Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 115 — Treasury of David

Onderwerp
De vorige psalm bezong de wonderen die God vroeger had gedaan, tot Zijn eer. In déze psalm vraagt het volk Hem Zichzelf opnieuw te verheerlijken. Want de heidenen redeneerden dat er geen wonderen meer gebeurden. Ze hielden vol dat de wonderen van vroeger nooit hadden plaatsgevonden, en ze tergden Gods volk met de vraag: “Waar is nu hun God?” Het schrijnde de vromen in het hart dat Jehova zo werd onteerd. Hun eigen schande telden ze nauwelijks mee. Ze smeken de Heere alleen maar om Zijn eigen Naam te handhaven.
De psalmist is zichtbaar verontwaardigd. Hoe durven mensen die dwaze afgoden aanbidden zo’n spottende vraag te stellen aan het volk dat de enige levende en ware God dient! Eerst geeft hij zijn verontwaardiging lucht in bijtende spot over de beelden en de mensen die ze maken. Daarna roept hij het huis Israëls op om op God te vertrouwen en Zijn Naam te prijzen. Wie gestorven en heengegaan is, kan onder de mensenkinderen geen psalmen meer zingen voor de Heere. Daarom spoort hij de gelovigen die nu nog leven aan om ervoor te zorgen dat God Zijn lof niet misloopt. Hij sluit af met een jubelend Halleluja. Horen levenden de levende God niet hoog te verheffen?
Indeling
Om de psalm goed te kunnen uitleggen, verdelen we hem als volgt. Eerst smeken we God om Zijn eigen eer te handhaven (vers 1 en 2). Dan volgt een minachtende beschrijving van de valse goden en van wie hen aanbidden (vers 3-8). Daarna worden de gelovigen aangespoord op God te vertrouwen en grote zegeningen van Hem te verwachten (vers 9-15). Vervolgens wordt uitgelegd hoe God staat tegenover de toestand waarin ze nu verkeren (vers 16). En ten slotte volgt een herinnering: God moet hier op aarde onafgebroken geloofd worden, niet door de doden, maar door de levenden.
Uitleg
Vers 1
Denk er goed aan dat deze psalm bij het Pascha werd gezongen. Daarom heeft hij te maken met de bevrijding uit Egypte. De kern van het lied lijkt een gebed te zijn: dat de levende God, Die zo heerlijk aanwezig was bij de Rode Zee en bij de Jordaan, om Zijns Naams wil opnieuw de wonderen van Zijn macht zou laten zien! “Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer.” Het volk wilde vanzelfsprekend graag verlost worden van de hoon van de afgodendienaars. Maar het verlangde vooral dat Jehova Zelf niet langer door de heidenen bespot zou worden.
Het pijnlijkste in al hun nood was dat hun tegenstanders hun God niet meer vreesden en niet meer ontzagen. Toen Israël Kanaän binnentrok, sloeg de schrik alle volken in de omtrek om het hart, vanwege Jehova, de machtige God. Maar die angst hadden de volken van zich afgeschud. Er was de laatste tijd immers geen enkel opvallend wonder van Zijn kracht meer gezien. Daarom riep Israël tot zijn God dat Hij Zijn arm opnieuw zou ontbloten, zoals in de dagen toen Hij Rahab in stukken hieuw en de draak verwondde. In dit gebed hoor je duidelijk dat het volk zich onwaardig voelt.
Het had in het verleden zo vaak de trouw gebroken, dat het nauwelijks nog durfde te pleiten op het verbond en zegen voor zichzelf te vragen. Daarom nam het zijn toevlucht tot de eer van de Heere, zijn God. Dat is een oud argument. Mozes, hun grote wetgever, had er al met zoveel kracht mee gepleit: “Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.” Jozua gebruikte hetzelfde pleidooi toen hij vroeg: “Wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?” Laten ook wij zo bidden wanneer ons zondebesef ons geen enkel ander argument meer laat.
De Heere waakt immers altijd ijverig over Zijn eer. Hij gaat aan het werk om Zijns Naams wil, ook als niets anders Hem in beweging brengt. Het volk zegt twee keer “Niet ons”. Dat verraadt hoe ernstig het het meende: het wilde elke eer afwijzen die het zich ooit trots had toegeëigend. Het laat ook zien hoe vurig het wenste dat God Zijn eigen Naam groot zou maken, wat het hen ook mocht kosten. De gedachte hun eigen eer te zoeken stond hun tegen. Ze verwierpen haar met afschuw en ontkenden steeds opnieuw dat er in hun smeekbede ook maar een sprankje zelfverheerlijking zat.
“Om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.” Juist deze eigenschappen van God leken het meest op het spel te staan. Hoe konden de heidenen Jehova nog een barmhartig God vinden als Hij Zijn volk aan zijn vijanden uitleverde? En hoe zouden ze Hem nog trouw en waarachtig noemen als Hij, ondanks alles wat Hij plechtig in Zijn verbond had beloofd, Zijn uitverkoren volk volkomen verwierp? God is zeer ijverig voor deze twee heerlijke eigenschappen: genade en waarheid. Wie erop pleit dat die niet onteerd mogen worden, heeft bij Hem een sterke zaak. Onze tijd kent de eerste overwinningen van het evangelie nog slechts als verhalen uit een nevelig en ver verleden.
Twijfelaars gaan dan graag pochen dat het evangelie zijn jeugdige kracht kwijt is. Sommigen durven zelfs een smet te werpen op de Naam van God Zelf. Dan mogen wij met recht smeken dat Hij ingrijpt. Laat die schijnbare smet van Zijn wapenschild verdwijnen, en laat Zijn eigen Woord weer stralen zoals in de dagen van weleer! We mogen niet verlangen dat onze meningen winnen, om onszelf of om de eer van een kerkelijke richting. Maar we mogen vol vertrouwen bidden dat de waarheid zegeviert, zodat God Zelf de eer ontvangt.
Vers 2
“Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?” Nog letterlijker is het: “Waar is toch hun God?” Waarom zouden de volken met een minachtend lachje het bestaan, de barmhartigheid en de trouw van Jehova in twijfel mogen trekken? Ze zijn altijd klaar om te lasteren. We doen er goed aan te bidden dat ze daar geen aanleiding toe vinden in de gang van de voorzienigheid of in het verval van de kerk. Zien ze dat de vromen onder de voet worden gelopen, terwijl zijzelf rustig leven en als vervolgers optreden? Dan praten ze al gauw alsof ze God Zelf hebben verslagen.
Of alsof Hij het strijdperk helemaal heeft verlaten en Zijn heiligen in de steek heeft gelaten. Lijken de gebeden en tranen van de vromen genegeerd te worden en wordt hun ellende groter in plaats van kleiner? Dan geven de goddelozen nog meer spot en hoon. Ze beweren zelfs dat hun eigen ellendige goddeloosheid beter is dan het geloof van de christenen, omdat het hun voorlopig zoveel beter gaat dan de geplaagde heiligen. En dát is nu juist de scherpste angel in wat Gods uitverkorenen doormaken. Ze zien dat de eer van de Heere wordt aangetast en dat Gods Naam door hun lijden wordt ontheiligd.
Konden ze maar hopen dat er iets goeds uit zou voortkomen! Dan zouden ze het geduldig dragen. Maar ze zien geen enkele vrucht die dit lijden zou rechtvaardigen. Daarom vragen ze in heilige onrust: “Waarom zouden de heidenen zo mogen spreken?” Het is een vraag waarop moeilijk een antwoord te geven is. Toch is er zeker een antwoord. Soms laat God de volken zo lasteren omdat ze de maat van hun ongerechtigheid vol moeten maken. En ook omdat Zijn latere ingrijpen dan des te heerlijker afsteekt tegen hun goddeloze grootspraak. Zeggen ze: “Waar is nu hun God?” Dan zullen ze het spoedig weten.
Er staat immers geschreven: “O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders.” Ze zullen het ook weten wanneer “de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders.” Zeggen ze: “Waar is de belofte Zijner toekomst?” Die komst zal voor hen snel zijn, en vreselijk. Wat onszelf betreft: door onze lauwheid en doordat we de trouwe prediking van het evangelie hebben verwaarloosd, hebben we de opkomst en verbreiding van de moderne twijfel mogelijk gemaakt. Dat moeten we met diepe smart in onze ziel belijden. Toch hoeven we daarom de moed niet te verliezen.
We mogen God nog altijd vragen Zijn eigen waarheid en genade te redden van de minachting van wereldse mensen. Onze eer en de eer van de kerk stellen weinig voor. Maar Gods heerlijkheid is het sieraad van het heelal, en al het andere is slechts de zetting waarin dat sieraad gevat is. We mogen naar de Heere gaan en een beroep doen op Zijn ijver voor Zijn Naam. We weten zeker dat Hij niet zal toelaten dat die Naam onteerd wordt. Waarom zouden de zogenaamde wijzen van deze tijd mogen zeggen dat ze twijfelen aan de persoonlijkheid van God?
Waarom zouden ze mogen zeggen dat verhoorde gebeden vrome inbeelding zijn? Of dat de opstanding en de Godheid van onze Heere Jezus nog maar twijfelachtige punten zijn? Waarom zouden ze neerbuigend mogen spreken over de verzoening door bloed en losprijs? Waarom mogen ze de leer van Gods toorn tegen de zonde zomaar verwerpen, die toorn die brandt tot in alle eeuwigheid? Ze spreken uitermate hoogmoedig. Alleen God kan hun arrogante bluf een halt toeroepen. Laten we Hem met buitengewone voorbede bestormen, zodat Hij ingrijpt. Laat Hij Zijn evangelie zo zegevierend rechtvaardigen dat de verdraaide tegenstand van goddeloze mensen volledig verstomt.
Vers 3
“Onze God is toch in den hemel.” Daar hoort Hij ook te zijn, ver buiten het bereik van sterfelijke spot. Hij hoort al het lege geklets van mensen, maar Hij ziet met stille minachting neer op de bouwers van Babel. De Heere is verheven boven elke macht die Hem tegenwerkt. Hij regeert vanaf een hoge en verheven troon. Zijn wezen kunnen we niet doorgronden. Hij staat hoger dan het hoogste denken van de wijzen. Zijn wil is absoluut, Zijn kracht oneindig. De grenzen van aarde en tijd gelden voor Hem niet. Deze God is onze God, en we schamen ons er niet voor Hem te belijden.
Het maakt niets uit dat Hij geen wonderen doet zodra een ijdele grootspreker Hem uitdaagt. Eens zeiden mensen tegen Zijn Zoon: kom van het kruis af, dan zullen we in U geloven. Nu eisen ze dat God de gewone grenzen van Zijn voorzienigheid overschrijdt en uit de hemel neerdaalt om hen te overtuigen. Maar Zijn verheven gedachten zijn met andere dingen bezig. Waarom zou Hij Zich druk maken om mensen die met opzet hun ogen sluiten? Overal om hen heen ligt overvloedig bewijs van Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid! Onze God is niet te zien en niet te horen.
We mogen Hem ook niet aanbidden onder een of ander zichtbaar teken. Toch is Hij er niet minder werkelijk en waarachtig om. Hij is immers daar waar Zijn tegenstanders nooit kunnen komen: in de hemel. Vanaf die plaats houdt Hij Zijn scepter uitgestrekt en regeert Hij met grenzeloze macht. “Hij doet al wat Hem behaagt.” Tot op deze dag zijn Zijn besluiten uitgevoerd en Zijn eeuwige plannen volbracht. Hij heeft niet geslapen. Hij is de zaken van de mensen niet vergeten. Hij heeft gewerkt, en Zijn werk is gelukt. Niemand kon Hem dwarsbomen, niemand kon Hem zelfs maar ophouden.
“Al wat Hem behaagt.” Zijn vijanden vinden dat misschien onaangenaam. Toch heeft de Heere elk deel van Zijn welbehagen moeiteloos uitgevoerd. Zelfs wanneer Zijn tegenstanders tegen Hem tekeergingen, moesten ze tegen hun zin Zijn plannen uitvoeren. Neem de trotse farao. Toen hij de Heere het hevigst trotseerde, was hij niet meer dan klei op de draaischijf van de pottenbakker. Wat de Heere met hem voorhad, werd tot in alle onderdelen bereikt. De spottende vraag “Waar is nu hun God?” kunnen we dus best verdragen. We weten zeker dat Zijn voorzienigheid ongestoord haar gang gaat. Zijn troon wankelt niet.
Zijn plannen veranderen niet. Wat Hij gedaan heeft, zal Hij weer doen. Zijn raad zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Aan het slot van het grote drama van de wereldgeschiedenis zal blijken dat Gods almacht, onveranderlijkheid en trouw méér dan in het gelijk zijn gesteld. Zijn tegenstanders zullen dan voor eeuwig beschaamd staan.
Vers 4
“Hunlieder afgoden zijn zilver en goud.” Dat is dode, levenloze stof. In het gunstigste geval is het edel metaal, maar dat metaal is net zo machteloos als het gewoonste hout of de eenvoudigste klei. De waarde van zo’n afgod laat vooral zien hoe dwaas de maker is, die zijn bezit verspilt. De macht van het beeld wordt er niet groter van. Zilver en goud zijn niet levender dan koper of ijzer. “Het werk van des mensen handen.” Een maker staat altijd boven wat hij gemaakt heeft. Daarom verdienen deze afgoden zelfs minder eer dan de vaklieden die ze vormden.
Wat is het onredelijk dat mensen aanbidden wat minder is dan zijzelf! Wat een vreemd idee dat een mens een god kan maken! Kan waanzin nog verder gaan? Onze God is een Geest, en Zijn handen hebben hemel en aarde gemaakt. Wij mogen Hem dus met volle recht aanbidden. Het hoeft ons niet te verontrusten als mensen spottend vragen waar Hij is. Zij zijn zo dwaas dat ze de levende God weigeren te aanbidden, maar wel hun knieën buigen voor beelden die ze zelf hebben gesneden. Dit alles kunnen we toepassen op onze eigen tijd.
De god van het moderne denken is een schepping van de denker zelf. Hij komt voort uit het eigen bewustzijn van die denker, of hij is gevormd naar het idee dat de denker heeft van hoe een god hoort te zijn. Dan is het meteen duidelijk dat zo’n wezen helemaal geen God is. Er kan onmogelijk een God bestaan buiten de God van de openbaring. Een god die we met onze eigen gedachten kunnen vormen, is niet méér God dan een beeld dat onze eigen handen hebben gemaakt. De ware God moet noodzakelijk Zichzelf openbaren. Het kan niet anders: een wezen dat het menselijk verstand kan bedenken en omvatten, is niet de oneindige en onbegrijpelijke God.
Hun afgoden zijn een verblind verstand en een zieke manier van denken. Ze zijn het product van verwarde mensenhersenen, en ze zullen tot niets vergaan.
Vers 5
“Zij hebben een mond, maar spreken niet.” De afgoden kunnen zelfs het zwakste geluid niet voortbrengen. Ze kunnen niet met hun aanbidders spreken. Ze kunnen niets beloven en met niets dreigen. Ze kunnen niets bevelen en niemand troosten. Ze kunnen het verleden niet uitleggen en de toekomst niet voorzeggen. Hadden ze geen mond, dan verwachtte niemand dat ze iets zeiden. Maar ze hébben een mond en spreken toch niet. Het zijn dus louter stomme afgoden. Ze zijn niet te vergelijken met de HEERE God, Die op de Sinaï donderde. Hij sprak vanouds door Zijn dienstknechten, de profeten.
Zelfs nu nog breekt Zijn stem de ceders van de Libanon. “Zij hebben ogen, maar zien niet.” Ze kunnen niet zien wie hun aanbidders zijn of wat die hun aanbieden. Sommige afgoden hadden juwelen in hun ogen die meer waard waren dan het losgeld van een koning. Toch waren ze net zo blind als de rest van het gezelschap. Een god met ogen die niet kan zien, is een blinde godheid. Blindheid is een ramp, geen eigenschap van een godheid. Wie een blinde god aanbidt, moet zelf wel erg blind zijn. We hebben medelijden met een blinde mens. Maar een blind beeld aanbidden? Dat is vreemd.
Vers 6
“Oren hebben zij, maar horen niet.” De psalmist had kunnen wijzen op de wanstaltige oren waarmee sommige heidense goden zijn ontsierd. Inderdaad: ze hebben oren! Maar geen enkel gebed van hun vereerders bereikt ze ooit, al roepen een miljoen stemmen het uit. Hoe kunnen goud en zilver horen? En hoe kan een denkend mens smeekbeden richten tot iets dat zelfs zijn woorden niet kan horen? “Zij hebben een neus, maar zij rieken niet.” De psalmist lijkt deze zinnetjes op elkaar te stapelen met iets van de grimmige, bijtende spot van Elia: “Roept met luider stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.” Met heilige spot drijft hij de draak met mensen die welriekende specerijen branden.
Ze vullen hun tempels met wolken rook, en dat alles bieden ze aan een beeld waarvan de neus de geur niet eens kan ruiken. Het is alsof hij met zijn vinger langs elk onderdeel van het gezicht van het beeld gaat. Zo stort hij zijn minachting uit over het edelste deel van de afgod, áls enig deel van zo’n ding al edel mag heten, ook al is het maar in heel geringe mate.
Vers 7
“Hun handen hebben zij, maar tasten niet.” De psalmist daalt verder af langs de beelden en zegt: “Hun handen hebben zij, maar tasten niet.” Ze kunnen niets aannemen van wat hun wordt aangereikt. Ze kunnen de scepter van de macht of het zwaard van de wraak niet grijpen. Ze delen geen weldaden uit en spreken geen oordeel uit. Zelfs de kleinste handeling lukt hun niet. Een zuigeling heeft met zijn handje meer kracht. “Hun voeten, maar gaan niet.” Je moet ze op hun plaats tillen, anders komen ze nooit bij hun heiligdom.
Je moet ze daar vastzetten, anders vallen ze om. Je moet ze dragen, anders verroeren ze zich niet. Ze kunnen hun vrienden niet te hulp snellen. Ze kunnen de beeldenstorm van hun vijanden ook niet ontvluchten. Het kleinste insect kan zich beter verplaatsen dan de grootste heidense god. “Zij geven geen geluid door hun keel.” Zelfs het keelgeluid van de laagste diersoorten brengen ze niet voort. Geen gegrom, geen gebrul, geen gekreun. Nog niet eens een gemompel komt van hen. Hun priesters beweerden dat de godenbeelden bij bijzondere gelegenheden holle klanken lieten horen. Maar dat was schijn, of een slimme truc.
Beelden van goud of zilver kunnen geen levende klank voortbrengen. Zo heeft de psalmist de afgod van top tot teen bekeken. Hij keek hem in het gezicht, hij peilde zijn keel, en daarna schreef hij hem af als volstrekt verachtelijk.
Vers 8
“Die hen maken hun gelijk worden.” Wie zulke dingen maakt om ze te aanbidden, is net zo dom, gevoelloos en redeloos als de beelden die hij vervaardigt. Wat geestelijk leven, denken en oordelen betreft, lijken zij meer op beelden van mensen dan op redelijke mensen. Die afkeuring is zeker niet te scherp. Wie heeft niet meteen deze woorden op de lippen gehad toen hij de afgodsbeelden van de Roomsen zag? “En al wie op hen vertrouwt.” Wie zo diep is gezonken dat hij op afgoden kan vertrouwen, heeft het toppunt van dwaasheid bereikt. Zo iemand verdient evenveel minachting als zijn verfoeilijke goden.
Luthers harde woorden over de papisten waren welverdiend. Het moeten wel domkoppen zijn, als ze de vermolmde relikwieën vereren die ze zo hoog hebben staan. De god van het moderne denken lijkt sterk op de goden die deze psalm beschrijft. Pantheïsme ligt dicht bij polytheïsme, en verschilt maar weinig van atheïsme. De god die onze grote denkers in elkaar zetten, is een kale abstractie. Hij heeft geen eeuwige plannen. Hij komt niet op voor zijn volk. Het kan hem weinig schelen hoeveel de mens zondigt. Aan de ingewijden heeft hij immers “een grotere hoop” gegeven, waardoor zelfs de meest verstokte zondaars uiteindelijk hersteld zullen worden.
Hij is wat de nieuwste groep critici van hem maakt. Hij heeft gezegd wat zij willen zeggen, en hij zal doen wat zij hem voorschrijven. Laat dit geloof en zijn aanhangers maar met rust. Ze weerleggen zichzelf wel. Hun god is gemaakt naar hun evenbeeld. Dus zullen zij zichzelf geleidelijk vormen naar het evenbeeld van hun god. Als de beginselen van recht, wet en orde eenmaal grondig zijn ondermijnd, krijgen we misschien een vorm van socialisme te zien zoals die zich zo treurig in Duitsland verbreidt. Dan herhaalt zich wat volken in vroeger eeuwen is overkomen: zij verwierpen de levende God en richtten hun eigen goden op.
Vers 9
“Israel! vertrouw gij op den HEERE.” Wat anderen ook doen: laten de uitverkorenen van de hemel vast vertrouwen op de God Die hen heeft uitverkoren. Jehova is de God van Jakob. Laten Zijn kinderen hun trouw aan hun God tonen door op Hem te vertrouwen. Wat onze moeilijkheden ook zijn, en hoe fel onze vijanden ook lasteren: laten we niet bang worden en niet wankelen. Laten we vol vertrouwen rusten in Hem Die Zijn eigen eer kan handhaven en Zijn eigen dienstknechten kan beschermen. “Hij is hun Hulp en hun Schild.” Hij is de Vriend van Zijn dienstknechten, in álles.
Hij helpt hen in hun werk en beschermt hen in gevaar. De psalmist gebruikt het woordje “hun”. Misschien sprak hij daar tot zichzelf, als in een gesprek met zijn eigen hart. Hij had de oproep gedaan: “Vertrouw op Jehova.” Nu fluistert hij tot zichzelf: “Zij mogen dat gerust doen, want Hij is altijd de sterkte en de veilige schuilplaats van Zijn dienstknechten.”
Vers 10
“Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE.” Jullie staan het dichtst bij Hem, vertrouw Hem dus ook het meest. Jullie roeping hangt juist samen met Zijn waarheid. Ze is bedoeld om Zijn heerlijkheid bekend te maken. Wees dus nooit onzeker over Hem en ga voorop in heilig vertrouwen. De priesters stonden voor het volk als leiders en leraars, en ze gaven het ook het voorbeeld. Daarom moesten juist zíj boven iedereen onvoorwaardelijk vertrouwen op Israëls God. Blij voegt de psalmist eraan toe dat ze dat ook werkelijk deden. Hij zegt immers: “Hij is hun Hulp en hun Schild.” Gelovigen mogen best tot geloof worden aangespoord: “Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; … en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.” We mogen reine harten opwekken door hun iets in herinnering te brengen.
We mogen mensen oproepen op de Heere te vertrouwen, juist omdat we weten dat ze dat al doen.
Vers 11
Het volgende vers zegt hetzelfde in andere woorden. “Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE.” Het maakt niet uit of je bij Israël hoort, bij het huis van Aäron of bij geen van beide. Iedereen die Jehova eerbiedigt, mag op Hem vertrouwen, en moet dat ook doen. “Hij is hun Hulp en hun Schild.” Hij helpt en beschermt allen die Hem met kinderlijk ontzag dienen, uit welk volk ook. Dat deze oproepen steeds terugkomen, had zeker een reden. De kinderen Israëls leefden in zware tijden. De spot van de tegenstander raakte het hele volk.
De priesters en dienaren voelden hem het scherpst. Wie in het geheim tot hun geloof waren overgegaan, konden alleen maar in stilte zuchten, getroffen door de minachting voor hun godsdienst en hun God. Zoveel druk kon het geloof flink aan het wankelen brengen. Vandaar dat ze steeds opnieuw te horen kregen: vertrouw op Jehova! Wat zal dit lied een troost zijn geweest voor families in Babel of ver weg in Perzië! Midden in de nacht zaten ze bijeen aan het Paschamaal, in een vreemd land dat hen niet kende. Daar weenden ze als ze aan Sion dachten.
Het is alsof we hen driemaal hetzelfde woord horen herhalen: “Vertrouw op Jehova.” Mannen, vrouwen en kleine kinderen zongen hun verachting uit voor de heersende afgodendienst. Ze beleden dat ze bij de ene God van Israël hoorden. Zo past het ook ons allen om nu, in deze tijd van lastering en smaad, ruimschoots te getuigen van Gods waarheid. De twijfelaar roept luid dat hij niet gelooft. Laten wij dan even openlijk zeggen wat wij geloven.
Vers 12
“De HEERE is onzer gedachtig geweest.” Of: “Jehova heeft ons gedacht.” Wat Hij ons vroeger aan genade gaf, bewijst dat we Hem na aan het hart liggen.
Misschien laat Hij ons nu lijden, maar Hij vergeet ons niet. We hoeven Hem niet aan ons te herinneren, alsof Hij moeite heeft Zijn kinderen te onthouden. Hij is onzer gedachtig geweest. Daarom zal Hij ons ook in de toekomst goeddoen. “Hij zal zegenen.” Het woordje “ons” hebben de vertalers van de Engelse Bijbel zelf toegevoegd. Het is overbodig. De tekst moet luiden: Hij zal zegenen. Hij zal het huis van Israël zegenen. Hij zal het huis van Aäron zegenen. Doordat het woord “zegenen” steeds terugkomt, krijgt de passage extra kracht. De Heere heeft veel zegeningen, en elke zegening is het waard onthouden te worden.
Telkens weer zegent Hij, en nóg eens. Een huis dat Hij eenmaal Zijn gunst heeft getoond, blijft die gunst ontvangen. Zijn zegen komt graag steeds weer in hetzelfde huis. Hij blijft het liefst waar Hij eerder heeft overnacht. Van zegenen wordt de Heere niet armer. Zijn genadegaven heeft Hij in het verleden vermenigvuldigd, en in de toekomst zal Hij ze in overvloed uitstorten. Voor allen die Hem vrezen heeft Hij een algemene zegen klaar. Voor het hele huis van Israël heeft Hij een bijzondere zegen. En voor de zonen van Aäron heeft Hij een dubbele zegen.
Zegenen behoort tot Zijn wezen. Het is Zijn voorrecht. Het is Zijn eer. Het is Zijn vreugde. Hij heeft zegen beloofd. Reken er dus op: onafgebroken zal Hij zegenen, en nog eens zegenen.
Vers 13
“Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.” Wie de Heere vreest, kan rekenen op Gods zegen. Het maakt niet uit of hij vorst is of landarbeider, aartsvader of bedelaar. Hij voorziet in wat elk levend wezen nodig heeft, van het zeemonster in de diepte tot het kleinste insect op een blaadje. Geen enkele godvruchtige zal Hij vergeten, hoe gering zijn gaven ook zijn en hoe nederig zijn plaats. Dit is een zoete bemoediging voor mensen met een klein geloof, die zichzelf maar zuigelingen vinden in het huisgezin van de genade. De kleinste heilige ontvangt dezelfde zegen als de grootste. Sterker nog: als er al verschil is, staan de “kleinen” vooraan. Waar de nood dringender is, komt de hulp immers sneller.
Vers 14
“De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.” In Egypte liet Hij het volk enorm groeien. Zo zal Hij ook het aantal van Zijn heiligen op aarde laten toenemen. De getrouwen krijgen niet alleen bekeerlingen als zegen, en daarmee een geestelijk nageslacht. Ook hun geestelijke kinderen zullen vruchtbaar worden. Zo wordt het getal van de uitverkorenen vol. God vermeerdert het volk, en Hij vermeerdert de blijdschap. Tot het einde van alle eeuwen blijft het geslacht van de ware gelovigen bestaan. Het zal steeds verder toenemen, in aantal en in kracht. De eerste zegen over de mensheid was: “Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde.” Dát is de zegen die God nu, juist nu, uitspreekt over wie Hem vrezen.
Hoeveel afgoden de filosofie en het sacramentalisme ook vereren: de waarheid trekt haar eigen leerlingen aan. Ze zal het land vullen met mensen die haar verdedigen.
Vers 15
“Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.” Dit is een andere vorm van de zegen van Melchizédek: “Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!” Door onze grote Melchizédek rust diezelfde zegen op ons. Het is een almachtige zegen. Hij schenkt ons alles wat een almachtige God kan doen, in de hemel en op de aarde. Deze volheid is oneindig, en de troost die ze brengt, begeeft ons nooit. De Maker van hemel en aarde kan ons alles schenken, zolang wij nog hier beneden leven. Daarna brengt Hij ons veilig in Zijn paleis daarboven. Welgelukzalig het volk dat zo gezegend is! Wat zij bezitten, gaat oneindig ver uit boven wat anderen hebben, wier hele hoop rust op vergulde houtblokken of stenen beelden.
Vers 16
“De hemel is des HEEREN.” Daar regeert Hij op een bijzondere manier. Daar toont Hij Zijn grootheid en Zijn heerlijkheid. “Maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.” In de tijd waarin we nu leven, heeft Hij de wereld grotendeels aan de macht en de wil van mensen overgelaten. Daarom is hier beneden niet alles zo volmaakt geordend als daarboven. Het is waar dat de Heere door Zijn voorzienigheid over alles regeert. Toch laat Hij voorlopig toe dat mensen Zijn wetten overtreden en Zijn volk vervolgen. Hij laat ze ook hun stomme afgoden tegenover Hem oprichten.
Hij gaf Zijn schepselen vrijheid van handelen. Daardoor moest Hij Zijn macht tot op zekere hoogte inhouden en de mensenkinderen hun eigen plannen laten volgen. Maar Hij heeft de hemel niet verlaten. Hij blijft dus Meester over de aarde. Elk ogenblik kan Hij de teugels weer zelf in handen nemen. Mogelijk heeft de passage nog een andere betekenis: God laat Zijn volk groeien, want Hij gaf hun de aarde en wil dat ze haar bevolken. De mens was van meet af aan Gods stedehouder over de wereld. We zien nog niet dat alles aan hem onderworpen is.
Maar we zien wel Jezus, verheven in de hoogte. In Hem krijgen de mensenkinderen zelfs hier op aarde een hogere heerschappij dan ze tot nu toe kenden. “De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.” En onze Heere Jezus zal heerlijk regeren te midden van Zijn oudsten. Dit alles zal de overweldigende heerlijkheid weerspiegelen van Hem Die Zichzelf persoonlijk in de hemel openbaart. Die heerlijkheid straalt ook in het geestelijk lichaam van Christus hier beneden. De aarde behoort aan de zonen van God. We zijn verplicht haar te onderwerpen aan onze Heere Jezus, want Hij moet regeren.
De Heere heeft tot Hem gezegd: “Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.”
Vers 17
“De doden zullen den HEERE niet prijzen.” Dat geldt voor zover het deze wereld aangaat. Ze zingen niet mee in de psalmen, lofzangen en geestelijke liederen waarmee de gemeente haar Heere met vreugde eert. Een prediker kan de Heere vanuit zijn kist niet verheerlijken. Een christelijk werker toont Gods genade niet meer door dagelijkse arbeid, wanneer hij in het graf rust. “Noch die in de stilte nedergedaald zijn.” Uit het graf komt geen stem.
Uit vermolmde beenderen en door wormen verteerd vlees stijgt geen geluid op. Er klinkt geen evangeliebediening en geen liefelijke zang. De zangers van het heilige koor van de heiligen verlaten ons een voor een, en we missen hun zang. Gode zij dank: zij zijn naar boven vertrokken en stemmen in met de harmonie van de hemel. Maar voor ons geldt: we moeten des te vuriger zingen, omdat er zoveel zangers uit onze koren zijn vertrokken.
Vers 18
“Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid.” Wij die nog leven, zullen erop toezien dat Gods lof niet ontbreekt onder de mensenkinderen. Ellende en neerslachtigheid brengen ons niet tot zwijgen. Ook de ouderdom en toenemende zwakte doven het hemelse vuur niet. Zelfs de dood houdt ons niet af van dit heerlijke werk. Wie geestelijk dood is, kan God niet loven; maar het leven in ons dringt ons ertoe. Laat de goddelozen maar zwijgen. Wij verheffen onze stem tot lof van Jehova. Het kan zijn dat Hij een tijd lang geen wonder doet en dat we niets bijzonders van Zijn ingrijpen zien.
Toch blijven we Zijn Naam prijzen, omdat Hij in vroegere eeuwen zoveel heeft gedaan. We doen dat “totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden”. Dan zal Hij weer stralen als de zon, om het aangezicht van Zijn kinderen te verblijden. Nu is het een gunstige tijd om een leven van lofprijzing te beginnen, want heden roept Hij ons op Zijn stem van barmhartigheid te horen. “Van nu aan” is wat de wijsheid ons ingeeft, want we mogen deze plicht niet uitstellen. Het is ook wat de dankbaarheid eist, want er zijn dringende redenen om meteen dankbaar te zijn.
Wie God begint te loven, is een dienst begonnen die nooit ophoudt. Zelfs in de eeuwigheid raken de redenen om God te eren niet op. “Looft den HEERE”, of “Hallelujah”. Al kunnen de doden het niet, al willen de goddelozen het niet en al laten de onverschilligen het na: wij roepen “Hallelujah” tot in alle eeuwigheid. Amen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Verschillende handschriften en uitgaven voegen deze psalm samen met de vorige, zodat er één psalm ontstaat. Dat doen ook de Septuaginta, de Syrische vertaling en veel oude vertalers. Maar wie naar de gedachtegang en de opbouw van de twee psalmen kijkt, kan er niet in het minst aan twijfelen dat ze oorspronkelijk gewoon los van elkaar stonden. — Justus Olshausen.
Vers 1
“Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer.” Met deze herhaling laat de psalmist zien dat we van nature geneigd zijn onszelf te aanbidden en groot te maken. Hij laat ook zien hoe moeilijk het is ons hart van die gerichtheid op onszelf te reinigen.
Een eer die van Gods troon gestolen is, afwijzen: dat is engelachtig, Openb. 12:8-9. Diezelfde eer aannemen en koesteren: dat is duivels. “… De onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer” (Engels: ‘zijn eigen eer te zoeken is geen eer’), Spr. 25:27. Het is laag en het is een schande voor een schepsel. Want volgens de wet van zijn schepping is hij op een ander doel gericht. Alles wat we offeren aan onze eigen goede naam, aan onze handigheid of aan de scherpte van ons verstand, nemen we van God weg. — Stephen Charnock.
Vers 1
“Niet ons, … maar Uw Naam geef eer”, enzovoort. Dit is geen lofzang en geen dankformule.
Het is een gebed. We vragen U ons te redden, maar niet vooral om onze veiligheid of ons welzijn. Doe het om Uw eer! Niet om onze wraak op onze tegenstanders te koelen. Niet om onze eigen belangen veilig te stellen. Nee, we vragen Uw hulp om de eer van Uw genade en Uw waarheid. Zo wordt bekend dat U een God bent Die Zijn verbond houdt. Barmhartigheid en waarheid zijn immers de twee pijlers van dat verbond. Het is een grote smaad voor God als iemand iets van Hem verlangt dat hij hoger stelt dan Hemzelf, of als iemand iets zoekt buiten Hem om.
Augustinus zegt dat het gebed vleselijk wordt zodra mensen zichzelf meer zoeken dan God. Het eigen ik en God zijn twee dingen die elkaar in de weg staan. Nu zijn er verschillende soorten eigen ik. Er is het zondige ik, het natuurlijke, het geestelijke en het verheerlijkte. God moet boven al deze de eerste plaats hebben. — Thomas Manton.
Vers 1
In de Schrift staan veel lieflijke, kostbare teksten. Ze zijn ons zo dierbaar en zo vertrouwd geworden, en wij met hen, dat je haast zou denken dat we ze meenemen naar de hemel. Ze worden niet alleen het onderwerp van ons lied. Ze worden ook een deel van onze zaligheid en vreugde in dat gelukkige thuis… Maar als er één tekst is die meer dan alle andere van ieder van ons is, dan is het wel het eerste vers van deze psalm. Volgens mij moet deze tekst uit elke verloste losbarsten wanneer hij de hemel binnengaat.
Het wordt het onuitputtelijke thema van de eeuwigheid. Ik ben er zeker van dat geen enkele uitverkorene van de Heere hier op aarde anders kan. Hij kijkt terug op de weg die hij geleid is. Hij ziet vijand na vijand neergeveld voor zijn volslagen zwakheid. Zo krijgt hij het volle bewijs en de overtuiging dat de kracht van de Heere in zijn zwakheid wordt volbracht. Dan móét hij vanuit de bodem van zijn hart zeggen: “Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer.” Stel dat we de hemel geopend konden zien.
Stel dat we de blijde en heerlijke hallelujahs konden horen. Stel dat we de ontelbare schare engelen en de stoet verheerlijkte heiligen konden zien, terwijl ze hun kronen voor de troon neerwerpen. Dan zouden we uit elke mond hetzelfde koor horen: “Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.” Ik zie niet in waarom dit niet even blij en dankbaar het lied van de engelen zou zijn als het lied van de verlosten. Zij staan evenmin in eigen sterkte en macht. Ze hebben hun eerste staat niet bewaard door een kracht van henzelf.
Net als hun zwakkere broeders uit het mensengeslacht worden ook zij “in de kracht Gods bewaard”. Uit hun rijen klinkt, daar twijfel ik niet aan, dezelfde heerlijke toon terug: “Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer.” Zelfs onze gezegende Heere zong in die nacht van smart deze lofzang. En in Zijn menselijke natuur, die de zonde droeg en zou lijden, kon Hij waarachtig zeggen: “Niet ons.” De eer van dit grote heil, dat Ik nu met Mijn eigen bloed ga verwerven, mag niet aan de mens worden toegeschreven. Laat de lof naar Uw Naam en Uw liefde gaan. — Barton Bouchier.
Vers 1
“Non nobis, Domine, sed tibi sit gloria.” Een deel van de Latijnse vertaling van deze psalm wordt bij openbare diners vaak na het tafelgebed gezongen. Waarom precies, kunnen we ons nauwelijks voorstellen. Misschien uit angst dat gevers hoogmoedig zouden worden over de guineas die ze hebben toegezegd. Of dat smulpapen zich op hun machtige maaltijd zouden laten voorstaan. — C.H.S.
Verzen 1-2
In een paar woorden geeft hij drie redenen waarom God de eer van Zijn Naam moet zoeken door Zijn volk te behouden. Ten eerste: Hij is barmhartig. Ten tweede: Hij is waarachtig en trouw in het houden van Zijn belofte. Ten derde: de heidenen mogen Gods volk niet in nood zien, want dan krijgen ze aanleiding om Hem of hen te lasteren. Daarom zegt hij: toon Uw heerlijkheid om Uwer goedertierenheid en Uwer waarheid wil, of geef eer aan Uw Naam. Want Uw heerlijkheid wordt zichtbaar wanneer U Uw volk barmhartigheid bewijst. Dan hebt U ook de waarheid vervuld van de belofte die U aan onze vaderen deed.
“Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?” Zo krijgen ongelovige heidenen geen kans Uw macht te verkleinen. Misschien zouden ze zelfs Uw bestaan gaan ontkennen. — Robert Bellarmine.
Verzen 2-3
God is overal. Waarom leert Christus ons dan bidden: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”? En waarom antwoordde David op de spottende vraag van de heidenen, “Waar is nu hun God?”, met: “Onze God is toch in den hemel”? Voor deze en alle soortgelijke teksten geldt hetzelfde antwoord. De hemel wordt daar niet genoemd als grens van Gods tegenwoordigheid. Hij is een wegwijzer voor het geloof en de hoop van de mens. “Des morgens”, zegt David (Ps. 5:4), “zal ik mij tot U schikken, en wacht houden” (Engels: ‘opzien’). Ziet het oog nergens op aarde hulp?
Dan kan het geloof die hulp het helderst in de hemel zien. God toont Zich op aarde soms zo weinig in een genadige beschikking voor Zijn volk, dat de vijand gaat spotten: “Waar is nu hun God?” Maar dan slaat Zijn volk door het geloof zijn ogen op naar de hemel. Daar is de Heere niet alleen aanwezig, maar daar verschijnt Hij ook in heerlijkheid. Vanuit de hemel ziet Hij beter hoe wij eraan toe zijn. Zo lijkt Hij daar ook een gunstiger plaats te hebben om ons te hulp te komen. — Joseph Caryl.
Verzen 2-8
Zet Jehova tegenover elke andere god. “Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?” Neem de korte beschrijving van Mozes in Deut. 4:28 en werk die uit, zoals het hier gebeurt. Afgoden van goud en zilver hebben een mond, maar ze geven hun aanbidders geen raad. Ze hebben ogen, maar ze zien niets van de eredienst van hun dienaars en niets van hun nood. Ze hebben oren, maar horen hun noodkreten en hun lofzangen niet. Ze hebben neusgaten, maar ruiken de geurige wierook niet die voor hun beelden wordt ontstoken. Ze hebben handen.
Maar de bliksemschicht die ze lijken vast te houden (zoals later Jupiter Tonans) is een brutum fulmen: ze kunnen hem niet slingeren. Ze hebben voeten, maar kunnen zich niet bewegen om gevallenen te helpen. Ach, ze kunnen niet eens één lettergreep terugfluisteren, of iets in hun keel mompelen! Een mens wordt zoals zijn god. Kijk maar naar de hindoeïstische afgodendienaars, wier wreedheid de weerspiegeling is van de wreedheid van hun goden. Zo gaat het ook hier. De goden van de heidenen zijn “zielloos”, en daarom worden “de aanbidders zelf zielloos” (Tholuck). — Andrew A. Bonar.
Vers 3
“Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.” Het woordje “en” waarmee het Hebreeuws opent, is onze taal vreemd, maar het geeft de uitspraak merkbaar meer kracht. Ze vragen dit alsof onze God er niet is, of helemaal niet bestaat. Maar al die tijd troont onze God in de hemel, in Zijn verheven, heerlijke woonplaats. — Joseph Addison Alexander.
Vers 3 (eerste zinsdeel)
Het zou dwaas zijn dit van afgoden te beweren. Dus als de heidenen vragen: “Waar is uw God?”, antwoorden wij: Hij is in de hemel, enzovoort. Maar waar zijn jullie afgoden? Op de aarde. Ze hebben de aarde niet gemaakt, maar zijn zelf van aarde gemaakt, enzovoort. — Martin Geier.
Vers 3
“Onze God is toch in den hemel.” Wie God in de hemel plaatst, sluit Hem niet op in een bepaalde plaats. Zo stelt hij ook geen grenzen aan Zijn oneindig wezen. Het is juist andersom: hij ontkent dat Zijn macht beperkt is. Hij ontkent dat ze alleen door mensen kan werken of dat ze onder het lot of het toeval staat. Kortom: het heelal staat onder Zijn bestuur. Hij is verheven boven elke hindernis. Hij doet vrij alles wat Hem goeddunkt. Dit wordt in de volgende zin nog duidelijker gezegd: “Hij doet al wat Hem behaagt.” Dat God in de hemel woont, betekent dus dat de wereld onder Zijn wil staat. Niets kan Hem tegenhouden bij het uitvoeren van Zijn plannen. — Johannes Calvijn.
Vers 4
“Hunlieder afgoden zijn zilver en goud.” Is er iets dwazers denkbaar dan van hen hulp te verwachten? Het materiaal waaruit ze bestaan, heeft geen greintje goddelijkheid. Dat geldt ook voor de vormen die mensenhanden eraan geven. Ontzag verdienen ze dus zeker niet. Tegelijk wijst de profeet er stilzwijgend op dat de waarde van het materiaal de afgoden niet voortreffelijker maakt. Ze verdienen dan ook geen hogere waardering. Daarom kun je de passage ook als tegenstelling vertalen: al zijn ze van goud en zilver, ze zijn geen goden, want ze zijn het werk van mensenhanden. — Johannes Calvijn.
Vers 4
“Hunlieder afgoden zijn zilver”, enzovoort. Ze zijn van metaal, steen en hout. Meestal hebben ze de vorm van een mens. Maar ze kunnen niet zien, horen, ruiken, voelen, lopen of spreken. Wat is het stompzinnig op zulke dingen te vertrouwen! In domheid en leegheid komen daarna de mensen die ze maken, omdat ze er iets goeds van verwachten. Het hele stelsel van afgoderij was zo overduidelijk ijdel dat de ernstiger heidenen er de spot mee dreven. Vrijdenkers en potsenmakers maakten er hun grappen over. Wat zijn de woorden van Juvenalis scherp!
Audis, Jupiter, haec? nec labra moves, cum mittere vocem Debueras, vel marmoreus vel aheneus? aut cur In carbone tuo charta pia thura soluta Ponimus, et sectum vituli jecur, albaque porci Omenta? ut video, nullum discrimen habendum est Effigies inter vestras, statuamque Bathylli. Sat. 13, vers 113. “Hoor je dit, Jupiter? Je beweegt je lippen niet, terwijl je je stem had moeten laten klinken, of je nu van marmer bent of van brons. Waarom leggen wij anders de heilige wierook uit het geopende papier op je altaar? En de uitgesneden lever van een kalf en het witte darmvet van een varken? Voor zover ik zie, is er geen verschil tussen jouw beeld en dat van Bathyllus.” Deze ironie wordt nog scherper als je weet wie Bathyllus was: een toneelspeler en vioolspeler, wiens beeld op bevel van Polycrates in de tempel van Juno op Samos was neergezet. — Adam Clarke.
Vers 4
“Afgoden.” Afgodendienaars nemen het voor hun beelden op. Die zijn volgens hen alleen bedoeld om hun goden uit te beelden en het besef van hun aanwezigheid levendig te houden. De Geest aanvaardt die gedachte echter niet. Voor Hem zijn hun beelden gewoon de goden zelf, want die aanbidden ze. De goden die ze zogenaamd voorstellen, bestaan namelijk niet werkelijk. Hun aanbidding is dus volkomen zinloos en dwaas. Geldt hetzelfde niet voor de zogenaamde aanbidding van velen in onze tijd? Ze belasten hun eredienst met symbolische riten en plechtigheden, of met veelzeggende tekens. Of ze verzinnen in hun fantasie een god die niet de God van de openbaring is. — W. Wilson.
Vers 4
Zilver en goud zijn geschikte materialen om geld van te slaan, maar ze deugen niet om er goden van te maken. — Matthew Henry.
Vers 4
“Het werk van des mensen handen.” Dit advertentietekstje komt uit een Chinese krant: “Archen Tea Chinchin, beeldhouwer, laat de kapiteins van schepen die tussen Canton en Indië varen eerbiedig weten dat zij bij hem terechtkunnen voor boegbeelden in elke maat, op bestelling. De prijs is een vierde van wat in Europa wordt gerekend. Voor eigen handel raadt hij ook de volgende afgoden aan, van koper, goud of zilver. U kunt kiezen uit de havik van Vishnoe, met in reliëf zijn komst als vis, als everzwijn, als leeuw en als schildpad. Of uit een Egyptische apis, of een gouden kalf en stier, die de vrome volgelingen van Zoroaster aanbidden. Verder zijn er twee zilveren mammosits met gouden oorbellen en een aprimanes voor de Perzische eredienst. Ook heeft hij een ram, een alligator, een krab en een grinnikende hyena in huis, plus een hele reeks huisgoden op klein formaat, gemaakt voor aanbidding in het gezin. Hij verleent achttien maanden krediet, of vijftien procent korting als u direct betaalt wat bij elk artikel staat. Adres: Chinastraat, Canton, onder de marmeren Neushoorn en de Vergulde Hydra.” — Arvine’s Anecdotes.
Vers 4
“Het werk van des mensen handen.” Het zijn werken. Het zijn niet de makers van werken. — Adam Clarke.
Vers 4
“Het werk van des mensen handen.” Het móéten dus prachtige goden zijn, zeker als knoeiers ze hebben gemaakt. Neem het kruisbeeld van Cockram. Was dat niet goed genoeg voor een god, dan leverde het in elk geval een prima duivel op. Zo zei de burgemeester van Doncaster lachend tegen de klagers. — John Trapp.
Verzen 4-7
Hier staat een prachtig contrast tussen de God van Israël en de heidense afgoden. Alles is door Hem gemaakt, terwijl zij zelf het werk van mensen zijn. Hij troont in de hemel, zij staan op aarde. Hij doet wat Hem behaagt, zij zijn tot niets in staat. Hij ziet de nood van Zijn dienstknechten en hoort en verhoort hun gebeden. Hij neemt hun offers aan, komt hun te hulp en bewerkt hun verlossing. Afgoden zijn blind, doof en stom. Ze voelen niets, bewegen niet en kunnen niets. Net zo traag in het horen en net zo machteloos in het redden, juist wanneer de nood het hoogst is, blijkt elke wereldse afgod.
Het gaat om alles waaraan mensen hun hart hebben gehangen, en waartegen ze in feite hebben gezegd: “Gij zijt mijn God.” — George Horne.
Verzen 4-7
In Alexandrië stond een wereldberoemd gebouw: het Serapeum, een tempel van Serapis. Deze god had de macht over de overstromingen van de Nijl en over de vruchtbaarheid van Egypte. Het was een reusachtig stenen bouwwerk, bovenop een heuvel midden in de stad. Je beklom het via honderd treden. Het was sterk versterkt en zeer fraai. Het beeld van de god was kolossaal. Met uitgestrekte armen raakte het beide zijwanden van het gebouw, en zijn hoofd reikte tot het hoge dak.
Het was versierd met kostbaar metaal en edelstenen. Keizer Theodosius had bevolen de heidense tempel te slopen. Bisschop Theophilus ging met de soldaten snel de trappen op en liep het heiligdom binnen. Bij het zien van het beeld hield zelfs de christelijke vernielzucht even in. De bisschop beval een soldaat meteen toe te slaan. Die zwaaide met een bijl en raakte het beeld op de knie. Iedereen wachtte vol spanning. Maar er klonk geen geluid en er kwam geen teken van goddelijke toorn. Vervolgens klommen soldaten omhoog naar het hoofd en sloegen het los. Het donderde op de grond.
Een talrijke rattenfamilie woonde rustig in het heilige beeld. Opgeschrikt stroomde ze uit het wankelende standbeeld en holde over de tempelvloer. Toen begon het volk te lachen, en het ging met nog meer ijver tekeer. De stukken van het beeld werden door de straten gesleept. Ook de heidenen kregen een afkeer van goden die zichzelf niet eens konden verdedigen. Langzaam werd het enorme gebouw afgebroken, en op dezelfde plek verrees een christelijke kerk. Onder de mensen bleef nog een beetje angst hangen dat de Nijl zijn ongenoegen zou tonen door uit te blijven met zijn gewone overstroming.
Maar de rivier steeg hoger dan ooit en bracht rijkelijk water. Alle angst verdween. — Andrew Reed, in “The Story of Christianity”, 1877.
Verzen 4-8
Theodoretus noemt de heilige Publia, een oude abdis die in Antiochië aan het hoofd stond van een klooster van nonnen. Als Julianus in afgodische optocht voorbijkwam, zong ze telkens deze psalm: “Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen; … Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.” De woedende keizer liet haar door zijn soldaten slaan tot ze bloedde. Hij kon de scherpe angel van het oude Hebreeuwse lied eenvoudig niet verdragen. — Neale en Littledale.
Vers 5
“Een mond, maar spreken niet.” Het edelste wat een mond kan doen, is spreken.
Ogen, oren en neus zijn de werktuigen van bepaalde zintuigen. In de mond zit het orgaan van de smaak, en handen en voeten horen bij het orgaan van de tastzin. Maar de eigenlijke heerlijkheid van de mond is de spraak. — James G. Murphy.
Vers 6
“Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet.” Ze zijn stokdoof voor de gebeden van wie hen aanroepen. Op Kreta beeldden ze Jupiter af zonder oren: zoveel gehoor of hulp verwachtten ze van hem. Socrates minachtte de heidense goden en zwoer daarom bij een eik, een geit en een hond. Hij vond dat betere goden. — John Trapp.
Vers 7
“Hun handen hebben zij, maar tasten niet.” Dus zelfs hun kunstenaar staat boven hen. Hij kon hen immers vormen met de bewegingen en de kracht van zijn lichaam. Toch zou je je schamen die kunstenaar te aanbidden. Ook jij staat boven hen, al heb je deze dingen niet gemaakt. Want je doet wat zij niet kunnen. — Augustinus.
Vers 7
“Zij geven geen geluid door hun keel.” Jehgoe: dus zelfs niet het zachte, zwakke kirren van een duif. Jes. 38:14. — William Kay.
Vers 7
“Geven geen geluid” (Engels: ‘spreken’), of, zoals het Hebreeuwse woord ook betekent, ademen. Ze zijn niet alleen zonder verstand, maar ook zonder leven. — Thomas Fenton.
Vers 8
“Die hen maken hun gelijk worden.” Een beeldenmaker toont vakmanschap en is vast een verstandig mens. Maar wie die beelden tot goden maakt, toont zijn domheid. Hij is even gevoelloos en stompzinnig als de afgoden zelf. — Matthew Henry.
Vers 8
“Die hen maken hun gelijk worden.” Ze lijken op de afgoden omdat ze wel horen en zien, maar meer in schijn dan in werkelijkheid.
Ze zien en horen niets van wat het heil aangaat, en dat is het enige dat de moeite waard is om te zien. Je kunt dus zeggen dat ze eerder dromen dan zien of horen. Zo staat het ook bij Markus: “Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?” — Robert Bellarmine.
Vers 8
“Hun gelijk”, enzovoort. Ieder mens wordt wat zijn God is. Wie de Almachtige dient, deelt in Zijn almacht. Wie in stompzinnige waan zwakheid tot zijn god verheft, wordt zwak met die god. Dat is een belangrijke beveiliging tegen angst, voor wie zeker weet dat hij de ware God aanbidt. — E. W. Hengstenberg.
Vers 8
“Hun gelijk.” Dat wil zeggen: “leegheid”, ijdelheid, nutteloosheid (tohoe). Jes. 44:9-10. — William Kay.
Vers 8
Wie een laag soort god dient, kan niet anders dan een lage geest krijgen. Zo iemand kan dus niets waardigs of edelmoedigs doen. Het karakter van een mens lijkt op dat van zijn god. — Thomas Manton.
Vers 9
“Hij is hun Hulp.” We hadden eerder verwacht: “onze Hulp en ons Schild”, enzovoort. Maar de driemaal herhaalde refreinzin lijkt een bekende lofformule te zijn. “Hun” betekent: “van allen die op Hem vertrouwen.” De verzen vormen een climax. Eerst wordt Israël in het algemeen aangesproken. Dan de priesters of dienaren van Gods eredienst. Dan de ware Israëlieten. Dat zijn niet alleen mensen die uit alle volken zijn gekozen, of uit het uitverkoren volk voor de zichtbare dienst. Het zijn mensen die God dienen met een oprecht hart. — Speaker’s Commentary.
Vers 10
Hij is de Hulp van Zijn volk.
In zichzelf zijn ze hulpeloos, en de hulp van mensen is ijdel, want bij hen is geen heil. Er is alleen hulp in de Heere. Hij is een Hulp die er is, op tijd komt en genoeg is. Jehova de Vader heeft hun hulp beloofd. Hij kan die belofte waarmaken, en Hij is ook trouw genoeg om dat te doen. Voor hen heeft Hij hulp gelegd op Zijn Zoon. Hij heeft een troon van genade opgericht, waar ze kunnen komen om genade te vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Christus heeft hen geholpen uit de ellendige toestand waarin ze door de zonde waren gevallen.
Met Zijn macht en genade helpt Hij hen verder op hun weg naar de hemel, en uiteindelijk brengt Hij hen daar. De Geest van God helpt hen bij de dingen van Christus. Hij helpt hen bij vele grote en dierbare beloften, en Hij helpt hen uit allerlei moeilijkheden, strikken en verzoekingen. Als ze bidden, is Hij hun Hulp, hoe zwak ze ook zijn, en Hij bidt voor hen naar de wil van God. Reden genoeg om te vertrouwen op de Heere: Vader, Zoon en Geest. — John Gill.
Vers 12
“De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen.” God heeft, dus God zal. Dat is een gewone redenering in de Bijbel. — John Trapp.
Vers 13
“Hij zal zegenen, … de kleinen met de groten.” Barmhartigheid naar het verbond van de genade geeft iedereen in de kerk dezelfde gronden voor geloof en hoop. Elke gunst die aan één lid van Gods volk wordt bewezen, is dus ook voor anderen nuttig en winstgevend. Deze Schriftplaats laat zien dat de plicht om op de Heere te vertrouwen voor alle soorten mensen geldt, en dat dus ook de zegen van dat vertrouwen voor allen is. Die zegen is er voor alle soorten gelovigen, klein en groot. Gods Israël bestaat uit mensen van verschillende rang.
Er zijn overheden met hun eigen bijzondere taak. Anderen zijn bedienaars en treden tussen God en mensen in, wanneer het om Gods eigen zaken gaat. En er is het gewone slag mensen dat God vreest en de eer heeft Zijn volk te zijn. Zij hebben allemaal dezelfde voorrechten. Als God voor de één Hulp en Schild is, dan ook voor de ander. Als Hij de één zegent, zegent Hij de ander ook. Wie God vreest en bij de ware Israëlieten hoort, mag Zijn zegen verwachten, net als de mensen met een openbaar ambt.
De eenvoudigste boer en de grootste vorst mogen allebei op God vertrouwen, en daarom mogen ze allebei Zijn zegen verwachten. De reden is dat ze alle twee evenveel recht hebben op dezelfde God. Zijn goedheid en Zijn macht zijn groot genoeg. Ieder die op Hem vertrouwt, kan Hij helpen, en dat wil Hij ook. Hij is al Zijn kinderen evenzeer toegedaan, en Hij draagt hun allemaal dezelfde liefde toe. — Thomas Manton.
Vers 13
Hij zegt: “de kleinen met de groten.” Door dit erbij te zetten, maakt hij Gods vaderlijke zorg nog zichtbaarder. Zelfs de geringsten en meest verachten gaat Hij niet voorbij, mits ze van harte Zijn hulp zoeken. God kent geen aanzien des persoons. Onze lage en verachte positie hoeft ons dus niet te beletten tot Hem te naderen. Hij nodigt immers heel vriendelijk mensen bij Zich die in geen enkel aanzien lijken te staan. Dat het woord “zegenen” terugkomt, wijst op de onafgebroken stroom van Zijn goedertierenheid. — Johannes Calvijn.
Vers 14
“De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen”, enzovoort. Het gaat hier om een zegen van Jehova die blijft en steeds groter wordt, voor Zijn Israël, Zijn dienaren en de hele gemeente. Zij zullen toenemen: in licht en kennis, in gaven en genaden, in geloof en werken, en in aantal en menigte. — Samuel Eyles Pierce.
Vers 14
De Heere zal Zijn zegeningen op u stapelen en stapelen, op u en op uw kinderen. — William Green, in “A New Translation of the Psalms”, 1762.
Vers 15
“Gijlieden zijt den HEERE gezegend”, enzovoort. Jullie zijn het volk dat al lang geleden gezegend werd in jullie vader Abraham. Melchizédek deed dat, de priester van de allerhoogste God, “Die hemel en aarde bezit”, Gen. 14:19. “Den HEERE” betekent letterlijk: aan Jehova, alsof Hij Degene is Die gezegend wordt. Het Hebreeuwse voorzetsel kan hier ook gewoon hetzelfde betekenen als ons “door”, zoals in vele andere gevallen. Dat God de Schepper genoemd wordt, moet laten zien dat Hij Zijn volk niet alleen wíl zegenen, maar er ook de macht toe heeft. — Joseph Addison Alexander.
Vers 16
“De hemel is des HEEREN.” Hij toont dat God, doordat Hij in de hemelen woont, van niets op aarde afhankelijk is. Wijn, koren, alles wat wij hier nodig hebben om te leven: het groeit daar niet. God vindt dus álles in Zichzelf, en Hij heeft niemand nodig om Hem te onderhouden. Daarom zegt de psalm tweemaal “hemel”, en dat is geen toeval. Met de hemelen alleen heeft God al genoeg. Hij heeft geen enkele hulp van buiten nodig, en daarom is Hij Zichzelf evenveel waard als honderd anderen. — Johannes Calvijn.
Vers 16
“Maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven”, enzovoort. Lees je dit vers samen met wat erop volgt, dan is het prachtig. Het beschrijft hoe “de wedergeboorte” werkt op dit lagere, aardse toneel waar wij nu staan. Want eerder is de mens aan de aarde overgeleverd dan de aarde aan de mensenkinderen geschonken. De aarde is niet meer dan een plaats van graven. En de dag van de dood lijkt beter dan de dag van de geboorte, zolang mensen moeten leven bij niet meer licht dan de zon geeft, en bij geen enkel ander licht. — Arthur Pridham.
Vers 17
“De doden zullen den HEERE niet prijzen”, enzovoort. David denkt hier niet na over wat mensen in de volgende wereld wel of niet doen. Hij denkt alleen aan dit leven. Hier was hij verplicht Gods waarheid uit te dragen, en dat kon hij niet meer als God hem door de dood wegnam. Twee redenen kun je geven waarom David en andere heilige mannen in het Oude Testament zo terugdeinsden voor de dood. De eerste reden heeft met henzelf te maken: quia promissiones obscurae. Mozes had die mannen immers alle toekomstige zegeningen van God en alle vreugde en heerlijkheid van de hemel alleen laten zien in beelden van aardse dingen.
Over de toestand van de ziel na dit leven had hij weinig gezegd. De beloften voor de godvruchtigen na dit leven waren dus niet zo helder dat ze er vol vertrouwen op konden bouwen en zich in de kaken van de dood konden begeven. Wie niet helemaal zeker is van de volgende wereld, zoekt zijn heil maar in tevredenheid met deze. De tweede reden was quia operarii pauci. God had een grote oogst voor handen, en er waren maar weinig arbeiders. Ze wilden daarom niet graag van het werk worden weggeroepen. Deze reden ging niet over henzelf, maar over Gods gemeente.
Ze konden Gods zaak hier immers niet meer dienen. Dat was de andere reden waarom die goede mannen zo ongaarne stierven. “Quid facies nomini tuo?” zegt Jozua in zijn gebed tot God. Als de Kanaänieten ons komen vernietigen en U lasteren: “wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?” De heiligen van God onder het Oude Testament vroegen: wat zal God doen voor Zijn heerlijke gemeente, als Hij de mannen uit de wereld wegneemt die Hij heeft uitgekozen en toegerust, en die Hij geschikt heeft gemaakt om die gemeente op te bouwen, te onderhouden en uit te breiden?
Daarom wilde David blijven leven. Dat was niet om zichzelf, maar om Gods eer en om het welzijn van Zijn gemeente. Geen van beide kon hij dienen als hij dood was. — Abraham Wright.
Vers 17
“De doden zullen den HEERE niet prijzen”, enzovoort. Wie worden hier bedoeld met “de doden”? Ik kan me niet vinden in de opvatting van hen die dit vers zien als niets meer dan een smeekbede van wie het gebruikt, om van de dood gered te worden. Het zijn woorden die aan de gemeente als geheel in de mond zijn gelegd, zoals het volgende vers bewijst. Met “de doden” versta ik dus mensen die neerdalen in de stilte van de eeuwige dood. Zij hebben God niet geloofd en kunnen dat nooit meer. Voor hen lijkt de aarde nooit gegeven te zijn. — W. Wilson.
Vers 17
“In de stilte.” Dat is: in het graf, het land van de stilte. Ps. 94:17. Aan het graf maakt niets zoveel indruk als zijn volstrekte stilte. Daar is geen stem te horen en geen enkel geluid: niet van vogels en niet van mensen, niet van zang en niet van gesprek. Niet van de bulderende zee, niet van het zuchten van de wind, niet van de razernij van de storm en niet van het rumoer van een veldslag. Het is er volkomen stil. Het eerste geluid dat daar ooit zal klinken, is de bazuin van de aartsengel. — Albert Barnes.
Verzen 17-18
Het volk van God kan niet sterven. Dan zou de lof van God immers met hen sterven, en dat kan nooit gebeuren. — E. W. Hengstenberg.
Verzen 17-18
We mogen niet over het hoofd zien dat er in sommige psalmen woorden staan die de hoop op het eeuwige leven lijken uit te sluiten (Ps. 6:6, 30:10, 88:11,13, 89:48, 115:17)… Maar het is veelzeggend dat in al die psalmen een innige zorg voor Gods eer klinkt. Wordt de dood afgewezen, dan is dat opdat de Heere de eer niet misloopt, en Zijn gemeente niet de diensten mist die een langer leven zou kunnen bewijzen. Dat blijkt mooi uit de honderdvijftiende psalm. Ik haal hem juist graag aan, omdat hij de enige uitzondering is op een regel: de sombere gedachten over de dood staan meestal in psalmen van boetvaardigheid en diepe droefheid. Voor deze psalm gelden de voorgaande opmerkingen dan ook niet. Het is een rustig loflied.
- Het zijn niet de doden die Jah loven, noch allen die in de stilte nederdalen.
- Maar wij zullen Jah zegenen, van nu aan tot in eeuwigheid. Hallelujah!
De psalm die zo eindigt, was een van de liederen van de Tweede Tempel. Wat we erin horen, is de stem van de gemeente, meer dan de stem van één ziel. Dat kan ons helpen te zien dat hij volledig past bij het geloof in de hemelse heerlijkheid. Voor Gods eer is het van groot belang dat er op aarde een zichtbare gemeente overblijft. In haar wordt Zijn Naam van geslacht tot geslacht vermeld. De doden kunnen dat werk niet doen. Het hoogste verlangen van de gemeente moet altijd zijn dat Gods Naam geheiligd wordt, Zijn Koninkrijk komt en Zijn wil op aarde geschiedt.
Daarom is het haar plicht te bidden dat ze hier op aarde mag blijven bestaan om van God te getuigen. Let er goed op: niet alleen hier, maar in álle parallelle teksten waarin de psalmdichters aarzelend of geringschattend lijken te spreken over de toestand van de overledenen, gaat het om het belang van Gods zaak op aarde. Wat het meest in hun hart leeft, is de gedachte dat “in de dood … Uwer geen gedachtenis” is. Daar wordt geen woord over Zijn Naam gesproken tot behoud van mensen. Dit ene feit zou de lezer, denk ik, al kunnen behoeden voor overhaaste conclusies over een betekenis die de hoop op het eeuwige leven uitsluit.
Het toont vrijwel zeker aan dat de psalmist niet de dood zelf afwijst, maar de vroegtijdige dood. Hun gebed is: “Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen.” Ps. 102:25. En ik aarzel niet te zeggen dat sommige mensen een plaats van groot nut innemen, en dat het hun plicht is dit gebed tot het hunne te maken. — William Binnie.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
Je kunt deze tekst gebruiken als:
- Een krachtig pleidooi in het gebed.
- Een uitdrukking van de ware geest van godsvrucht.
- Een betrouwbare wegwijzer in de theologie.
- Een praktische aanwijzing bij de keuze van onze levensweg.
- Een passende houding bij het terugzien op wat ons in het verleden of nu gelukt is.
Vers 1
- Geen lof is de mens verschuldigd. Bestaan we? Niet ons, enzovoort. Hebben we gezondheid? Niet ons, enzovoort. Hebben we uiterlijke gemakken? Niet ons, enzovoort. Hebben we vrienden? Niet ons, enzovoort. Kennen we de genademiddelen? Niet ons, enzovoort. Is er zaligmakend geloof in Christus? Niet ons, enzovoort. Bezitten we gaven en genaden? Niet ons, enzovoort. Leven we met de hoop op heerlijkheid? Niet ons, enzovoort. Zijn we van nut voor anderen? Niet ons, enzovoort.
- Alle lof is God verschuldigd. (a) Omdat alles wat we hebben, uit barmhartigheid komt. (b) Omdat alles wat we verwachten, uit Zijn trouw komt. — G. R.
Vers 2
Een spottende vraag, waarop we veel afdoende antwoorden kunnen geven.
Vers 2
Waarom zeggen ze dit? Waarom laat God hen dit zeggen? — Matthew Henry.
Verzen 2-3
- De vraag van de heidenen: Ps. 115:2. (a) Een vraag uit onwetendheid. Ze zien wel een tempel, maar geen god. (b) Een vraag uit hoon naar Gods volk, wanneer hun God hen een tijd lang heeft verlaten: “omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is”, enzovoort.
- Het antwoord op hun vraag: Ps. 115:3. Waar onze God is, vraag je? Vraag liever: waar is Hij niet! En wat Hij doet? “Hij doet al wat Hem behaagt.” — G. R.
Vers 3
- Zijn plaats wijst op volstrekte heerschappij.
- Zijn daden bewijzen dat.
- Toch buigt Hij Zich zo diep neer dat Hij “onze God” wil zijn.
Vers 3 (tweede zinsdeel)
Gods soevereiniteit. Laat zien en pas toe wat de Bijbel hier groots leert: de heerlijke God heeft het recht om over al Zijn schepselen te heersen en in alles te doen wat Hij wil. Dat recht volgt vanzelf uit het feit dat Hij hemel en aarde heeft gevormd en bezit. Denk aan dit:
- Hij is oneindig wijs. Al Zijn schepselen kent Hij door en door, met alles wat ze doen en waartoe ze geneigd zijn.
- Hij is oneindig rechtvaardig.
- Hij is oneindig goed. — George Burder.
Verzen 4-8
- Hoe afgoden zijn. Of onze goden nu dingen uit de natuur zijn, of rijkdom, of wereldse genoegens: ze hebben geen oog dat medelijden kan voelen, geen oor dat smeekbeden hoort, geen tong die raad geeft en geen hand die helpt.
- Hoe de ware God is. Hij is geheel oog, geheel oor, geheel tong, geheel hand, geheel voet, geheel verstand, geheel hart.
- Hoe afgodendienaars zijn. Allemaal gaan ze vanzelf lijken op wat ze aanbidden.
Vers 8
De gelijkenis tussen afgodendienaars en hun afgoden. Werk dat uit aan de hand van de genoemde punten.
Vers 9
De levende God vraagt om aanbidding in geest en waarheid. Het leven van die aanbidding is het geloof. Het geloof bewijst dat God een levende werkelijkheid is: “Hij is hun Hulp”, enzovoort. Alleen het uitverkoren Israël zal ooit deze levende aanbidding brengen.
Verzen 9-11
- De berisping. “Israel!” “Gij huis van Aaron!” “Gijlieden, die den HEERE vreest!” Heb je je God niet vertrouwd?
- De terechtwijzing of vermaning. “Vertrouw op den HEERE.” Heb je op de ware God vertrouwd, zoals anderen op hun valse goden vertrouwen?
- De onderwijzing. “Hij is hun Hulp”, enzovoort. Gemeenten, predikers en allen die God vrezen moeten weten: Hij is altijd en in elke omstandigheid hun Hulp en hun Schild. — G. R.
Vers 10
- Wie in het openbaar dient, moet bijzonder vertrouwen. “Gij huis van Aaron! vertrouw.”
- Wie bijzonder geroepen is, krijgt bijzondere hulp. “Hij is hun Hulp.”
- Wie in de dienst bijzondere hulp krijgt, mag zeker zijn van bijzondere bescherming in gevaar… “en hun Schild.”
Vers 11
Kinderlijke vreze is de grondslag van een rijker geloof.
Vers 12
Waar we mee te maken hebben gehad. En wat we nog mogen verwachten. — Matthew Henry.
Verzen 12-13
- Wat God voor Zijn volk al heeft gedaan: “De HEERE is onzer gedachtig geweest.” (a) Dat we behouden zijn, bewijst het. (b) Ook de barmhartigheden die we ontvingen. (c) Ook de beproevingen die we doorstonden. (d) Ook de leiding die we kregen. (e) Ook de vertroostingen die we mochten smaken. Elke zegen, ook de allerkleinste, laat zien dat God aan ons gedacht heeft. “Hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel”, enzovoort. En die gedachten gaan terug tot in een eeuwigheid vóór wij bestonden. “De HEERE is onzer gedachtig geweest.” Moeten wij dan niet meer aan Hem denken?
- Wat Hij voor Zijn volk nog zal doen: “Hij zal zegenen.” (a) Overvloedig. Zijn zegeningen lijken op Hemzelf: ze zijn groot. Wie door Hem gezegend wordt, is werkelijk gezegend. (b) Passend. Het huis van Israël, het huis van Aäron, allen die Hem vrezen, naar ieders nood, klein en groot. (c) Onfeilbaar. “Hij zal”, “Hij zal”, “Hij zal”, “Hij zal.” Met één “zal” vervloekt Hij, met vier “zullen” zegent Hij. — G. R.
Vers 13
- Het kenmerk dat ze allemaal delen: “die den HEERE vrezen.”
- Hoe ver ze zijn in hun groei: “de kleinen met de groten.”
- De zegen die ze delen.
Vers 14
- Genadige groei: in kennis, liefde, kracht, heiligheid, bruikbaarheid, enzovoort.
- Groei die versnelt. We groeien steeds sneller. We gaan niet alleen vooruit, maar steeds méér vooruit.
- Groei die doorwerkt. Onze kinderen groeien in genade door ons voorbeeld, enzovoort.
Vers 14
Gods zegeningen zijn:
- Altijd stromend: “zal den zegen … vermeerderen” (Engels: ‘meer en meer’).
- Overstromend: “over ulieden en over uw kinderen.” Ouders moeten meer genade voor zichzelf zoeken, ter wille van hun kinderen. (a) Zodat het voorbeeld van de ouders meer op hun kinderen inwerkt. (b) Zodat hun gebeden meer kracht krijgen ten gunste van hun kinderen. (c) Zodat hun kinderen om hunnentwil rijker gezegend worden. — G. R.
Vers 15
Een zegen.
- Voor een bijzonder volk: “Gijlieden.”
- Uit een bijzondere bron: “den HEERE”, enzovoort.
- Met een bijzondere tijdsaanduiding: “zijt.”
- Met een bijzonder stempel van zekerheid erop: “Gijlieden zijt … gezegend.”
- Met een bijzondere plicht erbij: “Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid.”
Vers 15
De zegen van de Schepper: hoe groot, hoe vol, hoe veelzijdig hij is, enzovoort.
Vers 16
De heerschappij van de mens over de wereld: waar die ophoudt, hoe die wordt misbruikt, waar de rechtmatige grens ligt en wat het grote doel ervan is.
Verzen 17-18
- Stemmen die ontbreken: “De doden zullen den HEERE niet prijzen.”
- Hoe dat ons zelf aanspoort: “Maar wij.”
- Hoe het anderen toeroept: “Hallelujah!” Laten wij het gemis van de stemmen die zwijgen goedmaken.
Verzen 17-18
- Wie God hier niet looft, zal Hem ook later niet loven. Er is dus geen uitstel.
- Wie God in dit leven looft, zal Hem eeuwig loven. Daarom: Hallelujah! “Looft den HEERE.” — G. R.
Verzen 17-18
Een preek voor het begin van een nieuw jaar.
- Een droevige herinnering: “de doden.”
- Een blij besluit: “Maar wij zullen den HEERE loven.”
- Een passend beginpunt: “van nu aan.”
- Een voortzetting zonder einde: “tot in der eeuwigheid.”
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas