Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands
Charles Haddon Spurgeon

Voor Iedere Dag 4 april

Ik weet dat mijn Verlosser leeft

2 min. lezen

“Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;”—Job 19:25-26

Lees verder: Ruth 3:1-4:10.

Het woord verlosser dat hier gebruikt wordt, is in de grondtekst het woord goel: bloedverwant. De plicht van een bloedverwant of goel was als volgt. Stel dat een Israëliet zijn erfdeel kwijtgeraakt was, zoals bij Naomi en Ruth. Stel dat een erfgoed dat aan zijn familie toebehoorde door armoede verloren was gegaan. Dan was het de taak van de goel, de verlosser, om als naaste verwant het erfgoed te betalen en het zo terug te kopen. In die verhouding stond Boaz tot Ruth. Zo kan ook het lichaam gezien worden als het erfdeel van de ziel. Het is de kleine boerderij van de ziel, het stukje aarde waar de ziel rondwandelde en zich in verheugde, zoals iemand door zijn tuin wandelt of in zijn huis woont. En dat blijft achter, dood. Zoals Achab de wijngaard van Naboth nam, zo verliezen wij ons erfgoed. De dood stuurt haar troepen om onze wijngaard te nemen en alles wat daar leeft te verwoesten. Maar we kijken de dood aan en zeggen: “Ik weet dat mijn Goel leeft, Hij zal mijn erfgoed terugkopen. Ik heb het verloren en u hebt het mij terecht ontnomen, o dood, want door mijn zonden heb ik mijn rechten verkocht. Door mijn eigen overtredingen en de overtreding van Adam heb ik mijn erfgoed verloren. Maar er leeft Iemand die het voor mij terug zal kopen.” Broeders, Job kon dit zeggen, lang voordat Christus op aarde kwam: “Want ik weet: mijn Verlosser leeft.” En nu Hij is opgevaren naar de hemel en de gevangenis gevangen heeft genomen, kunnen wij het zeker met dubbele nadruk zeggen: “Ik weet dat mijn Goel, mijn Bloedverwant, leeft en dat Hij de prijs betaald heeft, zodat ik mijn erfgoed terug zal krijgen en God in mijn vlees zal zien.”

Ter overdenking

Een christen kan de verlossing zien als iets uit het verleden (Galaten 3:13) en iets van het heden (Efeze 1:7), maar als we bij de verlossing van onze ziel blijven stilstaan, negeren we het laatste, essentiële hoofdstuk van het verhaal. We wachten nog op de dag van de verlossing (Efeze 4:30) en op de daadwerkelijke verlossing van ons lichaam (Romeinen 8:23).

Preek 504, 12 april 1863