Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Brieven

Brief aan zijn vader — Cambridge, 24 februari 1852

4 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

BRIEF 16

Cambridge, 24 februari 1852.

Mijn lieve vader,

De heer Angus, docent aan Stepney College, heeft zondag 1 februari bij ons gepreekt. Omdat ik zelf op mijn eigen plaats was, had ik geen gelegenheid hem te zien, en ik was dan ook zeer verrast toen mij op maandag werd verteld dat hij mij wilde spreken. Ik verzeker u dat ik mijzelf nooit bij hem heb genoemd, en ook bij niemand anders; het kwam volkomen onverwacht. Ik neem aan dat de diakenen van onze gemeente, toen zij hoorden van mijn werk in Waterbeach, het juist hebben gevonden mij bij hem te noemen.

Goed, ik ging naar de plaats waar wij elkaar zouden ontmoeten, maar door een heel vreemde samenloop van omstandigheden misten wij elkaar. Hij wachtte in de huiskamer, terwijl ik in de salon werd gelaten, en de dienstbode vergat hem te zeggen dat ik er was. Omdat hij naar Londen moest en niet kon wachten, schreef hij het bijgaande.

Ik heb zo lang gewacht, omdat ik (1) u graag wat meer wilde kunnen vertellen, en (2) niet de indruk wil wekken dat ik op uw kosten naar het College wil. Ik wil niet gaan voordat ik het van mijn eigen geld kan betalen, of voordat vrienden aanbieden te helpen, want ik wil u niet tot last zijn. Bijna al mijn vrienden zeggen dat ik naar het College moet. Zelf verlang ik er niet erg naar; eigenlijk helemaal niet. Toch heb ik het in gebed aan God voorgelegd, en ik vertrouw, ja, ik ben er zeker van, dat God mij zal leiden.

Natuurlijk bent u in deze dingen mijn enige aardse raadgever en gids; uw oordeel is altijd het beste geweest, u moet het het best weten. Maar misschien staat u mij toe alleen mijn eigen mening te geven, niet omdat ik daarop zal bouwen, maar alleen opdat u kunt zien waar mijn neiging ligt. Ik denk dan (met alle eerbied voor u) dat ik beter nog niet naar het College kan gaan, in elk geval nu nog niet, want—

1. Welke voordelen zo’n studie ook biedt, ik zal ze beter kunnen benutten wanneer mijn vermogens verder ontwikkeld zijn dan nu. Als ik meer weet, zal ik beter kunnen leren.

2. De voorzienigheid heeft mij in een groot arbeidsveld geplaatst: een gehoor van vaak 450, een liefdevolle en biddende gemeente, en toehoorders die wakker geschud zijn. Velen erkennen nu al dat de prediking met kracht uit de hemel is geweest. Behoor ik hen dan te verlaten?

3. Over een paar jaar hoop ik er financieel zo voor te staan dat ik u niets meer kost, of in elk geval niet alles. Ik zou het niet prettig vinden te weten dat u zich voor mij lasten oplegt. Ik zou zo veel mogelijk op eigen kracht mijn weg willen banen. Ik weet dat dit gevoel u aanspreekt.

4. Ik ben niet onontwikkeld. Ik heb nu veel gelegenheid om mij verder te vormen; ik heb alleen meer tijd nodig, en zelfs die zou de heer Leeding mij geven, als het zo geregeld werd. Ik krijg volop oefening; en leren wij niet preken door te preken? U weet wat voor stijl ik heb. Ik vermoed dat die weinig van het College heeft. Laat hij nog zo slecht zijn, God heeft hem gezegend, en ik geloof dat Hij dat nog meer zal doen. Alles wat ik goed doe, doet Hij in mij, en de kracht is van Hem. Ik heb nu een goed bestaan, volgens mij even goed als wie ook van mijn leeftijd, en ik ben er zeker van dat ik net zo gelukkig ben. Mocht ik gebrek krijgen, dan zouden de mensen denk ik wel meer voor mij bijeen kunnen brengen. Moet ik mijzelf dan nu op straat zetten en het aan de voorzienigheid overlaten of ik ooit weer een andere plaats krijg zodra ik het College verlaat?

5. Maar nee, ik heb genoeg gezegd; u moet oordelen, niet ik. Ik laat het aan God en aan u over, maar toch zou ik graag zien dat u in deze zin beslist. Natuurlijk heb ik een wil, en die kent u nu; maar ik zeg: “Niet mijn wil, maar uw wil, en Gods wil.”

Ik heb de ontvangst van de brief zojuist bevestigd en geschreven dat ik geen antwoord kan geven voordat ik mijn vrienden heb geraadpleegd. Ik denk dat het goed zou zijn, als u er ook zo over denkt, de heer Angus zoveel van mijn huidige positie te laten weten als gepast is, zodat hij mij later, wanneer dan ook, gunstig gezind zal zijn…

Ik hoop dat u mijn gekrabbel wilt verontschuldigen, want geloof mij, ik heb mijn handen vol. Gisteravond wilde ik al schrijven, maar ik werd weggeroepen naar een stervende man, en ik meende dat ik dat niet mocht weigeren. De mensen in W—– zouden er niet eens een toespeling op willen horen dat ik hen zou verlaten. Ik weet niet waarom zij van mij houden, maar zij doen het; het is het werk van de Heere.

Geef mijn liefde en veel dank aan mijn lieve moeder, Archer en mijn zusters. Mocht u ooit denken dat een brief van mij nuttig zou zijn, geeft u dan maar een wenk, dan schrijf ik er een. Moge God mij op elke plaats voor alle kwaad bewaren, en bij u wonen en voor altijd bij u blijven. Met mijn hartelijkste liefde ben ik, lieve vader,

uw liefhebbende zoon,
Charles.

© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas