Brief aan de heer Barrow — Westwood, 22 maart 1881

BRIEF 108
Westwood, 22 maart 1881.
Waarde heer Barrow,
Het spijt mij buitengewoon dat ik vanavond niet kan komen. Ik zou u geen uitvlucht willen geven die mank gaat, maar helaas, juist dat ík mank ga, houdt mij tegen. Ik kan nauwelijks uit mijn bed blijven, en een reis naar Stockwell gaat mijn krachten ver te boven.
Bij zo’n onderwerp als uw edelmoedige hulp aan het Weeshuis had ik mij, denk ik, tot welsprekendheid kunnen verheffen, maar de heer Olney, die altijd welsprekend is, zal dat voor mij goedmaken. Wel had ik willen zeggen hoe blij ik persoonlijk ben u in de voetstappen van uw vader te zien treden, en te zien dat u op allerlei manieren doet wat het hart van die goede oude man met vreugde zou hebben vervuld.
Ik ben u en mevrouw Barrow persoonlijk erkentelijk voor uw hulp aan het Weeshuis in Stockwell, en toen ik mijn naam onder het huldeadres zette, kan ik in waarheid zeggen dat ik dat met heel mijn hart deed. God zegene u en doe het u zeer overvloedig wel gaan. U zult een kreupele, dat weet ik, wel willen verontschuldigen. Mijn hart is bij de bijeenkomst van vanavond, al willen mijn benen mij niet tot in haar midden dragen. Vrede zij met allen. Hierbij zend ik u en mevrouw Barrow mijn hartelijkste groeten.
Zeer hartelijk de uwe,
C. H. Spurgeon.
© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas