“Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden.”—Psalm 22:15
Heeft de aarde of de hemel ooit een droeviger schouwspel van leed gezien! In ziel en lichaam voelde onze Heere Zich zo zwak als water dat op de grond is uitgegoten. Het neerzetten van het kruis in het gat had Hem hevig door elkaar geschud. Alle banden waren gerekt, elke zenuw deed pijn en al Zijn beenderen waren min of meer uit de kom. De verheven Lijder werd neergedrukt door Zijn eigen gewicht en voelde de spanning elk moment toenemen, al die zes lange uren. Zijn gevoel van flauwte en algehele zwakte was overweldigend. Voor Zijn eigen besef was Hij niets anders meer dan een hoop ellende en bezwijmende ziekte. Toen Daniël het grote gezicht zag, beschreef hij zijn gevoelens zo: “er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.” Hoeveel zwakker moet onze grotere Profeet zijn geweest toen Hij het verschrikkelijke visioen van Gods toorn zag en die in Zijn eigen ziel voelde! Voor ons zouden gevoelens zoals onze Heere onderging ondraaglijk zijn geweest, en een barmhartige bewusteloosheid zou ons te hulp zijn gekomen. Maar bij Hem was het anders. Hij werd gewond en voelde het zwaard. Hij dronk de beker leeg en proefde elke druppel.
“O Koning van smart! (een vreemde titel, maar waar,
die van alle koningen alleen U toekomt)
O Koning van wonden! Hoe zal ik om U treuren,
U, Die mij in alle smart voorgaat!”
Terwijl wij knielen voor de troon van onze Zaligmaker, Die nu is opgevaren, laten wij goed bedenken langs welke weg Hij die troon voor ons heeft bereid tot een troon van genade. Laten wij in onze geest van Zijn beker drinken, zodat wij worden versterkt voor ons uur van droefheid, wanneer dat ook komt. In Zijn natuurlijke lichaam leed elk lid, en zo moet het ook gaan in het geestelijke lichaam. Maar zoals Zijn lichaam uit al Zijn smart en leed ongedeerd tevoorschijn kwam, op weg naar heerlijkheid en macht, zo zal ook Zijn mystieke lichaam door de oven heen komen, zonder zelfs maar de geur van vuur aan zich te hebben.

