
Om deze korte maar lieflijke psalm makkelijker te onthouden, geven we haar een naam: “HET LIED VAN DE STANDVASTIGEN.”
INDELING Van vers 1 tot en met 3 beschrijft David de verleiding waaraan hij blootstond. Van vers 4 tot en met 7 noemt hij de redenen die zijn moed overeind hielden.
UITLEG Vers 1. In deze verzen lezen we over een verleiding om God te wantrouwen. David werd daar op een niet genoemd moment zwaar mee op de proef gesteld. Misschien kreeg hij in zijn tijd aan het hof van Saul het advies om te vluchten, terwijl die vlucht hem later zou worden verweten: als plichtsverzuim tegenover de koning of als bewijs dat hij een lafaard was. Zijn situatie lijkt op die van Nehemia. Diens vijanden hielden zich voor als vrienden en hoopten hem in de val te lokken door hem te adviseren voor zijn leven te vluchten. Had hij dat gedaan, dan hadden ze hem kunnen aanklagen. Nehemia antwoordde dapper: “Zou een man, als ik, vlieden?” David weigert zich op dezelfde manier terug te trekken. Hij roept: “Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Vlucht als een vogel naar uw berg?”
Als de satan ons niet kan laten vallen door overmoed, wat zal hij dan sluw proberen ons kapot te maken met wantrouwen! Hij zet onze dierbaarste vrienden in om ons ons vertrouwen uit te praten. Zijn redeneringen klinken bovendien zó redelijk dat hij ons verandert in dat schichtige vogeltje dat bij het eerste gevaar naar de berg vliegt. Dat gebeurt tenzij we één keer voor altijd uitspreken dat ons vertrouwen op Jehovah onwankelbaar is.
Vers 2. Wat wordt de zaak hier krachtig voorgesteld, wat een dringend appèl! De boog staat gespannen en de pijl ligt al op de pees: “Vlucht, vlucht, weerloze vogel, je redding ligt in de vlucht! Ga weg, want je vijanden richten hun pijlen op je hart. Snel, snel, want zo meteen ben je verloren!”
David voelde de kracht van dit advies, want het drong tot in zijn ziel door. Toch gaf hij niet toe. Hij ging liever het gevaar tegemoet dan dat hij liet zien dat hij zijn God, de Heere, wantrouwde. De gevaren om hem heen waren ongetwijfeld groot en dichtbij. Het was echt waar: zijn vijanden stonden klaar om hem heimelijk, vanuit het donker, neer te schieten.
Vers 3. Het was evenzeer waar dat de fundamenten van wet en recht onder het onrechtvaardige bewind van Saul waren weggeslagen. Maar wat betekende dat voor een man die alleen op God vertrouwde? Hij kon de gevaren aan, hij kon zijn vijanden ontlopen en hij kon het onrecht dat hem van alle kanten omringde recht in de ogen kijken. Op de vraag “Wat kan de rechtvaardige doen?” zou hij met een wedervraag antwoorden: “Wat kunnen zij níet doen?” Als het gebed God aan onze kant brengt en het geloof de vervulling van de belofte vasthoudt, wat is dan nog een reden om te vluchten, hoe wreed en machtig onze vijanden ook zijn? Met een slinger en een steen velde David een reus, terwijl het héle leger van Israël van angst beefde. De Heere had hem van die onbesneden Filistijn gered. Dan kon Hij hem zeker ook redden van koning Saul en zijn trawanten.
Het woord “onmogelijk” komt in de taal van het geloof gewoon niet voor. Geloof is strijdbaar: het weet hoe je vecht en overwint, maar hoe je moet vluchten, heeft het nooit geleerd.
Vers 4. Hier vertelt David waar zijn onwrikbare moed vandaan komt. Zijn licht komt uit de hemel, van de grote zon in het middelpunt, God Zelf. De God van de gelovige is nooit ver bij hem vandaan, nooit. Hij is niet alleen de God van de veilige bergvesting. Hij is ook de God van de gevaarlijke dalen en de open slagvelden.
“Jehova is in het paleis Zijner heiligheid.” Waar we ook zijn op aarde, overal welven de hemelen zich boven ons hoofd. Zo is de Heere ons ook altijd nabij, in elke toestand en onder alle omstandigheden waarin we kunnen verkeren. Dat is voor ons een heel sterke reden om de gemene ingevingen van wantrouwen niet over te nemen. Eén is er die in de tempel boven voor ons pleit met Zijn kostbare bloed. Eén zit er op de troon die nooit doof is voor het pleidooi van Zijn Zoon. Waarom zouden we dan bang zijn? Welke plannen mensen ook smeden, Jezus komt erachter en doorziet ze. De satan heeft ongetwijfeld verlangd ons te ziften als de tarwe, maar Jezus is in de tempel en bidt voor ons. Hoe kan ons geloof dan bezwijken? Welke aanslagen de goddelozen ook beramen, Jehovah ziet ze. En nu Hij in Zijn heilige tempel is en Zich verheugt in het offer van Zijn Zoon: zal Hij dan niet elk plan laten mislukken en ons zeker redding sturen?
“Jehovah’s troon is in de hemel”: Hij regeert met alle macht. In de hemel, op aarde en in de hel gebeurt niets wat Hij niet bepaalt en bestuurt. Hij is de grote Keizer van de wereld. Waarom zouden we dan vluchten? Als we op deze Koning der koningen vertrouwen, is dat dan niet genoeg? Kan Hij ons niet redden zonder dat wij als lafaards de aftocht blazen? Jazeker! Gezegend zij de Heere, onze God! We mogen Hem begroeten als Jehovah-nissi. In Zijn naam steken we onze vaandels omhoog, en in plaats van te vluchten laten we opnieuw de strijdkreet horen.
“Zijn ogen aanschouwen.” De eeuwige Wachter sluimert nooit; Zijn ogen kennen geen slaap. “Zijn oogleden proeven de mensenkinderen”: Hij onderzoekt nauwkeurig wat zij doen, wat zij zeggen en wat zij denken. Wie een heel klein voorwerp aandachtig bekijkt, knijpt zijn oogleden bijna dicht om al het andere buiten beeld te laten. Zo bekijkt de Heere alle mensen door en door. God ziet elk mens zó goed en zó volmaakt alsof er in het hele heelal geen ander schepsel bestond. Hij ziet ons altijd. Hij haalt Zijn oog nooit van ons af. Hij ziet ons helemaal door en leest de diepste hoekjes van onze ziel net zo gemakkelijk als de blik in onze ogen.
Is dit geen ruim voldoende grond voor vertrouwen? Is het geen overvloedig antwoord op alles wat moedeloosheid ons influistert? Mijn gevaar is voor Hem niet verborgen. Hij kent mijn grootste nood, en ik mag er zeker van zijn dat Hij mij niet laat omkomen, zolang ik maar alleen op Hem vertrouw. Waarom zou ik dan als een schichtig vogeltje wegvliegen voor de gevaren om mij heen?
Vers 5. “De HEERE proeft den rechtvaardige”: Hij haat hen niet; Hij stelt hen alleen op de proef. Ze zijn Hem dierbaar, en daarom zuivert Hij hen door verdrukking. Geen enkel kind van de Heere mag hopen aan beproeving te ontkomen. Als we helder nadenken, willen we dat ook niet, want beproeving is het kanaal waardoor veel zegen tot ons komt.
‘t Is mijn geluk op dezen aarde,
Niet dat geen kruis mij ooit bezwaarde;
Maar dat ik ‘s Heilands macht mag smaken,
Die door verlies mij rein wil maken.
Beproeving maakt beloften zoet,
En wekt de bede in ’t gemoed;
Zij werpt mij smekend aan Zijn voet —
O Heere, houd mij daar voorgoed!
Werd mij de smeltkroes hier bespaard,
Geen tuchtroede op deze aard’,
Dan zou ik toch met reden beven,
Om als verworpene te leven.
De bastaard mag de roede ontlopen,
Om ijdele wereldlust te kopen;
Maar ’t kind des Heeren kóós geen vlucht,
Al kón het wijken voor de tucht!
— William Cowper.
Is dit niet een zeer dwingende reden om een beproeving niet uit wantrouwen te willen ontlopen? Want wie dat doet, probeert in feite een zegen uit de weg te gaan.
Vers 6. “Maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.” Waarom zou ik dan voor die goddeloze mensen wegrennen, voor mensen die van geweld houden? Als God hen haat, hoef ik hen niet te vrezen. Haman was machtig in het paleis, tot hij de gunst van de koning verloor. Maar toen de koning een afkeer van hem kreeg, wat durfden zelfs de laagste bedienden ineens veel! Zij stelden de galg voor, voor de man voor wie ze zo vaak hadden staan trillen. Zie het zwarte merkteken op het gezicht van onze vervolgers, en we nemen niet voor hen de benen. Als God net als wij in de strijd staat, is het dwaas om aan de afloop te twijfelen of het gevecht uit de weg te gaan.
Sodom en Gomorra gingen ten onder door vurige hagel en een regen van zwavel uit de hemel. Zo zullen alle goddelozen vergaan. Ze mogen zich verzamelen als Gog en Magog om te strijden, maar de Heere laat op hen regenen “een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel”: Ezechiël 38:22. Sommige uitleggers denken dat het Hebreeuwse woord voor “een geweldige stormwind” verwijst naar de brandende, verstikkende wind die over de Arabische woestijnen waait. Die wind heet de Simoen. Lowth noemt het “een brandende storm”, en een andere zeer gezaghebbende uitlegger vertaalt “toornwind”. In beide vertalingen klinkt er verschrikking door.
Wat een storm zal dat zijn, die de mensen die God verachten overweldigt en wegvaagt! Wat een regen zal dat zijn, die zich voor eeuwig uitstort over de weerloze hoofden van zondaars die zich niet bekeren, in de hel! Bekeer u, rebellen, anders sluit deze vurige zondvloed u weldra in. De verschrikkingen van de hel worden uw erfdeel, uw onvervreemdbaar bezit, “het deel van uw beker”. U zult de droesem van die beker moeten leegzuigen en eeuwig drinken. Eén druppel uit de hel is al vreselijk, maar wat moet een volle beker vol foltering zijn! Bedenk het: een beker vol ellende, en geen druppel barmhartigheid!
O volk van God, wat is het dwaas om bang te zijn voor de gezichten van mensen die weldra als takkenbossen in het vuur van de hel zullen branden! Denk aan hun einde, hun vreselijke einde. Dan moet al onze angst voor hen omslaan in minachting voor hun dreigementen en in medelijden met hun ellendige toestand.
Vers 7. De prachtige tegenstelling met het vorige vers verdient onze volle aandacht. Ze geeft ons opnieuw een overweldigende reden, een nieuwe grond, om standvastig en onbeweeglijk te blijven. We laten ons niet meeslepen door angst en grijpen niet naar vleselijke middelen om aan beproeving te ontsnappen. “Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief.” Het is niet alleen Zijn ambt om gerechtigheid te verdedigen, het is Zijn aard om haar lief te hebben. Hij zou Zichzelf verloochenen als Hij de rechtvaardigen niet beschermde. Het hoort wezenlijk bij God-zijn dat Hij rechtvaardig is: zonder rechtvaardigheid zou Hij God niet zijn. Wees dus niet bang voor het einde van al je beproevingen, maar “wees rechtvaardig en vrees niet”.
God keurt goed, en als mensen zich verzetten, wat geeft dat dan? “Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.” We hoeven nooit van ons stuk te raken, want God toont ons Zijn gezicht. Hij let op de oprechten, Hij keurt hen goed en Hij vindt vreugde in hen. Hij ziet in hen Zijn eigen beeld, door Hemzelf gevormd, en daarom kijkt Hij met welgevallen naar hen.
Zullen we het wagen onze hand uit te steken naar onrecht om aan nood te ontkomen? Laat die zijwegen en sluiproutes maar liggen, want ze leiden nergens heen! Laten we liever op het mooie pad van het recht blijven, waar Jehovah’s glimlach ons de weg verlicht. Word je verleid om je licht onder de korenmaat te zetten en je geloof voor je buren te verstoppen? Fluistert iemand je in dat er manieren zijn om het kruis te ontlopen en de smaad van Christus te ontwijken? Laten we niet luisteren naar de stem van de bezweerder. Laten we liever om meer geloof vragen. Dan kunnen we strijden tegen overheden en machten, en den Heere volgen, helemaal uitgaande buiten de legerplaats, Zijn smaad dragende.
Mammon, het vlees en de duivel: ze zullen ons allemaal in het oor fluisteren: “Vlucht als een vogel naar uw berg.” Maar laten we naar voren stappen en hen allemaal trotseren! “Wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.” Er is geen ruimte en geen reden om terug te trekken. Nergens. Vooruit! Laat de voorhoede doorstoten! Naar voren, alle krachten en hartstochten van onze ziel! Vooruit, vooruit, in Gods naam, vooruit! Want “de HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek”.
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN Gehele psalm. Amyraldus geeft de meest waarschijnlijke verklaring voor het ontstaan van deze psalm. Hij denkt dat David haar schreef aan het hof van Saul, toen de vijandigheid van de koning zich begon te tonen maar nog niet was uitgemond in openlijke vervolging. Davids vrienden, of mensen die zich als vrienden voordeden, raadden hem aan een tijdje naar zijn geboortebergen te vluchten en zich daar terug te trekken, tot de koning vriendelijker zou zijn. David neemt dat advies op dat moment niet aan, al lijkt hij het later wel te hebben opgevolgd. Deze psalm gaat over het stevig vestigen van de kerk, tegenover de lasteringen van de wereld en de toegeeflijke raad van mensen. Dat gebeurt in het vertrouwen dat we op God moeten stellen, den Rechter van allen.
— W. Wilson, D.D., bij dit vers, 1860.
Gehele psalm. Als ik een bescheiden gissing mag wagen: het is goed mogelijk dat deze psalm is gedicht naar aanleiding van de trieste moord op de priesters door Saul (1 Samuël 22:19). Na de slachting van Abimelech, den hogepriester, doodde Doëg, de Edomiet, op bevel van Saul “op dienzelfden dag vijf en tachtig mannen, die den lijnen efod droegen”. Zo vleselijk ben ik niet dat ik de geestelijke kerk der Joden zou bouwen op de stenen muren van de priesterstad Nob (die Doëg toen met de scherpte des zwaards sloeg). Maar dit is wel volkomen waar: “kennis moet het volk bewaren”, en (Maleachi 2:7): “De lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren”. Dan is het niet moeilijk om te bedenken wat voor aardbeving deze slachting in de fundamenten van de godsdienst kan hebben veroorzaakt.
— Thomas Fuller.
Gehele psalm. Let op hoe opvallend de hele psalm lijkt op de redding van Lot uit Sodom. Dit vers klinkt als de waarschuwing van de engel: “Behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt”, en als het antwoord van Lot: “Ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!” Genesis 19:17-19. Verder lijkt “Des HEEREN zetel is in de hemel, en over de goddelozen zal Hij strikken, vuur, zwavel, storm en onweer regenen” op: “Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel”. En nog eens: “Zijn aangezicht aanschouwt het rechtvaardige” hoort bij: “Hij heeft den rechtvaardigen Lot verlost… want deze rechtvaardige man heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken.” 2 Petrus 2:7, 8.
— Cassiodorus (A.D. 560), in John Mason Neale’s “Commentary on the Psalms, from Primitive and Mediaeval Writers”, 1860.
Gehele psalm. Van de soldaten bij het meer van Trasimeno wordt verteld dat ze zó helemaal in de strijd opgingen dat geen van beide legers de schokken van de natuur merkte, waardoor de grond onder hun voeten beefde —
““Een aardschok trok haast achteloos en wankelend voorbij,
Geheel onopgemerkt voor heel de blinde mensenrij;
En niemand voelde hoe de strenge, machtige natuur,
Zich onder eigen voeten wiegde in dat stille uur.”
Met een edeler reden geldt dat voor de soldaten van het Lam. Zij geloven, en daarom haasten ze zich niet. We kunnen zelfs bijna zeggen dat zij de schokken van de aarde niet voelen zoals andere mensen, omdat hun brandende hoop vooruitgrijpt naar de uitkomst bij de wederkomst van den Heere.
— Andrew A. Bonar.
Vers 1. “Ik betrouw op den HEERE: hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerf henen naar uw gebergte als een vogel?” (anderen: “O gij vogel.”) Met zulke woorden bespotten en beschimpten Saul en zijn aanhangers David. Ze dachten dat hij geen andere uitweg of schuilplaats kende dan zwerven en zich verstoppen in de bergen, huppelend van de ene plek naar de andere als een onnozel vogeltje. Toch meenden ze hem daar wel te kunnen strikken en vangen. Dat God Davids troost, rust en toevlucht was, daar dachten ze helemaal niet aan.
— Theodore Haak’s “Translation of the Dutch Annotations, as ordered by the Synod of Dort, in 1618”. Londen, 1657.
Vers 1. “Bij Jehova heb ik schuilplaats genomen; hoe zegt gij tot mijn ziel: Vliegt, mussen, naar uw heuvel?” “Uw heuvel”: die heuvel waarvan jullie zeggen dat jullie hulp daarvandaan komt. Dit is spot! Ga dan maar naar die luid geroemde heuvel. Hij kan jullie inderdaad geven wat hij ook de mus geeft: beschutting tegen de gure lucht van een stormachtige hemel, maar geen verdediging tegen onze macht.
— Samuel Horsley, bij dit vers.
Vers 1. “Ik betrouw op den HEERE: hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Vlucht als een vogel naar uw berg?” Hoe de heiligen in het uur van zware beproeving op God vertrouwen, laat de volgende ballade mooi zien. Anne Askew werd in 1546 te Smithfield verbrand. Zij dichtte en zong haar toen ze in Newgate gevangenzat —
Gelijk een ridder, zwaar bewapend voor de strijd,
Die door de wapenroep zich aan de veldtocht wijdt,
Zo zal ik met de wereld strijden op dit veld,
Omdat mijn Heere Christus Zich als schild hier stelt.
’t Geloof is mij een wapen, machtig in de nood,
Dat nimmer falen zal, zelfs niet tot in de dood.
Waar al mijn vijanden mij woedend gadeslaan,
Zal ik met deze wapenrusting verdergaan.
Bekleed met Christus’ kracht en met Zijn majesteit,
Trek ik met dit geloof ten strijde, vol beleid.
Het zal ten slotte zegevieren, vast en stee,
Al schreeuwen alle helse machten luidkeels ‘nee!’
Het was geloof waardoor de vaders in hun tijd,
Ontvingen van de Heere de gerechtigheid.
Dit maakt mijn hart stoutmoedig, dapper en bereid,
Zodat ik nimmer vrees voor aardse tegenheid.
Ik mag mij nu verblijden diep in mijn gemoed,
Omdat de vaste hoop mij daartoe dringen moet.
Want Christus neemt mijn zaak nu in Zijn handen aan,
En zal het bittere wee verlichtend van mij slaan.
U zegt, o Heere: wie daar klopt in zijn gebrek,
Naar hem luister Ik in Mijn heilige vertrek.
Ontgrendel dan het slot, verhoor mijn zachte klacht,
En zend mij uit de hemel Uw volmaakte macht.
Ik tel meer vijanden rondom mij in de strijd,
Dan haren op mijn hoofd in deze barre tijd.
Laat hen mij niet verderven in hun wrede waan,
Maar wil, o God, voor mij in het strijdperk staan.
Op U werp ik mijn zorg, mijn angst en al mijn spijt,
Ondanks hun wrede toorn en ongetemde nijd.
Ik acht hun felle haast niet, noch hun razernij,
Want U, o Heere, bent de vreugdebron in mij!
Ik ben niet zij die angstig ’t zware anker laat,
Voor elke motregen die langs de schepen gaat.
Mijn schip is degelijk, het steunt op vastigheden,
En splijt de woeste baren van de zee beneden.
Ik grijp niet vaak de pen, in proza noch in rijm,
Om hier op aarde reeds een dichterlijk geheim
Te tonen, maar ik wil u één gezicht verklaren,
Dat ik mocht zien in al mijn aardse pelgrimsjaren.
Ik zag een grote troon, in koninklijke staat,
Waar de gerechtigheid haar vonnis achterlaat.
Maar in haar plaats zat daar, bekleed met valse waan,
Een wrede tiran met een gemelijk bestaan.
Verzwolgen en verdronken was het ware recht,
Als door een woeste vloed in één groot zeegevecht.
De satan zoog zich, in een moordende overvloed,
Genadeloos vol aan rein en onschuldig bloed.
Toen dacht ik: Heere Jezus, als het laatste licht
Ons allen roepen zal voor Uw heilig gericht,
Dan is het haast niet voor te stellen en te melden,
Wat er zal vallen op het hoofd van deze helden.
Maar toch, o Heere, bid ik U met heel mijn hart:
Vergeef wat zij mij aandoen aan verdriet en smart.
Laat hen het bittere loon niet proeven in de tijd,
Noch in de dood, van al hun ongerechtigheid.”
Vers 1. “Hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Vlucht als een vogel naar uw berg?” Het valt op hoe graag David dit beeld gebruikt. Steeds weer vergelijkt hij zichzelf met een vogel, en dan nog met allerlei soorten. Eerst met een arend (Psalm 103:5): “Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Dan met een uil (Psalm 102:7): “Ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.” Dan met een pelikaan, in hetzelfde vers: “Als een roerdomp der woestijn.” Dan met een mus (Psalm 102:8): “Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.” En ook met een veldhoen: “Gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.” Met een duif vergelijkt hij zichzelf nergens, maar hij zou het graag willen (Psalm 55:7): “Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.”
Nu zal iemand vragen: hoe kunnen vogels van zó verschillende pluimage allemaal samenkomen in het karakter van één man, David? Ons antwoord is dat geen twee mensen zo sterk van elkaar verschillen als dezelfde dienaar van God op verschillende momenten van zichzelf verschilt. In voorspoed, wanneer hij het bevel voerde, was David als een arend. In tegenspoed, wanneer men op hem neerkeek, was hij als een uil. In zijn godsvrucht, wanneer hij zich terugtrok, was hij als een pelikaan. En in zijn eenzaamheid, wanneer hij (door Saul) geen gezelschap had, was hij als een veldhoen.
Dit algemene beeld van een vogel, dat David zo vaak op zichzelf toepaste, gebruikten zijn vijanden in het eerste vers van deze psalm tegen hem, zonder te zeggen om welke soort het ging: “Vlucht als een vogel naar uw berg.” Dat wil zeggen: ga snel naar je God, bij Wie je hoopt op hulp en veiligheid.
Die raad was op zichzelf goed, en op dat moment ook. Waarom is David er dan zo boos en gekwetst over? Zijn woorden: “Waarom zegt gij tot mijn ziel: Vlucht als een vogel naar uw berg?” klinken niet bepaald kalm. Je hoort er in elk geval een afkeer van dit advies in. Het antwoord is: David nam de raad zelf niet kwalijk, maar de manier waarop hij werd gegeven. Zijn vijanden zeiden het ironisch, spottend en met een hoongelach, alsof zijn vlucht daarheen toch zinloos zou zijn en hij daar de veiligheid die hij zocht waarschijnlijk niet zou vinden. Toch maakte dit de raad voor David niet minder aanvaardbaar. Hij begon deze psalm juist met dit vaste besluit: “Ik betrouw op den HEERE: hoe zegt gijlieden dan tot mijn ziel”, enzovoort.
Laten we hier iets van leren. Als mensen ons op spottende toon een goede raad geven, moeten we die raad toch aannemen en opvolgen. Dan laten we hun de spot, en zij moeten er later zelf voor boeten. Een lichamelijk hartversterkend middel kan immers vergiftigd raken doordat het in vergiftigd papier zit. Met goede geestelijke raad is het niet zo: de goede zaak raakt niet besmet door de slechte manier waarop ze wordt aangeboden. Denk aan de overpriesters die onze Zaligmaker bespotten (Mattheüs 27:43): “Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil.” Christus vertrouwde daarom geen zier minder op God, ondanks de hoon en het gespot waarmee hun goddeloosheid Hem overlaadde.
Anders zouden wij in onze tijd onze God, Christus, de Schrift en de hemel uit ons hoofd laten wegspotten, als de spot van mensen ons ertoe bracht goede raad minder serieus te nemen. De apostel Judas zei in vers 18 immers al vooruit dat er in de laatste tijden spotters zouden komen, die leven naar hun eigen begeerten.
— Thomas Fuller.
Vers 1. Een nieuwe god verzinnen is net zo erg als de ware God verloochenen. “Ik betrouw op den HEERE.” Hoe durft u dan tegen mijn ziel te zeggen (u, verleiders van zielen) dat ze als een vogel naar de bergen moet vliegen? Om onnodige en vreemde hulp te zoeken, alsof de Heere alleen niet genoeg was? “De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek. Ik zal roepen tot den HEERE, Die te loven is; zo zal ik van mijn vijanden verlost worden.”
“Wien heb ik nevens U in den hemel?” Kijk maar rond onder die duizenden engelen en heiligen: welke Michaël of Gabriël, welke Mozes of Samuël, welke Petrus, welke Paulus? “Nevens U lust mij ook niets op de aarde!”
— John King, 1608.
Vers 1. Wanneer we door innerlijke angst en schrik op de proef worden gesteld, is het niet verstandig met Satan in discussie te gaan. In Psalm 42:12 lijkt David zichzelf te corrigeren voor een misstap. Zijn ziel was diep in hem neergedrukt, en tegen die verzoeking had hij zich met argumenten voorbereid op een woordenstrijd. Maar toen hij merkte dat hij op een verkeerde weg zat, riep hij zijn ziel weg van de onrust en liet haar zich meteen tot God en Zijn beloften wenden: “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.”
Hier is hij echter veel sneller. Zijn vijanden werden door Satan aangezet om hem te ontmoedigen. Daarom wijst David de verzoeking meteen af, voordat ze zich in zijn gedachten kan nestelen. Hij jaagt haar weg als iets waar hij niet naar wilde luisteren: “Ik betrouw op den HEERE: hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Vlucht als een vogel naar uw berg?” En er zijn zwaarwegende redenen waarom we de strijd met Satan niet moeten aangaan wanneer hij ons met innerlijke benauwdheid verzoekt.
— Richard Gilpin.
Vers 1. Schaduw geeft pas verkoeling als je erin zit. Wat heb je aan de schaduw van een machtige rots, als je in de volle zon blijft zitten? Gods almachtige kracht staat voor ons klaar, en dan gooien we onszelf eruit door roekeloze uitvallen, recht in de muil van de verzoeking! De heiligen zijn altijd gevallen wanneer ze uit hun loopgraaf en vesting naar buiten renden. Want net als de konijnen zijn zij uit zichzelf een zwak volk, en hun kracht ligt in de rots van Gods almacht, die hun woning is.
— William Gurnall.
Vers 1. De heiligen van vroeger wilden geen redding aannemen tegen een lage prijs. Ze verachtten het om weg te vliegen voor een rustig leven, behalve met de vleugels van een duif, bedekt met zilveren onschuld. Veel martelaren waren even graag bereid om te sterven als om te dineren. De folteraars werden moe van het folteren van Blandina. “Wij schamen ons, o Keizer! De christenen lachen om uw wreedheid en worden er juist vastberaden door”, zei een van Julianus’ edelen. De heidenen noemden dit koppigheid. Maar zij kenden de kracht van de Geest niet, en evenmin het verborgen pantser van beproefde sterkte dat heiligen om hun hart dragen.
— John Trapp.
Vers 2. “Want ziet, de goddelozen spannen den boog”, enzovoort. Dit vers laat een ongelijke strijd zien: aan de ene kant gewapende macht, die ook nog slim te werk gaat, en aan de andere kant naakte onschuld. Eerst de gewapende macht: “Zij spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees”, het hele geschut van die tijd. Ten tweede de list: “om in het donkere te schieten”, om hun slachtoffers onverwacht in een hinderlaag te laten lopen, waarschijnlijk onder de schijn van vriendschap en vriendelijkheid. Ten derde de naakte onschuld, als je onschuld naakt mag noemen, want ze is haar eigen wapenrusting: “naar de oprechten van harte.”
— Thomas Fuller.
Vers 2. “Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.” Hier zien we de listen van de overpriesters en Farizeeën, die Jezus met sluwheid wilden vangen en doden. Ze spanden hun boog toen ze Judas Iskariot betaalden om zijn Meester te verraden. Ze schikten hun pijlen op de pees toen ze “valse getuigenis tegen Jezus zochten, opdat zij Hem doden mochten”. Mattheüs 26:59.
“De oprechten van harte.” Dat is niet alleen de Heere Zelf, de enige Ware en Rechtvaardige, maar ook Zijn apostelen en de lange rij van allen die Hem van toen tot nu trouw zouden volgen. Zoals het de Meester verging, zo gaat het de dienaren. Denk aan alle lasteringen en smaadwoorden die Gods volk hebben getroffen, vanaf de valse beschuldiging van Jozef door de vrouw van zijn meester tot op de huidige dag.
— Michaël Ayguan, 1416, in J. M. Neale’s Commentary.
Vers 2. “Om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.” Zij dragen hun bogen en pijlen niet als vogelverschrikkers in een komkommertuin, om mensen schrik aan te jagen, maar om te schieten. Niet op palen, maar op mensen. Hun pijlen zijn jacula mortifera (Psalm 7), dodelijke pijlen. En om zeker te zijn dat ze niet missen, maken ze gebruik van het donker, van heimelijkheid en geheimhouding: ze schieten in het donkere.
Dit is een verbond van de hel zelf. Want welke macht op aarde kan een werk ongedaan maken dat wreedheid en sluwheid, als Simeon en Levi, broers in het kwaad, samen hebben besloten uit te voeren? Waar sluwheid vernuftig is, verraderlijk in het bedenken, en wreedheid barbaars in het uitvoeren, daar geeft sluwheid de raad en wreedheid de slag. Sluwheid regelt tijd, plaats en middelen en stemt de omstandigheden op elkaar af. Wreedheid voert de daad uit. Sluwheid verbergt het mes, wreedheid snijdt de keel door. Sluwheid legt met een listig hoofd de hinderlaag, beraamt de aanslag en bedenkt de krijgslist. En wreedheid, met een even woest hart, deinst niet terug voor de vreselijkste, gruwelijkste dingen. Ze is bereid tot aan de enkels, ja tot aan de nek te waden in een hele rode zee van mensenbloed, zelfs van het bloed van een heel land. Hoe vreselijk is de toestand van hen die zo worden aangevallen!
— John King.
Vers 3. “Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat kan de rechtvaardige doen?” Nu staan we voor een reusachtig bezwaar. Dat moeten we, net als Goliath, uit de weg ruimen, anders houdt het ons verder onderzoek tegen. Is het echt mogelijk dat de fundamenten van het geloof worden vernietigd? Kan God zó lang slapen, ja zó diep sluimeren, dat Hij de ruïnes ervan geduldig toelaat? Als Hij toekijkt en toch niet ziet dat die fundamenten worden vernietigd, waar blijft dan Zijn alwetendheid? Als Hij het ziet en er niets aan kan doen, waar blijft dan Zijn almacht? En als Hij het ziet, er wel iets aan kan doen en het toch niet wil, waar blijven dan Zijn goedheid en barmhartigheid?
Martha zei tot Jezus (Johannes 11:21): “Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven.” Zo zullen velen zeggen: als God met die eigenschappen echt in de wereld aanwezig was, dan waren de fundamenten stellig niet dood, niet vernietigd. Wij antwoorden daarop met nee. Het is onmogelijk dat de fundamenten van het geloof ooit volledig en voorgoed vernietigd worden, zowel wat de kerk in het algemeen betreft als wat elk waar en levend lid ervan betreft. Voor het eerste hebben we een duidelijke belofte van Christus. Mattheüs 16:18: “De poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” Fundamenta tamen stant inconcussa Sionis. En wat elke afzonderlijke christen betreft (2 Timotheüs 2:19): “Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.”
Toch kunnen de fundamenten, ook al kunnen ze om de genoemde redenen (uit de bezwaren, namelijk dat het niet past bij Gods almacht, alwetendheid en goedheid) nooit helemaal en voorgoed vernietigd worden, wél gedeeltelijk vernietigd worden, quoad gradum, in vier stappen. Dat gaat als volgt. Ten eerste in de wensen en de uiterste pogingen van goddeloze mensen. Zij brengen daarvoor mee: 1. Hoc velle, 2. Hoc agere, 3. Totum posse.
Dat zij de fundamenten niet vernietigen, hebben ze zichzelf niet te danken. De hele wereld zal van hen getuigen dat ze hun best hebben gedaan (dat wil zeggen: hun slechtste) en alles hebben gedaan wat hun macht en boosaardigheid vermochten. Ten tweede in hun eigen ijdele inbeelding. Ze kunnen niet alleen vergeefs opscheppen, maar ook oprecht geloven dat ze de fundamenten hebben vernietigd. Daarbij past de hoogdravende taal van de Romeinse keizer (Lukas 2:1): “En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.” De gehele wereld! Terwijl hij in Europa weliswaar veel bezat maar niet alles, in Azië weinig, in Afrika nog minder en in Amerika niets. Dat was zo ver van veroverd dat de Romeinen het niet eens kenden. Maar overdrijving is geen stijlfiguur, ze is de gewone taal van de hoogmoed. Augustus bezat inderdaad heel veel, en daarom roept hij van zichzelf uit dat hij de hele wereld bezit. …
Ten derde kunnen de fundamenten vernietigd worden wat betreft alles wat van buiten zichtbaar en indrukwekkend is. De kerk in vervolging lijkt op een schip in een storm. Alle masten gaan neer, ja soms worden ze voor meer snelheid zelfs omgehakt. Geen stukje zeildoek meer dat met de wind speelt, geen zeil te zien. Alles ligt strak vastgesnoerd tot aan de kiel, zodat de storm zo weinig mogelijk macht over het schip krijgt. Toch kunnen de zeilen, zodra de storm voorbij is, weer even hoog gehesen worden en het zeildoek even breed uitgespreid als ooit tevoren. Zo verliest de kerk in tijden van vervolging, die ze vreest maar vooral voelt, alle opsmuk en pracht die de ogen van toeschouwers kan trekken en lokken. Ze is tevreden met haar eigen verborgenheid. Kortom, op de werkdagen van de verdrukking draagt ze haar slechtste kleren, terwijl de beste in de kleerkast hangen. Ze leeft in de zekere en vaste hoop dat God haar een heilige en gelukkige dag zal geven, waarop ze met vreugde haar beste kleren zal aantrekken.
Ten slotte kunnen de fundamenten vernietigd worden in de angstige voorstellingen van de beste heiligen en dienaren van God, vooral wanneer ze zwaarmoedig zijn. Ik noem daarvoor geen klein voorbeeld, maar een ster van de eerste grootte en van de grootste voortreffelijkheid: Elia zelf, die klaagt (1 Koningen 19:10): “En ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.”
— Thomas Fuller.
Vers 3. “Indien.” Dit is het enige woord van troost in de tekst: wat er gezegd wordt, is niet stellig maar veronderstellend, niet thetisch maar hypothetisch. Toch wordt deze troost, die niet meer is dan een vonk (waaraan we graag onze hoop zouden aansteken), al snel verdrietig gemaakt door twee overwegingen. Ten eerste: onmogelijke veronderstellingen brengen onmogelijke gevolgen voort. “Zoals de moeder is, zo is de dochter.” Daarom zou Gods Heilige Geest zeker niets veronderstellen wat niet uitvoerbaar en mogelijk was, wat niet ofwel gebeurd was, gebeurde of kon gebeuren.
Ten tweede is het Hebreeuwse woord niet het voorwaardelijke im, si, si forte, maar chi, quia, quoniam, dat wil zeggen “omdat”. Hoewel het hier vriendelijk met “indien” is vertaald, lijkt het meer te zeggen, namelijk dat dit droevige geval zich al in Davids dagen had voorgedaan. Ik zie daarom dat dit “indien”, onze enige hoop in de tekst, waarschijnlijk net als de vrienden van Job slechts een ellendige trooster zal blijken. Welnu, het is goed om het ergste van de dingen te weten, zodat we ons daarop kunnen voorbereiden. Laten we dit droevige geval daarom zien als een voldongen feit en niet als een twijfelgeval, als iets wat we voelen en niet alleen vrezen, als iets wat op dit moment echt gebeurt en niet slechts wordt vermoed.
— Thomas Fuller.
Vers 3. “Zekerlijk, de fondamenten”, enzovoort. Mijn tekst is een antwoord op een onuitgesproken bezwaar dat sommigen kunnen maken. Namelijk dat de rechtvaardigen zichzelf tekortdoen, en door hun eigen gemakzucht en werkeloosheid (omdat ze niet zoveel durven en doen als ze zouden kunnen en moeten) zichzelf in die slechte toestand brengen. Ter verdediging van hen laat David zien: als God in Zijn wijze wil en welbehagen het goed vindt, om redenen die Hemzelf het best bekend zijn, toe te laten dat het geloof tot het uiterste wordt gebracht, dan ligt het niet in de macht van de beste mens ter wereld om dit te verhelpen en te herstellen.
“Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat kan de rechtvaardige doen?” Mijn tekst hangt vol rouw, als voor een lijkrede. Hij bevat ten eerste een droevig geval dat wordt verondersteld: “Indien de fondamenten worden omgestoten.” Ten tweede een droevige vraag die wordt gesteld: “Wat kan de rechtvaardige doen?” Ten derde een droevig antwoord dat tussen de regels doorklinkt, namelijk dat zij precies niets kunnen doen om het vernietigde fundament te herstellen.
— Thomas Fuller.
Vers 3. “Zekerlijk, de fondamenten”, enzovoort. Het burgerlijke fundament van een natie of volk bestaat uit haar wetten en grondwetten. De orde en de macht die onder hen heerst, dát is het fundament van een volk. En wanneer dit fundament eenmaal is vernietigd: “wat kan de rechtvaardige doen?” Wat kunnen de besten en de wijsten ter wereld in zo’n geval doen? Wat kan iemand doen als er geen bestuursfundament onder de mensen overblijft? Dan is er geen hulp en geen antwoord, behalve wat volgt in het vierde vers van de psalm: “De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.”
Het is alsof David wil zeggen: te midden van deze verwarring, wanneer (zoals Psalm 82:5 zegt) “alle fondamenten der aarde wankelen”, houdt God toch Zijn koers. Hij is waar Hij was en zoals Hij was, zonder veranderlijkheid of schaduw van omkeer.
— Joseph Caryl.
Vers 3. “De rechtvaardige.” Dit is de rechtvaardige in het algemeen, gelijk aan alle rechtvaardigen samen. Niet alleen de rechtvaardige als één enkele pijl, maar de hele bundel. Niet alleen de rechtvaardigen als afzonderlijke personen, maar ook zoals ze verspreid door het land leven. Stel dat ze allemaal bijeen werden gebracht tot één lichaam, dat alle rechtvaardigen die leven in dezelfde tijd waarin de fundamenten worden vernietigd, bijeengeroepen en tot één groep gevormd werden. Dan zouden al hun gezamenlijke pogingen vruchteloos blijken om de ingestorte fundamenten te herstellen. Dat is immers geen werk van mensen, maar uitsluitend het werk van God.
— Thomas Fuller.
Vers 3. “De fondamenten.” Daarmee worden de grondslagen bedoeld: wat vanouds is gelegd, geplaatst en stevig verankerd. Merk op wat David níét zegt. Hij zegt niet: als het dak lekt, of als de zijmuren beschadigd raken. Hij zegt: als de fundamenten worden omgestoten.
Vers 3. “Fondamenten … omgestoten.” Het woord staat in het meervoud. Over mijn kennis van de bouwkunst wil ik niet te groot doen, maar volgens mij is dit een onbetwistbare waarheid: staat een gebouw op verschillende zelfstandige fundamenten (zeg maar pijlers), vlak naast elkaar, dan hoeft het niet meteen om te vallen als één ervan het begeeft. Het blijft staan, of liever: het blijft nog even hangen, gedragen door de samenhang met de pijlers die nog overeind staan.
Maar wanneer alle fundamenten tegelijk zwichten en er een totale ondergang is, kan niemand zich nog inbeelden dat het gebouw ook maar enige kans heeft om te blijven staan.
— Thomas Fuller.
Vers 3. “Wat KAN de rechtvaardige?” Het kunnen van de rechtvaardige heeft een grens, en die grens is de regel van Gods woord. Zij kunnen alleen doen wat zij rechtmatig kunnen doen. Zie 2 Korinthe 13:8: “Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid.” Illud possumus, quod jure possumus. Goddeloze mensen kunnen daarentegen alles. Hun geweten is zo ruim dat het feitelijk niet bestaat, en het dekt hen bij alles wat zij willen uitvoeren, hoe onwettig ook: steken, vergiftigen, moorden, op welke manier dan ook, op elk tijdstip, op elke plek, wie er ook maar tussen hen en hun doel in staat.
Zo niet de rechtvaardigen. Zij hebben een richtsnoer voor hun wandel, en dat willen zij niet, dat mogen zij niet, dat durven zij niet te overschrijden. Neem een rechtvaardig mens die zeker wist dat hij de vervallen godsdienst zou kunnen herstellen en terugbrengen statu quo prius, als hij maar één gebod van God zou overtreden. Zijn handen, zijn hoofd en zijn hart zijn dan toch gebonden. Hij kan niets doen, want hun veroordeling is rechtvaardig die zeggen (Romeinen 3:8): “Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome.”
Vers 3. “Doen.” De tekst vraagt niet: wat kunnen zij denken? God heeft onrechtvaardig behandelde mensen een grote zegen gegund: ook al worden zij verder gekneld en onderdrukt, in hun gedachten blijven zij vrij en kunnen zij ruim ademhalen.
— Thomas Fuller.
Vers 3. Wanneer de zonde de overhand heeft, zijn het van oudsher de gebedstijden van de heiligen geweest. Zo trok Ezra met een zwaar hart naar voren om de zonde van zijn volk te belijden en hun gruwelen voor het aangezicht van de Heere te bewenen (Ezra 9). En Jeremia zegt tot de goddelozen van zijn ontaarde tijd dat “zijn ziel in verborgen plaatsen zou wenen vanwege hun hoogmoed” (Jeremia 13:17). Soms klimt de zonde inderdaad zo hoog dat dit bijna het enige is wat de godvruchtigen nog kunnen: zich terugtrekken in een hoekje en wenen over de algemene verdorvenheid van hun tijd. “Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat kan de rechtvaardige doen?”
Zulke donkere dagen van nationale verwarring hebben wij met eigen ogen gezien, toen de grondvesten van het bestuur werden verwoest en alles in een militaire chaos terechtkwam. Wat kan de rechtvaardige doen als een volk zover is gekomen? Dit kunnen zij, en dit moeten zij doen: “vasten en bidden”. Er is nog een God in de hemel Die we kunnen zoeken, wanneer de redding van een volk buiten het bereik van menselijke politiek en kracht is komen te liggen. Nu is het hét moment om ons op God te beroepen, zoals de volgende woorden laten doorschemeren: “De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel.” God wordt hier afgebeeld als zittend in de hemel, alsof die een tempel is. Dat is bedoeld als aanmoediging, denk ik, om in zo’n uitzichtloze toestand onze gebeden juist daarheen te richten en verlossing te vragen.
En stellig is dit het middel geweest dat, meer dan al het andere, heeft meegeholpen om deze arme natie weer op de been te helpen en haar terug te brengen op het fundament van dat rechtmatige bestuur, waarvan zij zo gevaarlijk was afgeweken.
— William Gurnall.
Vers 4. Gods oneindige verstand weet precies wat de mensen aan zonden doen. Hij weet het om het te wegen. Hij weet het niet alleen, Hij houdt het ook aandachtig in het oog: “Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.” Dat beeld is genomen van mensen die hun oogleden samentrekken als ze iets scherp en nauwgezet willen bekijken. Het is geen vluchtige, nonchalante blik.
— Stephen Charnock.
Vers 4. “Zijn ogen aanschouwen”, enzovoort. God speurt niet zoals een mens speurt, door op te sporen wat eerst voor Hem verborgen lag. Zijn onderzoeken is niets anders dan Zijn aanschouwen. Hij ziet het hart, Hij schouwt de nieren. Gods kijken is zelf al doorgronden. Hebreeën 4:13: “Alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen”, tetrachèlismena, ontleed, blootgelegd als onder het scalpel van een ontleedkundige. In één oogopslag heeft Hij het meest verborgene even scherp in beeld, de ingewanden van de ziel zelf, alsof ze met de uiterste zorgvuldigheid voor Hem waren ontleed.
— Richard Alleine, 1611-1681.
Vers 4. “Zijn ogen aanschouwen”, enzovoort. Houd er rekening mee dat God niet alleen ziet wat u allemaal doet, maar dat Hij het ziet om het te onderzoeken en tot op de bodem uit te zoeken. Hij kijkt niet naar u met een gewone, onverschillige blik, maar met een speurend, waakzaam, nieuwsgierig oog. Hij boort zich in de redenen, de drijfveren en de doelen van al uw handelingen. “Des HEEREN troon is in den hemel: Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.”
Openbaring 1:14 beschrijft Christus, en daar staat dat Zijn ogen zijn als een vlam vuurs. U weet dat vuur de eigenschap heeft om alles wat eraan wordt blootgesteld te onderzoeken en op de proef te stellen, en het schuim van het zuivere metaal af te scheiden, zodat alleen het echte overblijft. Zo is Gods oog als vuur, om wat mensen doen te toetsen en te keuren. Hij weet en onderscheidt hoeveel vermenging, hoeveel lage motieven van schijnheiligheid, huichelarij, verstrooidheid en levenloosheid er zelfs in uw zuiverste plichten zitten.
Hij ziet dwars door uw mooie schijn heen, door alles wat u als een nevel voor de ogen van mensen laat hangen, terwijl u eigenlijk niet meer bent dan een goochelaar in de godsdienst. Al uw trucjes en foefjes van uiterlijke belijdenis, alles waarmee u mensen gewoonlijk bedriegt en misleidt, het kan Hem onmogelijk beetnemen. Hij is een God Die dwars door al die vijgenbladeren van uiterlijke belijdenis heen kan kijken en ziet hoe naakt uw plichten daar achter staan.
— Ezekiel Hopkins, D.D.
Vers 4. “Zijn ogen aanschouwen”, enzovoort. Neem God in uw raad. De hemel kijkt uit over de hel. God kan u op elk moment vertellen welke complotten daar tegen u worden gesmeed.
— William Gurnall.
Vers 4. “Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.” Neem een overtreder, of iemand die van een misdrijf wordt beticht. Hij wordt voor de rechter gebracht en staat aan de balie om te worden aangeklaagd. De rechter kijkt hem aan, houdt hem scherp in het oog en beveelt de beschuldigde hem recht in het gezicht te zien: “Kijk mij aan”, zegt de rechter, “en spreek op!” Schuld legt gewoonlijk een wolk over het voorhoofd en een schaduw over de wenkbrauwen. De last van de schuld drukt het hoofd omlaag! De boosdoener heeft een valse blik, of durft niet op te kijken. Wat is hij opgelucht als de rechter zijn ogen van hem afwendt!
Zo’n uitdrukking staat hier, waar het gaat over de Heere, de grote Rechter van hemel en aarde: “Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.” Zoals een rechter een schuldige met zijn ogen beproeft en de kenmerken van diens boosheid van zijn gezicht afleest. Daarom zeggen we in onze taal: die man kijkt verdacht, of: hij heeft een schuldige blik. Bij die grote gevangenisontruiming van Openbaring 6:16 schreeuwen alle gevangenen dat ze zich willen verbergen voor het aangezicht van Hem Die op de troon zat. Zij konden Christus niet aankijken, en ze konden het niet uitstaan dat Christus naar hén keek. De oogleden van Christus proeven de mensenkinderen. …
Goddeloosheid verdraagt het niet om onder het oog van wie dan ook te staan, laat staan onder het oog van de gerechtigheid. Daarom zeggen de daders: “Wie ziet ons?” Het is heel moeilijk om de schuld van het hart niet op het gezicht te laten zien, en even moeilijk om te voorkomen dat ze daar wordt opgemerkt.
— Joseph Caryl.
Vers 5. “De HEERE proeft den rechtvaardige.” Op onze zonden na is er niets in de hele wereld zo overvloedig als de moeilijkheden die uit de zonde voortkomen. Zo kwam bij Job de ene zware bode na de andere. Wij zijn niet in het paradijs maar in de woestijn, dus moeten we rekenen op de ene moeilijkheid na de andere.
David kreeg na een leeuw een beer te verwerken, na een beer een reus, na een reus een koning en na een koning de Filistijnen. Zo zullen ook gelovigen, als ze de strijd met armoede hebben doorstaan, de strijd met nijd moeten aangaan. Hebben ze die gevochten, dan komt de strijd met schande. Na de strijd met schande komt die met ziekte. Ze zijn als een arbeider die nooit zonder werk komt te zitten.
— Henry Smith.
Vers 5. “De HEERE proeft den rechtvaardige.” In tijden van verdrukking en vervolging komt het verschil tussen het kostbare en het waardeloze aan het licht, en tussen de schijnbelijder en de ware. Vervolging is de toetssteen van een christen, een lapis lydius die laat zien van welk metaal mensen zijn gemaakt: zilver of tin, goud of schuim, tarwe of kaf, schaduw of werkelijkheid, vleselijk of geestelijk, oprecht of huichelachtig. Niets verraadt zoveel gezondheid en oprechtheid als het jagen naar heiligheid, juist wanneer heiligheid in de wereld het hardst wordt bestookt, vervolgd en onderdrukt. Wie stand houdt in vurige beproevingen, bewijst dat het van binnen goed zit.
— Thomas Brooks.
Vers 5. Let op de opvallende tegenstelling tussen de twee zinsdelen. God haat de goddelozen, en daarom, als tegenhanger, heeft Hij de rechtvaardigen lief. Maar hier staat dat Hij hén beproeft. Daaruit volgt dat beproeven en liefhebben bij God hetzelfde zijn.
— C. H. S.
Vers 6. “Hij zal op de goddelozen regenen strikken.” Strikken die hen vasthouden. Komt er geen bevrijding, dan volgen vuur en zwavel, en dan is ontkomen onmogelijk. Dat is de toestand van een zondaar die zich niet bekeert. Als God niet vergeeft, zit hij gevangen in de strik van de verzoeking van Satan, gevangen in de strik van goddelijke wraak. Laat hij daarom luid om verlossing roepen, opdat hij zijn voeten op een ruime plaats mag zetten.
De goddelozen spannen strikken voor de rechtvaardigen. Maar God verijdelt ze, zodat de zielen van de rechtvaardigen er nooit in verstrikt raken, of Hij gooit ze omver: “De strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.” Geen strikken houden ons zo hardnekkig vast als die van onze eigen zonden. Ze drukken ons hoofd naar beneden en doen ons bukken, zodat we niet meer kunnen opkijken. Wie geen verhard geweten heeft, zal er maar weinig verlichting aan hebben.
— Samuel Page, 1646.
Vers 6. “Hij zal strikken regenen.” Bij het jagen met de lasso werpt de jager van bovenaf een strik over zijn prooi, om hoofd of poten te verstrikken. Zo zal de Heere van bovenaf, met vele windingen van het koord van de verschrikking, de haters van Zijn wet omsingelen, binden en gevangennemen.
— C. H. S.
Vers 6. “Hij zal strikken regenen”, enzovoort. Hij zal op hen regenen wanneer zij er het minst aan denken, midden in hun vrolijkheid, zoals de regen valt op een mooie dag. Of Hij zal de wraak neerregenen wanneer Hij het goed acht, want het regent niet altijd. Stelt Hij het ook uit, het zal toch regenen.
— William Nicholson, bisschop van Gloucester, in “David’s Harp Strung and Tuned”, 1662.
Vers 6. “Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel, en een geweldige stormwind.” De vreemde gang van zaken in deze wereld is een overtuigend bewijs dat er een dag komt waarop alle involucra en kronkels van de voorzienigheid helder worden ontward. Dan wordt het raadsel opgelost waarom God deze en gene goddeloze schurk zoveel rijkdom en zoveel macht heeft gegeven om kwaad te doen. Was het niet opdat zij voor eeuwig vernietigd zouden worden? Dan moeten zij streng rekenschap afleggen voor al dat overvloedige bezit en al die voorspoed waarom zij nu worden benijd. En hoe meer zij ervan misbruikt hebben, des te schrikwekkender wordt hun veroordeling. Dan zal blijken dat God het hun niet gaf als barmhartigheden, maar als “strikken”.
Er staat dat God “op de goddelozen strikken, vuur en zwavel en een geweldige stormwind zal regenen”. Strooit Hij de begeerlijke dingen van deze wereld rond, rijkdom, eer, genoegens en wat al niet, dan regent Hij “strikken” op hen. Roept Hij hen later ter verantwoording voor al die dingen, dan laat Hij “vuur en zwavel en een geweldige stormwind” van Zijn toorn en grimmigheid op hen neerregenen.
Die rijke man, die op aarde feestvierde, kreeg in de hel niet eens één armzalig druppeltje water om zijn verschroeide, brandende tong te koelen. Als zijn overdaad en onmatigheid tijdens zijn leven niet zo groot waren geweest, zou zijn vurige dorst na zijn dood niet zo pijnlijk zijn geweest. Daarom houdt Abraham hem in dat droevige gesprek dit voor (Lukas 16:25): “Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.” Ik beschouw dit als een uiterst bittere, maar welverdiende sarcastische opmerking: ze verwijt hem zijn schromelijke dwaasheid, dat hij de kleinigheden van dit leven zijn goede dingen noemde. U hebt uw goede dingen ontvangen, maar nu lijdt u smarten.
O, noem het purper en de overdadige maaltijden van de rijke man nooit goede dingen, als ze zo in pijniging eindigen! Was het goed voor hem om in purper gekleed te gaan, nu hij in vlammen is gehuld? Was het goed voor hem om heerlijk te leven, als hij daardoor alleen maar werd vetgemest voor de dag van de slachting?
— Ezekiel Hopkins.
Vers 6. “Strikken, vuur en zwavel, storm en onweer: dit zal het deel van hun beker zijn.” Na het oordeel komt de veroordeling, zoals we zagen voorafgebeeld in de ondergang van Sodom en Gomorra. “Strikken”, omdat de verlokkingen van Satan in dit leven hun zwaarste straf in het volgende zullen zijn: het vuur van de toorn, de zwavel van de onreinheid, de storm van de hoogmoed, de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. “Dit zal hun deel zijn.” Zet daar het eigen woord van de psalmist naast: “De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers.” Psalm 16:5.
— Cassiodorus, in J. M. Neale’s Commentary.
Vers 6. “Het deel huns bekers.” In het Hebreeuws: het toegemeten deel van hun beker. De uitdrukking verwijst naar het gebruik om aan elke gast zijn portie eten toe te delen.
— William French en George Skinner, 1842.
Vers 7. Dat God genade kan schenken zonder heerlijkheid, is te begrijpen. Maar dat een mens in de heerlijkheid gemeenschap met Hem zou mogen hebben zonder genade, is onbegrijpelijk. Het strookt niet met Gods heiligheid om iemand tot bewoner van de hemel te maken en in een weg van innige liefde ongedwongen met hem om te gaan, zonder dat die persoon die gesteldheid van genade bezit. “De HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.” Hij kijkt hem met een glimlachend oog aan, en daarom kan Hij onmogelijk gunstig kijken naar een onrechtvaardig mens. Deze noodzaak berust dus niet alleen op Gods gebod dat wij vernieuwd moeten worden, maar op de aard van de zaak zelf: God kan vanwege Zijn heiligheid geen omgang hebben met een onrein schepsel.
Of God moet Zijn natuur veranderen, of de natuur van de zondaar moet veranderd worden. Twee wezens met een verschillende natuur kunnen geen vriendschappelijke gemeenschap hebben, tenzij de een verandert naar de gelijkenis van de ander. Wolven en schapen, duisternis en licht zullen het nooit eens worden. God kan een zondaar niet liefhebben als zondaar, want Hij haat onreinheid uit natuurlijke noodzaak, en evengoed uit een keuze van Zijn wil. Het is voor Hem even onmogelijk om haar lief te hebben als om op te houden heilig te zijn.
— Stephen Charnock.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
Vers 1. Des geloofs stoutmoedige belijdenis en dappere weigering.
Vers 1. Dit vers leert ons om op God te vertrouwen, hoe groot de gevaren ook zijn. We zullen vaak worden aangevallen om dat vertrouwen weg te stoten, maar we moeten het vasthouden als het anker van onze ziel, zeker en vast.
— Thomas Wilcocks.
Vers 1. De raad van de lafheid en de hoon van de brutaliteit, beide beantwoord door het geloof. De les: probeer geen ander antwoord.
Vers 2. De sluwheid van onze geestelijke vijanden.
Vers 3. Dit vers kan stof leveren voor een toespraak in twee delen.
I. Als Gods eed en belofte konden wijken, wat zouden wij dan kunnen doen? Hier is het antwoord eenvoudig.
II. Als alle aardse dingen falen en de staat zelf in stukken valt, wat kunnen wij dan doen? Wij kunnen blijmoedig lijden, opgewekt hopen, geduldig wachten, ernstig bidden, vertrouwend geloven en ten slotte zegevieren.
Vers 3. De noodzaak om de fundamentele waarheden vast te houden en te prediken.
Vers 4. De verhevenheid, verborgenheid, oppermacht, zuiverheid, eeuwigheid, onzichtbaarheid enzovoort van de troon van God.
Vers 4 en 5. Let in deze verzen op dit feit: niet alleen de rechtvaardigen worden beproefd, ook de mensenkinderen. Werk het contrast uit tussen die twee beproevingen, in hun bedoeling en in hun uitkomst, enzovoort.
Vers 5. “De HEERE proeft den rechtvaardige.”
I. Wie worden beproefd?
II. Wat wordt in hen beproefd? — Geloof, liefde enzovoort.
III. Op welke wijze? — Beproevingen van allerlei aard.
IV. Hoelang?
V. Met welk doel?
Vers 5. “Zijn ziel haat.” Hoe grondig God de zonde haat. Toon dat aan met de oordelen van de voorzienigheid, met de bedreigingen, met het lijden van de Borg en met de verschrikkingen van de hel.
Vers 5. Het beproeven van het goud en het wegvegen van het afval.
Vers 6. “Hij zal regenen.” Regen van genade en regen van verwoesting.
Vers 6. Het deel van de onboetvaardigen.
Vers 7. De Heere bezit gerechtigheid als een persoonlijke eigenschap, heeft haar lief in het abstracte en zegent hen die haar beoefenen.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

