“Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.”—Mattheüs 16:28
Lees verder: Hebreeën 2:6-15.
Het smaken van de dood kan hier uitgelegd worden als een verwijzing naar de tweede dood, die de mensen niet zullen smaken voordat de Heere komt. Ik denk dat we het ook zo moeten uitleggen. Wat een vreselijke zin sprak de Verlosser hier uit, misschien wel alleen tot Judas gericht: er zijn sommigen van hen die hier staan, die nooit zullen weten wat dat vreselijke woord dood betekent, totdat de Heere komt. U denkt dat u aan de dood kunt ontsnappen wanneer u uw leven redt. De ondergang van het lichaam is maar het voorspel van het verderf van de ziel. Het graf is maar het voorportaal van de dood. U zult de betekenis van dit verschrikkelijke woord niet begrijpen voordat de Heere komt. Hij kan hier niet de heiligen bedoelen, want in Johannes 8:51-52 zegt Hij: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat Gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt Gij: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid?” Niemand die rechtvaardig is, kan daarom ooit de dood smaken. Zo iemand zal in een diepe, vergeetachtige slaap vallen waarin het lichaam vergaat, maar dat is heel iets anders dan de bittere beker die in de dood gesmaakt wordt. Toen de Heilige Geest een uitdrukking wilde gebruiken voor Gods toorn, welke uitdrukking koos Hij toen? “… opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou” (Hebreeën 2:9). De uitdrukking “de dood smaken” betekent de echte, werkelijke dood, die zowel het lichaam als de ziel doodt in de hel.
Ter overdenking
Dit vreselijke smaken van de eeuwige dood is het enige wat overblijft voor hen die in dit leven geweigerd hebben te smaken en te zien dat de Heere goed is, dat Hij de genadige Gever is van verlossing en zegen aan ieder die Hem vertrouwt (Psalm 34:9; 1 Petrus 2:3).
Preek 594, 15 augustus (onbekende datum)

