Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

De opdracht en de volmacht van de zendelingen

30 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 21 april 1861 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Mattheüs 28:18-19

Toen ik in stilte over deze tekst nadacht, werd ik meegesleept door de kracht ervan. Ik was nauwelijks nog in staat om rustig na te denken over de woorden of over de redenering van de tekst. Het gebod waarmee de tekst eindigt, klonk steeds opnieuw in mijn oren, tot ik niet meer kon studeren. Mijn gedachten dwaalden heen en weer en stelden duizend vragen, die me allemaal moesten helpen een antwoord te vinden op de ernstige vraag: ‘Hoe moet ik heengaan en alle volken onderwijzen, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest?’ De praktische les leek in mijn geest de redenering te overstemmen waarvan zij slechts de conclusie is: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken.’

Het was alsof mijn oren het hoorden, alsof Christus het op dat moment tot mij sprak. Ik werd Zijn aanwezigheid gewaar. Ik meende Hem te zien terwijl Hij Zijn doorboorde hand ophief, en Hem te horen spreken zoals Hij gewoonlijk sprak, met gezag en toch zachtmoedig: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, hen dopend in de Naam van de eeuwig gezegende God.’ O, ik wilde dat de kerk de Zaligmaker deze woorden nu tot haar kon horen spreken! Want de woorden van Christus zijn levende woorden. Ze hadden niet alleen gisteren kracht, maar ook vandaag. De bevelen van de Zaligmaker moeten nog steeds gehoorzaamd worden. Ze waren niet alleen bindend voor de apostelen, maar ook voor ons en voor elke christen op wie dit juk rust: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.’

Wij zijn vandaag niet vrijgesteld van de dienst die de eerste volgelingen van het Lam verrichtten. Onze marsorders zijn dezelfde als die van hen. En onze Kapitein eist van ons even snelle en nauwgezette gehoorzaamheid als van hen. O, dat deze boodschap niet aan dovemansoren gericht zou zijn en niet door onbewogen zielen gehoord zou worden!

Broeders, de heidenen gaan verloren. Zullen wij hen laten verloren gaan? Zijn Naam wordt onteerd. Zullen wij zwijgen? De eer van Christus wordt in het stof vertrapt, en Zijn vijanden honen Zijn persoon en weerstaan Zijn gezag. Zullen wij, Zijn soldaten, dat verdragen? Zullen onze handen niet naar het gevest van ons zwaard grijpen, het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord? Onze Heere stelt Zijn komst nog uit. Zullen wij in slaap vallen, of eten en drinken en dronken worden? Zullen wij niet liever de lendenen van ons verstand omgorden en tot Hem roepen: ‘Kom, Heere Jezus, kom haastig’?

De spottende sceptici van deze laatste dagen hebben gezegd dat de verovering van de wereld voor Christus, die wij verwachten, slechts een droom is, een wens die door de geest van onze Leider ging, maar die nooit vervuld zal worden. Sommigen beweren dat het bijgeloof van de heidenen te sterk is om door ons onderwijs te worden neergeworpen, en dat de vestingen van de satan onneembaar zijn voor onze aanvallen. Zou dat zo zijn? Zullen wij tevreden zijn met dwaas stilzitten? Nee, laten we liever de proef op de som nemen. Laten we Gods belofte op de proef stellen, laten we zien of de woorden van Jezus waar zijn, en laten we de kracht van Zijn bloed en de onoverwinnelijkheid van Zijn Geest bewijzen door in de geest van het geloof alle volken te onderwijzen en hen te winnen voor de gehoorzaamheid aan Christus, onze Heere.

Ik weet niet hoe ik vanmorgen met mijn preek moet beginnen, maar het is me alsof ik, terwijl ik hier sta, die stem hoor zeggen: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken.’ Soms dorst mijn ziel naar de vrijheid om Christus te prediken waar Hij nog nooit gepredikt is. Soms verlang ik ernaar niet op het fundament van een ander te bouwen, maar naar onbetreden land te trekken, naar een wildernis waar nog nooit een dienaar van Christus een voet heeft gezet, opdat de woestijn zal bloeien als een roos. Ik heb mij ernstig afgevraagd of ik niet in China of in India van de genade van Jezus moest getuigen. En voor het aangezicht van God heb ik daarop antwoord gegeven.

Ik voel ernstig dat mijn positie in Engeland mij niet toestaat de kring te verlaten waarin ik nu sta. Anders zou ik mij morgen nog als zendeling aanmelden. O, hoort niemand van u vanmorgen deze roeping? U die vrij bent van dat grote werk dat mij is opgelegd, u die gaven hebt die op dit moment aan geen bijzonder doel gewijd zijn, u die kracht hebt die nog aan geen bepaalde zaak geofferd wordt, u die zich nog niet aan een bepaalde plaats verbonden hebt: hoort u mijn Meester niet roepen, met een gezag dat niet genegeerd kan worden: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes’?

O, kon ik maar preken zoals Petrus van Amiens, voor een betere kruistocht! Waren menselijke lippen toch in staat om de duizenden van ons Israël in beweging te brengen, zodat zij in één keer opstonden, eendrachtig en onweerstaanbaar, om de wereld te veroveren, zoals een geweldige vloed uit de diepten van de oceaan opkomt en de stranden overspoelt die nu dor en verlaten liggen. Dat de donderende stem toch nog eens gehoord werd en de lichtende Geest ieders hart doordrong, zodat de hele kerk als één man de marsorder van haar Heere gehoorzaamde en uitging om alle volken te onderwijzen en hen te dopen in de Naam van Israëls God! O Heere, als wij niet kunnen spreken, laat U dan niet na te spreken. En als wij niet weten hoe wij Uw last moeten dragen of Uw ontzagwekkende gedachten moeten uitdrukken, spreek U dan met die alles doordringende en toch stille stem die geoefende oren kunnen verstaan, en maak Uw dienaren gehoorzaam, om Christus’ wil!

Waak op, Gij Geest der oude helden,
Der eerste heilsgezanten van de Heer,
Die fier den vijand tegensnelden,
En onvermoeid getuigden tot Zijn eer!
O, werd weldra hun levenwekkend woord
In elke taal, door ieder volk gehoord!

Geef, zaaiers die van geestdrift branden;
Geef, maaiers die vol vreugd’ de sikkel slaan,
Gewiekte voeten, nijv’re handen;
Daar golft een zee van welig rijpend graan.
Gord, Heer des oogstes, gord uw volk met macht!
Uw werk is groot, maar klein is onze kracht.

Verscheur den band, verbreek den kluister,
Dien satan om der volken lenden spant!
Geef aan Uw heilmaar nieuwe luister;
Zend boden tot in ’t verste heidenland.
Heel ’t aardrijk word’ Uw eigendom, o Heer!
Giet stroomen van den Geest der waarheid neer!

Vanmorgen zullen we eerst even stilstaan bij het gebod en daarna wat langer bij de redenering die eraan voorafgaat. Er is namelijk een redenering, want u leest: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken.’

I. In de eerste plaats, broeders, en inderdaad heel kort, iets over HET GEBOD.

Merk eerst op hoe bijzonder liefdevol dit gebod is. Stelt u zich voor dat Mohammed op zijn sterfbed tegen zijn volgelingen had gezegd: ‘Aan mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.’ Wat zou dan zijn gebod zijn? ‘Ga dan heen met scherpe kromzwaarden, dwing de mensen tot geloof in de profeet of dood hen als zij voor het vreselijke alternatief kiezen. Wreek mij op de mannen die stenen naar de profeet gooiden, maak van hun huizen een mesthoop en hak hen in stukken, want mij komt de wraak toe, en Gods profeet moet gewroken worden op zijn vijanden.’

Maar Christus werd veel erger bespot en vervolgd door de mensen, en Hij heeft werkelijk macht, wat die ingebeelde profeet niet had. En Christus zegt tot Zijn discipelen, als Hij op het punt staat naar de hemel op te varen: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.’ Dat is de stem van de liefde, niet van de wraak. ‘Ga en onderwijs hen over de kracht van Mijn bloed om te reinigen, over de gewilligheid van Mijn armen om te omhelzen, over het verlangen van Mijn hart om te redden! Ga en onderwijs hen. Onderwijs hen om Mij niet langer te verachten en niet langer over Mijn Vader te denken als een harde en meedogenloze God. Onderwijs hen om hun knie te buigen, de Zoon te kussen en in Mij rust te vinden voor al hun moeite en balsem voor al hun pijn. Ga. Spreek zoals Ik gesproken heb. Ween zoals Ik geweend heb. Nodig zoals Ik genodigd heb.

Spoor hen aan, overreed hen, smeek en bid hen, zoals Ik dat gedaan heb. Zeg hun dat zij tot Mij moeten komen als zij vermoeid en belast zijn, en Ik zal hun rust geven. En zeg tot hen dat Ik geen lust heb in de dood van de goddeloze, ‘maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve’ (Ezechiël 33:11).’ Wat is het gebod uit de tekst vriendelijk en genadig: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.’

Let er ook op hoe buitengewoon eenvoudig dit gebod is: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken.’ De Roomse Kerk heeft het niet zo begrepen. Zij zegt: ‘Ga heen en hul alle volken in nevelen. Laat in hun oren een taal klinken die ooit leefde, maar nu dood is. Breng hun het Latijn en laat dat in prachtige harmonieën klinken. Dan zullen ze bekeerd worden. Richt een kostbaar altaar op. Kleed de priesters in geheimzinnige gewaden. Vier geheime riten en laat de heidenen zich verbazen. Verbijster hen met pracht. Overweldig hen met mysteriën.’

Maar Christus zegt: ‘Nee, ga en onderwijs’. Dat doet een moeder bij haar kind. Dat doet een onderwijzer bij een jongen of een meisje. ‘Ga en onderwijs.’ Wat een eenvoud! Illustreer, leg uit, licht toe, onderricht, informeer, vertel. Neem de duisternis van de onwetendheid bij hen weg. Laat hun het licht van de openbaring zien. Onderwijs! Wees tevreden om bij hen te gaan zitten en hun de meest eenvoudige en gewone zaken te vertellen. Het is niet uw voortreffelijkheid die hen zal bekeren. Het zijn niet uw sierlijke woorden en gepolijste volzinnen die hun verstand in beweging zullen brengen.

Ga en onderwijs hen. Onderwijs hen! Nogmaals, mijn hoorders: dat woord heeft te maken met de eerste beginselen. Wij preken niet voor kinderen, wij onderwijzen hen. Zo moeten we ook niet zozeer preken voor de volken; dat woord lijkt te groot voor de onbeschaafde, kinderlijke volken. Ga en onderwijs hun eerst de heel eenvoudige waarheden van het kruis van Christus.

En let erop hoe Hij het vervolgens zegt. Wie moeten er onderwezen worden? ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken.’ De Grieken hebben filosofen; onderwijs hen. Het zijn maar kinderen. Het zijn dwazen, ook al menen ze dat ze wijs zijn. Er zullen beschaafde landen zijn met een letterkunde die die van de christenen verre te boven gaat. Onderwijs hen toch. Ze moeten onderwezen worden.

En tenzij zij bereid zijn de plaats van een leerling in te nemen en te worden als een kind, zullen zij in geen geval het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Ga niet met hen in debat. Redetwist niet. Probeer niet op hun eigen terrein over bepaalde leerstellingen met hen te strijden. Houd vast aan het feit dat Ik u gezonden heb, gezonden om zelfs de meest verheven en best onderlegde mensen te onderwijzen. En als u die positie inneemt, zal Ik altijd met u zijn om u te steunen. Dan zullen de mensen bereid zijn aan uw voeten te zitten om onderwezen te worden in de Naam van Jezus.

Ik weet niet of al onze zendelingen deze gedachte van Christus, om alle volken te onderwijzen, begrepen hebben, maar velen van hen wel. En zij zijn beloond met veel bekeringen. Hoe meer zij werkelijk eenvoudige onderwijzers zijn geweest en geen westerse filosofen of ijverige verdedigers van het een of andere Engelse leerstuk, hoe eenvoudiger zij dus zijn uitgegaan als onderwijzers die door God gezonden zijn om de wereld te onderwijzen, hoe meer vrucht zij hebben gedragen.

‘Gaat dan henen, onderwijst.’ Sommigen denken misschien dat het minder moeilijk is om ontwikkelde mensen te onderwijzen dan onbeschaafde barbaren. Maar voor beiden geldt dezelfde plicht: ‘Ga en onderwijs.’ ‘Maar zij zwaaien met de tomahawk.’ Onderwijs hen, en ga in hun hutten slapen. Ze zullen zich verbazen over uw onverschrokkenheid en uw leven sparen. ‘Maar ze eten elkaar op en houden bloedige maaltijden rond de kookpot waarin een mensenlichaam als afschuwelijk maal ligt te pruttelen.’ Onderwijs hen, en ze zullen hun oorlogsketel legen, hun zwaarden begraven, voor u buigen en Koning Jezus erkennen. ‘Maar ze zijn verdierlijkt, ze hebben nauwelijks een taal; een paar klikgeluiden is alles wat ze kunnen voortbrengen.’ Onderwijs hen, en ze zullen de taal van Kanaän spreken en het lied van de hemel zingen.

Het is bewezen, broeders, dat ieder volk onderwezen kan worden. Ja, ieder volk is daarna zelfs in staat om anderen te onderwijzen. Negerslaven zijn liever onder de zweep bezweken dan dat ze hun Meester verloochenden. Eskimo’s hebben hun kale hellingen beklommen en zijn zo Jezus gevolgd. Hindoes hebben geduldig de schade van alles verdragen, omdat ze Christus meer liefhadden dan wat ook. Zwakke Malagassische vrouwen waren bereid om te lijden en te sterven, en ze waren blij dat ze om Christus’ wil mochten lijden. In elk land zijn er helden voor Christus geweest. Mensen van elke kleur en van elk ras zijn voor Hem gestorven. Op Zijn altaar is het bloed te vinden van alle geslachten die op de aardbodem wonen.

O, zeg toch niet dat ze niet onderwezen kunnen worden! Mijne heren, ze kunnen zelfs geleerd worden om voor Christus te sterven. En dat is meer dan sommigen van u hebben geleerd. Ze kunnen de allerhoogste les van de christelijke godsdienst opzeggen: die zelfverloochening die zichzelf vergeet en alles opgeeft voor Hem. Vandaag zijn er zendelingen uit de Karen die onder de Karen prediken met even vurige welsprekendheid als Whitefield ooit had. Er zijn Chinezen die op Borneo, Sumatra en in Australië Chinezen onderwijzen, met even grote ernst als waarmee Morrison en Milne destijds in China onderwezen. Er zijn hindoe-evangelisten die zich niet schamen dat ze de dreiging van de brahmanen hebben afgeworpen, en die met paria’s eten en samen met hen spreken over de rijkdommen van Christus. Mannen uit elke klasse en van elke soort blijken niet alleen onderwezen te kunnen worden, maar ook zelf onderwijzers te kunnen worden, zelfs heel goede onderwijzers van de genade van de Heere Jezus Christus. Toen Christus zei: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken’, werd dat gebod door de latere feiten ten volle gerechtvaardigd.

Maar, broeders, de tekst zegt ook: ‘dezelve dopende’. Zij moeten worden onderwezen, en daarna moeten zij worden gedoopt. Ik weet niet waarom wij het bijgeloof van onze christenbroeders zouden volgen door het woord ‘baptize’ te blijven gebruiken. Dat is geen Engels, maar Grieks. Het heeft maar één betekenis, die niet opgerekt kan worden. In de klassieke schrijvers kan het zonder uitzondering niet anders worden vertaald dan met ‘onderdompelen’. En omdat wij dat geloven en weten, zullen we de vertaling vanmorgen maar helemaal afmaken: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, hen onderdompelend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.’

Ons zendingsgenootschap mag dan in tijd voorop hebben gelopen (voordien was er alleen de Moravische zending), wij zouden ook voorop moeten gaan in zuiverheid. Deze tekst kunnen wij in elk land uitvoeren: eerst onderwijs, daarna doop. Wij begrijpen de filosofie niet om eerst te dopen en daarna te onderwijzen. Wij houden eraan vast dat we eerst moeten onderwijzen en daarna, als de mensen discipelen zijn geworden, hen moeten dopen. Niet de volken; dat bedoelt het Grieks niet. Wij moeten degenen dopen die discipelen zijn geworden, in de heilige Naam. Wij menen dat onze broeders het Evangelie ernstig schade doen door kinderen te dopen. Wij vinden hun dwaling geen kleinigheid. Wij weten dat het geen wezenlijk punt van de zaligheid raakt, maar wij geloven dat de kinderdoop de steunpilaar van het pausdom is.

Als we die wegnemen, wordt het pausdom meteen een onmogelijkheid. Als u onbekeerde mensen niet langer christelijke instellingen bedient, hebt u het hele idee van een nationale godsvrucht en een nationale religie weggenomen. Wij zien niet welk kwaad eruit zou voortkomen als onze broeders hun fout zouden erkennen, maar wij zien wel hoeveel misbruik hun vergissing veroorzaakt. En met alle vriendelijkheid, als broeders, tekenen wij opnieuw ernstig protest aan tegen het bedienen van de doop aan anderen dan discipelen, aan anderen dan hen die het Lam volgen. De heggen van de kerk omverhalen? Haar avondmaal en haar doop geven aan mensen die Christus niet toebehoren? Haar muren afbreken? Haar verschansingen wegnemen? Dat zij verre!

Tenzij iemands hart vernieuwd is, durven wij hem niet toe te laten tot de instellingen die aan Christus’ kerk toebehoren. O, het is noodlottig om onbekeerde kinderen christenen te noemen, of iets te doen wat in hun besef het grote feit verzwakt dat zij part noch deel aan deze zaak hebben, tenzij zij bekeerd worden. Broeders, als u hierin van mij verschilt, verdraag mij dan, want mijn geweten staat mij niet toe deze ernstige waarheid te verzwijgen. En tegen u die het met mij eens bent, zeg ik dat wij ons moeten schamen als wij hierin verslappen, ook al doen onze vrienden meer dan wij. Wij verheugen ons in hun inspanningen en danken God van harte dat zij meer ijver hebben getoond dan wijzelf.

Maar wij zijn een lichaam van christenen dat eerlijk en zuiver kan onderwijzen en dopen. Wij kunnen dit gebod van Christus in het buitenland gehoorzamen zoals wij het thuis doen, zonder onze praktijk aan te passen aan de plaats waar wij zijn. Zo moeten wij handelen, en als wij dat niet doen, zal schaamte ons bedekken vanwege onze ontrouw.

Ik zeg nogmaals: ik hoor die stem in de oren van baptisten nog luider klinken dan in die van andere mensen: ‘Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.’ Ik heb geprobeerd kort te zijn, maar ik merk dat ik er lang over heb gedaan. Daarom ga ik nu meteen verder met de redenering waarmee de tekst begint.

II. DE REDENERING is deze: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.’

Hierover drie zaken. Christus had geleden, gebloed en was gestorven. Nu is Hij uit de dood opgestaan. Als gevolg van Zijn volbrachte werk heeft Hij als Middelaar alle macht in hemel en op aarde ontvangen. Het gaat hier niet om de macht die Hij uit Zijn wezen bezit, Zijn geboorterecht; als God heeft Hij alle macht in hemel en op aarde. Maar de tekst spreekt over Hem als Middelaar. Als Middelaar had Hij die macht niet altijd. Hij was zwak. Hij werd veracht. Hij werd zelfs door Zijn God verlaten. Maar nu Hij het werk heeft volbracht dat Hem gegeven was om te doen, eert Zijn Vader Hem. Hij staat op het punt Hem aan Zijn rechterhand op te nemen. Hij geeft Hem, als gevolg van de opstanding, alle macht in hemel en op aarde. Drie zaken dus. In de eerste plaats is dit het beeld van de kerk. Ten tweede is dit het recht van de kerk. In de derde plaats is dit de kracht van de kerk. En om al deze redenen moet zij alle volken onderwijzen.

1. In de eerste plaats is dit het beeld van de kerk. Christus lijdt, bloedt, sterft. Geeft u Zijn zaak nu op? Beschouwt u haar als een verloren en verlaten zaak? Hij wordt aan het hout genageld. De wereld spuwt Hem uit. Dwazen staren, zondaars lachen. Legt u nu uw wapens neer en zegt u dat het zinloos is om voor zo’n Man op te komen? Nu is alles voorbij. Hij buigt Zijn hoofd aan het kruis. ‘Het is volbracht’, zegt Hij. En zegt uw ongelovige hart nu: ‘Ja, inderdaad, het is voorbij. Zijn loopbaan is ten einde. Zijn hoop is vervlogen, Zijn vooruitzichten zijn vergaan’? Ach, u begrijpt niet dat Zijn schande de moeder van Zijn toekomstige heerlijkheid was, dat Zijn val Zijn opstanding betekende, dat Zijn doornenkroon in feite een vruchtbare tak was waaruit Zijn eeuwige kroon van heerlijkheid opgroeide. Hij wordt in het graf gelegd. Zegt u dat dit het graf is van alles wat uw geloof kon geloven en uw hoop kon verwachten? Hij staat op, broeders, en Zijn opstanding maakt Zijn dood en begrafenis vruchtbaar.

Ziet u het beeld niet? In deze achttienhonderd jaar hebben wij helden van het kruis uitgezonden. Op vele kusten zijn ze aan land gegaan om er te sterven. De koorts heeft er honderden weggenomen. Wrede mensen hebben er velen gedood, van de eerste dag tot nu toe. De geschiedenis van de zending is met bloed geschreven. Hier of daar zullen er altijd martelaren voor Christus zijn. Het lijkt wel of de kerk nooit door een golf kan gaan zonder dat het schuim met bloed bespat wordt. Nog steeds wordt de kerk op Madagaskar vervolgd, gepijnigd en gemarteld. Haar predikers worden opgejaagd als een veldhoen op de bergen. Haar bloed stroomt uit open wonden.

Geeft u alle hoop op? Zullen wij, als wij naar de graven van onze zendelingen kijken, zeggen dat de zaak van Christus dood is? Broeders, als u de lange rol ontrolt en de namen leest, de een na de ander, van hen die in Jezus ontslapen zijn, zegt u dan: ‘Laten we de deuren van het zendingshuis maar sluiten en stoppen met onze bijdragen; het is duidelijk dat de zaak hopeloos is, het zal nooit lukken’? Nee, juist zo moet de kerk lijden om te regeren. Ze moet sterven om te leven. Ze moet met bloed bevlekt worden om in purper gekleed te worden. Ze moet in de aarde gelegd worden, schijnbaar begraven en vergeten, opdat de aarde de vrouw te hulp kan komen en het mannelijke kind geboren wordt. Moed! Moed! Moed! Het verleden geeft ons hoop. Hoe hopeloos de zaak voor het oog ook mag lijken, het is een heerlijke zaak, juist omdat zij zo veracht is. Laten we nu, juist nu, de vruchten inzamelen van het bloedige zaaien en de oogst binnenhalen van het diepe ploegen van strijd en lijden dat onze voorvaderen hebben doorstaan.

Ik denk dat een christen met het hart op de juiste plaats nooit een onderneming zal opgeven die God op hem gelegd heeft, uit vrees voor de afloop. ‘“Moeilijk” is geen Frans woord’, zei Napoleon. ‘Twijfelachtig’ is geen christelijk woord. Wij weten dat het zal lukken. Het Evangelie moet overwinnen. Hemel en aarde kunnen voorbijgaan, maar het is niet mogelijk dat Gods Woord faalt. Daarom is het volstrekt onmogelijk dat er een natie, geslacht of taal is die uiteindelijk standhoudt tegen de aanvallen van de liefde en de opmars van het leger van Koning Jezus.

Zo ziet u dat er een goede redenering op de tekst gebouwd kan worden. Zoals Christus voor Zijn volk een beeld is van wat zij moeten zijn, en zoals Hij door Zijn lijden alle macht kreeg in hemel en op aarde, zo zal de kerk na haar lijden, na de wonden van haar martelaren en de dood van haar belijders, macht gegeven worden in hemel en op aarde, en zal zij met Christus heerlijk over de volken regeren.

2. We bekijken de redenering nu van een tweede kant. Dit is het recht van de kerk. Alle macht in hemel en op aarde is aan Christus gegeven. Wat dan? Nu, dit: koningen en vorsten, heersers en machthebbers, weet u dat uw tronen zijn weggegeven? Weet u, gekroonde hoofden, dat uw kronen zijn weggegeven aan Iemand Die Zich Koning der koningen en Heere der heren noemt? Trekt u grenzen om te verbieden dat het Evangelie gepredikt wordt? Wij lachen u uit! U hebt geen macht om het tegen te houden, want alle macht in hemel en op aarde is aan Christus gegeven. Zegt u dat de zendeling geen recht heeft op uw kusten? De jonkvrouw, de dochter van Sion, schudt het hoofd over u en lacht u uit. Zij heeft overal rechten. Zij heeft onbegrensd recht in de hemel en rechten op de aarde zonder grenzen, want alle macht in hemel en op aarde is aan haar Hoofd gegeven. Zij heeft een vergunning die niet betwist kan worden om alle landen en alle koninkrijken voor zich in te nemen, omdat de macht aan Christus gegeven is.

Wat doet die man daar op dat strand? Hij is op een eiland in de Stille Zuidzee aangekomen. Hij is een indringer, stuur hem direct weg! Heren, let op wat u doet, want u strijdt tegen God. Maar de man wordt weggestuurd. Toch komt hij terug, of als hij het niet is, dan komt er een ander. Nu wordt er een strenger bevel uitgevaardigd: ‘Laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden’ (Mattheüs 21:38). Maar er komt een ander, en nog een, en nog een.

Waarom stelt u zich op en beraadslaagt u samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde (Psalm 2:2)? Deze mensen zijn geen indringers, het zijn gezanten die vrede komen sluiten. Meer nog, het zijn boodschappers van de hemel, die komen om het rechtmatige erfdeel van Koning Jezus op te eisen. Als u hen als indringers wegstuurt, ontkent u de rechten van Christus. U kunt ze ontkennen, maar niet tenietdoen. Hij heeft nog steeds recht op u. En daarom heeft de zendeling nog steeds het recht om te gaan waar hij wil en de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen.

Een of twee keer in mijn leven heb ik een paar armzalige domineetjes ontmoet die, toen ik in een dorp kwam om er te preken, mijn recht om daar te preken betwistten, omdat ik het eerst aan hen had moeten vragen. Kunnen christenen een gebied als hun eigen domein beschouwen en Gods knechten zien als stropers op hun jachtgrond en indringers op hun terrein? Is er een plek op deze aarde die zo aan een mens toebehoort dat hij Gods dienaren mag buitensluiten? Wij zetten eens en voor altijd onze voet op zo’n belachelijke aanspraak. Overal waar mensen zijn, staat het de dienaar vrij om te preken.

De hele wereld is onze gemeente. Wij weten van geen boeien om onze voeten en geen muilband om onze mond. Ook al vaardigen koningen wetten uit, de dienaren van Christus kunnen de straf dragen, maar zij kunnen hun Meester niet ongehoorzaam zijn. Al zou de keizer zeggen dat het Evangelie in Frankrijk niet gepredikt mag worden door niet-erkende kerkgenootschappen, zoals ik onlangs hoorde, wij geven niets om hem. Wat geeft de kerk om duizend keizers? Hun wetten zijn dwaasheid, hun verordeningen vodden papier. De kerk was nooit de vazal van de staat of de slaaf van overheden en machten. Dat kan en wil zij niet zijn. Zij lacht om de wetten van staten en verzet zich er krachtig tegen wanneer ze de wet van Christus in de weg staan, Die zegt: ‘Predikt het Evangelie aan alle kreaturen.’

Broeders, ik zeg dat de kerk overal en altijd het recht heeft om te prediken. Niet omdat het haar wordt toegestaan, niet omdat de wet het goedvindt; ook al gaat de wet ertegenin, Gods knechten hebben het recht om te prediken. O, dat zij dat recht zouden opeisen en op elke plaats onophoudelijk Jezus Christus zouden onderwijzen en prediken!

  1. Ten slotte lijkt het mij dat de redenering van de tekst gaat over de kracht van de kerk. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.’ U hebt de kracht om te onderwijzen; vrees niet. Laat dit u bemoedigen: u zult slagen, u zult overwinnen. Behalve Christus heeft er nooit iemand geleefd die kon zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht op aarde.’

Koning Knut zette zijn troon aan de rand van de zee, maar de golven maakten hem nat, en zo bewees hij aan zijn vleiende hovelingen dat hij maar een mens was. Welke macht hebben koningen over de bliksem of over de stormwinden? Kunnen ze de getijden beheersen of de maan gebieden stil te staan? Aan de mens is geen macht gegeven, zelfs niet op aarde. Veel minder nog kunnen mensen zeggen dat ze alle macht in de hemel bezitten. Dit is een bijzondere uitdrukking, die alleen Christus kan gebruiken. Als iemand anders haar zou willen gebruiken, zou dat aanmatigend en godslasterlijk zijn. Maar de Heere Jezus Christus kan op dit moment, net als toen, zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.’

Laten we er dan aan denken dat alle macht in de voorzienigheid aan Christus is gegeven. Hij heeft het volstrekte gezag over de gewone, dagelijkse gebeurtenissen. U bent op zendingsreis de zee op gegaan. Hij beheerst de golven en bestuurt de wind. Vrees niet, de woeste stormen zijn Zijn sidderende slaven. U nadert een kust, maar er zijn verborgen riffen en onder het wateroppervlak liggen rotsen. Vrees niet, alle macht over de diepte is aan Hem gegeven om u veilig te leiden en u in de gewenste haven te brengen. Op het strand ontmoet u wilden. Ze zwaaien met hun wapens. U bent ongewapend. U hebt niets anders dan het Woord. Nu zult u ervaren dat die bij ons zijn, meer zijn dan die bij hen zijn (2 Koningen 6:16). Ga heen in deze uw kracht (Richteren 6:14). Alle macht is aan Christus gegeven: macht over de wil van mensen evengoed als macht over de golven van de zee.

Maar politieke omstandigheden verhinderen u om in een bepaald gebied aan land te gaan. Er zijn verdragen, of er ontbreekt juist een verdrag. Er is in dit of dat rijk geen ruimte voor de zending. Bid, en de poorten zullen opengaan. Pleit, en de koperen grendels zullen in tweeën gebroken worden. Christus heeft de macht over de politiek. Hij kan oorlog voeren en vrede sluiten met het oog op de voortgang van het Woord. Hij kan het hart van vorsten veranderen en neemt plaats in de raadszaal. Hij kan ervoor zorgen dat volken die lang gesloten bleven, opengaan voor de waarheid. En wat hebben wij de laatste tijd bijzondere bewijzen gekregen dat alle macht aan Christus toebehoort! De menselijke wetenschap is voor de wagen van het Evangelie gespannen. Broeders, hoe wonderlijk zijn de uitvindingen van de laatste jaren! Hoe hadden we anders het Evangelie aan alle volken kunnen verkondigen? Hoe hadden we kunnen weten dat Amerika bestond, als de Heere het Columbus niet had ingegeven om de Nieuwe Wereld te ontdekken?

Wat zou het vermoeiend zijn als we met de trage zeevaart van vroeger alle landen hadden moeten bereizen! Maar nu worden we zo snel over de golven gedragen dat de afstand verdwijnt en de tijd wordt vergeten. Werkelijk, God heeft de wereld voor ons opengelegd en haar voor onze deur gezet. Of Hij heeft de wereld verkleind, of in ieder geval heeft Hij haar beter bereikbaar gemaakt en dichterbij gebracht.

Kijk hoe landen die ooit onbereikbaar waren, nu voor ons openliggen. De Hemelse Koning van China, de opstandige vorst, nodigt ons uit om te komen preken. Hij staat het niet alleen toe, hij nodigt ons uit en bouwt gebedshuizen. Hij zegt dat hij klaarstaat om zijn broeders te ontvangen, opdat zij hem en al zijn onderdanen onderwijzen, want zij zijn nog niet volledig onderwezen in de zaken van God. En de keizer van China nodigt ons dan wel niet uit, maar hij staat de zendelingen toe om onder zijn miljoenen te gaan. Wij hebben volkomen vrijheid om het Evangelie te preken aan vierhonderd miljoen mensen die nooit eerder het licht van Golgotha hebben gezien.

En ook India is voor ons opengegaan. De oude Compagnie, die ons altijd dwarszat, is in haar lijkwade gewikkeld en in het graf gelegd. En er zijn andere landen en streken die eens door ondoordringbare bergen omringd leken, maar waar nu een weg is aangelegd. O, was er toch de wil om ons over die wegen te haasten op de witte paarden van de verlossing! O, was er toch het hart, de geest en de ziel om die gouden gelegenheid aan te grijpen en Christus te prediken waar Hij nog nooit gepredikt is! Want wij zien duidelijk dat alle macht over alles in deze wereld aan Christus gegeven is en gebruikt wordt voor de voortgang van Zijn waarheid.

Maar laten we niet vergeten, broeders, dat niet alleen op aarde, maar ook in de hemel alle macht aan Christus gegeven is. Alle engelen buigen voor Hem. De cherubs en serafs staan klaar om Zijn hoge bevelen te gehoorzamen. Hem is macht gegeven over de volheid van de Heilige Geest. Hij kan die verborgen kracht zo overvloedig uitstorten dat volken op één dag geboren worden. Hij kan Zijn dienaren met heil bekleden en Zijn gunstgenoten doen juichen. Hij heeft macht om bij God voor ons te pleiten. Hij kan nu mensen uitzenden om te prediken, op ditzelfde ogenblik mensen een hart geven om te luisteren en hoorders de wil geven om te gehoorzamen. Vandaag staat onze Leider in ons midden. Hij is niet van ons weggegaan. Al is Hij naar het vlees afwezig, Hij leeft naar het lichaam én naar de geest, gekroond met de dauw en de schoonheid van Zijn jeugd.

De leider van de moslims ligt al lang te vergaan in zijn graf. Maar onze Leider leeft. En omdat Hij leeft, leeft ook Zijn waarheid en leeft Zijn zaak. Vandaag hebben we een Leider Wiens macht niet verminderd is en Wiens invloed in de hoogste hemel niet is aangetast. Hij is overal Heere. O, laten onze inspanningen de macht waardig zijn die Hij heeft beloofd. Laat onze ijver in zekere zin lijken op Zijn ijver, en laat onze kracht bewijzen dat de goddelijke kracht zich nooit heeft teruggetrokken.

Ik wilde dat ik vanmorgen kon preken. Maar hoe dieper ik iets voel, hoe schraler de woorden zijn waarmee ik mijn gevoelens uitdruk. Ik heb God gebeden, en dat gebed zal ik herhalen tot ik sterf, dat er uit deze gemeente veel zendelingen zullen uitgaan. Ik zal nooit tevreden zijn met een gemeente die alleen predikanten voortbrengt; velen zijn er al uit ons midden uitgegaan. Nee, we moeten zendelingen hebben die uit deze gemeente uitgaan. Gods volk zal mij overal, zo vertrouw ik, helpen om jonge soldaten op te leiden voor het leger van mijn Meester. God zal de mannen zenden, en het geloof zal de middelen vinden. We zullen onze eigen mannen uitzenden om de Naam van Jezus te verkondigen.

Broeders, het is vreemd, maar vaak zijn het juist de minst geschikte jonge mannen die het in hun hoofd halen om naar het buitenland te gaan. Ze missen de kracht en de bekwaamheid. Ik zou willen dat de goddelijke roeping nu tot een aantal begaafde mannen kwam. U hebt misschien enig vermogen. Zou u een beter levensdoel kunnen bedenken dan uzelf en uw bezit te geven aan de zaak van de Verlosser? U, jongemannen, die schitterende vooruitzichten hebt en nog geen gezin hoeft te onderhouden, zou het niet edel zijn om uw vooruitzichten op te geven en een nederige prediker van Christus te worden? Hoe groter het offer, hoe groter de eer voor uzelf en hoe welgevalliger het Hem is.

Ik heb mijn eigen geweten onderzocht, maar ik denk niet dat ik geroepen ben om in het buitenland het Woord te verkondigen. Ik kan mijn werkveld hier niet verlaten. Maar ik denk dat veel van mijn broeders die nu hier in het land werken, hun post met veel voordeel zouden kunnen opgeven en dit land, waar ze nauwelijks gemist zouden worden, zouden kunnen verlaten om te gaan naar een plaats waar hun aanwezigheid evenveel waard is als die van duizend mensen hier. En o, ik verlang ernaar dat jonge mannen die net van de universiteit komen, studenten, artsen, advocaten, handelaren en geschoolde handwerkslieden, alles opgeven wat ze hebben als God hun hart aanraakt, om Christus te onderwijzen en te prediken.

We hebben nieuwe Vanderkistes nodig, nieuwe Judsons en Brainerds. Het heeft geen zin om mensen naar de heidenen te zenden die thuis niet bruikbaar zijn. We kunnen geen mensen van de derde rang sturen. We moeten de hoogsten en de besten sturen. De dappersten moeten de voorhoede vormen. O God, zalf Uw knechten, wij smeken U. Leg een vuur in hun hart dat niet geblust kan worden. Laat het zo branden in hun gebeente dat zij moeten sterven of prediken, dat zij moeten bezwijken met een gebroken hart of vrij moeten zijn om Christus te prediken waar Hij nooit eerder gekend is. Broeders, ik benijd ieder van u die naar China mag gaan, dat land dat onlangs voor ons is opengegaan. Ik zeg naar waarheid dat ik u benijd. Ik zou graag met u ruilen. Ik zou het betrekkelijke gemak van dit land en de verantwoordelijkheden van zo’n grote gemeente als deze graag opgeven als ik in uw eer mocht delen. Soms denk ik dat de zendelingen op het veld, als ik grote dingen met kleine mag vergelijken, tot ons kunnen zeggen wat de Engelse koning tot zijn soldaten zei bij de slag van Azincourt, als ik de woorden even mag veranderen:

Predikers in Engeland, die nu te bed liggen,
zullen zich rampzalig achten dat zij hier niet waren,
en hun mannelijkheid gering schatten wanneer iemand spreekt
die met ons streed op deze glorierijke dag.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Is er dan niemand onder onze zestienhonderd leden, niemand uit deze gemeente van zesduizend, die kan zeggen: ‘Zie, hier ben ik, zend mij henen’? Jezus! Is er niet één? Moeten de heidenen verloren gaan? Moeten de goden van de heidenen op hun troon blijven zitten? Moet Uw Koninkrijk het onderspit delven? Is er niemand die U belijdt en Uw rechtvaardige zaak verdedigt? Als er niemand is, laten we dan wenen, ieder van ons, omdat er zo’n ramp over ons gekomen is.

Maar als er mensen zijn die alles aan Christus willen overgeven, laten wij die thuis moeten blijven, dan ons best doen om hen te helpen. Laten we erop toezien dat het hun aan niets ontbreekt, want we kunnen hen niet zonder buidel of brood uitzenden. Als God het hart van mannen vult, laten wij dan hun beurs vullen en voor hun tijdelijke behoeften zorgen, terwijl we het aan God overlaten hen geestelijk te bewaren.

Moge de Heere, de goddelijke Meester, Zijn zegen geven op de zwakke woorden die ik gesproken heb. Ik wil niet eindigen voordat ik dit gezegd heb, want ook ik moet u onderwijzen, en dit is het onderwijs van God: ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden’ (Handelingen 16:31). Vertrouw Hem uw ziel toe, en Hij zal u redden. Want: ‘Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden’ (Markus 16:16).

Preek nr. 383 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 21 april 1861, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 7. Oorspronkelijke titel: “The Missionaries’ Charge and Charter”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.