Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Brieven

Brief aan zijn oom en tante — november 1850

5 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

BRIEF 21

[November 1850.]

Mijn lieve oom,

Stomme mensen stichten geen onheil. Uw stilzwijgen en mijn nalatigheid doen denken aan de tijd dat brieven kostbaar waren, en niet aan de penny-post. U hebt vast wel gehoord dat men mij een antinomiaan van het zuiverste water noemt. Ik vertrouw erop dat u mij goed genoeg kent om dat niet te geloven. Het is een van de doelen van mijn leven om die laster te weerleggen. Dagelijks zucht ik onder een lichaam van zonde en verdorvenheid. Och, kwam de tijd maar dat ik dit vlees afleg en vrij ben van de zonde! Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat wie behouden wil worden door een gemengd verbond van werken en geloof, in de woorden van Berridge, “een slak met een olifant onder één juk spant”.

Ik verlang ernaar in alle dingen voorwaarts te gaan naar mijn Meester, om bij Hem leiding te zoeken; maar als ik op mijn eigen gehoorzaamheid en gerechtigheid zou vertrouwen, zou ik erger zijn dan een dwaas en tien keer erger dan een krankzinnige. Arme, afhankelijke schepselen als wij zijn, moet het gebed wel onze voortdurende bezigheid zijn en de voet van de troon onze vaste woonplaats, want de Rots van de eeuwen is onze enige veilige Schuilplaats. Ik verheug mij in de zekere kennis, door het geloof, dat ik deel heb aan Christus, en in de zekerheid van mijn eeuwige zaligheid.

En toch, wat een worstelingen, wat een strijd, wat een gevaren, wat een vijanden staan mij in de weg! De vijanden in mijn hart zijn zo sterk dat zij mij allang gedood en naar de hel gezonden zouden hebben, als de Heere mij verlaten had; maar, geloofd zij Zijn Naam, Zijn uitverkiezende, verlossende en zaligmakende liefde houdt mij stevig vast, en wie kan mij uit de hand van mijn Vader rukken? Op mijn gebogen knieën moet ik dikwijls om hulp roepen, en, geloofd zij Zijn Naam, Hij heeft tot nu toe mijn roepen gehoord. Och, als ik niet wist dat al het volk van de Heere strijd in de ziel kent, dan zou ik alles verloren geven!

Ik verheug mij dat de beloften die op schrift zijn nagelaten, ook voor mij bedoeld zijn, net zo goed als voor al Zijn heiligen, en als zodanig wil ik ze aangrijpen. Laat de hele aarde, en zelfs Gods belijdend volk, mijn naam als kwaad verwerpen; mijn Heere en Meester, Hij zal het niet doen. Ik roem in de onderscheidende genade van God, en ik zal, door de genade van God, geen duimbreed van mijn beginselen afwijken, en er niet aan denken mij te houden aan de godsdienst die nu in de mode is. Och, mocht ik worden als de heilige mannen van vroegere eeuwen: niet bevreesd voor mensen, in zoete gemeenschap met God, meer gespeend van de wereld, en in staat mijn gedachten geheel op geestelijke dingen te richten!

Maar wanneer ik God wil dienen, merk ik dat mijn oude, bedrieglijke hart vol is van het wezen van de hel zelf, dat in mij opwelt tot in mijn mond en alles bezoedelt wat ik zeg en doe. Wat zou ik moeten doen als ik, zoals u, geroepen was mij bezig te houden met de tijdelijke, zichtbare dingen? Ik vrees dat ik dan noch ijverig in mijn zaken, noch vurig van geest zou zijn. “Maar,” zegt u, “hij praat maar steeds over zichzelf.” Dat is waar; hij kan het niet laten. Het eigen ik is te zeer zijn meester. Ik ben trots op mijn eigen onwetendheid, en als een pad opgeblazen van mijn eigen giftige hoogmoed: trots op wat ik niet heb, en roemend wanneer ik zou moeten treuren.

Ik hoop dat u meer vrij bent van uw eigen verdorvenheden dan ik, en dat u in het gebed in de binnenkamer, met anderen en in het gezin meer gezegende, geheiligde vrijheid geniet aan de voetbank van de barmhartigheid. Verheug u! Want de hemel wacht op ons en op heel het huisgezin van de Heere! De woning is gereed, de kroon is gemaakt, de harp is gestemd; daar zijn geen wilgen. Mogen wij in staat gesteld worden voort te gaan, moedig als leeuwen en dapper voor de waarheid en de zaak van Koning Jezus, en mogen wij met de hulp van de Geest eeuwige oorlog zweren aan elke zonde, en niet rusten voordat het zwaard van de Geest alle vijanden in ons hart heeft vernietigd!

Mogen wij in staat gesteld worden op de Heere te vertrouwen, want Hij zal ons helpen; wij moeten overwinnen, wij kunnen niet verloren gaan. Verloren? Onmogelijk! Want wie kan ons uit de hand van onze Vader rukken? Moge de Heere u overvloedig zegenen! Uw liefhebbende neef,

C. H. Spurgeon.

Het eerste deel van deze brief aan zijn tante (mevrouw Walker) ontbreekt.

De groep christenen waartoe ik sinds korte tijd behoor, munt in de wereld niet uit door aanzien. Ik hoop dat ik nooit rijk zal worden, opdat ik niet door de kracht van extra verzoeking ooit oneer breng over de naam van Hem met Wie ik een plechtig bondgenootschap en verbond heb gesloten. Och, mocht ik, nu ik met Hem begraven ben in de doop, ook de inwendige, geestelijke genade bezitten, en dood zijn voor de wereld, maar levend voor de dienst van de Heere! Er is hier veel beroering geweest over de recente paapse agressie; de geestelijkheid lijkt er zeer bezorgd over te zijn… Ik hoop dat oom mij niet schrijft voordat hij beter is.

Hij is zo vriendelijk, maar hij zou zich kunnen vermoeien. Zeg hem dat ik nu “Elements of Mental Science” van Paine en “Lectures on Homiletics” van Porter bestudeer. In het Grieks kom ik niet verder dan het Testament. Wij hebben maar dertien jongens. Aanvaard mijn hartelijkste liefde en dank voor uzelf en oom, en sta mij toe mij altijd te noemen: uw zeer liefhebbende neef,

C. H. Spurgeon.

© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas