oprechten en onbevangenen zijn de ware leerlingen van het Woord. Zij krijgen er niet alleen kennis door, maar ook inzicht. Zulke eenvoudige harten worden vaak geminacht. Hun eenvoud krijgt dan een andere lading en wordt een onderwerp van spot. Maar wat zou het! Wie de wereld voor dwazen houdt, behoort werkelijk tot de wijzen, als God hem onderwijst. Wat een goddelijke kracht heeft het Woord van God! Het schenkt niet alleen licht, maar het geeft ook het oog van het verstand waarmee dat licht wordt opgevangen: “verstandig makende.” Daarom zijn Gods woorden zo kostbaar voor de eenvoudigen. Een verborgen waarheid kunnen ze niet ontvangen, tenzij hun geest wordt geholpen om haar te zien en wordt klaargemaakt om haar te vatten.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 130
“De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.” Het eerste woord wordt gewoonlijk vertaald met “ingang”. Dat is niet nauwkeurig. De vertaling die hier staat, is wel juist, maar tweeslachtig. De zin gaat niet over het mechanisch openslaan van het boek door de lezer. Hij gaat over het geestelijk ontsluiten van de ware betekenis ervan door goddelijke verlichting, bij een geest die dat uit zichzelf niet kan onderscheiden. — Joseph Addison Alexander.
Vers 130
“Opening” betekent letterlijk: een ontsluiting, dus een ontvouwing of onthulling. — J.J. Stewart Perowne.
Vers 130
“De opening Uwer woorden geeft licht.” Dat is de allereerste opening, de voorhof als het ware. De psalmist wil laten zien dat wij in dit leven alleen de beginselen kunnen vatten, en dat deze beginselen beter zijn dan alle menselijke wijsheid. — Henricus Mollerus.
Vers 130
“De opening Uwer woorden geeft licht,” enzovoort. Wat het begin ervan betreft: wat een licht werpen de eerste drie hoofdstukken van Genesis op de oorsprong van alle dingen, op de schepping van de mens en zijn staat van onschuld, op zijn val door de verleidingen van de satan en op zijn herstel en zaligheid door Christus, het zaad van de vrouw!
Gods woorden in hun eerste beginselen, de grondslagen van de godsdienst, de allereerste verklaringen over de wereld en de gebruiken van de ceremoniële wet, gaven veel licht op de verborgenheden van het Evangelie. — John Gill.
Vers 130
“De opening Uwer woorden geeft licht.” Neem een goddeloze winkelbediende die een Bijbelblad in zijn zak steekt. Hij leest de laatste woorden van Daniël: “Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.” Meteen begint hij zich af te vragen wat zijn eigen lot zal zijn wanneer de dagen voorbij zijn. Of neem een hoogleraar uit Göttingen. Hij slaat een grote gedrukte Bijbel open, gewoon om te kijken of zijn ogen sterk genoeg zijn om hem te lezen. Dan ziet hij de woorden: “En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben.” Terwijl hij leest, wordt het licht in zijn verstand aangestoken.
Een soldaat van Cromwell bladert door zijn Bijbel om te zien hoe ver de kogel van een musket erdoor is gekomen. Hij ontdekt dat de kogel bij dit vers is blijven steken: “Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.” En dan is er nog de soldaat uit Kent. Hij opent uit baldadigheid de Bijbel die zijn diepbedroefde moeder hem heeft gestuurd.
De eerste regel die hij ziet, is de tekst die hij van kinds af kent: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” En de uitgeputte losbol gaat naar Jezus Christus om rust te vinden. — James Hamilton, 1814-1867.
Vers 130
David verhoogt de lof van Gods Woord nog door te zeggen dat al de opening ervan licht geeft, het eerste opengaan van de deur van het Woord. Immers: als al de eerste opening licht geeft, wat zullen de voortgang en het blijvend verblijf ervan dan niet doen? Dit klaagt onze tijd aan. Mensen worden al zo lang zo helder door Gods Woord onderwezen dat ze er, wat de tijd betreft, anderen in hadden kunnen onderwijzen. En toch zijn ze nog kinderen in kennis en inzicht. Maar wie maakt het Woord verstandig? David zegt: de “slechten”, dat wil zeggen de eenvoudigen.
Het zijn niet de hoogmoedigen. Het zijn ook niet de mensen met een verdeeld hart, of de mensen die zichzelf wijs vinden en de verborgenheden van de godzaligheid willen toetsen aan de scherpte van hun natuurlijke verstand. Nee: het Woord maakt verstandig wie zichzelf verloochent. Het maakt verstandig wie zijn natuurlijke verstand gevangen neemt en zich als een nederige leerling onderwerpt. Zo iemand komt niet om te vragen maar om te luisteren, niet om te redeneren maar om te geloven. En als zelfs natuurlijke mensen zonder deze nederigheid daardoor niets aan het Woord hebben, hoeveel minder worden pausgezinden er dan wijs van?
Hun hart zit zo vol vooroordelen tegen het Woord, dat ze er zelfs niet voor terugschrikken er lasterlijke dingen over te zeggen. Ze noemen het niet nutteloos maar schadelijk voor eenvoudigen en onwetenden. En ze verwijten het dat het moeilijk is, zodat gewone en onwetende mensen het niet mogen lezen: het zou te duister zijn. Al deze lichtzinnige uitspraken van mensen verliezen hun kracht door dit ene getuigenis van God, dat het de eenvoudigen licht geeft. — William Cowper.
Vers 130
“Licht.” Dit “licht” heeft uitstekende kenmerken. 1. Het is lux manifestans: het maakt zichzelf bekend, en alle andere dingen ook.
Hoe zie ik de zon? Alleen door de zon zelf, door haar eigen licht! Hoe weet ik dat de Schrift Gods Woord is? Door het licht dat erin schijnt en zich bij mijn geweten aanbeveelt. Zo maakt dat licht ook al het andere zichtbaar. Het ontmaskert alle bedrog en alle misleiding van de satan, de leegte van wereldse dingen, de listen van het hart en het afschuwelijke van de zonde. 2. Het is lux dirigens, een licht dat de richting aanwijst, zodat we onze weg en ons werk kunnen zien. De zon geeft de mens licht om te werken, en zo wijst dit licht ons de weg in alles wat ons overkomt: Ps. 119:105.
Het laat zien hoe we ons moeten gedragen, wat de situatie ook is. 3. Het is lux vivificans, een licht dat leven geeft. “Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben”: Joh. 8:12. “Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten”: Ef. 5:14. Dat licht was het leven van de mensen. Zo is het ook met dit geestelijke leven. Het wijst niet alleen het doel aan, maar versterkt ook ons vermogen om te zien en vult de ziel met leven en kracht. 4. Het is lux exhilarans, een licht dat troost, opfrist en opvrolijkt, en wel op twee manieren. (1) Het reikt ons uitstekende redenen tot troost aan. (2) Het is een licht waar de ziel rustig van wordt. — Samengevat uit Manton.
Vers 130
“Verstandig makende.” Zou je alle boeken ter wereld bij elkaar brengen, dan staat de Bijbel bovenaan als het gaat om het scholen van het verstand, net zoals ze bovenaan staat in het sturen van de ziel. Ze maakt geen sterrenkundigen, scheikundigen of taalgeleerden. Maar het is heel iets anders om de geest sterker te maken dan om er kennis in op te slaan. — Henry Melvill.
Vers 130
“De slechten verstandig makende.” Er is niemand zo geleerd dat God hem niet kan verblinden. En er is niemand zo blind en onwetend dat Gods Geest zijn verstand en hart niet kan openen. Hij Die bij de schepping door Zijn broeden boven de wateren die ruwe massa tot de prachtige vorm uitbroedde die wij nu zien, Hij Die uit die donkere chaos de heerlijke hemelen maakte en ze met zoveel stralende sterren versierde, Hij kan ook over jouw duistere ziel zweven en haar verlichten. Hoe leeg ze ook is aan kennis, zoals de avond van de eerste dag van de wereld leeg was aan licht.
Een schoolmeester stuurt soms een kind naar huis met de boodschap aan zijn vader dat die hem maar een ander beroep moet laten leren. Hij krijgt het met al zijn kunst niet voor elkaar om er een leerling van te maken. Maar is Gods Geest de meester, dan leer je het zeker, hoe dom je ook bent: “De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.” Zodra een ziel de school van de Geest binnengaat, blinkt ze uit. — William Gurnall.
Vers 130
“De slechten.” David zegt niet dat het de wijzen en verstandigen verstandig maakt, de geleerde mannen of wie goed thuis is in de letteren. Hij zegt dat het de “slechten” verstandig maakt, de eenvoudigen. — Wolfgang Musculus.
Vers 130
“De slechten.” Hierin ligt een groot kenmerk van Gods Woord: hoe onbegrijpelijk het ook blijft voor de vleselijke geest, het sluit aan op elk niveau van verlicht verstand. — W. Wilson.
Vers 130
“De slechten.” Dit woord kan in goede en in kwade zin worden gebruikt. In goede zin gaat het in de eerste plaats over mensen met een oprecht en rechtschapen hart: “De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost”: Ps. 116:6. “Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden”: 2 Kor. 1:12.
In de tweede plaats gaat het over mensen die hun aanmatigende, vleselijke wijsheid niet zetten tegenover het zuivere licht van het Woord. Zo moeten wij allemaal eenvoudig worden, of dwaas, om wijs te worden: “Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden” (1 Kor. 3:18). Dat betekent: met een eenvoudig hart je onder Gods leiding stellen en geloven wat Hij heeft geopenbaard. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 130
- Het wezenlijke licht van het Woord.
- De dageraad ervan in de ziel.
- Het grote voordeel van de voortschrijdende dag.
Vers 130
- De bron van het goddelijk licht voor de mens: “Uw woorden.”
- De kracht ervan. Het baant zich een weg naar binnen in het hart.
- De richting ervan: “de slechten.”
- De uitwerking ervan: “verstandig makende.” — G.R.
Vers 130
Een preek voor het Bijbelgenootschap.
- Wat de geschiedenis en de persoonlijke ervaring bewijzen: Gods Woord heeft het licht van beschaving, vrijheid en heiligheid gebracht.
- Het pleidooi dat hieruit volgt om het Woord van God nog verder te verspreiden. — G.A.D.
Vers 130
De kracht van Gods Woord om zichzelf te bewijzen.
- Bewijs het. “De opening Uwer woorden geeft licht.” Als dat waar is, dan is Gods Woord licht, want alleen licht kan licht geven. Maar licht bewijst zichzelf. Het heeft niets nodig om te laten zien dat het er is en wat het waard is. Zo toont ook het Woord van God de gelovige zijn eigen waarheid en goddelijkheid.
(a) Zijn geweten bewijst het, in zijn overtuiging van zonde en in zijn vrede door het bloed van de verzoening.
(b) Zijn hart bewijst het, in de uitgaande liefde tot de geopenbaarde God, tot Christus en tot gerechtigheid.
(c) Zijn ervaring in lijden en verzoeking bewijst het, in de troost en de kracht die het Woord geeft.
- Een tegenwerping weerleggen. Iemand zegt: “Bewees Gods Woord zichzelf zoals het licht dat doet, dan zou iedereen het als waarheid erkennen.” Mijn antwoord is: nee. Want zo werkt het in alle ervaring: pas wanneer licht echt binnenkomt, geeft het licht. Bij een blinde kan geen licht binnenkomen.
(a) De Schriften leren dat de mens van nature blind is.
(b) Als alle mensen alleen door het Woord te lezen en te horen al zouden inzien dat het licht en waarheid was, dan zou het, hoe vreemd dat ook klinkt, geen waarheid kunnen zijn.
(c) Dat niet iedereen het erkent, is dus geen tegenwerping maar juist een bevestiging van wat het Woord zelf zegt.
- Wijs op het belang ervan.
(a) Het maakt de gelovige voor zijn geloof onafhankelijk van het gezag van de kerk.
(b) Hij hoeft zich niet bezig te houden met het doorzoeken van bewijsboeken. Zijn geloof staat ook zonder die boeken stevig genoeg.
(c) Wie het Woord in zijn ziel opneemt, zal overtuigd zijn van de waarheid en de waarde ervan. — J.F.
Uitleg
Vers 131
“Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd.” Zo fel brandde zijn verlangen dat hij zijn beeld in de dierenwereld ging zoeken. Een diep smachten had hem in zijn greep, en hij schaamde zich er niet voor dat te verwoorden in een treffend, natuurlijk en toch ongewoon beeld. Denk aan een hert dat urenlang is opgejaagd en fel wordt achtervolgd. Zo’n dier hapt naar lucht. Net zo hijgde de psalmist naar het binnenkomen van Gods woord in zijn ziel. Niets anders kon hem tevredenstellen. Alles wat de wereld hem gaf, liet hem nog altijd hijgen met zijn mond wijd open.
“Want ik heb verlangd naar Uw geboden.” Hij wilde ze kennen en ze doen. Hij wilde naar hun geest worden gevormd en ze aan anderen doorgeven. Als knecht van God stond zijn werkzame geest te popelen om opdrachten te ontvangen. Als leerling in de school van de genade stond zijn leergierige geest te wachten tot de Heere hem zou onderwijzen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 131
“Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd.” Volgens Basilius laat David met deze manier van spreken zien dat zijn ziel naar Gods Woord neigde: animi propensionem. Want die open mond is volgens Ambrosius os interioris hominis, de mond van de innerlijke mens, en dat is in feite zijn hart. En volgens Euthymius duidt de uitdrukking op vehementem animi intensionem, een hevige spanning van zijn geest. Toch kan het geen kwaad om hier te bedenken hoe de ernstige gemoedsbeweging van een godvrezend mens ook zijn lichaam in beweging zet. Misschien is het beeld ontleend aan reizigers.
Ze willen hun doel zo graag bereiken dat ze al hun krachten inzetten. Merken ze dan dat hun lichaam hun wil niet kan bijhouden, dan hijgen ze en doen hun mond open, om nieuwe kracht uit de lucht te halen. Of het beeld komt, zoals Vatablus denkt, van mensen die buitengewoon hongerig en dorstig zijn. Zij sperren hun mond open alsof ze alle lucht willen opslurpen. Vinden ze daar geen volledige verkwikking in, dan hijgen en zuchten ze diep in zichzelf. Zo laat hij zijn gevoel horen: “Mijn hart brandt van zo’n vurig verlangen naar Uw geboden dat ik steeds weer moet snakken door mijn moeizame ademhaling.”
Hoe het ook zij, het laat ons zien wat het horen, lezen of overdenken van Gods Woord bij David teweegbracht. Het wekte een diep verlangen om het licht, de vreugde, de genade en de troost ervan in zijn eigen hart te ontvangen. Bij de godvrezenden doet kennis van wat goed is hun verlangens immers groeien. Geen woord is sterk genoeg om uit te drukken hoe fel hun ziel ernaar uitziet om de kracht en de troost te voelen waarvan ze weten dat die in het Woord zijn. En hoe pijnlijk en onrustig het hen maakt als ze die niet vinden.
Wat zouden we gelukkig zijn als we de Heere zo tegemoet konden treden! Spreekt Hij, dan zouden wij, net als David hier, ons hart openen om te horen. Christus aperit os, ut daret illis spiritum; David aperuit ut acciperet: David bood zijn hart aan om “den Geest der genade” te ontvangen, op het moment dat God in Zijn Woord Zijn mond opende om Hem te geven. Dat is namelijk Zijn belofte aan ons allemaal: “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Laten we hierom bidden: dat de Heere, Die het hart van Lydia heeft geopend, ook ons hart opent, zodat we genade ontvangen wanneer Hij die door Zijn Woord wil geven. — William Cowper.
Vers 131
“Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd,” enzovoort. Deze woorden kun je op twee manieren verstaan. Je kunt ze zien als een uiting van het hartstochtelijke verlangen van de psalmist om God beter te leren kennen in geestelijke dingen. Dan bevestigt hij met “ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd” alleen hoe sterk zijn verlangen is. Maar je kunt de twee zinsdelen ook van elkaar scheiden. Dan klinkt in het eerste een man die helemaal niet tevreden is met de aarde en het aardse. Het tweede zegt dan dat alleen God de verlangens van zijn ziel kan stillen.
“Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd.” Buiten adem van het najagen van schaduwen en het achternazitten van prullen zak ik uitgeput neer, net zo ver als altijd van het geluk dat ik vurig maar tevergeefs heb gezocht. Waar moet ik nu heen? Uw geboden, o Heere, en alleen Uw geboden, kunnen de verlangens van een onsterfelijk wezen zoals ik vervullen. Daarom zal mijn verlangen zich van nu af aan daarop richten. — Henry Melvill.
Vers 131
“Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd.” Dit beeld is ontleend aan mensen die verschroeid zijn van de hitte en zweten, of aan mensen die zich buiten adem hebben gerend achter iets wat ze wilden inhalen. Het eerste beeld laat zien hoe fel zijn liefde was, het tweede hoe vurig hij najoeg. Hij leek op iemand die naar adem hapt en koele lucht inslurpt. — Thomas Manton.
Vers 131
“Ik heb verlangd naar Uw geboden.” Dit verlangen zal God vervullen. “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen”: Ps. 81:11. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 131
Hijgen naar heiligheid. Een zeldzame honger, een bewijs van veel genade en een onderpand van heerlijkheid.
Uitleg
Vers 132
“Zie mij aan.” Wie God vreest, kan niet lang zonder bidden. In de vorige verzen vertelde hij hoe lief hij Gods Woord had, maar nu knielt hij weer neer. Zijn gebed is heel kort en toch buitengewoon diep: “Zie mij aan.” Terwijl hij met zijn mond wijd open naar de geboden stond te hijgen, vroeg hij de Heere naar hem te kijken. Zijn toestand en zijn onuitgesproken verlangens moesten voor hem pleiten. Hij wil dat God hem kent en hem elke dag in het oog houdt. Hij hoopt ook op de goddelijke glimlach die in het woordje “zie” ligt opgesloten. Als al een blik van ons naar God redding kan brengen, wat mogen we dan niet verwachten van een blik van God naar ons?
“Wees mij genadig.” Toen Christus naar Petrus keek, was dat een blik vol erbarmen. Zo kijkt de hemelse Vader altijd. Zag Hij ons aan met onverbiddelijke gerechtigheid, dan zouden wij Zijn ogen niet kunnen verdragen. Kijkt Hij ons in genade aan, dan spaart en zegent Hij ons. Als God ons ziet hijgen, zal Hij ons zeker genadig zijn.
“Naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Kijk naar mij zoals U kijkt naar wie U liefheeft. Wees mij genadig zoals U dat altijd bent voor wie U trouw dienen. God heeft een vaste manier van doen met wie Hem liefhebben, en David bad of hij die ook mocht meemaken. Hij vroeg niet dat de Heere beter of slechter voor hem zou zorgen dan Hij gewoonlijk voor Zijn heiligen doet. Slechter zou hem niet redden, en beter kon het eenvoudig niet. In wezen bidt hij: “Ik ben Uw knecht, behandel mij zoals U Uw knechten behandelt. Ik ben Uw kind, ga met mij om zoals met een zoon.” Bovenal blijkt uit het verband dat hij het Woord op dezelfde manier wilde ontvangen en zo helder wilde verstaan als God dat gewoonlijk de Zijnen geeft, volgens Zijn belofte: “En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.”
Lezer, heb jij de Naam van de Heere lief? Is Zijn karakter voor jou het eerbiedwaardigst en is Hij het dierbaarst voor je hart? Dan heb je een zeker teken van genade. Want geen ziel heeft de Heere ooit liefgehad zonder dat de liefde van de Heere Zelf daaraan voorafging.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 132
“Zie mij aan, wees mij genadig,” enzovoort. Zie mij aan, want rovers hebben mij van mijn deugden beroofd en daarna met zonden verwond. Wees mij genadig: ontferm U over mij en verzorg mij in de herberg van de algemene Kerk, zodat ik niet opnieuw in handen van rovers val en niet gewond raak door de wolven die rond deze schaapskooi huilen en er niet in durven. Zie mij aan: ik ben niet meer waard om Uw zoon te heten. Wees mij genadig: niet zoals de jaloerse oudste broer mij zou behandelen, maar laat mij meezingen en meeaanzitten bij het feest van hen die Uw Naam liefhebben.
Zie mij aan, ik ben de tollenaar die in Uw tempel, de Kerk, van verre staat. Wees mij genadig, niet naar het oordeel van de Farizeeër, maar “naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen”, dat wil zeggen als de genadige God. Zie mij aan zoals de huilende Petrus, en wees mij genadig zoals U hem was. Petrus had Uw Naam zo lief dat hij zijn driemaal herhaalde verloochening uitwiste door driemaal zijn liefde te belijden, toen hij zei: “Gij weet, dat ik U liefheb.” Zie mij aan zoals de zondige vrouw, vol berouw en in tranen.
Wees mij genadig, niet naar het oordeel van de Farizeeër die over haar mopperde of van Judas die zich over haar opwond, maar vergeef mij zoals U haar vergaf, “want zij heeft veel liefgehad”. En zeg ook tegen mij: “Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.” — Neale en Littledale.
Vers 132
“Zie mij aan.” Heere! Vaak kijken wij zo oppervlakkig, zo koel en zo van veraf naar U dat het ons hart niet raakt. Blijf daarom op ons neerzien, met genade en met kracht. Geef ons een blik die ons bij onszelf brengt, een blik die ons met tederheid en berouw aanraakt als we denken aan de zonde, het ongeloof en de ongehoorzaamheid die de handen, de voeten en het hart van onze dierbaarste Heere en Zaligmaker hebben doorboord. Vergelijk Luk. 22:61. — Charles Bridges.
Vers 132
“Naar het recht,” enzovoort. David wilde geen enkel voorrecht missen dat God aan Zijn kinderen in Zijn beloften heeft vastgelegd. Doe aan mij, zegt hij, wat U altijd doet aan Uw kinderen. Dat is slechts het gewone eten in het gezin, het minste dat U hebt beloofd aan wie U liefhebben. Laat mij niet slechter gekleed gaan dan mijn andere broers. — William Gurnall.
Vers 132
“Naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen,” enzovoort. Laten we er vrede mee hebben wanneer God met ons werkt op de manier waarop Hij altijd met Zijn volk heeft gewerkt. David zou met niets minder dan het deel van Gods volk genoegen nemen, en meer vraagt hij ook niet. Hij vraagt geen bijzondere schikking ten gunste van zichzelf. Hij vraagt niet dat Gods genade voor hem de gewone paden verlaat… Of onze overtuigingen en verlangens uit de werking van de Geest komen, kun je altijd hieraan toetsen: ben je bereid je te voegen naar Gods orde?
Wat is die orde? God deelt Zijn zegeningen niet los van elkaar uit. Hij spreekt nooit rechtvaardig zonder ook te heiligen. Hij geeft nooit een aanspraak op de hemel zonder ook de geschiktheid daarvoor te geven. Iemand in wie God werkt, zal dus nooit het ene verwachten of wensen zonder het andere. Hij verwacht Gods zegen niet zonder gehoorzaamheid. God verbindt immers altijd de vertroostingen van de Heilige Geest aan “de vreze des HEEREN”, en Hij straft de overtredingen van Zijn kinderen met de roede wanneer ze Zijn wetten breken. Hij verwacht en wil Gods zegen ook niet zonder inspanning.
God heeft namelijk altijd alleen gekroond wie de wedloop liep die hun was voorgelegd en de goede strijd van het geloof streed. Evenmin rekent hij op Gods zegen zonder te bidden, want God heeft Zijn volk altijd hun nood laten voelen en hun gebed beantwoord. En hij verwacht niet zonder moeilijkheden in de hemel te komen. Gods volk heeft altijd zichzelf moeten verloochenen en zijn kruis moeten dragen. Waren ze niet uitgekozen in de oven van het lijden, dan zijn ze er in elk geval gelouterd. God had één Zoon zonder zonde, maar nooit één zonder smart: “Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.”
“Ja,” zegt de bidder die wij voor ons zien, “zorg dat ik hun eeuwige erfdeel krijg, en ik wil best uit de beker drinken waaruit zij hebben gedronken en gedoopt worden met de doop waarmee zij zijn gedoopt. Een nieuwe weg naar de heerlijkheid heb ik niet nodig, en een sluipweg ook niet. Ik ben blij als ik op de koninklijke hoofdweg mag blijven. Wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. Meer vraag ik niet.” — William Jay, 1769-1853.
Wenken voor predikers
Vers 132
- Kijk.
- Liefde.
- Gebruik en gewoonte.
Vers 132
Gemeenschap met de rechtvaardigen.
- Er zijn mensen die Gods Naam liefhebben.
- Zijn genade is de bron van al het goede dat zij ervaren.
- De Heere is er altijd aan gewend geweest hen genadig te behandelen.
- Zijn genade voor hen moet ons aanmoedigen om ook voor onszelf om genade te smeken.
- We moeten er ernstig naar verlangen de genade te krijgen die hun in het bijzonder toekomt.
- We moeten tevreden zijn wanneer God met ons omgaat zoals Hij altijd met Zijn volk is omgegaan. — W. Jay.
Vers 132
Gebruik en gewoonte van God.
- God ziet Zijn volk gewoonlijk aan en is hun genadig.
- In tijden van verdrukking worden wij aangespoord om juist naar zulke genadige daden te verlangen.
- Liefde tot God maakt ons geschikt voor deze liefdevolle blikken en genadige daden. — C.A.D.
Vers 132
Let op:
- Het kenmerk van echte gelovigen: “die Uw Naam beminnen.”
- Gods gewoonte in de manier waarop Hij met hen omgaat: “Wees mij genadig, naar het recht.”
- Hun persoonlijke en ernstige zorg: “Zie mij aan.” — J.F.
Uitleg
Vers 133
“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Zo’n zorg is de Heere gewend voor Zijn uitverkorenen te hebben: “Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren.” Zijn genade zet ons in staat onze voeten stap voor stap neer te zetten, precies waar Zijn Woord ze wil hebben. In dit gebed klinkt een bijzonder verheven vraag: dat elke handeling en elke stap door Gods wil in goede banen wordt geleid. Dit gebed stelt zich met niets minder tevreden dan met volkomen heiligheid. Wat de gelovige wenst, is pas vervuld als hij die gezegende voleinding bereikt heeft.
“En laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Dit is de andere kant van de zegen. We vragen dat we alles mogen doen wat goed is, en dat niets wat verkeerd is macht over ons krijgt. God is onze Soeverein. Elke gedachte willen wij onder Zijn heerschappij brengen. Gelovigen koesteren geen lievelingszonde die ze met plezier zouden dienen. Ze snakken naar volkomen vrijheid van de macht van het kwaad. Maar ze weten dat ze die vrijheid niet zelf kunnen verwerven, en daarom smeken ze God erom.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 133
“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Eerder bad hij om genade als barmhartigheid. Nu bidt hij om genade als kracht. Veel mensen smeken om barmhartigheid die zonde vergeeft, maar niet om genade die hen uit de greep van de zonde bevrijdt. Dat is Gods barmhartigheid misbruiken en Zijn genade omzetten in losbandigheid. Wie slechts bidt om barmhartigheid die de schuld van de zonde wegneemt, wil niet voorkomen dat hij God door zonde grieft. Hij wil zondigen zonder dat het hem iets kost. Maar wie ook bidt om verlossing van de heersende macht en het bedrog van de zonde, zoekt méér dan zijn eigen voordeel.
Hij vraagt ook om genade om de Heere, zijn God, te behagen en te dienen. Het eerste is iemand die alleen van zichzelf houdt. Het tweede is iemand die van God houdt, méér dan van zichzelf. En eerlijk gezegd weet iemand niet wat het is om barmhartigheid te zoeken voor zijn verleden, als hij niet ook oprecht genade zoekt om in de toekomst voor de zonde bewaard te blijven. Die twee gaven gaan hand in hand. Wie de tweede mist, mag zichzelf wijsmaken wat hij wil, maar hij kan er zeker van zijn dat hij ook de eerste nooit heeft ontvangen. — William Cowper.
Vers 133
“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Van Boleslaus, een van de koningen van Polen, lezen we dat hij altijd een schilderij van zijn vader meedroeg. Stond hij voor iets groots of begon hij aan een bijzonder werk, dan keek hij naar dat schilderij en bad hij dat hij niets zou doen wat de naam van zijn vader onwaardig was. Zo zijn de Schriften een portret van Gods wil, in al zijn trekken levensecht getekend. Wie aan iets wil beginnen of zich ergens aan wil binden, moet eerst daar kijken en lezen wat hij moet doen en wat niet.
Wat God gebiedt, moet gedaan worden. Wat Hij verbiedt, moet blijven liggen. Laat de weegschaal van het heiligdom alles wegen. Laat de woorden van God over alles beslissen. Laat de regel van Gods Woord de maatstok zijn voor alles, en laat Zijn eer het laatste doel zijn van elk plan, welk plan ook. — Uit Spencers “Things New and Old.”
Vers 133
“Maak mijn voetstappen vast.” Het Hebreeuwse nbh hachen betekent: maak ze stevig. Laat mij niet strompelen met een hinkende of onvaste tred. — Adam Clarke.
Vers 133
“Maak mijn voetstappen vast,” enzovoort. Gods volk verlangt niet alleen dat zijn pad recht loopt, maar ook dat zijn voeten stap voor stap op orde staan. Hun hoofdrichting mag niet verkeerd zijn (zoals bij wie de weg naar het eeuwig verderf bewandelen), maar ook geen enkele stap mag scheef zijn. Ze willen de weg naar de hemel niet missen, niet voor een deel en niet helemaal. — Thomas Manton.
Vers 133
“Mijn voetstappen.” Bunyan schrijft over de treden van de tempel: “Die treden, van cederhout, goud of steen, waren zo mooi gemaakt dat een koningin ervan stond te kijken. Wat het materiaal ook was, ze waren zeker een schaduw van de treden die wij moeten zetten naar en in het huis van God. Treden van God, Ps. 85:14. Treden door Hem geordend, Ps. 37:23. Treden geordend in Zijn woord, Ps. 119:133. Treden des geloofs, Rom. 4:12. Treden des Geestes, 2 Kor. 12:18. Treden der waarheid, 3 Joh. 4. Treden gewassen in boter, Job 29:6. Treden die vóór God worden gezet, in Zijn tegenwoordigheid. Treden die door een goddelijke regel zijn afgebakend en begrensd. Dat zijn treden in waarheid.” — John Bunyan, in “Solomon’s Temple Spiritualized.”
Vers 133
“Laat geen ongerechtigheid over mij heersen,” enzovoort. Echt gehoorzaam zijn aan God past niet samen met de heerschappij van één enkele begeerte of verdorven neiging. Wanneer de godsdienst zijn hart maar oppervlakkig en onvolkomen heeft geraakt, kan een mens een poos rechtuit lopen en vele dingen met plezier doen. Maar het kwaad dat hij blijft koesteren en waar hij onder ligt, zal hem uiteindelijk van God afhouden. Daarom mogen we geen enkele zonde over ons laten heersen. Wanneer heerst de zonde over ons? Als we niet ons best doen haar te doden en de voorraden af te snijden waarmee die begeerte wordt gevoed.
Chrysostomus merkt op dat de apostel niet zegt dat de zonde niet mag tiranniseren, maar dat ze niet mag heersen. Zijn bedoeling is: geef haar geen rustig koningschap over je hart. — Thomas Manton.
Vers 133
“Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Liever ben ik heel mijn leven de gevangene van mensen dan één dag de slaaf van de zonde. David vraagt niet dat deze of gene mens niet over hem mag heersen. Hij vraagt dat “geen ongerechtigheid” over hem heerst. Terecht! Zolang dat zo blijft, is er hoop voor zo iemand. — Michael Bruce, 1666.
Wenken voor predikers
Vers 133
- Een heilig leven komt niet bij toeval. Het is een meesterwerk van orde, de orde van overeenstemming met de voorgeschreven regel. Er bestaat een rekenkundige en een meetkundige orde, de orde van evenredigheid, de orde van verhoudingen en een orde van tijdsbepaling. Wat haar orde betreft, is heiligheid op het juiste moment en op de juiste plaats.
- De regel van die orde: “in Uw Woord.”
- De gekozen leidsman. Zie “Spurgeon’s Sermons,” nr. 878: “A Well ordered Life.”
Vers 133
- Orde in het uiterlijke leven is gewenst.
- Orde volgens het goddelijke denkbeeld.
- Orde in het bestuur van binnenuit.
Vers 133
- Hulp is nodig.
(a) Om de zonde te mijden.
(b) Om heilig te zijn.
- Hulp wordt gezocht.
(a) Van beneden: “Uw Woord.”
(b) Van boven: “maak vast,” enzovoort, en “laat geen,” enzovoort. — G.R.
Vers 133
De heerschappij van de zonde in de ziel.
- Vurig afgesmeekt.
(a) Het besef van de verschrikkingen van haar heerschappij.
(b) De erkenning van de betere macht.
(c) Volledige uitsluiting wordt gezocht.
- Verstandig bestreden.
(a) Praktische zin én gebedsgeest.
(b) Aandacht voor de kleine “voetstappen.”
- Stappen die door de goddelijke regel bestuurd moeten worden.
- Geen vertrouwen op een stelsel los van God. — W.B.H.
Vers 133
Let op:
- Het juiste pad voor menselijke voeten: “In Uw Woord.”
- De hulp die we nodig hebben om onze stappen te sturen: “Maak mijn voetstappen vast.”
- De ontwrichtende kracht van een heersende zonde: “Laat geen,” enzovoort. — J.F.
Uitleg
Vers 134
“Verlos mij van des mensen overlast.” David had alle bitterheid van dit grote kwaad ondervonden. Het had hem uit zijn land verdreven en uit het heiligdom van de Heere gebannen. Daarom pleit hij erom ervan gered te worden. Er wordt gezegd dat onderdrukking een wijs mens dwaas maakt, en zeker heeft ze menig rechtvaardig mens in de zonde gestort. Onderdrukking is in zichzelf kwaad en zet mensen aan tot het kwade. We beseffen amper hoeveel van onze deugd we te danken hebben aan onze vrijheid. Hadden wij in ketenen gezeten onder hoogmoedige tirannen, dan waren we misschien voor hen door de knieën gegaan. Misschien waren we nu geen belijders maar afvalligen. Hij Die ons leerde bidden: “En leid ons niet in verzoeking,” zal dit gebed bijvallen. Het gaat bijna om hetzelfde, want onderdrukt worden is verzocht worden.
“En ik zal Uw bevelen onderhouden.” Zodra de druk van de onderdrukking van hem was weggenomen, zou hij zijn eigen weg gaan, en dat zou Gods weg zijn. Wij mogen niet zwichten voor de dreigementen van mensen, maar velen doen het toch. Soms wordt een vrouw door de onderdrukking van haar man gedwongen tegen haar geweten in te handelen. Kinderen en dienstboden zijn in dezelfde nood gebracht, en zelfs hele volken. Het grootste deel van hun zonden zal de onderdrukker worden aangerekend. God vindt het meestal goed om zulke machten en heerschappijen die mensen tot het kwade dwingen, binnen niet al te lange tijd ten val te brengen.
Het ergste is dat sommige mensen, zodra de druk van hen af is, uit zichzelf de ongerechtigheid gaan najagen. Daarmee bewijzen ze dat ze door en door zondaars zijn. Met de rechtvaardigen gaat het zoals met de apostelen van toen: “Losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen.” Zijn heiligen van hun tiran bevrijd, dan brengen ze hun Koning met blijdschap hun hulde.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 134
“Verlos mij van des mensen overlast.” 1. Het woord “mens” maakt een onderscheid. Ook de duivel en de zonde onderdrukken en heersen als tirannen, maar daar denkt de psalmist nu niet aan. Hominum non daemonum, zegt Hugo: het gaat om mensen, niet om demonen. 2. Het woord “mens” maakt het erger. Homo homini lupus: voor de mens is de mens een wolf. Geen enkel schepsel is voor zijn soortgenoten zo hebzuchtig en vernielend als de mens. Het is een schande dat de ene mens de andere onderdrukt. Dieren vreten hun eigen soort meestal niet op, maar iemands vijanden zijn meestal zijn eigen huisgenoten: Matth. 10:36.
Hoe dichterbij familie staat, hoe feller de haat. 3. Het woord “mens” maakt het kleiner. Om de schrik voor dit kwaad te verminderen, krijgen de onderdrukkers de naam Adam, om te laten zien hoe zwak ze zijn naast God. U bent God. Wie zo bereid en gretig zijn om ons te onderdrukken en te benadelen, zijn maar mensen. U kunt hun macht moeiteloos breken en hun juk stukslaan. Volgens mij is dit het belangrijkste punt, gezien andere teksten: “Wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal? En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?” Jes. 51:12-13. — Thomas Manton.
Vers 134
“Verlos mij van des mensen overlast.” Sommigen vertalen dit als “van de onderdrukking door Adam”, zoals Jarchi opmerkt. Arama legt het uit van Adams zonde. Voor hem is het een gebed om daarvan verlost of vrijgekocht te worden, zoals het volk van de Heere dat wordt door het bloed van Christus. — John Gill.
Wenken voor predikers
Vers 134
Welke zonden onderdrukking kan voortbrengen. Welke gehoorzaamheid er moet komen van wie zijn vrijgemaakt.
Vers 134
- De koers die gevolgd moet worden: “Uw bevelen.”
- De tegenstand tegen die koers: “des mensen overlast.”
(a) Menselijke meningen.
(b) Menselijke voorbeelden.
(c) Menselijke gevoelens.
(d) Belangen.
(e) Vervolgingen.
- Het verzet tegen die tegenstand: “Verlos mij … en ik zal Uw bevelen onderhouden,” enzovoort. — G.R.
Vers 134
Hindernissen die zijn weggenomen.
- De belemmerende invloed van vervolging.
- Het gebed van de vervolgde.
- Het gedrag van de bevrijde (Luk. 1:74, 75). — G.A.D.
Vers 134
- Op welke manieren mensen elkaar onderdrukken. Als staatslieden doen ze het met de wetten die ze maken. Als schrijvers doen ze het met de boeken die ze schrijven. Als bazen doen ze het met hun tirannie. Als belijders doen ze het met hun leven. Als predikers doen ze het met hun preken!
- Hoe de onderdrukten verhoord kunnen worden in hun gebed: wijze en goede staatslieden kunnen hun gegeven worden, gezonde lectuur kan zich uitbreiden, harde bazen kunnen tot inkeer komen of verdwijnen, en er kan een doop met de Geest over de kerk komen. — W.W.
Uitleg
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht.” Onderdrukkers trekken een boos gezicht, maar lach Ú naar mij! Zij maken mijn leven donker, maar laat Ú Uw licht over mij schijnen, en alles wordt helder. De psalmist herhaalt dat hij Gods knecht is. Hij vraagt geen gunst aan anderen, maar alleen aan zijn eigen Heere en Meester.
“En leer mij Uw inzettingen.” Daarin bestaat voor hem het lichten van Gods aangezicht over hem. Zelfs als de Heere buitengewoon genadig zou zijn en hem tot Zijn lieveling zou maken, vraagt hij geen grotere zegen dan dat hij nog steeds onderwezen mag worden in de wetten van de Koning. Let op hoe hij verlangt naar heiligheid! In zijn ogen is dat de kostbaarste van alle edelstenen. Onder mensen zegt men dat een goede opvoeding een fortuin waard is. Zo is ook het onderwijs van de Heere een geschenk van bijzondere genade. Zelfs de gelovige die het meest wordt voorgetrokken, heeft onderwijs nodig. Ook als hij in het licht van Gods aangezicht loopt, moet hij nog steeds geleerd worden wat Gods wetten zeggen. Anders gaat hij ze overtreden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht.” Het aangezicht van God licht over ons als Hij ons in Zijn voorzienigheid leidt en draagt. Dat zien we ook wanneer we mogen meegenieten van het goede dat Zijn voorzienigheid geeft, en wanneer we een plaats krijgen waar we veel goed kunnen doen. Nog veel meer licht Gods aangezicht wanneer Hij ons laat merken dat Hij ons genadig gezind is. Dan groeien we in het bewustzijn dat een liefhebbende God ons bijstaat, met rijke voorraden van Zijn genade en Geest. — John Stephen.
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht.” Onrecht van mensen verbergt voor ons het licht van Gods aangezicht vaak voor een tijd. Dat kan onrecht van anderen zijn of van onszelf. Het is dan net een rookwolk die van de aarde opstijgt en het gezicht van de zon bedekt. Maar God ruimt dit snel op. Dan kijkt Hij weer zoals vroeger vol liefdevolle barmhartigheid naar ons. Hij verlicht het pad van gehoorzaamheid voor ons en maakt onze weg naar Hem helder. — “Plain Commentary,” 1859.
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht.” De gelovige blijft maar roepen: “Laat mij het aangezicht des konings zien!” Daar mag je om bidden, want het is een zegen die dat waard is. Het is zijn diepste wens, en zijn voorrecht van vandaag. Maar het is veel meer: het is zijn zekere vooruitzicht voor altijd. “En zullen Zijn aangezicht zien.” Openb. 22:4. — Charles Bridges.
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten… en leer mij.” Gelukkig de mens die de eeuwige Waarheid Zelf tot leraar heeft. Zij onderwijst hem niet met schimmige beelden en vluchtige klanken, maar door zich direct en volledig aan hem mee te delen. Onze zintuigen zien weinig en slecht. En onze rede, die op die zintuiglijke indrukken bouwt, voert ons vaak op een dwaalspoor. Wie door het eeuwige Woord wordt onderwezen, is met één klap uit het labyrint van menselijke meningen gered. Want “uit één Woord zijn alle dingen”, en alle dingen spreken, zonder stem of taal, over Hem alleen. Hij is het goddelijke beginsel dat in onze harten spreekt. Zonder Hem is er geen juist inzicht en geen zuiver oordeel.
O God, U bent de waarheid. Maak mij één met U in het eeuwige leven! Soms ben ik het lezen en luisteren moe. Maar in U alleen ligt alles wat ik begeer! Laten alle leraren zwijgen en heel de schepping stil zijn voor Uw aangezicht; spreek Ú alleen tot mijn ziel!
Uw dienaren kunnen de woorden zeggen, maar niet de Geest ervoor geven. Met hun welsprekendheid kunnen ze de fantasie boeien, maar zwijgt U, dan krijgen ze het hart niet aan het branden. Zij geven de letter, U opent de zin. Zij spreken het verborgene uit, U laat zien wat het betekent. Zij tonen de weg naar het leven, U geeft de kracht om hem te gaan. Zij planten en zij begieten, maar U geeft de groei. Spreek daarom Zelf, Heere, mijn God, eeuwige Waarheid, tot mijn ziel! Laat mij niet sterven en onvruchtbaar blijken, van buiten opgewarmd maar van binnen niet levend gemaakt.
“Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort.” “Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.” — Thomas à Kempis, 1380-1471.
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten … en leer mij,” enzovoort. God onderwijst op veel manieren: door het boek, met Zijn vingers en met Zijn roede. Maar Zijn meest troostende en krachtigste onderwijs gaat door het licht van Zijn oog: “Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid.” Ps. 43:3. — Richard Alleine (1611-1681), in “Heaven Opened.”
Vers 135
“Doe Uw aangezicht lichten… en leer mij Uw inzettingen.” Gods kinderen vragen niet alleen om troost. Ze vragen ook om genade, zodat ze God met vreugde kunnen dienen. Want “leer mij Uw inzettingen” wil niet zeggen: geef mij alleen verstandelijke kennis van Gods wil. Zo bedoelt David het hier niet, want hij verbindt beide: “Doe Uw aangezicht lichten” én “leer mij Uw inzettingen.” — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 135
- Een uitgelezen positie: “Uw knecht.”
- Een uitgelezen vreugde: “Uw aangezicht lichten.”
- Een uitgelezen voorrecht: “leer mij Uw inzettingen.”
Vers 135
- God in het Woord: “Uw woord.”
- God vóór het Woord: “Leer mij,” enzovoort.
- God met het Woord: “Doe Uw aangezicht,” enzovoort. — G.R.
Vers 135
Zonneschijn.
- Het licht waarin we onze lessen het best leren: Gods gunst, getoond in vergeving, rechtvaardiging, aanneming tot kinderen, zekerheid enzovoort.
- De lessen die we in dat licht moeten leren: genade brengt heiligheid voort. — C.A.D.
Vers 135
- Een rijke belofte uit het verleden (Num. 6:25): “De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten.” Haar verheven oorsprong en samenhang.
- Het nieuwe gebed dat eruit geboren is.
(a) Het kijkt omhoog naar het goddelijke aangezicht. In zijn majestueuze zoetheid is dat ongewijzigd gebleven, terwijl generaties zijn heengegaan sinds het woord voor het eerst werd uitgesproken.
(b) Het vraagt dat we dat lichten zullen kennen. Licht van vaderschap, enzovoort.
- Het oude gebed wordt herhaald: “Leer mij Uw inzettingen.” Voor de laatste keer in de psalm.
(a) Onze behoefte aan onderwijs: een gebed dat vaak herhaald moet worden.
(b) Het nauwe verband tussen gehoorzaamheid en het lichten van Gods aangezicht. — W.B.H.
Uitleg
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.” Hij huilde uit medeleven met God, omdat hij zag hoe Gods heilige wet werd veracht en overtreden. Hij huilde uit medelijden met mensen die zo Gods brandende toorn over zichzelf haalden. Zijn verdriet was zo groot dat hij er bijna geen uitweg voor kon vinden. Zijn tranen waren niet slechts druppels van verdriet, maar stortvloeden van ellende. Daarin leek hij op de Heere Jezus, Die de stad zag en over haar weende. Hij leek ook op Jehova Zelf, Die geen lust heeft in de dood van wie sterft, maar wil dat hij zich tot Hem bekeert en leeft. Wat dit vers ons laat zien, is een grote stap vooruit vergeleken met wat we tot nu toe zagen. De psalm groeit en de psalmist groeit mee.
Wie treurt over de zonden van anderen, is een volwassen gelovige. In Ps. 119:120 beefde zijn vlees voor Gods aangezicht. Hier lijkt het weg te smelten en te vervloeien in stromen tranen. Niemand wordt zo diep geraakt door hemelse dingen als wie veel tijd besteedt aan het Woord en daardoor de waarheid en het wezen van de dingen leert kennen. Vleselijke mensen zijn bang voor grof geweld en huilen om verlies en tegenslag. Geestelijke mensen voelen een heilige vrees voor de Heere Zelf, en ze klagen het hevigst wanneer ze zien dat Zijn heilige Naam wordt onteerd.
“Heere, laat mij om niets dan zonde wenen,
en naar niemand verlangen dan naar U.
Dan wil ik, och, mocht het zo zijn!
voortdurend treuren voor Uw aangezicht.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen.” Oosterlingen laten in de regel veel meer tranen vloeien dan Europeanen. De psalmist zei dat er waterbeken uit zijn ogen stroomden. Zijn taal is prachtig beeldend, maar ik twijfel er niet aan dat het ook letterlijk waar was. Ik heb zelf Arabieren gezien die tranen schreiden als beken. — John Gadsby.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen,” enzovoort. Sommigen menen dat het komt doordat mijn ogen Uw wet niet onderhouden. Het oog is de ingang en de uitgang van zeer veel zonde, en daarom hoort het een wenend oog te zijn. Waarschijnlijker is dat het komt doordat zij, de mensen om mij heen, Uw wet niet onderhouden: Ps. 119:139. Merk op dat de zonden van zondaars het verdriet van heiligen zijn. We moeten treuren om wat we niet kunnen herstellen. — Matthew Henry.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen,” enzovoort. Zijn eigen ellende kostte David minder tranen dan de zonden van anderen. Dat zijn zoon hem verbande, deed hem minder dan dat de goddelozen Gods wet overtraden. Niets ging hem zo aan het hart als de oneer van God. Wie God vrezen, vinden Zijn heerlijkheid, die schittert in Zijn Woord en Zijn verordeningen, dierbaarder dan hun leven. Elia wilde sterven toen hij zag hoe Achab en Izebel God onteerden. Het oog is er voor twee dingen: zien en tranen. Zien we dat God wordt onteerd, dan moeten onze ogen meteen vol tranen schieten. — William Greenhill, 1591-1677.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen,” enzovoort. Wie God vreest, wordt diep bedroefd door de zonden van de goddelozen.
Laten we bedenken wat voor gevoel dit is. 1. Het is geen stoïcijnse onverschilligheid of gespeelde zorgeloosheid, en al helemaal geen plezierig meedoen met zondige gewoonten. 2. Het is geen trots dat je jezelf met je eigen goedheid op de voorgrond zet door op andermans zonde te letten, zoals de Farizeeër in het evangelie. 3. Het is niet het bespotten en uitlachen van de dwaasheid van mensen, zoals die “lachende filosoof” deed. Het lijkt meer op die andere filosoof, die er altijd om huilde. 4. Het is ook geen bittere, giftige woede die uitbarst in schelden en verwijten, en evenmin een krenkende hoon. 5. Het is niet het wraakzuchtige verlangen naar straf dat zich uit in vloeken en verwensingen.
Veel mensen hebben zo’n onbezonnen houding, vooral het gewone volk. Het voorstel van de discipelen aan Christus was heel anders dan dat, en toch zei Hij tegen hen: “Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.” Ze dachten dat ze de geest van Elia hadden, maar Hij zei dat ze zich vergisten en niet wisten uit welke geest ze dit voorstelden. Zo vergist overhaaste ijver zich vaak en vleit hij zichzelf. Hier lezen we niet dat David vuur uit de hemel wenst op de overtreders van de wet. Zijn verdriet was juist zo groot dat het water bracht om dat vuur te doven als het op hen viel. “Waterbeken vlieten af uit mijn ogen.” — Robert Leighton.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen,” enzovoort. De Heere vraagt van ons dat we bitter treuren over de zonden van anderen, zodat onze harten teder en oprecht blijven. God gebruikt dit om ons zorgvuldiger te maken met onze eigen ziel: we laten ons ontrusten door de zonden van anderen, door zonde bij een derde. Het houdt ons ver weg van verzoeking. Het is net als blussen bij een buurman. Vóór het vuur bij jou is, ren je al met je emmer erheen. Niets bewaart ons zo goed voor besmetting als treuren. De ziel zal nooit toestemmen in iets waarvan ze zich bedroefd heeft dat een ander het deed.
Zoals het ons oprecht houdt, houdt het ons ook nederig. Het maakt ons bevreesd voor Gods oordeel en bezorgd dat we zelf zondigen en Gods toorn over ons afroepen. Wie huivert als hij een slang over iemand anders ziet kruipen, zal veel banger zijn als ze bij hemzelf in de buurt komt. Bij onze eigen zonden geselt ons geweten de ziel met wroeging en schaamte, en dat helpt ons. Bij het bewenen van andermans zonden hebben we alleen de beweegredenen van plicht en gehoorzaamheid. Wie ver van huis strijdt uit liefde voor moed en heldendaden, zal zeker thuis strijden uit liefde voor de eigen veiligheid. — Thomas Manton.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen,” enzovoort. Zo wordt het karakter van Gods volk altijd getekend. Het zijn niet slechts mensen die zelf rein zijn, maar lieden “die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden”: Ezech. 9:4. En wie ziet niet dat er om ons heen nog altijd een onmetelijk veld ligt waar christelijk medelijden zich vrij kan uitleven? Denk aan het ontzettende beeld van een wereld die van God is afgevallen, van menigten die dobbelen met hun eeuwige ondergang, alsof de God van de hemel “een man” was, “dat Hij liegen zou”.
Wie om Zijn eer bekommerd is, krijgt daar vanzelf “waterbeken” uit het hart van. Hoeveel zonde stijgt er als een wolk op naar de Heere, alleen al uit één mensenhart! Tel er het hart van een heel dorp bij, een stad, een land, een wereld! En dat elke dag, elk uur, elk ogenblik! Dan hoeft het geen verbazing te wekken als “het water stijgt tot een overlopend getij, dat bijna zijn dammen doorbreekt.” — Charles Bridges.
Vers 136
“Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.” Als godsdienstige mensen slecht leven, brengt dat schande over de godsdienst.
De dapperste strijders van Christus zijn bij die aanblik in tranen gesmolten. David was een van de grote helden van de wereld, die in zijn tijd niemand naast zich had, en toch huilt hij. Rukte hij niet een beer uit elkaar als ware het een bokje? Redde hij niet een lam uit de bek van een leeuw? Velde hij niet een machtige reus, die het hele leger van God had uitgedaagd? Joeg hij zijn vijanden niet als een wervelwind voor zich uit en smeet hij ze niet tegen de grond? En nu laat hij zijn tranen gaan als een kind of een vrouw?
Jazeker. Want hij had de Naam van God horen bespotten. Hij had Gods heilige gebruiken zien ontheiligen, Gods wetten zien verachten en geweld zien gebruiken tegen de zuivere kuisheid van die maagd, de godsdienst. Dat liet zijn dappere hart smelten in tranen: “Waterbeken vlieten af uit mijn ogen.” — Thomas Adams.
Vers 136
Mijn ziel was vaak uitgeput van de zuchten naar gelijkvormigheid met Gods wet, die heel Psalm 119 doortrekken: “Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!” “Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.” “Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe”, en zo meer.
Het bleek ook uit een vaste afkeer van de geringste afwijking van de wet, bij mijzelf en bij anderen. Mijn eigen overtredingen en die van anderen gingen mij altijd aan het hart. Maar dit was mijn eigenlijke last: ik wenste altijd dat er waterbeken uit mijn ogen mochten stromen, omdat ik, of overtreders, Gods wet niet onderhielden. — Thomas Halyburton, 1674-1712.
Vers 136
Als wij niet treuren om anderen, kan hun zonde ook de onze worden. Ezech. 4:8, 1 Kor. 5:2. — William Nicholson.
Wenken voor predikers
Vers 136
Rijk verdriet om rijke zonde. Wat anderen verkeerd doen, is voor de heilige zijn eigen pijn. Hij denkt aan de goede God, Die tot toorn wordt geprikkeld, aan de zondaars zelf die zo verlaagd worden, aan hun dood en aan hun ondergang.
Vers 136
- De aanleiding van zijn verdriet: “zij Uw wet niet.”
- De omvang van zijn verdriet: “waterbeken,” enzovoort. Zie de voorbeelden in Jeremia, Ezra, Paulus en Christus Zelf.
- Het gevolg van zijn verdriet. Hij waarschuwt, onderwijst, nodigt uit en vermaant hen, zoals in zijn psalmen. — G.R.
Vers 136
Heilige tranen.
- De wereld zondigt.
- De Kerk huilt.
- Het is tijd dat de wereld om zichzelf gaat huilen. — C.A.D.
Vers 136
Ik huil, omdat:
- de Wetgever wordt onteerd;
- de wetsovertreder onrecht wordt aangedaan;
- de wetsgetrouwe onrecht wordt aangedaan.
“Die koninklijke profeet weende rijkelijk om zijn eigen overtredingen (Ps. 6:7). Toch had hij nog stromen tranen over om zijn volk mee te beweinen” (Ps. 119:136). — Thomas Adams.
“Op een dag trof men Benedetti, een franciscaner monnik en dichter van het Stabat Mater, in tranen aan. Toen men hem vroeg waarom hij huilde, riep hij uit: ‘Ik huil omdat de Liefde niet wordt liefgehad.’” — W.H.J.P.
Uitleg
Deze strofe gaat over de volmaakte rechtvaardigheid van Jehova en van Zijn Woord, en ze laat zien hoe een heilige ziel daarmee worstelt. In het Hebreeuws begint elk vers van dit gedeelte met dezelfde beginletter, de “Tsade”. Voor ons is het sleutelwoord daarbij zuiverheid.
Vers 137
“HEERE! Gij zijt rechtvaardig.” In dit lange gedicht heeft de psalmist de naam Jehova niet vaak gebruikt. De hele psalm laat zien dat hij diep godsdienstig was en thuis was in de dingen van God. Zulke mensen spreken Gods heilige Naam nooit lichtvaardig uit. Ze doen het zelfs veel minder vaak dan mensen die er niet bij nadenken of God niet kennen. Hier leidt vertrouwdheid dus juist tot eerbied. Nu noemt hij de heilige Naam in aanbidding. Hij prijst God door te zeggen dat Hij volmaakt rechtvaardig is. God heeft altijd gelijk en doet altijd actief wat rechtvaardig is. Die eigenschap zit al verweven in onze gedachte aan God. Een onrechtvaardige God kunnen wij ons niet voorstellen.
“En elkeen Uwer oordelen is recht.” Nu prijst hij Gods Woord, of Zijn vastgelegde oordelen, als recht, net zoals hun Auteur rechtvaardig is. Wat voortkomt uit de Rechtvaardige God, is zelf ook rechtvaardig. Jehova zegt en doet wat recht is, en niets anders. Dat is een groot houvast voor de ziel als het moeilijk wordt. Worden we hard geraakt en begrijpen we niet waarom God dit doet? Dan kunnen we terugvallen op het allerzekerste: God is rechtvaardig, en ook wat Hij met ons doet, is rechtvaardig. Wij zouden er een eer in moeten stellen deze dappere belijdenis te zingen, ook als alles om ons heen het omgekeerde lijkt te zeggen. Dit is aanbidding op haar rijkst: aanbidding die van de lippen van het geloof komt, terwijl het vleselijke verstand mort over te grote hardheid en dergelijke.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
De heilige Hieronymus, die de meeste middeleeuwse schrijvers volgen, vertaalt Tsade met “gerechtigheid” of “rechtvaardigheid”. Dat is eigenlijk tsedek. Toch heeft hij gelijk in zoverre dat dit couplet speelt met de klank van de beginletter, zoals bij Gimel. Het eerste woord, “rechtvaardig”, is immers tsaddik. Het hele couplet zegt in de kern: ook een jonge, onervaren ziel kan midden in de zorgen van deze wereld stevig vasthouden aan rechtvaardigheid. — Neale en Littledale.
Elk van deze verzen begint met Tsade, de achttiende letter van het Hebreeuwse alfabet. Ps. 119:137, 142 en 144 openen met een vorm van het woord dat wij vertalen als rechtvaardig of rechtvaardigheid. Elk van de andere verzen begint met een geheel ander woord. — William S. Plumer.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 137
“Gij zijt rechtvaardig,” enzovoort. David was zeer bedroefd over de goddeloosheid van zijn vijanden. Ook werd hij zwaar op de proef gesteld: het dreigde hem ongeduldig en wantrouwig te maken, want hij zag dat het hen voor de wind ging ondanks hun grove goddeloosheid. Hier laat hij ons drie dingen zien die hem troostten en hem in die gevaarlijke verzoeking overeind hielden. Het eerste is wat God in Zichzelf is: rechtvaardig en recht. Het tweede is de rechtmatigheid van Zijn Woord. Het derde is Zijn onveranderlijke waarheid, die blijkt uit alles wat Hij doet en werkt, in overeenstemming met Zijn Woord.
Merken we dat we in de verzoeking komen om te wantrouwen, doordat we de voorspoed van de goddelozen zien? Laten we dan opzien naar God. Laten we Zijn wezen, Zijn Woord en Zijn werken overdenken. Dan vinden we troost.
“Gij zijt rechtvaardig.” Hier ligt de eerste reden tot troost: wat we leren als we nadenken over de rechtvaardigheid van Gods wezen. Hij verandert niet mee met de tijden en kijkt niet naar de persoon. Altijd en voor iedereen is Hij dezelfde rechtvaardige en heilige God. Rechtvaardigheid hoort wezenlijk bij Hem. Ze ís Hij Zelf. Hij kan Zijn godvrezende kinderen de troost die Hij hun beloofde niet onthouden, en Hij kan de goddelozen niet ongestraft laten in hun zonden. Daarvoor zou Hij moeten ontkennen dat Hij God is, en dat is onmogelijk. — William Cowper.
Vers 137
“HEERE! Gij zijt rechtvaardig,” enzovoort. Rechtvaardig in Zijn wezen, vanaf het begin en uit Zichzelf. Rechtvaardig van nature, onveranderlijk en voor iedereen, in al Zijn wegen en werken, in de natuur en in de genade. In Zijn gedachten, plannen, raadsbesluiten en besluiten. In alles wat Zijn voorzienigheid beschikt. In de verlossing, in de rechtvaardiging van een zondaar, in de vergeving van zonde en in de gave van het eeuwige leven door Christus. “En elkeen Uwer oordelen is recht.” Ze zijn zoals recht en billijkheid dat vragen. Hij bedoelt de geboden van het Woord en de leerstellingen van het evangelie, maar ook de oordelen van God over goddeloze mensen, alle handelingen van Zijn voorzienigheid met Zijn volk en tot slot het laatste oordeel. — John Gill.
Vers 137
“HEERE! Gij zijt rechtvaardig,” enzovoort. Dit geeft Gods kinderen alle reden tot eerbiedig ontzag. De Heere is een rechtvaardig God. Zij hebben genade gevonden en hun toevlucht genomen tot Zijn genade, en toch blijft de Heere in Zijn gerechtigheid onpartijdig. Hij spaarde de engelen niet toen ze zondigden. Hij spaarde ook Zijn eigen Zoon niet, Die door toerekening als zondaar werd gezien. Ook jou zal Hij dus niet sparen, al ben je de lieveling van Zijn ziel: Spr. 11:31. Als Gods kinderen zondige wegen gaan, levert dat al bitterheid genoeg op. Ze gaan nooit de zonde in zonder zwaar verlies.
Geeft Paulus een beetje toe aan hoogmoed? Dan zal God hem nederig maken. Wie zich aan zonde overgeeft, zal zijn pelgrimsreis zuur zien worden. Eli wordt nalatig en toegeeflijk. Daarop wordt de ark van God buitgemaakt, vallen zijn beide zonen in de strijd, sterft zijn schoondochter en breekt hij zelf zijn nek. O, wat een vreselijke tragedies richt de zonde aan in de huizen van Gods kinderen! David raakte betrokken bij verboden vrucht. Hij werd uit zijn paleis verdreven, zijn bijvrouwen werden onteerd en zijn eigen zoon werd gedood. Ramp na ramp trof hem. Gods kinderen hebben dus reden om te vrezen, want de Heere is een rechtvaardig God, en dat zullen ze merken.
Op aarde houdt Hij het recht om hun ongerechtigheid met roeden en hun overtreding met geselslagen te bezoeken. Ik moet jullie met nadruk oproepen om Gods rechtvaardigheid te volgen: “Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is”: 1 Joh. 2:29. Jullie hebben een rechtvaardige God. Dat deel van Zijn karakter moeten jullie overnemen. — Thomas Manton.
Vers 137
Toen God David met Zijn hand bezocht, was zijn grote zorg de Heere vrij te pleiten van onrecht. O Heere, zegt hij, in al de ellende die U over mij hebt gebracht, is niet het minste schijn of vlek, geen smet, geen gebrek en geen spoortje onrecht. Ik neem de schaamte op mij en zet er mijn zegel onder: de Heere is rechtvaardig. Er is geen onrecht, geen wreedheid en geen overdrijving in alles wat de Heere over mij heeft gebracht. Zo vriendelijk en gewillig stemt hij in met Gods rechtvaardigheid, ook in de scherpe en pijnlijke ellende waarmee God hem op de proef stelde.
“HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.” Gods oordelen zijn altijd rechtvaardig. Hij laat nooit lijden dan uit trouw. Zijn wil is de maatstaf van gerechtigheid. Daarom durft een ziel die genade kent, Zijn handelen niet te betwisten of ter discussie te stellen. — Thomas Brooks.
Vers 137
Vers 137 hoort, net als vers 25, bij het verdriet van een keizerlijke boeteling (Gibbon, Decline and Fall, hoofdstuk 46). Keizer Mauricius was afgezet en gevangengenomen. Toen de usurpator Phocas hem ter dood liet brengen, werden eerst zijn vijf zonen een voor een voor zijn ogen vermoord. Bij elke dodelijke slag riep hij geduldig uit: “HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.” — Neale en Littledale.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door pastor C. A. Davis. Vers 137-144. — Gods rechtvaardigheid en die van Zijn Woord (Ps. 119:137, 138). Verontwaardigd zijn omdat de vijanden het Woord vergeten (Ps. 119:139). De zuiverheid van het Woord (Ps. 119:140, 141). Eeuwig is deze rechtvaardigheid van God en van Zijn getuigenissen (Ps. 119:142-144).
Wenken voor predikers
Vers 137, 138
Ernstige overdenking.
- Nadenken over de diepe en ontzagwekkende openbaring van Gods karakter is goed voor de ziel.
- Het leidt tot de overtuiging dat Gods karakter en bestuur rechtvaardig zijn.
- Het zal uitlopen op trouwe onderwerping. — C.A.D.
Vers 137
Nadenken over Gods rechtvaardigheid. Het overtuigt ons van zonde, verzoent ons met een beproevende voorzienigheid, wekt het verlangen om Hem na te volgen en roept ons tot eerbiedige aanbidding.
Vers 137
God is rechtvaardig.
- In Zijn geboden.
- In Zijn bedreigingen.
- In Zijn kastijding.
- In Zijn oordelen.
- In Zijn beloften. — G.R.
Uitleg
Vers 138
“Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.” Alles wat God in Zijn Woord heeft getuigd, is juist en waar. Het is rechtvaardig, dus je kunt er vandaag op rekenen. Het is getrouw, dus je kunt erop bouwen voor morgen. Over elk deel van de geïnspireerde getuigenissen rust goddelijk gezag. God gaf ze op Zijn bevel uit en maakte ze bekend, en ze dragen het zegel van het koninklijke taalgebruik dat almacht in zich heeft. Niet alleen de geboden zijn door de Heere bevolen, maar ook de beloften, en daarmee elke les van de Schrift.
Het is niet aan ons of we ze aannemen of weigeren. Ze zijn bij koninklijk besluit afgekondigd en je mag er geen vraagtekens bij zetten. Ze lijken op de Heere Die ze verkondigd heeft: ze zijn de kern van gerechtigheid en de ziel van de waarheid. Gods Woord is rechtvaardig en kan niet worden beschuldigd. Het is getrouw en kan niet worden betwijfeld. Het was waar van het begin, en het blijft waar tot het einde.
Blijf even stilstaan bij die lieflijke woorden: “de waarheid hogelijk geboden” (Engels: zeer getrouw). Wat een genade dat wij te maken hebben met een God Die uiterst nauwgezet trouw is. Hij is trouw in alle punten en kleinigheden van Zijn beloften, stipt op tijd en standvastig in alle tijden. We mogen alles wagen op een woord dat “altijd getrouw en altijd zeker” is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 138
“Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.” De Engelse tekst (“zeer getrouw”) is veel zwakker dan het oorspronkelijke Hebreeuws. Dat luidt letterlijk: “Gij hebt gerechtigheid geboden, Uw getuigenissen, en waarheid in overvloed.” De Septuaginta geeft het ook zo weer. Zijn getuigenissen waren gerechtigheid en waarheid. De getuigenissen en Zijn gerechtigheid en waarheid vielen samen. De Engelse tekst vertelt hoe de getuigenissen zijn. Het Hebreeuws vertelt wat er geboden is. Je kunt het ook zo zeggen: U hebt geboden dat gerechtigheid Uw getuigenissen zijn, en waarheid in overvloed. — John Stephen.
Vers 138
“Uw getuigenissen.” Het Woord van God draagt de naam getuigenis. Dat is zo omdat het van Zijn wil getuigt, die Hij door ons gedaan wil zien. Het is ook zo omdat het de mensen naar waarheid getuigt wat er van hen zal worden, ten goede of ten kwade. Van nature willen mensen graag weten hoe het afloopt, liever dan dat ze zich inspannen om hun leven te verbeteren. Daarom gaan ze met hun vragen naar plaatsen waar ze nooit iets goeds te horen krijgen. Willen ze het echt weten? Laat ze dan naar het Woord en de getuigenis gaan.
Een ander orakel hoeven ze niet te zoeken. Getuigt Gods Woord hun iets goeds, dan mogen ze blij zijn. Getuigt het iets kwaads, dan moeten ze zich haasten dat te ontlopen, want anders overvalt het hen zeker. — William Cowper.
Vers 138
“En de waarheid hogelijk geboden.” Letterlijk: overvloed aan trouw. Hoe zwaar en streng ze ook lijken, ze zijn alle volkomen gericht op het hoogste welzijn van de mens. — William Kay.
Wenken voor predikers
Vers 138
“De waarheid hogelijk geboden” (Engels: zeer getrouw). Ze is gegrond op een trouw verbond, bevestigd door trouwe beloften, uitgevoerd door een trouwe Verlosser, tot nu toe genoten en voor de toekomst vertrouwd. “Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw.”
Uitleg
Vers 139
In de twee voorgaande verzen sprak David over zijn God en over Zijn wet. Nu spreekt hij over zichzelf: “Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.” Ongetwijfeld kwam dit doordat hij zo scherp zag hoe bewonderenswaardig Gods Woord is. Zijn ijver was als een vuur dat in zijn ziel brandde. Als hij zag dat mensen God vergaten, was dat als een hevige windvlaag in het vuur: het laaide op tot een veel fellere vlam, tot het hem bijna verteerde. David kon er niet tegen dat mensen Gods woorden vergaten.
Hij was bereid zichzelf te vergeten, ja zichzelf op te branden, omdat deze mensen God vergaten. De goddelozen waren Davids vijanden. Ze waren zijn vijanden omdat ze hem haatten om zijn godsvrucht, en hij was hún vijand omdat hij een afschuw had van hun goddeloosheid. Zij waren in hun ongerechtigheid zo diep gezonken dat ze Gods geboden niet alleen overtraden en verwaarloosden, maar ze kennelijk werkelijk vergeten waren. David ontstak erover in toorn. Hij gloeide van verontwaardiging. Hoe durfden ze heilige dingen met voeten te treden! Hoe konden ze de geboden van God Zelf zo volledig negeren! Hij was ontzet en vol heilige toorn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 139
“Mijn ijver heeft mij doen vergaan.” Wat is ijver? Het is de hoogste vorm van liefde. Als iemand van wie je houdt slecht wordt behandeld, komt die liefde naar buiten als een mengeling van verdriet en verontwaardiging. Dat is genoeg om het hart leeg te laten lopen en het te “verteren”. Dat zien we bij mensen die goed beseffen hoeveel oneer God voortdurend krijgt van schepselen die Hij Zelf maakte en verloste. Maar niemand kon dit vers zo waar en zo volledig zeggen als de Zoon van God. Hij zag de heerlijkheid van Zijn Vader en de zonde van de mens helderder dan wie ook.
Toen Zijn ijver losbrak bij het reinigen van de tempel, merkt Johannes op: “En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.” Die woorden staan in Ps. 69:10, en die tekst loopt precies gelijk op met het vers dat we nu bekijken. — Horne.
Vers 139
“Mijn ijver heeft mij doen vergaan,” enzovoort. IJver is de gloed van onze gevoelens, of hun hoogste spanning. Het is een heilige warmte, waarin onze liefde en onze verontwaardiging zich helemaal richten op God en Zijn eer. Onze liefde voor God en Zijn wegen en onze afkeer van goddeloosheid horen juist toe te nemen door de goddeloze mensen om ons heen.
Op een schilderij laten donkere, bewolkte kleuren de lichte en levendige kleuren beter uitkomen. Zo hoort andermans zonde je God en godzaligheid mooier te laten zien. Je hart moet vlam vatten doordat je op zulke kille vuurstenen slaat. Bij David vloog het vuur eruit door een heilige antiperistasis, juist door de kou: “Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.” Een koude windvlaag laat een vuur hoger opvlammen en heter branden. — George Swinnock.
Vers 139
“Mijn ijver heeft mij doen vergaan.” Het vuur van de ijver komt uit de hemel, zoals het vuur dat Salomo’s offer verteerde.
Ware ijveraars zijn geen salamanders, die altijd in het vuur van haat en twist leven. Het zijn serafs, die gloeien van het geestelijke vuur van goddelijke liefde. Echte ijver zet de verlangens en gevoelens van de ziel in brand. Als het de echte is, dan putten het verstrijken van de tijd, de berg teleurstellingen, het gebrek aan trouw van wie de zaak in de steek laten en de kracht van de tegenstand een mens niet uit. IJver maakt mensen standvastig. Moeilijkheden zijn voor hun volharding slechts slijpstenen. Ze maakt de geest van mensen sterk als staal, met een onbevreesde vastberadenheid.
Dit was de ijver die in de discipelen brandde (Luk. 24:1-53). Het was de ijver die David hier verteerde, en die het merg van Christus Zelf verteerde: Joh. 2:17. — Abraham Wright.
Vers 139
“Mijn ijver heeft mij doen vergaan.” Er zijn allerlei soorten ijver: de ijver van de wereld, van het vlees, van de godsdienst, van de ketterij en van de ware God. Eerst zien we de ijver van de wereld: die laat mensen dag en nacht zwoegen voor iets wat verdwijnt. De ijver van het vlees martelt de geest, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, voor één ogenblik genot. De ijver van de ketterij zet mensen aan om land en zee af te reizen, om een mening te verdedigen en te laten groeien.
Zo zien we dat ieder mens door de een of andere ijver wordt verteerd. De dronkaard verteert van de drank, de hoerenloper loopt leeg door zijn hoererij, de ketter wordt verslonden door zijn ketterijen. O, wat een schande voor ons! Door de ijver voor Gods Woord worden wij zo weinig verteerd, uitgeput en opgeslokt. Dat is des te erger, omdat godzalige ijver ons iets oplevert wat wereldse en vleselijke ijveraars niet krijgen: winst en een vergoeding. Want als zij alle krachten van hun lichaam en alle gaven van hun geest hebben uitgegeven, blijft er geen winst of troost over.
Alleen een knagend geweten blijft. Zijn ze van buiten opgebrand, dan gaat het van binnen nooit beter. Wie God vrezen, zijn bezorgd om het goede en worden verteerd door ijver voor Gods eer. Zij hebben dit opvallende voorrecht: hoezeer hun uiterlijke mens ook afbrokkelt en vervalt, hun innerlijke mens wordt steeds weer verkwikt en gevoed tot het eeuwige leven. O, wat een weldaad om te worden verteerd door liefde en ijver voor iets goeds! — Richard Greenham.
Vers 139
“Uw woorden vergeten hebben.” Dit is een treffende omschrijving van mensen die in de schoot van de zichtbare kerk leven. Zij verloochenen en verwerpen het woord en de regel van de Schrift niet helemaal, maar ze leven alsof ze die niet hebben. Ze houden zich er niet aan, alsof God zoiets nooit heeft gezegd en hun zo’n regel nooit heeft gegeven. Wie afwijst en veroordeelt wat het Woord afdwingt, is stellig niet van plan om die dingen ook te doen. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 139
IJver.
- Ze verteert zichzelf.
- Ze wordt aangewakkerd door wat haar van nature zou doven.
- Ze wordt gevoed door Gods woorden.
Vers 139
IJver.
- Ze bloeit in een weinig veelbelovende sfeer.
- Ze groeit op verbazingwekkende wijze.
- Ze volbrengt een gezegend werk: het verteren van het eigen ik. — C.A.D.
Vers 139
- Het doel van zijn ijver: “Uw woorden.”
- De aanleiding van zijn ijver: “Mijn wederpartijders,” enzovoort.
- De gloed van zijn ijver: “Mijn ijver heeft mij doen vergaan.” — G.R.
Uitleg
Vers 140
“Uw woord is zeer gelouterd.” Het is waarheid zoals ze uit de distilleerketel komt: heiligheid in haar kernvorm. In Gods Woord is geen enkele dwaling of zonde bijgemengd. Zuiver is het in wat het betekent, in zijn taal, in zijn geest en in zijn invloed, en dat alles in de allerhoogste mate: “zeer gelouterd.” “En Uw knecht heeft het lief”: dat bewijst dat hij zelf zuiver van hart was. Want alleen zuivere mensen hebben Gods Woord lief om zijn zuiverheid. Zijn hart was verknocht aan het Woord, vanwege zijn schitterende heiligheid en waarheid. Hij bewonderde het, genoot ervan, wilde het in praktijk brengen en verlangde ernaar onder zijn reinigende kracht te komen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 140
“Uw woord is zeer gelouterd.” In de grondtekst staat: “beproefd, gelouterd als goud in de smeltoven.” Volstrekt volmaakt is het, zonder het schuim van nietigheid en feilbaarheid dat in menselijke geschriften zit. Naarmate we de beloften meer op de proef stellen, zullen we ze betrouwbaarder vinden. Zuiver goud is zo vast van aard, vertelt Boerhaave ons, dat een ons ervan twee maanden lang in het vuur van een glasoven werd gehouden zonder ook maar één korreltje kwijt te raken. — George Horne.
Vers 140
“Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief,” enzovoort. Het Woord van God is niet alleen zuiver en vrij van alle onedele toevoeging. Het zuivert ook. Elk hart dat ermee in aanraking komt, reinigt het van zonde en schuld. “Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb”, zei Jezus Christus tegen Zijn discipelen: Joh. 15:3. Juist die zuivere eigenschap, samen met de neiging om elke natuur te zuiveren die zich aan zijn heilige invloed overgeeft, maakt het kostbaar voor ieder kind van God. Hier vindt het kind van God de beelden van Gods karakter, de beloften, de geboden, de voorstellingen van hoe verschrikkelijk de zonde is en hoe mooi heiligheid is.
Ze laten het boven alles verlangen naar gelijkvormigheid aan het beeld van God. In zijn beste ogenblikken wil een kind van God niet dat Gods Woord wordt neergehaald tot het niveau van zijn eigen onvolmaakte karakter. Het wil liever dat zijn karakter stap voor stap wordt opgetild tot gelijkvormigheid aan dat gezegende Woord. Omdat het geheel zuiver is en omdat het de neiging heeft om wie het tot hun dagelijkse studie maken iets van zijn eigen zuiverheid mee te geven, heeft Gods kind het lief. Het vindt vreugde in het overdenken ervan, dag en nacht. — John Morison.
Vers 140
“Uw woord is zeer gelouterd.” Vóór ik Gods Woord in geest en waarheid kende, ging het al boven alle andere boeken. Ik hield van zijn hoge leeftijd, zijn boeiende verhalen, zijn eerlijke levensbeschrijvingen, zijn zuivere zedenleer en zijn verheven poëzie. Kortom: van zijn schitterende en verbazingwekkende veelzijdigheid. Maar sinds ik tot de geest ervan ben doorgedrongen, heb ik het boven alles lief, net als de psalmist, om zijn zuiverheid. Moge alles wat ik verder nog lees mijn kennis van de Bijbel vergroten en mijn liefde voor haar goddelijke en heilige waarheden sterker maken. — Sir William Jones, 1746-1794.
Vers 140
“Uw woord.” Laten we ons verstand en geheugen verfrissen met een aantal namen uit de Schrift die aan “het woord” verbonden zijn. Laten we in elk geval een klein beetje beseffen hoeveel banden het woord heeft, zowel met God als met onze ziel. Het heet “het woord van Christus”, omdat Christus er Zelf een groot deel van heeft gegeven en het hele woord van Hem getuigt… Het heet “den woorde Zijner genade”, omdat genade het heerlijke onderwerp is waar het graag lang bij stilstaat, vooral genade zoals ze blijkt uit Christus’ stervende liefde voor zondige mensen.
Het heet logos tou staurou, “het woord des kruises” (1 Kor. 1:18), omdat we in de kruisiging van de goddelijke Verlosser de eeuwige barmhartigheid in haar helderste schittering zien. Het heet “het woord des Evangelies”, omdat het alle volken een goede boodschap van grote blijdschap brengt. Het heet “het Woord des Koninkrijks”, omdat het alle gelovigen hoop geeft op een eeuwig koninkrijk van gerechtigheid en vrede. Het heet “het woord dezer zaligheid”, omdat het gegeven is om zondaars te redden. Het heet “het woord der waarheid”, omdat het, zoals Chillingworth zegt, God als auteur heeft, zaligheid als doel en onvervalste waarheid zonder enige dwaling als inhoud.
Dit voegen we er alleen aan toe: het heet “het woord des levens”, omdat het een zondige wereld die ten onder gaat de leer van leven en onsterfelijkheid openbaart. — W. Graham, in “A Commentary on the First Epistle of John,” 1857.
Vers 140
“En Uw knecht heeft het lief.” Liefde in God is de bron van alle goede dingen die Hij ons toedeelt. En liefde in de mens is de bron van alle dienst en gehoorzaamheid die wij aan God bewijzen. Hij had ons eerst lief om ons goed te doen. Daaruit komt voort dat wij de genade krijgen om Hem lief te hebben en Hem daarna te dienen. Liefde is een plicht waarvoor niemand een excuus heeft als hij haar mist, want ook de armste kan en moet God liefhebben. Maar zonder liefde is alles wat je verder voor Hem doet, niets.
Dat geldt zelfs wanneer je al je goed aan de armen geeft en je lichaam laat verbranden. Kleine offers die uit geloof en liefde ontstaan, ontvangt Hij graag. Grotere offers zonder die liefde en dat geloof zijn Hem een gruwel. Beide zien we in het penninkje van de weduwe en het rijke offer van Kaïn. Het ene werd aangenomen en het andere afgewezen. Wat zijn wij gelukkig, ook al kunnen we niet zeggen: “Wij hebben gedaan wat God gebiedt”, als we maar uit een goed hart kunnen zeggen: “Wij doen graag wat Hij gebiedt.” — William Cowper.
Vers 140
“En Uw knecht heeft het lief.” Van alle gronden en redenen die we hebben om Gods Woord lief te hebben, is de edelste en mooiste dat we het liefhebben omdat het zuiver is. Dat bewijst werkelijk dat we deel hebben gekregen aan de goddelijke natuur: 2 Petr. 1:4. Want let op: haten we het kwade omdat het kwaad is en houden we van het goede omdat het goed is, dan liefhebben en haten we net als God. Als we dingen gaan liefhebben omdat ze zuiver zijn, is dat een teken dat onze liefde dezelfde is als de liefde van God. — Thomas Manton.
Vers 140
“En Uw knecht heeft het lief.” Zonder die liefde zou de psalmist zeker geen knecht van de Heere zijn geweest. Hij beroemt zich op die naam, want hij vindt zijn vreugde in een zuivere dienst. — John Stephen.
Verzen 140, 141
Wat God Zelf zegt, is werkelijk zonder smet en kan daarom niet bekritiseerd worden. Het is zuiver, in het vuur beproefd, het edelste metaal. Daarom heeft hij het lief. Hij is jong en wordt weinig geacht, maar de bezwaren van zijn trotse tegenstanders laten hem koud, ook al zijn zij ouder dan hij en geleerder. — Franz Delitzsch.
Wenken voor predikers
Vers 140
- Een zondaar die is wakker geschud en de heilige wet vereert.
- Een heilige die de wet liefheeft, omdat zuivere mensen van het zuivere houden.
- Een heilige tussen zondaars, die de wet door het contrast nog liever heeft.
Vers 140
- De kristalheldere rivier.
(a) Ze stroomt van onder de troon vandaan.
(b) Ze spiegelt de hemel.
(c) Eeuwenlang is ze zuiver gebleven.
(d) Terwijl ze stroomt, voedt ze heiligheid.
- De pelgrim die door haar wordt verrukt.
(a) Hij blijft aan haar oever.
(b) Hij verheugt zich in haar heldere diepten.
- Verblijd over de spiegelbeelden die ze toont: hijzelf, de hemel, God.
- Gereinigd en verkwikt door haar water. — W.B.H.
Vers 140
- De zuiverheid van Gods Woord.
(a) Ze komt voort uit een volkomen zuivere bron: “Uw woord.”
(b) Ze toont een zuiverheid die men anders niet kent.
(c) Ze bespreekt onzuivere onderwerpen met volkomen zuiverheid.
(d) Ze leert de meest volmaakte zuiverheid aan.
(e) Ze brengt zulke zuiverheid voort bij wie zich aan haar kracht onderwerpen.
- De liefde die haar zuiverheid wekt bij zielen die genade kennen.
(a) Ze hebben het lief omdat het hun aangeboren onzuiverheid blootlegt en hun tegelijk laat zien hoe ze eraan kunnen ontsnappen.
(b) Ze hebben het lief omdat het hen naar zijn eigen zuiverheid omvormt.
(c) Ze hebben het lief omdat een zuiver hart de zuiverheid van het Woord als een van zijn beste eigenschappen ziet.
- De blijken van deze liefde voor het zuivere Woord.
(a) Het verlangen om het in zijn zuiverheid te bezitten.
(b) Onderwerping aan zijn geest en onderwijs.
(c) IJver voor zijn eer en zijn verspreiding. — W.H.J.P.
Uitleg
Vers 141
“Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.” Het vergeten, waar hij anderen op aansprak (Ps. 119:139), kon men hemzelf niet verwijten. Zijn vijanden rekenden hem niet mee. Voor hen was hij iemand zonder macht en zonder middelen, en daarom keken ze op hem neer. Het lijkt wel of hij dat aanvaardt en nederig de laagste plaats inneemt. Maar ondertussen draagt hij Gods Woord overal met zich mee. Hoeveel mensen zijn er niet tot iets slechts gedreven, omdat ze wilden reageren op de minachting van hun vijanden! Ze wilden zichtbaar worden, en zeiden of deden dan iets wat ze niet konden verantwoorden.
Het mooie aan de godsvrucht van de psalmist was haar rust en haar evenwicht. Vleierij sleepte hem niet mee, en schaamte overspoelde hem niet. Hij was klein, dus ging hij des te zorgvuldiger om met de kleinere plichten. Hij werd veracht, dus zette hij zich des te ernstiger in voor de verachte geboden van God, die door zovelen aan de kant werden geschoven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 141
“Ik ben klein en veracht,” of: ik ben dat geweest. In sommige vertalingen staat “jong”. Dan zou het slaan op de tijd van zijn zalving door Samuël, toen zijn eigen familie hem over het hoofd zag en minachtte (1 Sam. 16:11; 17:28). Maar het woord hier zegt niets over leeftijd. Het beschrijft zijn positie, zijn toestand en zijn omstandigheden. Het betekent dat hij in zijn eigen ogen en in de ogen van mensen klein was en dat ze hem minachtten, en dat gebeurde vanwege zijn godsdienst. Daarin was hij een voorafbeelding van Christus (Ps. 22:7; Jes. 53:3). Het is ook de gewone ervaring van goede mensen. De wereld behandelt hen als vuil en als het afschraapsel van alle dingen. — John Gill.
Vers 141
“Ik ben klein.” Het kan gebeuren dat wie God liefheeft, terechtkomt in een lage, onaanzienlijke en benarde positie. De Heere vindt dat om verschillende redenen nodig. 1. Ze moeten weten dat hun geluk niet in deze wereld te vinden is. Zo gaan ze meer naar de hemel verlangen en vinden ze vreugde in wat van boven is. 2. Het vlees moet zijn voorraden kwijtraken en hun begeerten hun brandstof. Goede grond geeft onkruid, en als we met een volle stroom meevaren, voert die ons licht met zich mee. 3. Ze moeten beter voelen hoe Hij hun zonden en schandelijke gedrag afkeurt.
Daarmee onteerden ze Hem en wekten ze de toorn op van de zuivere ogen van Zijn heerlijkheid. 4. Ze moeten leren leven van de beloften en de vruchten van het lijden oefenen. Bovenal moeten ze afhankelijk worden van God, Die ons kan dragen zonder tijdelijk, zichtbaar voordeel. 5. God wil dat de vijanden overtuigd raken: er is een volk dat Hem oprecht dient, niet uit vleselijke, zelfzuchtige motieven: Job 1:9. Ook moet Zijn heerlijkheid des te helderder te zien zijn in hun redding. Daarom brengt God Zijn kinderen heel laag, voordat Hij voor hen opstaat. — Thomas Manton.
Vers 141
“Klein.” Dat zegt iets over David in zijn eerste jaren van moeite en vervolging. Het is lastig om iemand anders te vinden voor wie het zo goed past. — James G. Murphy.
Vers 141
Een opvallend voorbeeld ter beschaming van mensen die God misschien willen dienen en prijzen wanneer het hun goed gaat en ze groeien. Maar komen er verdrukking of gebrek, dan hebben ze er nauwelijks nog hart voor. — Abraham Wright.
Vers 141
“Doch Uw bevelen vergeet ik niet.” God let op wat wij doen als we in nood zijn: “Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid. Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten”: Ps. 44:21-22. Worden we in onze dienst aan God slap, of vallen we tot op zekere hoogte af, dan ziet de Rechter van de harten dat. God weet of wij een verdorven en verkeerde leer, eredienst of verordeningen zouden willen hebben. En Hij weet of wij Hem, Zijn Woord, Zijn eredienst en Zijn verordeningen trouw blijven, wat het ons ook kost.
Als we arm zijn en veracht worden, zien we méér reden om het Woord lief te hebben dan voorheen. We ervaren immers hoe het ons steunt en vertroost: “En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt,” enzovoort (Rom. 5:3). “Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig”: 2 Kor. 1:5. God heeft bijzondere troost voor Zijn onderdrukte en geminachte volk. Hij laat hun troost door Christus even groot worden als hun lijden voor Christus. — Thomas Manton.
Vers 141
“Doch Uw bevelen vergeet ik niet.” Uit ervaring weten we dat onze genegenheid loslaat wat uit ons geheugen verdwijnt. Als we niet meer denken aan iets, houden we er ook niet meer van. Maar diepe liefde frist de herinnering aan het geliefde steeds op. De eerste stap naar afval is vergeten wat God heeft geboden en wat wij Hem verschuldigd zijn. Daarna is het een kleine stap om God te krenken met onze overtredingen. Dieren die niet herkauwden, golden onder de wet als onrein en niet geschikt om God te worden geofferd.
Het was maar een beeld, om ons te leren: wie goede dingen van God heeft ontvangen en er niet over nadenkt, proeft de zoetheid ervan niet. En dan kan hij God ook niet dankbaar zijn. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 141-144
Een bedroefd lied met een blij refrein. Het eerste couplet: “Ik ben klein en veracht.” Het refrein: de eeuwige rechtvaardigheid van God. Het tweede couplet: “Benauwdheid en angst hebben mij getroffen.” Het refrein: opnieuw de eeuwige rechtvaardigheid van God. — C.A.D.
Vers 141
Hier zien we:
- David was vroom en toch arm. Hij was een man naar het hart van God, maar in zijn eigen ogen en in die van velen was hij “klein en veracht”.
- David was arm en toch vroom. Men noemde hem “klein en veracht” vanwege zijn strenge en ernstige godsvrucht. Toch kon zijn geweten voor hem getuigen dat hij Gods bevelen niet vergat. — M. Henry.
Vers 141
- De bron van de kleinheid van de mens ligt in hemzelf.
- De bron van zijn grootheid ligt in het goddelijke Woord. De grootste filosoof is daarom een klein mens, vergeleken met de meest ongeletterde die zijn vreugde vindt in Gods wet en haar overdenkt, enzovoort. — G.R.
Vers 141
- Een kleine leerling.
- Een vlotte leerling.
- Iemand die vast onthoudt.
Vers 141
Onbekend en toch bekend.
- Hoe de wereld de gelovige inschat.
- Hoe de gelovige zichzelf inschat.
- Wat de gelovige tegenover God belijdt.
- Bij nader inzien: de gelovige wordt anders ingeschat. 1 Kor. 1:27; Jak. 4:5. — C.A.D.
Uitleg
Vers 142
“Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid.” Eerder in deze strofe schreef hij gerechtigheid aan God toe. Nu verklaart hij dat die gerechtigheid niet verandert en van eeuwigheid tot eeuwigheid blijft. Dit is de vreugde en de heerlijkheid van de heiligen: wat God is, zal Hij altijd zijn, en Zijn handelwijze tegenover mensenkinderen blijft hetzelfde. Hij heeft Zijn belofte gehouden en onder Zijn volk recht gedaan, en dat zal Hij blijven doen tot in alle eeuwigheid. Wat mensen goed doen en wat ze verkeerd doen, komt allebei tot een einde, maar Gods gerechtigheid is zonder einde.
“En Uw wet is de waarheid.” Zoals God liefde is, zo is Zijn wet de waarheid: het wezen van waarheid zelf, waarheid die op ons gedrag wordt toegepast, waarheid in daden, waarheid op de rechterstoel. We horen grote discussies over de vraag “Wat is waarheid?” De heilige Schriften zijn het enige antwoord op die vraag. Let op: ze zijn niet alleen waar, ze zijn de waarheid zelf. We mogen niet zeggen dat ze waarheid bevatten. Ze zijn waarheid: “Uw wet is de waarheid.” Er is niets onwaars aan de wet, aan het deel van de Schrift dat gebiedt. Wie haar gehoorzamen, zullen merken dat ze een weg lopen die overeenstemt met de werkelijkheid. Wie tegen haar ingaan, lopen achter een schijnbeeld aan dat niets voorstelt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 142
“Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid.” Hier krijgt Gods wet nog een extra eerbetoon: ze is eeuwige gerechtigheid en waarheid. Het is alsof gezegd wordt dat alle andere levensregels, hoe mooi ze ook worden aangeprezen, niet meer zijn dan een schaduw die snel verdwijnt. Zonder twijfel zet de psalmist hiermee op een stille manier de leer van de wet af tegen alle voorschriften die mensen ooit hebben bedacht. Alle gelovigen horen zich aan die wet te onderwerpen, want ze is de school van volmaakte wijsheid. Menselijke beschouwingen zijn fijn en vernuftig, en kunnen overtuigender lijken.
Maar op de bodem ervan ligt niets stevigs of echts, zoals dat wel in Gods wet te vinden is. In het volgende vers laat hij aan één voorbeeld zien hoe hecht Gods wet is: ze gaf hem voortdurend troost toen hij hard werd bestookt door verzoekingen. De ware toets of we er echt baat bij hebben gehad, is dat we tegenover elke nood die ons benauwt, de troost zetten die we aan het Woord van God ontlenen. Zo verdwijnt alle droefheid uit onze gedachten. David zegt hier iets meer dan in het vorige vers. Daar zei hij alleen dat hij God met eerbied bleef dienen, hoewel hij zijn moeite verloren leek te zien door ruwe en harde behandeling.
Maar nu zegt hij dat hij, hoe bedrukt en gekweld ook, in Gods wet de zachtste vreugde vindt. Die verzacht alle pijn en maakt niet alleen hun bitterheid minder, maar kruidt ze zelfs met een zekere zoetheid. Als die smaak ontbreekt om ons te verblijden, is niets natuurlijker dan dat het verdriet ons verzwelgt. — Johannes Calvijn.
Vers 142
“Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid.” Gods gerechtigheid was niet alleen rechtvaardig op de dag dat ze werd afgekondigd, ze is het in alle eeuwen en tijden. Wie zou dan deze regel, die voor altijd blijft gelden, gering schatten? In de wereld zeggen ze: nieuwe heersers, nieuwe wetten. Mensen veranderen en wijzigen hun plannen en voornemens. Voorrechten die vandaag worden gegeven, kunnen morgen worden teruggenomen. Maar dit woord blijft voor eeuwig waar. Dat Christus ons rechtvaardigt, kan nooit meer worden teruggedraaid. Dat deel van de gerechtigheid is eeuwig. Weet je zeker dat je nu rechtvaardig bent verklaard op de voorwaarden van het evangelie?
Dan blijf je voor altijd rechtvaardig. Jouw vergeving is een vergeving voor eeuwig, en jouw vrede is vrede voor eeuwig: “Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken”: Jer. 31:34. Met de andere gerechtigheid, die van de heiliging, is het net zo: ook die duurt eeuwig. Bewijs je nu tegenover God als iemand die de toets doorstaat, en op de dag van het oordeel zal blijken dat je die toets doorstaan hebt. — Thomas Manton.
Vers 142
“Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid,” enzovoort. Vertaal het Hebreeuws beter zo: “Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.” Zo heeft ook de Septuaginta het. Het Engels maakt duidelijk dat de gerechtigheid blijvend is. Het oorspronkelijke Hebreeuws zegt bovendien wat voor soort gerechtigheid het is… Gods gerechtigheid is in haar wezen gerechtigheid, en ze is dat eeuwig. Het zijn absolute uitdrukkingen: er bestaat alleen deze gerechtigheid en alleen deze waarheid. — John Stephen.
Vers 142
“Uw wet is de waarheid.” 1. Ze is de allereerste waarheid. Wetten en geschriften van mensen, ook van heidenen, bevatten wel enige waarheid. Maar het zijn schamele restanten en snippers van de waarheid die na de zondeval zijn overgebleven. 2. Ze is de enige waarheid: de enige openbaring van Gods gedachten waarop je mag bouwen. Ze is de norm van de waarheid. 3. Ze is de zuivere waarheid. Alles erin is waarheid, zonder enig spoor van leugen. Elk onderdeel is even waar als de waarheid zelf, of het nu gaat om beloften, bedreigingen, leerstukken, geschiedverhalen, geboden of verboden. 4. Ze is de hele waarheid. Alles wat nodig is voor de zaligheid van wie zich door haar laten onderwijzen, staat erin. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 142
Gerechtigheid, onveranderlijkheid en waarheid komen samen in Gods openbaring.
Uitleg
Vers 143
“Benauwdheid en angst hebben mij getroffen.” Die druk kan het gevolg zijn van zijn omstandigheden, van de wreedheid van zijn vijanden of van zijn eigen strijd in zijn binnenste. Dat hij door veel nood moest, staat vast. Die nood greep hem en nam hem als gevangene mee in haar macht. Zijn pijnen vielen hem aan als woeste honden. Hij voelde hun tanden. Zijn nood was tweevoudig: benauwdheid van buiten en angst van binnen, zoals Paulus het uitdrukt: “van buiten was strijd, van binnen vrees.”
“Doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.” Zo werd hij een raadsel: neergedrukt en toch vrolijk, angstig en toch vol genot. Het kind van God begrijpt dat raadsel, want hij weet precies hoe het zit: terwijl hij wordt neergeslagen door wat hij in zichzelf ziet, wordt hij des te meer opgericht door wat hij in het Woord ziet. Hij verheugt zich in de geboden. Toch is hij bedrukt, omdat hij ze niet volmaakt kan gehoorzamen. De geboden geven hem rijkelijk licht. In dat licht ziet hij zijn eigen duisternis, en hij treurt erom. Alleen wie de worstelingen van het geestelijk leven zelf heeft doorgemaakt, snapt wat hier staat.
Laat de lezer hierin een weegschaal zien waarmee hij zichzelf kan wegen. Merk je zelfs midden in verdriet dat het een heerlijke zaak is om de wil van de Heere te doen? Heb je meer vreugde in je heiliging dan verdriet over de tucht die je krijgt? Dan draag je het kenmerk van Gods kinderen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 143
“Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.” Het is vreemd dat David midden in zijn angst zijn vreugde vond. Toch merk je de zoetheid van Gods Woord inderdaad het best in de bitterheid van het kruis. Christus’ vreugde en de vreugde van de wereld gaan niet samen. Wie zijn hart verlustigt in wereldse vreugde, kan de troost van de Geest niet voelen. Het ene doodt het andere. Maar wanneer God een nood gebruikt om ons te heiligen, voel en ervaar je de troost van Gods Woord het meest.
Vaak sprak David deze vreugde in Gods Woord uit. En het is werkelijk een groot bewijs van godzaligheid als mensen er niet alleen ontzag voor hebben, maar het ook liefhebben en er vreugde in vinden. Laten de ongelukkigen die het alleen uit gewoonte horen en het slechts als last zien, dit goed bedenken en ter harte nemen. — Abraham Wright.
Vers 143
“Benauwdheid en angst hebben mij getroffen,” of: “hebben mij gevonden”, enzovoort. We hoeven er, zoals velen doen, niet naar te zoeken om “benauwdheid en angst te vinden”. Ooit vinden zij ons wel. Op die dag moet wat God ons openbaarde, voor ons de plaats innemen van alle “vermakingen” en genoegens van de wereld, want die hebben ons dan verlaten. Hoe leeg en troosteloos zal ons leven zijn als we geen andere vermakingen en genoegens hebben die hun plaats innemen en met ons meegaan naar de eeuwigheid! Laten we daarom de Schriften bestuderen, als we er later onze troost in willen vinden. — George Horne.
Vers 143
“Benauwdheid en angst hebben mij getroffen.” Je kunt je hier een gewaagde voorstelling bij maken. Het lijkt of Benauwdheid en Angst zijn uitgezonden tegen weerloze mensenkinderen, als vijanden die rondgaan. Maar in plaats van de goddelozen te grijpen, troffen ze de rechtvaardige. Zo had God het in Zijn wijsheid beschikt. Velen van ons hebben vast gemerkt dat de gelovige nooit lang op zijn gemak is. Hij leeft in de wereld en in het vlees. Er is inwonende zonde. Overal zijn vijanden, aan alle kanten. Er is de grote vijand. En bovendien verbergt de Heere om wijze redenen Zijn gezicht. Dan zit de gelovige in benauwdheid en angst. — John Stephen.
Vers 143
“Getroffen.” In het Hebreeuws: gevonden, zoals honden doen die een wild dier opsporen dat zich verstopt of vlucht. — A.R. Fausset.
Vers 143
“Uw geboden zijn mijn vermakingen.” Volgens Thomas van Aquino is vermaak in zedelijke dingen de maatstaf waaraan we de goedheid of slechtheid van mensen kunnen toetsen. Delectatio est quies voluntatis in bono: vermaak is de rust van de wil in het goede. Mensen zijn goed of slecht naargelang waar ze hun vreugde in vinden. Goed zijn zij die zich vermaken in goede dingen, en slecht zijn zij die zich vermaken in kwade dingen. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 143
Gemengde gevoelens.
Vers 143
—
- De donkere wolk. Benauwdheid, enzovoort.
- De zilveren rand ervan. “Doch,” enzovoort.
Vers 143
—
- De heilige in de gevangenis geworpen.
(a) De cipiers: “Benauwdheid en angst.”
(b) Hun werkwijze: ze hebben hem “getroffen” en houden hem vast.
- Liederen in de nacht.
(a) Het gezegende thema: “Uw geboden.”
(b) Verrukkelijke melodieën: “vermakingen.”
- Laat de gevangenen ze horen.
(a) Pijn gevangen, zonde gevangen, wanhoop gevangen.
(b) Het zijn woorden en melodieën die gevangenissen openen. — W.B.H.
Vers 143
Denk na over:
- Hoe uitnemend het Woord is, omdat het vreugde geeft als benauwdheid en angst drukken.
- Hoe goed God is: Hij heeft Zijn Woord zo gemaakt dat het vreugde kan geven, op zo’n tijd en onder zulke omstandigheden.
- Dat de gelovige zijn toevlucht tot het Woord neemt om vreugde te vinden, terwijl anderen zich overgeven aan ijdel verdriet en moedeloosheid.
- Hoe gezegend de gelovige is, omdat hij nooit zonder vreugde hoeft te zijn. — J.F.
Uitleg
Vers 144
“De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid.” Eerst zei hij dat Gods getuigenissen rechtvaardig zijn, toen dat ze eeuwig zijn, en nu dat hun gerechtigheid eeuwig is. Zo geeft hij ons, hoe langer hij erover schrijft, een steeds ruimer en uitgebreider verslag van wat het Woord van God is. Hoe meer we ter ere van de heilige Schrift zeggen, des te meer blijft er te zeggen over. Op wat God de mens getuigt, valt niets aan te merken. Het is van begin tot einde rechtvaardig. Goddeloze mensen hebben zich verzet tegen Gods rechtvaardigheid, vooral tegen het plan van de zaligheid.
Maar nooit zijn ze erin geslaagd een aanklacht tegen de Allerhoogste hard te maken. Zolang de aarde bestaat en zolang er nog één verstandig schepsel in het heelal is, zal er worden beleden: Gods plannen van barmhartigheid zijn in alle opzichten wonderlijke bewijzen van Zijn liefde voor gerechtigheid. Zelfs om genadig te kunnen zijn, zal Jehova niet onrechtvaardig zijn.
“Doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.” Hij bidt dit voortdurend: dat God hem laat verstaan. Zo’n gave is volgens hem klaarblijkelijk onmisbaar voor zijn leven. Zonder verstaan leven is niet het leven van een mens. Dan ben je dood terwijl je leeft. Pas wanneer we de dingen van God kennen en begrijpen, kun je zeggen dat we het leven ingaan. Hoe meer de Heere ons leert om de eeuwige rechtheid van Zijn Woord te bewonderen, en hoe meer Hij ons levend maakt om die rechtheid lief te hebben, des te gelukkiger en beter worden we.
Wij houden van het leven en zoeken vele dagen om het goede te zien. Het past ons daarom om onsterfelijkheid te zoeken in het eeuwige Woord, dat leeft en blijft tot in eeuwigheid. En ook om het goede te zoeken in de vernieuwing van heel onze natuur, die begint met de verlichting van het verstand en doorgaat tot de wedergeboorte van de hele mens. Hier hebben wij de Heilige Geest nodig, de Heere en Gever van het leven en de Gids van allen die levend gemaakt zijn, Die ons in alle waarheid zal leiden. O, kwam Zijn genade ons nu, op dit goede uur, bezoeken!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 144
“De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid.” Wat U ons voorschrijft voor ons gedrag, geldt niet voor één volk of voor één bepaalde tijd. Het is net zo onvergankelijk als Uw eigen wezen, en het verplicht ons zonder einde. Het is de wet waaraan alle kinderen van Adam zullen worden gemeten. “Doe ze mij verstaan”: zodat ik ze ken en ze doe. “Zo zal ik leven”: zodat ik U eer geef en eeuwig leef. Niet omdat ik die wet met verdienste heb nageleefd, maar omdat U het werk van de wet in mijn hart hebt volbracht en mij hebt gered van de veroordeling die ze over mij uitsprak. — Adam Clarke.
Vers 144
“Doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.” Ik lees dit zinsdeel samen met het zinsdeel ervoor, als één gedachte. David vraagt wel dat God zijn geest verlicht, maar hij kent geen andere weg naar een verlicht verstand dan goede voortgang in de studie van de wet. Daarnaast leert hij hier dat je, strikt genomen, van mensen niet kunt zeggen dat ze leven als hun het licht van de hemelse wijsheid ontbreekt. De mens is niet geschapen om, net als een varken of een ezel, zijn buik vol te eten. Hij is geschapen om God te leren kennen en te dienen.
Draait hij zich van die taak af, dan is zijn leven erger dan duizend doden bij elkaar. Daarom laat David weten dat leven voor hem meer was dan eten en drinken en genieten van aardse gemakken. Hij wilde streven naar een beter leven, en dat lukt alleen als het geloof de weg wijst. Dit is een hoogst nodige waarschuwing. Iedereen geeft toe dat de mens zich van de lagere dieren onderscheidt doordat hij meer verstand heeft. En toch dooft het grootste deel van de mensheid, alsof het zo bedoeld is, al het licht dat God in hun verstand heeft aangestoken.
Natuurlijk wil iedereen scherpzinnig zijn, dat geef ik graag toe. Maar hoe weinigen willen naar de hemel en bedenken dat de vreze Gods het begin van de wijsheid is! De gedachte aan het hemelse leven verdwijnt onder aardse zorgen, en zo storten mensen zichzelf in het graf. Terwijl ze voor de wereld leven, sterven ze voor God. Met het woord “leven” bedoelt de profeet het uiterste dat hij zich kon wensen. Het is alsof hij zegt: Heere, al ben ik al dood, deze ene genade is genoeg om mij weer te laten leven, als U mijn geest wilt verlichten met kennis van de hemelse waarheid. — Johannes Calvijn.
Vers 144
“Doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.” Er is maar één weg naar leven: de zaligmakende kennis van Gods getuigenissen. Leven kent drie soorten: 1. het natuurlijke leven, 2. het geestelijke leven en 3. het eeuwige leven. Op alle drie gebieden kun je aantonen dat dit klopt.
Ten eerste. Het natuurlijke leven: het leven van het lichaam, het tijdelijke leven, dat de Schrift “dit leven” noemt: 1 Kor. 15:19; 1 Tim. 4:8. Je leven wordt beter beschermd als je gehoorzaam bent dan als je kwaad doet. Kwaad doen wekt Gods toorn, zodat Hij ons afwijst, en het stelt ons aan gevaren bloot. Geen enkele macht in de wereld kan ervoor zorgen dat wij één dag eerder of later leven of sterven dan God het wil. Als God ons gelukkig wil maken, kunnen zij ons niet ongelukkig maken. Daarom: “Doe ze mij verstaan, zo zal ik leven”, ofwel: een troostrijk en gelukkig leven leiden, nu.
Ga zonde uit de weg en je gaat gevaar uit de weg. Gehoorzaamheid is de beste manier om je tijdelijke leven te bewaren. Voor de wereld klinkt het tegenstrijdig, maar het is een waarheid van de Schrift: “Onderhoud mijn geboden, en leef” (Spr. 4:4). “Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven” (vers 13). “Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer” (Spr. 3:16). En: “Zij is een boom des levens” (vers 18). Het Woord kennen en doen is het enige middel om hier troostrijk en gelukkig te leven, en daarna voor altijd.
Ten tweede. Het geestelijke leven. Dat leven heeft twee kanten: het leven van de rechtvaardiging en het leven van de heiliging.
- Het leven van de rechtvaardiging: “Alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens”: Rom. 5:18. Dood is niet alleen wie de beul al heeft afgemaakt. Dood is ook wie het vonnis van de rechter heeft gehoord en door de wet dood wordt genoemd. Zo waren wij allemaal dood, en daarom heet rechtvaardiging: rechtvaardiging tot het leven. In deze zin is er zonder kennis geen leven: “Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken”: Jes. 53:11. We leven door geloof. Geloof komt uit het horen. En horen helpt niet, tenzij de Heere ons laat verstaan. Zo voedt ook eten niet, tenzij het wordt opgenomen en verteerd.
- Het leven van de heiliging. Daarover lezen we: “En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden”: Ef. 2:1. Zonder de genade leeft niemand zoals het bedoeld is. Wie dat leven niet kent, leidt een nagemaakt, schijnbaar bestaan, geen gezegend, gelukkig, zeker en waar leven. Zaligmakende kennis zet dit leven in gang en houdt het gaande: “den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis”: Kol. 3:10. Elders staat dat mensen “vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is”: Ef. 4:18. Onwetend zijn betekent: dood zijn in de zonde.
Geestelijk leven ontstaat door kennis. Hier begint de verandering van de innerlijke mens, en vanaf dat moment leven we pas echt. “Doe ze mij verstaan”, ut vere in te vivam: zodat ik waarlijk in U leef, en het ware leven dat in mij is begonnen elke dag groeit en toeneemt en nooit door zonde wordt uitgeblust.
Ten derde. Het eeuwige leven, onze gezegende staat in de hemel. Zo wordt gezegd van heiligen die al zijn heengegaan: “zij leven Hem allen”: Luk. 20:38. Dit leven heet ook “het water des levens”, “de boom des levens” en “de kroon des levens”. Dát is pas echt leven. Wat is ons leven van nu naast het eeuwige leven? Het is mors vitalis, een levende dood, of mortalis vita, een stervend leven, een soort dood. Het stroomt voortdurend, als een rivier. Het glipt ons even snel uit de handen als het ons toekomt: “Ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet”: Job 14:2.
Wij sterven even snel als wij leven. Het enige verschil zit in het eindpunt van de lijn. Het blijft niet één en hetzelfde, niets blijvends. Het is als de weerspiegeling van een ster in stromend water. Wat het geeft, is laag en gewoon. Het heet “het leven uwer hand”: Jes. 57:10. Het is in elkaar geflanst uit allerlei schepselen en moet de voorraadkamers van de natuur doorzoeken om een bouwvallig gebouw overeind te houden. Vergelijk het ook eens met het leven van de genade hier op aarde: dat haalt ons niet uit zonde en ellende. Onze vermogens zijn beperkt.
We zitten vol angst, twijfel en gevaar. Maar in het leven van de heerlijkheid zondigen we niet meer en treuren we niet meer. Dit bedoelt David: “De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.” Het gaat hier vooral om het leven van de heerlijkheid, het uiteindelijke leven. Dat is de vrucht van zaligmakende kennis: God en Christus zó kennen dat we door Hem tot God komen. — Thomas Manton.
Vers 144
“Zo zal ik leven.” Ik zal bewaard blijven voor de zonden die de dood verdienen en die de dood ook werkelijk veroorzaken. — Matthew Pool.
Wenken voor predikers
Vers 144
Eeuwige gerechtigheid, geopenbaard in het Woord, die eeuwig leven voortbrengt in gelovigen.
Vers 144
—
- Eeuwige waarheden.
- Het eeuwige leven dat ervan afhangt.
- Een roep vanuit deze eeuwige bergen. — W.B.H.
Vers 144 (laatste zinsdeel)
—
- Bekijk eerst het gebed in zijn eenvoud.
(a) Het past bij de zondaar die wakker is geschud.
(b) Bij de christen die tegen verzoeking strijdt.
(c) Bij de gelovige die lijdt.
(d) Bij de werker.
(e) Bij strevende geesten in Gods gemeente.
(f) Bij stervende heiligen.
- Het gebed nader uitgewerkt.
(a) Hier wordt een behoefte beleden.
(b) Het gebed wordt duidelijk gegrond op vrije genade: “Doe.”
- Leg het argument in het gebed bloot.
- Het Woord van God is, als je het praktisch en uit ervaring verstaat, een onderpand van leven.
- Het Woord van God is het onvergankelijke “zaad” dat leeft en blijft tot in eeuwigheid.
- Het is het voedsel van het leven.
- Het is de bloem, de kroon en de heerlijkheid zelf van het ware leven.
- Het is rechtvaardig.
- Het is eeuwig. Zie “Spurgeon’s Sermons,” nr. 1572: “Alive.”
Uitleg
Deze strofe draait volledig om herinneringen aan gebed. De psalmist vertelt wanneer en hoe hij bad. Hij pleit bij God om redding uit zijn nood. Wie met God in de binnenkamer is geweest, vindt God ook bij zich in de smeltoven. Hebben we geroepen, dan worden we verhoord. Dat een antwoord op zich laat wachten, kan ons aanzetten om vol te houden. Maar we hoeven de uitkomst niet te vrezen, want Gods beloften zijn niet onzeker. Ze liggen voor eeuwig vast. Het hele gedeelte laat ons zien hoe hij bad (Ps. 119:145), waarom hij bad (Ps. 119:146), wanneer hij bad (Ps. 119:147), hoe lang hij bad (Ps. 119:148), waarmee hij pleitte (Ps. 119:149), wat er toen gebeurde (Ps. 119:150), hoe hij werd gered (Ps. 119:151) en wat hij daar uiteindelijk van getuigde (Ps. 119:152).
Vers 145
“Ik heb van ganser harte geroepen.” Zijn gebed was een oprechte, klagende, pijnlijke en natuurlijke uiting, zoals de kreet van een schepsel dat pijn lijdt. We weten niet of hij elke keer zijn stem verhief als hij zo riep. Maar er wordt ons iets veel belangrijkers verteld: hij riep met zijn hart. Hartekreten zijn de kern van gebed. Hij noemt hoe ongedeeld zijn hart was in deze heilige bezigheid. Zijn hele ziel pleitte bij God. Al zijn gevoelens en verlangens samen gingen uit naar de levende God. Het is een goede zaak als een mens dit van zijn gebeden kan zeggen, en het is een zeldzame zaak.
We moeten vrezen dat velen hun hele leven nooit met heel hun hart tot God hebben geroepen. Zulke gebeden hoeven niet fraai gezegd te zijn, niet lang, niet diepzinnig en niet nauwkeurig in hun woordkeus. Zit het hele hart erin, dan bereiken ze het hart van God.
“Verhoor mij, o HEERE!” Hij vraagt Jehova om zijn kreten niet in de lucht te laten verdwijnen, maar er acht op te slaan. Echte smekelingen zijn niet tevreden met het bidden zelf. Ze hebben met hun bidden een doel en een bedoeling, en daar kijken ze naar uit. Wordt een gebed niet verhoord, dan hebben we tevergeefs gebeden. In de Schrift betekent “horen” vaak: aandacht geven en erover nadenken. In zekere zin hoort God elk geluid dat op aarde klinkt en elk verlangen van ieder hart. Maar David bedoelde veel meer. Hij wilde een vriendelijk en meelevend oor, zoals een arts dat zijn patiënt geeft als die zijn treurige verhaal doet.
Hij vroeg of de Heere dichtbij wilde komen en met een vriendelijk oor wilde luisteren naar de stem van zijn klacht. Hij vroeg om medelijden en om hulp. Merk op dat zijn gebed met heel zijn hart alleen naar de Heere gaat. Hij heeft geen tweede hoop en geen andere helper. “Verhoor mij, o HEERE!” is het hele bereik van zijn smeking en verwachting.
“Ik zal Uw inzettingen bewaren.” David kon er niet op rekenen dat de Heere naar hem zou luisteren, als hijzelf niet luisterde naar de Heere. En zou hij met zijn héle hart bidden? Dat bleek pas als hij ook met al zijn kracht probeerde te doen wat God wil. Hij vroeg om bevrijding om vrij te zijn om zijn geloof te leven en elk gebod van de Heere uit te voeren. Hij wilde een vrij man zijn, zodat niets hem meer kon tegenhouden om de Heere te dienen. Merk dit goed op: een heilig voornemen hoort bij een dringend gebed, zoals een goede vrucht bij een gezonde boom.
David is vastbesloten om heilig te leven. Zijn hele hart staat achter die belofte, net zoals het achter zijn smeekbeden staat. Hij zal Gods inzettingen bewaren in zijn gedachten, in zijn liefde en in zijn daden. Geen enkele wet van God zal hij met opzet verwaarlozen of overtreden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 145
“Ik heb van ganser harte geroepen.” Wie het hardst wil roepen, zet zijn mond wijd open. Zo bid je óók het krachtigst als je met heel je hart bidt. Deze woorden tonen ons niet alleen hoe vurig David verlangde. Ze laten ook zien dat hij iets groots van God vroeg, iets wat het waard was om van ganser harte te vragen. Bid daarom ook jij, als je bidt, om grote dingen. Vraag om wat blijft en niet om wat vergaat. Bid niet om zilver, want dat is niets dan roest. Bid niet om goud, want dat is niets dan metaal.
Bid niet om bezit, want dat is niets dan aarde. Zo’n gebed komt nooit bij God aan. Hij is een groot God, en Hij voelt Zich onteerd als er met groot verlangen niet om grote dingen tot Hem wordt gebeden. — William Cowper.
Vers 145
“Ik heb van ganser harte geroepen.” Als je in je binnenkamer bidt, kijkt God eerst en vooral naar je hart. “Mijn zoon! geef mij uw hart” (Spr. 23:26). Een stukje van het hart is niet genoeg voor de Maker van het hart. Een hoekje ook niet. Het hart is een schat, een bed vol specerijen, een koninklijke troon waarop Hij graag woont. God let niet op de sierlijkheid van je gebeden, dus niet op hoe mooi ze zijn. Hij let ook niet op hun meetkunde, dus niet op hoe lang ze duren. Hij telt ze niet na zoals een rekenaar, om te zien hoeveel het er zijn.
Ook de muziek van je gebed raakt Hem niet, en evenmin de zoetheid van je stem of de logica van je betoog. Hij kijkt naar de oprechtheid van je gebed: hoe hartelijk is het? Geen gebed wordt door God erkend, goedgekeurd, aanvaard, opgetekend of beloond, tenzij je hart er oprecht en helemaal in is. De echte moeder wilde het kind niet laten verdelen. God houdt van een gebroken en verslagen hart, maar een verdeeld hart verafschuwt Hij (Ps. 51:19; Jak. 1:8). Hij heeft niets met mank lopen en ook niets met halve maatregelen. Hij wil oprecht en volledig gediend worden.
Zo luidt de koninklijke wet: “Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel.” Bij de heidenen keek de priester als eerste naar het hart van het offerdier, wanneer het werd opengesneden. Was dat hart slecht? Dan werd het hele offer afgekeurd. Ja, God wijst elk offer af waarin het hart ontbreekt. Een gebed zonder hart is niet meer dan klinkend koper of een schallende cimbaal. Een gebed is alleen mooi en gewichtig voor zover je hart erin zit, op geen enkele andere manier. God kijkt in het gebed niet naar een stem die omhoog gaat, niet naar handenwringen, niet naar op de borst slaan, niet naar een aangeleerde toon, niet naar ingestudeerde gebaren en niet naar engelachtige woorden.
Hij kijkt naar wat het hart beroert. God hoort niet méér dan het hart zegt. Als je hart stom is, is God zeker doof. Alleen het gebed dat uit de barensweeën van het hart komt, raakt God aan. — Thomas Brooks.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, van ds. C. A. Davis.
Vers 145-152
“De roep van de gelovige. De herhaalde roep (Ps. 119:145-148). Een beroep om gehoord te worden (Ps. 119:149). De vijand is dichtbij (Ps. 119:150). Maar als antwoord op de roep is ook God dichtbij (Ps. 119:151).
Wenken voor predikers
Vers 145-148
“De roep.
- Waar hij vandaan kwam: uit mijn hart.
- Waar hij naartoe ging: naar de Heere.
- Wanneer hij werd gehoord: bij het ochtendgloren en in de nacht.
- Wat hij vroeg: gehoor en redding.
- Wat hij beloofde: gehoorzaamheid.
- Waardoor hij werd gedragen: de hoop op Gods woord. — C.A.D.
Vers 145,146
“De roep van de ziel.
- De diepte waaruit hij opkwam.
- De hoogte die hij bereikte.
Vers 145,146
“Gebed als van een kind.
- De klank ervan: “Ik heb geroepen.”
- Het adres ervan: “U.”
- De uitbarsting ervan: “van ganser harte.”
- De kreten ervan: “verhoor mij” en “verlos mij.”
- De belofte van beter gedrag: “ik zal Uw inzettingen bewaren.”
— W.B.H.
Vers 145
- Het voorbeeld van het gebed: “Ik heb van ganser harte geroepen.”
- Het doel van het gebed: “Verhoor mij, o HEERE!”
- Wat bij het gebed hoort: “Ik zal Uw inzettingen bewaren.” (Ps. 119:145)
Uitleg
Vers 146
“Ik heb U aangeroepen.” Opnieuw zegt David dat zijn gebed tot God alleen gericht was. Deze zin laat horen dat hij hartstochtelijk en ontzettend vaak bad. Dat hij tot God riep, was een van de grote feiten van zijn leven geworden. “Verlos mij.” Dat was zijn gebed: heel kort, maar tegelijk boordevol. Hij moest gered worden en alleen de Heere kon dat doen. Daarom riep hij tot Hem: “Verlos mij” uit de gevaren die mij omringen, van de vijanden die mij achtervolgen, van de verzoekingen die mij bestoken en van de zonden die mij aanklagen.
Hij gebruikte geen overbodige woorden. Mensen doen dat nooit als het hun bittere ernst is. Hij somde ook geen lange rij wensen op. Dat doen mensen zelden, als ze zich richten op het ene dat nodig is. “Verlos mij” was zijn enige en echte gebed. “En ik zal Uw getuigenissen onderhouden.” Dit was zijn hoogste doel bij het verlangen naar redding: dat hij kon blijven leven in een onberispelijke gehoorzaamheid aan God. Hij wilde Gods getuigenis kunnen geloven en zelf ook een getuige voor God worden. Het is iets groots als mensen redding zoeken met zo’n verheven doel.
Hij vroeg niet om gered te worden om ongestraft te kunnen zondigen. Zijn roep was om bevrijd te worden van de zonde zelf. Eerder had hij beloofd de inzettingen of wetten te bewaren. Hier neemt hij zich voor de getuigenissen of leerstellingen te onderhouden, zodat hij zowel gezond van hoofd als zuiver van hand zou zijn. Redding brengt al deze goede dingen met zich mee, als gaven die erbij horen. David kende geen redding die hem in de zonde liet leven of in dwaling liet blijven. Hij wist maar al te goed dat niemand gered kan worden zolang hij ongehoorzaam en onwetend blijft.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 146
“Ik heb U aangeroepen.” Een ziel in nood uit zich in luide kreten en tranen. Vroeger riepen mensen al tot de Heere, en Hij hoorde hen in hun benauwdheid. Denk aan Israël bij de Rode Zee. De mannen van de Reformatie uitten zich ook zo in vurig gebed en vonden verlichting. Luther moest op de Rijksdag van Worms een dag later terugkomen. Hij bracht die lange nacht door met hardop bidden, zodat hij voor zijn Heere kon staan voor een eerbiedwaardige aardse vergadering. Wie de verhalen van de strijd van de Schotse verbondsmensen leest, komt veel van zulke voorbeelden tegen.
Denk aan John Welch, die nacht na nacht in zijn nachtjapon de tuin in ging en de Heere smeekte om hem Schotland te geven. Maar hoe we bidden, verschilt net zoveel als de stemming van onze geest. Een hevig gevoel brengt sterke kreten voort. Wie daarentegen bidt met helder oog voor onze genadige God, bidt rustig en vaak bijna fluisterend. Zo bad Alexander Peden altijd, alsof hij een kalm gesprek voerde met een vriend… Maar als het gevoel heftig is, als Gods toorn zwaar op ons ligt, als het gevaar vlakbij lijkt, als de Heere ver weg lijkt, of als we hevig naar onmiddellijke uitkomst smachten, dan klinken er in al die gevallen sterke kreten.
Zo was het kennelijk gesteld met de geest van de psalmist toen hij dit deel van zijn lied uitstortte. — John Stephen.
Vers 146
Hoe kort de smeekbeden ook zijn, alle woorden van de wereld bij elkaar kunnen ze niet veelomvattender maken. “Verhoor mij.” De ziel is vol ernst en het hele hart doet mee aan de “roep”. “Verlos mij” bevat alles wat een zondaar nodig heeft: vergeving, aanvaarding, toegang, heiligheid, kracht, troost en de hemel. Dat alles zit in één Naam: Christus. De weg naar God wordt in deze korte verzuchtingen niet genoemd. Toch ligt die weg altijd verborgen en vanzelfsprekend besloten in elke stap naar de genadetroon en in elk woord daar gesproken. “Verhoor mij” in de naam van mijn almachtige Voorspraak. “Verlos mij” door Hem Wiens Naam Jezus is, de Zaligmaker. — Charles Bridges.
Vers 146
“Ik heb U aangeroepen.” Een roepend gebed dringt door tot in de diepten van de hemel. We lezen geen woord van wat Mozes zei, en toch werd God door zijn roep bewogen (Ex. 14:15). Hiermee bedoelen we geen luidruchtig geschreeuw, maar een smeltend kermen van het hart. Toch dwingen schrijnende nood en benauwdheid van de geest soms ook hoorbare kreten af, en die zijn God niet onwelkom, want Hij neigt Zijn oor ernaar. “Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid” (Ps. 3:5). Dat geeft nieuwe moed om opnieuw de aanval in te zetten: “Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God!” (Ps. 5:3).
“Zwijg niet tot mijn tranen” (Ps. 39:13). Een andere keer laat hij de spelonk weergalmen van zijn geroep. “Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd” (Ps. 142:7). — Samuel Lee (1625-1691), in “The Morning Exercises.”
Vers 146
“Ik heb U aangeroepen; verlos mij.” Als we in moeilijkheden zitten, moeten we onze toevlucht tot God nemen. Met gebed en smeking vragen we Hem om hulp en bevrijding op de juiste tijd, want Hij heeft de touwtjes van onze nood in handen. Bij zegen en bij tegenspoed hebben we niets met mensen te maken, maar met God. Als we ons nederig tot Hem wenden, houden we de toorn tegen bij de bron. Wie ons gebonden heeft, moet ons losmaken. Hij staat aan het begin van alle oorzaken. Wie onze moeite ook veroorzaakt, en hoe kwaadaardig die persoon ook is, God is de partij met wie wij vrede moeten sluiten.
Hij heeft immers de volledige beschikking over alle schepselen. Hij wil dat wij erkennen dat Zijn voorzienigheid regeert en dat wij van Hem afhangen. Bij vredesonderhandelingen tussen twee strijdende partijen richt je je niet tot de gewone soldaten maar tot hun bevelhebber. Zo zegt Job: “De HEERE heeft genomen.” En ook: “Als Hij stilt, wie zal dan beroeren?” (Job 34:29). — Thomas Manton.
Vers 146
“Verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.” Dienaren van God zien hun leven vooral als de moeite waard, omdat ze er God in kunnen dienen. “Verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden”: zo bidt de gelovige in de dag van nood en strijd. “Want het leven is mij Christus”, zegt hij, “en het sterven is mij gewin” (Filipp. 1:21). Wat een tegenstelling met de goddelozen! Hun hele verlangen op de dag van tegenspoed gaat op aan de wens om de ramp te ontlopen. Ze willen niet van de zonde verlost worden en ze willen niet op God gaan lijken. — John Morison.
Vers 146
“Verlos mij.” Verlos mij van mijn zonden, van mijn verdorvenheid, van mijn verzoekingen en van alle hindernissen op mijn weg, zodat ik “Uw getuigenissen” kan “onderhouden”. We moeten om redding roepen. Dat doen we niet om het gemak en de troost ervan te genieten, maar om God met meer blijdschap te kunnen dienen. — Matthew Henry.
Vers 146
God verhoort ons, zodat wij naar Hem zouden luisteren. — Thomas Manton.
Wenken voor predikers
Vers 146
- Een gebed om aan terug te denken.
- Een gebed dat blijft volhouden: “Verlos mij.”
- Een gebed dat vrucht draagt: “ik zal onderhouden” enzovoort.
Vers 146
“Redding.
- De weg die er waarschijnlijk heen leidt: gebed. Blijf dus roepen.
- De juiste plaats ervoor: “U”, niet de mensen en niet het eigen hart.
- Een gezonde kijk erop: “Uw getuigenissen onderhouden.” Niet om aan de hel te ontkomen of de hemel te winnen, maar om God te behagen en lief te hebben. — W.B.H.
Uitleg
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt.” Hij was al op voordat de zon opkwam. Zijn smeekbeden begonnen nog voordat de dauw van het gras trok. Wat het waard is om te doen, is ook waard om snel te doen. Dit is de derde keer dat hij zegt dat hij riep. Hij riep, en riep, en riep nog eens. Zijn gebeden waren zo talrijk, zo vurig en zo intens geworden dat je nauwelijks kon zeggen dat hij van ’s morgens tot ’s avonds iets anders deed dan roepen tot zijn God. Zijn verlangen naar redding was zo sterk dat hij niet in zijn bed kon blijven liggen. Hij zocht zo gretig dat hij al op zijn knieën lag zodra dat maar kon.
“Op Uw woord heb ik gehoopt.” Hoop geeft ons grote kracht in het gebed. Wie zou nog bidden als hij niet hoopte dat God hem hoort? En wie zou niet bidden als hij goede hoop heeft op een gezegende afloop van zijn smeking? Zijn hoop rustte op Gods woord. Daar kun je veilig voor anker gaan, want God is trouw. Nog nooit is Hij teruggekomen op een belofte en nooit heeft Hij veranderd wat Zijn mond verlaten had. Wie ijverig bidt, zal nooit zonder hoop zijn. Let er maar op: de vroege vogel vangt de worm. Zo wordt ook wie vroeg bidt al gauw verkwikt met hoop.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen.” Let op deze manier van spreken. David zegt dat hij de ochtendwacht voorkwam. Daarmee laat hij zien dat hij als het ware met de tijd worstelde. Hij wilde niet dat de tijd hem inhaalde. Hij wist dat de tijd voortjakkert en een mens onderweg uitput tot stof en as. Daarom spande David zich in om de tijd voor te blijven. Hij deed er iets goeds in, voordat de tijd hem ontglipte. Wat een schaamte moet die zorg voor elke nieuwe dag brengen bij mensen die zich niet bekommeren om een heel leven!
David was bang om één dag te verliezen. Zij maken zich geen zorgen over het verspillen van maanden en jaren zonder er iets goeds mee te doen. Ja, ze besteden de drie levensfasen aan ijdelheid en losbandigheid. Hun oude, afgeleefde dagen wijden ze dan nog nauwelijks aan de Heere. — William Cowper.
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen” enzovoort. Wie van het gebed hun werk maken, zijn daarbij zeer waakzaam en ijverig. Ik zeg: wie van het gebed hun werk maken. Anderen gebruiken het als een beleefdheid of een gewone plichtpleging. Zij raken daar niet zo van in beweging.
Zij doen het er maar zo’n beetje bij. Ze zien het als een werk dat ook wel achterwege kan, en niet als een noodzakelijke plicht. Maar zit iemands hart erin, dan staat hij vroeg op om aan het werk te gaan en blijft hij er ’s morgens en ’s avonds ernstig mee bezig. Zijn taak is het contact met God vast te houden. Zijn verlangens laten hem niet slapen en hij staat vroeg op om God aan te roepen. “Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond” (Ps. 88:14).
Zo breken goede mensen zelfs hun slaap af om zich aan het gebed te wijden en de Naam van God aan te roepen. — Thomas Manton.
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen.” Het is treurig als de eerste stralen van de zon je lui en beschaamd in bed vinden. Het heldere licht valt dan op ogen die nog zwaar zijn van slaperige traagheid. Weet je niet, mens, dat je God elke dag de eerstelingen van je hart en je stem verschuldigd bent? Elke dag heb je een oogst, een dagelijkse opbrengst. De Heere Jezus bleef de hele nacht in gebed (Luk. 6:12). Hij had de hulp daarvan niet nodig. Hij gaf jou een voorbeeld om na te volgen. Hij bad die nacht voor jou, zodat jij zou leren hoe je voor jezelf moet bidden. Geef Hem dus terug wat Hij voor jou heeft betaald. — Ambrosius.
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen.” David was een goede huishouder: vroeg uit de veren en meteen aan het werk. ’s Avonds hield hij het lang vol bij deze plicht: “Te middernacht sta ik op, om U te loven” (Ps. 119:62). Dat bedoelde hij vast toen hij zei dat hij eeuwig in het huis van de Heere zou wonen. Hij zou altijd in het huis van het gebed zijn… Ik wens dat ik, zodra ik ’s morgens mijn ogen open, ook mijn hart voor mijn God mag openen in een schietgebedje van mijn ziel.
Zo maakt het gebed ’s avonds mijn bed zacht en mijn kussen gemakkelijk. Overdag geeft het gebed mijn kleren een geurtje, maakt het mijn eten zoeter en smeert het de raderen van mijn eigen roeping. Het houdt mij bij elke gelegenheid gezelschap en vergult al mijn gewone, maatschappelijke en godsdienstige bezigheden. Ik wens dat ik mijn gebed uitstort in de naam van Christus en naar de wil van God. Dan heb ik mijn zaad gezaaid en mag ik een oogst verwachten. Ik hoop dat ik vol spanning uitzie naar het opkomen ervan en vast geloof dat ik te zijner tijd zal maaien als ik niet verslap. — George Swinnock.
Vers 147
“Ik ben de morgen schemering voorgekomen.” Vroege gebeden worden niet gestoord door de jagende zorgen van het leven. Ze lijken op de zoete zang van vogels, die het luidst en liefelijkst zingen als er nog maar weinig oren zijn om te luisteren. O mijn ziel, kun je zeggen dat je zo “de morgen schemering” bent “voorgekomen” toen je tot God naderde? Heeft het verlangen naar gemeenschap met de hemel je uit je slaap gewekt, je luiheid van je afgeschud en je op je knieën gebracht? — John Morison.
Vers 147
“En heb geschrei gemaakt.” Hier komt hetzelfde gebed terug: “Ik heb U aangeroepen.” Ja, ik riep nog eens. En voor de derde keer: “Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt.” Meestal kloppen we driemaal op een deur en gaan dan weg. Onze Heere Jezus “bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden”: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan” (Matth. 26:44, 39). Zo deed ook de apostel Paulus: “Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken” (2 Kor. 12:8). En zo staat er ook: “En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen” (1 Kon. 17:21).
Kennelijk verwachtte men bij zwaarwegende zaken na zoveel keer een antwoord. Toch wil ik het niet vastleggen op dat getal. We moeten ons gebed voor één en dezelfde zaak zo vaak herhalen als nodig is, tot het wordt verhoord. — Thomas Manton.
Vers 147
Dichters zingen graag over de morgen. Ze noemen hem de “Moeder van de dauw” en zeggen dat hij “de aarde met oosterse parels bestrooit”. Veel heiligen kwamen bij het eerste rood van de dageraad uit hun bed. Zij merkten dat wat in de natuur poëzie is, in hun leven werkelijkheid van genade werd: de dauw van de hemel verkwikte hun geest. Daarom hebben verlichte zielen, die verlangend naar de hemel opzien, altijd van de ochtendoefening gehouden. Hun vaste regel was: geen mensengezicht zien vóórdat ze Gods gezicht hadden gezien. De adem van de morgen, vol bloemengeur, is een wierookoffer dat de aarde aan haar Schepper brengt.
Mensen die leven, mogen zich niet laten overtreffen door een dode aarde. Wie echt leeft, stemt zijn hart als de vogels tot zingen. Zo groeten we de stralende goedheid die in het oosten opkomt. Het eerste frisse uur van elke dag is voor de Heere, want Zijn barmhartigheid maakt het vrolijk met gouden licht. De dag slaat zijn oog op. Daarmee opent hij ook de ogen van talloze slapers die de hemel behoed heeft. Het past dat zij hun ogen eerst opslaan naar de grote Vader van de lichten, de oorsprong van alles wat goed is en waarop het zonlicht valt.
Beginnen we vroeg met God, dan wijst dat op een dag vol genade. Wat de tijd op de berg ons geeft, werkt heiligend door in elk uur dat daarna komt. Gebed in de ochtend is een anker voor de ziel: ze drijft overdag niet snel van God af. Het geeft het hart een geur, zodat het tot de avond naar toewijding ruikt. Het gordt de kleren van de ziel vast, zodat ze minder vaak struikelt. Het voedt al haar roeiers, zodat ze niet uitgeput raakt. De morgen is de poort van de dag. Bewaak die poort dus goed met gebed.
De morgen is ook het begin van de draad waaraan alle daden van de dag zijn geregen. Leg daar een stevige knoop van toewijding in. Zagen we de majesteit van het leven scherper, dan gingen we zorgvuldiger met onze ochtenden om. Wie uit zijn bed naar zijn werk holt zonder eerst te aanbidden, handelt even dwaas als iemand die vergeet zich aan te kleden of zijn gezicht te wassen. Hij is even onverstandig als een soldaat die zonder wapens en harnas de strijd in rent. Laten we liever baden in de zachte rivier van de gemeenschap met God, vóórdat de gloed van de woestijn en de last van de weg ons zwaar gaan vallen. — C.H.S.
Vers 147
“Op Uw woord heb ik gehoopt.” Zelfs als we niets werkelijks mogen genieten, kunnen we God dan toch eer geven met een hart dat vol verwachting is. — Charles Bridges.
Vers 147,148
De student in de godgeleerdheid en de dienaar van het Woord moeten hun dag met gebed beginnen. Ze moeten vooral van God vragen dat ze Gods woord goed mogen begrijpen en anderen kunnen onderwijzen. — Solomon Gesner. Broeders, let hier goed op! — C.H.S.
Vers 147,148
“Zie hier:
- Dat David vroeg opstond. Misschien heeft dat bijgedragen aan zijn uitstekende naam. Hij hoorde niet bij hen die zeggen: “Een weinig slapens.”
- Dat hij zijn dag met God begon. Het allereerste dat hij ’s morgens deed, voordat er iets anders tot hem doordrong, was bidden. Dan was zijn geest het meest fris en in de beste stemming. Beginnen onze eerste gedachten van de dag bij God, dan helpt ons dat om de hele dag in Zijn vreze te blijven.
- Dat zijn gemoed zo vol was van God, en van de zorgen en genoegens van zijn godsdienst, dat hij met weinig slaap toekon. Zelfs in “de nacht waken” werd hij wakker uit zijn eerste slaap. Dan bad en overdacht hij liever dan dat hij zich omkeerde om verder te slapen. Hij vond de woorden uit Gods mond kostbaarder dan zijn onmisbare nachtrust, die wij net zo min kunnen missen als ons dagelijks brood (Job 23:12).
- Dat hij tijd vrijmaakte voor de oefening van zijn geloof. Hij had de hele dag handen vol werk. Maar dat is voor niemand een reden om de persoonlijke aanbidding over te slaan. Het is beter om tijd van je slaap af te knippen, zoals David deed, dan helemaal geen tijd voor gebed te vinden. En dit is onze troost als we ’s nachts bidden: we komen nooit ongelegen bij de genadetroon, als we daar op elk uur welkom zijn. Baäl slaapt misschien. Maar de God van Israël sluimert nooit, en er is geen uur waarop je Hem niet kunt spreken. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 147,148
- De hemelse gezellen: gebed en overdenking. Ze zijn onafscheidelijk en helpen elkaar.
- Hun geliefde tijden: de uren van stilte, de nacht en het uur voor het ochtendlicht.
- Hun boek en hun nachtlamp: “Uw woord” en “gehoopt.” Of:
a) Een machtig beroep: “Uw goedertierenheid.” Wie kan daar iets tegenover zetten? Wie kan haar meten? Wie kan haar aantasten?
b) Een nietige pleiter: “mijn stem.” Wat kan “mijn stem” ooit zeggen om gelijke tred te houden met “Uw goedertierenheid”? Te veel vragen komt hier niet in aanmerking.
c) Een slim verzoek (“naar Uw recht”) waarin om leven wordt gevraagd. Het is als het ware uit Gods eigen mond gestolen. Gods goedertierenheid vindt haar evenknie in Gods eigen belofte.
W. B. H.
Vers 147
Merk hier Davids ijver op. 1) Het was een persoonlijk gebed, in de binnenkamer, in het verborgene: “Ik … heb geschrei gemaakt”, ik alleen, met U in het verborgene. 2) Het was een gebed in de vroege morgen: “Ik ben de morgen schemering voorgekomen.” 3) Het was een hevig en ernstig gebed, want het wordt uitgedrukt met roepen. — T. Manton.
Vers 147
Een lofzang op vroeg opstaan. 1) Het is een geschikte tijd om te bidden. 2) En om het Woord te lezen. 3) En om je over te geven aan de gevoelens die het Woord oproept: “Op Uw woord heb ik gehoopt.”
Uitleg
Vers 148
“Mijn ogen komen de nacht waken voor.” Of liever gezegd: de waken. Voordat de wachter het uur afriep, riep David al tot God. Hij hoefde niet te horen hoe de uren voorbijvlogen. Elk uur vloog zijn hart omhoog naar de hemel. Hij begon de dag met gebed en hij bleef bidden tijdens de waken van de dag en de waken van de nacht. De soldaten losten elkaar af op de wacht, maar David wisselde zijn heilige bezigheid niet in. Vooral ’s nachts hield hij zijn ogen open en joeg hij de slaap weg, zodat hij met zijn God in gemeenschap kon blijven. Hij aanbad door, van wake tot wake, zoals reizigers van pleisterplaats naar pleisterplaats trekken.
“Om Uw rede te betrachten.” Dit was zijn eten en drinken geworden. Overdenking voedde zijn hoop en troostte hem in zijn verdriet. Zijn gedachten keerden steeds terug naar één onderwerp: dat gezegende “woord” dat hij zo vaak noemt en waarover zijn hart juicht. Hij koos studie boven slaap. Zo leerde hij af te zien van de slaap die hij nodig had, voor een toewijding die hij nóg harder nodig had. Het is leerzaam om te zien hoe overdenking steeds samengaat met vurig gebed. Overdenking is de brandstof die de vlam gaande houdt. En wat is ze zeldzaam geworden in onze tijd!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 148
“Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.” Jullie zullen allemaal toegeven dat dit klinkt als een vurige, ernstige en nauwgezette leerling. David laat zien dat hij vroeg opstond en laat naar bed ging, met als doel zich bezig te houden met de studie van Gods woord. “Om Uw rede te betrachten”: deze uitdrukking houdt in dat hij nauwkeurig en geduldig nadacht. Het is alsof er veel in het Woord zit dat een vluchtige blik niet ontdekt, en dat de grootste inspanning van hoofd én hart vraagt.
De Bijbel is een boek waarover we steeds kunnen nadenken zonder dat de inhoud ooit opraakt. Toen David deze woorden zei, was de Heilige Schrift, het woord van God, natuurlijk veel dunner dan nu. Maar ook nu nog is de Bijbel allesbehalve een groot boek. Toch kon David, om het zo te zeggen, nooit aan het einde van dat boek komen. Er bleef altijd meer te ontdekken. Misschien bestudeerde hij het boek al jaren. Nee, we weten zeker dat hij dat deed. En toch moest hij vóór de dag opstaan om verder te studeren, alsof hij net begonnen was aan een nieuwe leesreeks met deel na deel om door te nemen. “Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.”
Hetzelfde geldt voor de voorschriften die ons oproepen om de Bijbel voortdurend te bestuderen. Is er genoeg stof voor die studie? Zo niet, dan slaan die voorschriften nergens op. De Schriftonderzoeker heeft dan de Schriften uitgeput, en wat moet hij dan? Dan kan hij de voorschriften niet meer opvolgen. Dan blijkt dat ze nooit bedoeld kunnen zijn voor altijd, voor mensen van alle eeuwen en in alle omstandigheden…
Neem een dienaar van God die van jongs af aan trouw de Bijbel heeft bestudeerd. Jaar op jaar heeft hij daaraan besteed. En toch is de Bijbel maar één boek, en geen dik boek ook. “Maar”, zou je misschien zeggen, “nu heeft hij dat boek toch zeker wel uitgeput! Er kan niets nieuws meer zijn om uit te halen, niets wat hij niet al heeft onderzocht en doorgrond.” Ach, wat vergis je je in de Bijbel! Wat moet dat een veel groter boek zijn dan het lijkt! Die koninklijke leerling heeft het niet uitgeput. Hij praat alsof hij nog meer werk voor de boeg heeft dan hij aankan. “Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.” — Henry Melvill.
Vers 148
“Mijn ogen komen de nacht waken voor.” Het Hebreeuwse woord betekent een wake: een deel van de nacht. Die naam komt van de militaire waken, waarmee de nacht werd verdeeld om de wacht te houden. De psalmist bedoelt hier dat hij deze vaste nachtdelen vóór was om zich aan aanbidding te wijden. Hij wachtte hun terugkeer niet af, maar stond op om te bidden voordat ze weer begonnen. Zo graag diende zijn hart God. Het klinkt als iemand die gewend was om in de opeenvolgende “waken” van de nacht te bidden: de vroege, de middelste en die van de dageraad.
Hierin zien we wat er gebeurt in het leven van iedereen die God liefheeft. Zij hebben vaste tijden voor aanbidding, maar komen die tijden vaak voor. Soms zijn ze zo gestemd dat ze moeten bidden. Niets anders helpt hun gemoed dan gebed, en ze kunnen niet wachten op het vaste en gewone uur van aanbidding. Het is als bij een hongerig mens, die niet kan wachten op het gebruikelijke uur van zijn maaltijd. Met “Mijn ogen komen … voor” bedoelt hij: hij werd wakker vóór de gewone tijd van aanbidding. — Albert Barnes.
Vers 148
“Mijn ogen komen de nacht waken voor” enzovoort. Zijn eerdere voornemen houdt hij vol, en dat laat zien hoe onvermoeibaar hij bleef bidden. O, dat we van hem mochten leren onze tijd goed te besteden! ’s Avonds ging hij met gebeden en tranen naar bed. Te middernacht stond hij op om te danken. Voor het ochtendlicht stond hij op om de Heere aan te roepen. Dat is het leven van de engelen navolgen. Zij kijken altijd met vreugde naar Gods aangezicht en zingen onvermoeibaar een nieuw lied. Zo beginnen we onze hemel al op aarde. O, dat we dit altijd zouden onthouden! — William Cowper.
Vers 148
“Nachtwaken.” De Joden verdeelden de nacht niet in uren, maar, net als de Grieken en Romeinen, in militaire waken. Elke wake was de tijd die schildwachten of voorposten op hun post bleven. Volgens de eigenlijke Joodse indeling waren het er maar drie. Ze heetten de eerste, of “het begin der nachtwaken” (Klaagl. 2:19), “de middelste nachtwaak” (Richt. 7:19) en “de morgenwake” (Ex. 14:24; 1 Sam. 11:11). Ze liepen respectievelijk van zonsondergang tot 10 uur ’s avonds, van 10 uur ’s avonds tot 2 uur ’s nachts en van 2 uur ’s nachts tot zonsopgang.
Lightfoot heeft volgehouden dat de Joden in werkelijkheid vier waken telden. Daarvan vielen er maar drie in het holst van de nacht en de vierde in de ochtend. Dat is echter onwaarschijnlijk, omdat er een “middelste” wake bestond. Bovendien gaat het in tegen het gezag van de rabbijnen. Nadat de Romeinen de macht hadden overgenomen, steeg het aantal waken tot vier. Je kon ze noemen naar hun volgorde, zoals bij de “vierde wake” (Matth. 14:25), of met de termen “des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond” (Mark. 13:35).
Ze eindigden om 9 uur ’s avonds, om middernacht, om 3 uur ’s nachts en om 6 uur ’s morgens. Hierbij hoort ook dat de wacht van soldaten in vier ploegen was verdeeld (Hand. 12:4). Dat laat zien dat in het leger van Herodes het Romeinse stelsel werd gevolgd. Wachters liepen blijkbaar patrouille door de straten van de Joodse steden (Hoogl. 3:3; 5:7; Ps. 127:1). In de Engelse tekst moeten we daar “watcheth” (waakt) lezen waar “maketh” (maakt) staat. Zie ook Ps. 130:6. — William Latham Bevan, in Smith’s Dictionary of the Bible, 1863.
Wenken voor predikers
Vers 148
“De onuitputtelijkheid van de Bijbel.” Een preek van Henry Melvill, bij “The Golden Lecture”, 1850.
Vers 148
“Overdenking. De juiste tijd en een vruchtbaar onderwerp.
Vers 148
“Overdenking van het Woord is de zelfverloochening en de zorg van de christen ten volle waard.
- Zonder overdenking is lezen tijdverspilling en doe je het Woord onrecht aan.
- Als alle andere middelen falen, ontsluit overdenking mét gebed de zin van het Woord. Gebed zonder overdenking doet dat niet. Overdenking heeft ook dit voordeel dat de betekenis in je geest wordt opgenomen.
- Overdenking haalt zoetheid uit de beloften en voeding uit de hele waarheid.
- Overdenking maakt iemand met weinig aangeboren talent of kennis tot een wijze leraar en een doeltreffende werker.
- Overdenking stelt de ziel bloot aan de heiligende kracht van het Woord.
- Overdenking nodigt de Heilige Geest uit om de ziel te zegenen. Hij is immers nauw met de waarheid verbonden en ziet met vreugde dat de waarheid wordt geëerd. — J.F.
Uitleg
Vers 149
“Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid.” Mensen merken dat het erg helpt om hun stem in het gebed te gebruiken. Het is moeilijk om lang vurig te blijven bidden als we onszelf niet horen spreken. Daarom doorbrak David uiteindelijk zijn stilte. Hij kwam uit zijn stille overdenking omhoog en begon met stem én hart tot de Heere, zijn God, te roepen. Merk op dat hij zich niet beroept op zijn eigen verdiensten. Hij eist ook geen moment dat een schuld wordt betaald omdat hij het verdiend zou hebben. Hij kiest de weg van de vrije genade en zegt: “naar Uw goedertierenheid.” Als God een gebed verhoort naar Zijn goedertierenheid, ziet Hij alle tekorten van dat gebed door de vingers.
Dan vergeet Hij dat de bidder zondig is. In medelijdende liefde geeft Hij wat gevraagd wordt, ook al is wie bidt het niet waard. Het hoort bij Gods goedertierenheid om snel te antwoorden, om vaak te antwoorden en om overvloedig te antwoorden. Ja, Hij antwoordt oneindig veel overvloediger dan alles wat we vragen of zelfs maar kunnen bedenken. Goedertierenheid is een van de liefelijkste woorden in onze taal. Vriendelijkheid heeft al veel in zich dat uiterst kostbaar is. Maar liefdevolle goedertierenheid is dubbel zo dierbaar. Het is de room van de vriendelijkheid.
“O HEERE! maak mij levend naar Uw recht.” Ook dit is weer zo’n wijs en vurig gebed van David. Eerst riep hij: “Verlos mij.” Daarna: “Hoor mijn stem.” En nu: “Maak mij levend.” Zo worden we vaak het beste uit onze nood gered. We krijgen meer leven om aan de dood te ontkomen. En dat leven krijgt meer kracht, zodat de lasten ervan ons niet te zwaar worden. Merk op dat David vraagt om levend gemaakt te worden naar Gods recht. Dat wil zeggen: op een manier die past bij Gods oneindige wijsheid en omzichtigheid. God is buitengewoon wijs in de manier waarop Hij ons geestelijk leven meer kracht geeft.
Het zou waarschijnlijk geen zin hebben om dat te willen doorgronden. Het is veel wijzer om genade te willen ontvangen, niet zoals wij denken dat die ons zou moeten bereiken, maar zoals God haar in de hemel zelf wil geven. Hij heeft het recht om levend te maken, maar ook om te doden. Die soevereine daad laten we het best over aan Zijn onfeilbare oordeel. Heeft Hij ons niet allang het leven gegeven, en dat steeds overvloediger? “Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid.”
Wenken voor predikers
Vers 149
Bidden: gehoord worden is de vrucht van liefde. Bidden: een antwoord krijgen wordt door wijsheid geregeerd.
Vers 149
“Levend gemaakt worden.
- Een gebed dat onmiskenbaar nodig is: “maak mij levend.”
- Twee redenen met onweerstaanbare kracht: “Uw goedertierenheid” en “Uw recht.” — C.A.D.
Vers 149
“De twee keer ‘naar’.
- Het “naar” waarop een gelovige hoopt om door God gehoord te worden: “Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid.”
(a) De gelovige weet heel goed dat hij het niet waard is en dat zijn gebeden gebreken hebben. Daarom wil hij dat God hem aanneemt en zijn gebeden uitlegt naar de maat van Zijn eigen goedertierenheid.
(b) Hij hoopt niet tevergeefs. Gods goedertierenheid kijkt langs de gebreken heen en vult aan wat ontbreekt.
(c) Wat een zegen dat de Heilige Geest ons in onze zwakheid te hulp komt, en dat de “onuitsprekelijke zuchtingen” door Gods goedertierenheid worden gelezen in hun ware betekenis!
- Het “naar” waarop hij verwacht door God te worden beantwoord: “Maak mij levend naar Uw recht.” “Recht” kan hier het geopenbaarde woord betekenen. Dan geldt:
(a) Hij verwacht zeker een antwoord.
(b) Hij verwacht een wijs antwoord.
(c) Hij verwacht een volledig antwoord, zoals zijn behoeften dat vragen.
(d) Hij verwacht dat elk antwoord zijn geestelijk leven levendig maakt en hem heiligt.
— J.F.
Uitleg
Vers 150
“Die kwade praktijken najagen, genaken mij.” David hoorde hun voetstappen vlak achter zich. Ze zijn niet achter hem aan voor zijn bestwil, maar om hem te schaden. Het geluid van hun komst is dus iets om voor te vrezen. Ze streven geen goed doel na, maar vervolgen een goed mens. Alsof ze nog niet genoeg kwaad in hun eigen hart dragen, jagen ze op méér. David ziet hen in vliegende vaart over heg en sloot rennen om hem kwaad te doen. Hij wijst ze aan bij God en smeekt de Heere om Zijn blik op hen te richten en hen te beschamen. Ze zaten hem al op de hielen. Hij was bijna in hun greep. Daarom riep hij des te dringender.
“Zij wijken verre van Uw wet.” Een leven vol kwaad kan nooit een gehoorzaam leven zijn. Voordat deze mannen David konden gaan vervolgen, moesten ze zich eerst losmaken van de teugels van Gods wet. Ze konden een heilige niet haten en tegelijk de wet liefhebben. Wie Gods wet houdt, doet zichzelf geen kwaad en een ander ook niet. Zonde is het grootste kwaad ter wereld. David brengt dit in zijn gebed bij de Heere, want hij vindt er een soort troost in. Wie hem haatten, haatten ook God. Ze moesten eerst bij God vandaan om zonder schroom hun wrede rol tegenover David te kunnen spelen. Als we weten dat onze vijanden Gods vijanden zijn, en dat ze de onze zijn omdat ze de Zijne zijn, dan mogen we daar zeker troost uit putten.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 150
“Zij wijken verre van Uw wet.” Alle godvrezenden moet het diep troosten om te bedenken dat wie hun vijanden zijn, ook Gods vijanden zijn. Zij staan ver af van gehoorzaamheid aan Gods wet. Is het dan een wonder dat ze ook ver afstaan van de liefde die ze ons verschuldigd zijn? Mis je bij mensen de troost die je anders van hen had mogen verwachten en graag zou willen ontvangen? Bedenk dan dat God in hen Zijn eer mist. Laat dat ons rechtop houden en tevreden stellen, als we zien dat goddeloze mensen onze vijanden zijn. — William Cowper.
Vers 150
Kunnen we een vleselijk kussen en hoofdsteun onder ons hoofd schuiven, dan slapen en dromen we menige gouden droom van gemak en veiligheid. God is jaloers op ons vertrouwen. Hij laat ons dus niet met rust en zet ons voor scherpe beproevingen. Eerst leefden we niet van geloof, maar van wat we konden zien en voelen. Dan blijkt wat geloof is: dat we op God kunnen steunen als “die kwade praktijken najagen, genaken mij.” “Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten” (Ps. 3:7). Een gevaar dat ver weg is, bestaat slechts in onze verbeelding.
Als het dichtbij komt, werkt het heel anders. Zelfs Christus dacht anders over gevaar dat naderde dan over gevaar dat nog ver weg was: “Nu is Mijn ziel ontroerd” (Joh. 12:27). Dit vat met zuiver water raakte in beroering, hoewel Hij er geen bezinksel in zag. — Thomas Manton.
Vers 150,151
Onze geestelijke vijanden zijn net als Davids aardse vervolgers altijd aanwezig en altijd in de weer. De verslindende “leeuw” of de sluipende “slang” is altijd nabij; hij hoort bij hen “die kwade praktijken najagen”. Dat maakt hem des te gevaarlijker, omdat zijn komst niemand kan zien. Dichtbij is ook een verleidende, verstrikkende wereld. Nog dichterbij is een sluimerende wereld van zonde in ons binnenste, die ons scheidt van de gemeenschap met onze God. Maar als we ons telkens meteen tot onze burcht keren, kunnen we vol vertrouwen zeggen: “Maar Gij, HEERE! zijt nabij.” U bent “de Hoge en Verhevene, … Wiens Naam heilig is”.
U bent de rechtvaardige en ontzagwekkende God. En toch hebt U Zich aan Uw volk nabij gemaakt, en zij mogen nu dicht bij U komen “door het bloed Zijns kruises”. U toont hun Uw aanwezigheid in “den Zoon Zijner liefde”. — Charles Bridges.
Vers 150,151
Zij “genaken mij” om mij te vervolgen en te vernietigen. U bent nabij, HEERE, om mij te helpen. — J.J. Stewart Perowne.
Vers 150,151
“… genaken mij … Maar Gij, HEERE! zijt nabij.” Na te hebben gedacht aan de boosaardigheid van zijn vijanden, richt David zijn gedachten weer op Gods barmhartigheid. Dat is ook voor ons nuttig. Als we steeds naar onze vijanden blijven kijken, kunnen hun aantal, hun macht en hun kwaadaardigheid ons doen wankelen. Het is goed om onze ogen omhoog te slaan naar de Heere. Dan zien we dat zij ons niet zo dicht op de huid zitten om ons te schaden als de Heere, onze God, dichtbij is om ons te helpen. Dan zien we ook dat er in hen geen kwaad zit waarvoor we moeten vrezen, zonder dat we in onze God een tegengesteld goed vinden dat ruim genoeg is om ons te bewaren.
Anders konden we het niet volhouden, als Satan en zijn werktuigen ons komen achtervolgen en de Heere ons niet vlakbij beschermde. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 150,151
“Tegen wie onheil stichten.
- Ze dringen zo dicht mogelijk op om ons te schaden.
- Ze gaan ver van het recht vandaan om meer ruimte te krijgen om ons te benadelen.
- De Heere is dichterbij dan zij.
- Gods waarheid is ons schild en ons zwaard.
Vers 150,151
“Vijanden dichtbij, de Vriend nog dichterbij.
- De gelovige ziet met schrik zijn vijanden naderen: “genaken mij.”
- De gelovige bedenkt vol troost dat zijn Vriend er is: “Gij, HEERE! zijt nabij” (Gen. 15:1; 2 Kon. 6:14-17). — C.A.D.
Vers 150,151
“Twee legers die ons insluiten.
- Het leger van het kwaad: dichtbij.
(a) Demonen, goddeloze mensen, de geestelijke vijanden van wereld en hart.
(b) Kwaad vooraan in hun gelederen.
(c) Wet en waarheid ver achter zich gelaten.
(d) Ze proberen hun linies steeds verder in te snoeren.
(e) Zo worden alle heiligen belaagd.
- Het leger van God: dichterbij. Jehova, Zijn engelen en bataljons van heilige, onsterfelijke waarheden: “Gij, HEERE! … en al Uw geboden.”
(a) Verschanst in het verstand: “zijn waarheid.”
(b) Gelegerd in de tent van het hart: “nabij.”
(c) Onneembare linies vormend binnen de linies van de vijand.
— W.B.H.
Wenken voor predikers
Vers 150
“Bedenk:
- Of de beschrijving die hier wordt gegeven niet min of meer past op iedereen die niet in Christus gelooft (Ps. 119:150): “Die kwade praktijken najagen.”
(a) Sommige mensen jagen ongetwijfeld en met voorbedachten rade het kwaad na. Ze maken zichzelf tot verleiders van anderen en genieten daarvan.
(b) Anderen genieten daar niet van. Toch kunnen ze het kwade effect van hun voorbeeld niet tegenhouden.
(c) Juist de fatsoenlijkheid van veel ongelovigen maakt het hun mogelijk de verderfelijke invloed van hun ongeloof door te geven op plaatsen waar openlijk goddeloze mensen niet komen.
(d) Zelfs mensen die trouw naar de openbare eredienst gaan, kunnen anderen door hun besluiteloosheid aanzetten tot uitstel.
- De gevaarlijke positie van iedereen op wie deze beschrijving in enige mate van toepassing is: “Zij wijken verre van Uw wet.”
(a) Dat doen ze omdat ze niet geloven, want “dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus”, enzovoort.
(b) Dat doen ze omdat ze voor anderen een oorzaak van kwaad zijn, want ons is geboden om lief te hebben en goed te doen.
(c) Ver van Gods wet staan is dicht bij Gods rechtvaardige toorn staan.
(d) Omwille van anderen en omwille van zichzelf moeten mensen in Christus geloven en door dat geloof worden geheiligd.
— J.F.
Uitleg
Vers 151
“Maar Gij, HEERE! zijt nabij.” Hoe dichtbij de vijand ook was, God was nóg dichterbij. Dit is een van de beste vertroostingen voor het vervolgde kind van God. De Heere is nabij om onze kreten te horen en ons snel te helpen. Hij is nabij om onze vijanden te verjagen en ons rust en vrede te geven.
“En al Uw geboden zijn waarheid.” God beveelt geen leugen en liegt niet in Zijn geboden. Deugd is waarheid in daden, en dat gebiedt God. Zonde is leugen in daden, en dat verbiedt God. Als alle geboden van God waarheid zijn, houdt de ware mens er graag dicht bij. Dan vindt hij daarin de ware God dichtbij zich. Deze zin beschermt de vervolgde tegen valse harten die hem kwaad willen doen. God is nabij en God is waarachtig, dus Zijn volk is veilig. Komen we ooit in gevaar doordat we Gods geboden houden? Dan hoeven we niet te denken dat we onverstandig hebben gehandeld.
We mogen er juist zeker van zijn dat we op de goede weg zijn, want Gods voorschriften zijn recht en waar. Juist daarom vallen goddeloze mensen ons aan. Ze haten de waarheid en haten daarom wie de waarheid doet. Hun verzet mag onze troost zijn, want Gods aanwezigheid aan onze kant is onze eer en onze vreugde.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 151
“Maar Gij, HEERE! zijt nabij.” Wat een troost is deze gedachte al vaak geweest voor iemand die zich verlaten en vergeten voelde! “Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen” (Ps. 27:10): dat was de steun van iemand in zo’n diep verdriet. En als het hart voor het eerst zwaar is en uitbarst, komt de zekerheid soms zo zacht als een fluistering van vrede: “Ik ben met u!” Ik twijfel er niet aan dat David dit vaak heeft meegemaakt. Het was in die uren van eenzaam gebed, vóór het ochtendgloren en vóór de nachtwaken, of wanneer hij midden in de nacht opstond om met God te spreken.
Geen stem verbrak de stilte en elk geluid zweeg, behalve het kloppen van zijn eigen hart. Toen heeft hij de Heilige Geest van God horen fluisteren: “Ik ben nabij.” “Vrees niet, want Ik ben met u” (Jes. 41:10). — Barton Bouchier.
Vers 151
“Maar Gij, HEERE! zijt nabij.” Dit was ooit de grootste zegen van de mens en de bron van zijn zoetste troost. Het was de mooiste bloem die in het paradijs groeide. Maar de zonde liet haar verwelken. De bloem verschrompelde, boog het hoofd en stierf (Gen. 3:8; 4:16). Het moet opnieuw zo worden: de bloem moet weer bloeien en tot leven komen.
Ze moet al op aarde bloeien, anders zal ze in de hemel nooit haar geur verspreiden. U bent nabij. Zelfs in Uw werken van de “schepping” zie ik U: in de zon in haar heerlijkheid, in de maan in haar zachtheid, schitterend aan het uitspansel. Ik zie U in de balsem van deze geurige lucht, in het licht van deze vrolijke dag en in de geur van de struiken om mij heen. Hun bloeiende toppen drinken de zachte regen op die neerdaalt. Het lijkt wel alsof ze uit dank een verse geur uitademen voor Hem Die haar zendt.
In het gezang van deze vogels, die de lucht met hun liederen vullen, bent U, HEERE, nabij. Met mijn lichamelijke ogen zie ik U niet. Daarmee zie ik wel het werk van Uw handen. Maar met het oog van mijn geest zie ik U in Uw werken: een God Die dichtbij is.
U bent nabij. Ook in het boek van Uw voorzienigheid zie ik U, hoe donker en raadselachtig dat boek ook mag zijn. Daar lees ik Uw wijsheid, die werkt in Uw wereld, in Uw gemeente, in Uw heiligen en in Uw dienaar die hier voor U staat. Het is een wijsheid die leidt en beschermt, die geeft en aanmoedigt, die terechtwijst, die doodt en levend maakt. Daar lees ik ook Uw macht, Uw gerechtigheid, Uw trouw, Uw heiligheid en Uw liefde.
Maar het meest helder en duidelijk zie ik U als nabij in Uw Zoon, Uw geliefde Zoon. Bent U al nabij in de schepping en in de voorzienigheid? In Hem bent U zeer nabij, HEERE. Nabij als een God Die zonden vergeeft (Rom. 8:1). Nabij als een God Die Zijn beloften houdt (2 Kor. 1:20). Nabij als een God Die gebeden hoort (Joh. 16:23; Ps. 145:18). Nabij als een God Die Zijn verbond houdt (Hebr. 8:10). Nabij als een genadige, tedere Vader (Joh. 20:17). U bent nabij, HEERE. O, dat ik altijd mocht leven met het besef van Uw nabijheid! Hoe vaak, helaas veel te vaak, lijk ik dat helemaal te vergeten!
Bent U nabij? Dan wil ik het me goed realiseren: alleen door het bloed van Uw dierbare Zoon ben ik dichtbij gebracht (Ef. 2:13). Daarvoor was niets minder nodig dan dat de Godheid Zich liet zakken tot ons niveau. Het kostte het lijden en sterven van Zijn volmaakte mensheid om weg te nemen wat een heilig God scheidde van een onheilig schepsel. O, dat ik voor U mocht leven met een dankbaar hart, gebroken en verslagen!
Bent U nabij? Dan mag ik leven alsof ik voor U sta en U zie: in heilige vrees, in kinderlijke liefde, in eenvoudig geloof en in het vertrouwen van een kind (Gen. 17:1). Als de zonde mij wil verleiden en mij aanspoort om toe te geven, als de wereld mij weer een nieuw lokaas voorhoudt, als Satan misbruik wil maken van mijn aard, mijn omgeving of mijn omstandigheden: o, dat ik dan altijd mag denken: “Gij, HEERE! zijt nabij.”
Gaat het met mijn dierbaarste troost de verkeerde kant op, tot ze verwelkt en sterft? Worden vrienden koel? Raken de banden stuk die vroeger zo sterk, zo innig en zo teder waren? Dan mag ik toch blijven denken: “Gij, HEERE! zijt nabij”, en niet ver weg. En komt het plechtige uur waarop hart en vlees bezwijken, en ik alles op aarde nog maar met een stervend oog bekijk? Hoor ik U dan zeggen: “Gij zult sterven, en niet leven”? O, dan mag ik met de volle rust van het geloof, de levendigheid van de hoop en het vuur van de liefde denken: “Gij zijt nabij, HEERE.” — James Harington Evans, 1785-1849.
Vers 151
“Al Uw geboden zijn waarheid.” David bedoelt: HEERE, kwaadwillige mensen zitten mij achterna omdat ik U volg. Toch weet ik dat Uw geboden waarheid zijn. Het is onmogelijk dat U Uw dienaren laat vallen of in de steek laat, als zij opkomen voor Uw woord. Je ziet het dus: in zijn nood vertrouwde David niet aanmatigend op eigen wijsheid of kracht. Zijn troost was de waarheid van Gods beloften. Hij was ervan overtuigd dat die hem nooit zouden begeven. Ook zet hij hier, haast ongemerkt, Gods woord tegenover het woord van zijn vijanden.
Mensen geven soms bevelen zonder reden. Soms dreigen ze zonder dat er iets van komt. Het bevel van Herodes, het schelden van Rabsake en de trotse woorden van Izébel tegen Elia laten dat zien. Maar de Heere, onze God, is altijd beter dan Zijn woord. Wie Hem dienen, zullen later in de vervulling meer ontdekken dan ze nu in de belofte zien. Zo zullen Zijn vijanden in Zijn oordelen meer gewicht vinden dan ze nu in Zijn dreigementen kunnen bevatten. — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 151 (laatste zinsdeel)
“De geboden van de Heere zijn waar in beginsel. Ze leiden tot een waarachtig leven als je ze uitvoert. Ze belonen wie gehoorzaamt echt. Ze leiden nooit tot een leugen en misleiden niemand.
Uitleg
Vers 152
“Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.” David ontdekte al vroeg dat God ze al van oudsher had gegrond. Hij zag dat ze door alle eeuwen heen zouden standhouden. Het is een grote zegen om al zo vroeg door God onderwezen te worden, dat we al van jongs af stevige leerstukken kennen. Wie denkt dat David een jonge man was toen hij deze psalm schreef, zal dit vers moeilijk met die gedachte kunnen rijmen. Veel waarschijnlijker is hij ondertussen grijs geworden en keek hij terug op wat hij lang geleden al wist.
Hij wist vanaf het allereerste begin dat de leerstellingen van Gods woord vaststonden vóór de wereld begon. Ze waren nooit veranderd en konden onmogelijk ooit veranderen. Hij was begonnen met te bouwen op een rots, want hij zag dat Gods getuigenissen “gegrond” waren. Dat betekent: ze waren als fundament gelegd, vastgezet en bevestigd, met het oog op alle eeuwen die zouden komen en alle veranderingen die daarin zouden plaatsvinden. Omdat David dit wist, had hij zoveel vertrouwen in het gebed en hield hij er zo hardnekkig aan vast. Het is zoet om onveranderlijke beloften voor te houden aan een onveranderlijke God.
Hierdoor leerde David te hopen. Van een vriend die verandert, kun je niet veel verwachten. Maar je kunt wel vertrouwen op een God Die niet kan veranderen. Hierdoor genoot hij ervan dicht bij de Heere te zijn, want het is een heerlijke zaak om innig contact te houden met een Vriend Die nooit wisselt. Wie wil, mag de moderne richting maar achternalopen en wachten op nieuw licht dat het oude licht te schande moet maken. Wij zijn tevreden met de waarheid die zo oud is als de heuvels en zo vast als de grote bergen.
Laat “beschaafde geesten” maar een andere god verzinnen, zachter en weker dan de God van Abraham. Wij aanbidden met vreugde Jehova, Die eeuwig dezelfde is. Wat voor altijd vaststaat, is de vreugde van heiligen die vastgeworteld zijn. Zeepbellen bekoren jongens, maar mannen waarderen wat degelijk en hecht is: iets met een fundament en een bodem, dat de toets van de eeuwen doorstaat.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 152
Dit deel van onze psalm eindigt met de overwinning van het geloof op alle gevaren en verzoekingen. “Van Uw getuigenissen”, dat zijn de openbaringen van Uw wil en Uw plannen om Uw dienaren te redden: “heb ik van ouds geweten”, door geloof en uit eigen ervaring, net als uit die van anderen, “dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.” Ze zijn onveranderlijk en eeuwig, zoals de eigenschappen van hun grote Auteur. Ze laten nooit in de steek wie erop vertrouwt, niet in de tijd en niet in de eeuwigheid. — George Horne.
Vers 152
“Van ouds heb ik geweten.” Dit was geen late overtuiging en niets wat David nu pas hoefde te leren. Hij wist het altijd al, sinds hij iets van God wist: God had Zijn woord erkend als vaste regel voor de manier waarop Hij met Zijn schepselen omgaat. God had Zijn woord zo vaak aan hem waargemaakt, niet alleen in het nu en in het recente verleden, maar ook door oude, lang vervlogen ervaringen. Davids overtuiging van de waarheid en onveranderlijkheid van het woord was dus geen plotselinge bevlieging of een opwelling van het moment, en ook geen overtuiging van een paar dagen oud.
Lange ervaring had hem erin bevestigd. Een of twee ervaringen waren nog geen toets geweest voor de waarheid van het woord. Dan leek het misschien een gelukkige treffer. Maar Gods woord blijkt altijd waar, niet één of twee keer, maar steeds weer. Wat wij “van ouds” noemen, leest de Septuaginta als “kat’ archas”, “van den beginne”. Dat wil zeggen:
- Van jongs af aan. Timotheüs kende de heilige Schriften van kindsaf (2 Tim. 3:15). Zo was ook David al als zeer jonge jongen met God en met Zijn waarheid vertrouwd.
- Of: vanaf het eerste moment dat hij serieus begon te worden, dat hij echt op het woord begon te letten of leerling werd, hetzij in Gods woord of in Gods werken, door voorzienigheden en beloften met elkaar te vergelijken. Toen ontdekte hij over Zijn getuigenissen: “dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.”
- Of tot slot kan “van ouds” betekenen wat ik heb gehoord uit alle voorbije tijden, hun ervaring evengoed als de mijne: “Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen. Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden” (Ps. 22:5-6). — Thomas Manton.
Vers 152
Laten we goed letten op de eeuwige grondslag van “de getuigenissen van God”. Het hele plan van verlossing was nadrukkelijk “in eeuwigheid gegrond”. De Zaligmaker was “voorgekend … voor de grondlegging der wereld” (1 Petr. 1:20). Gods volk is “uitverkoren … in Hem, voor de grondlegging der wereld” (Ef. 1:4). De grote Auteur is Hij “Die van den beginne aan verkondigt het einde” (Jes. 46:10). Zo maakt Hij Zijn handelen vrij van elke aanklacht van wispelturigheid of toeval. Elke gebeurtenis in de gemeente is vastgesteld, toegelaten en voorzien. Dat is niet gebeurd in het voorbijgaande ogenblik van de tijd, maar in de plannen van de eeuwigheid.
De getuigenissen vertellen over Gods trouwe verbintenissen met Zijn volk van oudsher. Als we dan bedenken dat ze “in eeuwigheid gegrond” zijn, geeft ons dat nu een onveranderlijk aandeel erin. En zien we dat ze rusten op Gods eed en belofte? Dat zijn de twee “onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege”. Dan mogen we werkelijk “een sterke vertroosting” hebben als we elke hoop voor de eeuwigheid op deze rots wagen. Ook hoeven we niet ontsteld te zijn als we al onze aardse steunpunten voor onze ogen zien wegvallen: “de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid” (1 Joh. 2:17). — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 152
“Kennis van het Woord.
- Het is goed om het te kennen als Gods eigen woord.
- Als gegrond in waarheid.
- Als voor eeuwig gegrond.
- Hoe eerder we dit weten, hoe beter.
Uitleg
In dit deel lijkt de psalmist nog dichter bij God te komen in zijn gebed. Hij legt zijn zaak voor en roept Gods hulp in, met meer moed en met meer verwachting. Het is een pleitend gedeelte, en het sleutelwoord is: “Zie aan.” Vol vrijmoedigheid wijst David op zijn innige verbondenheid met de zaak van de Heere. Daarom, zegt hij, hoort hij geholpen te worden. De hulp waar hij vooral om vraagt, is dat hij persoonlijk tot nieuw leven komt. Daarom roept hij steeds weer tot de Heere.
Vers 153
“Zie mijn ellende aan, en help mij uit.” De schrijver heeft een goede zaak, ook al is die pijnlijk. Hij wil haar graag voorleggen aan de goddelijke Rechter, ja, hij verlangt ernaar. Zijn zaken zijn in orde en hij durft ze voor het hoogste gerechtshof te brengen. Hij spreekt als iemand die zich bij de troon veilig voelt. Toch is hij niet ongeduldig. Hij vraagt niet om haastig ingrijpen, maar om aandacht. Eigenlijk zegt hij: “Kijk goed naar mijn verdriet en oordeel zelf of ik niet bevrijd moet worden. Bepaal vanuit mijn treurige toestand hoe en wanneer U mij het beste kunt redden.” De psalmist verlangt twee dingen, en die twee horen bij elkaar.
Ten eerste dat zijn verdriet zorgvuldig wordt bekeken. Ten tweede dat hij wordt bevrijd, en wel zo dat zijn ellende daarbij wordt meegewogen. Elke gelovige die het zwaar heeft, mag dit verlangen hebben: dat de Heere naar zijn nood kijkt en die wegneemt op een manier die het meest tot Gods eer strekt en hemzelf het meeste goed doet. De woorden “mijn ellende” zijn beeldend. Het lijkt of een bijzonder stukje verdriet wordt afgebakend als het eigen erfdeel van de schrijver. Hij bezit het zoals niemand het ooit bezat, als iets wat helemaal van hem alleen is.
Hij smeekt de Heere om dat stukje onder Zijn ogen te houden. Zo kijkt een boer over al zijn akkers uit en geeft hij toch aan één bepaald stuk dubbele zorg. Zijn gebed is heel praktisch, want hij vraagt om bevrijd te worden. Hij wil dus uit de nood worden gehaald en behoed worden voor ernstige schade. Als God “aanziet”, handelt Hij op het juiste moment. Mensen overwegen iets en doen dan niets, maar zo is onze God nooit.
“Want Uw wet heb ik niet vergeten.” Hoe bitter zijn ellende ook was, ze kon de herinnering aan Gods wet niet uit zijn gedachten verdrijven. Ze kon hem ook niet laten handelen tegen Gods gebod in. Hij vergat de voorspoed, maar de gehoorzaamheid vergat hij niet. Dit is een sterk argument, als je het eerlijk kunt aanvoeren. Houden we ons trouw aan Gods wet? Dan kunnen we er zeker van zijn dat God trouw blijft aan Zijn belofte. Vergeten we Zijn wet niet? Dan vergeet de Heere ons ook niet. Hij laat iemand niet lang in de nood zitten, als zijn enige angst in die nood is dat hij de weg van het recht zou verlaten.
Vers 153
“Zie mijn ellende aan, en help mij uit.” God ziet naar een mens om, of beziet hem, op verschillende manieren en met verschillende bedoelingen. Om hem licht te geven: “En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af” (Joh. 9:1). Om hem te bekeren: “Jezus … zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheus; en zeide tot hem: Volg Mij” (Matth. 9:9). Om hem te herstellen: “En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan” (Luk. 22:61). Om hem te verlossen: “Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is” (Ex. 3:7). Om hem hoger te brengen: “Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien” (Luk. 1:48). En om hem te belonen: “De HEERE zag Habel en zijn offer aan” (Gen. 4:4). — Hugo van Sint-Victor (1098-1141), in Neale en Littledale.
Vers 153
“Zie mijn ellende aan, en help mij uit.” We moeten bidden dat God ons helpt en bevrijdt. Dat moet niet gebeuren zoals wij het in ons eigen hoofd bedenken, maar op de manier die Zijn tedere wijsheid het beste lijkt. Of we bidden dat Hij onze pijn verzacht, zodat onze zwakheid niet helemaal bezwijkt. Een zieke twijfelt niet aan de trouw en de zachtheid van zijn arts. Toch vraagt hij hem om zijn wond zo voorzichtig mogelijk te behandelen. Zo mogen ook wij God aanroepen: als het niet tegen Zijn eer en heerlijkheid ingaat, mag Hij de goedheid hebben om de pijn wat te verzachten. — Otto Wermuellerus.
Vers 153
“Zie mijn ellende aan.” Deze gebeden van David zijn met zoveel hemelse wijsheid geschreven dat ze passen bij de toestand van de hele gemeente en van ieder lid. De gemeente is de braamstruik die in brand staat en toch niet verteert. Elk lid draagt een deel van het kruis van Christus. Zij zijn nooit zonder ellende, en daarom moeten zij met David bidden: “Zie mijn ellende aan.”
We weten hoe goed het ons doet, als we in onze ellende ons kruis bekend weten bij mensen van wie we zeker weten dat ze van ons houden. Het verzacht ons verdriet als zij met ons meetreuren, ook al kunnen ze ons niet helpen. Maar de christen heeft een stevigere troost: de Heere ziet hem in al zijn nood. Hij is als een koning die vol vreugde toekijkt hoe zijn eigen dienaar met de vijand worstelt. Hij kijkt toe met een barmhartig oog. Hij heeft medelijden met de zwakheid van de Zijnen als Hij die ziet, en Zijn sterke hand staat klaar om hen te helpen.
Maar vaak schuift de wolk van ons eigen verderf zich tussen de Heere en ons. Dan zien we Zijn helpende hand niet, en ook Zijn liefdevolle gezicht niet dat op ons kijkt. In zulke tijden moeten we met David bidden: “Zie mijn ellende aan.” — William Cowper.
Wenken voor predikers
Verzen 153-160
“Bidden om Gods aandacht. “Zie mijn ellende aan” (Ps. 119:153), mijn zaak (Ps. 119:154), omwille van “Uw barmhartigheden” (Ps. 119:156). Zie mijn vervolgers aan (Ps. 119:157-158) en mijn liefde voor Uw bevelen (Ps. 119:159) en handel daarnaar.
Wenken voor predikers
Vers 153-159
“De twee ‘zie aan’-verzoeken. De onderwerpen, de gebeden, de argumenten.
Vers 153,154
“Hier:
- David bidt om bijstand in zijn nood. “Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde” (Jak. 5:13): laat hij bidden zoals David hier doet.
(a) Hij kijkt naar Gods medelijden en bidt: “Zie mijn ellende aan.” Neem haar op in Uw gedachten, met alle omstandigheden. Zit er niet bij als iemand die zich nergens iets van aantrekt. God vergeet de ellende van Zijn volk nooit. Maar Hij zegt: “Maakt Mij indachtig” (Jes. 43:26), en Hij wil dat we onze zaak voor Hem uitspreiden. Dan laten we het over aan Zijn medelevende overweging, zodat Hij erin doet wat Hij in Zijn wijsheid goed vindt, op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen manier.
(b) Hij kijkt naar Gods macht en bidt: “Help mij uit”, en weer: “Verlos mij.” Zie mijn moeiten aan en haal mij eruit. God heeft verlossing beloofd (Ps. 50:15). We mogen daarom bidden, als we ons onderwerpen aan Zijn wil en Zijn eer voor ogen houden, zodat we Hem beter kunnen dienen.
(c) Hij kijkt naar Gods gerechtigheid en bidt: “Twist mijn twistzaak.” Wees mijn beschermheer en advocaat, en neem mij aan als Uw cliënt. David had een rechtvaardige zaak. Maar zijn tegenstanders waren talrijk en machtig, en hij liep gevaar door hen onder de voet te worden gelopen. Daarom smeekt hij God om zijn onschuld aan te tonen en hun valse beschuldigingen het zwijgen op te leggen. Als God niet opkomt voor de zaak van Zijn volk, wie dan wel? Hij is rechtvaardig en Zijn volk vertrouwt zich aan Hem toe. Daarom zal Hij het doen, en wel krachtig (Jes. 51:22; Jer. 50:34).
(d) Hij kijkt naar Gods genade en bidt: “Maak mij levend.” Heere, ik ben zwak en kan mijn moeiten niet dragen. Mijn geest verslapt snel en zakt langzaam weg. O, dat U mij wilde opkikkeren en troosten, tot de verlossing is gebracht!
- Hij beroept zich op zijn afhankelijkheid van het woord van God en op zijn toewijding aan Gods leiding. “Maak mij levend” en “verlos mij, … naar Uw toezegging”, Uw beloofde woord, “want Uw wet heb ik niet vergeten.” Hoe dichter we bij Gods woord blijven, als regel én als steun, hoe zekerder we kunnen zijn van verlossing op de juiste tijd. — M. Henry.
Vers 153
“Het gebed van de zieke.
- Het geneesmiddel in herinnering gebracht.
- De arts erbij geroepen.
- De arts die de zaak overweegt.
- De genezing die wordt bewerkt.
— C.A.D.
Vers 153
- Heere, vergeet mijn smart niet.
- Ik vergeet Uw wet niet.
Uitleg
Vers 154
“Twist mijn twistzaak, en verlos mij.” In het vorige vers bad hij: “Verlos mij.” Nu noemt hij één manier waarop die verlossing kon komen: dat zijn zaak werd bepleit. In Zijn voorzienigheid heeft de Heere veel manieren om mensen die zijn belasterd, vrij te pleiten van de beschuldigingen tegen hen. Hij kan voor ieders ogen duidelijk maken dat ze ten onrechte zijn beschuldigd en dat er over hen is gelogen. Zo pleit Hij in de praktijk hun zaak. Hij kan ook vrienden voor de godvrezenden doen opstaan, die geen middel onbeproefd laten tot hun naam is gezuiverd.
Of Hij laat hun vijanden zo schrikken in hun hart dat ze gedwongen zijn hun leugen toe te geven. Dan worden de rechtvaardigen bevrijd zonder dat er één klap valt. Alexander vertaalt: “Voer mijn strijd en verlos mij.” Dat betekent: sta in mijn plaats, draag mijn last, vecht mijn gevecht, betaal mijn prijs en breng mij naar de vrijheid. Voelen we ons sprakeloos tegenover de vijand? Dan ligt hier een gebed klaar. Wat een troost: als we zondigen, hebben we een Voorspraak. En als we niet zondigen, staat diezelfde Pleiter ook aan onze kant.
“Maak mij levend.” Dit gebed hadden we al in het vorige deel, en we zullen het in dit deel steeds opnieuw tegenkomen. Je kunt dit verlangen niet te vaak voelen en uitspreken. De ziel is het middelpunt van alles. Zo is levend gemaakt worden ook de belangrijkste zegen. Het betekent meer liefde, meer genade, meer geloof, meer moed en meer kracht. Hebben we die? Dan kunnen we ons hoofd opheffen tegenover onze tegenstanders. Alleen God kan dit nieuwe leven geven. Maar voor de Heere en Gever van het leven is dit werk makkelijk genoeg en Hij doet het graag.
“Naar Uw toezegging.” David had zo’n zegen gevonden tussen de beloofde dingen. Of in elk geval zag hij dat het volgens de algemene lijn van Gods woord is dat beproefde gelovigen nieuw leven krijgen en uit het stof van de aarde worden opgetild. Daarom pleit hij op het woord en vraagt hij de Heere om met hem te handelen zoals dat woord gewoonlijk zegt. Wat een machtig argument: “naar Uw toezegging.” Geen kanon in al onze wapenkamers kan daarbij in de buurt komen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 154
“Twist mijn twistzaak, en verlos mij” enzovoort. Godvrezenden die worden vervolgd, hebben een goede zaak. Toch kunnen ze die niet bepleiten, tenzij God, hun Verlosser, Zich als hun Voorspraak laat zien. Daarom bidt de psalmist: “Twist mijn twistzaak.”
Als God, de Verlosser, iemands zaak bepleit, doet Hij dat met een doel en met kracht: “Twist mijn twistzaak, en verlos mij.” Ondervinden de cliënten van de Heere in hun moeite niet van tijd tot tijd nieuwe kracht van God? Dan zijn ze in hun strijd niet meer dan dode mensen. Want dat is wat “maak mij levend” inhoudt.
Zolang we in onze nood geen levendige bemoediging krijgen, moeten we ons vasthouden aan het woord van de belofte: “Maak mij levend, naar Uw toezegging.” Wat de gelovige nodig heeft, wil God niet alleen geven. Hij heeft er ook een ambt voor en de macht om het uit te voeren. Hier is dat het ambt van Voorspraak en van krachtig Verlosser. De gelovige mag Hem daar vrijmoedig elke dag werk in geven, zoals hij dat nodig heeft: “Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.” — David Dickson.
Vers 154
“Twist mijn twistzaak, en verlos mij” enzovoort. David stelt zich nu voor dat hij voor de rechtbank van mensen staat. In hun algemene beschuldigingen tegen hem was dat ook zeker zo. Hij staat daar helemaal hulpeloos, zonder naam en zonder aanzien, zoals iemand die wordt verstoten voor de rechter komt. Hij bidt de Heere om te komen en zijn zaak te bepleiten. Zo zou hij worden verlost, want dat is de betekenis van het oorspronkelijke woord. Hij ziet zichzelf bijna als iemand die aan omkoopbare rechters is verkocht, of in elk geval als iemand die in de ogen van mensen zijn plaats in de samenleving kwijt is.
Maar komt de Heere en verdedigt Hij de zaak van Zijn dienaar? Dan is die dienaar echt verlost. Dit gebed getuigt van goed en stevig vertrouwen. De man van God kent de wegen van de Heere en doet zijn beroep in geloof. O, wat hebben we het nodig om Gods rechtvaardige karakter te kennen in onze tijden van grote nood! De Heere bepleit de zaak van de Zijnen door de kracht van de waarheid. Hij doet dat ook door allerlei vormen van Zijn voorzienigheid. Hij werkt in op de harten van mensen, op hun hoop en op hun angst.
Op veel wonderlijke manieren bepleit Hij de zaak van Zijn volk. Hij verlost Zijn heiligen van alle kwaad. En al is dat in deze wereld niet altijd van al het kwaad tegelijk, dan toch zeker van al het kwaad voor de wereld die komt. — John Stephen.
Vers 154
“Twist mijn twistzaak, en verlos mij” enzovoort. In dit vers staan drie verzoeken, en ze worden alle drie met hetzelfde argument ondersteund. In het eerste laat hij weten dat zijn zaak rechtvaardig is en dat goddeloze mensen hem onterecht plagen. Hij gaat gebukt onder hun lasterpraat en vraagt daarom aan God om zijn verdediging op Zich te nemen: “Twist mijn twistzaak.” In het tweede beschrijft hij hoe ellendig en hulpeloos hij is. Hij wordt met geweld onderdrukt en zegt daarom: “Verlos mij”, of, zoals de woorden ook kunnen betekenen: “Koop mij vrij.” In het derde noemt hij zijn eigen zwakte: hij staat op het punt onder deze last te bezwijken. Daarom zegt hij: “Maak mij levend.”
Kort gezegd: omdat zijn tegenstanders onrecht doen, bidt hij: “Twist mijn twistzaak.” Omdat zijn eigen toestand zo ellendig is, bidt hij: “Verlos mij.” En omdat zijn eigen hart zo zwak en machteloos is, bidt hij: “Maak mij levend.”
Wat is de reden en de grondslag van zijn vragen? Dat staat in de woorden: “Naar Uw toezegging.” Dit slot hoort bij elk onderdeel van het gebed. Hij bidt: “Twist mijn twistzaak”, en wel naar Uw woord. “Verlos mij”, ook naar Uw woord. “Maak mij levend”, eveneens naar Uw woord. In Zijn woord neemt God immers alles op Zich: Hij is Voorspraak, Verlosser én bron van het leven. Waar bouwt David dan op? Misschien op de algemene beloften aan wie de wet hielden. Of op een bijzondere belofte aan hemzelf, die de profeten van zijn tijd hadden doorgegeven. — Thomas Manton.
Vers 154
“Twist mijn twistzaak, en verlos mij.” Eens bracht een slechte vrouw een beschuldiging in tegen dr. Payson, onder omstandigheden waarin hij onmogelijk leek te kunnen ontsnappen. Zij zat op hetzelfde pakketschip waarmee hij vele maanden eerder naar Boston was gereisd. Een hele tijd lang leek het bijna zeker dat zijn goede naam zou worden vernietigd. Hij kon nergens meer terecht dan bij de genadetroon. Hij voelde dat zijn enige hoop alleen bij God lag, en tot Hem richtte hij zijn vurige gebed. De Verdediger van de onschuldigen verhoorde hem. Een “wroegende bezoeking” bracht die ongelukkige vrouw ertoe te bekennen dat het hele verhaal kwaadaardige laster was. — Uit Asa Cummings’ Memoir of Edward Payson.
Vers 154
“Twist mijn twistzaak.” Ik weet niet of David, door God te vragen zijn zaak te bepleiten, meer bedoelde dan dat Hij zijn onschuld zou bewijzen. Dat deed Hij door David te redden uit de hand van al zijn vijanden, zodat iedereen het zou zien. Of David nu verder keek of niet: elk christenhart denkt bij dit woord krachtig en zoet aan Hem Die echt de Voorspraak zou worden van arme zondaars, Jezus Christus de Rechtvaardige, Die de verzoening is voor onze zonden. — Barton Bouchier.
Vers 154
“Twist mijn twistzaak.” De kinderen van deze wereld zijn in hun geslacht verstandiger dan de kinderen van God. Daarom bad David hier tot God dat Hij zijn zaak zou bepleiten en zijn Voorspraak zou zijn tegen al hun leugens. Hij vertrouwde niet op de rechtvaardigheid van zijn eigen zaak, maar op de Heere. Hieruit leren we waarom onze onderdrukkers zo vaak van ons winnen: we vertrouwen te veel op ons eigen verstand en steunen te veel op onze eigen vondsten. We zetten sluwheid tegenover sluwheid en de ene slechte streek tegenover de andere. We beantwoorden en behouden bedrog met bedrog en leggen onze zaak niet in Gods hand. — Abraham Wright.
Vers 154
“Verlos.” Dit is niet het woord van Ps. 119:153. Het betekent vrijkopen, of redden door wraak te nemen. Het bijbehorende deelwoord wordt vertaald met losser, wreker, bloedwreker, bloedverwant, naaste bloedverwant, naaste verwant. — William S. Plumer.
Vers 154
“Maak mij levend.” Ook hier worden we geroepen om te letten op de houding van een vroom gemoed. Steeds weer verlangt de man van God er het meest naar om vooruit te komen in het goddelijke leven. Hij haalt uit alles geestelijke winst. Zijn mooie parels zoekt hij uit vreemde omstandigheden, want zijn hart is bij deze dingen. Hij vroeg om verlossing van tijdelijk en van geestelijk kwaad. Maar daarbij neemt de man van God altijd ook het gebed op om levend gemaakt te worden. Zeker mogen we begrijpen dat hij leven zoekt.
Dat is wat de woorden uitdrukken en wat ze betekenen. Maar bij een man als David moet het leven dat hij zoekt het allerhoogste zijn. Meer dan alles verlangt hij naar geestelijk leven. Hij wil meer op God gaan lijken, zodat hij het hoogste goed kan genieten. Zo hijgt een ziel die uit de hemel geboren is, naar dat leven… Geef de gelovige dit, en hij staat boven alle kwalen van het leven. Dit en al het goede was in het woord beloofd. Daarom bidt hij: “Maak mij levend, naar Uw toezegging.” Voor alles steunt hij op het woord.
Daarin kan hij zichzelf niet bedriegen. Beoordeel jezelf, broeders, naar wat je geestelijk verlangt. Niets minder dan dat bewijst dat je bij de verlosten van de Heere hoort. — John Stephen.
Vers 154,156,159
“Maak mij levend.” Bid dat je levend gemaakt wordt, zoals de psalmist vaak doet. Kijk daarbij naar Jezus, Die een levendmakende Geest is (1 Kor. 15:45): “De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel, de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” Hij gaf jou het leven en Hij wil je dat leven steeds meer en overvloediger geven. Zo ga je voor Hem leven en kun je onvermoeibaar voor Hem in de weer zijn. — Nathanael Vincent, in “A Present for such as have been Sick and Recovered”, 1693.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, van ds. C. A. Davis.
Vers 154,156,159
“De drievoudige levendmaking. Dat is een prachtig onderwerp, als je de samenhang zorgvuldig bekijkt.
Vers 154
“Voorspraak, verlossing, levendmaking, en alles in trouw aan het woord.
Vers 154
“Een gebed.
- Om beloofde bescherming.
- Om beloofde verlossing.
- Om beloofde opwekking.
— G.R.
Vers 154
“De Voorspraak.
- De ziel die hard wordt bestookt door de aanklager: in het geweten (1 Joh. 3:20), voor de wereld, bij de genadetroon (Zach. 3:1-10), voor de rechtbank van het oordeel.
- De aangeklaagde ziel die haar zaak aan de Voorspraak toevertrouwt (1 Joh. 2:2; 2 Tim. 1:12).
- Hoe de zaak zal aflopen. Hij heeft er nog nooit één verloren.
— C.A.D.
Uitleg
Vers 155
“Het heil is verre van de goddelozen.” Doordat ze zo hardnekkig in het kwaad volharden, hebben ze zichzelf bijna buiten het bereik van de hoop gezet. Ze praten over gered worden, maar ze kunnen er niets van hebben meegemaakt, anders bleven ze niet goddeloos. Elke stap die ze op het pad van het kwaad hebben gezet, heeft hen verder weggevoerd van het koninkrijk van de genade. Ze gaan van de ene graad van verharding naar de volgende, tot hun hart als steen is geworden. Als ze in de problemen komen, valt dat nooit meer te herstellen. Toch praten ze groot, alsof ze geen redding nodig hebben of zichzelf kunnen redden zodra ze er zin in krijgen.
“Want zij zoeken Uw inzettingen niet.” Ze proberen niet gehoorzaam te zijn, maar juist het tegendeel. Ze zoeken zichzelf en ze zoeken het kwaad, en daarom vinden ze nooit de weg van vrede en gerechtigheid. Hebben mensen de inzettingen van de Heere overtreden? Dan is het verstandigst om door berouw vergeving te zoeken en door geloof redding. Dan is de redding vlakbij, zo dichtbij dat ze die niet kunnen missen. Maar zoeken goddeloze mensen steeds verder naar kwaad? Dan komt de redding steeds verder van hen af te staan. Redding en Gods inzettingen horen bij elkaar: wie door de Koning van de genade zijn gered, houden van de inzettingen van de Koning van de heerlijkheid.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 155
“Het heil is verre van de goddelozen.” De Heere is almachtig om te vergeven, maar Hij zal die macht niet voor jou gebruiken, zolang je als zondaar geen berouw hebt. Je hebt geen vriend in de rechtbank. Geen enkele eigenschap uit heel Gods Naam zal voor je spreken. De barmhartigheid zelf zal erbij zitten en met de andere eigenschappen meestemmen voor jouw veroordeling. God kan redden en helpen in tijd van nood. Maar op grond van welke kennismaking ben je zo vrijmoedig tegenover God dat je verwacht dat Hij Zijn reddende arm naar jou uitstrekt?
Een man staat midden in de nacht op om een kind binnen te laten dat huilt en op zijn deur bonst. Maar zoveel moeite doet hij niet voor een hond die daar ligt te janken. Dit beschrijft jouw toestand, zondaar, al is die treurig genoeg, en toch is dit je verhaal nog op zijn mooist verteld. Want Gods almacht is voor de gelovige in dienst van zijn redding, maar daardoor is Hij net zo diep verplicht om jou naar je terechtstelling en veroordeling te brengen. Wat bindt sterker dan een eed? God Zelf heeft gezworen dat Hij elke onboetvaardige ziel zal verderven.
De eed die God in Zijn toorn zwoer tegen de ongelovige Israëlieten, dat ze nooit in Zijn rust zouden ingaan, geldt voor elke ongelovige tot het einde van de wereld. Denk er in Gods naam eens over na: stel dat het alleen de eed van een mens was, of van een groep mensen die, zoals in Handelingen, zwoeren iemand te doden. En stel dat jij die man was. Zou je dan niet dag en nacht beven van angst en je levensrust verliezen, tot ze je vrienden waren geworden? Waarmee zijn dan de kussens gevuld van mensen die zo vast kunnen slapen, zonder enige schrik of ontzetting?
En dat terwijl hun wordt gezegd dat de almachtige God onder ede staat om hen met lichaam en ziel te verdoemen, als ze zich niet op tijd bekeren? — William Gurnall.
Vers 155
“Het heil.” Wat een muziek zit er in dat ene woord! Deze muziek wordt nooit saai en blijft altijd nieuw. Ze maakt ons wakker en geeft ons toch rust! Alles wat ons hart wil zeggen, zit erin. ’s Morgens geeft het ons frisse, zoete kracht en ’s avonds een tevreden vrede. Het is een lied dat zichzelf voortdurend diep in de verrukte ziel zingt. Zelfs de oren van de engelen in de hemel raken erdoor bekoord. Onze eeuwige Vader Zelf luistert er vol aanbiddelijk welbehagen naar. Zelfs voor Hem, in Wiens gedachten de muziek van duizend werelden klinkt, is het zoet.
Gered worden! Wat is dat, gered worden in de volste en uiterste zin? Wie kan het zeggen? “Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord” (1 Kor. 2:9). Het is een redding, en uit wat voor schipbreuk! Het is rust, en in wat voor ondenkbaar thuis! Het is voor eeuwig neerliggen aan Gods hart, in een eindeloze verrukking van onverzadigbare tevredenheid. — Frederick William Faber, 1853.
Vers 155,156
“Het heil is verre van de goddelozen.” “HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele.” Denken en praten godvrezenden over de verdoemelijke toestand van de goddelozen? Dan mogen ze niet vergeten wat ze zelf hebben verdiend. Ze mogen ook Gods genade niet vergeten, die het verschil heeft gemaakt tussen de goddelozen en hen. — David Dickson.
Wenken voor predikers
Vers 155
- Een angstaanjagende afstand.
- Een afstand die door zoeken nooit kleiner wordt.
- Een afstand die door zondigen groter wordt.
Vers 155
- Wanneer het heil ver weg is.
- Wanneer het dichtbij is.
Of:
- Is het woord ver weg, dan is het heil ver weg.
- Is het woord dichtbij, dan is het heil dichtbij.
— G.R.
Vers 155
“Hoe je het heil kunt ontlopen.
- Heil laat zich niet scheiden van gelijkvormigheid aan Gods wet (Lev. 18:5; Luk. 10:25-28; Matth. 19:17).
- Heil komt bij wetsovertreders doordat de Wetgever Zich vernedert en Zelf de Wetsvervuller en het Wetsslachtoffer wordt. Wie weigert zich te voegen naar de eeuwige wet of wil van God, ontloopt het heil. Zij gaan zelf verloren. Hun eigen zonde straft hen. De noodzaak straft hen. — C.A.D.
Vers 155
“Een sluitrede over het heil.
- Heil en gehoorzaamheid horen bij elkaar.
(a) Ze hebben één middelpunt: God, Zijn arm en Zijn lippen.
(b) Ze staan in een wederzijdse verhouding: we worden gered om te gehoorzamen. Door te gehoorzamen worden we gered. Zonder gehoorzaamheid is er geen heil.
(c) Ze hebben hetzelfde doel: ons goed en Gods eer.
(d) Gehoorzaamheid en heil zijn voor eeuwig onlosmakelijk.
- De goddelozen staan ver af van gehoorzaamheid.
(a) Ze ontlopen de geboden.
(b) Onderwerping is voor hen uitgesloten.
- Daarom staan ze ver van het heil. Het ene willen ze niet hebben, het andere kunnen ze niet hebben.
— W.B.H.
Uitleg
Vers 156
“HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.” Dit vers lijkt heel sterk op vers honderdnegenenveertig, en toch is het geen lege herhaling. De hoofdgedachte verschilt zo sterk dat het ene vers duidelijk apart staat van het andere. De eerste keer noemt hij zijn gebed, maar laat hij het aan Gods wijsheid of oordeel over hoe dat gebed wordt vervuld. Hier beroept hij zich niet op een gebed van zichzelf, maar eenvoudig op de barmhartigheid van de Heere. Hij vraagt of hij door Gods oordelen levend gemaakt mag worden, in plaats van aan geestelijke loomheid te worden overgelaten.
Je mag er gerust van uitgaan dat een geïnspireerde schrijver nooit zo weinig gedachten heeft dat hij zichzelf moet herhalen. Als wij in deze psalm denken dezelfde gedachte te vinden, worden we misleid doordat we niet zorgvuldig genoeg studeren. Elk vers is een eigen parel. Elke grashalm op dit veld heeft zijn eigen druppel hemelse dauw.
“Uw barmhartigheden zijn vele.” Hier beroept de psalmist zich op de grootte van Gods barmhartigheid en de onmetelijkheid van Zijn tedere liefde. Hij spreekt zelfs van barmhartigheden: vele barmhartigheden, tedere barmhartigheden, grote barmhartigheden. En bij de glorierijke Jehova maakt hij dit tot grond voor zijn ene hoofdgebed, het gebed om nieuw leven. Nieuw leven is een grote en tedere barmhartigheid, en het zijn heel veel barmhartigheden in één. Zou Hij Die zo werkelijk goed is, Zijn dienaar laten sterven? Zal Hij Die zo teder is, hem geen nieuw leven inblazen? “Maak mij levend naar Uw rechten.” Gods oordelen brengen een mate van ontwaken mee.
Ze schokken en ze wekken op. Daarom wordt de gelovige er levend door. David wilde dat elke harde slag voor hem tot zegen werd, net als elke tedere barmhartigheid. De eerste helft van dit vers kun je ook lezen als: “Velen, of veelvoudig, zijn Uw ontfermingen, o Jehova.” Hij denkt hieraan met het oog op zijn vervolgers, van wie hij in het volgende vers zegt dat ze “vele” zijn. Met al die vele barmhartigheden pleit hij om levend makende genade. Zo heeft hij vele pijlen op zijn boog. We komen nooit argumenten tekort, als we ze uit God Zelf halen en zowel Zijn barmhartigheden als Zijn oordelen aanvoeren als reden voor ons nieuwe leven.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 156
“HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele.” Twee kenmerken geeft hij aan Gods barmhartigheden. Eerst noemt hij ze groot, en dan noemt hij ze teder (zo staat dit vers in de Engelse Bijbel). Ze zijn in veel opzichten groot: in duur, want ze duren eeuwig. In omvang, want ze reiken tot de hemel en zijn nog hoger dan die. Ja, ze zijn groter dan al Gods werken. Dit is een troost voor arme zondaars, die veel en grote zonden hebben. Laten ze niet wanhopen. Gods barmhartigheden zijn groter en talrijker. Want als ze groter zijn dan al Zijn werken, hoeveel groter zijn ze dan jij en al jouw zondige werken!…
Het andere kenmerk is dat het tedere barmhartigheden zijn. De Heere laat Zich namelijk gemakkelijk bidden. Hij is langzaam tot toorn en snel om barmhartigheid te bewijzen. Jakobus zegt dat de wijsheid van boven “vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk” is, dat wil zeggen: gemakkelijk te bewegen. Maakt Zijn genade Zijn kinderen zachtmoedig en gemakkelijk te bewegen? Wat moeten we dan van Hemzelf denken? Hij wil zoveel medelijden zien in ons arme schepsels dat we onze broeders hun fouten “zeventigmaal zeven maal” per dag vergeven (Matth. 18:22). O, wat is er dan veel medelijden en mededogen in Hemzelf!
Zo zien we onze troost groeien: Gods barmhartigheden zijn groot, maar ook teder. Waar er ernstig om wordt gesmeekt, zijn ze gemakkelijk te krijgen. — William Cowper.
Vers 156
Spreekt de psalmist over de ellendige toestand van “de goddelozen”? Dan komt hij vanzelf bij de aanbidding van Gods barmhartigheden, die hem anders hadden gemaakt. Alleen in die bron ligt immers de oorzaak van het verschil tussen ons en hen. — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 156
- Een grote nood.
- Voorgelegd aan een grote Heere.
- Grote gunsten ingeroepen.
- Een grote barmhartigheid gezocht: “maak mij levend.”
Vers 156
“Rechtvaardig, en de Levendmaker.
- Geestelijk leven is een gave van Gods barmhartigheid.
- Het blijft bestaan doordat God Zijn macht gebruikt.
- We mogen dus om nieuw leven pleiten op grond van Gods rechtvaardigheid. — C.A.D.
Vers 156
“De heilige.
- Verzonken in bewondering.
(a) Over Gods tedere barmhartigheden.
(b) Hij roept uit hoe groot ze zijn. Ze zijn talrijk.
Groot in tederheid. Groot en teder: een voortreffelijke combinatie!
- Vol levendigheid, het kind van zijn bewondering.
(a) Het gebed als een pijl: “Maak mij levend.” Om zo’n God gelijk en trouw te zijn.
(b) De boog in de hand: “naar Uw rechten.” — W.B.H.
Vers 156
- De tederheid van Gods grootheid.
- De grootheid van Gods tederheid.
- De prikkel tot leven in Zijn grote en tedere nabijheid.
Uitleg
Vers 157
“Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele.” Er zijn er veel die mij openlijk aanvallen of mij in stilte verafschuwen. David zet dit tegenover de vele tedere barmhartigheden van God. Het lijkt een vreemde zaak dat een echt godvrezend man als David veel vijanden heeft. Toch gaat het niet anders. Je kunt een leerling niet liefhebben waar zijn Meester wordt gehaat. Het zaad van de slang moet wel in verzet komen tegen het zaad van de vrouw. Dat is hun aard.
“Maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.” David week niet af van Gods waarheid. Hij liep gewoon door op de rechte weg, hoeveel tegenstanders ook probeerden zijn pad af te sluiten. Een enkele vijand heeft al mensen op een dwaalspoor gebracht. Maar hier staat een heilige die vol bleef houden, terwijl velen hem achtervolgden. Gods getuigenissen zijn genoeg beloning voor wie doorzet tegen alle legers die zich tegen hem verenigen. Zolang onze vijanden ons niet kunnen dwingen of verleiden tot geestelijke achteruitgang, hebben ze ons geen groot kwaad gedaan. Met al hun boosaardigheid hebben ze dan niets bereikt. Wijken we niet af? Dan hebben zij verloren. Kunnen ze ons niet laten zondigen? Dan hebben ze misgeschoten. Trouw blijven aan de waarheid is zegevieren over onze vijanden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 157
“Vervolgers.” Dit is een deelwoord van het werkwoord dat wordt vertaald met achtervolgen, najagen. “Wederpartijders”: zoals in vers 139, de veroorzakers van mijn nood. Een mens kan zich pas een flauw beeld vormen van de angst van de profeet als hij wordt opgejaagd en achtervolgd door vele vijanden. Die hebben op dat moment de macht, zijn bovendien woest en in zekere mate gewetenloos. Zo ondervond hij wat dit vers noemt. Toch brachten ze hem niet van zijn standvastigheid en rechtschapenheid af. — William S. Plumer.
Wenken voor predikers
Vers 157
- Een woord voor een menigte: “vele.”
- Een neiging die we kunnen vrezen: de neiging om af te wijken.
- Een troostwoord: “maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.”
Uitleg
Vers 158
“Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen.” Ik zag de verraders. Ik doorzag wie ze waren, wat ze wilden, welke weg ze gingen en hoe het met hen zou aflopen. Ik kon er niet omheen om hen te zien, want ze drongen zich op in mijn weg. Omdat ik hen toch moest zien, hield ik hen scherp in de gaten om van hen te leren wat ik kon.
“En het verdroot mij.” Het deed me pijn zulke zondaars te zien. Ik had er genoeg van en voelde afkeer van hen. Ik kon hen niet verdragen. Ik vond niets prettigs aan hen. Ze waren een trieste aanblik voor mij, hoe mooi hun kleren ook waren en hoe geestig hun gebabbel. Zelfs als ze op hun vrolijkst waren, werd mijn hart zwaar als ik hen zag. Ik kon hen en hun daden niet verdragen.
“Dat zij Uw woord niet onderhielden.” Mijn verdriet kwam meer door hun zonde tegen God dan door hun vijandschap tegen mij. Ik kon het aan dat ze slecht omgingen met mijn woorden, maar niet dat ze Uw woord verwaarloosden. Uw woord is mij zo dierbaar dat ik verontwaardigd word over wie het niet wil houden. Ik kan niet omgaan met mensen die Gods woord niet houden. Dat ze niet van mij houden, is een kleinigheid. Maar de leer van de Heere verachten is verfoeilijk.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 158
“Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij.” Celerinus vertelt in de brieven van Cyprianus aan een vriend hoe diep hij treurde over de afval van een vrouw uit angst voor vervolging. Dat raakte hem zo sterk dat hij op het Paasfeest (de koningin van de feesten in de oude kerk) dag en nacht huilde. Hij nam zich voor om geen enkel moment van vreugde meer te kennen, tot ze door Gods barmhartigheid zou zijn teruggewonnen. — Charles Bridges.
Vers 158
“Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij.” O, als je het hart van een christen of in elk geval van een mens in je hebt, laat het dan uitgaan naar je arme, onwetende, goddeloze buren. Helaas, er is maar één stap tussen hen en de dood en de hel. Honderden ziekten staan klaar om hen te grijpen. En sterven ze onwedergeboren, dan zijn ze voor altijd verloren. Heb je dan een hart van steen, dat met mensen in zo’n toestand geen medelijden kan hebben? Geloof je het woord van God en het gevaar van zondaars niet?
Waarom ben je dan zelf christen? En geloof je het wel? Waarom zet je je dan niet in om anderen te helpen? Kan het je niet schelen wie verdoemd wordt, als jij maar gered bent? Dan heb je alle reden om medelijden met jezelf te hebben, want zo’n houding van de geest laat zich helemaal niet verenigen met genade. Zou je niet liever moeten zeggen wat de melaatsen van Samaria zeiden: “Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil” (2 Kon. 7:9)? Heeft God zoveel barmhartigheid aan jou bewezen, en wil jij dan geen barmhartigheid hebben voor je arme buren?
Je hoeft niet ver te gaan om mensen te vinden die je medelijden verdienen. Kijk maar in je straat of in het huis naast je. Waarschijnlijk vind je er wel iemand. Heb je geen onwetende, onwedergeboren buurman, die zijn hart zet op de dingen van beneden en de eeuwigheid negeert? Wat een gezegende plek moet dat zijn waar je woont, als zo iemand er niet is! Zit er niemand van hen in je eigen gezin? Dan is dat goed. En toch zwijg je? Woon je vlak bij hen, kom je hen tegen op straat, werk je met hen samen, reis je met hen mee of zit je met hen te praten?
En zeg je hun dan niets over hun ziel of over het leven dat komt? Stond hun huis in brand, dan zou je rennen om te helpen. Wil je hen dan niet helpen als hun ziel bijna in het vuur van de hel staat? Kende je maar een geneesmiddel voor hun ziekten, dan zou je het hun vertellen. Anders zou je jezelf schuldig achten aan hun dood. — Richard Baxter (1615-1691), in “The Saints’ Everlasting Rest.”
Vers 158
“Het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.” Toen het evangelie begon, had ik nooit gedacht dat de wereld zó slecht was als ik nu zie dat ze is. Ik hoopte eerder dat iedereen van blijdschap zou opspringen, nu hij bevrijd was van de viezigheid van de paus en van zijn jammerlijke kwelling van arme, onrustige gewetens. Ik hoopte dat ze door Christus, door het geloof, de hemelse schat zouden krijgen waar ze eerder met zoveel kosten en moeite naar zochten, maar tevergeefs. Vooral dacht ik dat de bisschoppen en de universiteiten de ware leer met blij hart zouden ontvangen. Maar ik heb me jammerlijk vergist. Ook Mozes en Jeremia klaagden dat ze zich vergist hadden. — Maarten Luther.
Vers 158
“Het verdroot mij.” Het Hebreeuwse woord dat hier met “verdroot” is vertaald, is afgeleid van “qut”. Dat betekent: afschuw voelen, walgen, strijd voeren. Ik zag de overtreders, en ik had een hekel aan hen. Ik zag de overtreders, en ik verafschuwde hen. Ik zag de overtreders, en ik streed tegen hen. Niet vooral omdat zij mijn vijanden waren, maar omdat zij de Uwe waren. — Thomas Brooks.
Vers 158
Op de dag dat ik kolonel Gardiner in Leicester voor het eerst ontmoette, gaf ik toevallig een lezing over Ps. 119:158: “Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.” Ik beschreef uitgebreid hoe verontwaardiging en verdriet zich daarin vermengen. Het oorspronkelijke woord drukt dat sterk uit: zo kijkt een goed mens naar mensen die de goddelijke wet steeds weer overtreden. Ook zocht ik de oorzaken van dat verdriet. Het komt voort uit eerbied voor Gods eer en voor wat de Verlosser betekent. Het komt ook voort uit medelevende bezorgdheid over de ellende die zulke overtreders zichzelf bezorgen en over het kwaad dat ze in hun omgeving aanrichten. Ik had er weinig idee van hoe precies ik bij elk van die punten het karakter van kolonel Gardiner tekende. Vaak heb ik daar later aan gedacht als aan een gelukkige schikking van de voorzienigheid. Veel sneller dan ik had verwacht, kwam ik zo bij het hart van een van de beminnelijkste en nuttigste vrienden die ik ooit op aarde zal vinden. Daarna zongen we een lied dat enkele hoofdgedachten uit de preek herhaalde. Dat trof hem zo sterk dat hij, toen hij er een afschrift van kreeg, het uit zijn hoofd leerde. Hij zei het vaak op met zo’n krachtige klemtoon dat je hoorde hoeveel elke regel van zijn eigen ziel uitdrukte. Daarom vergeeft de lezer mij vast dat ik het hier opneem. Dat geldt temeer omdat ik niet weet wanneer ik tijd krijg om een bundel van zulke ernstige, maar eenvoudige gedichten uit te geven. Een paar jaar geleden stuurde ik hem die in handschrift, en sindsdien heb ik er veel aan toegevoegd:
Rijs op, mijn teerste denken, rijs omhoog;
smelt weg in stromen, mijn betraande oog;
en jij, mijn hart, voel met diepe smart
het kwaad dat jij niet kunt genezen.
Zie hoe de mensheid in schande is gezonken,
zie hoe smaad wordt uitgestort op Jezus’ Naam;
in de Zoon wordt ook de Vader gewond,
de wereld misbruikt, en zielen gaan verloren.
Zie hoe het korte pad van ijdel genot
eindigt in een eeuwigdurende nacht,
in vlammen die nooit minder worden,
al vloeien bittere tranen zonder eind.
Mijn God, dit droeve beeld grijpt mij aan,
mijn hart gaat uit naar mensen die verloren gaan;
hoe graag zou mijn medelijden hen redden,
als vuurbranden uit de brand gerukt!
Maar zwak blijkt mijn erbarmen te zijn:
het kan slechts wenen waar het ’t meest bemint.
Strek dan Uw eigen arm uit, die alles redden kan,
en keer deze tranen van verdriet in vreugde.
— Philip Doddridge, in “The Life of Colonel Gardiner.”
Wenken voor predikers
Vers 158
“Een pijnlijke aanblik.
- Overtreders buiten Gods grenzen.
- Grenzen die zo vriendelijk zijn getrokken: “Uw woord.”
- Overtredingen die zo roekeloos ondankbaar zijn, zo vreselijk gevaarlijk, zo fataal.
Vers 158
“Verdriet over zondaars.
- Een aanblik die we niet kunnen ontlopen.
- Een verdriet dat we niet mogen ontlopen. (Zie Lot: 2 Petr. 2:7-8. Mozes: Deut. 9:18,19. Samuël: 1 Sam. 15:11. Jeremia: Jer. 9:1. Paulus: Filipp. 3:18. Christus: Luk. 19:41.)
- Een reden die we zeker zullen onderschrijven.
Vers 158
“Een rechtvaardig mens kan niet anders dan bedroefd zijn over de zonden van de goddelozen. Hij ziet in hen:
- Dat de goddelijke wet die hij liefheeft wordt geschonden.
- Ondankbare opstand tegen de God Die hij aanbidt.
- Minachting voor het evangelie van het heil en het bloed van Christus.
- De heerschappij van Satan, de vijand van zijn God.
- De ontluistering van zielen die heilige tempels hadden kunnen zijn.
- Profetische tekenen van een verschrikkelijke, eeuwige vergelding.
— J.F.
Uitleg
Vers 159
“Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE!” Voor de tweede keer vraagt hij om aandacht. Eerder zei hij: “Zie mijn ellende aan” (vers 153). Nu zegt hij als het ware: zie mijn liefde aan. Hij had Gods bevelen lief. Hij had ze onuitsprekelijk lief, zo lief dat het hem verdriet deed als anderen ze niet liefhadden. Dit is een betrouwbare toets. Velen koesteren een warm gevoel voor de beloften, maar de bevelen kunnen ze niet uitstaan. De psalmist hield zo van alles wat goed en voortreffelijk was, dat hij alles liefhad wat God had geboden.
De bevelen zijn allemaal wijs en heilig. Daarom was de man van God er dol op. Hij vond het heerlijk om ze te kennen, erover na te denken, ze voor zich op te eisen en vooral ze in praktijk te brengen. Hij vroeg de Heere om dit te onthouden en te overwegen. Hij deed dat niet op grond van verdienste, maar om een antwoord te hebben op de lasterlijke beschuldigingen die op dat moment de scherpste angel van zijn verdriet vormden.
“Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Hier komt hij terug op zijn eerdere gebed: “Maak mij levend” (vers 154), “maak mij levend” (vers 156), “maak mij levend.” Voor de derde keer bidt hij hetzelfde, met dezelfde woorden. Je kunt je voorstellen dat David zich voelde als iemand die half bewusteloos is geslagen door de aanvallen van zijn vijanden. Onder hun eindeloze boosaardigheid dreigde hij flauw te vallen. Hij had herleving nodig, herstel en vernieuwing. Daarom pleitte hij om méér leven. O U, Die mij levend maakte toen ik dood was, maak mij opnieuw levend, zodat ik niet terugzak bij de doden! Maak mij levend, zodat ik de klappen van mijn vijanden overleef, en de zwakte van mijn geloof, en de duizeling van mijn verdriet!
Nu zegt hij niet: “Maak mij levend naar Uw rechten.” Nu zegt hij: “Maak mij levend naar Uw goedertierenheid.” Dit is het zwaarste geschut dat hij als laatste de strijd in sleept. Het is zijn allerlaatste argument. Als dit niet werkt, kan hij niets meer doen. Al een hele tijd klopt hij aan de poort van de barmhartigheid, en met deze reden slaat hij het hardst. Toen hij in een zware zonde was gevallen, riep hij dit: “Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid” (Ps. 51:3). Nu zit hij in zware nood, en hij pakt dezelfde krachtige redenering weer op.
God is liefde, dus geeft Hij ons leven. Hij is goedertieren, dus steekt Hij de hemelse vlam in ons opnieuw aan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 159
“Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE!” Onderzoek mij. Kijk naar het bewijs dat ik gehecht ben aan Uw wet. Zo spreekt iemand die vrijmoedig durft te vragen, omdat hij weet dat hij echt aan God verbonden is en Zijn wet werkelijk liefheeft. Het lijkt op wat Petrus tegen de Zaligmaker zei (Joh. 21:17): “Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb.” Wie God echt liefheeft, mag dit zeggen zonder dat het ongepast klinkt. Hij mag er zo zeker van zijn dat hij Gods karakter oprecht liefheeft, dat hij Hem er plechtig op aanspreekt.
Zo kun je ook je vriend, je vrouw, je zoon of je dochter aanspreken, in het volste vertrouwen dat je van hen houdt. Zoveel liefde hoort een mens voor hen te hebben, dat hij het zonder aarzeling kan zeggen. En zoveel liefde hoort een mens ook voor God te hebben, dat hij het met hetzelfde vertrouwen en met dezelfde eerlijkheid kan zeggen. — Albert Barnes.
Vers 159
“Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb.” Hij zegt niet: zie hoe ik Uw bevelen uitvoer. Hij zegt: zie hoe ik ze liefheb. De troost van een strijdende christen in dit lichaam van zonde ligt eerder in de oprechtheid en gloed van zijn genegenheid dan in de absolute volmaaktheid van zijn daden. Vaak schiet hij tekort in zijn gehoorzaamheid aan Gods bevelen, als het om zijn daden gaat. Maar de liefde in zijn hart blijft. Voordat hij tot zonde verleid wordt en ook daarna voelt zijn ziel verdriet, omdat hij in zichzelf een verdorven wil of begeerte vindt die ingaat tegen de heilige wil van de Heere, zijn God.
Dat bewijst dat zijn liefde voor Gods bevelen onoverwinnelijk is. — William Cowper.
Vers 159
“Zie aan” enzovoort. Vertaal (het Hebreeuws is hetzelfde als in vers 158): “Zie, hoe lief ik Uw bevelen heb”, zoals blijkt doordat het mij verdroot toen ik “gezien” had “degenen, die trouwelooslijk handelen”. Hij smeekt God dit te zien, niet als iets wat genade verdient, maar als een kenmerkend teken van een godvrezend mens. — A. R. Fausset.
Vers 159
“Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend.” De liefde waarmee David God liefhad, kwam voort uit de liefde waarmee God hem eerst had liefgehad. Hij zag hoe groot Gods liefde voor hem was. Daardoor werd hij ertoe bewogen en gebracht om God ook weer lief te hebben. Wat hij bedoelt, is ongeveer dit: U ziet, Heere, dat ik een vijand van de zonde ben, ook in mijzelf, want ik heb Uw wet niet vergeten. U ziet dat ik een vijand van de zonde ben in anderen, want het doet mij verdriet als ik zie dat zij Uw wet overtreden.
Daarom, o Heere, “maak mij levend”. Laat Uw liefdevolle barmhartigheid mij vernieuwen, doen herleven, levend maken en herstellen. Daarmee hebt U mij geschapen en in Christus verlost. Daarmee hebt U mij uit zoveel nood gered en mij overladen met zoveel voortdurende weldaden. — Richard Greenham.
Vers 159
“Maak mij levend.” De psalmist herhaalde zijn gebed om levend makende genade zo vaak. Toch was dat geen “ijdele herhaling”* of een leeg geluid. Elke keer werd het bezield door rijk geloof, door het sterke besef van zijn nood en door het vuur van zijn gloeiende liefde. We voelen hoe zwak onze kracht is en hoe koel onze liefde. Als dat ons ertoe brengt om deze bede honderd keer per dag in deze geest uit te spreken, dan blijft ze nooit onverhoord. — Charles Bridges.
*Negenmaal wordt deze bede met aandrang uitgesproken: vers 25, 37, 40, 88, 107, 149, 154, 156 en 159.
Vers 159
“Naar Uw goedertierenheid.” We hoeven niet méér levend gemaakt te willen worden dan Gods goedertierenheid ons levend zal maken. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Vers 159
- Zijn eigen liefde beleden.
- Gods liefde ingeroepen.
- Nieuw leven afgesmeekt.
Vers 159
- Om aandacht gevraagd: “Zie aan.”
- Een belijdenis afgelegd: “dat ik Uw bevelen lief heb.”
- Een bede aangeboden: “maak mij levend” enzovoort.
- Een reden aangedragen: “naar” enzovoort.
— G.R.
Vers 159
“Mijn liefde en Uw goedertierenheid. De liefde van de heilige.
- Beleden: “Gij weet alle dingen” enzovoort.
- Voorgelegd. In nederig aandringen op haar oprechtheid. In het besef dat ze tekortschiet. In een gebed aan God om haar niet te negeren.
- Uit het oog verloren in de plotselinge heerlijkheid van Gods goedertierenheid. Waar is mijn liefde nu?
- Teruggevonden en nederig gebracht om levend gemaakt te worden. Heere, ik zeg er niets meer over: “Maak mij levend.” — W.B.H.
Vers 159
“Maak mij levend omwille van de liefde.
- Een gebed om een levend gemaakt leven.
- Gewekt door liefde voor Gods regel voor het leven.
- Kracht bijgezet door de verwijzing naar die liefde.
- Gericht aan de God van de liefde.
— C.A.D.
Vers 159
“Zie aan:
- De heilige ontevredenheid van de gelovige: “Maak mij levend” enzovoort.
(a) Een gebed dat in de psalm vaak terugkomt en altijd met grote ernst wordt gebeden.
(b) Dat hij zo aandringt, bewijst dat hij geestelijk leeft. Alleen wie leeft, verlangt immers naar levend gemaakt worden.
(c) Wie het ernstigst is, voelt de zonde in zichzelf het scherpst en waardeert volledige heiliging het meest.
(d) Zo is dit misschien de enige ontevredenheid die volkomen zuiver van aard is.
- De geruststellende eigenschap van God waarop hij zich kan beroepen: “Naar Uw goedertierenheid.”
(a) Een eigenschap die niet alleen in het woord bekend is gemaakt, maar die we ook zelf zien in onze ervaring van haar zachte omgang.
(b) Een eigenschap die zonde bedekt en meeleeft met onze zwakheden.
(c) Een eigenschap die geraakt moet worden door de roep om levend makende genade.
- Wat hij voor God moet kunnen brengen: “Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb.”
(a) Omdat hij uit het woord Gods goedertierenheid leerde kennen en daardoor leven ontving.
(b) Zonder het woord kan het gebed niet echt zijn.
(c) Het is een goede reden om meer genade te verwachten, want “een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden” enzovoort (Matth. 25:29).
— J.F.
Uitleg
Vers 160
Met dit vers rondt de lieflijke zanger dit deel op dezelfde manier af als het vorige: hij blijft stilstaan bij de zekerheid dat Gods waarheid betrouwbaar is. Het loont voor de lezer om de verwantschap op te merken tussen Ps. 119:144, Ps. 119:152 en dit vers.
“Het begin Uws woords is waarheid.” Zeggen de overtreders wat ze willen? God blijft waarachtig en Zijn woord is waarheid. De goddelozen liegen, maar Gods woord is waar. Zij beschuldigen ons van leugen. Onze troost is dat het waarachtige woord van God ons zal vrijspreken.
“Het begin” (Engels: “van het begin”). Gods woord was waar op het eerste moment dat het klonk. Het bleef waar door heel de geschiedenis heen. Voor ons werd het waar op het moment dat we het geloofden. En het was al waar voor ons, vóórdat wij er zelf trouw aan waren. Sommigen lezen het zo: “Uw woord is waar vanaf het hoofd”. Dan is het waar als geheel, van boven tot onder. David had deze les door ervaring geleerd, en onze eigen ervaring leert ons hetzelfde. De Schrift is in Genesis net zo waar als in Openbaring. De vijf boeken van Mozes zijn net zo geïnspireerd als de vier evangeliën.
“En in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.” Wat U hebt vastgesteld, blijft in elk geval onherroepelijk. Tegen de uitspraken van de Heere kun je geen beroep aantekenen. Ook zal er nooit een van de daden van Zijn heerschappij worden ingetrokken. Er zit geen enkele fout in Gods woord of in Gods handelen met de wereld. In het boek van de openbaring niet en in het boek van de voorzienigheid niet: nergens is een foutenlijst nodig. De Heere heeft niets te betreuren en niets terug te nemen. Er valt niets bij te stellen of ongedaan te maken.
Alle oordelen, besluiten, geboden en plannen van God zijn rechtvaardig. Rechtvaardige dingen blijven bestaan. Elk daarvan zal daarom de sterren overleven. “Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.” Gods gerechtigheid duurt voor eeuwig. Dat is een bemoedigende gedachte, maar er is een veel zoetere. Van oudsher zongen de priesters in de tempel: “Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.” Laat dat ook ons lied zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 160
“Het begin Uws woords is waarheid.” Letterlijk staat er: “Het begin van Uw woord is waarheid.” Het begin staat hier tegenover het “voor eeuwig bestaan” in de toekomst, in het volgende zinsdeel. Cocceius en Hengstenberg lezen het anders: “De som van Uw woord is waar”, zoals in Num. 26:2 en 31:26. Maar dan raakt de hierboven genoemde tegenstelling in de Engelse vertaling zoek. Ook de oude vertalingen steunen de Engelse. Bovendien zou na “de som” een meervoud moeten komen: “van Uw woorden”, en niet “woord.” — A. R. Fausset.
Vers 160
“Het begin Uws woords is waarheid” enzovoort. David lijkt te zeggen: ik geloof dat U mij zo levend zult maken, want het allereerste begin van Uw woord is volkomen rechtvaardig en waar. Toen U voor het eerst een verbond met mij sloot, ondervond ik dat U mij niet bedroog of misleidde. U liet mij door Uw Geest Uw verbond geloven, en U meende het echt. Ik weet dat U doet wat U beloofd hebt. U belooft niet milder dan U trouw en rechtvaardig bent in het uitvoeren. Uw oordeel zal zo rechtvaardig zijn als Uw belofte waar is. Zodra U spreekt, gaat er waarheid van U uit, dat weet ik. Ik weet dus ook dat U mij zult verdedigen en bewaren, zodat Uw oordelen in U als rechtvaardig mogen schitteren. — Richard Greenham.
Vers 160
“Het begin Uws woords is waarheid” enzovoort. Gods gebod en belofte zijn buitengewoon ruim en reiken tot in alle tijden. Was een woord van gebod de leidsman van je jeugd? Dan verzeker ik je: het zal een even goede stok zijn voor je ouderdom. Een goede belofte is een goede voedster, zowel voor het jonge kind als voor de uitgeputte grijsaard. De beste hartversterkers van je apothekers verliezen na verloop van tijd hun kracht, soms zelfs sneller naarmate ze sterker zijn. Maar heeft een belofte je twintig, dertig of veertig jaar geleden bemoedigd? Proef haar nu opnieuw, en je zult haar net zo vers vinden en vol kracht als altijd.
Was ze je grootste vreugde in je vrolijke jeugd? Dan, zeg ik je, bevat ze evenveel vreugde voor je droeve oude dag. Wat de profeet over God Zelf zegt (Jes. 46:4), kan ook van Gods woord worden gezegd: “En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen.” Zegt de psalmist hier niet hetzelfde: “Het begin Uws woords is waarheid”? Dat is mooi: het begint goed. Maar houdt het ook zo goed vol? Ja, want hij voegt eraan toe: “en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.” Daarbij past de andere uitdrukking in vers 152: “Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.” “In der eeuwigheid” en “in eeuwigheid gegrond.” O, wat een zoete uitdrukking!
O, wat een gegronde troost! Broeders, maak zo snel mogelijk kennis met Gods woord en belofte, en houd die kennismaking eeuwig vast. Dan zal je kennis ervan nooit vooruitlopen op haar waarheid, of verder gaan dan die. Ken haar zo vroeg en zo lang als je wilt of kunt, en je zult haar nooit zien struikelen of tekortschieten. Na een lange ervaring met God kun je ervan zeggen: “Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.” — Anthony Tuckney, 1599-1670.
Wenken voor predikers
Vers 160
- Vroeg: “het begin Uws woords is waarheid.”
- Laat: “in der eeuwigheid.” Of: Waarheid en onveranderlijkheid zijn de Jachin en Boaz van de gelovige.
Uitleg
Vers 161
“De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak.” Zulke mensen hadden beter moeten weten. Ze hadden mee moeten voelen met iemand van hun eigen rang. Van gelijken verwacht je een eerlijk proces. Het is laag om bevooroordeeld te zijn. Als de eer uit alle andere harten is verdwenen, hoort ze bovendien nog te wonen in de borst van koningen. En de eer verbiedt het om onschuldigen te vervolgen. Vorsten zijn aangesteld om onschuldigen te beschermen en onderdrukten te wreken. Het is een schande als zijzelf de rechtvaardigen gaan aanvallen. Het was een treurige situatie dat de man van God werd aangevallen door de rechters van de aarde.
Hun hoge positie gaf hun vijandschap gewicht en gif. Gelukkig kon David naar waarheid zeggen dat deze vervolging zonder oorzaak was. Hij had hun wetten niet overtreden en hun geen kwaad gedaan. Hij had zelfs nooit gewild dat hun iets overkwam. Hij had nooit opgeroepen tot opstand of anarchie. Hij had hun macht niet openlijk of in het geheim tegengewerkt. Dat maakte hun onderdrukking des te minder te verontschuldigen. Het nam ook een deel van de angel weg en hielp de dappere dienaar van God overeind te blijven.
“Maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.” Ontzag voor de vorsten had hem kunnen overweldigen. Maar een grotere vrees verdreef de kleinere, en Gods woord ontzag hij meer. Wat doen kronen en scepters er weinig toe in de ogen van iemand die in de geboden van zijn God een veel majestueuzer koningschap ziet! Vervolging maakt ons waarschijnlijk niet moedeloos en drijft ons niet tot zonde, zolang Gods woord voortdurend de hoogste macht over onze gedachten heeft.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 161
“De vorsten hebben mij vervolgd.” Het kwaad wordt nog zwaarder en bitterder als we bedenken dat juist de mensen die als schilden hadden moeten dienen om ons te beschermen, hun kracht gebruiken om ons te schaden. Ja, als bedrukte mensen worden geslagen door wie hoog gezeten zijn, denken ze als het ware dat Gods hand tegen hen is. Bij de profeet kwam nog iets bijzonders bij: hij moest het opnemen tegen de groten van het uitverkoren volk. God had deze mannen op zulke eervolle plaatsen gezet om steunpilaren van de gemeente te zijn. — Johannes Calvijn.
Vers 161
“Zonder oorzaak.” Voor mij staat het vast: hoe ijveriger en trouwer ik Christus dien, hoe meer smaad en onrecht ik mag verwachten. De laatste tijd heb ik diep gedronken uit de beker van laster en smaad. Toch ben ik daardoor allerminst ontmoedigd. Ook niet door iets wat nog veel zwaarder is om te dragen: dat mijn pogingen om deze slechte wereld te verbeteren zo weinig succes hebben. — Philip Doddridge.
Vers 161
“Zonder oorzaak.” We weten maar al te goed hoeveel vervolging het lichaam van Christus, de heilige Kerk, heeft moeten verduren van de koningen van de aarde. Laten we daarom ook hier de woorden van de Kerk herkennen: “De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak.” Wat voor kwaad hadden de christenen de koninkrijken van de aarde dan gedaan? Hun Koning beloofde hun het koninkrijk van de hemel. Maar ik vraag je: wat had dat te maken met de koninkrijken van de aarde? Verbood hun Koning Zijn soldaten om soldij te betalen aan de koningen van de aarde of hun de verschuldigde dienst te bewijzen?
Zegt Hij niet tegen de Joden die Hem probeerden te beschuldigen: “Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is” (Matth. 22:21)? Betaalde Hij zelfs niet persoonlijk belasting, met geld uit de bek van een vis? Soldaten van dit koninkrijk vroegen Zijn voorloper wat ze moesten doen voor hun eeuwig heil. Hij antwoordde niet: “Doe je riem af, gooi je wapens weg, verlaat je koning en vecht voor de Heere.” Hij zei: “Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen” (Luk. 3:14).
Zei niet een van Zijn soldaten, Zijn dierbaarste strijdmakker, tegen zijn medesoldaten, de provincialen van Christus om het zo te zeggen: “Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen”? En iets verderop voegt hij toe: “Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, die gij de eer schuldig zijt. Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben” (Rom. 13:1, 7-8). Draagt hij de Kerk niet op om zelfs voor koningen te bidden? Waarin hebben de christenen hen dan beledigd?
Welke verschuldigde dienst hebben ze niet bewezen? Waarin zijn christenen de heersers van de aarde ongehoorzaam geweest? De koningen van de aarde hebben de christenen dus zonder enige oorzaak vervolgd. — Augustinus.
Vers 161
“Maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.” Blijft er in je hart nog een huivering van angst over voor de toorn van bloeddorstige mensen die je bedreigen omdat je de waarheid belijdt? Zet dan naast een hart dat gloeit van liefde voor de waarheid een hart vol angst voor de toorn die God in voorraad heeft voor iedereen die de waarheid verlaat. Brand je per ongeluk je vinger? Dan houd je hem bij het vuur, want een groter vuur trekt het andere eruit. Zo moet je het ook doen als je gedachten zijn verschroeid en je hart is geschrokken van het vuur van mensenwoede.
Houd ze een tijdje bij het hellevuur, dat God heeft klaargemaakt voor “den vreesachtigen” (Openb. 21:8) en voor iedereen die wegloopt van de vlag van de waarheid (Hebr. 10:39). Dan verlies je het gevoel van het ene vuur uit angst voor het andere. “Ignosce, imperator, tu carcerem, Deus gehennam minatur”, zegt de heilige man: vergeef mij, keizer, als ik uw bevel niet gehoorzaam. U dreigt met een gevangenis, maar God met een hel. Opmerkelijk is wat David zegt: “De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.” Hij had geen reden om bang te zijn voor mensen die geen reden hadden om hem te vervolgen.
Eén bedreiging uit het woord, die de punt van Gods toorn op zijn hart zet, jaagt hem meer schrik aan dan het ergste wat de machtigsten op aarde hem kunnen aandoen. Mensenwoede is, als ze het heetst is, nog maar een mild klimaat naast de toorn van de levende God. Wie beide heeft gevoeld, getuigt dat ook. Mensenwoede kan niet verhinderen dat Gods liefde bij het schepsel komt. Dat liet de heiligen midden in het vuur zingen, tot grote woede van hun vijanden, die hun tanden op elkaar zetten. Maar een schepsel onder Gods toorn lijkt op iemand die opgesloten zit in een gesloten oven.
Er is geen enkele spleet waardoor hitte kan ontsnappen of verkoeling naar binnen kan komen. — William Gurnall.
Vers 161
“Mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.” Er bestaat een ontzag voor het woord dat ons er niet schuw voor maakt. Het maakt ons voorzichtig, zodat we het niet schenden en niets doen wat ertegen ingaat. Dit komt niet voort uit slaafse angst, maar uit heilige liefde, die het woord met eerbied omringt. Zo’n hart is niet bang voor het woord, maar verheugt zich erin, omdat het ons Gods bedoeling laat zien. In het volgende vers staat dan ook: “Ik ben vrolijk over Uw toezegging.” Dit ontzag heeft een eigen naam: eerbied, of godvruchtige vreze.
We bedenken dan van wie het woord is: het woord van de Heere, Die onze God is en het recht heeft te bevelen wat Hij wil. Aan Zijn wil en woord hebben we ons al onderworpen. We hebben ons toegewijd om Hem waardig te leven en in alles te behagen. Hij kan ons betrappen op al onze tekortkomingen, want Hij verstaat “van verre” onze gedachten (Ps. 139:2). Al onze wegen liggen open voor Hem. Hij is Degene van Wie we lezen: “Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven” (Joz. 24:19).
Dat wil zeggen: als we er zonder berouw in blijven volharden. Denken we hieraan, dan nemen we het woord aan met dat beven van het hart dat God zo hoog acht. — Thomas Manton.
Vers 161
“Gevreesd voor Uw woord.” Mijn raad aan jullie allemaal, die dit boek komen lezen of horen, dat het woord van God is, het kostbaarste juweel en de heiligste relikwie die er nog op aarde is: breng de vreze Gods mee en doe het met alle eerbied die hem toekomt. Gebruik je kennis ervan niet om eigen eer te zoeken of nietige redetwisten te voeren, maar tot eer van God, tot groei in deugd en tot opbouw van jezelf en van anderen. — Thomas Cranmer, 1489-1555.
Vers 161
“Gevreesd voor Uw woord.” Wie beven bij de overtuigingen van het woord, mogen daarna juichen om al de vertroostingen ervan. — Matthew Henry.
Wenken voor predikers
Schetsen bij sleutelwoorden van de psalm, van ds. C. A. Davis. Verzen 161-168. “Wat het woord is voor de gelovige: het voorwerp van ontzag (vers 161), van vreugde (vers 162), van liefde (vers 163) en van lof (vers 164). Het brengt vrede voort (vers 165) en hoop (vers 166). Daarom wordt het bovenmate bemind (vers 167) en trouw onderhouden (vers 168).
Vers 161,162
“Gods woord, het voorwerp van godvruchtige vrees en godvruchtige vreugde.
- Het laat het hart sidderen door zijn reinheid en kracht.
- Het laat het hart juichen door zijn genade en waarheid.
— W.H.J.P.
Vers 161
- Onrecht zonder oorzaak.
- Recht met overvloedige oorzaak.
Vers 161 (tweede zinsdeel)
“Ontzag voor Gods woord: hoe gepast het is, hoe het heiligt en hoe slecht het is als het ontbreekt.
Vers 161
“Door ontzag tegengehouden.
- Vervolging heeft geen oorzaak.
- De verleidingen tot kwaad die daardoor ontstaan: tot wraak en tot afval.
- De bescherming tegen vallen: ontzag voor Gods woord (1 Sam. 24:6; Dan. 3:16-18; Hand. 4:19; 5:29). — C.A.D.
Uitleg
Vers 162
“Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.” Zijn ontzag nam zijn vreugde niet weg. Zijn vrees voor God was niet het soort dat de volmaakte liefde wegjaagt, maar het soort dat zij juist voedt. Hij beefde voor het woord van de Heere en toch was hij er innig blij mee. Hij vergelijkt zijn blijdschap met die van een man die lang heeft gevochten, eindelijk heeft gewonnen en nu de buit gaat verdelen. Meestal is dat de taak van vorsten. David deed niet mee aan hun vervolgingen, maar ook hij kende zijn overwinningen, en zijn buit was even groot als hun grootste winst.
Wat het onderzoeken van de Schriften opleverde, was meer waard dan alle trofeeën uit de oorlog. Ook wij moeten voor de waarheid van God vechten. Elke leerstelling kost ons een gevecht. Maar als we haar na persoonlijke worstelingen volledig begrijpen, wordt ze ons dubbel dierbaar. Tegenwoordig moeten godvrezende mensen volop strijden voor Gods woord. Mogen we als buit een stevigere greep krijgen op dat onschatbare woord. Misschien was de psalmist ook blij als iemand die toevallig een verborgen schat vindt, waarvoor hij niet had gevochten. Dan lijkt hij op de man van God die bij het lezen van de Bijbel prachtige, gezegende ontdekkingen doet over Gods genade, die voor hem klaarligt.
Zulke ontdekkingen verrassen hem, want zo’n prijs had hij niet verwacht. Of we de waarheid nu vinden als vinders of als krijgers die ervoor strijden: de hemelse schat moet ons evenzeer dierbaar zijn. Wat een stille vreugde heeft de ploeger, als hij met zijn gouden vondst naar huis sluipt! Wat een gejuich van overwinnaars bij het verdelen van de buit! Hoe blij moet iemand zijn die zijn eigen deel in de beloften van de heilige Schrift heeft gevonden! Hij kan er zelf van genieten, want hij weet door het getuigenis van de Heilige Geest dat het allemaal van hemzelf is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 162
“Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.” Hij kwam nooit naar een dienst of inzetting van God, tenzij als een soldaat die na een grote slag de buit komt ophalen. Hij lag immers voortdurend in strijd met de verdorvenheid in zichzelf, die tegen zijn ziel streed. Nu komt hij om te horen wat God tegen hem zal zeggen. Hij maakt er zijn winst en voordeel van en haalt buit uit elk gebod, elke belofte en elke bedreiging die hij hoort. — John Cotton (1585-1652), in “The way of life.”
Vers 162
“Ik ben vrolijk over Uw toezegging.” “Euripides”, zegt de redenaar, “heeft in zijn goed opgebouwde tragedies meer gedachten dan woorden.” Ook Thucydides heeft elke lettergreep van zijn geschiedwerk zo vol inhoud gestopt dat beide gelijk oplopen. De werken van Lysias zitten zo mooi in elkaar dat je geen enkel woord kunt weghalen zonder de hele zin mee te nemen. Phocion had een bijzondere gave om veel te zeggen in weinig woorden. De Kretenzen waren in de tijd van Plato (al waren ze in de tijd van Paulus ontaard) meer gewichtig dan woordenrijk. Timanthes was beroemd omdat zijn schilderijen meer lieten bedoelen dan ze uitbeeldden.
En van Homerus zegt men dat niemand hem ooit in dichtkunst kon bijhouden. Hoeveel meer passen zulke hoge lofuitingen bij het boek van God! Dat heet terecht Biblia, het Boek. Het is dat ook echt, zowel door de treffende uitdrukkingen als door de volheid van de waarheid. Het is het enige boek waarbij (zoals Luther zegt) alle boeken van de wereld niet meer zijn dan afvalpapier. Bij uitstek wordt het het Woord genoemd, omdat het de maat en de grens moet zijn van al onze woorden. En het heet de Schrift, omdat het als opperheer boven alle andere woorden of geschriften van mensen staat die in boeken zijn verzameld.
Want aan elk tittel daarvan hangt, zoals de rabbijnen zeggen, een berg van betekenis. Daaruit kun je bloemen en uitdrukkingen plukken om onze toespraken mee op te poetsen. Het zijn zelfs gezonde woorden, met een helende kracht, ver boven alle afgeslepen zinnen van menselijke welsprekendheid. — Thomas Adams.
Vers 162
“Als een, die een groten buit vindt.” Dit sprekende beeld herinnert ons aan de innerlijke strijd die we moeten voeren om de buit van dit kostbare woord te bemachtigen. Het woord staat zo haaks op onze natuurlijke smaak en aard, dat alleen voortdurende zelfverloochening en strijd tegen de tegenzin van ons hart ons in staat stellen de buit te vinden. Maar wat een grote buit wordt er verdeeld als vrucht van die strijd! Hoe rijk en overvloedig is de beloning voor “een goed krijgsknecht van Jezus Christus”, die door de kracht van de Geest vastbesloten is om verdrukkingen te lijden (2 Tim. 2:3), totdat hij de weerstand van zijn hart tegen deze geestelijke plicht heeft overwonnen.
Hij zal vrolijk zijn, “als een, die een groten buit vindt.” Soms kan het onverwacht gebeuren, zoals bij de buit waarmee de melaatsen zich verrijkten in het legerkamp van de Syriërs. Soms zien we de rijkdom en de schatten in een Schriftgedeelte of een leerstelling, lang voordat we ze onze eigen kunnen maken. En vaak gordt men zich aan voor de strijd tegen luiheid en afdwaling, terwijl onze geestelijke waarneming zwak is en het ongeloof sterk. Dan stijgt menig gebed en menige zucht om Gods hulp omhoog, voordat we met de overwinning worden gekroond. Dan kunnen we, als vrucht van onze verovering, het woord met blijdschap toepassen op onze eigen nood en benauwdheid van dit moment. — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 162
- De verborgen schat: “groten buit” die in het woord van God verborgen ligt.
- De gevonden schat: “als een, die … vindt” enzovoort.
(a) Door lezen.
(b) Door overdenking.
(c) Door gebed.
- De schat waarvan we genieten: “ik ben vrolijk” enzovoort.
— G.R.
Vers 162
“Davids vreugde over Gods woord vergelijkt hij met de vreugde van de krijger die een grote buit vindt.
- Soms wordt die grote vreugde gewekt door het feit dát er een woord van God is.
(a) De Schriften openbaren God.
(b) Ze zijn de gids voor ons leven.
(c) Ze zijn een zeker onderpand van barmhartigheid.
(d) Ze zijn het begin van gemeenschap met God.
(e) Ze zijn het werktuig om nuttig te zijn.
- Vaak komt de blijdschap van de gelovige in het woord voort uit de strijd die hij moest voeren om het te pakken te krijgen.
(a) Over sommige leerstukken moesten we vechten voordat we er echt bij konden.
(b) Hetzelfde geldt voor de beloften.
(c) En voor de geboden.
(d) En voor de bedreigingen.
(e) Zelfs voor het woord dat Christus openbaart.
- Soms bestaat de vreugde van de gelovige erin dat hij zonder enige strijd van Gods woord geniet: “die … vindt.”
- Er is vreugde die voortkomt uit het simpele feit dat de heilige Schrift als een buit kan gelden.
(a) Een buit maakt een einde aan de onzekerheid.
(b) Hij verzwakt de tegenstander voor elke aanval in de toekomst.
(c) Hij geeft een gevoel van overwinning.
(d) Bij het verdelen van de buit is er winst, genoegen en eer.
(e) Het buitmaken van de vijand is een voorspelling van rust. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1641: “Great Spoil.”
Uitleg
Vers 163
“Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van.” Dit is een dubbele uitdrukking voor een afschuw die niet in woorden te vatten is. Valsheid in de leer, in het leven of in het spreken, valsheid in welke vorm ook, was voor de psalmist volkomen weerzinwekkend geworden. Voor een oosterling was dit een opmerkelijke staat. Meestal vindt een oosterling liegen heerlijk. Het enige wat hij erin verkeerd vindt, is dat de leugenaar er niet handig genoeg in is, zodat hij wordt betrapt. David zelf was al een heel eind gekomen toen hij hier aankwam.
Hij doelt overigens niet alleen op leugens in een gesprek. Hij bedoelt duidelijk ook een verdraaid geloof en verkeerd onderwijs. Elk verzet tegen de God van de waarheid beschouwde hij als liegen. Daar keerde hij zijn hele ziel tegen, met de grootst mogelijke verontwaardiging. Godvrezende mensen horen valse leer net zo te verafschuwen als een leugen.
“Maar Uw wet heb ik lief”, omdat die louter waarheid is. Zijn liefde was net zo vurig als zijn haat. Mensen die oprecht zijn, houden van de waarheid en haten liegen. Het is goed dat we weten waar onze haat en onze liefde naartoe gaan. We kunnen anderen een wezenlijke dienst bewijzen door te zeggen wat daarvan de doelen zijn. Liefde en haat werken allebei aanstekelijk. Zijn ze geheiligd, dan is het des te beter naarmate hun invloed verder reikt.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 163
“Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van” enzovoort. Hier zien we hoe het licht in Davids ziel steeds meer toenam, tot het vol en helder dag was. Eerder in deze psalm had David, terwijl hij aan zijn eigen zonde dacht, gebeden: “Wend van mij den weg der valsheid” (Ps. 119:29). De Heere had dat gebed echt verhoord, want nu zegt hij dat hij een volkomen afkeer heeft van elke valse weg: “Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van.” En we zien enigszins het middel waardoor de Heilige Geest die verandering bewerkte: “Uw wet heb ik lief.” Ja, zoals hij in een later vers zegt: “ik heb ze zeer lief” (Ps. 119:167).
Zo gaat het altijd. Het hart moet iets heiligers hebben om van te houden, om de leegte te vullen. Anders beschermt niets ons tegen een terugval in de zonde. Ik kan eindeloos praten over de zonde van liegen, over de schande ervan en over het gevaar. Mijn woorden zouden op dat moment en een tijdje wel enige invloed kunnen hebben. Maar is het hart niet vervuld van liefde tot God en tot Gods wet, dan blijkt de eerste verzoeking te sterk. De Bijbel leert ons dit op allerlei manieren, steeds opnieuw. God zegt tegen Israël niet alleen: “Laat af van kwaad te doen”, maar ook: “Leert goed doen” (Jes. 1:16-17).
En nog scherper zegt de apostel dit in zijn strijd tegen dronkenschap: “En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest” (Ef. 5:18). — Barton Bouchier.
Vers 163
“Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van.” “Valsheid” (Engels: “lying”, liegen) betekent volgens het taalgebruik van de Schrift niet alleen spreken tegen wat je denkt. Het betekent ook denken tegen de waarheid van de dingen. Vooral is het: aan anderen de aanbidding en eer geven die alleen de ware God toekomen, en buiten Gods waarheid om denken en handelen. De mannen die die godvruchtige man vervolgden, dachten over aards succes en macht zoals ze niet hadden mogen denken.
Ze oordeelden onjuist over Gods dienaar en dachten goddeloos over God Zelf. De man van God keek dit allemaal recht in het gezicht. Hij zag hoe slecht en laag het was, en hij bleef zeggen: “Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.” Hij kon zich wegdraaien van alle valse en misleidende wegen van mensen, van alle trots en praal rond de hoven, en van de zondige bezigheden van wereldse mensen. Ook kon hij zich afwenden van de opzichtige afgoderij van heidense volken. Dan richtte hij zich van harte op Jehova.
Hij zag Hem in dat wonderlijke ritueel, waarin Gods barmhartigheid zichtbaar werd in plaatsvervangende offers, rituelen en feesten. Hij richtte zich op die heilige wet die was gegeven als regel voor de plicht en de dankbare gehoorzaamheid van mensen. Die had hij lief als openbaringen van Gods genade. — John Stephen.
Vers 163
“Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van”: niet alleen “haten” of alleen “verfoeien”, maar “haten en verfoeien”, om de betekenis te versterken en feller te maken. Waar de vijandschap tegen de zonde niet groot is, kan de zaak worden bijgelegd en afgedaan.
Maar David wil er niets mee te maken hebben. Hij zegt: ik walg ervan, ik verfoei haar en ik haat haar met een dodelijke haat. Een lichte afkeer van een zondige levenswijze is niet genoeg om ons er veilig tegen te houden. — Thomas Manton.
Vers 163
“Zonde” lijkt haar naam te ontlenen aan het Hebreeuwse woord “sana”, haten, het woord dat hier gebruikt wordt. Want zonde moet het meest van alles worden gehaat, als het grootste kwaad, omdat het ons het verst van God verwijdert, het grootste goed. Niemand kan haar haten, tenzij hij Gods wet liefheeft, want alle haat komt voort uit liefde.
Een natuurlijk mens kan boos zijn op zijn zonde, maar haten kan hij haar niet. Ja, hij kan haar verlaten, maar niet verfoeien. Zou hij dat doen, dan verfoeide hij alle zonde en niet alleen één bepaalde zonde. — Abraham Wright.
Vers 163
“Valsheid.” Alle onrechtvaardigheid is afschuwelijk, en elk soort onrecht is een zware misdaad. Maar liegen steekt daar bovenuit: geen misdaad ondermijnt de samenleving en het menselijk leven zo sterk. God verafschuwt dit daarom het diepst, en mensen hebben alle reden om het ook te verfoeien. De lasteraar is hier het zwaarst schuldig aan. “Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in”, zegt de wijze (Spr. 19:28). Eerlijk beschouwd pleegt hij elke vorm van onrecht. Hij overtreedt de hele tweede tafel van de geboden, die over onze naaste gaat.
Heel duidelijk getuigt hij vals tegen zijn naaste. Ook begeert hij het bezit van zijn naaste. De lasteraar vertelt zijn verhaal namelijk steeds uit zo’n ongeordend verlangen: voor zijn vermeende eigen voordeel wil hij zijn naaste iets goeds afpakken en dat zelf hebben. Bovendien steelt en rooft hij de goede naam van zijn naaste. Hij schendt en bezoedelt diens reputatie en vermoordt zijn eer als een sluipmoordenaar. Zo overtreedt hij alle regels van de gerechtigheid en doet hij zijn naaste elk soort onrecht aan. — Isaac Barrow.
Wenken voor predikers
Vers 163
“Tegengestelde polen van het christelijk karakter.
- Waarom ik liegen haat: het komt van de duivel (Joh. 8:44; Hand. 5:3). Het voert naar de duivel toe (Openb. 21:8; Openb. 22:15). Het is laag, gevaarlijk en vernederend (Spr. 19:5; 1 Tim. 4:2; 2 Tim. 3:13). En de Heere haat het (Spr. 6:16-17; Spr. 12:22).
- Waarom ik de wet liefheb: ze komt van God, ze toont Zijn karakter en ze is het voorbeeld waar ik naar wil leven.
- Hoe ik zover ben gekomen dat ik haat en liefheb: door Gods genade (vers 29).
— G.A.D.
Vers 163
- Tegengestelde dingen.
- Tegengestelde gevoelens.
Uitleg
Vers 164
“Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.” Hij wilde zijn volmaakte God volmaakt prijzen. Daarom bracht hij het volmaakte aantal lofzangen voort. Zeven kan ook gewoon betekenen: heel vaak. Steeds opnieuw bracht hij zijn hart dankend naar God. Dan dankte hij voor Gods goddelijke leiding in Zijn Woord en voor Zijn goddelijk handelen in de voorzienigheid. Zijn stem zong van de rechtvaardigheid van de Rechter van de hele aarde. Zo vaak hij aan Gods wegen dacht, sprong er een lied op zijn lippen. Zag hij de onderdrukkende vorsten of hoorde hij de leugens die zich om hem heen opstapelden?
Dan voelde hij zich nóg sterker gedrongen om God te aanbidden en groot te maken, want in alles is Hij waarheid en gerechtigheid. Ontnemen anderen ons de lof die ons toekomt? Laat dat dan een waarschuwing zijn: wij mogen onze God, Die zoveel meer eer verdient, niet net zo behandelen. Loven we God terwijl we vervolgd worden? Dan klinkt ons lied Hem des te mooier, juist omdat we in het lijden standvastig blijven. Houden we ons verre van elke leugen? Dan is ons lied Hem aangenamer, want het komt uit zuivere lippen. Vleien we nooit mensen?
Dan zijn we beter in staat om de Heere te eren. Prijzen wij God zeven keer per dag? Of prijzen we Hem misschien maar één keer in de zeven dagen?
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 164
“Ik loof U zeven maal des daags.” Wat er in de ziel leeft, blijft niet lang verborgen. Is het sterk, dan breekt het door in daden. De liefde tot God lijkt op een vuur in het hart van de mens. Dat vuur laat zich zien in gehoorzaamheid aan Zijn geboden en in lof voor Zijn weldaden. Dat is precies wat David hier betuigt. Zijn liefde tot God lag niet werkeloos in zijn hart. Zij maakte hem vurig en ijverig in de lofprijzing, zodat hij God “zeven maal des daags” loofde. Dit getal drukt namelijk uit hoe nauwgezet zijn toewijding was en hoe hevig zijn liefde brandde. Basilius zegt: in het prijzen van God kon hij nooit genoeg krijgen. — William Cowper.
Vers 164
“Ik loof U zeven maal des daags.” Sibbes zegt: “Elke genade groeit door haar eigen gebruik, en zo is het ook met de genade van het gebed. Door te bidden leren wij bidden.” Zo ging het ook de psalmist. Vaak was hij er al voor het ochtendgloren om te bidden, en midden in de nacht stond hij herhaaldelijk op om zijn ziel voor God uit te storten. Nu zegt hij dat hij “zeven maal des daags” prijst. Wij zouden zeggen: “bij elke stap en bij elke wending” vindt hij een gelegenheid om te loven, en hij vindt er vreugde in. O, had ik toch de geest van David en zijn manier van leven! — Barton Bouchier.
Vers 164
“Ik loof U zeven maal des daags.” Een christen hoort zich buitengewoon toe te leggen op dit dagelijkse werk, en dan zonder grenzen. — Walter Marshall.
Vers 164
“Ik loof U zeven maal des daags.” David bedoelt niet dat hij elke dag zeven vaste uren voor deze plicht had. Zo willen de pausgezinden het wel zien, om hun zeven kerkelijke gebedsuren te rechtvaardigen. Nee, hier staat een bepaald getal voor een onbepaald getal. Het komt dus hierop neer: hij loofde God op één dag heel vaak. Zijn heilige hart greep elke gebeurtenis in Gods leiding aan om hem naar de hemel te brengen, met als opdracht gebed en lofprijzing. — William Gurnall.
Vers 164
“Zeven maal des daags.” Sommige Joodse rabbijnen houden vol dat David dit hier letterlijk zegt. Volgens hen waren de vrome Hebreeën gewend om God ’s morgens tweemaal te prijzen vóór het lezen van de tien geboden en eenmaal erna. ’s Avonds deden ze dat tweemaal vóór het lezen van datzelfde stuk uit het geïnspireerde Woord en tweemaal erna. Dat telt op tot zeven keer per dag. — James Anderson, in zijn aantekening bij Calvijn op deze plaats.
Wenken voor predikers
Vers 164
Lof die wordt gebracht: vaak, op vaste tijden, van harte en met inzicht.
Lof zonder einde.
- Ware lof is altijd op zijn plaats.
- Ware lof is altijd welkom.
- Ware lof wordt nooit moe. — C.A.D.
Vers 164
- Sommigen loven U nooit. Maar ik loof U “zeven maal des daags” enzovoort, want dat doe ik graag. “De rechten Uwer gerechtigheid” jagen hén schrik aan, maar mij vervullen ze met vreugde.
- Sommigen loven U zwak en koel. Maar “zeven maal” enzovoort. Mijn warme toewijding moet zich vaak in lofprijzing uiten.
- Sommigen vinden het genoeg om U nu en dan te loven. Maar “zeven maal” enzovoort. Zij denken dat het volstaat de dag met lof te beginnen en af te sluiten. Ik leef daarentegen de hele dag in een geest van lofprijzing.
- Sommigen houden er snel mee op. Maar “zeven maal” enzovoort. Niet maar zeven keer, maar “tot zeventigmaal zeven maal”. Ik zal U zelfs zonder ophouden loven.
— W.H.J.P.
Uitleg
Vers 165
“Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.” Wat een verrukkelijk vers! Het woont niet bij mensen die de wet volmaakt houden, want waar vind je die? Het woont bij hen die de wet liefhebben. Hun hart en hun handen zijn in overeenstemming gebracht met haar voorschriften en eisen. Zij blijven zich met hun hele hart inspannen om de wet te gehoorzamen. Toch worden ze vaak vervolgd, en dan nog hebben ze vrede, ja, grote vrede. Want zij kennen het geheim van het verzoenende bloed. Zij hebben de kracht van de vertroostende Geest ervaren.
En voor de Vader staan ze als mensen die Hij heeft aangenomen. De Heere laat hen Zijn vrede voelen, die alle verstand te boven gaat. Ze hebben veel moeilijkheden en de hoogmoedigen zullen hen waarschijnlijk vervolgen. Maar meestal heerst er in hen een diepe rust: een vrede die te groot is voor deze kleine wereld om hem te breken.
En “zij hebben geen aanstoot”, of, zoals het ook vertaald kan worden: “niets zal hen echt kunnen schaden”. “En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.” Het kan niet anders dan dat er ergernissen komen. Maar wie de wet liefheeft, sticht vrede. Zo geeft hij geen ergernis en neemt hij er zelf ook geen aan. Vrede die berust op overeenstemming met Gods wil leeft en blijft. Het loont de moeite er vol geestdrift over te schrijven, zoals de psalmist hier doet.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 165
“Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede.” Er razen stormen en onweders over de wereld. Maar in de borst van wie Gods wil niet alleen doet, maar die “liefheeft” te doen, heerst een volmaakte stilte. Zij zijn in vrede met God door het bloed van de verzoening. Zij zijn in vrede met zichzelf, doordat hun geweten antwoord kan geven en doordat de begeerten die tegen de ziel strijden onderworpen zijn. Zij zijn in vrede met alle mensen door de geest van liefde. En de hele schepping leeft zo in vrede met hen dat alle dingen hun ten goede meewerken.
Geen uiterlijke moeilijkheid kan hun deze “grote vrede” afnemen. Er zijn “ergernissen” en struikelblokken: vervolging en verzoeking leggen ze in hun weg, vijanden doen het uit boosaardigheid en vrienden door af te vallen. Maar niets van wat zij zien, horen of voelen kan hen van hun koers houden of eraf brengen. Hemelse liefde overwint elke hindernis en rent met vreugde over de weg van Gods geboden. — George Horne.
Vers 165
“Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede.” Er zijn Eli’s geweest die beefden voor de ark van God. Er zijn Uzza’s geweest die uit angst hun hand uitstaken omdat de ark leek te vallen. Maar in de diepste nood die de gemeente heeft doorgemaakt en in de felste stormen die om haar heen hebben gewoed, zijn er altijd ware en trouwe mannen van God geweest die nooit wanhoopten. In elke tijd waren er Luthers en Latimers. Zij hielden hun vertrouwen niet alleen vast, maar hun vrede werd zelfs dieper naarmate de golven harder bulderden.
Hoe meer mensen hen in de steek lieten, des te inniger werd hun omgang met God. Ze hielden zich stevig vast aan Hem en Zijn beloften. Hun hart kon binnengaan in de schuilplaats van de Allerhoogste. En hoewel alles buiten hen erop uit was hen te verontrusten, te bedreigen en schrik aan te jagen, werden zij geleid tot volkomen vrede. — James Martin, in “The Christian Mirror, and other Sermons”, 1878.
Vers 165
“Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede.” Een zuiver geweten helpt ons aan troostrijke gedachten. Let er wel op dat een goed geweten en een goede wandel de vrede niet zozeer voortbrengen als wel bewaren. De blijdschap in de Heilige Geest bouwt haar nest alleen in een heilige ziel. Toch kan alleen het bloed van Christus vrede spreken: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus” (Rom. 5:1). Een nauwgezet leven schept geen rust in het geweten, maar bewaart haar wel. Een gemakkelijke schoen geneest geen pijnlijke voet, maar behoedt een gezonde voet voor schade.
Wie met God wandelt volgens de regels van het evangelie, bezit de vrede als erfdeel. Die vrede is zo’n schat dat een christen zijn roem uit zichzelf kan putten (Gal. 6:4; Gal. 6:16). Zijn eigen hart zingt hem een vrolijk lied voor, en dat lied kunnen de dreigementen en het gesmaad van de wereld niet het zwijgen opleggen. De schat van die troost raakt niet op in de verdrukking. Zelfs de dood put hem niet uit, maar vergroot hem en tilt hem op tot een eeuwige zegetocht. O, hoe voortreffelijk en hoe onmisbaar is die vrede!
Paulus bewaarde haar als een versterkende drank voor zijn sterfbed: “Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten” (2 Kor. 1:12). En Hizkia durft haar voor God omhoog te houden en zich er ook mee op te beuren, nu de dood nadert. Een geweten dat goed is voor wat de oprechtheid betreft, is ook goed voor wat de gemoedsrust betreft: “Elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.” Wie Gods geboden liefhebben en houden, hebben grote vrede (Spr. 28:1; Ps. 119:165). En de apostel zegt: “Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God” (1 Joh. 3:21).
Ik mag daaraan toevoegen: ook tegenover mensen. O, wat een troost en verkwikking geeft een zuiver geweten! Wie het met zijn geweten ernst is, draagt iets in zich waarmee hij aanklachten van buiten kan beantwoorden. Hij bezit een schat die ook in de grootste nood en gevaren niet opraakt. Ik sluit af met een prachtige uitspraak van Bernardus: “De genoegens van een goed geweten zijn het paradijs van de zielen, de vreugde van de engelen, een tuin vol verrukking, een veld van zegen, de tempel van Salomo, het hof van God, de woonplaats van de Heilige Geest.” — Oliver Heywood.
Vers 165
“Groten vrede.” Merk op dat het Hebreeuwse woord voor “vrede” shalom is. Het betekent niet alleen “vrede”. Het omvat ook volmaaktheid, heelheid, voorspoed, rust, gezondheid en veiligheid, en de voltooiing en bekroning van alles wat goed is. De Hebreeën gebruiken het ook zo, vaak zelfs. Daarom wensen ze elkaar bij het groeten het beste toe met de woorden shalom lekha, dat is “vrede zij met u”. Het is alsof je zegt: “moge het je in alles goed gaan.” — Thomas Le Blanc.
Vers 165
“Die Uw wet beminnen.” Een wet liefhebben klinkt vreemd, maar alleen dat is het ware, goddelijke leven. Wie de wet houdt uit angst voor haar straffen, handelt slechts uit vrees of berekening. Wie haar houdt om zijn goede naam te bewaren, handelt misschien netjes en respectabel. Wie haar houdt omdat dat het beste is voor de samenleving, heeft wellicht wereldlijk eigenbelang op het oog. Wie haar houdt omwille van zijn lichamelijke gezondheid, volgt mogelijk de berekenende levenshouding van de epicurist. Maar houd je haar omdat je haar liefhebt? Dan blijkt dat zij al deel van je is en is doorgedrongen tot de morele vezels van ons bestaan. Dan wordt de zonde je tot afkeer en verliezen verzoekingen hun macht. — W.M. Statham, aangehaald in “Anti-toilette Commentary on the Psalms”, 1879.
Vers 165
“En zij hebben geen aanstoot.” In het Hebreeuws staat: “zij hebben geen struikelblok.” Vergelijk 1 Joh. 2:10: “geen ergernis is in hem”, namelijk in wie in het licht blijft. Dat licht laat hem zulke struikelblokken zien, zodat hij ze op tijd kan ontwijken en er niet over valt. Rijkdom, verdrukking en verzoeking brengen velen ten val (Jes. 8:14-15; Ezech. 3:20; 7:19; 14:3; 44:12). Voor hem zijn ze dat niet. — A.R. Faussett.
Vers 165
Jullie die nieuwe schepselen zijn en Gods heilige wet liefhebben: leer de ware wijsheid kennen. Ieder van jullie die werkelijk tot Christus is gebracht, wordt veranderd naar Zijn beeld. Daarom heb je Gods heilige wet lief. “Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.” “De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart” (Ps. 19:9). De wereld zegt: wat ben jij toch een slaaf! Je mag op zondag geen vermaak zoeken. Je kunt niet gezellig gaan wandelen of op de thee gaan. Je kunt niet naar een dansfeest of naar de schouwburg.
Je mag niet meedoen aan de genoegens van een zinnelijk uitgaansleven. Je bent een slaaf. Mijn antwoord is: Christus kende geen van die genoegens. Hij had ze niet nodig, en wij ook niet. Hij wist wat werkelijk wijs, goed en gelukkig was, en Hij koos Gods heilige wet. Hij was de vrijste van alle wezens, en toch kende Hij geen zonde. Maak mij alleen maar vrij zoals Christus vrij is. Meer vraag ik niet. “Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.” — Robert Murray M’Cheyne, 1813-1843.
Vers 165
“En zij hebben geen aanstoot.” Draag je dit kenmerk van Gods kinderen? Dan stoot je je niet aan wat God beschikt, ook niet als het haaks staat op je eigen wensen. Je hebt immers een God bij Wie je in elke nood kunt schuilen, en een vast verbond om op te rusten. Daarom raakt het gesmaad hen niet dat over hen en over Gods weg wordt rondgestrooid. Zij hebben God immers juist gevonden, en wel op de weg waarover anderen kwaad spreken. Niets van wat bij Gods weg hoort, schrikt hen zo af dat ze die weg niet meer willen of hem verlaten. Toch moeten we goed oppassen dat wijzelf geen aanstoot nemen. — John Bunyan.
Wenken voor predikers
Vers 165
- Grote liefde voor een grote wet.
- Grote vrede midden in grote onrust.
- Groot houvast tegen alle struikelblokken.
Vers 165
Volkomen vrede.
- Gods wet verdient onze liefde.
- Liefde voor de wet geeft grote vrede. Vrede met God door het bloed van de verzoening. Vrede met jezelf door een goed geweten en het bedwingen van slechte begeerten. Vrede met mensen door liefde.
- De vrede die uit liefde voor de wet groeit, beschermt tegen struikelen: “zij hebben geen aanstoot”. Het dagelijkse kruis (Mark. 5:21,22) doet hen niet struikelen, de vurige beproeving (Mark. 4:7) evenmin, en ook niet de vernederende leer (Joh. 6:60; Joh. 6:66 enzovoort). — C.A.D.
Vers 165
- Wie bedoeld wordt: “die Uw wet beminnen”.
- De zegen die zij ontvangen: “groten vrede”.
- Het kwaad dat zij ontlopen: “zij hebben geen aanstoot”.
— G.R.
Vers 165
De vrede en de veiligheid van de godvruchtigen.
- Hun vrede. Die komt voort uit:
(a) Een geweten dat niet meer aanklaagt.
(b) Overeenstemming met de eisen van de wet.
(c) Het genieten van de voorrechten die de wet openbaart.
(d) De zekerheid van Gods goedkeuring en zegen.
- Hun veiligheid.
(a) Ze zijn klaar voor elke plicht.
(b) Ze zijn bestand tegen elke verzoeking.
(c) Hun is toegezegd dat ze tot het einde volharden.
(d) Ze hebben de belofte van Gods bescherming.
— W.H.J.P.
Vers 165
- Een eervolle titel: “die Uw wet beminnen”.
- Een kostbaar bezit: “groten vrede”.
- Een gezegende bescherming: “zij hebben geen aanstoot”.
— J.F.
Uitleg
Vers 166
“O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.” Hier zien we redding uit genade én de vruchten die daaruit voortkomen. Davids hele hoop rustte op God. Van Hem alleen verwachtte hij redding. En daarna deed hij zijn uiterste best om de geboden van Zijn wet na te leven. Mensen die het minst op goede werken bouwen, hebben er vaak juist het meeste. Dezelfde goddelijke leiding die ons losmaakt van het vertrouwen op eigen daden, laat ons overvloedig zijn in elk goed werk, tot eer van God. Als het moeilijk wordt, zijn er twee dingen te doen.
Eerst: op God hopen. Dan: doen wat juist is. Het eerste zonder het tweede is aanmatiging. Het tweede zonder het eerste is leeg vormendienst. Het is goed als we bij het terugkijken kunnen zeggen dat we hebben gehandeld zoals de Heere beveelt. Zijn we recht tegenover God geweest? Dan weten we zeker dat Hij vriendelijk met ons zal omgaan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 166
“O HEERE! ik hoop op Uw heil” enzovoort. Zo behoren alle knechten van God te willen worden aangetroffen: hopend op Zijn barmhartigheid en Zijn geboden doende. Het is niet moeilijk aan te tonen hoe nauw de gezindheid die hier beleden wordt, verbonden is met de gehoorzaamheid waar zij hier mee samengaat! De hoop op redding is de grote drijfveer die ons dóór en dóór tot heiligheid aanzet. En het besef dat we Gods wil gehoorzamen, versterkt onze hoop dat we deel hebben aan Gods barmhartigheid. — John Morison.
Vers 166
“O HEERE! ik hoop op Uw heil.” Deze woorden heeft hij geleend van de goede, oude Jakob (Gen. 49:18). — John Trapp.
Vers 166
“En doe Uw geboden.” Ga doen wat je leest! Een student natuurkunde is er niet tevreden mee een natuurkundeboek van kaft tot kaft door te nemen. Hij gaat zelf aan het experimenteren. Het levensbloed van de godsdienst zit in de praktijk. Christenen moeten wandelende Bijbels zijn. Xenofon zei: “Velen lezen de wetten van Lycurgus, maar weinigen houden zich eraan.” Het geschreven Woord is niet alleen een richtsnoer voor onze kennis maar ook voor onze gehoorzaamheid.
Het is er niet alleen om ons zicht te verbeteren, maar ook om ons tempo te verbeteren. David noemt Gods Woord “een lamp voor mijn voet” (Ps. 119:105). Het was niet alleen een licht voor zijn ogen om bij te zien, maar ook voor zijn voeten om bij te lopen. Door het in praktijk te brengen, handelen we met het talent van onze kennis en maken we er winst mee. Dán lees je de Schrift tot zegen: als je vlucht voor de zonden die het Woord verbiedt en de leringen omhelst die het Woord gebiedt.
Lezen zonder doen is niet meer dan een fakkel die mensen de weg naar de hel verlicht. — Thomas Watson.
Vers 166, 167, 168
Wie de geboden achter zijn rug gooit, is bijzonder aanmatigend als hij de beloften op zichzelf toepast. Hoop zonder gehoorzaamheid zal een mens beschamen. Wie het Woord van God heeft leren kennen, weet dat de wet door het geloof niet tenietgedaan wordt maar bevestigd: “Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet” (Rom. 3:31). Christus, het Hoofd en de Profeet van de gemeente, laat in Zijn bergrede zien hoe ver de wet reikt. Zij eist reinheid van hart en gedachten, net zoals van leven en daden.
Hij veroordeelt wie “een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben”. Maar wie “dezelve zal gedaan en geleerd hebben”, noemt Hij groot in Zijn koninkrijk (Matth. 5:19). De wet die op de berg Sinaï werd uitgesproken, bevestigt de Wetgever Christus op de berg Sion als maatstaf voor gerechtigheid. Wie goed onderwezen is en “naar dezen regel” wandelt, laat zijn hart én zijn levenswandel door die regel sturen. “Over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid”, en zo laten zij zien dat zij echt “het Israel Gods” zijn (Gal. 6:16). — Nathanael Vincent.
Wenken voor predikers
Vers 166
- Een hoop die niet beschaamt.
- Een leven waarvoor je je niet schaamt.
- Een God voor Wie je je niet schaamt.
Vers 166
Een goede hoop door genade.
- Heil is Gods gave: “Uw heil”.
- De hoop grijpt het aan: “ik hoop”.
- Gehoorzaamheid gaat ermee samen: “en doe Uw geboden”. Hebr. 6:9.
— C.A.D.
Uitleg
Vers 167
“Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen.” Mijn uiterlijke leven heeft Uw voorschriften onderhouden. Mijn innerlijke leven, mijn ziel, heeft Uw getuigenissen onderhouden. God heeft over veel heilige waarheden getuigenis gegeven. Wij houden die vast alsof ons leven ervan afhangt. De mens die genade kent, bergt Gods waarheid in zijn hart op als een buitengewoon dierbare, kostbare schat. Hij bewaart haar, hij houdt haar vast. Zijn verborgen ziel, zijn diepste zelf, wordt de wachter over deze goddelijke onderwijzingen. Zij zijn immers zijn enige gezag in zaken van de ziel. “En ik heb ze zeer lief.” Daarom bewaarde hij ze.
En nadat hij ze bewaard had, was dit de uitkomst van dat bewaren. Hij borg de geopenbaarde waarheid niet alleen uit plichtsgevoel op, maar uit een diepe liefde die hij niet onder woorden kon brengen. Hij voelde dat hij liever zou sterven dan dat hij ook maar iets van Gods openbaring zou opgeven. Hoe meer we ons hoofd vullen met hemelse waarheid, des te dieper raken we erop verliefd. Zien we steeds meer van de overweldigende rijkdom van de Bijbel? Dan wordt onze liefde steeds groter, groter dan we kunnen meten of onder woorden brengen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 167
“Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.” Had hij niet eerst moeten zeggen: ik heb Uw geboden liefgehad en ze dus onderhouden? Zeker deed hij dat. Maar hier beweegt hij zich in een heilige en hemelse kringloop: ik heb ze onderhouden en liefgehad, en ik heb ze liefgehad en onderhouden. Hebben we Christus lief? Dan leven we naar onze maat ook het leven van de liefde, en Zijn geboden zijn ons het dierbaarst wanneer Hijzelf ons het kostbaarst is. — Thomas Shepard, in “The Sound Believer”, 1671.
Vers 167
“Mijn ziel.” Wanneer Hebreeën willen zeggen hoe vurig ze aan iets gehecht zijn, zeggen ze gewoonlijk “Mijn ziel”. Zo in Ps. 103:1 en 104:1: “Loof den HEERE, mijn ziel”, en in Luk. 1:46: “Mijn ziel maakt groot den Heere.” — Richard Greenham.
Vers 167
“En ik heb ze zeer lief.” Dat is maar een redelijke wedergave aan God, het minste wat we Hem verschuldigd zijn. De Vader had mij zo ontzettend lief dat Hij Zijn eigen Zoon niet spaarde maar Hem voor mij overgaf. En de Zoon had mij zo ontzettend lief dat Hij Zichzelf aan mij gaf. Hij gaf mij ook aan mijzelf terug toen ik verloren was in mijn zonden, de erfzonde en de zonden die ik zelf deed. — Gerhohus (1093-1169), in Neale en Littledale.
Vers 167, 168
Laat het besef van onze dagelijkse tekorten ons niet terugdeinzen voor deze krachtige uitspraak van vertrouwen. Ze wordt aangevoerd als bewijs van genade en niet als aanspraak op verdienste. Daarom hoeft ook de nederigste gelovige er niet voor te schromen haar over te nemen als uitdrukking van christelijke oprechtheid tegenover God. David streefde niet naar een hoger karakter dan dat van een arme zondaar. Maar hij was zich bewust van een geestelijke gehoorzaamheid, van zeer grote liefde voor het goddelijke Woord en van een gewone wandel onder het oog van zijn God. Dat zijn de kenmerken van een hart dat (zoals vaak in het Oude Testament wordt gezegd) volkomen met Hem is. — Charles Bridges.
Wenken voor predikers
Vers 167
Vroeger en nu.
Vers 167
- Hoe meer we Gods getuigenissen onderhouden, des te meer houden we ervan.
- Hoe meer we ervan houden, des te meer onderhouden we ze.
— G.R.
Vers 167
- De juwelen: “Uw getuigenissen”.
(a) Zeldzaam: er zijn er geen als zij.
(b) Rijk: geen taxatie kan hun waarde bepalen.
(c) Verfraaiend voor wie ze dragen.
(d) Schitterend met een innerlijke, wezenlijke glans in het duister van deze wereld.
(e) In waarheid de bewaarheiding van het oude bijgeloof over edelstenen die genezende en magische kracht zouden hebben.
- Het sieradenkistje: “mijn ziel”.
(a) Precies gemaakt om de juwelen te bergen.
(b) Een wonderbaar stuk goddelijk vakwerk, maar volkomen verwoest en bedorven als het niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is.
(c) Het enige kistje waarin Gods getuigenissen zo mooi uitkomen dat wie ernaar kijkt er vol bewondering naar staart.
- Het slot dat alles veilig houdt: “ik heb ze zeer lief.”
(a) Niets in het heelal houdt zo stevig vast als liefde.
(b) Ze is ook nodig: tienduizend dieven slopen om ons heen en willen ons die schat afnemen.
(c) Een liefde die “zeer” groot is, is een hemels patent. Geen vernuft kan haar openbreken. Ze is brandveilig en inbraakproof, zelfs voor de hel.
— J.F.
Uitleg
Vers 168
“Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen.” Het praktische én het leerstellige deel van Gods Woord had hij opgeslagen, bewaard en gevolgd. Wat een zegen als je beide kanten van het goddelijke Woord evengoed kent, evenzeer waardeert en evenduidelijk belijdt. Wat God bedoelt, laat zich niet bij stukjes en beetjes uitkiezen. We kennen mensen die hun best doen om de geboden nauwkeurig te onderhouden, maar die de leer van het evangelie kennelijk zien als een kwestie van mening, die ze naar eigen smaak mogen vormgeven. Zo hoort het niet. Dan zijn er weer anderen, die uiterst streng zijn over de leer en pijnlijk slap over de geboden. Ook dat deugt niet. Pas als beide met evenveel ernst “onderhouden” worden, hebben we de volmaakte mens.
“Want al mijn wegen zijn voor U.” Waarschijnlijk wil hij zeggen dat dit zijn drijfveer was om zowel in zijn hoofd als in zijn hart op het rechte pad te blijven. Hij wist immers dat God hem zag, en omdat hij Gods nabijheid besefte, was hij bang om te dwalen. Of misschien roept hij hiermee God op als getuige dat zijn woorden waar zijn. In beide gevallen is het geen kleine troost te weten dat onze hemelse Vader alles van ons weet. Spreken vorsten kwaad over ons? Vullen wereldlingen hun mond met wrede leugens? Dan kan Hij ons toch vrijspreken, want niets is voor Hem geheim of verborgen.
Het valt ons op hoe sterk dit vers afsteekt tegen Psalm 119:176. Dit is het laatste vers van zijn groep van acht, en dat vers staat op dezelfde plaats in de volgende groep. Hier hoor je een verklaring van onschuld: “ik onderhoud Uw bevelen.” Daar hoor je een zondebelijdenis: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap.” Beide waren oprecht, beide kloppen. De ervaring maakt veel schijnbare tegenspraken begrijpelijk, en dit is er een. Voor God kunnen we vrij zijn van zichtbare schuld en toch tegelijk rouwen over duizend afdwalingen van het hart, die Zijn herstellende hand nodig hebben.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 168
“Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.” Zolang mensen ver weg in het blikveld van de koning staan, gedragen ze zich al netjes. Maar treden ze zijn troonzaal binnen om hem te spreken? Dan zijn ze op hun hoede als nooit tevoren. Nu leven de heiligen altijd voor Gods ogen. Hun gedrag moet dus altijd godvrezend en welvoeglijk zijn. — George Swinnock.
Vers 168
“Ik onderhoud Uw bevelen” enzovoort. Het Hebreeuwse woord shamar, dat hier met “onderhouden” is weergegeven, betekent: zorgvuldig, ijverig, ingespannen en nauwgezet bewaren. Het betekent bewaren zoals je gevangenen bewaakt en zoals een wachter de stad of het garnizoen bewaakt. Ja, het is bewaren zoals iemand zijn eigen leven zou bewaren. Maar let nu op waarom David de bevelen en getuigenissen van de Heere zo zorgvuldig, zo oprecht, zo ijverig, zo ingespannen en zo nauwgezet onderhield. De reden staat in het laatste deel van het vers: “want al mijn wegen zijn voor U.” Mensen, wie in heiligheid wil uitblinken, moet de Heere altijd voor ogen stellen.
Dat is voor hem even noodzakelijk als ademhalen. In Job 31 vind je een uitvoerig verslag van de hoogte en volmaaktheid van heiligheid die Job had bereikt. De grote reden die hij daarvoor geeft, staat in vers 4: “Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?” Gods oog had zo’n sterke invloed op zijn hart en leven dat het hem opvoerde tot een zeer hoog niveau van heiligheid. — Thomas Brooks.
Vers 168
“Want al mijn wegen zijn voor U.” Dat God de geheimen van ons hart ziet, is een punt dat de goddelozen doet beven, maar de godvruchtigen doet jubelen.
Voor de goddelozen is het verdrietig dat hun hart zo open ligt. Het is een kokende ketel vol kwaad, een oven en een smidse voor het kwade. Het bezwaart hen dat mensen hun woorden en daden horen en zien. Maar wat een schrik is het dat hun Rechter, Die zij haten, hun gedachten doorziet! Konden ze dit maar ontkennen, ze deden het meteen. Maar al wie overtuigd is en gedwongen wordt een God te erkennen, schrikt op tijd ook hiervan: dat Hij alles ziet. Anderen pakken het korter aan en ontkennen meteen in hun hart de Godheid.
Zo vernietigen ze het besef dat Hij alles weet. Maar het baat niet. Hoe meer ze hun hart verharden met deze goddeloze gedachte, des te banger worden ze. Ze smoren hun geweten en houden het in bedwang, opdat het niet tegen hen kraait. Maar het geweten houdt hén in bedwang door hun vreselijke wraak voor te spiegelen, en op dit ogenblik overtuigt het hen van Gods alwetendheid, juist doordat ze zich meer inspannen om het te onderdrukken. De godvruchtigen verheugen zich hier daarentegen over. Het is voor hen een richtlijn waarmee ze hun gedachten recht houden.
Ze nemen zich in hun hart geen vrijheid om kwaad te denken, te willen, te wensen of te begeren. Waar dat licht schijnt, wordt alles ingericht zoals het Hem en Zijn blik waardig is, Die ze kennen als de Doorzoeker van hun hart. — William Struther, 1633.
Vers 168
“Want al mijn wegen zijn voor U.” Wandel, christen, in het zicht van Gods alwetendheid. Zeg tegen je ziel: cave, videt Deus, pas op, God ziet het. Het gezegde luidt dat verraad “onder de roos” wordt gesproken, wanneer onderdanen denken dat ze ver genoeg van het gehoor van hun koning zijn.
Wisten ze dat de vorst onder het raam stond of achter het wandkleed, dan klonk hun gesprek een stuk loyaler. Dit maakte David zo oprecht in zijn wandel: “Ik onderhoud Uw bevelen …, want al mijn wegen zijn voor U.” De lege stoel van Alexander werd door zijn bevelhebbers neergezet wanneer ze in raad bijeen waren. Die stoel boezemde hun ontzag in en hield hen in goede orde. Hoeveel meer zou het ons helpen als we onszelf voorhouden dat God op ons neerziet! De Joden bedekten het gezicht van Christus en sloegen Hem daarna met vuisten (Mark. 14:65).
De huichelaar doet hetzelfde. Eerst zegt hij in zijn hart dat God het niet ziet, of hij vergeet in elk geval dat Hij het ziet. Daarna waagt hij het tegen Hem te zondigen. Hij lijkt op die domme vogel die haar kop in het riet steekt en zich veilig waant voor de vogelaar, alsof de vogelaar haar niet kon zien omdat zij haar vijand niet zag. Te mihi abscondam, non me tibi (Augustinus): ik kan U wel voor mijn eigen oog verbergen, maar mezelf niet voor Uw oog. — William Gurnall.
Wenken voor predikers
Vers 168
- Gods Woord eist van ons de uiterste gehoorzaamheid. “Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen.” Hij bedoelt niet dat hij ze volmaakt onderhield, want dan zou hij andere uitspraken in de psalm tegenspreken. Hij bedoelt dat hij ze oprecht onderhield en ernaar streefde ze volmaakt te onderhouden, als iemand die beseft wat zij van hem vragen.
(a) Het hele Woord is goddelijk. Elk bevel draagt hetzelfde gezag. Je mag niet zeggen dat het ene bevel meer verplicht dan het andere.
(b) Het hele Woord is zuiver en rechtvaardig. Wie opportunisme huldigt en de mate en wijze van zijn gehoorzaamheid afstemt op zijn eigen doel, volgt een verkeerd beginsel. Dat moet zorgvuldig worden onderscheiden van rechtvaardige opportuniteit, en die bestaat hierin: dat je afziet van een persoonlijk recht ter wille van het voordeel van een ander.
(c) De zedelijke wet van het Woord vormt een eenheid. Gehoorzaamheid is als een keten waarvan alle schakels aan elkaar zitten. Eén bewuste fout in één schakel maakt de hele keten nutteloos.
- Het besef dat gehoorzaamheid enorm helpt: “Want al mijn wegen zijn voor U.”
(a) “Zijn voor U”: door U duidelijk gezien.
(b) “Zijn voor U”: voortdurend door U bekeken.
(c) “Zijn voor U”: bewust door mij voor U neergelegd, opdat ze verbeterd en bijgestuurd kunnen worden.
— J.F.
Vers 168
“Want al mijn wegen zijn voor U.”
- Waar de heilige blij mee is.
- Waar de zondaar bang voor is.
— W.W.
Vers 168 (tweede deel)
- Dat is onvermijdelijk, want U bent de alwetende God (Ps. 139:4).
- Dat is ook vrijwillig, want ik kies er zelf voor om onder Uw ogen te leven. Zie Ps. 16:9.
- Dat is bewust en zalig, want het licht van Uw aangezicht geeft mij leven en vreugde. Zie Ps. 89:16.
— W.H.J.P.
Vers 168 (tweede deel)
Leven voor Gods ogen. Dat is voor iedereen een feit. Voor de godvruchtigen is het ook een bedoeling. Voor de begunstigden is het een geluk. En vooral geldt het voor wie in gemeenschap met Hem blijft.
Vers 168
- Wat God ons voorhoudt, in praktijk en in leer.
- Al onze wegen, die voor Hem open liggen.
- Het gedrag dat uit deze twee oorzaken groeit.
Uitleg
Het einde van de psalm komt in zicht voor de psalmist. Zijn smeekbeden worden krachtiger en vuriger. Het lijkt of hij doorbreekt tot de binnenste kring van de gemeenschap met God en zelfs tot aan de voeten van de grote God komt, Wiens hulp hij afsmeekt. Zo dichtbij komen maakt hem zeer nederig over zichzelf. Daarom besluit hij de psalm op zijn gezicht, in diepe zelfvernedering, biddend of hij als een verloren schaap mag worden opgezocht.
Uitleg
Vers 169
“O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken.” Hij is doodsbang dat hij niet wordt verhoord. Hij beseft dat zijn gebed niet meer is dan het geroep van een arm kind of het gekreun van een gewond dier. Hij is bang dat het buiten het gehoor van de Allerhoogste blijft. Toch bidt hij heel vrijmoedig dat het voor God mag komen, dat het onder Zijn ogen en Zijn aandacht mag komen en door Hem met welgevallen wordt bekeken. Ja, hij gaat nog een stap verder en smeekt: “Laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken.” Hij wil dat de Heere zeer van dichtbij en zorgvuldig op zijn gebed let.
Hij gebruikt een beeld en maakt van zijn gebed een persoon. We kunnen ons zijn gebed voorstellen als Esther, die zich de tegenwoordigheid van de koning in waagt, om een gehoor smeekt en vraagt genade te mogen vinden in de ogen van de gezegende en enige Heerser. Een smekeling vindt het zalig als hij zeker weet dat zijn gebed gehoor heeft gevonden. Dan heeft het over de glazen zee voor de troon gelopen en is het zelfs gekomen tot de voetbank van de heerlijke zetel, waar hemel en aarde omheen aanbidden. Tot Jehova richt hij dit gebed met bevende ernst.
Onze vertalers waren vervuld van heilige eerbied en vertaalden dit woord met “HEERE”. Bij niemand anders vragen wij gehoor, want we vertrouwen op niemand anders.
“Maak mij verstandig naar Uw woord.” Dit is het gebed waar de psalmist zich bijzonder druk om maakt. Bij alles wat hij binnenhaalt, wil hij vooral verstand binnenhalen. Wat hij ook tekortkomt, deze onbetaalbare gave wil hij beslist niet missen. Hij verlangt naar geestelijk licht en inzicht. Naar het inzicht dat in Gods Woord beloofd wordt, dat uit Gods Woord voortkomt en dat leidt tot gehoorzaamheid aan Gods Woord. Hij pleit alsof hij zelf helemaal geen verstand heeft en vraagt of hem dat gegeven wil worden. “Maak mij verstandig.” In werkelijkheid had hij naar mensenmaat wel degelijk verstand.
Maar wat hij zocht, was verstand naar Gods Woord, en dat is heel wat anders. Geestelijke dingen begrijpen is een gave van God. Een oordeel dat verlicht is door hemels licht en past bij de goddelijke waarheid, is een voorrecht dat alleen genade kan geven. Menigeen die volgens de maatstaven van deze wereld voor wijs doorgaat, is volgens het woord van de Heere een dwaas. Mogen wij horen bij die gelukkige kinderen die allen “van den HEERE geleerd” zullen zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Met dit vers begint een nieuw deel van de psalm. Een letter geeft het aan: de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, de Tau, die overeenkomt met onze “t” of “th”. — Albert Barnes.
Vers 169
“O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken.” Sommigen leggen dit zo uit: laat heel deze psalm, met alle smeekbeden die erin staan (en die hier nog eens worden herhaald), in de hemel met groot welgevallen worden aangenomen en aanvaard. — John Trapp.
Vers 169
“O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken.” We zijn nu bij het laatste deel van deze psalm. Daarin zien we David vuriger bidden dan in het eerste deel. Dat merk je snel als je beide naast elkaar legt. Hoe langer de godvruchtigen met God spreken, des te vuriger en ernstiger gaan ze met Hem spreken. Alleen als de nood hen dwingt, willen ze het gesprek met Hem ooit even onderbreken.
In deze psalm heeft hij veel gebeden tot God gebracht. Nu, aan het eind, bidt hij voor zijn gebeden. Hij vraagt dat de Heere ze voor Zich laat komen. Sommige mensen sturen gebeden de wereld in, maar God rekent het hun als zonde aan en stoot die gebeden van Zich af. Daarom smeekt David om gunst voor zijn gebeden. — William Cowper.
Vers 169
“Maak mij verstandig naar Uw woord.” Dit was ook het gebed van Salomo (1 Kon. 3:9). We lezen dat het de Heere behaagde, en dat Hij er als beloning aardse voorspoed bij gaf, waar de jonge koning niet om had gevraagd. Toch bedoelde Salomo met zijn gebed minder dan zijn vader David. Bij Salomo zien we nauwelijks iets terug van de diepe toewijding waarvoor zijn vader zo bekend stond. De psalmist bidt hier een diep gebed. Het kan alleen verhoord worden als de Heilige Geest Zelf de ziel verlicht. Ons verstand is een uiterst belangrijk onderdeel van ons geestelijk bestaan.
Het geweten is ons verstand dat op morele vragen wordt toegepast. Is dat niet in orde, waar komen we dan terecht? We begrijpen Gods Woord doordat we onderwezen worden, maar ook door ervaring. Bijna niets begrijpen we pas als we het zelf hebben meegemaakt. Zo’n ervaring die licht geeft, is een gave van God. Van Hem alleen moeten we haar in gebed vragen en verwachten. — C.H.S.
Vers 169
“Maak mij verstandig naar Uw woord.” Het bijzondere werk van de Heilige Geest, namelijk onze geest verlichten zodat we de Schrift begrijpen, heet “verstand”. De psalmist bidt: “Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden” (vers 34). Zo zegt ook de apostel tegen Timotheüs: “Merk, hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen” (2 Tim. 2:7). Timotheüs moest zelf nadenken over wat hem werd voorgehouden. Dat omvat het zorgvuldig en ijverig gebruiken van alle uiterlijke middelen. Maar daarnaast was het nodig dat God hem verstand gaf door een innerlijk, krachtig werk van Zijn Geest.
Alleen zo kon hij begrijpen wat hem geleerd werd. De psalmist drukt dit verlangen met grote geestelijke gloed uit in vers 144. Hij doet dat omdat zonder dit verstand geen zaligmakende kennis van het Woord bestaat en we er niets aan hebben: “De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.” Zonder dit verstand, wist hij, kon hij geen voordeel hebben van de eeuwige gerechtigheid van Gods getuigenissen. Natuurlijk is elk verstand het werk en de uitwerking van de Heilige Geest, ook al misbruiken de meesten het: “Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig” (Job 32:8).
Dit geestelijke verstand is op een bijzondere manier een gave van God. In dat “verstand” zit zowel het vermogen van onze geest als het juiste gebruik ervan. Eén overweging weegt voor mij zwaarder dan alle redeneringen van mensen die het tegendeel beweren. Gods heiligen hebben zo ernstig gebeden dat God hun inzicht wilde geven in Zijn gedachten en Zijn wil, zoals die in het Woord zijn geopenbaard. En God heeft telkens beloofd dat Hij dat zou doen. Verder bewijs is niet nodig dat mensen Gods gedachten in de Schrift niet goed begrijpen. Het is genoeg dat ze veronderstellen, en daar stellig van overtuigd zijn, dat ze het ook zonder geestelijk verstand van de Heilige Geest kunnen. Dat zelfvertrouwen staat lijnrecht tegenover de heldere, uitdrukkelijke getuigenissen van het Woord. — John Owen.
Vers 169
“Maak mij verstandig naar Uw woord.” Waarom bidt de man Gods hier om verstand? Had hij daar niet al vaak om gebeden? Was hij een beginneling in kennis, terwijl hij toch een profeet was? Keurt onze Zaligmaker Christus het herhalen en brabbelen in het gebed niet af? Het is waar: Christus keurt dat gebrabbel af dat zonder geloof en kennis is en zonder besef van onze behoeften. Maar Hij spreekt zich niet uit tegen de ernstige herhalingen die komen uit rijke kennis, overvloedig geloof en een levendig besef van onze nood. Daarbij: hij was ongetwijfeld een man van God en had grote genade ontvangen.
Toch geeft God Zijn dierbaarste heiligen in dit leven maar gedeeltelijk kennis, en het meeste wat we zien en weten, is weinig. Bovendien lopen we tegen moeilijkheden aan zodra we kennis in praktijk moeten brengen. We merken dan hoe weerbarstig we zijn, hoe vergeetachtig, hoe vaak we tekortschieten. Zelfs als we net als de profeet een zeer goede richtlijn hebben voor de algemene dingen van het Woord, die algemeen en weinig zijn, vinden we toch veel afleiding in ons handelen, dat bijzonder en veelvuldig is. Dan laat ons geheugen ons in de steek door vergeetachtigheid, ons oordeel door blindheid of ons gevoel door loomheid.
Zo gemakkelijk kunnen we uitglijden terwijl we denken dat we gewoon onze reis kunnen voortzetten. Daarom bidt de man Gods, omdat hij zijn hart en zijn gevoelens onderzocht en al die verschillende benauwdheden en moeilijkheden zag, in het volgende vers niet voor de vernieuwing van mensen in het algemeen in hun moeilijkheden, maar om zijn eigen bijzondere toestand te overwegen. — Richard Greenham.
Vers 169
“Naar Uw woord.” David zoekt verstand niet op een vleselijke manier, want de wijsheid van het vlees is de dood. Hij zoekt verstand naar Gods Woord. Zonder dat is de wijsheid van de mens dwaasheid. Hoe slimmer hij in zijn wegen lijkt, des te dieper verstrikt hij zich in de strik van de duivel. “Ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?” (Jer. 8:9). Maar hij was een voortreffelijk profeet en had eerder betuigd dat hij meer verstand had dan de ouden, ja dan zijn leraars. Hoe kan het dan dat hij nog steeds om verstand bidt?
Het antwoord is dat er een groot verschil is tussen de gaven van de natuur en van de genade. De natuur geeft de mens vaak zeer uitstekende gaven, zoals een zeldzaam goed geheugen, kennis, een vlug verstand, kracht en uiterlijke schoonheid. Maar zij leert hem niet om stil te staan bij wat hij mist. Daardoor wordt hij trots op wat hij heeft. Dit is gewoon bij mensen in de staat van de natuur: op kleine gaven bouwen ze een grote trots. De genade geeft de mens echter betere gaven dan de natuur kan bieden. En ze leert hem te kijken naar wat hij mist.
Zo wordt hij niet opgeblazen door wat hij heeft, maar gaat hij in alle nederigheid van hart bidden om wat hij mist. — Abraham Wright.
Wenken voor predikers
Schetsen over sleutelwoorden van de psalm, door Pastor C. A. Davis. Verzen 169-176. De slotroep. De psalmist vraagt dat zijn smeking gehoor vindt, hij vraagt om verstand en verlossing (vers 169, 170), komt tot lofprijzing van God (vers 171) en tot spreken over God (vers 172), en roept om hulp (vers 173), redding (vers 174), leven (vers 175) en om opgezocht te worden (vers 176).
Wenken voor predikers
Vers 169, 170
- De unieke waardigheid van het gebed. We zijn op aarde, maar onze gebeden gaan de serafs voorbij en komen “voor Uw aanschijn”.
- Het krachtige recht van het gebed: bij God Zijn eigen woord aanvoeren: “naar Uw woord”.
- De zegevierende mogelijkheden van het gebed. Het zegent ons in gemoed en bezit. Voor tijd en eeuwigheid. “Maak mij verstandig.” “Red mij.”
- De verbazingwekkende ruimte die het gebed krijgt. Het mag zijn verzoeken verdubbelen en herhalen (zoals hier).
— W.B.H.
Vers 169
- Toegang tot het hof van de koning.
- Onderwijs vanaf de troon van de koning.
- Vertrouwen op het woord van de koning.
Uitleg
Vers 170
“Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.” Het is dezelfde bede, alleen met een paar andere woorden gezegd. Nederig noemt hij zijn roep een smeken, een soort bedelverzoek. En opnieuw vraagt hij om gehoor en om antwoord. Misschien staan er hindernissen in de weg naar dat gehoor, en hij vraagt of ze weggenomen worden: laat het komen. Andere gelovigen worden verhoord: laat ook mijn gebed voor Uw aanschijn komen.
“Red mij naar Uw toezegging.” Maak mij los van mijn tegenstanders, zuiver mijn naam van mijn lasteraars, bewaar mij voor wie mij verleidt en breng mij omhoog uit al mijn verdrukkingen, zoals Uw Woord mij liet verwachten dat U zou doen. Daarom vraagt hij om verstand. Als zijn vijanden al succes zouden hebben, dan alleen door zijn dwaasheid. Maar oefent hij gezond oordeel? Dan lopen zij vast en ontkomt hij aan hen. In antwoord op gebed verlost de Heere Zijn kinderen vaak door hen te maken tot “voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven” (Matth. 10:16).
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 170
“Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen.” Een oprechte aanbidder kan niet tevreden zijn met minder dan werkelijke omgang met God. Het afwerken van plichten bevredigt niet, zolang de geest van genade en gebeden niet is geschonken. Een kinderlijke gezindheid stort zich uit in vurig verlangen naar gemeenschap met God. Ook de hoop op genadig gehoor steunt op niets anders dan op het vaste woord van Jehova’s belofte. Naar dat woord, en niet daartegenin, verwacht het kind van God verhoord te worden. Alle verlossing, voelt hij, komt van de Heere. En alles wat hij van de hemel verwacht, verwacht hij als antwoord op gebed. O, had ik toch meer van dat geloof dat een beroep doet op Gods waarachtigheid en met vaste blik uitziet naar de belofte van een God Die Zijn verbond houdt. — John Morison.
Vers 170
“Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen.” Let op de volgorde van de woorden hier en in het vorige vers. Eerst stond er: “Laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken.” Daarna: “maak mij verstandig”, en wel “naar Uw woord”. En nu staat er: “Laat mijn gebed voor Uw aanschijn” (zo lezen de LXX, de Syrische, de Arabische en de Latijnse vertaling). Zo gaat het ook als je een gesprek wilt met iemand van zeer hoge rang. Eerst kom je bij zijn huis. Dan vraag je om informatie en uitleg over wat hij van plan is.
Daarna vraag je toestemming om binnen te komen, zodat ze je niet wegsturen en de toegang weigeren. Klop daarom aan de deur van het hemelse paleis. Klop niet met je lichamelijke hand, maar met de rechterhand van het gebed. Want een stem kan net zo goed kloppen als een hand, zoals er staat: “de stem mijns Liefsten, Die klopte” (Hoogl. 5:2). En heb je geklopt? Kijk dan goed hoe je binnengaat. Anders kom je binnen en krijg je de Koning niet te zien. Want velen komen wel in paleizen, maar krijgen niet meteen gehoor bij een aardse vorst.
Ze moeten voortdurend op de uitkijk blijven staan om uiteindelijk toch een gesprek te krijgen. Ze kiezen ook niet zelf het geschikte moment. Ze komen als ze geroepen worden en dragen dan pas hun verzoek voor, als ze welwillend ontvangen willen worden. — Ambrosius, in Neale en Littledale.
Wenken voor predikers
Vers 170-174
De pleiter: Ps. 119:170. De zanger: Ps. 119:171. De prediker: Ps. 119:172. De werker: Ps. 119:173. De wachter: Ps. 119:174.
Vers 170
- De toegang die hij zoekt.
- Het antwoord dat hij afsmeekt.
- De pleitgrond die hij gebruikt.
Uitleg
Vers 171
“Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.” Hij wil niet voortdurend voor zichzelf blijven pleiten. Hij tilt zich op boven alle zelfzucht en brengt dank voor de ontvangen weldaad. Hij belooft God te prijzen zodra hij praktische onderwijzing heeft gekregen in een godvruchtig leven. Daar mag je God zeker voor prijzen, want geen zegen is kostbaarder. De allerbeste lofprijzing komt van mensen die God niet alleen met hun lippen eren, maar ook met hun leven. De muziek van de hemel leren we op de school van het heilige leven.
Wie met zijn leven de Heere eert, wordt vanzelf een mens vol lofprijzing. David wilde niet alleen in stilte dankbaar zijn. Hij wilde die dankbaarheid ook in passende woorden uitdrukken. Zijn lippen zouden uitspreken wat zijn leven al deed. Uitmuntende leerlingen spreken graag goed over de meester die hen onderwezen heeft. Zo belooft ook deze heilige man, als hij de inzettingen van de Heere heeft geleerd, alle eer te geven aan Hem, Wiens eer het is.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 171
“Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten.” Je hebt vast wel eens bij de oorsprong van een beek gestaan. Het water borrelt omhoog en kronkelt als een helder stroompje verder, tot het uiteindelijk uitgroeit tot een machtige rivier. Daar denkt de psalmist hier aan. Heeft God je hart onderwezen? Dan kan het zichzelf niet bedwingen en breekt het uit in lofprijs en gezang. Dat is wat goddelijke verlichting teweegbrengt. Je zult het voelen als een voorrecht, ja, als een hoge plicht. Hebben jullie dat zelf niet ontdekt, gelovigen, juist op doodgewone momenten? Wees er gerust van: zulke woorden verraden een vernieuwd hart. Ja, een hart dat overloopt van dankbaarheid en gezonde gevoelens. — John Stephen.
Vers 171
“Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten” enzovoort.
O Heere, leer mij Uw inzettingen goed!
Houd mijn voeten op Uw wegen,
dan gloeien mijn lippen van hemels vuur,
dan klinken mijn liederen zoet.
Elke zonde die ik van mij afleg,
geeft mijn ziel meer kracht om op te stijgen;
elke heilige daad wekt
een voller, goddelijker klank.
Mijn stem zal Uw oor te meer behagen,
naarmate ik U trouwer dien;
dat dienen brengt mijn lied steeds dichter
bij de harmonie van de engelen.
— T. H. Gill, in “Breathings of the Better Life”, 1881.
Wenken voor predikers
Vers 171
Onderwezen. Onderwezen om te prijzen. Prijzend. Prijzend omdat hij onderwezen is.
Vers 171
Zingen leren door gehoorzamen te leren.
Vers 171
De gelukkige leerling.
- Hij is blij met de les die hij heeft geleerd.
- Hij is blij met de Leraar Die hem heeft onderwezen.
- Hij kijkt uit naar het einde van zijn les, want dan kan hij zijn lied helemaal zingen. — C.A.D.
Vers 171
Lessen in lofprijzing.
- Het is werk voor heiligen.
- Het is heilig werk, dat je niet overhaast moet aanpakken.
- Er zijn zangers voor nodig die door de Geest zijn onderwezen. — W.B.H.
Uitleg
Vers 172
“Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.” Toen hij uitgezongen was, begon hij te preken. Gods tedere ontferming is zo rijk dat je ze zowel kunt zeggen als zingen. Als onze tong spreekt over Gods Woord, heeft ze een uiterst vruchtbaar onderwerp. Zulk spreken is als een boom des levens, waarvan de bladeren dienen tot genezing van het volk. Mensen komen samen om naar zulke woorden te luisteren, en ze bewaren ze in hun hart. Het ergste van ons is dat we meestal vol zijn van onze eigen woorden en maar weinig spreken over Gods Woord.
O, konden wij maar tot hetzelfde besluit komen als deze godvruchtige man en voortaan zeggen: “Mijn tong zal spraak houden van Uw rede.” Dan breken we door onze zondige stilte heen. Dan zijn we niet langer laf en halfslachtig, maar ware getuigen van Jezus. We moeten niet alleen spreken over Gods werken, maar ook over Zijn Woord. We kunnen de waarheid ervan prijzen, de wijsheid, de kostbaarheid, de genade en de kracht. Daarna kunnen we vertellen over alles wat het heeft onthuld, beloofd, geboden en teweeggebracht. Dit onderwerp geeft ons alle ruimte. We kunnen eindeloos doorspreken. Het verhaal wordt eeuwig verteld en blijft toch onverteld.
“Want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.” David was blijkbaar vooral verliefd op het deel van Gods Woord dat gebiedt. En bij het gebod lag zijn grootste vermaak in de zuiverheid en voortreffelijkheid ervan. Als een mens dit vanuit zijn hart kan zeggen, is zijn hart echt een tempel van de Heilige Geest. Eerder had hij gezegd (Ps. 119:138): “Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.” Maar hier verklaart hij dat ze rechtvaardigheid zelf zijn. Gods wet is niet alleen de maatstaf voor wat recht is, ze is de kern van de gerechtigheid.
Dat zegt de psalmist van elk voorschrift, zonder uitzondering. Hij voelde zoals Paulus: “Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed” (Rom. 7:12). Als iemand zo hoog opziet tegen Gods geboden, is het geen wonder dat zijn lippen klaarstaan om de eeuwig heerlijke God groot te maken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 172
“Mijn tong zal spraak houden van Uw rede.” David belooft één manier om dankbaar te zijn: anderen opbouwen door te vertellen over Gods woorden. Elke christen is priester, om God offers te brengen. Maar elke christen is ook profeet, om zijn broeders en zusters te onderwijzen. Want dit gebod geldt ons allemaal: bouw elkaar op in jullie allerheiligst geloof (Judas 20). Toch zie je nu helaas veel christenen die aan tafel en in gezelschap vrijuit over elk onderwerp praten. Gaat het over geestelijke zaken, die de ziel raken? Dan zwijgen ze als het graf. Dan kunnen ze niet met David zeggen: “Mijn tong zal spraak houden van Uw rede.” — William Cowper.
Wenken voor predikers
Vers 172
- De redenaar: “Mijn tong zal spraak houden”.
- Het thema dat hij kiest: “van Uw rede”.
- Wat hem innerlijk drijft: “want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.”
Vers 172
Smakelijk spreken.
- Een voornemen dat alle gelovigen moeten maken.
- De bekwaamheid die alle gelovigen moeten zoeken (Ps. 45:2; Matth. 12:34,35).
- De opbouw die gelovigen er zo mee bereiken.
— C.A.D.
Uitleg
Vers 173
“Laat Uw hand mij te hulp komen.” Geef mij echte hulp. Vertrouw mij niet toe aan mijn vrienden of aan Uw vrienden, maar leg Zelf Uw hand aan het werk. Uw hand heeft zowel vaardigheid als kracht, bereidheid en macht. Laat al die eigenschappen zien ter wille van mij. Ik ben bereid het uiterste te doen wat ik kan. Maar wat ik nodig heb, is Uw hulp. Ik heb haar zo dringend nodig dat ik zink als ik haar niet krijg. Weiger Uw hulp niet. Hoe groot Uw hand ook is: laat haar neerdalen op mij, ja, op mij. Dit gebed doet me denken aan Petrus, die over het water liep en begon te zinken. Ook hij riep: “Heere, behoud mij!” En de hand van zijn Meester werd uitgestrekt om hem te redden.
“Want ik heb Uw bevelen verkoren.” Een goed argument. Een mens mag best hulp vragen van Gods hand als hij zijn eigen hand helemaal heeft gewijd aan de gehoorzaamheid van het geloof. “Ik heb Uw bevelen verkoren.” Zijn keuze was gemaakt en zijn besluit stond vast. Boven alle aardse regels en wegen, zelfs boven zijn eigen wil, had hij ervoor gekozen om Gods geboden te gehoorzamen. Zal God zo iemand niet helpen in heilig werk en heilige dienst? Zeker wel. Heeft genade ons het hart gegeven om te willen? Dan geeft ze ons ook de hand om uit te voeren.
Zijn we ergens, onder de dwang van een goddelijke roeping, bezig met een grote, verheven opdracht, en voelen we dat die te zwaar is voor onze kracht? Dan kunnen we altijd een beroep doen op Gods rechterhand, met woorden als deze.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 173
“Laat Uw hand mij te hulp komen.” Eerder had David beloofd dankbaar te zullen zijn. Nu vraagt hij God om hulp, zodat hij die beloften kan nakomen. Onze bekwaamheid komt niet uit onszelf maar van God. Zowel het willen als het doen komt van Hem. In aardse zaken zwoegen mensen vaak hard voor weinig resultaat. Eerst omdat ze er niet naar streven een zuiver geweten te hebben. Dan ook omdat ze God niet om hulp vragen. Het gaat hen dus niet beter dan Petrus, die de hele nacht viste en niets ving, totdat hij zijn net uitwierp in de naam van de Heere.
Maar bij geestelijke dingen mogen we nog veel minder verwachten dat het lukt als we Gods hulp niet inroepen. Middelen helpen ons niet, tenzij Gods zegen erbij komt. Er wordt gepreekt, maar meestal zonder vrucht. Er wordt gebeden, maar het heeft geen kracht. Er wordt naar het Woord geluisterd, maar zonder opbouw. En dat allemaal omdat men bij geestelijke oefeningen niet aanhoudend tot God bidt dat Zijn hand met ons mag zijn om ons te helpen. — Abraham Wright.
Vers 173
“Want ik heb Uw bevelen verkoren.” Heeft God je een hart gegeven om Zijn wegen te kiezen? O, dank God! Er was een tijd dat je gewoon deed waar je vlees zin in had. Een beter leven kon je je toen niet voorstellen. Maar de Heere heeft het goed gevonden je betere dingen te tonen. Zo kon je je vroegere wegen vaarwel zeggen en een andere weg kiezen. Op die weg vond je ziel andere troost, andere voldoening en andere tevredenheid dan ooit tevoren. Dank God zoals David: “Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven” (Ps. 16:7).
God heeft je hart zo naar Zichzelf toegebogen. Blijf dus voor altijd vast bij je keuze. Pilatus zei in een heel andere zaak: “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” Zeg het hem na: “Wat ik gekozen heb, dat heb ik gekozen.” — Jeremiah Burroughs, in “Moses his Choice”.
Vers 173, 174
“Ik heb … verkoren.” “Mijn vermaking.” Opgewektheid hoort bij het kiezen van iets. Is er alleen zwaarmoedigheid? Dan hebben we het nooit zelf gekozen en zijn we er alleen toe gedwongen. Wie blij dient, ontvangt ook blij: “Gij ontmoet den vrolijke, en die gerechtigheid doet” (Jes. 64:5). God steekt zelf de hand uit om zo iemand te helpen. Christus moet niets hebben van een norse, slome dienst. Zo’n houding bij gehoorzaamheid is een schande voor God en voor de godsdienst. Voor God, want dan laten we merken dat we argwaan tegen Hem koesteren, alsof Hij een harde baas is. Voor de godsdienst, want zo gaan anderen denken dat plichten zware arbeid zijn en geen voorrechten.
— Stephen Charnock.
Wenken voor predikers
Vers 173
- “Het willen is wel bij mij.”
- “Maar het goede te doen, dat vind ik niet.”
- Help, Heere!
Vers 173
- We hebben hulp nodig om Gods geboden te houden.
- De hulp waar we om vragen: “Laat Uw hand” enzovoort. We mogen niets kiezen en niets doen waarbij we God niet om hulp kunnen vragen.
— G.R.
Vers 173
- Gods hand.
(a) Haar warme greep (Joh. 10:29).
(b) De rijkdom die zij in zich draagt (Ps. 104:28).
(c) Haar zware slag (Ps. 39:11).
(d) Haar gewicht (1 Sam. 5:11).
(e) Haar reddende bereik (Jes. 59:1).
(f) Haar zoete schaduw (Jes. 49:2) enzovoort.
- De heilige trekt Hem aan Zijn mouw: “Laat Uw hand mij te hulp komen.”
(a) Hoe nederig hij zijn nood voorlegt.
(b) Hoe hij Gods hand naar zich toe haalt.
— W.B.H.
Vers 173
“Laat Uw hand mij te hulp komen.”
- Uw verzoenende hand: “uitgestrekt”.
- Uw vertroostende hand, zoals die welke Daniël en Johannes aanraakte.
- Uw voorzienende hand: “Gij doet Uw hand open” enzovoort.
- Uw beschermende hand: “Al zijn heiligen zijn in Uw hand” (Deut. 33:3). “Den grote Herder der schapen” (Hebr. 13:20).
- Uw ondersteunende hand: “ook ondersteun Ik u” (Jes. 41:10).
- Uw regerende hand: “Mijn tijden zijn in Uw hand” (Ps. 31:16).
- Uw tuchtigende hand: “Uw hand was dag en nacht zwaar op mij” (Ps. 32:4).
- Uw zegenende hand: “de hand des Heeren was met hen” (Hand. 11:21) enzovoort.
— W.J.
Uitleg
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil.” Hij spreekt als de oude Jakob op zijn sterfbed. Alle heiligen komen trouwens, in gebed en in sterven, op één lijn uit: in woord, daad en gezindheid. Hij kende Gods heil al, en toch verlangde hij er nog naar. Hij had er al een deel van ervaren. Daarom verwachtte hij nog iets hogers en vollers. Er komt nog een heil. Dan zijn we volledig verlost uit het lichaam van deze dood, bevrijd van alle onrust en moeite van dit sterfelijke leven, verheven boven de verzoekingen en aanvallen van de satan, en dicht bij onze God gebracht. Dan zijn we zoals Hij en altijd bij Hem, tot in alle eeuwigheid.
“Ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.” Het eerste deel vertelt waar de heilige naar verlangt. Dit deel zegt waar hij nu mee tevreden is. Gods wet, vervat in de tien geboden, geeft gelovigen vreugde. Gods wet, dat wil zeggen de hele Bijbel, is een bron van troost en genot voor iedereen die haar aanneemt. We hebben de volheid van ons heil nog niet bereikt. Toch lezen we in Gods Woord zo veel over een heil dat nu al van ons is, dat we er nu al blij mee zijn.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil” enzovoort. David zet twee dingen naast elkaar: “ik verlang naar Uw heil” en “Uw wet is al mijn vermaking”. Wat leren we daaruit? Het is niet genoeg om te zeggen dat je gered wilt worden en daarnaar verlangt. Je moet er ook gewetensvol de middelen voor gebruiken die God daarvoor heeft gegeven. David zou een huichelaar zijn geweest als hij naar redding had verlangd, terwijl zijn geweten niet kon getuigen dat Gods wet zijn vermaak was. Iemand die elke dag bidt om dagelijks brood, maar zelf geen werk doet, bespot God.
Dat geldt ook voor wie zijn brood met bedrog en roof zoekt en niet vertrouwt op Gods voorzienigheid. Wie zou geloven dat iemand beter wil worden, terwijl hij de middelen voor zijn herstel minacht of laat liggen? God heeft in Zijn wijsheid voor alles wat geoorloofd is een geoorloofde weg gegeven. Gebruik je die weg gehoorzaam? Dan mag je zeker rekenen op een goed resultaat. Laat je de weg liggen en hoop je toch aan te komen? Dan is dat louter aanmatiging. God redde Noach van de vloed, maar Noach moest dan wel “bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid” (Hebr. 11:7).
Anders was hij nooit ontkomen. God redde Lot uit Sodom, maar Lot moest zich haasten en mocht niet omkijken voordat hij in Zoar was (Gen. 19:17). God genas Hizkia van zijn ziekte, maar Hizkia moest “een klomp vijgen” nemen en die “tot een pleister op het gezwel maken” (Jes. 38:21). God behield Paulus en zijn reisgenoten op zee, maar de zeelieden moesten aan boord blijven. Paulus zei: “Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden” (Hand. 27:31). — Samuel Hieron, 1572-1617.
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil.” Het ging hem om Gods eigen heil: “Uw heil”. Niets anders kon zijn zuivere geest bevredigen: volkomen vrede met God, volkomen reinheid en volkomen hoop. Wil je weten hoe God verloste en welke weg Hij naar het heil wees? Die stond beschreven in Zijn Woord, en dat noemt de psalmist Zijn “wet”. Gods heil en Zijn wet bleken voor hem één te zijn. “O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.” — John Stephen.
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil.” Het heil door de “hand” of de arm van Jehova (in de Schrift vaak een naam voor de Messias) was waar de gelovigen op hoopten, naar uitkeken en naar “verlangden”. Zo is het geweest van Adam tot op dit uur. En zo blijft het totdat Hij Die ons al eens in diepe nederigheid bezocht, terugkomt in heerlijke majesteit. Dan voltooit Hij onze verlossing en neemt Hij ons tot Zich. — George Horne.
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil.” Naar een heil dat nu al helpt tegen de schuld en de macht van de zonde, en naar een heil dat nog komt: het volle, eeuwige genieten van God in de hemel. David had het geluk dat hij zowel de vergevende barmhartigheid kende als de heiligende genade. Toch bleef hij verlangen naar meer van dit heil. Hij wilde een vaster geloof in Gods vergevende barmhartigheid en een ruimere mate van heiligende genade. Een ziel die genade kent, wordt nooit verzadigd. Hoe meer ze heeft gekregen, des te meer wil ze krijgen. Wie geniet, krijgt geen walging maar juist meer trek. Ja, geestelijke dingen smaken zo zalig dat elke nieuwe slok de dorst naar al het andere stilt.
“Uw wet is al mijn vermaking.” David kiest hier het woord “wet” voor Gods hele openbaring van Zijn wil. Daarmee wijst hij ons op het onlosmakelijke verband tussen voorrecht en plicht, geloof en gehoorzaamheid, heiligheid en troost. En hij leert ons dat we God dankbaar moeten zijn voor de aanwijzingen op de weg naar de hemel, niet minder dan voor de beloften die ons verzekeren dat we er zullen aankomen. — Robert Walker, 1716-1783.
Vers 174
“Uw wet is al mijn vermaking.” De godsdienst bloeit of verwelkt, afhankelijk van of ze voor ons plicht is of vermaak. Onze geest houdt een voortdurende krachtsinspanning om zijn plicht te doen niet vol, maar gaat gemakkelijk mee in “vermaak”. Zo worden onze plichten voorrechten, met Christus als hun bron en leven. Elke stap vooruit is een stap naar meer geluk. Dit vers kun je het best verstaan door het te ervaren. Het is wat de gelovige zegt, zowel wanneer hij vol leven is als wanneer hij kwijnt. Hoe meer hij Gods nabijheid kent en proeft, des te meer verlangt hij ernaar haar te kennen en te proeven. — Charles Bridges.
Vers 174
“Vermaak” staat in het meervoud, “vermakelijkheden”, net als in vers 24, 77, 92 en 143. Gods Woord is voor Zijn volk een overvloedige bron van genot. — William S. Plumer.
Wenken voor predikers
Vers 174
- Wat Jakob verlangde.
- Wat Mozes koos.
Vers 174
Gods knecht drinkt uit de bron van het heil, en toch blijft zijn dorst.
- Verlangen dat overgaat in vermaak.
(a) Vermaak in Gods heil.
(b) Vermaak in de rijke schatkamer van de Schrift.
- Vermaak dat nieuw verlangen wekt.
(a) Verlangen naar diepere ontdekkingen in het Woord.
(b) Verlangen naar rijkere ervaringen in het leven.
(c) Verlangen naar de voltooiing in de hemel.
— W.B.H.
Vers 174
- Zuchten naar de hemel. Heiligheid, geluk, God.
- Teugen onderweg. Gods Woord, Gods wil, de dienst aan God, God in alles.
— W.B.H.
Vers 174
“O HEERE! ik verlang naar Uw heil.” Uw heilig heil. Uw volledig heil. Uw gratis heil. Uw heil voor nu. Uw blijvend heil. — W.J.
Vers 174
“Ik verlang” enzovoort. Dit verlangen ontstaat:
- Uit een pijnlijk besef dat we redding nodig hebben.
- Uit het zien van de heerlijkheden van Gods heil.
- Uit de beloften die ons verzekeren dat we dit heil kunnen krijgen.
- Uit de genadige aandrijving van de Heilige Geest.
— W.H.J.P.
Uitleg
Vers 175
“Laat mijn ziel leven.” Vul haar met leven. Behoed haar ervoor af te dwalen op de wegen van de dood. Laat haar genieten van de inwoning van de Heilige Geest. Laat haar leven tot de volheid van het leven, tot de uiterste mogelijkheden van haar nieuwgeschapen bestaan.
“En zij zal U loven.” Zij zal U loven voor het leven, voor nieuw leven, voor eeuwig leven, want U bent de Heere en de Gever van het leven. Hoe meer zij leeft, des te meer zal zij loven. En als zij in volmaaktheid leeft, zal zij U in volmaaktheid loven. Geestelijk leven is bidden en loven. “En laat Uw rechten mij helpen.” Ik lees het verslag van wat U gedaan hebt, in schrik of in liefde. Laat mij daardoor tot leven komen en groeien. Ik zie Uw hand werkelijk aan het werk, aan mij en aan anderen.
Zij tuchtigt de zonde en lacht de gerechtigheid toe. Laat mij daardoor geholpen worden om zowel recht te leven als U te loven. Laat al Uw daden in de voorzienigheid mij onderwijzen en mij bijstaan in de strijd om de zonde te overwinnen en de heiligheid te beoefenen. Dit is de tweede keer in dit gedeelte dat hij om hulp vraagt. Hij had haar altijd nodig, en wij hebben haar ook altijd nodig.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 175
“Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven” enzovoort. Dit vers bevat drie dingen. Eerst Davids bede om leven: “Laat mijn ziel leven.” “Mijn ziel” is: ikzelf. De ziel staat hier voor de hele mens. Het tegenovergestelde zei Simson: “Mijn ziel sterve met de Filistijnen” (Richt. 16:30). In de kantlijn staat in het Hebreeuws letterlijk: “Laat mijn ziel sterven.” Zijn vijanden waren wreed en stonden hem naar het leven. Daarom vraagt hij aan God of Hij hem in leven wil houden. Ten tweede zijn argument: het doel van zijn leven: “En zij zal U loven.” Het doel dat hij had, was God te verheerlijken.
De vrucht van al Gods weldaden is dat ze ons dienen en dat ze God prijzen. David betuigt dat hij alle dagen van zijn leven zou leven in het besef en de erkenning van zo’n weldaad.
Ten derde: waarop zijn hoop en vertrouwen rusten, in het laatste deel: “en laat Uw rechten mij helpen.” Onze hoop op hulp rust op Gods oordelen, en daarmee wordt Zijn Woord bedoeld. Er zijn oordelen die zijn vastgesteld en oordelen die zijn uitgevoerd. Er zijn oordelen in de leer en oordelen in de voorzienigheid. Die plaats wijst op het verschil: “Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen” (Pred. 8:11). Er bestaat sententia lata et dilata: een uitgesproken vonnis en een uitgesteld vonnis.
Hier staan Gods oordelen voor het uitgesproken vonnis, en vooral voor een deel ervan: de beloften van genade. Net als in: “want ik hoop op Uw rechten” (Ps. 119:43). Beloften zijn waar de hoop zich op richt. — Thomas Manton.
Vers 175
“Laat mijn ziel leven.” Welk leven vraagt de psalmist nu anders dan het heil waarnaar hij zojuist zei te verlangen? De smaak die hij heeft gekregen, maakt hem hongerig naar een hoger en aanhoudender genieten. Niet om zichzelf te verzadigen, maar om zich te kunnen wijden aan het lofprijzen van zijn God. We zijn nu bijna aan het einde van deze psalm gekomen. We kunnen dan ook niet anders dan opmerken hoe zijn ervaring wordt doortrokken van lofprijzing. Dat kenmerk zie je in het algemeen in de slotpsalmen van dit heilige boek. We verliezen veel geestelijke kracht doordat we ons te weinig bezighouden met het lofprijzen. — Charles Bridges.
Vers 175
“Leef en loof.” De heilige gebruikt zijn aardse bezittingen voor een hemels doel. Waar bewaar jij je schat? Besteed je hem aan je zinnelijke lusten, aan je valken en je honden? Of vertrouw je hem toe aan de arme leden van Christus? Wat doe je met je eer en je aanzien? Versterk je ermee de handen van de godvruchtigen of die van de goddelozen? Zo ook met al je andere aardse bezittingen. Een hart dat genade kent, gebruikt ze voor God. Bidt een heilige om deze dingen? Dan heeft hij daarbij een hemels doel voor ogen.
Bidt David om leven? Dan niet om zomaar te leven, maar om te “leven en God te loven”. Absalom had hem met een opstand van zijn koninklijke troon verdreven. Kijk dan wat zijn wens en zijn hoop toen waren (2 Sam. 15:25): “Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des HEEREN ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.” Let op: hij vraagt niet om zijn kroon of zijn paleis weer te zien, maar om de ark, het huis van God. — William Gurnall.
Vers 175
“Leef en loof.” Een levendige ziel is een gave van de Geest, en ze toont zich in overvloedige lofzangen. — Henry Law.
Vers 175
“En laat Uw rechten mij helpen.” In het tweede deel zou het te hard zijn om het woord “rechten” op te vatten als de geboden. Het is immers niet hun eigenlijke taak om hulp te geven. De profeet beseft dus kennelijk dat hij aan ontelbare rampen blootstaat. Gelovigen wonen in deze wereld immers als schapen onder wolven, doordat de goddelozen zich alles veroorloven. Daarom roept hij God aan om hem te beschermen. God moet de goddelozen met Zijn verborgen voorzienigheid ervan weerhouden hem kwaad te doen. Het is een uiterst nuttige les. Heerst er in de wereld grote verwarring en komt onze veiligheid in gevaar door zo veel verschillende stormen? Dan mogen we onze ogen opheffen naar Gods oordelen en daar een geneesmiddel zoeken. — Johannes Calvijn.
Vers 175, 176
Al zwerf ik als een schaap, ver van Uw wei,
Uw geboden vergat ik niet: zoek mij!
Strek Uw hand uit, haal Uw eigendom weer;
laat mij leven en prijzen, Uw Naam ter eer.
— Richard Mant.
Wenken voor predikers
Vers 175
- Het hoogste leven.
- Het hoogste werk.
- Beide hangen af van de hoogste hulp.
Vers 175
Lofprijzing.
- Het edelste werk in het leven: God prijzen.
- De edelste uiting van lof: het heilige leven.
- De edelste toepassing van Gods oordelen: dat ze lofprijzing wekken.
Uitleg
Vers 176
Hier komt de afsluiting, de slotsom van alles: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap.” Ik deed het vaak, met opzet en roekeloos, ja, zonder hoop op terugkeer, als Uw ingrijpende genade er niet was geweest. Vroeger, vóór mijn verdrukking en vóór U mij Uw inzettingen helemaal had geleerd, liep ik dwars. “Ik heb gedwaald” weg van de praktische voorschriften, weg van de onderwijzingen die licht gaven en weg van de hemelse ervaringen die U mij had voorgehouden. Ik raakte de weg kwijt en ik raakte mijzelf kwijt. Zelfs nu neig ik nog tot dwalen. Eigenlijk heb ik al rondgezworven. Daarom, Heere, haal mij terug.
“Zoek Uw knecht.” Hij was geen hond, die op de een of andere manier zelf de weg naar huis weet te vinden. Hij was een verloren schaap, dat zich steeds verder van huis verwijdert. Toch bleef hij een schaap, en wel het schaap van de Heere. Hij was Zijn eigendom, kostbaar in Zijn ogen. Daarom hoopte hij dat Hij hem zou zoeken om hem terug te brengen. Hoe ver hij ook was afgedwaald, hij was nog altijd meer dan een schaap: hij was Gods “knecht”. Daarom verlangde hij ernaar weer in het huis van zijn Meester te zijn en opnieuw eervolle opdrachten van zijn Heere te krijgen.
Was hij alleen maar een verloren schaap geweest, dan had hij niet gebeden om gezocht te worden. Maar omdat hij óók een “knecht” was, kon hij bidden. Hij roept: “Zoek Uw knecht.” En hij hoopt dat hij niet alleen wordt gezocht, maar ook vergeven, aangenomen en door zijn genadige Meester weer aan het werk gezet.
Let goed op deze belijdenis. Vaak heeft David in deze psalm zijn onschuld verdedigd tegen lasterende beschuldigers. Maar staat hij voor het aangezicht van de Heere zijn God? Dan belijdt hij maar al te graag zijn overtredingen. Hier vat hij niet alleen zijn verleden samen, maar ook zijn leven op dit moment. Hij gebruikt daarvoor het beeld van een schaap dat uit zijn weide is ontsnapt. Het heeft de kudde verlaten, het is bij de herder weggelopen en het heeft zichzelf in de woeste wildernis gebracht. Daar is het een verloren ding geworden. Het schaap blaat en David bidt: “Zoek Uw knecht.”
Zijn argument is sterk: “want Uw geboden heb ik niet vergeten.” Ik weet wat goed is. Ik keur het goed en ik bewonder het. Meer nog: ik heb het licht lief en ik verlang ernaar. Ik kan er niet mee leven dat ik in de zonde blijf. Ik moet terug op de wegen van de gerechtigheid. Ik heb heimwee naar mijn God. Ik smacht naar de wegen van de vrede. Ik vergeet Uw geboden niet, en ik kan ze niet vergeten. Ook kan ik niet ophouden te weten dat ik altijd het gelukkigst en het veiligst ben als ik ze nauwgezet gehoorzaam en daar al mijn vreugde in vind.
Laat Gods genade ons in ons hart de liefdevolle herinnering aan Gods geboden bewaren? Dan zal ze ons zeker ook weer terugbrengen naar een leven van heiligheid. Wie met zijn hart nog bij God is, kan niet helemaal verloren zijn. Is hij op veel punten afgedwaald, maar is hij in de diepste verlangens van zijn ziel oprecht? Dan wordt hij weer gevonden en helemaal hersteld. Toch moet de lezer, terwijl hij het laatste vers leest, ook het eerste vers van de psalm in gedachten houden. De grootste zegen is niet dat je wordt hersteld na het dwalen.
De grootste zegen is dat je tot het einde toe op een onberispelijke weg wordt vastgehouden. Laten wij het midden van de weg houden en de koninklijke hoofdweg nooit verlaten voor de Zijpad-weide of een ander bloemrijk pad van de zonde. Moge de Heere ons tot het einde toe ondersteunen. Maar zelfs dan kunnen wij ons niet beroemen zoals de farizeeër. We blijven bidden zoals de tollenaar: “O God! wees mij zondaar genadig!” En zoals de psalmist: “Zoek Uw knecht.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 176
“Ik heb gedwaald als een verloren schaap.” Een schaap kan dwalen, maar de stem van de herder roept het snel terug: “Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27). Zo ging het met David toen hij tegen Nabal optrok: de stem van de Heere, door een vrouw, riep hem terug. En na de moord op Uria haalde Nathan hem terug. Willen wij dus schapen zijn? Dan mogen we soms dwalen, maar dan moeten we ons ook makkelijk laten terughalen. — Richard Greenham.
Vers 176
“Ik heb gedwaald als een verloren schaap”: door een storm of een donkere dag verdreven, of door de jacht van honden uit de kudde weggejaagd. — David Dickson.
Vers 176
“Ik heb gedwaald als een verloren schaap” enzovoort. Dit is dus waar het allemaal op uitkomt: “een verloren schaap!” Deze lange psalm vol lofbetuigingen, lofzangen, belijdenissen, voornemens en grote verwachtingen loopt hierop uit: de dichter is een schaap dat dreigt om te komen. Maar wacht, er is hoop: “zoek Uw knecht.” “Ik heb gedwaald als een verloren schaap.” Het grondwoord reikt heel ver. Het slaat op alle voorbije tijd, en ook op wat de mens van nature steeds weer doet. Een gelovige beseft dat hij verdwaald was toen Gods genade hem vond. Hij beseft dat hij vaak was afgedwaald, als Gods genade dat niet had tegengehouden.
Hij weet dat hij bij deze en gene ongelukkige gelegenheid is afgedwaald. Hij beseft ook dat hij in alles wat hij deed is gedwaald, en dat hij zelfs nu dwaalt. Maar het woord drukt ook de vaste neiging uit: “Ik dwaal als een verloren schaap.” Die vertaling past bij het gebed: “Zoek Uw knecht.” Ook het derde deel is dan juist weergegeven, in overeenstemming daarmee: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.” Dit alles schetst de verdorvenheid die in de gelovige is achtergebleven. Hij vergeet de Heere niet.
De wortel van de zaak zit in hem, het zaad van het goddelijke leven. En toch dwaalt hij. Daarom heeft hij dit gebed nodig: “Zoek Uw knecht.” Jesaja beschrijft de mensen met dezelfde woorden, maar het bereik is daar duidelijk ruimer, zoals de samenhang laat zien: “Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen” (Jes. 53:6). Dat lijkt te gaan over het hele menselijke geslacht. De ervaring van de psalmist lijkt meer op wat de apostel Paulus beschrijft: “Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is” (Rom. 7:21-23).
En de psalmist had in die vroege tijd hetzelfde geneesmiddel als de apostel in latere tijd, want Gods heil is één. Het geneesmiddel van de psalmist was: “Zoek Uw knecht.” Dat van de apostel: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere” (Rom. 7:24-25). — John Stephen.
Vers 176
“Ik heb gedwaald.” Het grondwoord wil zeggen dat de voet of het hart (of allebei) van de weg afdwaalt. “Ik heb gedwaald als een verloren schaap” betekent: ik ben misleid en zo van de weg van Uw heilige geboden geraakt. De satan is een slechte gids, en ons hart is niet beter. Wie een van beide volgt, is zichzelf zo kwijt. En zolang God ons niet zoekt (zoals David in de volgende woorden bidt), vinden we de weg niet terug als we er eenmaal vanaf zijn. — Joseph Caryl.
Vers 176
“Ik heb gedwaald.” Gotthold stond op een dag te kijken naar een boer, die zijn schapen één voor één telde toen ze van het land kwamen. Zelf zat hij toen vol zorg en verdriet. Hij sprak zijn hart uit: “Mijn ziel, waarom ben je zo terneergeslagen, en waarom laat je je kwellen door benauwde gedachten? Je bent de Allerhoogste toch zeker even dierbaar als zijn lammeren aan deze boer. Ben jij niet meer waard dan een heleboel schapen? Is Jezus Christus niet jouw Herder? Heeft Hij niet Zijn bloed en Zijn leven voor jou ingezet? Gelden Zijn woorden dan niet ook voor jou: ‘En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken’?” (Joh. 10:28).
Deze man houdt zijn kudde bij. Zou God dan Zijn gelovige kinderen, Zijn uitverkorenen, niet bijhouden en voor hen zorgen? Zijn geliefde Zoon heeft immers gezegd dat zelfs “uw haren des hoofds” allemaal geteld zijn (Matth. 10:30). Misschien ben ik vandaag wel van het pad geraakt en heb ik achteloos mijn eigen zin gedaan. Maar als het avond wordt en de trouwe Herder Zijn lammeren telt, merkt Hij dat ik ontbreek. Dan gaat Hij genadig naar mij op zoek en brengt Hij mij terug. Heere Jezus: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.” — Christian Striver (1629-1693), in Gotthold’s Emblems.
Vers 176
“Ik heb gedwaald” enzovoort. Van wie zegt men dat hij een man naar Gods hart is? Van David, de Hebreeuwse koning. Hij was in genoeg zonden gevallen, en dat waren de zwartste misdaden. Aan zonde ontbrak het niet. Daarom lachen ongelovigen hem uit: “Dát is dus jullie man naar Gods hart?” Naar mijn gevoel is die spot oppervlakkig. Wat zeggen fouten en de uiterlijke feiten van een leven, als je vergeet wat er binnenin gebeurt? Het berouw. De verzoekingen. De strijd die zo vaak werd verijdeld maar nooit tot een einde kwam?… De psalmen vertellen ons Davids leven en geschiedenis.
Ik beschouw die als het meest ware beeld dat ons ooit is gegeven van de morele groei en strijd van een mens hier op aarde. Iedere ernstige ziel zal daarin altijd de trouwe worsteling terugzien van een ernstige menselijke ziel op weg naar het goede en het beste. Die worsteling mislukt vaak, bitter zelfs, alsof er een complete schipbreuk volgt. Maar ze eindigt nooit. Telkens begint ze weer opnieuw, met tranen, spijt en een echt onoverwinnelijk voornemen. — Thomas Carlyle (1795-1881), in “Heroes and Hero Worship”.
Vers 176
“Want Uw geboden heb ik niet vergeten.” Ik dool rond. Ik weet dat ik dwaal en ik voel mijn schuld. Toch merk ik dat ik Uw wet, Uw dienst en Uw geboden liefheb. Ze zijn de vreugde van mijn hart. Ik wil zo graag uit al mijn omzwervingen worden teruggeroepen. Dan vind ik in U en in Uw dienst voor altijd volmaakt geluk. Zo bidt elk wedergeboren hart vurig. Want iemand kan dan wel van God zijn afgedwaald, maar hij weet dat hij werkelijk aan Hem en Zijn dienst gehecht is. Hij verlangt ernaar, en hij bidt vurig, dat hij wordt “opgezocht”, teruggebracht en behoed voor verder afdwalen. — Albert Barnes.
Vers 176
“Want Uw geboden heb ik niet vergeten.” Wie God vreest, kan nooit zo diep vallen dat er geen genade in hem achterblijft. Die genade houdt de hoop levend op een geneesmiddel dat hem geneest. Zo ook bij David. Hij overtrad enkele van Gods geboden, maar hij raakte ze niet helemaal kwijt uit zijn geheugen. — William Cowper.
Vers 176
Een beter einde voor zo’n psalm kan ik me niet voorstellen. Zijn ervaringen zijn zo wisselend en de stemmingen en gevoelens zo veranderlijk, zelfs bij een kind van God: zon en wolken, windstilte en storm. Het slot is dit: hij beseft onverminderd dat hij de neiging heeft te dwalen. Hij zegt dat hij de weg terug helemaal niet zelf kan vinden zonder dat de leidende hand van de Heere hem herstelt. En tegelijk, ondanks dit alles, blijft hij vastbesloten Gods geboden nooit te vergeten. Wat laat dit vers ons zien van onze arme, eigenzinnige harten!
We zijn niet alleen geneigd tot dwalen, we dwalen de hele tijd. Steeds raken we de weg kwijt. Steeds struikelen we over de donkere bergen, terwijl we ons toch aan Gods geboden vastklampen. Maar tegelijk, wat voor gebed geeft dit vers ons mee: “Zoek Uw knecht”, ofwel: “ik ben van U, behoud mij.” Ja, de Heere zij geprezen: er is Eén Die machtig is om te redden. “Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid” (1 Petr. 1:5). — Barton Bouchier.
Zover ik kon, en zover de Heere mij daarbij hielp, heb ik deze grote psalm van het begin tot het eind behandeld en uitgelegd.
Bekwamere en geleerdere uitleggers hebben dat werk beter gedaan of zullen het nog doen. Maar daarom mocht ik mijn diensten nog niet achterhouden, toen mijn broeders er dringend om vroegen. — Augustinus.
Wenken voor predikers
Vers 176
- Mijn belijdenis: “Ik heb gedwaald.”
- Mijn verklaring: “Uw knecht.”
- Mijn bede: “zoek Uw knecht.”
- Mijn pleitgrond: “want Uw geboden heb ik niet vergeten” enzovoort.
Vers 176
- De belijdenis: “Ik heb gedwaald.”
- De bede: “Zoek Uw knecht.”
- De pleitgrond: “Want Uw geboden heb ik niet vergeten” enzovoort.
— G.R.
Vers 176
Het laatste vers als zodanig. De afsluitende cadans in mineur.
- De hoogste vluchten van menselijke toewijding moeten uitlopen op een belijdenis van zonde: “Ik heb gedwaald.”
- De oprechtste verklaringen van menselijke trouw moeten plaatsmaken voor het erkennen van onmacht: “zoek Uw knecht.”
- De verhevenste menselijke uitspraken van liefde voor Gods wet moeten afdalen tot de droeve erkenning dat we haar alleen maar niet vergeten zijn.
— C.A.D.
Werken over de honderdnegentiende psalm
“Two and Twentie Sermons of Maister Iohn Caluin. In which Sermons is most religiously handled, the hundredth and nineteenth Psalme of Dauid, by eight verses apart according to the Hebrew Alphabet.” Uit het Frans in het Engels vertaald door Thomas Stocker.
Gedrukt in Londen voor John Harison en Thomas Man, 1580. 4to.
“An Exposition on the 119 Psalme.” In “The Workes of…M. RICHARD GREENHAM”, blz. 379-608, folio, 1612.
“A Holy Alphabet for Sion’s Scholars; Full of Spiritval Instrvctions, and Heavenly Consolations, to direct and encourage them in their Progresse towards the New Jerusaleum: Deliuered, by way of Commentary vpon the whole 119 Psalme.” Van WILLIAM COWPER, dienaar van Gods Woord en bisschop van Galloway… 4to. Londen… 1613. Ook opgenomen in Bishop Cowper’s Works, blz. 359-474, folio, 1629.
“Summary and Holy Observations collected out of the route first Octonaries or parts of the hundred and nineteenth Psalme.” Dit werk staat in “A Commentarie upon the first and second chapters of Saint Paul to the Colossians…together with divers places of Scripture briefly explained.” Van Mr. Paul Bayne, B.D. Londen: 1635. 4to.
“One Hundred and Ninety Sermons on the Hundred and Nineteenth Psalm.” Van ds. THOMAS MANTON, D.D., folio. Londen, 1725. Ook verschenen in 3 delen, 8vo., 1842; in 3 delen (met levensbeschrijving), 1845; en in deel 7, 8 en 9 van Nichol’s (nu Nisbet’s) uitgave van Manton’s Works.
“An Hundred, Seventy and Six, SACRED OBSERVATIONS. Upon the Several VERSES of (The Sweetest of PSALMES) the Hundred and Nineteenth PSALM, Stated, Opened, and Applied (as a brief Exposition thereon) to the People of WEST COWES, in the Isle of WIGHT, being the Exercise of my Publick Ministry, in their New Chappel, lately Consecrated by the Right Reverend Father in God, George Lord Bishop of WINTON.”
Dit werk vormt het slotdeel van een heel klein boekje in 8vo., met de titel “MOSES REVIVED”, over “The Unlawfulness of Eating Blood”, van John Moore, 1669. De uitleg is eenvoudig waardeloos. Wij noemen haar alleen om verzamelaars van psalmenliteratuur moeite en kosten te besparen.
“Exposition of Psalms 119:1-176 as illustrative of the Character and Exercises of Christian Experience.” Van ds. CHARLES BRIDGES, M.A. 12mo 1827, en vele latere uitgaven.
“Lord’s Day Literature: or, Illustrations of the Book of Psalms, from the Hundred and Nineteenth Psalm consecutively.” Van R. B. SANDERSON, Esq., B.A. 12mo 1842.
“The Utterance of the 119. Psalm; expounded in a Series of Lectures.” Van ds. JOHN STEPHEN, A.M. Free John Knox’s, Aberdeen… 1861. 2mo
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas