Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 113 — Treasury of David

39 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel en onderwerp

Deze psalm is puur lofprijzing en heeft weinig uitleg nodig. Wie een warm hart heeft, vol bewonderende aanbidding van de Allerhoogste, begrijpt dit heilige lied het allerbeste. De God van Israël is groot, en toch buigt Hij Zich zo goed neer: daar draait dit lied om. Hij toont het door de armen op te tillen uit hun diepe nood. Voor de gemeente is dit een passend lied wanneer God een tijd van opwekking geeft nadat zij lang klein en vernederd is geweest. Hier begint het Hallel, het Halleluja van de Joden, dat zij bij hun plechtige feesten zongen.

Daarom geven wij deze psalm de titel: Het begin van het Hallel. Volgens dr. Edersheim staat de Talmoed uitvoerig stil bij hoe goed het Hallel past bij het Pascha. Het vertelt immers niet alleen van Gods goedheid voor Israël, maar vooral van hun bevrijding uit Egypte. Daarom begint het zo passend met: “Looft, gij knechten des HEEREN!”, en dus niet langer knechten van Farao. De woorden over de armen in het stof en de behoeftigen op de mesthoop passen allemaal bij Israël in Egypte. Dat geldt ook voor de woorden over de geboorte van veel kinderen, op een moment dat niemand dat nog verwachtte.

Indeling

Voor de uitleg van deze psalm hoeven we geen indeling te maken. We kunnen alleen de altijd leerzame kopjes volgen die de voortreffelijke makers van onze gewone vertaling erboven hebben gezet: een oproep om God te prijzen vanwege wie Hij is, vers 1-5, en vanwege Zijn barmhartigheid.

Uitleg

Vers 1

“Hallelujah!”, dat is: lof voor Jah, Jehova. Lofprijzing hoort bij elk plechtig feest van Gods volk. Gebed is de mirre en lofprijzing is de wierook. Allebei moeten ze naar de Heere gaan. Hoe kunnen we vragen om barmhartigheid voor straks, als we God niet danken voor Zijn liefde van vroeger? Alles wat goed is, heeft de Heere voor ons gedaan. Laten we Hem dus aanbidden. Voor elke andere lof is hier geen plaats. Alles wat onze ziel aan toewijding heeft, moet naar Jehova alleen stromen. “Looft, gij knechten des HEEREN.” Jullie vooral, meer dan alle anderen, want jullie roeping en belijdenis verplichten jullie daartoe.

Als Gods eigen knechten Hem niet loven, wie dan wel? Jullie zijn een volk dat Hem nabij is, en jullie behoren het warmst te zijn in jullie dankbare liefde. Toen ze slaven van Farao waren, kreunden en zuchtten de Israëlieten onder hun zware slavenwerk. Maar nu ze knechten van de Heere waren geworden, moesten ze hun gevoelens uiten in blije liederen. Zijn dienst is volkomen vrijheid. Wie zich er helemaal aan overgeeft, vindt in die dienst duizend redenen om Hem te aanbidden. Wie God het beste dient, prijst Hem ook het beste. Ja, dienen is prijzen.

“Looft den Naam des HEEREN.” Verhef wat Hij Zelf van Zich heeft laten zien. Maak elke heilige eigenschap van Hem groot. Juich om alles wat Hij doet. Heb ontzag voor de naam zelf waarmee Hij heet. Drie keer staat de naam Jehova in dit vers. Wij kennen de leer van de Drie-eenheid, en daarom mogen wij hierin een nauwelijks verhulde aanwijzing naar dat heilige geheim zien. Laten de Vader, de Zoon en de Heilige Geest allemaal geprezen worden als de enige, levende en ware God. Dat de woorden “Halleluja, Hallelu, Hallelu” zo snel op elkaar volgen, moet in de openbare diensten prachtig hebben geklonken.

Dr. Edersheim beschrijft hoe de dienst in de tempel als een zingen om en om verliep. Hij schrijft: “De eerste regel van een psalm werd door het volk telkens herhaald. Op elke andere regel antwoordde het met een Hallelu Jah, ofwel Prijst den HEERE.” Het ging zo:

De Levieten begonnen: Halleluja (“Prijst den HEERE”).

Het volk herhaalde: Hallelu Jah.

De Levieten: Looft (Hallelu), o knechten van Jehova.

Het volk antwoordde: Hallelu Jah.

De Levieten: Looft (Hallelu) de Naam van Jehova.

Het volk antwoordde: Hallelu Jah.

Dit waren geen holle herhalingen. Het onderwerp verdient het dat we er lang bij stilstaan. Het moet diep in onze ziel worden gegrift en in ons leven onverminderd vooraan blijven staan.

Vers 2

“De Naam des HEEREN zij geprezen.” Het volk loofde Hem hardop. Maar het moest Hem ook zegenen in de stilte van het hart, en daar eer toewensen aan Zijn naam, voorspoed aan Zijn zaak en overwinning aan Zijn waarheid. Doordat de psalmist de naam noemt, leert hij ons elke eigenschap van de Allerhoogste te zegenen. Die eigenschappen zijn als het ware de letters van Zijn naam. Laten we niet kibbelen over Zijn rechtvaardigheid of Zijn strengheid. Laten we ook niet als slaven voor Zijn macht sidderen. Laten we Hem nemen zoals Hij Zich laat kennen in het ingegeven Woord en in Zijn eigen daden. Zo willen we van Hem houden en Hem prijzen. We mogen de Heere geen nieuwe naam geven en geen nieuw wezen voor Hem verzinnen, want dan zetten we een valse god op. Telkens als we denken aan de God van de Schrift, moeten we Hem zegenen. Zijn verheven Naam mogen we nooit uitspreken zonder blij ontzag.

“Van nu aan.” Hebben we Hem nog nooit geprezen? Dan beginnen we nu. Het Pascha viel in het begin van het jaar. Het was dus goed om het nieuwe jaar te beginnen met het zegenen van Hem Die Zijn volk bevrijdde. Elk plechtig feest riep zijn eigen blije herinneringen op en kon gelden als een nieuw beginpunt van aanbidding. Is er een reden waarom je vandaag niet zelf het begin van een jaar van lofprijzing zou maken? Als de Heere van ons zegt: “Die zal Ik van dezen dag af zegenen”, dan moeten wij antwoorden: “De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.”

“Tot in der eeuwigheid.” Dus: eeuwig. De psalmist kan onmogelijk bedoeld hebben dat de lof aan God ooit ophoudt, ook niet op een verre toekomstige dag. Bij de lof aan God moet “tot in der eeuwigheid” wel een duur zonder einde betekenen. Zouden we het dan mis hebben als we denken dat het hetzelfde betekent wanneer het over donkerder onderwerpen gaat? Kan ons hart ooit ophouden met het prijzen van de Naam van de Heere? Kunnen we ons een tijd indenken waarin Israëls lofzangen niet meer rond de troon van de goddelijke Majesteit klinken? Nooit! Laat Hem groot gemaakt worden voor altijd, en méér dan “voor altijd”, als dat kan.

Vers 3

“Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.” Van het eerste ochtendlicht tot de avond moet het lied onophoudelijk opstijgen naar de troon van Jehova. Van oost tot west, over de hele ronde aarde, moet zuivere aanbidding worden gebracht ter ere van Hem. Zo hoort het.

En God zij dank: wij hebben het geloof dat het ook zo zal worden. We vertrouwen erop dat de heerlijke Naam van de Heere, vóórdat de schrikwekkende avond van de wereld valt, onder alle volken wordt uitgeroepen, en dat alle volken Hem zalig zullen prijzen. In de eerste tijd van het evangelie was de Naam van de Heere al heerlijk over heel de aarde. Zal dat dan niet nog veel méér zo zijn voor het einde komt? Hoe dan ook: dat verlangt onze ziel. Laten we ondertussen trachten elke dag te heiligen met lof aan God. Laten we bij het eerste ochtendlicht de bloemen die opengaan en de vogels die zingen nadoen:

“Elke dag zingen zij hun lofliederen,
terwijl het woud hun lied weerkaatst;
word wakker, mijn trage hart, en schaam je,
ontwaak en zing met vreugde mee.”

Dat de zon opgaat over opstandige mensenkinderen is een wonder van barmhartigheid. Ze bereidt vruchtbare seizoenen en prettige dagen voor mensen die dat niet verdienen. Laten we voor dit wonder van goedheid de Heere van alles prijzen. Laten we het lied van uur tot uur opnieuw inzetten, want elk moment brengt zijn eigen genade. En wanneer de zon ter ruste gaat, laten we onze muziek dan niet doven maar het avondlied zingen:

“Vader van hemel en aarde!
Ik zegen U voor de nacht, de zachte, stille nacht,
de heilige rust na zorg en vreugde, na geluid en licht.

Nu hebben, ver in open veld en dal,
bloemkelk en knop en klokje zich gesloten
rond het nest waar de boomleeuwerik slaapt.
Het lange, zoemende zwoegen van de bij is voorbij,
en ik, die zo bovenmate vermoeid ben,
zegen U, o God, o Vader van de verdrukten,
met mijn laatste wakende gedachte.”

Vers 4

“De HEERE is hoog boven alle heidenen.” De heidenen kenden Hem niet, maar Jehova was toch hun Heerser. Hun valse goden waren geen goden en hun koningen waren marionetten in Zijn hand. Hoog boven alle kennis, elk oordeel en alle fantasie van heidense wijzen staat de Heere. Ver boven de pracht en de macht van de koningen van de volken. Het grote hemelgewelf spant zich uit over alle landen waar de talloze volken van de mensen wonen. Zo spant ook de nabijheid van de Heere zich uit over hen allemaal, want Zijn zorg strekt zich overal naartoe uit.

Dat mag ons vertrouwen en onze lof wel wekken. “Boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.” Ze reikt hoger dan het hoogste in de schepping. De wolken zijn het stof onder Zijn voeten. Zon, maan en sterren fonkelen ver beneden Zijn troon. Zelfs de “hemel der hemelen” kan Hem niet omvatten. Het hele zichtbare heelal kan Zijn heerlijkheid niet weergeven, en de plechtige pracht van de engelenlegers evenmin. Ze gaat boven alles uit wat we kunnen bedenken, want Hij is God, de Oneindige. Laten we Hem boven alles aanbidden, want Hij staat boven alles.

Vers 5

“Wie is gelijk de HEERE, onze God?” Op deze uitdaging komt nooit een antwoord. Niemand kan zich ook maar één seconde met Hem meten. Israëls God heeft nergens Zijn gelijke. Onze God, met Wie wij een verbond hebben, staat alleen, en niemand mag naast Hem gezet worden. Zelfs wie Hij in sommige opzichten op Zichzelf heeft laten lijken, is niet aan Hem gelijk in Godheid. Veel van Zijn goddelijke eigenschappen zijn immers niet mee te delen en niet na te bootsen. Geen van de beelden en vergelijkingen waarmee de Schrift de Heere beschrijft, kan ons een volledig beeld van Hem geven.

Niets op aarde en niets in de hemel draagt Zijn volledige gelijkenis. Alleen in Jezus zien we de Godheid. Hij verklaarde dan ook zonder aarzeling: “Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien.” “Die zeer hoog woont.” Wat de hoogte van Zijn woonplaats betreft, kan niemand aan Hem gelijk zijn. Zijn troon, Zijn hele karakter, Zijn persoon, Zijn wezen, alles aan Hem is verheven en oneindig majestueus. Daarom kan niemand met Hem worden vergeleken. Zijn kalme geest verblijft op het allerhoogste niveau. Niemand onteert Hem, en nooit komt Hij lager dan de zuivere heiligheid en de volstrekte volmaaktheid van Zijn karakter.

Van Zijn heiligen wordt gezegd dat zij op de hoogte wonen, en daarin weerspiegelen zij Zijn heerlijkheid. Maar Zijn eigen woonplaats is zo hoog dat ons verstand het niet kan bevatten. Hij verheft Zich ver boven de meest verheven van Zijn verheerlijkte volk.

“Eeuwige Macht, Wiens hoge woning de grootheid van een God betaamt:
oneindig ver voorbij de grens waar sterren hun kleine kringen draaien.”

“De laagste trede rondom Uw troon
rijst al te hoog voor de voeten van Gabriël;
vergeefs blijft de hoge aartsengel pogen
Uw hoogte te bereiken met verwonderde ogen.”

“Heere, wat moeten aarde en as dan doen?
Ook wij willen onze Maker aanbidden.
Uit zonde en stof roepen wij tot U:
de Grote, de Heilige en de Hoge!”

Vers 6

“Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.” Hij woont zo hoog dat Hij Zich zelfs moet vernederen om de dingen in de hemel te zien. Hij moet Zich bukken om naar de hemelen te kijken, en Zich neerbuigen om te zien wat de engelen doen. Hoeveel meer moet Hij dan Zijn grootheid opzijzetten, nu Hij ook let op de geringste van Zijn knechten hier op aarde! Hij doet hen jubelen van blijdschap, zoals Maria toen ze zong dat Hij “de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien.” Wat zijn de woorden van Jesaja wonderlijk: “Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.” Heidense wijsgeren konden niet geloven dat de grote God let op de kleine gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis.

Zij dachten dat Hij rustig en onbewogen bleef bij alle noden en al het leed van Zijn schepselen. “Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen.” Onze God staat hoog boven alle goden, en toch is Hij onze Vader. Hij weet wat we nodig hebben nog voor we het Hem vragen. Hij is onze Herder, Die in onze behoeften voorziet. Hij is onze Beschermer, Die de haren op ons hoofd telt. Hij is onze zachtmoedige en zorgzame Vriend, Die meeleeft met al ons verdriet. De Naam van onze neerbuigende God moeten we dan ook prijzen, overal waar Hij bekend is!

Vers 7

“Die den geringe uit het stof opricht.” Zo buigt Hij Zich in genade en liefde omlaag. Dikwijls pakt Hij de allerlaagste mensen vast, haalt hen uit hun armoede en schande en geeft hun een plaats met macht en eer. Zijn goede Geest komt telkens langs bij wie onder de voet gelopen wordt. Hij schenkt hun sieraad voor as, als ze zijn neergeslagen. En Hij heft het hart van rouwenden zo hoog op dat ze het uitjuichen. Dat deze opbeurende genade rechtstreeks uit Gods hand komt, staat hier met zoveel woorden. Wie het zelf heeft ervaren, betwijfelt niet dat alléén de Heere Zijn volk optilt uit het stof van verdriet en dood.

Kan niemand anders meer helpen? Dan komt Hij tussenbeide, en het is gebeurd. Het loont de moeite om neergeworpen te worden, als je daarna zo goddelijk uit het stof wordt opgericht. “En den nooddruftige uit den drek verhoogt.” Als waardeloos afval lagen ze daar, afgedankt en weggesmeten. Ze waren, dachten ze, achtergelaten om te verrotten en voor altijd vergeten te worden. Wat een stap omlaag, van Zijn hoge troon naar een mesthoop! En wat een wonderlijke kracht, die zich bezighoudt met bedelaars optillen die van top tot teen onder het vuil zitten waarin ze lagen!

Hij haalt hen uit de drek. Hij vindt het niet te min om hen te zoeken tussen alles wat laag is op aarde. Want daarmee maakt Hij door hen de groten tot niets en stort Hij minachting uit over alle menselijke grootspraak. Wat een mesthoop was dit waarop wij van nature lagen! Wat een bergen verderf zijn we van huis uit! Wat een hoop vuiligheid hebben we met onze zonden bij elkaar gehaald! En hoe stinkt het kwaad om ons heen, als we met andere mensen omgaan! Op eigen kracht waren we hier nooit uit gekomen.

Het was een graf waar we de ontbinding zagen en zelf als doden waren. Almachtig zijn de armen die ons optilden. Ze tillen ons nog altijd op, en ze zullen ons optillen tot in de volmaaktheid van de hemel zelf. Hallelujah!

Vers 8

“Om te doen zitten bij de prinsen.” Bij de Heere is niets half werk. Haalt Hij mensen uit het stof, dan rust Hij niet voor Hij hen heeft gezet tussen de edelen van Zijn koninkrijk. Tot koningen en priesters voor God zijn we gemaakt, en we zullen regeren tot in eeuwigheid.

Voor onze armoede krijgen we de rijkdom van prinsen. Voor onze schande krijgen we een hogere rang dan de groten van de aarde. “Bij de prinsen Zijns volks.” Heel Zijn volk bestaat uit prinsen. Wat de tekst ons dus leert, is dat God arme zielen die Hij genegen is een plek geeft bij de prinsen van de prinsen. Vaak laat Hij net de mensen die het diepst wanhoopten opklimmen naar de grootste hoogten van het geestelijk leven en van wat genade kan bereiken. Want wie eerst de laatsten waren, zullen de eersten zijn. Paulus was minder dan de minste van alle heiligen.

Toch stond hij in niets achter bij de allergrootste apostelen. En in onze tijd is Bunyan, de lasterende ketellapper, een tweede Johannes geworden, met een droom die bijna de visioenen van Openbaring evenaart.

“Wonderen van genade komen God alleen toe;
zing in je lied steeds weer van Zijn ontfermingen.”

Zulke verzen zijn een grote bemoediging voor wie zichzelf het minst waard vindt. Over prinsen stort de Heere minachting uit. Maar naar wie in het stof en op de mesthoop zit, kijkt Hij met mededogen. Hij gaat in genade met hen om en toont aan hen de rijkdom van Zijn heerlijkheid door Christus Jezus. Wie zo’n verbluffende gunst heeft meegemaakt, moet zonder ophouden halleluja zingen voor de God van zijn heil.

Vers 9

“Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen.” Mensen in het Oosten wilden dolgraag kinderen. Daarom werd een geboorte gezien als de mooiste gunst en gold kinderloosheid als een vloek. Dit vers staat dus helemaal achteraan, alsof het het geheel moet bekronen en het hoogtepunt van Gods barmhartigheid moet zijn. De Heere, de Heerlijke, laat Zijn neerbuigende genade zien doordat Hij oog heeft voor wie veracht wordt omdat die onvruchtbaar is, in het lichaam of in de ziel. Sara, Rachel, de vrouw van Manoach, Hanna, Elisabet en anderen laten alle zien hoe wonderbaarlijk God ingreep, zodat de woorden van de psalmist letterlijk uitkwamen.

Een vrouw telde pas mee in een huis als ze kinderen had. Maar soms verlangden kinderloze vrouwen in stilte naar een kind, en dan kwam de Heere met barmhartigheid bij hen langs. Hij gaf hun niet alleen een huis, maar ook de kracht om erin te wonen. De gemeente uit de heidenen is op grote schaal een geestelijk voorbeeld van vruchtbaar worden na jarenlang hopeloze kinderloosheid. De Joodse gemeente zal in de laatste dagen weer zo’n verbazend bewijs zijn van dezelfde kracht die levend maakt. Israël is al lang verlaten vanwege zijn geestelijk overspel, maar het wordt vergeven en hersteld.

Dan zal het blij het huis bewonen dat het nu leeg en verwoest is overgelaten. En er is meer. Elke gelovige in de Heere Jezus heeft zich weleens bedroefd afgevraagd waarom hij zo onvruchtbaar is. Hij leek een dorre boom, die voor de Heere geen vrucht droeg. Maar zodra de Heilige Geest hem bezocht, bleek hij ineens op de staf van Aäron te lijken, die uitbotte, bloeide en amandelen droeg. Voor we er erg in hadden, woonde in ons onvruchtbare hart de Zaligmaker als gast. Onze genadegaven vermenigvuldigden zich, alsof ons in één keer veel kinderen waren geboren.

We jubelden voor het aangezicht van de Heere. Dan keken we verwonderd naar de Heere Die in de hoogte woont, omdat Hij zulke arme, waardeloze mensen wilde bezoeken. Net als Maria hebben we toen onze Magnificat aangeheven. En net als Hanna hebben we gezegd: “Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!” “Hallelujah!” De muziek sluit af op haar grondtoon. Deze psalm is een kring: hij eindigt waar hij begint en looft de Heere van de eerste lettergreep tot de laatste. Zo mag ook het lied van ons leven zijn, zonder pauze en zonder slot.

Laten we in een eindeloze cirkel de Heere zegenen, Wiens goedertierenheid nooit stopt. Laten we Hem loven als we jong zijn en in alle jaren dat we sterk zijn. En als we diep gebogen gaan onder een hoge leeftijd, laten we de Heere dan nóg loven, Die Zijn oude knechten niet wegstuurt. Laten we God niet alleen zelf loven, maar ook anderen daartoe oproepen. Ontmoeten we arme mensen die rijk gemaakt zijn, of mensen zonder vrucht die vruchtbaar zijn geworden? Laten we dan met hen samen de Naam verheffen van Hem Wiens goedertierenheid in eeuwigheid is.

Zelf zijn we uit geestelijke armoede en onvruchtbaarheid opgetild. Laten we dus nooit vergeten hoe het met ons was, en ook de genade niet die ons bezocht heeft. Laten we de Heere loven, wereld zonder einde. Halleluja.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Hier begint het Hallel. Men zegt het op bij de drie grote feesten, bij het feest van de Inwijding (Chanucca) en bij elke nieuwe maan. Op nieuwjaarsdag en op de Grote Verzoendag niet, want een blij loflied past niet bij de bedroefde ernst van die dagen. Tijdens de laatste dagen van het Pascha zegt men maar een stukje. Want “Mijn schepselen, zegt de Heilige, Gezegend zij Hij, zijn in de zee verdronken, en zouden jullie in vreugdeliederen losbarsten?” Thuis, in de paasnacht, wordt het Hallel in tweeën gesplitst. Eén helft, Psalm 113-114, zingt men vóór het eten, voordat de tweede feestbeker wordt leeggedronken.

De andere helft, Psalm 115-118, volgt ná het eten, nadat de vierde beker is gevuld. Daar kan het umnhsantev (Matth. 26:30; Mark. 14:26) op wijzen: het zingen van een lofzang na de instelling van het Heilig Avondmaal, dat bij de vierde feestbeker hoorde. Paulus Burgensis noemt Psalm 113 tot en met 118 Alleluja Judaeorum magnum (“het grote Alleluja van de Joden”). Die benaming zie je ook elders vaak. Maar in het gebruik dat het meest gangbaar is, heten Psalm 113 tot en met 118, en vooral Psalm 115 tot en met 118, kortweg het Hallel.

Psalm 136, waarin “want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid” zesentwintig keer terugkeert, draagt de naam “het Grote Hallel” (hallel hagadol). — Franz Delitzsch.

Gehele psalm

Volgens een oude Joodse overlevering zong men deze psalm en de psalmen daarna, tot en met Psalm 118, allemaal tijdens het Pascha. Men noemt ze “het Grote Hallel”. In elk geval blijkt hieruit dat de oude Joden tussen deze zes psalmen een band zagen. Alle zes bezingen ze God als Verlosser, elk vanuit een andere trek van Zijn verlossende karakter. Zo pasten ze goed bij het paasmaal. En we begrijpen nu ook waarom ze zo goed op hun plaats waren op de lippen van de Verlosser in Zijn Opperzaal. Zo kunnen we het ons voorstellen: In Psalm 113 zong Hij de lof van Hem Die redt uit de diepste put.

In Psalm 114 loofde Hij Hem Die Israël eens heeft verlost en Israël weer zal verlossen.

In Psalm 115 zong Hij, te midden van de omgevallen afgoden van de aarde, voor Hem Die Israël en de wereld zegent.

In Psalm 116 zong Hij, vooruitlopend op wat zou komen, Zijn dankzegging voor de opstanding.

In Psalm 117 ging Hij voor in de lofzang van de grote gemeente. In Psalm 118 (vlak voordat Hij de Opperzaal verliet en naar Gethsemane ging) vertelde Hij van Zijn lijden, Zijn strijd, Zijn zege en Zijn verheerlijking. — A. A. Bonar.

Gehele psalm

Wie de psalmen aandachtig leest, ziet dat bijna elke psalm op het christendom gericht is. Veel psalmen, misschien wel de meeste, zijn zonder twijfel ontstaan door gebeurtenissen in het leven van hun koninklijke dichter. Daarom beschrijven ze tegelijk de toestand en het leven van koning David: zijn daden en zijn lijden. En ze voorspellen ook onze Zaligmaker, Die steeds door koning David werd afgebeeld, want Hij is naar het vlees uit zijn lendenen geboren. Maar deze psalm lijkt helemaal met het oog op het christendom geschreven. Hij begint met een dringende oproep aan alle ware knechten en ijverige aanbidders van God om “den Naam des HEEREN” te loven op elk moment en op elke plaats, “van nu aan tot in der eeuwigheid” en “van den opgang der zon af tot haar nedergang”.

De volgende verzen noemen de reden van die lof en aanbidding. Eerst is dat de glorieuze majesteit van Gods goddelijke natuur. Daarna is het de bijzondere goedheid van die natuur, die we zien in Zijn werken van voorzienigheid. Hij verhoogt vooral wie vernederd is en maakt onvruchtbare vrouwen vruchtbaar. Dat Hij de arme uit het slijk optilt en de onvruchtbare vrouw vruchtbaar maakt, lijkt op het eerste gezicht een vreemde combinatie van gedachten. Maar wie de profetische taal goed begrijpt, ziet het probleem verdwijnen. Dan blijken beide uitdrukkingen heel nauw verwant te zijn en vrijwel hetzelfde te betekenen.

Met de “geringe” worden hier namelijk mensen bedoeld die niets weten van de hemelse dingen (de enige ware rijkdom) en die vastzitten in het slijk en vuil van de zonde. Zo is ook het woord dat Hij “de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen” een profetisch beeld. Het wijst op de vruchtbaarheid van de Kerk, die zonen en belijders van de ware godsdienst voortbrengt. Mijn uitleg van beide uitdrukkingen is niet uit de lucht gegrepen, want ze steunt op zoveel parallelle Schriftplaatsen dat ze verantwoord is. Ik wil er alleen dit bij zeggen: hier wordt voorzegd dat het christelijk geloof over heel de aarde beleden zal worden.

Ook de windrichting wordt precies aangegeven waarheen Gods voorzienigheid het christendom zou sturen, namelijk van oost naar west, of “van den opgang der zon af tot haar nedergang”. — James Bate, 1703-1775.

Vers 1

“Looft, gij knechten des HEEREN!” “Looft.” Het woord hallelu staat er twee keer. Die herhaling heeft een betekenis. Ze moet ons wakker schudden uit onze verdoving. Wij zijn allemaal te langzaam en te traag als het gaat om stilstaan bij Gods weldaden en Hem ervoor prijzen. Zulke prikkels hebben we dus hard nodig.

Bovendien wijst de herhaling op ijver en doorzettingsvermogen bij het laten klinken van Gods lof. Eén keer of twee keer God prijzen is niet genoeg. In de Kerk moet Zijn lof altijd en overal gezongen worden. — Mollerus.

Vers 1

“Looft den Naam des HEEREN.” God prijzen stopt niet bij een gedachtespel of een loze overpeinzing van Gods voortreffelijkheid, die alleen door het hoofd zweeft of over de tong rolt. Het zit in zo’n levendig en alert begrip van die voortreffelijkheid dat ze tot in het hart zakt. Daar wekt ze gevoelens op die er bij passen. Zo’n begrip laat ons van Hem houden om Zijn goedheid en Hem eren om Zijn grootheid. Het laat ons beven voor Zijn gerechtigheid en ontzag hebben voor Zijn macht, en het laat ons Hem aanbidden om Zijn wijsheid.

En om al Zijn eigenschappen laat het ons leven met voortdurende eerbied en gehoorzaamheid voor Hem. Dát is God prijzen. Zonder dit is al het andere hoffelijke gedoe tegenover Hem niets dan vleierij en schijnheiligheid. (…) God de Almachtige heeft ons hogere en edelere vermogens gegeven dan andere schepselen, juist om Zijn lof te verkondigen. Andere dingen zijn weliswaar gemaakt om de stof en de aanleiding te leveren. Maar alleen de mens is bestemd en in staat gesteld om God daadwerkelijk te verheerlijken. (…) Kortom, God heeft Zijn eigen eer en ons geluk zo nauw in elkaar gevlochten dat we, terwijl we het ene bevorderen, tegelijk het andere dienen. — Matthew Hole, 1730.

Vers 1

“Looft, gij knechten des HEEREN.” Uit de aansporing om God te prijzen, en uit de verklaring dat Hij het verdient, leren we iets belangrijks. Het is de plicht van alle mensen om de Heere te prijzen, maar vooral van Zijn dienaren en de ambtsdragers in Zijn huis. Ten eerste omdat hun ambt van hen vraagt dat ze dat openlijk doen. Ten tweede omdat zij de redenen voor Zijn lof het best behoren te kennen, en dus ook het meest geschikt zijn om hem te verkondigen. En ten derde omdat de goddelozen doof zijn voor de oproep en stom als het gaat om gehoorzaamheid eraan.

Daarom voegt hij, nadat hij heeft gezegd: “Hallelujah!”, eraan toe: “Looft, gij knechten des HEEREN!” — David Dickson.

Vers 1

“Gij knechten des HEEREN.” Alle mensen zijn God deze plicht schuldig, omdat ze het werk van Zijn handen zijn. Christenen meer dan andere mensen, omdat zij de schapen van Zijn weide zijn. Predikers van het Woord weer meer dan andere christenen, omdat zij de herders van Zijn schapen zijn en dus voorbeelden in woord, in wandel, in liefde, in geest, in geloof en in reinheid. 1 Tim. 4:12. — John Boys.

Verzen 1-3

Halleluja, prijst de HEERE!
Prijst, o knechten, prijst Zijn Naam!
Laat Jehova’s lof weerklinken,
nu en altijd, onveranderd!

Waar in het oosten de zon begint te stralen,
waar zij wegzinkt in de oceaan,
zo ver haar stralen reiken in hun loop,
moet Jehova’s lof jullie lied zijn.

— Richard Mant.

Vers 2

“De Naam des HEEREN zij geprezen.” Probeer dan, o mens, met je worstelende ziel te begrijpen (want onder woorden brengen kan het niet) hoe onmetelijk groot de schuld van dankbaarheid is die je hebt aan Hem. Door Zijn scheppende goedheid riep Hij je uit het niets, om je deel te geven aan verstand en zelfs aan onsterfelijkheid, zoals Hij die Zelf heeft. Door Zijn bewarende goedheid wil Hij je veilig leiden door alle fasen van je eeuwige bestaan. En door Zijn verlossende goedheid heeft Hij voor jou een geluk klaargemaakt dat te groot is voor een mensenverstand.

Kun je zulke bewijzen van liefde voor jou en voor alle mensen ontvangen zonder iets te voelen, koel en onaangedaan? (…) Welk woord in de hele taal is sterk genoeg om de zwarte ondankbaarheid te schilderen van iemand die onbewogen blijft bij de goedheid van God, zijn Schepper, en bij de barmhartigheid van Christus, en er helemaal niets om geeft? — Jeremiah Seed, 1747.

Vers 2

“De Naam des HEEREN zij geprezen”, enzovoort. De discipelen aan die paastafel hebben die lofprijzing ongetwijfeld herhaald met gemengde gevoelens van dank en droefheid: “De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.” Maar welke Israëliet in alle paaszalen van Jeruzalem die nacht, terwijl hij het hallel of de lofzang zong, kon de volle betekenis van de woorden “van nu aan” begrijpen of ervan doordrongen raken? En welke van de discipelen aan de bedroefde tafel van Jezus kon dat dan? Van welk tijdstip dan? Ik denk dat Johannes ons een aanwijzing geeft voor het uur en het ogenblik waarover de psalmist, misschien zonder het zelf te weten, sprak.

Hij vertelt dat de verrader Judas direct wegging toen hij het stuk brood had ontvangen. Judas ging heen om zijn verraderlijke plan als het ware vast te klinken en te bezegelen. Toen zei Jezus: “Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.” Vanaf dat moment stond de Zoon des mensen, volgens de vaste raad en het voorweten van God, op het punt om overgeleverd te worden in de handen van goddeloze mensen, om gekruisigd en gedood te worden. Jezus keek naar de mensen om Zich heen, wier hart inderdaad vol verdriet was.

Met Zijn alziende, vooruitkijkende oog keek Hij ook verder en zag Hij allen die later door hun woord in Hem zouden geloven. Hoe veelbetekenend en nadrukkelijk moeten we ons dan voorstellen dat de gezegende Jezus in die nacht vol angst deze woorden van de lofzang uitsprak: “De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid!” “Nog een paar uur en het verbond wordt met Mijn eigen bloed verzegeld, het bondgenootschap bekrachtigd, als Ik aan het kruis hang.” En met wat voor kalme, vertrouwende zekerheid van de overwinning kijkt Hij naar dat kruis van schande!

Met wat voor overvloeiende liefde wijst Hij erop en zegt: “En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken!” Precies zo gaat het ook hier, in deze paaspsalm. Hoe moet het hart van de Zaligmaker zich zelfs hebben verblijd bij de gedachte aan het lijden dat Hem wachtte, toen Hij deze voorspelling uitsprak: “Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd”! “Hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is.” Zo heeft de Heere vanaf dat uur tot nu toe dagelijks mensen aan de gemeente toegevoegd: allen die Hij in elke eeuw en in elk land heeft uitgekozen tot zaligheid.

Dat gaat door tot de volheid van Zijn eigen vastgestelde tijd, wanneer alle volken, van oost en west, van noord en zuid, Hem zullen dienen en “de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.” — Barton Bouchier.

Vers 2

“Van nu aan tot in der eeuwigheid.” De knechten van de Heere moeten Zijn lof zingen in dit leven tot het einde van de wereld, en in het volgende leven, wereld zonder einde. — John Boys.

Vers 3

“Van den opgang der zon af tot haar nedergang.” Dat betekent: overal, van oost naar west. Over deze westelijke streken van de wereld wordt in het bijzonder geprofeteerd dat ze God zullen dienen, na de Joden die in het oosten woonden. Dat geldt ook voor onze eigen eilanden, die liggen in de zee waarin de zon volgens de oude Griekse dichters ondergaat. De profeet gebruikt hier in het Hebreeuws zo’n woord, waarin het westen, naar het gewone beeld, de zonsondergang wordt genoemd, het ondergaan of binnengaan van de zon. — Samuel Torshell, 1641.

Verzen 4-5

“De HEERE is hoog (…) Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.” Maar hoe hoog is Hij dan? Antwoord 1. Zo hoog dat alle schepselen voor Hem buigen en Hem eren, ieder naar zijn eigen aard en kracht. Johannes laat ze allemaal opkomen. Zij geven de kroon van heerlijkheid aan Hem, nemen haar van zichzelf af en zetten haar op Zijn hoofd, als een koninklijke eer die alleen Hem toekomt. (Openb. 5:13)

(a) Sommigen doen dat door zich te onderwerpen en zich voor Hem te buigen. Engelen en heiligen aanbidden Hem. Ze erkennen Zijn hoogheid door hun eigen hoogheid te verloochenen en Zijn wil te verheffen tot hun hoogste wet en hoogste goed.

(b) Anderen erkennen Zijn verhevenheid doordat ze ontzet raken bij het minste straaltje van Zijn heerlijkheid. Zodra Hij maar een glimp laat zien van Zijn grootheid, sidderen de duivels en beven de mensen, Jak. 2:19; Jes. 33:14.

(c) Ten derde doen zelfs levenloze schepselen dat. Ze gaan mee met de indrukken van Zijn macht en onderwerpen zich er gewillig aan, Hab. 3:9-11; Jes. 48:13; Dan. 4:35.

  1. Hij is zo hoog dat Hij elk vermogen van een schepsel om Hem te begrijpen ver te boven gaat, Job 11:7-9. Daarom is Zijn grootheid inderdaad “ondoorgrondelijk”, zoals David zegt, Ps. 145:3. Kortom, Hij is zo hoog, dat (a) geen lichamelijk oog Hem ooit heeft gezien of kan zien. (b) Ook het oog van het verstand kan Hem niet helemaal bereiken. Hij woont in een ontoegankelijk licht, waar geen sterfelijk oog bij kan komen. — Samengevat uit een preek van Thomas Hedges, getiteld “A Glimpse of God’s Glory”, 1642.

Vers 6

“Die zeer laag ziet.” Alles wat je van God kunt zeggen, geldt voor Hem zonder grens. Wat Hij ook is: Hij is het oneindig. Zo bedoelt de psalmist hier niet dat God nederig is. Hij zegt dat God oneindig nederig is, in de hoogste mate, nederiger dan we ons kunnen voorstellen of met iets kunnen vergelijken. Hij roept de hele geschapen wereld op, van de hoogste geest in de hemel die nooit sterft tot de geringste sterveling op aarde: wijs maar één wezen aan dat zo nederig is als de te aanbidden majesteit van de grote God van hemel en aarde. (…) Sommige voorbeelden van Gods nederigheid verbazen ons.

Maar de volgende kunnen ons sprakeloos maken. Dat de grote Koning van de hemel van Zijn hoogte neerdaalt en Zich verwaardigt Zijn opstandige schepselen een verzoening aan te bieden! Dat we de beledigde majesteit zien smeken dat de beledigers vergeving aannemen! Dat we God zien overtuigen, vragen en bidden dat mensen naar Hem terugkeren, zo ernstig en aanhoudend alsof Zijn eigen leven aan hen vastzit en Zijn eigen geluk afhangt van het hunne! Dat de Geest van God, Die wij aanbidden, met eindeloos geduld en zachtheid het misprijzen en de krenking van zulke ellendige, verachtelijke stakkers als wij zondige mensen verdraagt! Is dit niet verbluffend? — Valentine Nalson, 1641-1724.

Vers 6

“Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.” Voor God is het al een daad van nederbuigen om naar de hemel en de aarde te kijken. Hoeveel verbluffender was het dan dat de Zoon van God uit de hemel naar de aarde kwam, onze menselijke natuur aannam en kwam om te zoeken en te redden wat verloren was! Hier heeft Hij Zich echt, helemaal vernederd. — Matthew Henry.

Vers 7

“Die den geringe uit het stof opricht”, enzovoort. Hierin zit ongetwijfeld een duidelijke verwijzing naar de achting die God ook heeft voor de lagere rangen van de mensheid, want Hij is het “Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt”. Ik twijfel er niet aan dat de hele psalm verwijst naar de tijd van het evangelie. Hij is op dit punt een profetische psalm, vooral gericht op het christendom. Dat mogen we bij uitstek de godsdienst van de armen noemen, en dat is zijn grootste eer. Johannes de Doper zond twee discipelen naar Jezus met de vraag of Hij de Messias was.

Onze Heere antwoordde: “De blinden worden ziende, … de melaatsen worden gereinigd, … de doden worden opgewekt.” Stuk voor stuk buitengewone gebeurtenissen: wonderen die lieten zien dat Hij door God gezonden was. En Hij sloot af met: “Den armen wordt het Evangelie verkondigd.” Dat is net zo’n groot wonder als de andere, en net zo’n grote onderscheiding. Er is nooit een godsdienst geweest, buiten de ware godsdienst met al haar bedelingen, die alle lagen van de samenleving evenveel waardeerde. Overal elders was er een bevoorrechte klasse. Hier niet. Misschien is een van de boeiendste kanten van het christendom wel hoe wonderlijk het past bij het karakter en de omstandigheden van arme mensen.

Wat een gelegenheid biedt het om de stralende en zachte vruchten van de Heilige Geest te laten zien! Wat een bronnen van troost opent het, om de zorgen van het leven te verzachten! En hoe vaak verheft God de arme uit het stof en de behoeftige uit de drek, doordat Hij armen kiest die rijk zijn in het geloof en hen tot erfgenamen van het koninkrijk maakt! — Richard Watson.

Vers 7

“Die den geringe uit het stof opricht”, enzovoort. God haalt Gideon van het dorsen, Saul van het zoeken naar ezelinnen en David van het hoeden van schapen. Hij roept de apostelen weg van het vissen om “vissers der mensen” te worden. De schat van het evangelie legt Hij in aarden vaten. Wat zwak en dwaas is in de wereld, kiest Hij uit om het te prediken en zo “de wijzen” en “het sterke” te beschamen, 1 Kor. 1:27-28. Zo blijkt dat de overweldigende kracht van God is en niet van onszelf, en dat iedereen kan zien dat verheffing van Hem komt. — Matthew Henry.

Vers 7

“Die den geringe uit het stof opricht.” De grootste eer die ooit aan een mens is bewezen, volgde uit Gods oog voor de diepste nederigheid. De Zoon van God zag zo liefdevol naar de eenvoud van de gezegende maagd, dat Hij haar de eer gaf om moeder van Zijn heilige mensheid te zijn. Chrysostomus merkt op dat Johannes de Doper, in zijn nederigheid, zichzelf niet waardig vond om de schoenriem van onze Zaligmaker los te maken. Precies die hand achtte onze Heere waardig om Zijn heilige hoofd te dopen. — Valentine Nalson.

Vers 7

“En den nooddruftige uit den drek.” Dat wijst op een lage toestand. Zo wordt iemand die op een armzalige plek is geboren en armoedig is opgegroeid, soms voorgesteld als iemand die van een mesthoop is gehaald. Het wijst ook op een vuile toestand, een toestand van stank en smet. Door de zonde zijn mensen niet alleen laag geworden, maar ook walgelijk. Terecht zijn zij een gruwel in Gods ogen. En toch tilt Hij hen eruit. Staat er dat Hij hen “opricht” en “verhoogt”? Dan moeten ze eerst gevallen zijn. Dat zijn mensen ook, in Adam, uit een staat van eer en heerlijkheid.

Daar kunnen ze zichzelf niet uit bevrijden. Het is Christus’ werk, en alleen het Zijne, om de stammen van Jakob te laten opstaan en Zijn knecht Israël te helpen en op te tillen. Jes. 49:6; Luk. 1:54; zie 1 Sam. 2:8. — John Gill.

Vers 7

“Den geringe (…) den nooddruftige.” Wees dus blij met de gunstige aandacht die God voor je heeft, en word er rustig van. De Allerhoogste, het grootste van alle wezens, schenkt jou Zijn aandacht. Je bent misschien arm en gewoon, en mensen kijken langs je heen. Je broers haten je misschien en je vrienden blijven ver weg. Maar luister goed: God kijkt vanaf Zijn majestueuze troon naar je neer. Tussen alle oneindig veel verschillende werken die Hij heeft, word jij niet over het hoofd gezien. Tussen alle verhevener diensten van tienduizendmaal tienduizend heiligen en engelen door ontgaat Hem geen enkel vurig gebed en geen nederige zucht van jou. — Job Orton, 1717-1783.

Vers 7

God de Almachtige kan niet boven Zichzelf uit kijken, want niemand staat boven Hem. Hij kan ook niet om Zich heen kijken naar Zijn gelijken, want die heeft Hij niet. Hij kijkt neer op wie onder Hem staan. Hoe lager iemand dus is, des te dichter staat hij bij God. Hij weerstaat de hoogmoedigen en geeft genade aan de nederigen, 1 Petr. 5:5. Hij stoot de machtigen van hun troon en verhoogt wie gering is. De Allerhoogste let in het bijzonder op wie het nederigst zijn. Want onze tekst gaat verder: “Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt.” — John Boys.

Vers 7

Mesthoop. Dit is een beeld van de diepste armoede en van totale verlatenheid. In Syrië en Palestina ligt wie uit de samenleving is gestoten op de mezbele (de mesthoop of de ashoop). Overdag smeekt hij de voorbijgangers om geld, en ’s nachts kruipt hij weg in de as die de zon heeft opgewarmd. — Franz Delitzsch.

Vers 7

Mesthoop. Alle Bijbelplaatsen waar dit woord voorkomt, wijzen volgens Parkhurst op de stapels koeienmest en ander afval. De mensen in het Oosten moesten die opslaan als brandstof, omdat ze geen hout hadden. — Richard Mant.

Verzen 7-8

Deze verzen komen bijna letterlijk uit het gebed van Hanna, 1 Sam. 2:8. Dat het opeens over het “volk” gaat, is vanzelfsprekend: Hanna ziet zichzelf aan het eind als beeld van de gemeente. Elke Israëliet voelde zich veel sterker met die gemeente verbonden dan wij ons dat gemakkelijk voor kunnen stellen. Uit de redding die haar zelf was geschonken, putte ze blije verwachtingen voor de toekomst. — E. W. Hengstenberg.

Vers 8

“Bij de prinsen Zijns volks.” Alleen eer die van God komt, verheft echt. De wereld denkt over een arme wat ze wil, maar voor God kan hij kostbaarder zijn dan de hoogste mens. De nederige armen krijgen hier geen plaats bij de prinsen van de aarde, maar bij “de prinsen Zijns volks”. Rangen en standen in deze wereld, ook tussen mensen die dezelfde God dienen, tellen niet bij Hem, als je ze stelt naast de eer die rust op Gods vrije genade voor de Zijnen, en die Hij uit pure goedheid geeft. Maar ook hier zal pas in de toekomstige wereld de volle waarheid van deze woorden te zien zijn. Dan worden alle gelovigen openlijk erkend als koningen en priesters voor God, en dan zal niemand er nog aan twijfelen. — W. Wilson.

Vers 9

“Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin”, enzovoort. Als een getrouwde vrouw die lang voor onvruchtbaar doorging toch moeder wordt, is haar vreugde buitensporig groot. Haar man en haar vrienden delen die. “Ze noemden haar Kwaal”, dat wil zeggen: “Onvruchtbare”, “maar zij heeft ons goede vrucht gegeven.” “Mijn buren wezen naar mij en zeiden: Kwaal. Maar wat zullen ze nu zeggen?” Laat iemand bij een gelegenheid duidelijk zien hoe blij hij is? Dan zegt men dat hij lijkt op de onvruchtbare vrouw die eindelijk een kind heeft gekregen. Ook iets heel kostbaars beschrijft men zo: “Dit is zo kostbaar als de zoon van de onvruchtbare vrouw”, dat wil zeggen van haar die lange tijd als onvruchtbaar bekendstond. — Joseph Roberts.

Vers 9

“Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin”, enzovoort. Zoals laagheid bij mannen als een groot ongeluk geldt, zo geldt onvruchtbaarheid dat bij vrouwen. Maar zoals God de bedelaar uit het slijk tilt en bij prinsen zet, zo is Hij het “Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen.” Alles regeert Hij, in het eigen gezin net zo goed als in het land. Kinderen en vrucht van de moederschoot zijn een gave en een erfdeel van de Heere, Ps. 127:3. Daarom zitten de papisten fout als ze tot de heilige Anna bidden om kinderen, en de heidenen als ze Diana, Juno en Latona aanroepen.

Alleen God maakt van de onvruchtbare vrouw een “moeder”, en wel “een blijde moeder”. Elke moeder is in het begin blij. Christus zegt het zo: “Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.” Theologen passen dit ook mystiek toe op Christus. Zij stellen dat Hij de gemeente uit de heidenen, eerst “onvruchtbaar”, heeft gemaakt tot “een blijde moeder van kinderen”, zoals de profeet zegt: “Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de HEERE”, Jes. 54:1.

Het kan ook worden uitgelegd van ware christenen, van ons dus. Van nature zijn wij allemaal onvruchtbaar voor het goede, ontvangen en geboren in zonde, niet in staat om zelfs maar één goede gedachte te denken, 2 Kor. 3:5. Maar de Vader van de lichten en van de barmhartigheden maakt ons altijd vruchtbaar en overvloedig in het werk van de Heere, 1 Kor. 15:58. Hij geeft ons genade om vader en moeder te zijn van veel goede daden. Die zijn onze kinderen en onze beste erfgenamen, en ze laten onze naam eeuwig voortleven. — John Boys.

Vers 9

De onvruchtbare vrouw staat voor de arme, verlaten en vertrapte christelijke kerk. De valse kerk drukt haar neer, daagt haar uit en vervolgt haar. Zij vindt haar waardeloos, zielig en onvruchtbaar, omdat zij zelf groter is en meer leden telt: het grootste deel van de wereld. — Joshua Arndt, 1626-1685.

Vers 9

“Hallelujah!” Kijken we om ons heen, dan zien we ruimschoots reden om God te prijzen. Hij buigt Zich neer tot wat mensen bezighoudt. Hij tilt armen op uit de diepste ellende en geeft mensen uit lage kringen een plaats van eer, vertrouwen, rijkdom en macht. Maar willen we ten slotte redenen vinden voor lof die ons hart het zachtst raken en samenhangen met de warmste gevoelens van onze ziel? Dan vinden we die waarschijnlijk in de kring van het gezin. We vinden ze in de liefde voor elkaar, in de gedeelde vreugde en in de tedere gevoelens die de leden van een gezin met elkaar verbinden. — Albert Barnes.

Vers 9

“Een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!” Alleen al het horen over de troostvolle keerpunten die de Heere voor wie lijdt kan geven, en ook werkelijk geeft, verkwikt ons allemaal. Het ontlokt God bij iedereen lof. — David Dickson.

Wenken voor de dorpsprediker

Gehele psalm

Drie delen vormen samen de psalm:

  1. Gods knechten worden opgeroepen om Hem te loven.
  2. Er wordt gezegd hoe en waar we Hem moeten loven, vers 2, 3.
  3. Er worden redenen genoemd die ons daartoe moeten bewegen.

(a) Door Zijn grenzeloze macht, vers 4, 5.

(b) Door Zijn zorg voor alles in hemel en aarde, vers 6. — Adam Clarke.

Vers 1

De herhalingen wijzen op:

  1. Hoe groot het belang van lofprijzing is.
  2. Hoe vaak we verplicht zijn om te loven.
  3. Hoe schoorvoetend wij hierin zijn.
  4. Hoe van harte en hoe vaak we moeten loven.
  5. Dat we anderen nodig hebben om samen met ons te loven.

Vers 1

  1. Wie krijgt de lof? “De HEERE”.
  2. Wie moet hem geven? “Gij knechten des HEEREN”.
  3. Waarom verdient Hij hem? Vanwege Zijn “Naam”.

a. Vanwege alle namen die laten zien wie Hij in Zichzelf is.

b. Vanwege alle namen die laten zien wat Hij voor Zijn knechten is. — G. R.

Verzen 1, 9

“Hallelujah!”

  1. Open je leven ermee en sluit het ermee af. Doe dat ook met heilige dienst, geduldig lijden en al het andere.
  2. Vul alles wat daartussen ligt met lofprijzing. Ga de verzen daartussen maar na.

Vers 2

  1. Het werk van de hemel begint al hier op aarde: de Naam van de HEERE loven.
  2. Het werk van de aarde loopt door in de hemel: “tot in der eeuwigheid”. Zal de lof die op aarde begon in de hemel verder klinken? Dan moeten we er zijn om hem voort te zetten. — G. R.

Vers 2

  1. Nu is het moment om te beginnen: “van nu aan”. Hebben we daar niet extra reden voor, door onze lange achterstand, door wat nu onze plicht is, enzovoort?
  2. Er komt nooit een moment om op te houden: “tot in der eeuwigheid”. Zo’n moment kun je niet verzinnen en niet goedpraten.

Vers 3

God moet geprezen worden.

  1. Heel de dag.
  2. Overal ter wereld.
  3. In het openbaar, in het volle licht.
  4. Tijdens ons dagelijkse werk.
  5. Altijd, want ergens op aarde is het altijd dag.

Vers 3

  1. Vaste gebedsuren bestaan niet meer.
  2. Heilige plaatsen bestaan niet meer, want we kunnen er niet de hele tijd zijn.
  3. Elk moment en elke plek is gewijd.

Verzen 5-6

  1. Hoe groot God is, bekeken van beneden, vers 5.
  2. Hoe God Zich neerbuigt, bekeken van boven, vers 6.

(a) In de schepping.

(b) In de menswording.

(c) In de verlossing. — G. R.

Verzen 5-6

De ongeëvenaarde neerbuiging van God.

  1. Niemand is zo groot als Hij, en daarom kan niemand zich zo diep bukken.
  2. Niemand is zo goed als Hij, en daarom wil niemand zich zo graag bukken.
  3. Niemand is zo wijs als Hij, en daarom kan niemand zo goed “zien” en kennen wat kleine dingen nodig hebben.
  4. Niemand anders is oneindig, en daarom kan alleen Hij tot in de kleinste bijzonderheden doordringen en meevoelen met het kleinste verdriet. Het oneindige zie je evengoed in het allerkleinste als in het allergrootste.

Vers 6

  1. Eén en dezelfde God regeert in de hemel en op de aarde.
  2. Voor hun geluk hebben beide gebieden Zijn blik op hen nodig.
  3. Zijn aandacht gaat naar beide.
  4. Alles wat zich daar afspeelt, staat evenzeer onder Zijn toezicht.

Vers 7

Het evangelie en zijn bijzondere oog voor de armen.

Verzen 7-8

  1. Waar bevinden mensen zich? In het stof van het verdriet en op de mesthoop van de zonde.
  2. Wie grijpt in om hen te helpen? Hij Die in de hoogte woont.
  3. Wat bewerkt Hij voor hen? “Opricht … verhoogt; om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.”

Vers 8

Opgenomen worden in de adel van de hemel, of: de Koninklijke Familie wordt groter.

Vers 9

Voor moederbijeenkomsten. “Een blijde moeder van kinderen.”

  1. Moeder zijn is een vreugde.
  2. Het is bijzonder fijn om kinderen te hebben die leven, gezond zijn en luisteren.
  3. Maar het fijnst van alles is het om kinderen te hebben die christen zijn. (…) De Heere Die zulke zegeningen schenkt, verdient lof.

Vers 9

  1. Een God van het gezin, of: God in het gezin: “Die de onvruchtbare doet wonen”, enzovoort. Heb je kinderen? Ze zijn van God. Heb je kinderen verloren? Ook dat is van God. Ben je zonder kinderen gebleven? Ook dat is van God.
  2. Huisgodsdienst, of: de God van het gezin: “Hallelujah!”

(a) In het gezin.

(b) Voor de barmhartigheid die gezinnen ontvangen. — G. R.

Werk over de honderddertiende psalm

Uitleggingen van Psalm 113 en 114 staan in de Werken van John Boys, deken van Canterbury, uitgave van 1638 in folio, blz. 846-861.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas