Hoge en brede geloofsleer

Een preek uitgesproken door C.H. Spurgeon, in de Exeter Hall.

Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen;
en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen
. Joh. 6:37

Deze twee uitspraken vormen samen twee zijden van de christelijke leer. Ze helpen ons om die leer vanuit twee gezichtspunten te zien: het ene vanuit God, het andere vanuit de mens. De eerste uitspraak bevat wat sommigen de “hoge leer” noemen. Als men met hoog bedoelt: “glorieus voor God,” dan stem ik er van harte mee in. Want het is een verheven, Godverheerlijkende waarheid die onze Heere Jezus uitspreekt in deze woorden: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Sommigen noemen dit de calvinistische zijde van de waarheid, maar hoewel Calvijn dit inderdaad leerde, deden Augustinus, Paulus en onze Heere Zelf — van wie deze woorden afkomstig zijn — dat eveneens. Toch wil ik mij niet verliezen in discussies met hen die in deze tekst vooral de leer van de uitverkiezende genade menen te zien.

De tweede uitspraak bevat een gezegende, troostvolle, evangelische waarheid. Zij is tegelijk een belofte en een uitnodiging: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Dat is een onbeperkte uitspraak: zij laat de vrije genade van God open voor de vrijwillige komst van de mens. Iedereen die wil komen, mag komen, en mag er zeker van zijn dat hij niet zal worden afgewezen. We hebben geen recht, en ook geen reden, om een van beide uitspraken te verminderen of te negeren. Want de eerste leert ons dat God een volk heeft uitgekozen, het aan Christus heeft gegeven, en dat dit volk tot Hem zal komen — en gered zal worden. De tweede leert dat ieder die tot Christus komt, behouden zal worden, want Hij zal niemand uitwerpen, maar juist aannemen en ontvangen. Dit zijn twee waarheden die elkaar prachtig aanvullen; laten we ze beide vasthouden, want ze houden elkaar in volmaakt evenwicht.

Iemand vroeg mij ooit hoe ik deze twee uitspraken met elkaar verzoen. Ik antwoordde: “Ik hoef vrienden niet met elkaar te verzoenen.” Deze twee waarheden staan niet tegenover elkaar — zij zijn volledig in overeenstemming. Het is dwaas om een tegenstelling te veronderstellen waar die er niet is, en vervolgens te proberen die op te lossen. Dat is alsof men een man van stro bouwt en daarna tegen die stroman ten strijde trekt. De verheven verklaring van Gods besluit om de Zijnen te redden staat volkomen in harmonie met de even brede verkondiging dat ieder die tot Christus komt, behouden zal worden.

Het is jammer dat het ooit moeilijk is geacht om beide waarheden tegelijk te aanvaarden; of dat men, als er al een moeilijkheid leek te bestaan, voelde dat het onze plicht was die uit de weg te ruimen. Geloof mij, geliefde toehoorders, het proberen glad te strijken van geloofsmoeilijkheden is de minst vruchtbare arbeid onder de hemel. De beste weg is om de moeilijkheid te aanvaarden waar u die in Gods Woord aantreft — en er uw geloof op te oefenen. Want waarom zou juist het geloof worden vrijgesteld van beproeving, terwijl alle andere genadegaven worden geoefend?

Ik ervaar het dikwijls als een bron van vreugde om te moeten geloven wat ik niet ten volle kan begrijpen. En wanneer ik tegen mezelf zeg: “Hoe is dat mogelijk?”, vind ik rust in het eenvoudige antwoord: “Het staat geschreven, en daarom is het waar.” Waar redeneringen ophouden, spreekt Gods Woord — en dat is genoeg. Onze Vader spreekt, en de twijfel zwijgt; Zijn Geest schrijft, en wij geloven.

Het is mij een groot genoegen om over de rivier van de openbaring te varen en onderweg voortdurend nieuwe schatten van goddelijke waarheid te ontdekken. Maar wanneer ik aan het einde van mijn begrip kom en mijn weg wordt afgesloten door een verheven, ontzagwekkend mysterie, vind ik evenveel blijdschap in het werpen van het anker bij dat mysterie, te wachten en te luisteren totdat de Loods mij wijst wat ik verder moet doen. Wanneer wij niet door een waarheid heen kunnen, zal God ons eroverheen of eromheen leiden — en wat doet dat ertoe? Ons grootste voordeel ligt niet in het oplossen van raadsels, maar in het gehoorzamen van geboden, gedreven door liefde. En stel dat we niet verder kunnen zien — wat dan nog? Moet dat ons verontrusten? Is het niet zo dat aan de menselijke kennis ergens een grens is gesteld? Laat ons tevreden zijn dat God zelf die grens heeft bepaald. En laten we ons daarom niet bezighouden met moeilijkheden die wijzelf hebben bedacht, en nog minder met die welke God opzettelijk heeft laten staan.

Neem deze twee waarheden, en besef dat ze beide even waardevolle delen vormen van één prachtig geheel. Laten we er niet over twisten, noch de ene boven de andere verheffen; maar laten we beide omarmen met een open en liefdevol hart voor de waarheid, zoals het kinderen van God past. Wij zijn niet geroepen om alles te verklaren, maar om te geloven. Laten we vertrouwen waar we het niet kunnen doorgronden. Hier liggen twee kostbare juwelen — laten we ze allebei dragen.

Zo zeker als dit Boek waar is, heeft God een volk uitgekozen dat Christus uit de mensen heeft verlost. Deze mensen zullen door Zijn soevereine genade tot bekering en geloof worden gebracht, en geen van hen zal ooit verloren gaan. Maar even zeker is het dat ieder mens die tot Christus komt en zijn vertrouwen op Hem stelt, het eeuwige leven ontvangt. “En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.” Niemand blijft buitengesloten, behalve wie zichzelf buitensluit.

Welkom zijn de wijzen en geleerden, 
de eenvoudigen en nederigen, 
ja, zelfs de onwetenden en onbeschaafden
een ieder die maar tot Christus wil komen.”

De twee waarheden in mijn tekst staan geenszins tegenover elkaar; zij zijn volkomen in harmonie. Gelukkig is de mens die beiden kan aanvaarden, ook al ziet hij niet hoe zij elkaar aanvullen.

Op een dag maakte ik een boottocht in de westelijke Hooglanden. De dag was schitterend geweest; het prachtige landschap had onze reis bijna tot een tocht door een sprookjesland gemaakt. Maar daaraan kwam een einde toen de duisternis viel en de nacht opnieuw haar eeuwenoude heerschappij opeiste. Recht voor ons lag een uitgestrekte kaap van het eiland Arran, dreigend afgetekend tegen de avondlucht. De machtige rotsen leken uit de zee op te rijzen. Aan hun voet lag een stille baai waar we binnenvoeren en waar we die nacht voor anker bleven, veilig voor elke wind die naar prooi zocht. In dat kalme loch lagen we als in de schoot van de berg, terwijl zijn brede schouders ons beschutting boden tegen de storm.

Zo rijst ook het eerste deel van mijn tekst hoog op als een indrukwekkende landtong die tot in de hemel reikt: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Wie kan zijn top beklimmen? Voor sommigen lijkt hij dreigend. Maar aan zijn voet ligt het stille, glinsterende meer van oneindige liefde en barmhartigheid: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Dompel u daarin onder en rust veilig in de schaduw van de grote rots. Daar zult u groeien in vrede en inzicht. Terwijl uw kleine boot zachtjes deint op het glanzende water, zult u dankbaar erkennen dat deze tekst niet slechts een onwrikbare berg is die afschrikt, maar juist bescherming biedt. Laten we eerst dat indrukwekkende bergmassief gadeslaan, en daarna varen wij het lieflijke meer binnen.

I. Aanschouw met eerbiedige vreugde HET EEUWIGE RAADSBESLUIT. Toen onze Heere Jezus Christus merkte dat het volk Hem verwierp, zei Hij tot hen: “U gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen.” Toch wist Hij in Zijn hart dat, al wees men Hem af, niet allen dat zouden doen. Sommigen zouden onvermijdelijk in Hem geloven. Daarom sprak Hij met heilige vrijmoedigheid: “Allen die de Vader Mij geeft, zullen tot Mij komen.” Hij wierp dit machtige feit Zijn felle beschuldigers in het gezicht — het was tegelijk Zijn troost en hun terechtwijzing. Vanavond wil ik het echter aan niemand als verwijt voorhouden, maar eerder als een uitnodigende hand voor ieder bezwaard hart dat verlangt tot Jezus te komen en door Hem behouden te worden.

Onlangs zag ik rond een groot, afgesloten landgoed van een heer een bijzonder stevige, hoge schutting. Om het terrein nog exclusiever te maken, had men er bovenop talloze scherpe tenthaakjes bevestigd, en halverwege de schutting nog veel meer. Ik merkte enigszins spottend op hoe “vriendelijk” de eigenaar was geweest door zoveel houvast te bieden — alsof het bedoeld was voor jongens die wilden klimmen, en nog veel meer houvast voor als ze eenmaal boven waren en zich wilden vasthouden. “Maar,” zei mijn metgezel, “die tenthaakjes zouden vingers openscheuren en kleren verscheuren; ze bieden geen echte steun aan klimmers.” “Inderdaad,” antwoordde ik, “ze helpen klimmers evenmin als de uitleg van sommige predikanten over Gods soevereiniteit mensen helpt die oprecht de Heere Jezus zoeken.”

De goede man bracht de waarheid op de meest onhandige en schadelijke manier naar voren. In plaats van een stevige trap te bouwen voor mensen die ernstig zoeken, maakte hij er juist scherpe haakjes van die hen afschrikten. Ik heb nog nooit een groep mensen ontmoet die zo vurig verlangt naar redding dat er hekken nodig zijn om hen buiten te houden. Maar ik zie wel veel mensen die bemoediging nodig hebben, en tallozen die twijfelen en duidelijkheid zoeken. Daarom ben ik blij dat ik elk woord, elke belofte en elke leer van onze Heere kan gebruiken als een uitnodiging — een roep tot iedereen: kom, en wees welkom in het grote hart van de Gekruisigde. Ik ben niet bang dat er te veel zullen komen; mijn zorg is juist andersom. O, mocht ik maar mogen hopen dat iedereen die mij nu hoort, zonder uitstel tot Jezus zou gaan!

Let nu zorgvuldig op: als allen die de Vader aan Christus gegeven heeft, zullen komen, dan is het zeker dat sommigen werkelijk tot Hem zullen komen. Waarom zou u dan niet één van hen zijn? Dat alleen al is, dunkt mij, een gedachte die de wanhoop kan breken wanneer die het hevigst woedt: sommigen moeten komen — waarom dan ik niet? Wanneer de duivel u influistert: “U kunt niet komen,” en uw eigen hart dat beaamt; wanneer de zonde u belemmert en de twijfel uw kracht ondermijnt — denk dan hieraan: God heeft bepaald dat sommigen tot Christus zullen komen. Waarom zou u niet onder hen zijn?

Beeld u zich een stad in waarin de pest heerst, en u hoort dat sommigen ongetwijfeld genezen zullen worden. Zou die wetenschap u niet aanmoedigen om naar de arts te gaan? Of stel u voor dat in tijden van hongersnood God heeft geopenbaard dat een zeker aantal mensen niet door gebrek zal omkomen. Zou u dan niet hopen dat u tot hen behoort, en vastbesloten zijn om te leven? U zegt: “Maar stel dat ik niet tot Gods uitverkorenen behoor.” Dan zeg ik: “Stel dat u dat wél bent.” Beter nog — laat het speculeren varen en kom eenvoudig tot Jezus Christus. Dáár ligt uw roeping, zoals Zijn Woord duidelijk zegt. Wacht dus niet langer.​  Sommigen sluiten zichzelf buiten omdat er staat: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Maar ik sluit mij juist in en zeg: “Dan wil ik één van hen zijn.” Waarom niet? O Heere, als U hebt bepaald dat sommigen zullen komen, dan kunnen geen moeilijkheden hun pad versperren — en daarom kom ik zelf tot U, vertrouwend op Uw uitnodigende belofte dat ieder die komt welkom is.

Verder zien we dat allen die tot Christus komen, dat doen omdat de Vader en de Zoon het zo beschikt hebben. Leest u zorgvuldig: “Allen die de Vader Mij geeft, zullen tot Mij komen.” Zij komen omdat de Vader hen aan de Zoon gegeven heeft; hun komst rust op Zijn besluit, niet op hun verdienste. Is het omdat zij beter zijn dan anderen? Nee. Is het omdat hun wil sterker is? De Schrift leert juist dat ware bekering niet voortkomt uit de wil van de mens. Hun komen is een gevolg van wat de Vader en de Zoon vóór hen hebben gedaan. Waarom zou u dan niet komen? Al bent u zwak, zondig, tienvoudig schuldig — de belofte hangt niet af van uw karakter, maar van Gods genadige plan. Er is nooit een mens geweest die werkelijk tot Jezus wilde komen en het niet kon, of niet kwam. Nooit een zondaar die oprecht naar Christus verlangde en afgewezen werd. Wanneer u ook maar het kleinste verlangen hebt om tot de Heiland te gaan, dan is dat reeds het koord van Zijn liefde dat u trekt. Geef toe aan die zachte drang — kom! Niet vanwege wat u bent, maar vanwege wat de Vader en de Zoon hebben gewrocht. Zoals Jezus zelf zegt: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt.” En als Hij trekt, zult u zeker komen.

Draai deze waarheid dus niet om zodat ze u tot een hindernis wordt. De leer van het goddelijke raadsbesluit is geen doornhaag die u van de boom des levens weghoudt; het is een geopende poort. Zeg het eenvoudig: “Sommigen moeten komen — waarom ik niet? Degenen die komen, doen dat vanwege iets wat de Vader en de Zoon voor hen hebben gedaan; en waarom zou dat niet voor mij zijn gedaan? Waarom zou ik niet ook tot God naderen?”

Let ten derde hierop: wie tot Christus komt, wordt zalig door dat komen alleen. “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Zij worden niet op een andere manier gered dan door tot Christus te naderen. Er is geen aparte weg voor de uitverkorenen, geen geheime doorgang voor bijzondere zielen. De enige poort tot redding is Christus zelf. Kom dus, beste vriend — u die gebukt gaat onder zonde en schaamte — en weet dat zelfs de grootste heilige in de hemel op dezelfde eenvoudige wijze behouden werd: door zich in geloof aan Jezus Christus toe te vertrouwen. Veel grote zondaars zijn door Hem verlost; waarom u niet? Vraag Petrus, Paulus, Johannes — zij zullen allen zeggen dat zij door dezelfde Zaligmaker behouden zijn. Er is geen ander fundament gelegd dan Jezus Christus alleen.

En stel dat iemand zegt: “Ik zou graag weten of ik één van Gods uitverkorenen ben.” Dan antwoord ik: “Kom tot Christus, en u zult het weten.” Een broeder uit Cornwall zei ooit tegen zijn vriend Malachi, een strenge calvinist: “Malachi, ik ben je twee pond schuldig. Maar zeg me eerst — ben ik voorbestemd om je te betalen?” “Leg de twee pond hier neer,” zei Malachi nuchter, “dan zal ik het je meteen vertellen.” Zo is het ook in het geloof: gehoorzaam eerst, en het mysterie zal zich vanzelf ontsluieren. Of de Vader u aan Zijn Zoon heeft gegeven, zult u weten zodra u werkelijk tot Jezus bent gekomen — niet eerder en niet later. En wanneer dat zo is, zult u zich verblijden, zoals ik, dat u op dezelfde zalige weg bent gered als ieder ander.

Ten slotte: als u tot Christus komt, dan heeft de Vader u aan Hem gegeven. Komen betekent: uw vertrouwen stellen op Jezus; uzelf, zoals u bent, werpen op Zijn bloed en gerechtigheid; uzelf aan Hem wijden als een discipel die Zijn voetstappen wil volgen. En als u dat doet, mag u weten dat de Eeuwige Vader u reeds vóór alle tijden met liefde heeft aangezien, en dat Hij u ook nu aanneemt en beslist niet zal uitwerpen. Want het staat geschreven: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Zodra ik tot Hem ben gekomen, is het bewijs geleverd — de eeuwige raad is vervuld, en mijn ziel mag zich verheugen in God, mijn Verlosser, en in Zijn verbond dat voor eeuwig vaststaat.

Tot zover deze machtige, overhangende rots. Ik zal er niets meer aan toevoegen — behalve dit: ik ben lang geleden aan haar voet voor anker gegaan, en ik ben vastbesloten daar te blijven. Sinds ik tot Jezus ben gekomen, weet ik dat ik Hem toebehoor, door de gave van de Vader. Ik weet dat Zijn raadsbesluit in mij vervuld zal worden, en dat Hij mij, samen met al de anderen die Hij liefhad, tot Zijn heerlijkheid zal brengen, waar wij Zijn aangezicht eeuwig zullen aanschouwen. Noem het oudmodisch — het is mij om het even. Het is mijn leven, mijn troost, mijn zekerheid. En ik durf het gewicht van mijn ziel erop te laten rusten — voor tijd en eeuwigheid.

II. Nu komen we in rustiger vaarwater: het mysterie is onthuld, laten we samen genieten van de vreugde die dit met zich meebrengt. Ten tweede willen we het kort met u hebben over HET EEUWIGE EVANGELIE: “Wie tot mij komt, zal ik beslist niet uitwerpen.” U mag mijn eerste punt gerust vergeten, vooral als u er moeite mee heeft, maar ik verzoek u dringend om het tweede punt te onthouden.

“Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Dit is een van de meest genereuze evangelieteksten die ik ooit in de Bijbel ben tegengekomen. Generositeit, ten eerste, in het soort mens aan wie de belofte wordt gedaan. “Wie tot Mij komt” — dat is de enige voorwaarde. De man kan zich schuldig hebben gemaakt aan een gruwelijke zonde, zo diep en donker dat we haar nauwelijks kunnen noemen, maar als hij tot Christus komt, zal hij niet worden afgewezen. Hij kan bij die zonde nog vele andere hebben toegevoegd, totdat de lijst van zijn overtredingen lang en zwaar is, maar als hij tot Christus komt, zal hij niet worden uitwerpen. Hij kan zijn nek hebben verhard tegen de waarschuwingen van geweten en de smeekbeden van genade; hij kan diep en opzettelijk hebben gezondigd — maar als hij tot Christus komt, zal de Heere hem beslist niet uitwerpen. Hij kan zichzelf zo zwart hebben gemaakt als de nacht, zo zwart als de hel zelf — maar als hij tot Christus komt, zal de Heere hem beslist niet uitwerpen.

Ik weet niet precies wie er vanavond in deze zaal zijn, maar als er hier inbrekers, moordenaars of mensen met een leven vol geweld zouden zijn, zou ik hen toch uitnodigen: kom tot Christus, en Hij zal u beslist niet uitwerpen. En tegen de meesten onder u, die redelijk fatsoenlijk bent in uw morele leven, zeg ik: als u tot Christus komt, zal Hij u beslist niet uitwerpen. Kinderen van godvruchtige ouders, hoorders van het Woord, Hij zal u beslist niet uitwerpen. U die slechts één ding ontbreekt, dat ene noodzakelijke, Hij zal u beslist niet uitwerpen.

Afvallige mensen! Zijn er hier mensen die de weg naar Gods huis haast zijn vergeten, voor wie de klokken op zondag geen sabbat meer aankondigt? Kom tot Jezus, en Hij zal u niet verstoten. O, u Londenaren, u bent moe geworden van Gods huis en van Gods dag — miljoenen van u — maar als u ondanks al uw ongeloof hier vanavond bent, geldt deze waarheid ook voor u: als u op Jezus vertrouwt, zal Hij u beslist niet uitwerpen. Als er onder deze groep mensen zijn wier leven we liever niet in detail beschrijven, en die nu al ineenkrimpen bij het idee dat ze worden aangewezen en bij naam genoemd, dan nog zal Jezus hen graag ontvangen als zij tot Hem komen. Wat uw karakter ook moge zijn, u die in duisternis gehuld bent, u zult beslist niet worden uitgeworpen.

Ik wil dit vooral zeggen tegen hen die gekweld worden door een leven van zware zonden: ook voor de levenslange overtreders geldt deze tekst nog steeds. Mijn Heere verkondigt een daad van volledige vergeving van al het verleden. Het zal zijn alsof het nooit heeft plaatsgevonden. Door Jezus Christus, als u maar in Hem gelooft, zal het hele verleden worden opgerold en weggeborgen, alsof het nooit bestaan heeft, en zult u opnieuw geboren worden. Toen Naäman uit de Jordaan kwam, lezen we het volgende: “zijn lichaam werd weer gezond, als het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein.” Zo zal het ook met u zijn.

Een oude man neemt een blond kind op zijn knieën, haalt zijn vingers door de lokken en zegt: “Jong kind, moge God je behoeden voor de zonde waarin ik ben vervallen. Mijn oude leven is vol kwaad. Het is nu bijna voorbij, en ik heb geen hoop meer. Was ik maar weer een kind!” Zie, de engel van barmhartigheid fluistert tegen iedereen in die toestand: “U kunt weer een kind zijn!” De man van honderd jaar kan nog steeds een kind worden; en hij die een grijsaard is in schande kan nog steeds een onschuldig kind worden door de reinigende kracht van het water en het bloed dat vloeide uit de doorboorde zijde van Jezus.

Ga heen en schrijf het op het voorhoofd van de nacht; schrijf het in nieuwe sterren als u kunt: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Hang het dan aan de middaghemel en laat de zon er al haar stralen op werpen, totdat het lijkt alsof het in de pracht van God is geschreven: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”

Er wordt niet beschreven wat voor persoon zal worden ontvangen, zodat niet één bepaald soort zondaar wordt genoemd en daardoor anderen zich buitengesloten voelen. Er wordt geen grens gesteld aan de omvang van de zonde: elke “wie” in de hele wereld — elke godslasterende, duivelse ‘wie’ die tot Christus komt, zal worden verwelkomd. Ik gebruik krachtige woorden om de poort van genade wijd open te zetten. Elke “wie” die tot Christus komt — of hij nu uit een sloppenwijk of een kroeg komt, uit een gokhol of een gokhuis, uit de gevangenis of een bordeel — Jezus zal hem in geen geval uitwerpen.

Geen beperking aan de manier van komen. Deze tekst is zeer genereus, omdat hij geen beperking stelt aan de manier van komen. De enige voorwaarde is dat men werkelijk tot Christus komt. Ik heb sommigen al rennend tot Christus zien komen — met een gewillige, snelle, ernstige tred. U leest daarover in de evangeliën. Zij waren zo blij om van een Verlosser te horen, dat zij onmiddellijk naar Hem toe renden. Veel jonge kinderen en jonge mensen doen dit, en zij worden gezegend in hun daad.

Kom maar mee, jullie levendige en tedere geesten; Hij zal jullie niet verstoten als jullie naar Hem toe springen en rennen. Als jullie vanavond plotseling naar Hem toe rennen — als jullie een sprint naar Christus maken — zal Hij jullie niet verstoten. Helaas komen velen, wanneer ze tot Christus komen, heel aarzelend voort. Ze gaan gebukt onder een enorme last van zonde en zijn geketend door twijfels en angsten, en dus boeken ze maar langzaam vooruitgang. Zij richten hun blik niet op Jezus en leven niet ten ene male. Zij blijven hier en daar kijken, in plaats van op Hem te zien. Zij doen er lang over om te komen, want zij zijn bang, onwetend en traag. Maakt niet uit, broeder. De slak kwam in de ark; en als u tot Christus komt, zal Hij u niet verstoten, ook al is uw tempo helaas traag.

Sommigen zien op Christus zodra ze van Hem horen, met heldere, stralende ogen zoals die van Rachel. O, wat een blik! Ze lijken Christus en Zijn redding in één keer in zich op te nemen met die stralende ogen. Maar ik heb velen ontmoet wier blik lijkt op die van Lea, die tedere ogen had: ze kijken door de mist van hun twijfel en de regen van hun tranen heen, en ze zien Christus niet half zo goed als ze zouden moeten. Ja, maar die half bewolkte blik zal hen redden. Elke blik zal u redden, als het een blik op Christus is; en elke komst, als het een komst naar Christus is, zal u redden. Naar de sacramenten komen kan u veroordelen; naar priesters komen zal u ruïneren; maar naar Christus komen zal u redden.

Als u zich met een eenvoudig geloof vastklampt aan de verlossing van Christus, dan is er leven in die greep. Als uw gedachten naar Hem uitgaan, als uw hart Hem omarmt, als uw ziel op Hem vertrouwt, hoe zwak en onvolmaakt u dat ook doet, dan zal Hij zal u beslist niet uitwerpen. O, dit is een heerlijke waarheid in mijn ogen; is dat niet ook zo in de uwe? Zolang we maar tot Hem komen, zal onze Verlosser ons niet uitwerpen. Ik ben blij dat ik dit evangelie in Exeter Hall mag prediken; bent u niet blij om het te horen? Als u dat niet bent, bent u een treurig gezelschap.

Geen beperking wat betreft leeftijd. Ten derde is er hier geen beperking wat betreft leeftijd. “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen” — het is een zalige, vrije uitnodiging, die alle leeftijden omvat. Er zijn hier misschien enkele kleine kinderen; ik ben inderdaad blij om jongens en meisjes te zien tussen de gemeente. Luister naar mij, mijn kinderen! Ik ben altijd blij om jullie te zien, en wij predikanten begaan een grote fout als we niet tot jullie prediken. Beste John en Jane, Mary en Thomas, ik zou willen dat jullie tot Christus komen terwijl jullie nog jong zijn, jullie vertrouwen in Hem stellen en jonge christenen worden. Er is geen reden waarom jullie dat niet zouden doen. Jullie zijn oud genoeg om te sterven, oud genoeg om te zondigen, en oud genoeg om in de Heere Jezus Christus te geloven. Waarom zouden jullie dat niet meteen doen?

Toen ik ongeveer vijftien jaar oud was, werd ik door Gods Geest geholpen om mij op Christus te werpen; en heb ik ooit spijt gehad dat ik zo vroeg tot Jezus kwam? Nee; ik zou willen dat ik vijftien jaar eerder was gekomen en dat ik Christus had leren kennen zodra ik mijn moeder leerde kennen. Sommigen van u hebben al vanaf uw kindertijd over Jezus gehoord; Zijn Naam maakte deel uit van de muziek waarmee uw moeder u in slaap zong. O, dat u Jezus zowel door geloof als door horen mag leren kennen! Denk niet dat u moet wachten tot u volwassen bent voordat u tot Jezus kunt komen.

We hebben een groot aantal jongens en meisjes van tien, elf en twaalf jaar gedoopt. Onlangs sprak ik met een jongetje van negen jaar, en ik kan u zeggen dat hij meer over Christus wist dan menig grijze man, en dat hij oprecht van Jezus hield. Toen het lieve kind mij vertelde wat Christus voor hem had gedaan, sprongen de tranen mij in de ogen toen ik zag hoe blij en opgewekt hij kon vertellen over wat hij in zijn eigen ziel had gevoeld van de zegenende kracht van de Verlosser.

Jullie jonge kinderen zijn als rozenknopjes, en jullie weten dat iedereen een rozenknopje mooier vindt dan een volledig ontloken roos. Mijn Heere Jezus zal jullie graag als rozenknopjes ontvangen. Bied jezelf aan Hem aan, want Hij zal jullie niet afwijzen. Ik ben er zeker van dat Hij dat nooit zal doen.

Als er hier mensen zijn die zich in de tegenovergestelde levensfase bevinden, dan wil dit woord “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen” hun eraan herinneren dat het evenzeer voor ouderen als voor jongeren geldt. Er was eens een predikant – een zeer ernstig man – die zei dat, als mensen vóór hun vijfenveertigste niet bekeerd waren, hij er nauwelijks nog op rekende dat ze daarna tot bekering zouden komen; en hij voegde eraan toe dat hij nog nooit iemand had gezien die na zijn vijfenveertigste bekeerd werd. Ik zou wel in zijn preekstoel hebben willen staan. Ik zou zijn woorden niet hebben tegengesproken, maar ik zou er heel andere uitspraken naast hebben gezet. Deze broeder heeft ongetwijfeld in een klein dorpje gewoond, of hij heeft het evangelie nooit in zijn volle rijkdom aan alle schepselen gepredikt. Misschien geloofde hij niet in de bekering van ouderen, en als gevolg daarvan werden er door zijn dienst ook geen ouderen bekeerd.

Zelf heb ik mensen van alle leeftijden tot geloof zien komen, in verhouding tot hun aantal. Er zijn nu eenmaal minder mensen boven de vijftig dan onder de vijftig, en daarom bestaat een groot deel van onze samenkomsten uit jongeren. Maar op onze bijeenkomsten zijn er toch altijd mensen van elke leeftijd, en onder de nieuwe leden van de gemeente heb ik gemerkt dat er ongeveer evenveel zeer jonge kinderen zijn als zeer oude mannen en vrouwen. We hebben mannen en vrouwen van boven de tachtig gedoopt op hun geloofsbelijdenis, en we waren net zo overtuigd van de echtheid van hun bekering als van die van de kinderen; niet meer en niet minder. Wie durft te beweren dat er een leeftijdsgrens is waarboven Gods genade niet meer werkt? Toon mij één Schriftwoord dat ook maar in die richting wijst. Elke “ervaring” die tot zo’n conclusie komt, betwijfel ik ten zeerste. Naar de aard van mijn prediking waren jongeren en ouderen in gelijke mate aanwezig, en in gelijke mate zijn ze gered. Hoe oud u ook bent, mijn Meester draagt mij op u te zeggen: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Kom, kom, beste oude vriend, ook al kunt u niet meer zonder uw stok. Kom, ook al laten uw ogen u in de steek: kom desnoods met uw bril op. Ook al kunt u niet veel meer voor mijn Meester doen, Hij kan nog alles voor u doen. Ook al hebt u nog maar weinig tijd op aarde, u zult een eeuwigheid in de hemel hebben om Hem te loven. En ik twijfel er niet aan of u zult tot de meest vurigen behoren in dat lofwerk.

Ik denk aan een oude vrouw die ik ken. Toen ik met haar sprak over haar bekering op hoge leeftijd, zei ze: “Meneer, als de Heere Jezus Christus ooit zo’n arme, oude zondares als mij redt, dan zal Hij dat Zijn hele leven lang horen.” Ze bedoelde: “Ik zal nooit ophouden Hem te danken en te prijzen voor wat Hij aan mij gedaan heeft.” Juist daarom wens ik dat Hij ook u redt. Want als u gered bent, zult u ook nooit ophouden Hem te loven. U zult Hem tot in de eeuwigheid vertellen hoe goed en genadig Hij aan u is geweest. Dan zal Hij het van u ook steeds blijven horen; uw lof en dank zal nooit ophouden, maar eeuwig doorgaan. Is dat niet zo?

O, mijn geliefde toehoorders, kom tot Jezus! Kom in de ochtend, als de dauw nog op uw bladeren ligt, want Hij zal u beslist niet uitwerpen. Kom in de hitte van de middag, wanneer de zorgen u dor en droog maken, want Hij zal u beslist niet uitwerpen. Kom als de schaduwen groter worden en de nachtelijke duisternis zich om u heen samenpakt, want ook dan zal Hij u beslist niet uitwerpen. De deur is niet dicht; de poort van de genade sluit niet, zolang de poort van het leven nog openstaat. O, vlucht tot Christus en vind nú genade!

Nog iets, beste vrienden: let in deze tekst op de heerlijke zekerheid van deze zaligheid. “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” In het Grieks wordt deze ontkenning extra sterk uitgedrukt; het is een krachtige, nadrukkelijke ontkenning. Men zou het zo kunnen weergeven: “Ik zal hem beslist niet, nooit, onder geen enkele voorwaarde uitwerpen.” Dat wil zeggen: onder geen enkel beding, om geen enkele reden, onder geen enkel voorwendsel, uit geen enkel motief, zal Ik, in tijd noch in eeuwigheid, ooit de ziel afwijzen die tot Mij komt. Zo staat het er: een verklaring van onontkoombare zekerheid. Wat een zegen ligt er in vastheid!

Sommige predikanten, die tegenwoordig hoog aangeschreven staan, verkondigen een uiterst onzeker evangelie, omdat ze zelf niet weten wat ze morgen zullen zeggen. Hun “geloofsbelijdenis” ontstaat al doende, en als ze klaar is, is ze erg mager. Zelf geloof ik in iets dat vast en zeker is: de onfeilbare Schrift, wat de Heere daarin heeft geschreven en wat nooit veranderd zal worden zolang de wereld bestaat. Mijn tekst staat zo vast als de waarheid van Christus Jezus Zelf; en als we ooit Zijn heerlijke aangezicht zouden hebben gezien, zouden we niet kunnen twijfelen aan Zijn woord.

Kunt u zich even het altijd gezegende gelaat van de Zoon van God voorstellen? Kunt u in dat gezicht kijken en Hem van onwaarheid verdenken? Als Hij zegt: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, hééft eeuwig leven”, dan is dat zo. Als u in Hem gelooft, hebt u eeuwig leven. En als Hij zegt: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen”, dan isdat zo. Hij kan u nooit, nooit uitwerpen, wie u ook bent, hoe lang u ook leeft en wat er ook gebeurt, als u maar tot Hem komt. Er zijn, menselijk gesproken, redenen genoeg waarom Hij u zou moeten afwijzen, maar Hij heeft ze één voor één van tafel geveegd toen Hij zei: “Ik zal u beslist niet uitwerpen” – dat wil zeggen: op geen enkele manier, onder geen enkel voorwendsel zal Ik ooit een ziel verwerpen die tot Mij komt. Als Christus ons niet uitwerpt, dan ontvangt Hij ons; en als Hij ons ontvangt, worden wij in het hart van God opgenomen, in het eeuwige leven, en ten slotte in de eeuwige zaligheid. O, wat een vreugde ligt er in mijn tekst, juist omdat hij zo volkomen zeker is!

Laat mij tot slot, beste vrienden, nog één troostvolle gedachte uit deze tekst naar voren halen, namelijk het persoonlijkekarakter ervan; daarin schuilt opnieuw iets uitermate royaals. Merk op dat het eerste deel van de tekst spreekt over “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Maar zodra Christus Zich rechtstreeks wendt tot verslagen zondaars, laat Hij het woord “alles” en iedere algemene formulering los en spreekt Hij het persoonlijk voornaamwoord in het enkelvoud: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Daarmee wil Hij tegen ieder mens in deze zaal zeggen: “Als ú tot Mij komt, zal Ík ú niet uitwerpen.” Er staat niet: “Als jij en nog iemand anders komen”, want dan had er in het meervoud gestaan: “Als jullie komen.” Nee, het is: “Wie tot Mij komt.” U alleen; uw knecht alleen; uw kind alleen; maar allereerst uzélf alleen: als u tot de Heere Jezus komt, zal Hij ú niet uitwerpen. Daarover hoeft u geen twijfel te koesteren.

Kom dan, beste toehoorders, geloof uw Zaligmaker. Deze woorden zijn niet gericht tot mensen die de waarachtigheid van de Zoon van God in twijfel trekken en Hem feitelijk tot een leugenaar maken. U wéét dat Hij u zou ontvangen als u tot Hem kwam. Waarom komt u dan niet? U was toch van plan te komen – ooit? Maar waarom dan niet nú? Wat houdt u tegen? Hoe durft u uit te stellen? Kunt u zeker zijn dat u volgende week nog leeft? Kunt u zeker zijn van één dag, van één uur?

Als er ergens geld wordt uitgedeeld, zie ik zelden iemand zeggen: “Ik wacht liever tot volgend jaar.” Nee, men zegt: “Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.” O, om Christus in de hand te hebben en Hem nú te ontvangen! En waarom zou dat niet nu zijn? Misschien zegt u: “Ik begrijp niet goed wat het betekent om Hem te ontvangen, om in Hem te geloven.” Toch is het de eenvoudigste zaak ter wereld – en juist daarom vinden velen het zo moeilijk. Het is zó eenvoudig, dat men bijna weigert te geloven dat het werkelijk zo is als wij het voorstellen. Maar het ís zo. Geloven is eenvoudigweg: zich toevertrouwen aan Christus. En zich toevertrouwen aan Christus brengt een nieuw leven en verlossing van de zonde met zich mee. Soms verwoord ik het, met de woorden van Watts, zo:

Een schuldige, zwakke, hulpeloze worm,
ik val in Christus’ vriendelijke arm.”

Na een preek zei een jongeman eens tegen mij: “Meneer, ik kan niet vallen.” “O jongen” antwoordde ik, “dan weet ik niet hoe ik het anders moet uitleggen; want ik bedoelde niet iets dat ú moet dóén, maar juist het staken van al uw eigen pogingen. Gewoon vallen – of, als u het zo beter begrijpt, omvallen – omdat u niet langer rechtop kunt blijven staan. Dat is het.” Omdat ik mezelf niet kan redden, val ik in Christus’ armen. Ik houd niets meer van mezelf vast; ik laat me eenvoudig op Hem vallen. “Toch,” zegt u, “moet er meer zijn dan dat.” Nee, er ís niets meer dan dat. “Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren.” “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.” “Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.” “O, maar ik moet – ik moet toch iets mystieks doormaken, of iets voelen wat op dit moment mijn begrip te boven gaat.” Zo spreekt u God tegen en wijst u het eeuwige leven af.

Hebt u wel eens het verhaal gehoord van dat schip dat lange tijd op zee was geweest en waarvan de kapitein zijn koers was kwijtgeraakt? Zonder het te weten was hij de monding van de grote Amazone opgevaren. Na dagenlang de rivier op te zijn gevaren — nog steeds niet wetend dat hij zich in een rivier bevond — raakte het drinkwater op. Toen ze een ander schip zagen, gaven ze een noodsignaal, en zodra ze dichtbij genoeg waren om te kunnen spreken, riepen ze: „Water! We hebben dringend drinkwater nodig!“ Ze waren uitermate verbaasd toen het antwoord kwam: „Schep het op! Schep het op! U bevindt zich in een rivier. Het is overal om u heen.“ Ze hoefden niets anders te doen dan de emmer overboord te gooien en zoveel water te scheppen als ze maar wilden.

Zo zijn er arme zielen die uitroepen: “Heere, wat moet ik doen om zalig te worden?”, terwijl het grote werk al volbracht is en het enige wat hen nog rest is om de vrije gave van het eeuwige leven te ontvangen. Wat moet u doen? U hebt genoeg gedaan voor één leven, want u hebt uzelf verwoest door uw daden. Dát is niet de vraag. De vraag is: “Heere, wat hebt Ú gedaan?” En het antwoord luidt: “Het is volbracht. Ik heb alles gedaan. Kom alleen en vertrouw op Mij.” Zondaar, u bevindt zich in een rivier van genade en barmhartigheid. Gooi die emmer uit, mens, en drink uw buik vol, want u zult de stroom van genade nooit uitputten.

Een rivier is vrij voor elke hond die langs de oever rent; elke koe die bij de rivier staat mag drinken tot hij verzadigd is. Zo is ook de barmhartigheid van God vrij voor elke zondaar, wie hij ook moge zijn, die alleen maar tot Jezus komt. Die rivier stroomt vanavond vlakbij u. Buig u voorover, u die dorstig bent, en drink en leef. Maar u zegt: “Ik moet me anders voelen dan ik me nu voel.” Dat hoeft helemaal niet: kom mét uw slechte gevoelens. “O, ik heb nog geen verbroken hart”, zegt iemand. Kom tot Christus, en Hij zal uw hart breken. “Maar ik voel mijn nood niet zoals ik zou moeten.” Kom tot Christus en Hij zal u helpen uw nood te voelen. “O, maar ik ben niémand!” U bent juist degene in wie Christus behagen schept, want voor u zal Hij álles zijn.

Ziet u die prachtige boom in de boomgaard, vol met vrucht? Het is een perenboom. Van boven tot onder hangt hij vol. Ik denk dat ik nog nooit zoiets heb gezien: elke tak buigt door. Sommige takken staan op het punt te breken onder de heerlijke last. Als ik naar het gekraak van de takken luister, kan ik de boom horen spreken. Wat zegt hij? Hij zegt: “Manden, manden, manden! Breng manden!” Nu, wie heeft er een mand? “Ik heb er één,” roept die vriend daar, “maar die heeft geen nut, want er zit niets in.” Breng hem hier, man: dat is precies het soort mand dat de boom wil. Iemand daar zegt: “O, ik heb een mand – een prachtige mand. Die is precies wat je nodig hebt. Hij is van boven tot onder vol.” U kunt uw mand maar beter voor uzelf houden. Die heeft geen nut voor mijn beladen boom. Waar is er een lege mand? Wie heeft er een lege mand? Kom maar: kom en pluk van de boom zoveel u wilt. Breng al uw manden mee. Breng duizenden en duizenden manden mee, allemaal leeg, en vul ze allemaal! Merkt u dat, terwijl we de manden vullen, de vrucht zich begint te vermenigvuldigen? Er is méér wanneer we de manden hebben gevuld dan er eerst was, want deze onuitputtelijke boom produceert steeds meer vrucht, net zo snel als we ervan plukken. Wat de Heere Jezus wil, is een lege ziel om te ontvangen uit de volheid die God in Hem heeft opgeslagen.

God zegene u allen, omwille van Zijn naam. Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content