“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.”—Psalm 126:5
Tijden van tranen zijn geschikt om te zaaien: wij willen niet dat de grond te droog is.
Zaad dat in de tranen van oprechte bezorgdheid is geweekt, komt des te sneller op. Het zout van biddende tranen geeft het goede zaad een smaak die het voor de worm behoedt: waarheid die in diepe ernst wordt gesproken, heeft dubbel leven in zich. Laten wij niet ophouden met zaaien omdat wij huilen, maar onze inspanning verdubbelen omdat het seizoen zo gunstig is.
Ons hemelse zaad kan niet goed al lachend worden gezaaid. Diepe droefheid en zorg om de zielen van anderen passen veel beter bij godvruchtig onderwijs dan enige luchthartigheid. Wij hebben gehoord van mannen die met een licht hart ten strijde trokken, maar zij werden verslagen; en meestal gaat het ook zo met wie op die manier zaait.
Kom dan, mijn hart, zaai maar door onder je tranen, want je hebt de belofte van een vreugdevolle oogst. Je zult maaien. Je zult zelf iets van de resultaten van je arbeid zien. Dat zal je in zo ruime mate ten deel vallen dat het je vreugde geeft, wat een armzalige, dorre en schrale oogst niet zou doen. Als je ogen wazig zijn van zilveren tranen, denk dan aan het gouden koren. Draag de moeite en de teleurstelling van nu opgewekt; want de dag van de oogst zal je volop vergoeden.

