“Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.”—Psalm 73:22-24
Lees verder: Psalm 40:1-5.
In gedachten zag ik zojuist een donkere, verschrikkelijke kuil. Diep beneden, waar het oog niet kon komen, lag een wezen dat in stukken gebroken was. Het gekreun en gehuil van dat wezen doorboorde de vreselijke duisternis en ik stond versteld toen het mijn oren bereikte. Toen zag ik een helder Wezen uit de hemel neerschieten. In een oogwenk dook Hij in de zwarte duisternis, tot Hij daarin verdwenen en begraven was. Ik wachtte even en toen zag mijn geestesoog twee geesten opstijgen uit de afschuwelijke diepte. Ze omarmden elkaar, alsof de één de ander droeg. Ik zag ze opkomen uit de sombere donkerheid. Toen ze naar het licht opstegen, hoorde ik de Mooiste van hen zeggen dat Hij de ander had liefgehad en Zichzelf voor hem had gegeven. En ik hoorde de ander, die eerst nog zo gebroken was, zeggen: “Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.” Voordat ik die woorden had kunnen opschrijven, waren de beide geesten al in de lucht opgestegen en hoorde ik de Ene zeggen: “Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn,” en de ander fluisterde: “Ik zal dan geduriglijk bij U zijn.” Terwijl ze hoger stegen, hoorde ik de Ene zeggen: “… en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken,” en de ander zei: “Gij hebt mijn rechterhand gevat.” Terwijl ze stegen, ging de liefdevolle dialoog door. “Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn,” zei de Heldere, en de ander antwoordde: “Gij zult mij leiden door Uw raad.” Ze bereikten de wolken die hemel en aarde scheiden. Toen die uiteendreven om plaats te maken voor de Heerlijke, zei Hij: “Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon,” en de ander antwoordde: “En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.”
Ter overdenking
Wanneer God ons met Christus opwekt, zet Hij ons met Christus in de hemelse gewesten (Efeze 2:6), terwijl wij nog onderweg zijn naar de hemel. Als u deze geestelijke dimensie door het geloof bent binnengegaan, hebt u in Christus elke geestelijke zegen ontvangen (Efeze 1:3). Preek 467, 31 augustus 1862

