“Izak woonde bij de put Lachai-Roi.”—Genesis 25:11
Hagar had daar eens redding gevonden. Ismaël had gedronken van het water dat de levende God, Die de mensenkinderen ziet, zo genadig had laten zien. Maar dat was maar een toevallig bezoek, zoals mensen van de wereld de Heere bezoeken als ze nood hebben en het hun uitkomt. Ze roepen tot Hem in de benauwdheid, maar verlaten Hem als het goed gaat. Izak woonde daar. Hij maakte van de put van de levende God, Die alles ziet, zijn vaste bron. Hoe iemands leven gewoonlijk verloopt, waar zijn ziel thuis is, laat zien hoe het werkelijk met hem staat. Misschien had wat Hagar daar van God had ervaren indruk gemaakt op Izak, zodat hij die plaats eerde. De geheimzinnige naam maakte de plek hem dierbaar. Hij mijmerde er vaak aan de rand van de put, tegen de avond, en zo raakte hij vertrouwd met de bron. Doordat hij Rebekka daar ontmoette, voelde hij zich bij die plek thuis. Maar het mooiste was dat hij daar gemeenschap had met de levende God. Daarom koos hij die gewijde grond om te wonen. Laten we leren te leven in de tegenwoordigheid van de levende God. Laten we de Heilige Geest bidden dat we vandaag en elke andere dag mogen voelen: “Gij, God des aanziens!” Moge de Heere Jehova voor ons een put zijn: heerlijk, troostrijk, nooit opdrogend, “springende tot in het eeuwige leven”. De kruik van het schepsel barst en droogt op, maar de put van de Schepper faalt nooit. Gelukkig is wie bij de put woont, want hij heeft altijd en in overvloed voorraad dicht bij de hand. De Heere is voor anderen een betrouwbare Helper geweest. Zijn Naam is Sjaddai, de God Die genoeg is voor alles. Onze harten hebben vaak heerlijke omgang met Hem gehad. Door Hem heeft onze ziel haar heerlijke Echtgenoot gevonden, de Heere Jezus. En in Hem “leven wij, en bewegen ons, en zijn wij”, ook vandaag. Laten we daarom in de nauwste gemeenschap met Hem wonen. Heerlijke Heere, houd ons vast, zodat we U nooit verlaten, maar blijven wonen bij de put van de levende God.

