“Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.”—Romeinen 5:6
Lees verder: Johannes 5:39-47.
Ongelovige, als God de zonde van berouwvolle mensen niet vergeeft zonder dat de straf gedragen is, wees er dan van overtuigd dat Hij u zeker zal veroordelen. Als Jezus Christus werd geslagen toen Hij de zonde droeg, hoe zal Hij u dan slaan als u Zijn vijand bent en uw eigen zonde draagt? God leek het op Golgotha onder ede te verklaren (zondaar, luister ernaar!): “Bij het bloed van Mijn Zoon zweer Ik dat de zonde gestraft moet worden.” En als uw zonde niet in Christus gestraft is, moet u zelf die straf dragen. Zondaar, is Christus van u? Is Hij voor u gestorven? Vertrouwt u Hem? Als u Hem vertrouwt, is Hij voor u gestorven! Vertrouwt u Hem niet? Bedenk dan dat elk nutteloos woord en elke slechte daad, slag voor slag, klap na klap, gewroken zal worden als u zonder geloof in Christus leeft en sterft. En wat anderen betreft: als God in Christus verzoening heeft gebracht en de weg van verlossing heeft geopend, hoe groot is dan uw schuld als u andere wegen probeert te openen! Wegen die zeggen: “Ik zal goed en netjes leven, diensten bijwonen en mezelf redden.” U bent een dwaas, u hebt God op Zijn zachtste plek beledigd, want u hebt Zijn Zoon beledigd. U zegt: “Ik kan het zonder het bloed.” U vertrapt het bloed van Christus en zegt: “Ik heb het niet nodig.” O, als de zondaar die zich met berouw bekeert niet veroordeeld wordt, met welke verschrikkingen zal dan een zondaar veroordeeld worden die, naast zijn eigen weigering tot bekering, Christus beledigt doordat hij zelf rechtvaardig probeert te worden! Laat dat na!
Ter overdenking
De overdenkingen van de afgelopen week stonden in het licht van het vergoten bloed en het verzoeningsoffer van de Heere Jezus Christus. Geven deze waarheden u verlichting, voldoening en dankbaarheid als antwoord op Zijn liefde (1 Johannes 4:10,19)? Zo niet, dan haat u Hem of geeft u niet om Hem, en dat is voor God hetzelfde. “Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?” (Hebreeën 2:3).
Preek 446, 30 maart 1862

