Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 96 — Treasury of David

48 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Onderwerp

Deze psalm komt kennelijk uit het heilige lied dat David dichtte op de dag dat “zij de ark Gods inbrachten en haar zetten in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had, en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht Gods.” Je vindt dat in 1 Kronieken 16. Het begin van dat lied ontbreekt hier waarschijnlijk, omdat het op Israël zelf doelde. In deze psalm had de Heilige Geest iets anders voor ogen: een lied voor de heidenen, een jubelzang over hun bekering tot Jehova in de tijd van het evangelie.

Daarom sluit hij zo goed aan bij de psalm ervoor. Daar lezen we hoe halsstarrig Israël was. Het gevolg was dat het evangelie bij hen vandaan ging, naar de volken die het wel wilden ontvangen. Op hun tijd zouden die door de macht van het evangelie helemaal voor Christus gewonnen worden. Samen met Psalm 95 vormt deze psalm dus een tweetal. Het is een machtig zendingslied. Het is verbazend dat Joden het kunnen lezen en zichzelf toch afsluiten. Als Israël niet gedeeltelijk verblind was geraakt, dan hadden ze al lang gezien, en dan zouden ze nu zien, dat hun God altijd liefdevolle plannen had met alle geslachten onder de mensen. Zijn genade en Zijn verbond waren nooit bedoeld voor alleen de nakomelingen van Abraham naar het vlees.

Dat David, die zo’n groot hart had, zich verheugde en danste voor de ark, hoeft ons niet te verbazen. Hij zag de hele aarde in een visioen afstappen van de afgoden, op weg naar de ene levende en ware God. Had Michal, de dochter van Saul, zijn blijdschap kunnen delen, dan had zij hem niet met hoon overladen. En als het hart van de Joden van tegenwoordig ruim genoeg zou worden om met alle mensen mee te voelen, dan zouden ook zij juichen om de grote profetie dat heel de aarde gevuld zal worden met de heerlijkheid van de HEERE.

Indeling

Die maken we niet, want het lied is één en onverdeeld: een kleed van lof zonder naad, van boven af in één stuk geweven.

Uitleg

Vers 1

“Zingt den HEERE een nieuw lied.” Nieuwe vreugde komt in het hart van mensen, want overal klinkt het goede nieuws van zegen voor alle volken. Laten ze daarom een nieuw lied zingen. Engelen zetten de nieuwe tijd in met nieuwe liederen. Gaan wij dan niet met hen mee? Dit lied is alleen voor Jehova. De lofzangen op Jupiter en Neptunus, Vishnoe en Siva zijn voor altijd stilgevallen. Het dronken gejoel van Bacchus is gesmoord en de wulpse liedjes bestaan niet meer. Alle muziek moet worden aangeboden aan de enige God. De rouw is voorbij en nu is het tijd voor harten die zingen.

Er zijn geen sombere plechtigheden meer en geen bloedige mensenoffers. Misleide aanbidders hakken zichzelf niet langer met messen en galmen geen klaagzangen meer. Vreugde regeert. Zingen is de manier geworden waarop alle mensen hun liefde uiten, de stem die past bij diepe eerbied. Mensen zijn nieuwe schepselen geworden, dus ook hun lied is nieuw. De namen van de Baäls zijn van hun lippen verdwenen. De losbandige muziek van de Astarten is opgehouden. Het dwaze liedje en het wrede oorlogslied zijn allebei vergeten. Het lied is heilig, hemels, zuiver en prettig om te horen.

De psalmist spreekt alsof hij zelf het lied wil inzetten en de voorzanger wil zijn. Hij vraagt, hij moedigt aan, hij haalt mensen over om God heilig te dienen. Uit zijn hele hart roept hij: “Zingt Jehova een nieuw lied.”

“Zingt den HEERE, gij ganse aarde.” De naijver tussen volken is gestorven. Een Jood roept de heidenen op om te aanbidden en doet zelf met hen mee. Zo kan de hele aarde samen één psalm laten klinken, als met één hart en één stem, voor Jehova, Die haar met Zijn heil heeft bezocht. Geen enkele uithoek van de wereld mag vals zingen en geen enkel heidens volk mag stil blijven.

Jehova heeft de hele aarde gemaakt. Dus moet de hele aarde Hem toezingen. Zoals de zon alle landen beschijnt, zo mogen alle landen zich laten verwarmen door het licht van de Zon der Gerechtigheid. E Pluribus Unum: uit velen komt één lied voort. De talloze talen van Adams kinderen, die bij Babel over de wereld verspreid werden, zullen in hetzelfde lied samenkomen wanneer de volken zich in Sion verzamelen. Niet alleen mensen, ook de aarde zelf zal haar Maker loven. Door een droeve noodzaak werd zij een tijd lang onderworpen aan het zinloze. Toch zal ook de schepping zelf bevrijd worden van de slavernij van het verderf, en toegelaten worden tot de heerlijke vrijheid van Gods kinderen.

Zee en woud, akker en rivier zullen zich verheugen voor het aangezicht van de Heere. Is dit een droom? Dan willen we nog maar eens dromen. Gelukkig de ogen die het koninkrijk zullen zien en de oren die zijn liederen zullen horen. Kom spoedig, goede Heere! Ja, stuur snel de scepter van Uw kracht uit Sion, zodat de volken zich buigen voor de Heere en Zijn Gezalfde.

Vers 2

“Zingt den HEERE, looft Zijn Naam.” Drie keer klinkt de Naam van de HEERE, en dat heeft een betekenis. Is het niet voor de Drie-enige Heere dat de verlichte volken zullen zingen? Het unitarisme is een geloof van losse eenheden. Het is te koud om de wereld warm te krijgen voor aanbidding. Het heilige vuur van de aanbidding laait alleen fel op waar mensen in de Drie-eenheid geloven en haar liefhebben. De gezegende Heere moet ook op andere manieren geprezen worden dan alleen met zingen. We moeten blij zijn met Zijn Naam, Zijn faam, Zijn karakter, Zijn geopenbaarde woord en Zijn wil, en we moeten ze altijd dankbaar in gedachten houden.

Het is niet meer dan billijk dat we Hem zegenen, Die ons zo goddelijk zegent. Zodra Zijn Naam valt, past het om te zeggen: “Hij zij gezegend in eeuwigheid.”

“Boodschapt Zijn heil van dag tot dag.” In het evangelie laat Hij Zichzelf het duidelijkst zien. Het heil overtreft de schepping en de voorzienigheid in glans. Laat onze lof daarom vooral die kant op stromen. We mogen de blijde boodschap vertellen, en wel zonder onderbreking, en nooit ophouden met dat gelukkige getuigenis. Het blijft altijd nieuw, altijd passend, altijd betrouwbaar en altijd volmaakt. Daarom laten we het onophoudelijk horen, tot Hij komt. We doen dat met woorden en daden, met liederen en preken, met de heilige Doop en het Heilig Avondmaal, met boeken en gesprekken, met de diensten op zondag en de aanbidding op de dagen daarna. Elke dag leren we God als onze Redder dieper kennen. Elke dag zien we opnieuw hoe hard mensen Zijn heil nodig hebben. Elke dag toont de kracht van het evangelie, en elke dag strijdt de Geest met de mensenkinderen.

Daarom mogen wij nooit ophouden die heerlijke boodschap van genade zonder prijs uit te dragen. Zij die uit eigen ervaring weten wat Zijn heil betekent, horen dit te doen. Zij kunnen getuigen dat er in niemand anders heil is en dat je in Hem heil vindt tot in het uiterste. Laten zij het uitroepen tot de echo over heel de aarde vliegt en alle legers van de hemel zich aansluiten bij de lof voor die God, Die Zijn reddende gezondheid aan alle volken heeft laten zien.

Vers 3

“Vertelt onder de heidenen Zijn eer.” Zijn heil is Zijn eer. Het woord van het evangelie maakt Hem groot. Daarom moet het ver en breed worden verspreid, totdat de verste volken van de aarde het kennen. Engeland heeft heel wat bloed en geld overgehad om zijn eigen prestige bij barbaren te bewaren. Wanneer zal het zich net zo druk maken om de eer van zijn geloof, om de glorie van zijn Heere? Te vaak, vrezen we, is de Naam van de Heere Jezus bij de heidenen bezoedeld door de zonden en de wreedheid van mensen die zich christen noemen. Laat dat echte gelovigen aanzetten tot nog meer ijver, zodat het evangelie als door een bazuin klinkt in alle hoeken van de bewoonde wereld.

“Onder alle volken Zijn wonderen.” Het evangelie is een opeenstapeling van wonderen. De geschiedenis ervan is vol wonderen en het is zelf nog verbazingwekkender dan de wonderen. In de Persoon van Zijn Zoon liet de Heere wonderen van liefde, wijsheid, genade en kracht zien. Alle eer aan Zijn Naam! Wie kan nog nee zeggen tegen het vertellen van het verhaal over verlossende genade en een liefde die stierf? Alle volken moeten horen van Gods wonderbare werken.

Een gemeente die echt leeft en zichzelf verloochent, zou plechtig besluiten dat ze er allemaal heel snel van horen. Volken die aan het uitsterven zijn, mogen niet verstoken blijven van het onderricht van het evangelie, en evenmin de grote, groeiende families die als de magere koeien van Farao andere rassen opslokken. Indianen en Angelsaksen moeten allebei horen van de wonderen van verlossende liefde. Niemand is te diep gezonken, niemand te beschaafd, niemand te ruw en niemand te verfijnd.

Vers 4

“Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen.” Hij is geen nietige godheid die, zoals de heidenen van hun goden dachten, maar over één volk of één stuk natuur heerst. Jehova is groot in macht en heerschappij, groot in denken en doen. In Hem en in Zijn werken is niets laags en niets kleinzieligs. In alles is Hij oneindig. Lof hoort te passen bij degene die geprezen wordt. Daarom moet ze grenzeloos zijn als ze naar de Heere gaat. Wij kunnen Hem niet te veel prijzen, niet te vaak, niet te vurig, niet te zorgvuldig, niet te blij. Hij verdient dat niets in Zijn aanbidding klein is. Alle eer voor Hem moet komen uit een ruim hart, met vlammende ijver voor Zijn heerlijkheid.

“Hij is vreselijk boven alle goden.” Andere goden zijn voor veel geld en met veel gloed aanbeden door hun verblinde dienaren. Maar Jehova verdient veel meer eerbied. Zelfs als die gesneden beelden echt goden waren geweest, hadden ze nog geen ogenblik kunnen opboksen tegen de God van Israël. Hem aanbidden moet daarom nog veel vuriger gebeuren dan wat zij ooit ontvingen. We moeten Hem vrezen, want daar is reden toe. Bang zijn voor andere goden is puur bijgeloof. Ontzag voor de Heere is zuiver geloof. Heilige vrees staat aan het begin van de genadegaven, maar ze loopt ook mee tot in hun hoogste vorm. Vrees voor God is de blos op het gezicht van de heiligheid, die haar schoonheid nog mooier maakt.

Vers 5

“Want al de goden der volken zijn afgoden.” Het zijn niet meer dan beelden van hout en steen. IJdelheid, niets. “Maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.” Aan wat Hij gemaakt heeft, zie je dat Hij werkelijk God is. De psalmist noemt als eerste dat ongeëvenaarde bouwwerk dat zijn gewelf heeft gespannen boven ieders hoofd. De lampen eraan geven licht aan alle mensen. Regen en dauw uit de lucht vallen op de velden van elk volk. En vanuit die hemel hoort ieder schepsel de Heere spreken in de stem van de donder. De afgoden bestaan niet, maar onze God is de Maker van alles wat bestaat. Zij zijn slechts aardse ijdelheden, terwijl Hij niet alleen hemels is maar zelfs de hemelen gemaakt heeft. Dit is een argument voor de lof van Jehova door alle volken. Wie anders kan aanbeden worden dan Hij? Niemand is Zijn gelijke, dus Hij moet als enige worden aanbeden.

Vers 6

“Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht.” Mensen kunnen dit alleen nadoen. Hun pronkerige optochten zijn maar een schijn van grootheid. Eer en majesteit horen bij Hem, bij Hem alleen. Waar Jehova is, daar wonen echte glorie en oppermacht, als trouwe dienaren die nooit weggaan.

“Sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.” In Hem komt alles samen wat machtig en lieflijk, sterk en stralend is. We hebben ruwe kracht gezien zonder schoonheid. We hebben ook sierlijkheid gezien zonder kracht. Beide samen, dat is iets om diep te bewonderen. Willen we het “verhevene en schone” in één oogopslag zien? Dan moeten we kijken naar de eeuwige troon.

In Kronieken lezen we “sterkte en blijdschap”. Die twee lezingen zeggen eigenlijk hetzelfde, want hier is in de hoogste mate waar dat “een schoon ding een vreugde is voor eeuwig”. Gods heerlijkheid zit niet in uiterlijk vertoon of in de pracht van dure gewaden. Zulke dingen zijn trucjes van de staat, waarmee onwetende mensen worden verblind. Heiligheid, gerechtigheid, wijsheid en genade, dát is de glans van Jehova’s hoven. Dat zijn de juwelen en het goud, de kroonsieraden en de praal van de hoven in de hemel.

Vers 7

In de eerste zes verzen klonk drie keer de oproep om te zingen, en drie keer viel de Naam van de Heere. Nu vinden we de uitdrukking “Geeft den HEERE” op dezelfde drievoudige manier. Zo gaan dichters te werk wier gloeiende liederen de harten van het volk het sterkst hebben gewonnen. Ze blijven uitgekozen woorden herhalen, tot die diep in de ziel zinken en het hart laten branden. De lieflijke zanger richt zich nog altijd tot de hele mensheid. Hij roept haar toe: “Gij geslachten der volken.” We zijn verdeeld in stammen en families. Daarom worden we, elk in onze eigen groep en volgens onze eigen volgorde, geroepen om voor Hem te komen en Hem alle eer te geven. “Alle aanbidding zij aan God alleen” staat als leus bij een van de Londense gilden, en het kan de leus zijn van alle families op aarde. Aanbidding thuis, met het hele gezin, is heel welkom bij Hem, de God van alle families van Israël.

“Geeft den HEERE eer en sterkte.” Dat wil zeggen: erken Jehova’s heerlijkheid en macht, en schrijf ze Hem toe in jullie plechtige hymnen. Wie is er glorieus, behalve de Heere? Wie is er sterk, behalve onze God? Grote volken, die jezelf beroemd en machtig noemen, laat je opschepperij varen! Vorsten, die keizerlijk heten en vol van macht, buig jullie neer in het stof voor de enige Heerser. Glorie en kracht zijn er nergens, behalve bij de Heere. Alles en iedereen daarnaast heeft er maar de schijn van. Massillon had gelijk toen hij zei: “God alleen is groot.”

Vers 8

“Geeft den HEERE de eer Zijns Naams.” Maar wie kan dat helemaal? Kunnen alle volken van de aarde samen die enorme schuld afbetalen? Elke eer die we ons maar kunnen voorstellen, komt onze Schepper toe, onze Onderhouder, onze Weldoener en onze Verlosser. Hoe vurig we Hem ook eren, we kunnen Hem nooit meer geven dan Hem toekomt. Kunnen we niet de volle opbrengst afdragen die Hij met recht eist, dan mogen we in elk geval niet tekortschieten omdat we ons niet eerlijk hebben ingespannen.

“Brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.” Kom met een offer zonder bloed. De verzoening voor de zonde is volbracht, dus nu hoeven we alleen nog dankoffers te brengen. Laten we die niet vergeten. Wie ons alles geeft, mogen we graag onze dankbare tiende geven. Als we samenkomen voor de eredienst, moeten we het ons tot regel maken om een gift voor Zijn zaak mee te nemen, volgens dat oude woord: “Niemand van u zal met ledige handen voor Mijn aangezicht verschijnen.” Er komt een tijd dat de Heere uit alle rangen en volken geschenken ontvangt, wanneer zij samenkomen om Hem te aanbidden. O dag waar we zo lang naar verlangen, breek toch aan!

Vers 9

“Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.” Dit is de enige schoonheid waar Hij in onze samenkomsten naar kijkt. Geen andere schoonheid kan daarvoor in de plaats komen. Prachtige gebouwen en mooie kleding hebben Zijn aandacht niet. Waar Zijn ziel van geniet, is schoonheid van zedelijkheid en van de geest. We mogen God niet aanbidden op een slordige, zondige of oppervlakkige manier. We moeten eerbiedig zijn, eerlijk, vol ernst en zuiver van hart, als we bidden en als we zingen. Zuiverheid is het witte linnen van de koorzangers van de Heere. Gerechtigheid is het mooie kleed van Zijn priesters. Heiligheid is de koninklijke kleding van Zijn dienaren.

“Schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.” In de grondtekst staat: “Beeft.” Dat woord spreekt van het diepste ontzag, net als het woord “aanbidden”, dat nauwkeuriger zou worden weergegeven met “neerbuigen”. Zelfs ons lichaam zou gaan trillen en zich neerwerpen, als mensen echt doordrongen waren van Jehova’s macht en glorie. Mensen van de wereld maakten de “Quakers” belachelijk, omdat die beefden onder de kracht van de Heilige Geest. Hadden ze de majesteit van de Eeuwige kunnen zien, dan hadden ook zij gebeefd. Er is een heilig beven dat goed samengaat met blijdschap. Het hart kan zelfs trillen van een ontzagwekkend overschot aan verrukking. De Koning in Zijn schoonheid zien, joeg Johannes op Patmos geen schrik aan. Toch viel hij als dood aan Zijn voeten. O, mochten wij Hem zien en Hem aanbidden, voorovergebogen in ontzag en heilige vrees!

Vers 10

“Zegt onder de heidenen: de HEERE regeert.” Een mooier bericht kunnen we hun niet brengen. De Heere Jehova is in de Persoon van Zijn Zoon op de troon gaan zitten en heeft Zijn grote macht in handen genomen. Vertel dat onder de heidenen. En laat de heidenen zelf, zodra ze zijn bekeerd, dezelfde blijdschap doorgeven. Jehova Jezus’ heerschappij weegt niet zwaar. Zijn bewind brengt zegeningen zonder tal. Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. “Ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden.” Waar God koning is, staat de maatschappij veilig. Geen omwenteling zal Zijn rijk doen beven en geen aanval Zijn koninkrijk storen. Voor de welvaart van een volk is een stabiel en vast bestuur onmisbaar. Het bewind van de God van waarheid en gerechtigheid zal die welvaart het meest van al dienen. De zonde heeft de wereld laten wankelen. Jezus’ regering zet haar weer stevig op haar fundament.

“Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.” Zo krijgt de samenleving de beste en veiligste basis. Voor onderdrukte volken is het ook de grootste reden tot blijdschap. Onrecht brengt de dynastieën van dwingelanden ten val. Rechtvaardigheid houdt de troon van Jezus overeind. Hij regeert eerlijk en onpartijdig over Jood en heiden, over vorst en boer. Dat brengt geluk aan mensen die nu het slachtoffer zijn van de wil van een dwingeland.

Vers 11

“Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge.” Laat de vreugde boven en beneden te zien zijn. De engelen stonden verbijsterd over de slechtheid van de mensen. Laten zij zich nu verblijden dat die mensen zich bekeren en weer in genade worden aangenomen. En laten de mensen zelf laten zien hoe blij ze zijn dat hun ware vorst op Zijn troon zit. Het boek van de schepping heeft twee kaften. Op elk daarvan moet de glorie van de Heere in letters van vreugde staan.

“Dat de zee bruise met haar volheid.” Laat ze geen woelige zee meer zijn, die treurt om gekapseisde zeelieden en vertelt van het verdriet van weduwen en wezen. Laat ze liever een vrolijke toon aanslaan en zich verblijden in het koninkrijk van de Heere. Laat ze de naam van de Heere uitdonderen als het hoogwater is. En laat al het leven dat erin wemelt de grootste blijdschap tonen, omdat de Heere regeert, tot in de diepten van de zee. Net als de rest van de schepping heeft de zee tot nu toe gekreund en weeën gehad. Is de tijd niet dichtbij dat haar holle gemurmel verandert in een uitbarsting van vreugde? Zal niet binnenkort elke golf de lof laten opflitsen van Hem Die eens over de zee liep?

“Draagt, draagt, o winden, Zijn verhaal!
En rolt, o wateren, rolt,
totdat het zich als een zee van heerlijkheid
uitbreidt van pool tot pool.”

Vers 12

“Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is.” Laten de bebouwde vlakten de Heere prijzen. Door vrede kunnen de eigenaars ploegen, zaaien en oogsten, zonder bang te zijn voor de roofzucht van indringers. Daarom juichen zij met vrolijke tonen voor Hem Wiens rijk vrede is. Mensen, het vee dat in de weide graast en zelfs het gewas worden voorgesteld als stemmen die de lof van Jehova groter maken. Dat beeld is gedurfd, maar terecht. Want er komt een dag dat elk bewoond stukje grond zijn lied zal zingen en elk boerenerf een kerk zal hebben.

“Dan al de bomen des wouds juichen.” Er staat niet: laat ze juichen, maar: ze zullen het doen. Het geloof van de psalmist gaat hier over van een wens naar een voorspelling waar hij zeker van is. In oude tijden stonden bosjes te rillen bij de gruwelijke orgieën die in hun schaduw plaatsvonden. De tijd komt dat ze juichen van vreugde om de heilige eredienst, waarvan ze de klanken zullen horen. Het kreupelhout is de schuilplaats van wilde mensen en rovers, maar het zal geheiligd worden tot een plek van afzondering en toewijding. Misschien dacht de psalmist aan de vogels. Keble heeft het in elk geval zo opgevat, want hij zet de passage in dichtvorm:

Het veld juicht en de weide prijkt
met elke knop en bloem;
in het eenzame woud zingt nu
luid elke ruisende tak.

Vers 13

“Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt.” Hij is al dichtbij. Zijn komst is dus nu al een reden om blij te zijn. We staan al voor Zijn gezicht. Laten we Hem met vreugde aanbidden. “Want Hij komt om de aarde te richten”, om haar met verstand te besturen. Hij komt niet om haar te belasten en met dwang in toom te houden, zoals koningen vaak doen. Hij komt als een rechter, die moet zorgen dat er tussen de mensen recht wordt gedaan. Heel de wereld valt onder het gezag van deze grote Rechter, zonder uitzondering. Iedereen wordt gedagvaard om voor Zijn rechterstoel te verschijnen. Op dit ogenblik is Hij onderweg en het uur van Zijn komst komt steeds dichterbij. Zijn grote rechtszitting is al afgekondigd. Horen jullie de bazuinen niet? Zijn voet staat al op de drempel.

“Hij zal de wereld richten met gerechtigheid.” Zijn eigen volmaakte rechtvaardigheid zal elke zaak en elk geschil beslechten. Er is daar geen omkoping en geen corruptie. Ook vind je in Zijn uitspraken geen dwaling of tekortkoming. “En de volken met Zijn waarheid”, of liever: “de volken in trouw”. Eerlijkheid, waarheid en rechtschapenheid regeren op Zijn rechterstoel. Daar krijgt geen volk een voorkeursbehandeling en lijdt niemand onder vooroordelen. Een zwarte man wordt berecht volgens dezelfde wet als zijn blanke baas. De oorspronkelijke bewoner krijgt gerechtigheid tegenover de beschaafde man die hem heeft uitgeroeid. De platgetreden, opgejaagde Bosjesman mag in beroep gaan tegen de Boer die zijn stam heeft vermoord. En de Zuidzee-eilander vindt gehoor voor zijn schrijnende klacht tegen de verraderlijke ellendeling die hem uit zijn huis heeft weggeroofd. Daar wordt echt recht gesproken, zonder angst en zonder iemand voor te trekken. Hierover mogen de volken zich verheugen en het heelal juichen.

Laten wij tot slot zelf meezingen in het lied. Het hele heelal wordt bekleed met glimlachen. Zullen wij dan niet blij zijn? John Howe zegt: “Zullen wij niet deelnemen aan deze gemeenschappelijke, plichtsgetrouwe vreugde en meezingen in het aanbiddende, trouwe koor? Willen wij ons losmaken uit deze gelukkige, gehoorzame schare? En wat de hele wereld een vriendelijk gezicht en aanzien zou moeten geven, zal dat alleen onze gezichten onder de wolken laten en in treurige somberheid?”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Wat over Psalm 67 is gezegd, geldt ook goed voor deze psalm. We mogen er gerust bij zeggen dat dit een lofzang is voor het duizendjarig rijk. Hij past bij de wereld op het moment dat Christus op de troon zit en ons menselijk geslacht Hem bereidwillig trouw is. De volken zetten gezamenlijk een jubelkreet in, een lofzang voor Hem als hun rechtmatige Rechter en Koning. Dit lied klinkt als één stem. Het lijkt op te stijgen uit een wereld die gezuiverd is tot een tempel van heiligheid. De bewoners zijn dan echt een koninklijk priesterschap.

Met één hart maken ze Jezus koning, en met één stem laten ze één galmende melodie klinken tot eer van de Naam boven alle naam. Kijk eens even goed naar dit kostbare visioen, waarvan we zo een glimp opvangen. Het hoort bij het diepste in onze natuur dat we hoop en energie krijgen voor iets wat we mogelijk achten, en nog sterker voor iets wat we zeker verwachten. Zo’n hoop helpt het te verwezenlijken. Wanhoop daarentegen verlamt elke inspanning. Zweeft misschien daarom overal in de profetie, in het Oude en in het Nieuwe Testament, het beeld van een herstelde, juichende wereld voor ons?

Soms is dat beeld verheven tot een nog hoger tafereel: de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont. Deze gedachte doortrok de profetische geest zo sterk dat de taal van Paulus warm wordt en bijna dichtkunst. Zelfs “het schepsel zelf” beschrijft hij zo levendig dat het een mens lijkt. Het is als een edele vogel die hangt onder het gewicht van zijn ketting, met uitgestrekte nek en wijd opengesperde ogen. Die vogel tuurt de komende tijd in en kijkt uit naar zijn bevrijding uit de slavernij van het verderf, naar de heerlijke vrijheid van de kinderen van God (Rom. 8:19).

Meteen voegt Paulus eraan toe dat “wij door de hoop zalig zijn geworden”. Dat geldt voor elke ziel afzonderlijk: wij worden gered door hoop. Het geldt ook voor ons geslacht samen, als er ooit een duizendjarig rijk voor aanbreekt: dan worden we gered door zo’n hoop. Onze aarde ligt ondertussen misschien in puin. Er hangt zwartheid aan de hemel en de bodem is dor, omdat de zonde overal is. Maar er is verandering beloofd. Waar we op hopen, daar werken we des te harder voor, omdat onze hoop geen verzinsel van de fantasie is. Ze rust op de wetenschap en de zekerheid van de absolute waarheid.

“Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof zijn zaad doet uitspruiten, alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor alle volken.” (Jes. 61:11).

Soms hoor je het stemmen van het instrument voordat de muziek begint. Een moeder leert haar kind een lied te stamelen, voordat het de volle reikwijdte en betekenis ervan snapt. Zo is het ook hier in deze heilige psalm. Het Jeruzalem dat boven is, de moeder van ons allen, leert ons zingen van een lied dat past bij de tijd van de duizendjarige glorie. Dan zullen de Moloch van het onderdrukken, de Mammon van onze hebzucht en de Astarte van gloeiende wellust hun plek hebben afgestaan, net als elk dwalend geloof en elke valse godsdienst. Daarvoor in de plaats komt de aanbidding van de ene ware en levende God, het geloof in Christus en de liefde tot Hem. “Laat de volken U loven, o God, laat al de volken U loven.” — W.H. Gould, in “The Mission Hymn of the Hebrew Church: a Sermon”, 1865.

Gehele psalm

De Septuaginta geeft deze psalm als opschrift: “Een lofzang van David, toen de tempel na de ballingschap herbouwd werd.” Dat lijkt de psalm goed te beschrijven. Want wat erin staat, vinden we terug in 1 Kron. 16:23-33. Daar lezen we dat David dit lied aan Asaf en zijn broers toevertrouwde, om de Heere te danken op de dag dat de ark naar Sion werd opgebracht. Hier krijgt Davids psalm een nieuwe naam. Hij heet een nieuw lied (sir chadash), omdat er nu nieuwe barmhartigheid van God te bezingen viel. Die barmhartigheid was groter dan David ooit had ontvangen, zelfs toen hij de ark naar Sion bracht. De mensen die nu dit oude lied zongen, dat zo een nieuw lied was geworden, maakten zich één met David. En ze maakten hem één met zichzelf. — Chr. Wordsworth.

Gehele psalm

Onderwerp: Een oproep om te prijzen, met het oog op de wederkomst van Christus en Zijn glorierijke regering. Toepassing: kijk vooruit naar de heerlijke dag waarop de Heere komt, en besef dat die dag nadert. Zo kun je je erop voorbereiden. — A.R.C. Dallas.

Vers 1

“Zingt den HEERE een nieuw lied”, enz. “Een nieuw lied”, dat je nooit eerder hebt gehoord. Kom, alle volken van de wijde aarde, die tot op dit uur jullie aanbidding hebben geschonken aan dode goden, die geen goden waren. Kom, en geef jullie hart aan de ware, enige God in dit nieuwe lied! — Henry Cowles.

Vers 1

“Een nieuw lied.” Het moet “een nieuw gezang” zijn, een prachtig gezang dat met zorg is gemaakt. Ook een gezang voor nieuwe weldaden. Het moet passen bij mensen die opnieuw geboren zijn, bij wie de liefde de hebzucht heeft verdreven. En ten slotte gaat het niet om een gezang zoals dat van Mozes of Debora, of zoals de andere oude gezangen die je niet buiten het beloofde land kon zingen. Dat staat in Ps. 137:4: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Dit is een nieuw gezang dat je over de hele wereld kunt zingen. Daarom zegt hij erbij: “Zingt den HEERE, gij ganse aarde.” Niet alleen Judea dus, maar heel de wereld. — Bellarminus.

Vers 1

“Nieuw.” Dit woord gebruiken we voor wat heerlijk, exquis, kostbaar enzovoort is. — Martin Geier.

Vers 1

“Nieuw.” Mensen waarderen nieuwe dingen meestal het meest, en zeker als het om liederen gaat. Pindarus roemt immers oude wijn én nieuwe liederen. — Johannes Coccejus, 1603-1669.

Vers 1

“Een nieuw lied.” Onze oude liederen gingen over trots, gulzigheid en weelde, over hopen op winst en voorspoed, of over schade voor anderen. Ons “nieuwe lied” gaat over lof, eerbied, gehoorzaamheid en liefde voor God. Het hoort bij een “nieuw leven”, in de Geest Die levend maakt. Het hoort niet meer bij de letter die doodt, maar houdt het nieuwe gebod dat we elkaar liefhebben. Dat doen we niet met de beperkte vaderlandsliefde en het groepsgevoel van een klein volk of een kerk die alleen nationaal is, maar met een burgerschap dat de hele aarde omarmt. — Neale en Littledale.

Vers 1

“Zingt den HEERE.” Drie keer lezen we: “Zingt den HEERE”. Zo begrijpen we dat we voor Hem moeten zingen met ons verstand, onze tong en onze daden. Want dat alles hoort bij elkaar, en het leven moet kloppen met wat de mond zegt en het verstand denkt. Abt Absalom zegt: als wat je zegt niet botst met hoe je leeft, klinkt het zoet. — Le Blanc.

Vers 1

“Zingt den HEERE, gij ganse aarde.” Dit is een zendingslied voor elke tijd van de gemeente. Voor onze tijd wordt het steeds toepasselijker. De heidenen beginnen namelijk te reageren op de roep: “Zingt den HEERE een nieuw lied”. En de droevige toestand van de kerk bij ons thuis geeft reden om met hoop naar de heidense wereld te kijken. — E.W. Hengstenberg.

Vers 2

“Van dag tot dag.” Voortdurend, altijd. Dit is een gepast onderwerp voor lof zonder ophouden. Iedereen moet God elke dag prijzen, elke terugkerende morgen en elke avond. Want er is voor hem een weg van redding voorzien en hij kan voor altijd gelukkig zijn. Zouden onze gevoelens goed zijn, dan was dit elke morgen onze eerste gedachte. Het zou alles om ons heen verlichten, alsof de zon erop scheen. En het zou onze laatste gedachte zijn, die in de ziel blijft hangen als we ’s avonds gaan liggen en onze ogen sluiten om te slapen. Dan zouden we dankbaar, rustig en gelukkig wegzinken in de slaap. Want of we in deze wereld nu wakker worden of niet, we mogen voor altijd gelukkig zijn. — Albert Barnes.

Vers 2

“Van dag tot dag.” Ander nieuws doet ons alleen goed als we het voor het eerst horen. Het goede nieuws van onze verlossing blijft zoet, dag na dag. “Ac si eodem die redemptio fuisset operata”, zegt Kimchi hier: alsof het vandaag pas gebeurd was. “Tam recens mihi nunc Christus est”, zegt Luther, “ac si hac hora fudisset sanguinem”: voor mij is Christus nu zo vers alsof Hij Zijn bloed nog maar een uur geleden vergoten had. — John Trapp.

Vers 3

“Vertelt.” Het verwante woord betekent: boek. Het deelwoord wordt vaak vertaald met: schrijver. Ps. 45:2. Het werkwoord wordt vertaald met vertellen, tonen en verkondigen. Ps. 96:1-3 gebruikt meerdere werkwoorden. Dat bewijst dat we alle geschikte middelen moeten inzetten om de Zaligmaker bekend te maken. Een van die middelen is schrijven. — W.S. Plumer.

Vers 3

“Vertelt Zijn eer.” Wat een heerlijke Persoon is de Messias! Hij is de glans van de heerlijkheid van Zijn Vader en heeft alle volmaaktheden van de Godheid in Zich. Vertel hoe de heerlijkheid van God in Hem oplicht, en in alles wat Hij heeft gedaan. Vooral in het werk van de verlossing, waarin Gods wijsheid, macht, gerechtigheid, waarheid en trouw, Zijn liefde, genade en barmhartigheid rijk worden uitgestald. Vertel tot welke heerlijkheid Hij verheven is nu Hij Zijn werk volbracht heeft: hoog verhoogd, gezeten aan de rechterhand van God, gekroond met heerlijkheid en eer. Vertel welk een volheid van genade er in Hem is, genoeg voor de voorziening van Zijn hele volk. En vertel welke heerlijkheid op Hem rust, die zij tot in alle eeuwigheid zullen zien. — John Gill.

Vers 3

Zijn heerlijkheid straalt uit elke lichtstraal die ons bereikt van duizend sterren. Ze fonkelt op de bergtoppen die de eerste stralen van de opkomende zon weerkaatsen en de laatste van de ondergaande zon vasthouden. Ze breidt zich uit over de zee en spreekt in het gemurmel van haar rusteloze golven. Ze legt een gordel van licht om de aarde en gooit er een stralenkrans van schoonheid overheen. Christus draagt de kroon, houdt de scepter vast en krijgt van alles en iedereen eerbetoon aan Zijn heerschappij. Dat gebeurt in de vele soorten dieren, in de verhouding van onze wereld tot andere werelden, in de baan van planeten, in het ontluiken van bloemen, in vallend water en vliegende vogels.

Het gebeurt in de zee, de rivieren en de lucht, in hoogten en diepten, in wonderen en geheimen. Wij kunnen dat niet groter maken. We kunnen geen straaltje licht toevoegen aan het zwakke schijnsel van een verre ster. We kunnen een vleugelloos insect geen vleugels geven en een wit haar niet zwart maken. We kunnen openleggen, maar niet scheppen. We kunnen aanbidden, maar niet vergroten. We kunnen de voetsporen van God herkennen, maar er niets aan toevoegen. — John Cumming in “From Patmos to Paradise”, 1873.

Vers 3

“Vertelt onder de heidenen Zijn eer”, enz. Predikers van het evangelie hebben een opdracht gekregen. Ze moeten hun gemeenten niet alleen over Christus onderwijzen, maar er ook voor zorgen dat mensen die nooit van Hem hoorden, weten wie Hij is. Ze moeten weten wat Hij heeft gedaan en geleden, en welk goed er te halen is uit Zijn werk als Middelaar. Niets is zo glorierijk voor God, niets zo wonderlijk in zichzelf, als dat mensen worden gered door Christus. Je ziet God Zijn vijanden redden, door de menswording, het lijden en de gehoorzaamheid van Christus, Gods eeuwige Zoon: “Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.” — David Dickson.

Vers 3

“Vertelt onder de heidenen Zijn eer.” Zijn eer moet worden uitgeroepen. Niet de geleerdheid, het talent en de welsprekendheid van de spreker die zegt namens Hem te spreken. Zijn eer is het: de lieflijke schoonheid en aantrekkingskracht van Zijn evangelie, de rijke beloften voor zondaars die berouw hebben, de gelukzaligheid van de hemel. Dát moeten de hoofdthema’s van een toespraak zijn. Dus geen bedreigingen en geen dreigementen, geen preken over de hel of over kwelling, die mensen schrik aanjagen en hen hooguit maken tot bevende slaven van God, in plaats van liefhebbende vrienden van Hem.

De prediking is bestemd voor alle mensen. Ze hoort thuis in afgelegen dorpen op het platteland, onder ruwe en ongeletterde gemeenten, en moet niet beperkt blijven tot het beschaafde en kritische publiek van de hoofdstad, zoals modieuze predikers graag doen. — Hugo, aangehaald door Neale en Littledale.

Vers 3

“Zijn eer.” Eerst sprak hij over heil, nu over eer, en straks over wonderen. Dat heil verlost het menselijk geslacht van de eeuwige dood en van de verdoemenis. Het is vol glorie en vol wonderen, en daarom hoort er bewondering en lofprijzing bij. — Mollerus.

Vers 3

“Zijn wonderen.” Hoe wonderbaarlijk is Hij zelf: God, verschenen in het vlees! Hoe wonderlijk heeft Hij liefgehad, toen Hij mens werd, gehoorzaam was, leed en stierf! Wat een verbazingwekkende tekenen heeft Hij gedaan, en wat een wonderwerk heeft Hij volbracht: onze verlossing, waar mensen en engelen zich over verbazen. Vertel hoe Hij uit de dood opstond, naar de hemel ging, aan Gods rechterhand zit en voor Zijn volk pleit. Vertel hoe Hij Zijn Geest op wonderlijke wijze uitstort, hoe Zijn genade overwint en Zijn koninkrijk in de wereld groeit. Vertel ook welke wonderen Hij zal doen wanneer Hij voor de tweede maal verschijnt, als de doden worden opgewekt en iedereen wordt geoordeeld. — John Gill.

Vers 5

“Want al de goden der volken zijn afgoden.” Het zijn nietige dingen, nietsen, niets meer. Jesaja gebruikt in zijn latere profetieën graag dat woord voor afgoden. Kijk bijvoorbeeld naar Jes. 41:24, en leg er Lev. 19:4, 26:1, 1 Kor. 8:4-6 en 10:19 naast. Het Hebreeuwse woord wordt soms anders afgeleid, als verkleinwoord van (la) El, vergelijkbaar met “godjes” als uiting van minachting. Die afleiding is minder waarschijnlijk. — J.A. Alexander.

Vers 5

“De goden der volken zijn afgoden.” Hun Elohim zijn elilim. Zie 1 Kron. 16:26. Het woord elilim komt op twee plaatsen in de Psalmen voor: hier en in Ps. 97:7. Jesaja gebruikt het het meest. De eigenlijke betekenis is: niets. Zo zegt ook Paulus: “een afgod is niets.” (1 Kor. 8:4.) — Chr. Wordsworth.

Vers 5

“De HEERE heeft de hemelen gemaakt.” Ps. 96:5 verdient een aantekening: notandum, let op. Wat een eerbetoon is dat aan de sterrenkunde, dat de HEERE zo vaak wordt geëerd omdat Hij de hemelen maakte! Laten we de theologie van de natuur en de theologie van het geweten bij elkaar brengen. We mogen de kracht en glorie, die zo zichtbaar schijnen in de wonderen van de schepping, volledig erkennen. En dan hoort daar ook het geestelijke offer bij van heilige aanbidding en heilige dienst. — Thomas Chalmers.

O, toont zich zoveel schoonheid in elke ader van leven en natuur,
hoe schoon moet dan de Bron Zelf zijn,
de Eeuwig Stralende! — Esaias Tegnér, 1782-1847.

Vers 6

“In Zijn heiligdom.” Daar zijn drie verklaringen voor te geven. (1) Zijn ark, tabernakel of tempel, zoals veel schrijvers aannemen. Kimchi zegt, volgens Muis, dat vreugde of schoonheid in Zijn tempel een tegenstelling vormt met het voortdurende verdriet van de Filistijnen toen de ark in hun steden stond. Ze zagen Gods sterkte, maar Zijn schoonheid niet. (2) Anderen denken bij het heiligdom aan de gemeente van Christus. Munster merkt op dat ze met hemelse sieraden is versierd en dat de pracht van Salomo’s tempel haar voorbeeld was. In de gemeente zie je zonder twijfel het duidelijkst Gods geestelijke macht en schoonheid. (3) Het kan ook om de hemel gaan, waar Gods aanwezigheid in het bijzonder te zien is. — C.H.S.

Vers 7

“Gij geslachten der volken.” Een van de eerste uitleggers, Cassiodorus, merkt op dat in deze woorden “geslachten der volken” een bijzondere kracht ligt, veel sterker dan wanneer er alleen “volken” zou staan. In elk volk leven namelijk altijd vreemdelingen, buitenlanders en bijwoners, voor langere of kortere tijd, die niet tot de oorspronkelijke bewoners gerekend worden. Deze uitdrukking omvat ze allemaal. Zo wordt bepaald dat niemand vanwege zijn afkomst buitengesloten wordt. — Neale en Littledale.

Vers 7

“Gij geslachten der volken.” Hij roept hen op om per geslacht, dus per familie, te komen. Dat verwijst naar de Joodse gewoonte dat gezinnen op de feestdagen elk afzonderlijk naar Jeruzalem trokken om te aanbidden.

De Heilige Geest laat ons hier begrijpen dat die gewoonte een voorbeeld was voor christenen. Hun gezinnen horen samen naar de kerk te gaan om God eer en glorie te geven voor alle wonderen die Hij heeft gedaan toen Hij de mens verloste. Want we zijn niet door eigen vlijt of verdienste tot genade gekomen en kinderen van God geworden. Dat was Gods barmhartigheid, en daarom komt Hem alle eer en alle heerlijkheid toe. — Bellarminus.

Vers 8

“Geeft den HEERE de eer Zijns Naams.” Dat is een schuld, en een schuld moet, als het rechtvaardig toegaat, worden afbetaald. Zijn Naam eren betekent dat je erkent dat Hij heilig, rechtvaardig, waarachtig en machtig is: “de HEERE, de God”, “goed, barmhartig, lankmoedig” enz. Houd Zijn Naam ook niet het allerkleinste beetje eer voor. — Adam Clarke.

Vers 8

“Geeft den HEERE de eer Zijns Naams.” Komt Gods Naam alle eer toe? En hadden mensen die Hem in alle gerechtigheid moeten geven, sinds de dag dat er mensen zijn? Dan is de schuld die onze wereld heeft gemaakt onmetelijk groot, en we kreunen er nu onder! Sinds de mens afviel, is die schuld elke dag en elk uur verder gegroeid. Want alle mensen hadden elke dag en elk uur aan Jehova de eer van Zijn Naam moeten geven. Niemand heeft dat ooit volledig en volkomen gedaan. Een enorm groot deel van ons mensengeslacht heeft het zelfs nooit gedaan. De afstand tussen het eerbetoon dat de mensen aan God hadden moeten geven en wat ze werkelijk hebben gegeven, is precies de schuld waar het hier over gaat. Hoe groot en hoe onberekenbaar is die! — Edward Payson.

Vers 8

“Geeft den HEERE de eer Zijns Naams.” Niet elke eer is goed genoeg. Het moet eer zijn die past bij de God Die wij dienen en die specifiek Hem toekomt. De Schrift kent een vaste regel: wat we aan God geven, moet in verhouding staan tot wie God is. God is Geest, daarom wil Hij in geest en waarheid aanbeden worden. God is een God van vrede, daarom: heft reine handen op, zonder toorn en twijfel. God is heilig, daarom wil Hij geheiligd worden. Onder de heidenen brachten zij die de zon aanbaden een vliegend paard, omdat dat het best bij de snelle loop van de zon leek te passen.

Wie God dus wil verheerlijken en eren met de eer die Zijn Naam toekomt, moet Hem niet alleen eren, maar ook heiligen. Waarom? Omdat “God heerlijk is in heiligheid”, Ex. 15:11. Dat beschouwt God als Zijn grootste voortreffelijkheid, en dat is de heerlijkheid die Hij aan de mensenkinderen wil tonen. — Thomas Minton.

Vers 8

“Brengt offer.” Deze woorden komen uit de dienst in de tempel. Ze betekenen dat we God moeten aanbidden zoals Hij Zelf heeft voorgeschreven, als een passend teken van Zijn majesteit. Het woord dat hier met “offer” is vertaald, hxkm, minchah, duidt gewoonlijk een offer zonder bloed aan, een dankoffer. — Albert Barnes.

Vers 9

“In de heerlijkheid des heiligdoms”, of “in het sieraad der heiligheid”. Dat is een toespeling op de schitterende gewaden van aanbidders in het Oosten. — W. Wilson.

Vers 9

“De heerlijkheid der heiligheid.” Zal ik heiligheid een eigenschap noemen? Of is ze eerder het schitterende samenkomen van al Zijn eigenschappen tot één volmaakt geheel? Alles wat Hij is, komt voort uit het Absolute, en alles komt ook weer samen in heiligheid. Het ondraaglijk witte licht van het Absolute lijkt uiteen te vallen in alle kleuren van het prisma. Zo komen ze in de verblindend witte stralenglans van Zijn heiligheid ook weer bij elkaar en verenigen ze zich.

Daarom is heiligheid veeleer de intense witheid, de zuiverheid en helderheid, de oneindige gloed en pracht van Zijn volmaakte wezen. Het lijkt op een edelsteen zonder breuk, zonder vlek en zonder kleur. Al Zijn eigenschappen zijn heerlijk, maar in déze komen ze samen tot een nog heerlijker geheel. Daarom koppelt de Schrift heiligheid zo vaak aan Gods schoonheid. De dichter in de psalmist raakt buiten zichzelf van vervoering als hij nadenkt over “de heerlijkheid der heiligheid” en “de schoonheid des HEEREN”. Schoonheid ontstaat wanneer elementen samenkomen volgens de wetten van harmonie. Hoe mooier de onderdelen, en hoe volmaakter ze samenklinken, hoe groter de schoonheid.

Hoe hoog en heerlijk moet dan de schoonheid zijn van déze eigenschap, die de volmaakte samenvoeging is van al Zijn oneindige volmaaktheden! Nu zie je waarom deze eigenschap ons met ontzag vervult. In de ideale mens werken alle gaven en krachten, van geest, zedelijkheid en lichaam, in volmaakte harmonie samen. Ze maken zoete muziek, want Gods beeld is helder en zuiver in het hart van die mens. Maar helaas, wat staan wij ver van dat ideaal af! In de mens zoals hij werkelijk is, is de zuiverheid bevlekt. De schoonheid is beschadigd en de harmonie is omgeslagen in schurende wanklank, “als zoete klokken die uit de maat jangelen”.

Hoe dat is gekomen, gaan we nu niet na. We voelen allemaal zelf aan dat het zo is. Daarom maakt deze eigenschap ons zo bang en vol ontzag. Het is het ontzag van volstrekte zuiverheid tegenover onzuiverheid. Het is het ontzag van volmaakte schoonheid tegenover misvorming, en van eer tegenover oneer en schande. Eén woord vat het allemaal samen: het is het ontzag van heiligheid tegenover zondigheid. Hoe kunnen wij dan naderbij komen bij Hem, voor Wie engelen zich buigen en aartsengelen hun gezicht verhullen? Bij Hem, in Wiens ogen zelfs de witte glans van de hemel bevlekt is met onreinheid? — Joseph LeConte, in “Religion and Science”, 1874.

Vers 9

“De heerlijkheid des heiligdoms.” De godsdienst van het evangelie van Christus is “de heerlijkheid der heiligheid”: in zijn Auteur, zijn plan en zijn vruchten. Ten eerste in zijn Auteur. Alles wat wij ons bij schoonheid of heiligheid kunnen voorstellen, zien we terug in Gods eigenschappen. Dat geldt als we ze in hun onderlinge harmonie bekijken, maar ook als we er één afzonderlijk beschouwen… Ten tweede in zijn plan. Kijk naar het evangelie waar je maar wilt, en bekijk alles wat erover is geopenbaard: je ziet dat het helemaal “schoonheid” is. Een passender naam dan “de heerlijkheid der heiligheid” kunnen we het niet geven.

Ten derde in zijn vruchten. Er is een heilige afzondering, een mooie trek van heiligheid, een afzondering in karakter, gevoelens en gedrag. Dat zijn allemaal vruchten van de genade, en zo wordt de mens mooi in heiligheid. — Leigh Richmond, 1772-1827.

Vers 10

“Zegt onder de heidenen: de HEERE regeert.” In de oude Latijnse vertaling staat deze zin zo: “Zegt onder de heidenen dat de Heere regeert vanaf het hout.” Justinus Martyr verwijt de Joden dat zij de woorden “a ligno”, apo xulou, hebben weggekrabd. In het oorspronkelijke Hebreeuws en in de Septuaginta staan ze niet. Mevrouw Charles geeft het vers zo weer:

“De waarheid die David leerde zingen,
bereikt hier haar diepe vervulling;
vertel het aan heel de aarde: de Heere is Koning!
Zie, vanaf het hout regeert Hij als Koning!”

— Uit “Christ in Song. Hymns of Immanuel, with Notes by P. Schaff”, 1870.

Vers 10

“Zegt onder de heidenen: de HEERE regeert.” Een verlangen voelen is niet genoeg. We moeten “onder de heidenen” zeggen: “De HEERE regeert.” De Heere heeft ons opgedragen om “in de hele wereld te gaan en het evangelie te prediken aan alle schepselen”. We moeten hun vertellen wat Christus ons heeft geleerd, en hun eigenlijk gewoon zeggen: “De HEERE regeert.” … Als we naar de heidenen gaan en zeggen: “de Heere regeert”, wijzen we hun op allerlei dingen in de schepping. We wijzen op de sterren aan de hemel, op de schoonheid van de planten, op wat dag na dag gebeurt door Gods voorzienigheid, op het lichaam dat zo ontzagwekkend en wonderlijk gemaakt is, en dat steeds weer wordt onderhouden en verzorgd.

Onze tekst kunnen we gemakkelijk halen uit alles wat ons omringt, en dan zeggen: “De Heere regeert.” Maar we moeten daar niet stoppen. Het is goed om een juiste kijk te hebben op God als Schepper. Maar we kunnen Hem alleen “in de heerlijkheid der heiligheid” prijzen als we Hem zien als de God van de Verlossing. — Leigh Richmond.

Vers 10

“Zegt onder de heidenen: de HEERE regeert.” Dat moet de leus van de christen zijn, zoals het de leus van de Israëliet was. De vroegste prediking van onze Zaligmaker en van Zijn discipelen was de prediking van het evangelie van het koninkrijk. En juist omdat Hem alle macht was gegeven in de hemel en op de aarde, stuurde Jezus na Zijn opstanding uit de doden Zijn apostelen de wereld in om alle volken te gaan onderwijzen. Wat de apostelen daarna predikten, kwam, zoals algemeen wordt erkend, neer op het Koninkrijk van God. — J. F. Thrupp.

Vers 10

“Zegt onder de heidenen.” Ga, jullie die al proselieten van Hem zijn geworden, en maak overal, in alle landen, bekend dat Christus, de Heere, de Heerser van de wereld is, en dat Hij alleen haar gelukkig kan maken. Wie zich aan Zijn bestuur onderwerpt, laat Hij in vrede wonen. Zij worden niet meer zo gestoord door oorlogen en onrust als vroeger. Hij zal aan iedereen gelijk recht doen. Hij laat niet toe dat het goede onbeloond blijft, en ook niet dat het kwade zonder straf wegkomt. — Symon Patrick.

Vers 10

“Ook zal de wereld bevestigd”, enz. De natuurlijke wereld zal standhouden. Dat de wereld er staat en niet omvalt, is te danken aan Christus als Middelaar. De zonde heeft haar aan het wankelen gebracht en doet dat nog steeds. Maar Christus is de Verlosser, en Hij draagt alle dingen en bewaart de gang van de natuur. De mensenwereld zal standhouden en worden bewaard, totdat iedereen is binnengeroepen die bij de uitverkiezing van de genade hoort. Dat geldt ook al is het een schuldige en tartende wereld. Voor zover mensen de christelijke godsdienst aannemen, geeft die staten en koninkrijken een vaste grond en houdt ze de goede orde onder mensen in stand.

De gemeente in de wereld zal onwankelbaar vaststaan, want ze is gebouwd op een rots, en de poorten van de hel zullen haar nooit overweldigen. Ze is een “koninkrijk dat niet bewogen kan worden”. — Matthew Henry.

Vers 10

“Zij zal niet bewogen worden.” De geologie schrijft haar gegevens in de rotsen. Daaruit leren we hoe talrijk en hoe ingrijpend de omwentelingen van het oppervlak en de korst van de aarde in vroegere tijden zijn geweest. We leren hoe vaak en hoe lang het huidige droge land afwisselend boven en onder de oceaan heeft gelegen. We leren hoe vaak de aardkorst gebroken, gebogen en ontwricht is: nu omhooggestuwd, dan weer neergegooid, dan weer geplooid door druk van opzij. We leren hoe vaak gesmolten stof door haar lagen en door haar spleten naar boven is geperst. Kortom, we leren hoe elk deeltje van de bereikbare delen van de aarde volledig van gedaante is veranderd.

En vooral als we bedenken hoe sterk het bewijs is dat er onder de vaste korst oceanen van vloeibare stof bestaan, en dat waarschijnlijk het hele binnenste van de aarde in die toestand is, met genoeg uitzettingskracht om de aarde aan stukken te scheuren. Als we al deze feiten overzien, kunnen we niet anders dan voelen dat het aardoppervlak heel onveilig moet zijn en makkelijk kan veranderen.

Maar zo is het niet. Integendeel: de aarde is nu in een toestand van blijvende gelijkmatigheid en volledige veiligheid. Alleen zijn er die betrekkelijk kleine rampen die het gevolg zijn van aardbevingen, vulkanen en plaatselijke overstromingen. Zelfs het klimaat is in historische tijden niet algemeen veranderd. Baron Fourier heeft met diepgaand wiskundig onderzoek aangetoond dat dit zo is, ook al zijn de binnenste delen van de aarde gloeiend heet onder een korst van dertig of veertig mijl. De temperatuur aan het oppervlak wordt allang niet meer beïnvloed door de gesmolten kern. Ze is nu niet meer dan een zeventiende graad warmer dan ze zou zijn als het binnenste van ijs was. En honderdduizenden jaren zullen haar daardoor niet meer dan een zeventiende graad doen dalen.

Dan de angst dat de hele aardkorst kan doorbreken en in de gesmolten stof eronder kan vallen. Bedenk maar hoe stevig en sterk een massa harde rots van vijftig tot honderd mijl dik moet zijn, en je angst voor zo’n ramp zal waarschijnlijk verdwijnen. Zo’n gelijkmatig klimaat en zo’n bescherming tegen algemene ondergang zijn onmisbaar voor het welzijn en het bestaan van de dierlijke natuur. Maar er is oneindige wijsheid en goedheid voor nodig geweest om de machtige krachten van verandering en verwoesting, die in de aarde zitten, zo te regelen en tegen elkaar af te wegen. Ze houden elkaar nu in bedwang, en maken de wereld al zoveel duizenden jaren tot een rustige, onveranderde en veilige woonplaats. Die wijsheid moet zeker door oneindige goedheid zijn bestuurd. — Edward Hitchcock, in “The Religion of Geology”, 1851.

Vers 11

“Dat de hemelen zich verblijden.” De hele schepping, levend en levenloos, heeft gekreund onder het gewicht van de vloek. Zo zal ook de hele schepping meedelen in de grote bevrijding. — “The Speaker’s Commentary”, 1873.

Vers 11

“Dat de zee bruise.”

O koningin der elementen, geheimenis der wateren, zee die nooit slaapt!
Vurige redenaar met verheven lippen, wiens golven getuigen dat God bestaat!

— Robert Montgomery, 1807-1855.

Verzen 11-12

God neemt de heilige blijdschap en de lofzang graag aan van iedereen die het koninkrijk van Christus oprecht het beste toewenst, hoe klein diegene ook is. De zee kan niets anders dan bruisen. Hoe de bomen van het woud laten zien dat ze blij zijn, weet ik niet. Maar “Hij Die de harten doorzoekt, weet wat de zin des Geestes is”, en Hij begrijpt de taal van de zwaksten, ook als die maar stamelt. — Matthew Henry.

Verzen 11-13

In deze verzen zit schoonheid en kracht van een allesomvattende soort. Ze laten alles bijeenkomen onder de erkende heerschappij van de regerende Christus. Het hemelse en het aardse verheugen zich samen in de zegen van de Heere van de vrede, die men erkent. Heel de psalm is een lieflijke klank van profetie over het duizendjarig rijk. — Arthur Pridham.

Verzen 11-13

Geen jubel in de hele natuur is verheven genoeg om Psalm 96 te overtreffen, en die wordt dan ook vaak geroemd. De hele schepping, levend en levenloos, zingt daarin samen de lof van haar Maker. Hier lijkt de poëzie de hoogste toon van triomf en vreugde te kiezen en, als ik het zo kan zeggen, te baden in uitbundige blijdschap. — Robert Lowth.

Verzen 11-13

Sommigen denken bij de hemel aan engelen, bij de aarde aan mensen, bij de zee aan onrustige geesten, en bij bomen en velden aan de heidenen die zouden gaan geloven. We hoeven dat niet vreemd te vinden, want zulke persoonsverbeeldingen komen in de Schrift vaak voor. — Adam Clarke.

Vers 12

“Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is”, enz. Laat boeren, herders en iedereen die op het land woont opspringen van blijdschap. Laat ook houthakkers en boswachters juichen, als ze die gelukkige dag zien aanbreken. Op die dag worden alle afgoden die daar worden vereerd, omvergehaald, samen met hun heilige bosjes. — Symon Patrick.

Vers 12

“Verblijdt.” Het werkwoord wgr beschrijft een trillende beweging, zoals die van de voeten van een danser of van de lip van een zanger. — Samuel Horsley.

Vers 12

“De bomen des wouds.”

Zijn lof, o winden die uit de vier hoeken waait,
ademt zacht of luid; en wuift uw kruinen, dennen,
wuift mee met elke plant, ten teken van aanbidding! — John Milton.

Verzen 12-13

“Hij komt”, enz.

Het was op de vrolijke, vrolijke kerstavond
dat ik zuchtend langs de kerk ging, de sombere heide over.
“O, nooit zullen zonde, gebrek en wee deze aarde verlaten;
de klokken bespotten slechts het klagen rondom, zo blij klinken zij.
Hoe lang, o Heere, hoe lang nog voordat U wederkomt?”

“Nog altijd klagen in kelder, op zolder en op de sombere heide
de wezen, wenen de weduwen, zwoegen de armen tevergeefs,
tot de aarde ziek is van uitgestelde hoop, al klinken de kerstklokken blijde.”
Toen steeg een blij geschal op van de wilde vogels op het meer,
onder de sterren, over de sneeuw, als helder klokgelui.
En een stem in mij riep: “Luister! Kerstliederen, zelfs hier!
Al ben jij stom, de sterren en de sneeuw zingen bij hun werk.”

“Blinde! Ik leef, Ik heb lief, Ik regeer: en door alle volken heen
rolt nu al de donder van Mijn oordelen.
Doe jij je werk maar zoals die wilde vogels daar:
je zult het klagen niet minder horen, maar er ook engelen doorheen horen zingen.”

— Charles Kingsley, 1858.

Vers 13

“Want Hij komt, want Hij komt.” Dat God zou komen, was moeilijk te geloven. Daarom verklaart de profeet het twee keer: Hij komt, en wel als Rechter en Koning, als Heerser over allen. — Martinus Bucerus in “Expos. Ecclesiast.”

Vers 13

“Hij komt.” Er staat niet awby, “Hij zal komen”, maar jpvl ab, “Hij komt”. Zo toont de tekst hoe dichtbij de tijd is. De dag breekt bijna aan en de rechtbank is klaar om zitting te houden: “De Rechter staat voor de deur”, Jak. 5:9. — Thomas Watson.

Vers 13

“Te richten.” Vatablus merkt op dat hier “richten” gebruikt wordt in plaats van “regeren”: judicare pro regere. In de beginperiode van het Heilige Land hadden rechters namelijk zowel de macht van koningen als die van magistraten. De Heere komt om voor alle volken een wijzere rechter te zijn dan Samuël, een grotere kampioen dan Simson en een sterkere redder dan Gideon. — C.H.S.

Vers 13

“Hij komt om de aarde te richten.” Dat wil zeggen: om de aarde in orde te brengen en haar Gideon en Simson te zijn, haar heerser. Hij komt om alles waar te maken wat het boek Richteren zegt over het werk van een rechter. Zoals Hengstenberg schrijft, gaat het om “een genadig richten”. Het is niet slechts een tijd van zaken afhandelen of vonnissen uitspreken. Het is een jubeljaar. Onze wereld heeft nog nooit zo’n gelukkige dag gekend. Wie verlangt daar niet naar? Wie bidt daar niet om? Het is de dag van de glorie van de Rechter, en tegelijk de dag van de bevrijding van onze wereld.

Dan wordt “het oordeel dezer wereld” (Joh. 12:31, 16:11) voltooid, dat Zijn kruis is begonnen en vastgelegd. Satans heerschappij wordt dan volledig neergeslagen en de vloek verdwijnt. Dit alles wordt hier vooruitgezien, en daarom geven wij deze psalm de titel: De eer die toekomt aan Hem Die komt om de aarde te richten. — Andrew A. Bonar.

Vers 13

“Hij komt om de aarde te richten”, enz. In dit nieuwe lied pakken ze de woorden van Henoch op, de zevende na Adam (Judas 1:14), die predikte dat de Heere zou komen om de wereld te oordelen. — Chr. Wordsworth.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1

Wat nieuw is aan de genade.

  1. Een nieuw heil.
  2. Het schept een nieuw hart.
  3. Het geeft een nieuw lied in.
  4. Het brengt nieuwe getuigenissen,
  5. en die maken nieuwe bekeerlingen.

Verzen 1-3

  1. Het doel waar we naar verlangen: de aarde zien zingen voor de HEERE en Zijn Naam zien zegenen.
  2. De middelen die genoemd worden: Zijn heil van dag tot dag laten zien, Zijn eer vertellen enz.
  3. Het staat vast dat het gebeurt. De Heere heeft het gezegd. “O zingt”, enz. Wanneer Hij beveelt, hoort de aarde te gehoorzamen. — G.R.

Verzen 1-3

Hoe de ijver groeit.

  1. De bron van een verlangen dat zich uitbreidt, Ps. 96:1.
  2. Het beekje van dagelijkse, praktische inzet, Ps. 96:2.
  3. De brede rivier van de zending naar andere landen, Ps. 96:3. — C.D.

Verzen 1-9

We moeten God eer bewijzen.

  1. Met gezang, Ps. 96:1-2.
  2. Met predikingen, Ps. 96:3.
  3. Met diensten voor God, Ps. 96:7-9.

— Matthew Henry.

Vers 3 (eerste zinsdeel)

  1. Vertel de heidenen hoe glorierijk Gods volmaaktheden zijn, zodat ze Hem erkennen als de ware God.
  2. Vertel hoe glorierijk Zijn heil is, zodat ze Hem aannemen als hun enige Verlosser.
  3. Vertel hoe glorierijk Zijn voorzienigheid is, zodat ze op Hem vertrouwen als hun trouwe beschermer.
  4. Vertel hoe glorierijk Zijn woord is, zodat ze het hoger waarderen dan al hun andere bezit.
  5. Vertel hoe glorierijk het is om Hem te dienen, zodat ze die dienst kiezen als hun edelste werk.
  6. Vertel hoe glorierijk Zijn woonplaats is, zodat ze die zoeken als hun beste thuis. — William Jackson.

Vers 3

  1. Wat het evangelie is: “Gods eer” en “Zijn wonderen”.
  2. Wat we ermee moeten doen: het verkondigen.
  3. Wie het moeten horen: “onder de heidenen”, alle volken.

Vers 3 (laatste zinsdeel)

“Onder alle volken Zijn wonderen.”

  1. De wonderen van Zijn Wezen, om ontzag in hen te wekken.
  2. De wonderen van Zijn schepping, om hen met verbazing te vervullen.
  3. De wonderen van Zijn oordelen, om hen door vrees in toom te houden.
  4. De wonderen van Zijn genade, om hen met liefde aan te trekken. — W. Jackson.

Verzen 4-6

Een preek over zending.

  1. Zet Jehova uit de Bijbel naast goden die mensen bedacht hebben.
  2. Kies tussen de aanbidding van God en afgoderij.
  3. Een oproep om je in te spannen voor mensen die afgoden dienen. — C.D.

Vers 6

“Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht.”

  1. Ze stralen van Hem uit.
  2. Ze worden aan Hem toegeschreven als Zijn voortreffelijkheden.
  3. Ze kenmerken alles wat Hij doet.
  4. Ze zijn het merkteken van allen die vlak bij Hem wonen. — W. Jackson.

Vers 6 (laatste zinsdeel)

Wat zien we in Gods heiligdom? Sterkte en heerlijkheid. En wat kunnen we daar krijgen? Dat staat in Ps. 90:17: sterkte en schoonheid. — C.D.

Vers 8

Jehova heeft een natuur en een karakter die alleen bij Hem horen. Hij vervult allerlei ambten en staat in allerlei betrekkingen tot ons. Ook heeft Hij veel werken gedaan die alleen Hij kon doen. Om al die redenen zijn Zijn schepselen Hem iets verschuldigd. Als we Hem liefhebben en Hem dienen zoals Zijn natuur, karakter, ambten en werken verdienen, dan geven we Hem de eer die Zijn Naam toekomt.

  1. Laten we onderzoeken wat Jehova toekomt vanwege Zijn natuur.
  2. Laten we nagaan wat Jehova toekomt vanwege het karakter dat Hij heeft.
  3. Laten we bekijken wat God toekomt vanwege de betrekkingen en ambten die Hij vervult, namelijk die van Schepper en Onderhouder.
  4. Wat Jehova toekomt vanwege de werken die Hij heeft gedaan in de natuur, in de voorzienigheid en in de verlossing. — E. Payson.

Vers 8

Wie of wat we aanbidden. Hoe we aanbidden. Wat er bij aanbidding hoort (een offerande). Waar we aanbidden. — C.D.

Vers 9 (eerste zinsdeel)

Ware en valse aanbidding onder de loep.

  1. Valse aanbidding: in het duister van onwetendheid, in de dofheid van louter vorm, in het stuitende van de zonde die we blijven toelaten, in de afschuwelijkheid van huichelarij.
  2. Ware aanbidding: “in de heerlijkheid der heiligheid”. — C.D.

Vers 9

Heilige vrees is onmisbaar in een ware godsdienst.

Verzen 10-13

Het bewind van de gerechtigheid.

  1. De aankondiging van een rechtvaardige Koning en Rechter.
  2. Het blije onthaal dat voor Hem klaarstaat.
  3. Zijn heerlijke komst. — C.D.

Verzen 11-12

De natuur leeft mee met het werk van de genade. Let vooral op hoe dat volledig tot uiting komt in het duizendjarig rijk.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas