Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands
Charles Haddon Spurgeon

Voor Iedere Dag 16 april

Jezus’ verschijning aan Maria

2 min. lezen

“En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.”—Markus 16:9

Lees verder: Johannes 20:11-18.

“Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden” (Markus 16:10). Zo vertelde Maria Magdalena de anderen dat ze de Verlosser gevonden had. Als u het voorrecht hebt gehad de Heere Jezus te zien, houd Hem dan niet voor uzelf. Hebt u honing gevonden? Proef ervan, maar ga en vertel het aan anderen. U kunt de Verlosser niet gezien hebben zonder ernaar te verlangen Hem ook aan anderen te laten zien. Uw vroomheid is schijnvroomheid als ze niet leidt tot praktische dienst. Zijn er hier geen mensen als Maria Magdalena, die verlost zijn van zeven duivelen? U hebt de kracht van Gods genade in uw hart gevoeld, u houdt van uw Verlosser en u verlangt naar gemeenschap met Hem. Mijn lieve zuster, zodra u gemeenschap met Hem hebt, wees dan niet bang om anderen te vertellen wat de Heere persoonlijk tot u gezegd heeft. We willen niet dat vrouwen de preekstoel opgaan; dan doen we zowel de genade als de natuur geweld en beledigen we zowel de goede manieren als Gods eigen wet. Maar u hebt uw eigen gebied. U hebt uw eigen werkplaats; verzamel de andere vrouwen en uw kinderen om u heen. U hebt veel mogelijkheden. Vertel de anderen dat Jezus is opgestaan, dat er opstandingsleven is en dat u dat weet. Vertel dat u ernaar snakt en ernaar verlangt dat ook anderen opstaan uit het graf van de zonde, tot een nieuw leven in Jezus. Dat geldt ook voor u, mannen en broeders: u moet vooral leraren en herders zijn. U allen roep ik op: wat u ook gevonden hebt in de kring van vuur waar de grootste gemeenschap is, wat Christus u ook heeft laten zien toen u alleen met Hem was, vertel het aan Zijn familie en voed Zijn kudde ermee.

Ter overdenking

Vrouwen moeten geen geestelijk gezag uitoefenen over mannen (1 Korinthe 14:33-35; 1 Timotheüs 2:11-14), maar ze moeten wel getuigen van Gods werk, ook onder broeders (Mattheüs 28:7,10). Mannen moeten de bedieningen die God aan vrouwen gegeven heeft, zowel thuis (Handelingen 16:15; 1 Korinthe 7:13,16; 1 Timotheüs 5:14; 2 Timotheüs 1:5; 3:15; Titus 2:4-5; 1 Petrus 3:1-2,5) als in de wijdere familie van Christus (Lukas 8:2; Handelingen 9:36,39; 18:26; Romeinen 16:1-6; Filippenzen 4:2-3; 1 Timotheüs 5:10; Titus 2:3-4), waarderen en aanmoedigen.

Preek 625, 16 april 1865