Brief aan de ambtsdragers van de Metropolitan Tabernacle — Mentone, 12 januari 1891

BRIEF 213
Mentone, 12 januari 1891.
Mijn geliefde broeders,
Alweer een sterfgeval onder ons, en zo spoedig! Het is een luide stem tot ons allen om gereed te staan. Wat had ik graag thuis willen zijn, want de heer Carr was een oude strijdmakker, door mij misschien beter gekend en meer gewaardeerd dan door wie ook, omdat hij mij in stilte op allerlei letterkundig gebied heeft gediend. Hij was zo trouw als staal aan het oude geloof, en aan mij als pleitbezorger daarvan. Hij had iets eigenaardigs in zijn manieren, maar in de leer bleef hij met grote vastheid bij het voorbeeld van de gezonde woorden.
Ik ben er zeker van dat u in mijn afwezigheid alles zult doen wat het strenge weer toelaat, om de familie en de wereld te laten zien hoe wij een oude strijdmakker en ambtsbroeder in ere houden. Een brief van deelneming zou van u, als lichaam van diakenen en ouderlingen, heel gepast zijn; maar daaraan zult u, ook zonder mijn voorstel, zelf al gedacht hebben. Bid ook voor mevrouw Carr, met dat grote gezin, van wie zovelen nog jonge mannen en jongens zijn. Wat een verantwoordelijkheid voor haar! De Heere zegene hen!
Toen ik hoorde dat het weer slecht bleef, heb ik het advies opgevolgd dat de diakenen mij telegrafeerden en dat door brieven van veel gewaardeerde vrienden werd ondersteund, en ik blijf hier nog een week, niet ledig, maar om kruit en lood op te slaan voor de strijd.
Broeders, u weet dat ik u liefheb, en ik weet hetzelfde van u.
De uwe in Christus Jezus,
C. H. Spurgeon.
© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas