Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 124 — Treasury of David

Titel
“Een lied van de trappen, van David.” Natuurlijk hebben de hoogwijze critici zich op dit opschrift gestort en het onjuist genoemd. Wij mogen zelf kiezen hoeveel we van hun beweringen geloven, veel of weinig. Ze beweren dat er in dit liedje bepaalde taalsieraden staan die in Davids tijd nog niet bestonden. Misschien. Maar met al hun verheven wijsheid hebben ze al zoveel andere twijfelachtige uitspraken gedaan, dat we dit oordeel niet hoeven aan te nemen. De toon van dit lied lijkt in elk geval sterk op die van David.
We zien niet in waarom hij van het auteurschap zou moeten worden uitgesloten. Of het nu van hem is of niet: het ademt dezelfde geest als de liederen van de koninklijke dichter waaraan niemand twijfelt.
Indeling
Deze korte psalm begint met het erkennen van een gunst die we hebben ontvangen, een bijzondere redding (1-5). Dan volgt een dankbare daad van aanbidding, waarin Jehova wordt geloofd (6, 7). Tot slot spreekt de dichter uit dat hij op de Heere vertrouwt, voor elke beproeving die nog komt. Mocht onze ervaring ons tot dezelfde slotsom brengen als de heiligen uit Davids tijd. Mochten wij door een heilig vertrouwen op onze God bevrijd worden van elk vertrouwen op mensen.
Uitleg
Vers 1
“Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel.” Plotseling, midden in de zin, breekt de dichter af. Het blijft een brokstuk. Met zo’n begin trekt hij meteen de aandacht en laat hij zijn gevoel spreken. Zo gaat dichterlijk vuur nu eenmaal te werk: het slaat uit in een vlam die niemand kan beteugelen. In onze Statenvertaling staan veel woorden cursief gedrukt. Daaraan kan de lezer zien dat de vertalers hun best deden om deze plaats aan elkaar te lijmen. Misschien had ze beter kunnen blijven staan in haar gebroken grootsheid.
Dan klonk het zo: “Was Jehova het niet geweest! Hij was voor ons. O, laat Israël het zeggen! Was Jehova het niet geweest! Hij Die voor ons was, toen mensen tegen ons opstonden.” De heerlijke Heere werd onze bondgenoot. Hij nam onze zaak ter hand en sloot een verbond met ons. Zonder Jehova als Beschermer, waar zouden wij nu zijn? Niemand dan Hij, met Zijn macht en wijsheid, kon ons behoeden voor de sluwe plannen en de boosheid van onze vijanden. Heel Zijn volk moet dat dus zeggen, en Hem in het openbaar de eer geven voor Zijn beschermende goedheid.
Twee keer staat hier “ten ware”, en toch is er in deze zaak helemaal geen “indien”. De Heere stond aan onze kant. Nog altijd verdedigt Hij ons, en dat blijft Hij doen, van nu aan tot in eeuwigheid. Laten we met heilig vertrouwen juichen over dit blije feit. Onze dankbaarheid laten we veel te langzaam horen. Daarom staat er een uitroep, die we moeten vertalen als: “O, laat Israël het zeggen.” Mopperen doen we zonder dat iemand ons ertoe aanzet. Voor onze dankzegging is een duwtje nodig. Het is goed als een warmhartige vriend ons vraagt uit te spreken wat we voelen.
Denk eens na over wat er zou zijn gebeurd als de Heere ons had laten vallen. Bekijk dan wat er wél is gebeurd, omdat Hij ons trouw is gebleven. Ligt de stof voor een lied niet helemaal voor ons uitgespreid? Laten we voor de Heere zingen!
Vers 2
“Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden.” Alle mensen sloegen de handen ineen. Het leek alsof heel de mensheid erop uit was om het huis van Israël weg te vagen. Wat was er gebeurd als de Heere van het verbond niet had ingegrepen? Ze kwamen in beweging, ze smeedden een bondgenootschap om onze rust en veiligheid aan te vallen. Wat hadden wij kunnen doen tijdens die opstand, als de Heere niet óók was opgestaan? Niemand in de buurt kon of wilde helpen. Maar Gods ontblote arm was genoeg om de Zijnen te bewaren tegen alle verenigde legers van hun vijanden.
Over onze Verlosser bestaat geen enkele twijfel. We kunnen onze redding aan geen enkele tweede oorzaak toeschrijven, want die was niet opgewassen geweest tegen de nood. Alleen almacht en alwetendheid konden ons redden. We zetten iedere andere kandidaat aan de kant, en we verheugen ons omdat de Heere aan onze kant stond.
Vers 3
“Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.” Ze hunkerden zo naar onze ondergang dat ze met één hap klaar waren geweest met ons. Binnen één ogenblik hadden ze ons levend en in één keer opgeslokt. De razernij van de vijanden van de gemeente is tot het uiterste gestegen. Alleen de volledige uitroeiing van Gods uitverkorenen zal hen tevredenstellen. Hun woede is als een vuur dat is aangestoken en zich zo diep in de brandstof heeft vastgebeten dat het niet meer te doven valt. Nergens laait woede heftiger op dan wanneer het volk van God het mikpunt is.
Vonken worden vlammen. De oven wordt zevenmaal heter gestookt zodra Gods uitverkorenen erin moeten. De wrede wereld zou het godvruchtige zaad helemaal uitroeien, als Jehova haar de weg niet versperde. Verschijnt de Heere, dan kunnen die wrede kelen niet doorslikken en kunnen de verterende vuren niet verwoesten. Ach, was het Jehova niet geweest, en was onze hulp van alle schepselen samen gekomen, dan was er voor ons geen ontkomen aan. Alleen doordat de Heere leeft, is Zijn volk in leven.
Vers 4
“Toen zouden ons de wateren overlopen hebben.” Onweerstaanbaar stijgend, zoals de Nijl, was de vloed van tegenstand al snel over ons hoofd heen gerold. Over de machtige watervlakte hadden we angstig rondgekeken, maar tevergeefs naar een uitweg gezocht. Het motto van een vorstenhuis luidt: “Heen en weer geslingerd, maar niet ondergedompeld.” Wij hadden eerder een grafschrift nodig gehad dan een motto, want de stroom had ons meegesleurd, en we waren gezonken om nooit meer boven te komen. “Een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.” De bruisende stroom zou onze ziel, onze hoop en ons leven hebben verdronken.
Het lijken hier twee beelden: de gestaag stijgende vloed en de haastig voortsnellende stroom. Wie houdt stand tegen twee zulke geweldige krachten? Ze vernietigen alles wat ze tegenkomen, door het onder te dompelen of mee te sleuren. Krijgt de vijandschap van de wereld lucht, dan stijgt ze én stroomt ze, dan raast ze en rolt ze voort, en spaart ze niets. Wie kan helpen in de grote watervloeden van vervolging en verdrukking, anders dan Jehova? Waar zouden we zonder Hem zijn, op dit moment? We hebben tijden meegemaakt waarin de verenigde krachten van aarde en hel ons hadden uitgewist, als almachtige genade niet was ingegrepen om ons te redden.
Vers 5
“Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.” Hier worden de golven als hovaardig voorgesteld, en dat lijken ze ook wanneer ze over de reling van een zwak scheepje slaan en het elk moment kunnen laten zinken. De tegenstand van mensen wordt meestal nog bitterder gemaakt door hooghartige spot. Alles wat wij uit godsvrucht doen, wordt daardoor weggehoond als puur fanatisme of koppige onwetendheid. Bij alle vervolgingen van de gemeente zat er veel wrede verachting vermengd met de onderdrukking, en dat is voor de ziel overweldigend. Als God niet met ons was geweest, hadden onze vijanden, vol minachting, geen spaan van ons heel gelaten.
Ze waren over ons heen gebruld zoals een bergstroom van een helling naar beneden raast en alles meesleurt. Niet alleen onze goederen en bezittingen zouden zijn weggespoeld. Ook onze ziel, onze moed en onze hoop waren door de onstuimige aanval meegevoerd en begraven onder de beledigingen van onze tegenstanders. Laten we hier even stilhouden. We zien wat er had kunnen gebeuren. Laten we de beschermende macht aanbidden die ons in de vloed, en toch boven de vloed, heeft gehouden. In de uren van dreigend gevaar waren we zeker omgekomen, als onze Behouder niet had gezegevierd om ons veilig te houden.
Vers 6
“De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.” De dichter laat het beeld van de kolkende vloed nu los. Hij vergelijkt Israëls vijanden met wilde dieren die de vromen als prooi wilden hebben. Hun tanden staan klaar om te scheuren, en de vromen zijn in hun ogen slachtoffers. De Heere wordt hartelijk geprezen, omdat Hij Zijn dienaren niet liet verslinden toen ze tussen de kaken van die woedende vijanden zaten. Dat betekent: niemand kan ons iets doen voordat de Heere het toestaat. We kunnen alleen hun prooi worden als de Heere ons aan hen uitlevert, en dat doet onze liefdevolle Heere nooit.
Tot nu toe heeft Hij geen vijand toegestaan ons te vernietigen. Geprezen zij Zijn Naam! Hoe nijpender het gevaar, hoe schitterender de barmhartigheid die niet wilde dat de ziel daarin omkwam. God zij voor eeuwig geprezen, omdat Hij ons voor de vloek bewaarde. Jehova zij geprezen, omdat Hij de woede van de vijand aan banden legde en de Zijnen redde. Het vers spreekt van een zegen in ontkennende vorm, maar geen gave is in werkelijkheid kostbaarder. Hij heeft ons aan Zijn Zoon Jezus gegeven, en Hij zal ons nooit aan onze vijanden geven.
Vers 7
“Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers.” Onze ziel lijkt om vele redenen op een vogel. Maar hier gaat het om haar zwakheid en dwaasheid, en om hoe makkelijk ze in de strik wordt gelokt. Vogelvangers hebben veel manieren om kleine vogeltjes te vangen, en Satan heeft veel manieren om zielen te vangen. De een wordt gelokt door verkeerde vrienden, de ander verleid door zijn trek in lekkers. Honger drijft velen de val in, en schrik jaagt vele anderen het net in. Vogelvangers kennen hun vogels en weten hoe ze die kunnen pakken.
De vogels zien de strik juist niet, dus kunnen ze hem niet ontwijken, en ze kunnen hem niet stukmaken om te ontsnappen. Gelukkig de vogel met een sterke, krachtige redder die klaarstaat als het gevaarlijk wordt. Nog gelukkiger de ziel over wie de Heere dag en nacht waakt, om haar voeten uit het net los te trekken. Wat een vreugde klinkt in dit lied: “onze ziel is ontkomen”! Kijk hoe de bevrijde zingt en opstijgt, en weer opstijgt en weer zingt. Gode zij dank! Velen van ons kunnen met deze noten vrolijke muziek maken: “onze ziel is ontkomen”.
Ontkomen aan onze natuurlijke slavernij. Ontkomen aan de schuld, de vernedering, de gewoonte en de heerschappij van de zonde. Ontkomen aan het ijdele bedrog en de aantrekkingskracht van Satan. Ontkomen aan alles wat verwoesten kan. Wij voelen inderdaad verrukking. Wat een wonder van genade is dit! Wat een wonderbaarlijke ontsnapping, dat wij, die zo makkelijk verdwalen, niet in de hand van de gevreesde vogelvanger zijn omgekomen! De Heere heeft het gebed verhoord dat Hij ons Zelf leerde bidden, en Hij heeft ons van de boze verlost.
“De strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.” Dit lied mag best herhaald worden. Het is goed om bij zo’n grote barmhartigheid te blijven stilstaan. De strik kan een valse leer zijn, trots, lust, de verleiding om met de politiek mee te gaan, of om te wanhopen, of om overmoedig te worden. Wat een hoge gunst dat hij voor onze ogen is gebroken en geen macht meer over ons heeft! Zolang we in de strik zitten, zien we de barmhartigheid niet. Misschien zijn we dan zelfs zo dwaas dat we treuren om het verbreken van die satanische betovering.
De dankbaarheid komt als we de ontsnapping zien, als we beseffen waaraan we zijn ontkomen en door Wiens hand we zijn losgemaakt. Dan krijgt onze Heere een lied uit onze mond en uit ons hart, en laten we hemel en aarde dreunen van de tonen: “de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen”. We zijn verzocht, maar niet gevangen. We zijn neergeworpen, maar niet vernietigd. We zijn radeloos, maar niet wanhopig. We zijn vaak in doodsgevaar, maar nog altijd in leven. Geprezen zij Jehova! Dit lied had heel goed bij onze hele natie gepast in de tijd van de Spaanse Armada, bij de gemeente in de dagen van de jezuïeten, en bij elke gelovige onder ons in tijden van zware persoonlijke verzoeking.
Vers 8
“Onze hulp” is waar we op rekenen voor de toekomst, de bodem van ons vertrouwen in alle beproevingen die er nu zijn en nog komen. “Is in den Naam des HEEREN.” Jehova heeft Zich laten kennen, en dat karakter van Hem is het fundament waarop we vertrouwen. Zijn Persoon is onze zekere bron van kracht. “Die hemel en aarde gemaakt heeft.” Onze Schepper is ook Degene Die ons bewaart. Hij is onmetelijk groot in alles wat Hij schiep. Niet slechts een paar kleine dingen heeft Hij gemaakt: de hele hemel en de hele ronde aarde zijn het werk van Zijn handen.
Aanbidden we de Schepper? Laat dan ons vertrouwen op onze Trooster groeien. Heeft Hij alles geschapen wat wij zien, dan kan Hij ons toch ook behoeden voor het kwaad dat wij niet zien? Geloofd zij Zijn Naam! Hij Die ons heeft gemaakt, waakt over ons. Ja, dat heeft Hij al gedaan: in het uur van gevaar heeft Hij ons geholpen. Hij is onze hulp en ons schild, en niemand anders. Hij zal elke strik breken tot aan het einde. Hij maakte de hemel voor ons, en Hij zal ons bewaren voor de hemel. Hij maakte de aarde, en Hij zal ons op haar bijstaan, tot het uur van ons vertrek aanbreekt.
Elk werk van Zijn hand predikt ons dat het onze plicht én onze vreugde is om alleen op Hem te vertrouwen. De hele schepping roept: “Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.” “Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.” De volgende berijming brengt de zin van de psalm over, niet de woorden. We bieden haar de lezer met veel schroom aan:
Was de Heere niet, zo mag mijn ziel wel zeggen,
was de Heere niet aan mijn zijde geweest,
en had Hij Zijn redding niet nabij gebracht,
dan was mijn hulpeloze ziel bezweken.
Had de Heere mij niet terzijde gestaan,
dan had Satan mijn ziel verslagen,
en Tofet, dat zijn muil wijd opensperde,
had niet tevergeefs naar mij gegaapt.
Zie, de golven van de toorn, de vloeden van de hel,
zij razen voort in wilde, woeste stromen;
had de Heere mij niet trouw beschermd,
dan waren die wateren over mijn ziel gegaan.
Zoals een vogel, als de strik van de vogelvanger breekt,
op blijde vleugels wegvliegt,
zo breekt mijn ziel, van Satans juk bevrijd,
in vreugde los, stijgt op en zingt.
Zij zingt de lof van haar Zaligmaker, de Heere,
zij zingt Zijn eer met vreugde en gejuich;
tot Hem verheft zij in de hemel haar lied,
tot Hem Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Volgens de titel is deze heilige mars door koning David gemaakt. Uit de inhoud kunnen we heel duidelijk opmaken welke optocht bedoeld is: de zegevierende terugkeer van de koning en zijn trouwe leger naar Jeruzalem, nadat de gevaarlijke opstand was neergeslagen. Absalom en zijn machtige bende bondgenoten hadden het grootste deel van het volk daartoe opgezweept. — John Mason Good.
Gehele psalm
Deze psalm wordt aan David toegeschreven. Er wordt niet gesproken over één bepaald gevaar of één bepaalde redding. Juist die algemene toon is zo heerlijk, en daardoor is dit een uitstekende lofzang voor de verlosten van elke eeuw en elk land.
Het volk van God leeft nog steeds op vijandelijk terrein. Er zitten verraders in het kamp, en buiten staan talrijke vijanden. De gemeente zou al snel worden uitgeroeid, als de boosaardigheid en macht van haar tegenstanders niet door een hogere macht werden tegengehouden en verslagen. Daarom is dit loflied nooit verouderd. Hoe vaak zijn de tonen van zijn aanbiddende dankbaarheid niet door de wind meegedragen! Waar ter wereld is zijn losbarstende blijdschap niet gehoord? Aan de oevers van de Jordaan en de Nijl heeft men het gezongen, aan de Eufraat en de Tigris.
Aan de oevers van de Tiber en de Rijn, van de Theems en de Forth. Aan de oevers van de Ganges en de Indus, van de Mississippi en de Irrawaddy. En we kijken uit naar een tijd waarin de gemeente alle moeilijkheden te boven is gekomen en de overwinning boven haar banieren wappert. Dan zal ze dit loflied zingen op elk eiland en elk werelddeel van onze aarde. Het jaar van Gods verlosten moet komen. Het heil van Christus zal zich uitstrekken tot de verste uithoeken van de aarde. En als die laatste bevrijding komt, zullen de volken juichen van blijdschap en hun Verlosser prijzen in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. — N. McMichael.
Gehele psalm
In 1582 werd deze psalm gezongen bij een bijzondere gebeurtenis in Edinburgh. Een gevangen predikant, John Durie, was vrijgelaten. Toen hij de stad binnenkwam, stonden tweehonderd vrienden hem op te wachten om hem welkom te heten. Hun aantal groeide, totdat hij midden in een groep van tweeduizend mensen liep. Terwijl ze de lange High Street op liepen, begonnen ze te zingen: “Nu mag Israël zeggen” enzovoort. Ze zongen vierstemmig, met diepe plechtigheid. Iedereen zong mee met de bekende melodie en psalm. Ze waren zelf diep ontroerd, en iedereen die het hoorde ook. Een van de belangrijkste vervolgers zou meer geschrokken zijn van dit gezicht en dit gezang dan van alles wat hij in Schotland ooit had gezien. — Andrew A. Bonar in “Christ and His Church in the Book of Psalms”, 1859.
Vers 1
“De HEERE … bij ons.” Geestelijk gezien staat Jehova aan de zijde van Zijn volk. Zo niet, dan was het slecht met hen gesteld. God de Vader staat aan hun kant. Zijn liefde voor hen en de band die Hij met hen heeft, brengen Hem daartoe. Vandaar dat alles wat goed is voor hen is klaargemaakt en aan hen geschonken. Hij laat ook niet toe dat iemand hun kwaad doet: ze zijn Hem even dierbaar als Zijn oogappel. Daarom geeft Hij hun Zijn genadige aanwezigheid. Hij ondersteunt hen onder al hun beproevingen en strijd, voorziet in al hun behoeften, bewaart hen door Zijn macht en behoedt hen voor al hun vijanden.
Van geen enkele kant hebben ze dus iets te vrezen. Ook Christus staat aan hun kant. Hij is hun Borg en hun Zaligmaker. Hij heeft partij voor hen gekozen tegen al hun geestelijke vijanden: zonde, Satan, wereld en dood. Hij heeft Zich met hen verbonden en die vijanden overwonnen. Hij is de Leidsman van hun zaligheid, hun Koning, Die vooropgaat, hen hier beschermt en verdedigt, en hun Vriend is aan het hof in de hemel. Daar is Hij hun Voorspraak en hun pleitende Hogepriester, Die hun zaak bepleit tegen Satan en elke zegen voor hen verwerft.
Ook de Geest van Jehova staat aan hun kant. Hij zet Zijn werk in hen voort, helpt hen bij hun gebeden en smekingen, beschermt hen tegen Satans verleidingen, richt een banier voor hen op wanneer de vijand als een vloed op hen aankomt, en troost hen in al hun neerslachtigheid. Hij werkt hen toe naar de hemel en brengt hen er veilig heen. Maar was dit allemaal niet zo, wat zou er van hen terechtkomen! — John Gill.
Vers 1
“Israël.” Met het “Israël” in deze psalm kan Israël in het huis van Laban bedoeld zijn. De Midrasj Tehillim denkt dat de psalm in zijn persoon wordt gesproken. In elk geval krijgen enkele uitdrukkingen een passende betekenis als je ze zo leest. — H.T. Armfield.
Verzen 1-4
Zulke abrupte, onafgemaakte uitdrukkingen aan het begin van de psalm wijzen op zo’n grote blijdschap en juichstemming dat de spreker zijn zinnen niet kan afmaken. — Robert Bellarmijn.
Verzen 1-2
Deze verzen worden enigszins omschrijvend weergegeven, met een onnodige toevoeging van de cursieve woorden in de Statenvertaling. Daardoor verliezen ze veel van hun kracht en wordt hun betekenis vertroebeld. Er wordt veel meer bedoeld en gezegd dan alleen dat God de Israëlieten de overwinning op hun vijanden gaf. De psalm is voorafbeeldend en profetisch. Hij beschrijft de toestand van de gemeente in deze wereld. Ze wordt omringd door vijanden die haar onverzoenlijk haten, dol zijn van woede en haar ondergang willen. De psalm verzekert haar dat ze behouden blijft en voortdurend zal zegevieren, omdat Jehova haar God is.
Hij voorspelt dat al haar vijanden in de toekomst volledig en definitief vernietigd worden. Hij galmt het lied na dat aan de oever van de Rode Zee werd gezongen. Je hoort er de tonen van het nieuwe lied in voor de grote witte troon. De lof en de dank zijn voor JHWH, de geopenbaarde Elohim, Wiens “eeuwige kracht en Goddelijkheid” “uit de schepselen verstaan en doorzien” worden. Ze zijn voor JHWH, de geopenbaarde Sjaddai, Die de vaderen kenden als de Almachtige, door de grote dingen die Hij voor hen deed. Ze zijn voor JHWH, de God Die een verbond met Zijn volk heeft gesloten, de Verlosser.
Het gaat om Jisraël, Gods uitverkoren volk, het heilige volk, Zijn eigen schat boven alle volken. Zo werd het, zoals de rabbijnen zeggen, “Odium generis humani”, het mikpunt van de haat van het mensdom. Tegen hen stond “adam” op (niet mensen, maar de mens als geheel) en probeerde hen te vernietigen. Het gaat om Jisraël, Gods uitverkorene, het volk van het verbond, dat zich met de volle verrukking van een persoonlijk “mijn” in God verheugt en zingt: “Was Jehova het niet geweest, Die lanoe was: de onze!” Slap en kil is de weergave “was aan onze zijde”.
Jehova was van hén. Dat was hun veiligheid, hun zegen en hun vreugde. — Edward Thomas Gibson, 1818-1880.
Verzen 1,2
- God was aan onze kant. Hij koos voor ons partij, nam onze zaak op Zich en trad voor ons op. Hij was onze Helper, een hulp die heel dichtbij was, aan onze zijde, vlakbij. Hij was bij ons. Hij stond niet alleen vóór ons, maar ook midden onder ons, als Opperbevelhebber van onze troepen.
- Die God was Jehova, en daar ligt de nadruk. Was het niet Jehova Zelf geweest, een God van oneindige macht en volmaaktheid, Die onze bevrijding op Zich nam, dan hadden onze vijanden ons overmeesterd. Gelukkig dus het volk wiens God Jehova is, een God Die voor alles toereikend is. Laat Israël dat uitspreken tot Zijn eer, en zich voornemen Hem nooit te verlaten. — Matthew Henry.
Verzen 1, 2, 8
Deze drie dingen neem ik mee in mijn hart, o Heere: “de HEERE, Die bij ons geweest is”, dat is voor wat achter ons ligt. “De strik is gebroken”, voor nu. “Onze hulp is in den Naam des HEEREN”, voor wat voor ons ligt. Ik wil niet moedeloos zijn, en ik kan het niet zijn, hoe ik ook worstel met Satan, met de wereld, of met de opwellingen van mijn goddeloze hart. Dat blijft zo, zolang ik dit “drievoudige snoer” in mijn hand houd, of eigenlijk: zolang het mij vasthoudt. — Alfred Edersheim.
Vers 2
“Ten ware de HEERE” enzovoort. Deze herhaling is niet voor niets. Zolang we in gevaar zijn, is onze angst grenzeloos. Maar is het eenmaal voorbij, dan stellen we ons voor dat het minder was dan het in werkelijkheid was. Dat is de misleiding van Satan: hij wil Gods genade kleiner maken en verduisteren. Daarom spoort David het volk met deze herhaling aan om God meer te danken voor Zijn genadige redding, en hij maakt de gevaren groter die ze hebben doorstaan. Zo leren wij hoe we moeten denken over onze vroegere nood en verdrukking, zodat het besef en het gevoel van Gods genade niet uit ons hart verdwijnen. — Maarten Luther.
Vers 2
“Als de mensen tegen ons opstonden.” Het kan vreemd lijken dat deze goddeloze, ellendige vijanden, meer monsters dan mensen, zo gematigd worden genoemd, en geen andere naam krijgen dan deze, “mensen”. Die naam verdienden ze het allerminst. Er was niets menselijks aan hen behalve de buitenkant en de gedaante. Het waren eerder beesten, ja duivels in de vorm en het uiterlijk van mensen, dan echte mensen. Maar daarmee laat de gemeente zien dat ze het verdere oordeel over hen overlaat aan God, hun rechtvaardige Rechter. Ze maakt hun boosheid er ook groter mee. Het waren immers mensen, en toch lieten ze in hun verlangens en gezindheid een meer dan beestachtige wreedheid en onmenselijkheid zien. — Daniel Dyke (—1614?) in “Comfortable Sermons upon the 124th Psalme”, 1617.
Vers 3
“Toen zouden zij ons levend verslonden hebben.” Dit beeld kan zijn ontleend aan uitgehongerde wilde dieren die mensen aanvallen en opeten (vergelijk vers 6). Het kan ook gaan om iemand die levend in een graf wordt opgesloten (Spr. 1:12) en daar wordt achtergelaten om te sterven. Of om iemand die door een aardbeving wordt verzwolgen (Num. 16:30). — Daniel Cresswell.
Vers 3
“Toen zouden zij ons levend verslonden hebben.” Het woord wijst op eten met een honger die nooit genoeg krijgt. Iedereen die eet, moet ook doorslikken. Maar een gulzigaard is meer een doorslikker dan een eter: hij werkt zijn vlees in zijn geheel naar binnen, en kauwt, kun je zeggen, nauwelijks. Toen Mozes’ staf in een slang veranderde, “verslond” die de staven van de Egyptische tovenaars. Vaak wordt het woord gebruikt om onderdrukking uit te drukken (Ps. 35:25): “Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!” Dat wil zeggen: we zijn hem helemaal kwijt, hij is voorgoed verdwenen, wij hebben hem volledig weggewerkt. In deze woorden wordt de hongerige, roofzuchtige woede van de tegenstander beschreven. — Joseph Caryl.
Vers 3
“Levend.” Dit is geen bijwoord, “snel”, maar een bijvoeglijk naamwoord: levend. Gulzige monsters van het land en uit de diepte slikken hun eten soms door voordat het leven eruit is. Zo hadden de vijanden van de gemeente haar in één ogenblik vernietigd, als God niet had ingegrepen. — William S. Plumer.
Vers 3
Een tegenwerping. Maar hoe komt dit? Mogen we dan zeggen dat de vromen altijd zullen winnen, dat ze nooit door hun vijanden worden omvergeworpen, maar dat zij juist hun vijanden overwinnen? Uit ervaring weten we dat ze minder in aantal zijn dan de goddelozen. Ze zijn zwakker in macht en kracht. Ze zijn eenvoudiger van verstand en sluwheid, en ze zijn nalatiger in ijver en waakzaamheid dan hun tegenstanders. Hoe komt het dan dat zij toch de overhand krijgen? Het antwoord. De profeet Ezra laat het ons horen in het achtste hoofdstuk van zijn profetie, in het tiende vers. Het staat daar in een paar woorden: “omdat de Heere met hen en voor hen is.”
Want ten eerste is Hij sterker dan alle anderen. Geen macht die men tegen Hem of de Zijnen bedenkt, kan Hem tegenhouden, en Hij kan doen wat Hij wil, in de hemel en op aarde.
- Hij is wijzer dan alle anderen. Hij weet hun plannen steeds te voorkomen, en Hij weet ook hoe Hij alles ten goede kan keren voor Zijn volk.
- Hij is waakzamer dan alle anderen, als een wachter die op post staat en die elke kans grijpt zodra die zich voordoet. “De Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.”
- Ten slotte heeft Hij meer geluk dan allen, zodat Hij in al Zijn ondernemingen goed slaagt. Hij heeft immers altijd succes in alles wat Hij aanpakt, en niemand kan een gedachte van Hem tegenhouden. Sterker nog: het “woord, dat uit Mijn mond uitgaat, … zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende”. In een oorlog let men bij een veldheer die telkens wil winnen op vier dingen. Ten eerste: dat hij sterk is. Ten tweede: dat hij wijs is, en slim. Ten derde: dat hij ijverig is. En ten slotte: dat hij geluk heeft.
De overwinning gaat namelijk niet altijd naar de sterke, niet altijd naar de wijze, niet altijd naar de ijverige en niet altijd naar de gelukkige. Soms gaat ze naar de een en soms naar de ander. Maar let op: waar alle vier samenkomen, is altijd de overwinning. Ze zijn alle vier in God. Het is dus geen wonder dat de mensen voor wie Hij de strijd voert, altijd overwinnen en de zege behalen. — Thomas Stint, 1621.
Verzen 4, 5
Een bekend beeld, maar buitengewoon raak en veelzeggend. Een razende brand is een verschrikkelijk gezicht. Maar een rivier die buiten haar oevers treedt en heftig voortstormt, is veel verwoestender, want met geen enkele kracht of macht is ze te bedwingen. Een rivier, zegt hij, wordt met geweldige onstuimigheid voortgedreven. Ze sleurt alles mee wat ze tegenkomt en vernietigt het. Zo is ook de woede van de vijanden van de gemeente, en met menselijke kracht kan niemand haar tegenhouden. Daarom moeten we leren gebruik te maken van Gods bescherming en hulp. Wat is de gemeente immers anders dan, zo zeggen we, een bootje dat aan de oever is vastgemaakt en door het geweld van het water wordt weggesleurd?
Of een struik aan de oever, die de vloed zonder moeite met wortel en al uitrukt? Zo was het volk van Israël in de dagen van David, vergeleken met de volken om hen heen. Zo is in onze tijd de gemeente, vergeleken met haar vijanden. Zo is ieder van ons, vergeleken met de macht van de boze geest. Wij zijn als een struikje dat net groeit en nog geen vaste grond heeft. Maar hij is als de Elbe: hij overstroomt en slaat met grote kracht alles omver, wijd en zijd. Wij zijn als een verdord blad, dat nog even aan de boom hangt.
Hij is als de noordenwind, die met grote kracht de bomen ontwortelt en neerwerpt. Hoe kunnen wij ons dan staande houden of ons verdedigen met onze eigen kracht? — Maarten Luther.
Verzen 4, 5
Eerst de “wateren”. Dan de “stroom”, de bergstroom. Dan de “stoute wateren”, die hun koppen hoog opsteken. Eerst slaan de wateren over ons heen. Dan gaat de stroom over onze ziel, en daarna de stoute wateren. Wie kan de snelle watervloed tegenhouden als hij buiten zijn oevers treedt en over het land raast? Het water spoelt door met een kracht waar niemand tegenop kan: mensen, vee, oogst en huizen worden vernield. Laat de wateren in hun onstuimigheid los, en binnen enkele minuten is een plek van leven, werk en geluk een plek van verwoesting en verdriet.
Misschien is dit een zinspeling op de ondergang van de Egyptenaren in de Rode Zee. De vloeden vielen over hen heen, de diepten bedekten hen, en ze zonken als een steen tot op de bodem. Had God Zijn hand niet uitgestoken om de Israëlieten te redden, dan hadden hun vijanden hen overspoeld. Gelukkig zijn zij die in tijden van gevaar Jehova als schuilplaats hebben, een veilige toevlucht. — N. McMichael.
Vers 5
“Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.” Weer hetzelfde: een herhaling, om te laten zien hoe groot het gevaar was en hoe groot de redding. Zo leren we Gods grote zegeningen niet lichtvaardig voorbij te laten gaan, maar er het meeste uit te halen. — John Trapp.
Vers 5
“Wanneer de winden en de zeeën tekeergaan
en dreigen mij te gronde te richten,
dan brengt U hun woede tot bedaren,
als ik maar tot U roep.
Een machtige storm heeft vannacht
geprobeerd mijn ziel te verzwelgen;
maar bij het eerste aanbreken van het licht
volgde er een zachte kalmte.
Wat reden heb ik dan om te wanhopen,
al staat het kwaad rondom mij klaar?
Want geen onheil durft zonder U
te blaffen of te bijten.”
— Robert Herrick, 1591-1674.
Verzen 6, 7
Opnieuw komen twee beelden voorbij, om te laten zien hoe dichtbij de ondergang was zonder Gods ingrijpen. Het eerste is het wilde beest dat we al eerder zagen. Maar nu wordt er iets bij gezegd dat de nood nog dringender maakt. Het wilde dier sluipt niet alleen rond, en staat niet alleen klaar om te springen. Het is al gesprongen. Het heeft zijn prooi echt te pakken. Ze zit al tussen zijn tanden vast. Wat een beeldende schildering! Nog één ogenblik wachten, en elke hulp was te laat. Maar dan is Jehova er, precies op dat moment.
Hij loopt recht op het wilde dier af en trekt de trillende prooi uit zijn bloederige muil. Het gevaar is nijpend, maar niets is voor de Heere te moeilijk. “Mijn ziel is in het midden der leeuwen.” “Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.” “Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken.” Het tweede beeld: de vogelvanger. Vakkundig heeft hij zijn strik gespannen. De vogel vliegt erin, zonder iets te vermoeden. Het net valt over hem heen, en in een oogwenk is hij zijn vrijheid kwijt.
Daar ligt hij dan, het arme vogeltje. Zijn hartje bonkt, zijn vleugeltjes slaan vergeefs tegen het net. Hij is volledig in de macht van de vogelvanger. Ontsnappen kan niet. Maar weer verschijnt de Heere, en Zijn aanwezigheid betekent veiligheid. Hij gaat naar het net, tilt het op van de grond, en de vogel vliegt weg, strijkt neer op een boom in de buurt en zingt tussen de takken. “Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers.” God redt Zijn volk van de sluwe streken en listen van hun vijanden, net zoals Hij hen redt van openlijk geweld. — N. McMichael.
Verzen 6, 7
We zijn verlost, 1. als een lam uit de kaken van een roofdier. God heeft ons “in hun tanden niet … overgegeven tot een roof”. Dat betekent dat ze geen macht hadden tegen Gods volk, behalve de macht die hun van boven werd gegeven. Ze konden alleen hun prooi worden als God ons aan hen overgaf. Daarom werden we gered: God wilde niet dat we vernietigd werden.
- Als “een vogel”, een klein vogeltje (het Hebreeuwse woord betekent mus), “uit den strik der vogelvangers”. De vijanden zijn zeer sluw en vol haat. Ze leggen strikken voor Gods volk om hen in zonde en moeilijkheden te brengen en daar te houden. Soms lijkt het of ze hun doel hebben bereikt: Gods kinderen zitten vast in de strik en kunnen zichzelf er net zomin uit helpen als een zwak, dom vogeltje. Dan breekt Gods tijd aan om te verschijnen en hen te hulp te komen. Als alle andere vrienden hen laten vallen, breekt God de strik en maakt Hij de plannen van de vijanden tot dwaasheid. “De strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.” — Matthew Henry.
Vers 7
“Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers” enzovoort. Er zijn allerlei strikken voor vogels: vallen, vogellijm, geweren en meer. Wie kan alle gevaren opnoemen die de vromen bedreigen, van Satan en van de wereld? Ps. 91:3, Hos. 5:1. “Wij zijn ontkomen”, niet door onze eigen handigheid of slimheid, maar alleen door Gods genade en macht. Zo wordt elke list vruchteloos gemaakt, en blijft onze vrijheid behouden. — Martin Geier.
Vers 7
“Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers” enzovoort. Ik weet zeker dat er geen dag in ons leven voorbijgaat waarop Satan niet ergens een strik voor onze ziel legt. Dat is des te gevaarlijker omdat je hem niet ziet. En als je hem wel ziet, is hij gevaarlijk omdat je hem misschien negeert en niet serieus neemt. Nog iets weet ik evenzeer zeker. Komt iemand ’s avonds thuis met een geweten dat geen aanstoot geeft aan God of mensen, dan is dat niet door enige kracht of macht van hemzelf.
Was de Heere zijn Gids en Behouder niet geweest, dan was hij overgeleverd, ja, dan had hij zichzelf overgeleverd als prooi voor de tanden van de verslinder. Ik geloof dat er maar weinig van Gods heiligen zijn die nooit zo’n tijd van zware verzoeking hebben gekend. Satan liet dan al zijn boosaardigheid en macht los. Hij fluisterde hun de ene ingeving na de andere in, en bracht de ene beproeving na de andere, zoals bij Job. Ze waren bijna bezweken, als ze al niet onderweg waren gevallen. En dan, misschien op een moment dat ze het niet verwachtten, ging Satan weg: verslagen en teleurgesteld, met zijn prooi uit zijn handen gerukt.
Ook zij hebben dankbaar moeten erkennen: “Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.” Ja, reken erop: onze beste en enige hoop “is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft”. — Barton Bouchier.
Vers 7
“Onze ziel is ontkomen, als een vogel.” De vogelvanger had in deze wereld zijn lijmstokken uitgezet. Onze ziel bleef erin hangen met haar veren, dat zijn onze gevoelens en verlangens. Nu zijn we inderdaad ontkomen, maar het is de Heere Die ons heeft bevrijd. — Thomas Adams.
Vers 7
“Als een vogel uit den strik der vogelvangers.” Gevaren omringen de ziel van alle kanten.
- Wereldsgezindheid verstrikt haar. Dat is een van de allergrootste gevaren waartegen Gods volk zich bijzonder moet hoeden. Het is de vijand van alles wat geestelijk is in onze gedachten en gevoelens.
- Zelfzucht verstrikt haar. Dat is een vijand van alle eenvoudige weldadigheid, van elke royale vrijgevigheid en van christelijke liefde voor mensen.
- Ongeloof verstrikt haar. Dat is de vijand van het gebed, van openhartig vertrouwen en van elke persoonlijke inzet als christen. Het zijn geen ingebeelde gevaren. We komen ze elke dag tegen. Ze bedreigen ons overal, en vaak moeten we treuren over de ravage die ze in ons hart aanrichten. — George Barlow, in een “Homiletic Commentary on the Book of Psalms”, 1879.
Vers 7
“De strik is gebroken.” God heeft er geen enkele moeite mee om Zijn volk uit de handen van de vijand te halen, ook wanneer die de vromen in zijn macht heeft. Het is voor Hem zo eenvoudig als het stukmaken van een net van draad of garen, waarmee vogels worden gevangen. — David Dickson.
Vers 7
“De strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.” Ons leven ligt altijd open voor de strikken van Satan. We zijn als domme vogels, die elk moment kunnen worden meegesleurd. Toch baant de Heere voor ons een weg om te ontkomen. Ja, juist wanneer Satan het zekerst van ons denkt te zijn, worden de strikken door Gods machtige kracht gebroken en worden wij bevrijd. Dat ervaren we bij mensen die van binnen worden gekweld en onder zware zwaarmoedigheid gebukt gaan. Als ze volkomen wanhopig lijken en bijna, zou je zeggen, omkomen, dan komt op het laatste nippertje, in de uiterste nood, de zoete troost van Gods Heilige Geest, en die richt hen weer op.
Als wij het dichtst bij omkomen zijn, is God het dichtst bij met Zijn hulp. “Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware”, zegt David, “mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.” En dit merken we nog op, tot troost van het zwakke geweten. Satan is sluw, en daarmee verontrust hij gewoonlijk velen. Omdat het vleselijke bederf in hen zit, wil hij hun wijsmaken dat ze daarom niet van Christus zijn. Daarin speelt hij de bedrieger. Hij legt de verkeerde maatstaf aan ons aan: die van volmaakte heiliging. Die maatstaf hoort bij Christus’ leden die in de hemel zegevieren, niet bij hen die op aarde strijden.
De zonde die in mij overblijft, bewijst niet dat ik daarom niet in Christus ben. Anders had Christus geen leden op aarde. Maar de genade die de nieuwe gezindheid werkt, die de natuur nooit kon bewerken, bewijst zonder twijfel dat wij in Christus Jezus zijn. — Thomas Stint.
Vers 8
“Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” De aarde, waar de strik ligt, heeft Hij gemaakt. Daarom mag Hij de strik met recht stukmaken, want die is onrechtmatig op Zijn terrein gelegd. De hemel heeft Hij gemaakt: dat is de echte plek voor de opstijgende vleugels van de zielen die Hij heeft bevrijd. Zo kunnen ze juichend wegvliegen uit hun vroegere gevangenis. Zelf kwam Hij naar de aarde, de Heere Jezus, in Wiens Naam onze hulp is, om de strik te breken. Daarna ging Hij terug naar de hemel, zodat wij zouden wegvliegen “als duiven tot haar vensters” (Jes. 60:8), langs dezelfde weg die Hij ons wees. — Richard Rolle van Hampole (1340), in “Neale and Littledale”.
Vers 8
“Onze hulp is in den Naam des HEEREN.” Wat de ervaring uit het verleden ons het mooiste oplevert, is dat we God eer geven door voor de tijd die komt op Hem te vertrouwen, zoals hier gebeurt. — David Dickson.
Vers 8
“Des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” Het lijkt wel of de psalmist zegt: zolang ik hemel en aarde zie, zal ik nooit twijfelen. Mijn hoop is gericht op die God, Die al deze dingen uit niets heeft gemaakt. Zolang die twee grote, blijvende gedenktekens van Zijn macht voor mijn ogen staan, hemel en aarde, zal ik nooit de moed verliezen. Zo zegt ook de apostel in 1 Petr. 4:19: “dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.” O christen, denk eraan: als je op God vertrouwt, vertrouw je op een almachtige Schepper.
Hij kan helpen, hoe hopeloos jouw geval ook is. God kon scheppen toen Hij niets had om op te werken. Dat is één wonder. Hij kon scheppen toen Hij niets had om mee te werken. Dat is nog een wonder. Waar is het gereedschap gebleven waarmee Hij de wereld maakte? Waar is de troffel waarmee Hij de hemel overwelfde, en de spade waarmee Hij de zee groef? Waarop moest God werken, en waarmee, toen Hij de wereld maakte? Hij maakte haar uit niets. En nu vertrouw jij je ziel toe aan diezelfde getrouwe Schepper. — Thomas Manton.
Vers 8
De Romeinen kwamen eens zo in het nauw, dat ze de wapens uit de tempels van hun goden moesten halen om mee te vechten. Zo wonnen ze. Dat moet ook de weg zijn van elke goede christen in tijden van openbare nood: hij vlucht naar de wapens van de gemeente, gebeden en tranen. De muren van de Spartanen waren hun speren, de muren van de christen zijn zijn gebeden. Zijn hulp is in de Naam van de HEERE, Die zowel hemel als aarde heeft gemaakt. — Edmund Calamy.
Vers 8
De Franse protestanten openen hun openbare eredienst altijd met de laatste zin van deze psalm. Geen gedachte geeft meer moed en troost. — Job Orton, 1717-1783.
Vers 8
“Onze hulp is in den Naam des HEEREN” enzovoort. Dit zijn woorden van een jubelend geloof dat overwint: “Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” Dat is alsof hij zegt: de Maker van hemel en aarde is mijn God en mijn Helper. Zie waarheen hij vlucht in zijn grote nood. Hij geeft de moed niet op, maar roept tot de Heere, als iemand die nog verwachtingsvol hoopt op uitkomst en troost. Houd ook jij je aan die hoop, en doe zoals hij. David werd niet verzocht om te wanhopen.
Denk dus ook niet dat jouw verzoekingen je zijn toegezonden om je in verdriet en wanhoop te laten wegzinken. Word je tot aan de poorten van de hel neergedrukt? Geloof dan vast dat de Heere je weer zal oprichten. Ben je gekneusd en gebroken? Weet dat het de Heere is Die je weer helpt. Is je hart vol verdriet en zwaarmoedigheid? Zoek dan troost bij Hem Die zei dat een gebroken geest een offer voor Hem is (Ps. 51:19). Zo zet hij de eeuwige God, de Maker van hemel en aarde, tegenover alle nood en gevaar, tegenover de vloeden en overstromingen van alle verzoekingen.
Met één ademtocht slokt hij als het ware alle razende furiën van de hele wereld en van de hel zelf op, zoals een klein druppeltje water door een machtig laaiend vuur wordt opgeslokt. En wat is de wereld, met al haar kracht en macht, vergeleken bij Hem Die hemel en aarde gemaakt heeft! — Thomas Stint.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
“De HEERE, Die bij ons geweest is.” Wie is deze Heere? Waarom staat Hij aan onze kant? Waaruit blijkt dat? En wat betekent dat voor ons: wat moeten wij doen?
Verzen 1-3
Je kunt de tekst op vier manieren bekijken: 1. In het leven van Jakob, die ook Israël heet.
- In de geschiedenis van het hele volk.
- In de geschiedenis van de gemeente door de eeuwen heen.
- In ons eigen levensverhaal.
Verzen 1-5
- Wat er mis had kunnen gaan.
- Waarom het niet is misgegaan.
Verzen 1-5
- Hoe het Gods volk zou zijn vergaan zonder dat de Heere aan hun kant stond.
(a) Wat als ze in handen van hun vijanden waren gevallen? Ps. 124:2,3. Israël, overgelaten aan Farao en zijn leger in Mozes’ tijd. Overgelaten aan de Kanaänieten in de tijd van Jozua. Aan de Midianieten in Gideons tijd. Juda aan de Assyriërs in Hizkia’s tijd: “Toen zouden zij ons levend verslonden hebben” enzovoort.
(b) Wat als ze op zichzelf waren aangewezen? “Een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.” Ps. 124:4,5.
- Hoe het Gods volk vergaat, nu de Heere aan hun kant staat. (a) Alles wat hun vijanden tegen hen bedenken, loopt op niets uit. (b) Hun verdriet van binnen slaat om in vreugde.
(c) Hun moeiten, van binnen en van buiten, werken samen ten goede. — G.R.
Verzen 2,3
- Ons levend verslinden: dat is wat onze kwaadwillige vijanden willen. 2. Ons levend bewaren: dat is wat onze trouwe God doet.
Vers 6
- Het Lam.
- De Leeuw.
- De Heere.
Vers 6
- Ze willen ons maar al te graag opeten.
- Ze kunnen ons niet verslinden, tenzij de Heere dat toestaat.
- We moeten God loven, want Hij laat hen ons geen kwaad doen.
Vers 6
- Wat de mensen tegen de rechtvaardigen in de zin hebben, het kwaad dat ze willen.
(a) Ze willen hen plunderen.
(b) Ze willen hen kapotmaken: “In hun tanden … tot een roof.”
- Wat God wil, Zijn goede wil. “De HEERE zij geloofd” enzovoort.
(a) Wat daaruit blijkt: goede mensen kunnen, voor een deel en een tijdlang, aan de goddelozen worden uitgeleverd.
(b) Wat daardoor vaststaat: ze worden nooit helemaal aan hen uitgeleverd. — G.R.
Vers 7
- De verstrikte ziel.
(a) Wie legt de strikken? Goddelozen zijn vogelvangers, en Satan ook. “Satan, de vogelvanger, hij verraadt op duizend wijzen wie niet op zijn hoede staat.”
(b) Hoe? Door verzoekingen: tot trots of wereldsgezindheid, dronkenschap, dwaling of begeerte, al naar de smaak en gewoonte van de enkeling.
- De ontsnapte ziel: “Onze ziel is ontkomen” enzovoort. “De strik is gebroken”, niet door onszelf, maar door de hand van God. — G.R.
Vers 7
- Een vogel.
- Een strik.
- Een vangst.
- Een ontsnapping.
Vers 8
Onze Schepper, onze Helper. Er is in deze zaak bijzondere troost te vinden in de schepping.
Vers 8
- De Helper: “den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft”, want in Zijn werken heeft Hij overvloedig laten zien wat Hij vermag.
- De geholpene. “Onze hulp” is: (a) in Zijn Naam beloofd.
(b) in Zijn Naam gezocht. Dat maakt haar tot onze hulp. — G.R.
Vers 8
- Er is hulp voor ons. Voor bedrukte zondaars, voor langzame leerlingen, voor bevende belijders, voor onwennige reizigers en voor zwakke arbeiders. 2. Die hulp ligt in Gods Naam: in alles wat Hij is — “Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen” — in Zijn evangelie — “een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen” — en in Zijn gezag: “In den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op” enzovoort.
- Daarom gaan wij met volle kracht aan het werk. — W.J.
Werken over de honderdvierentwintigste psalm
Eerst een bundel preken met de titel “Comfortable sermons upon the 124 psalme. Being thankfull Remembrances for God’s wonderfull deliverance of us from the late gunpowder treason. Preached before the Lady Elizabeth Her Grace, at Combe. By Daniel, Dike, Bachelor in Divinity”… Uitgegeven in Londen in 1635, daarvoor al in 1617, als kwarto. Het is niets waard.
Dan “An Exposition on the 124, 125, 126. Psalmes called the Psalmes of Degrees, or The Churches Deliverance. Plainly set forth for the benefit of God’s Church. By Thomas Stint”…. Gedrukt in Londen in 1621, octavoformaat, buitengewoon schaars.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas