“Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.”—Psalm 30:6
Een ogenblik onder de toorn van onze Vader lijkt heel lang, en toch is het uiteindelijk maar een ogenblik. Als wij Zijn Geest bedroeven, kunnen wij Zijn glimlach niet verwachten; maar Hij is een God Die bereid is te vergeven, en Hij zet elke herinnering aan onze fouten snel opzij. Als wij bezwijken en bijna sterven onder Zijn fronsende blik, geeft Zijn gunst ons nieuw leven.
Dit vers heeft nog een noot van het snelle soort, een zestiende noot. Onze nacht van tranen verandert snel in een dag van vreugde. Kortheid is het kenmerk van Gods barmhartigheid wanneer Hij gelovigen tuchtigt. De Heere gebruikt de roede niet graag op Zijn uitverkorenen. Hij geeft een klap of twee, en alles is voorbij. Ja, het leven en de vreugde die op de toorn en het geween volgen, maken het heilzame verdriet ruimschoots goed.
Kom, mijn hart, zet je halleluja’s in! Huil niet de hele nacht door, maar veeg je ogen af in afwachting van de morgen. Deze tranen zijn dauwdruppels die ons evenveel goeds bedoelen als de zonnestralen van morgen. Tranen maken de ogen helder om God te zien in Zijn genade, en maken het zicht op Zijn gunst kostbaarder. Een nacht van verdriet geeft de schaduwen in het schilderij, zodat de lichte plekken scherp naar voren komen. Alles is goed.

