
TITEL — Boven dit lied staat: “Voor den opperzangmeester, op de Scheminith, een psalm van David.” Het is hetzelfde opschrift als boven Psalm 6, alleen ontbreekt hier het woord Neginoth. Daar hebben we niets aan toe te voegen. Wie er meer over wil weten, vindt onze uitleg bij het opschrift van Psalm 6. Scheminith betekent “de achtste”. De Arabische vertaling leest er daarom een verwijzing naar het einde van de wereld in: dat zou de achtste dag zijn, en dan zou de psalm gaan over de komst van de Messias. Zo’n vergezochte uitleg nemen we niet over. Toch kunnen we dit lied van een klagend geloof gerust lezen met het oog op de komst van Hem Die de onderdrukker zal verpletteren. Het onderwerp staat ons scherper voor ogen als we de psalm een eigen titel geven: “GOEDE GEDACHTEN IN SLECHTE TIJDEN.” Men neemt aan dat David hem schreef toen Saul hem en zijn aanhangers vervolgde.
INDELING In de verzen 1 en 2 klaagt David de Heere zijn nood over het verraad van zijn tijd. In de verzen 3 en 4 wordt het oordeel aangekondigd over de trotse verraders. In vers 5 laat Jehova Zelf Zijn toorn tegen de onderdrukkers als een donderslag horen. Daarna zingt de opperzangmeester in de verzen 6 en 7 liefelijk over Gods trouw en over Zijn zorg voor Zijn volk. In vers 8 valt hij echter terug in de oude klaagtoon, want hij ziet hoe de goddeloosheid van zijn dagen alles overwoekert.
Alle gelovigen die in Mesech wonen en in de tenten van Kedar verblijven, mogen deze heilige verzen lezen en zingen. Hun hart zal van harte meeklinken met dit lied, waarin nederig verdriet en groot vertrouwen door elkaar heen klinken.
UITLEG Vers 1. “Help, Heere.” Wat een kort gebed, en toch zo vol van zoetheid, kracht en hulp op het juiste moment! Het komt nooit ongelegen, het past bij elke nood en het is altijd bruikbaar. Het lijkt wel een engelenzwaard dat naar alle kanten draait en in elke situatie kan worden getrokken. Ainsworth wijst erop dat het Hebreeuwse woord achter “help” heel ruim wordt gebruikt: voor redden, helpen, verlossen, bewaren en meer van dien aard. Er zit dus veel meer in dit gebed dan je op het eerste gezicht zou denken.
De psalmist ziet hoe levensgevaarlijk zijn situatie is, want je bent beter af tussen leeuwen dan tussen leugenaars. Tegen zulke zonen van Belial voelt hij zich machteloos, want “wie hen aanraakt, moet met ijzer gewapend zijn”. Daarom zoekt hij zijn toevlucht bij zijn almachtige Helper, de Heere. Die laat Zijn knechten nooit zonder hulp in de steek, en Zijn bijstand is ruim voldoende voor al hun nood.
“Help, Heere” is een noodkreet die we altijd en overal naar de hemel kunnen schieten, in ons werk en onze studie, in lijden en strijd, in leven en sterven. Een klein schip kan havens binnenvaren waar een groot schip met zijn diepe kiel aan de grond loopt. Zo kunnen ook onze korte kreten en kleine smeekbeden contact houden met de hemel. Dat geldt wanneer onze ziel door tegenwind en drukte is vastgelopen en geen ruimte heeft voor een lang gebed. Ook wanneer het water van de genade zo laag lijkt te staan dat een zwaarder gebed erop niet zou kunnen drijven, kan zo’n kreet ons dragen.
“Want de godvruchtige houdt op.” Wanneer godvruchtige mensen sterven, vertrekken of afglijden, hoort dat voor ons te klinken als een trompetstoot die ons oproept tot meer gebed. Men zegt dat een vis het eerst bij de kop begint te stinken. Zo raakt ook een heel land snel in verval wanneer de godvruchtigen wegkwijnen. Toch moeten we hierin niet te snel oordelen. Elia vergiste zich toen hij dacht dat hij als enige knecht van God nog over was, want de Heere hield duizenden in reserve.
Onze eigen tijd lijkt altijd bijzonder gevaarlijk, gewoon omdat hij ons het dichtst op de huid zit. Elk kwaad dat nu heerst, valt ons meteen op. De fouten van vroegere eeuwen liggen verder weg en zien we gemakkelijker over het hoofd. Toch verwachten we dat in de laatste dagen “de liefde van velen zal verkouden, omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden”. Dan moeten we nog meer van mensen wegkijken en ons richten tot de Heere van de kerk. Dankzij Zijn hulp zullen de poorten van de hel ons niet overweldigen.
“De getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.” Waar het geloof verdwijnt, verdwijnt vanzelf ook de trouw. Wie God niet vreest, heeft de waarheid ook niet lief. Gewone eerlijkheid is niet meer gewoon als gewone goddeloosheid algemeen geworden is. David dacht aan Doëg en aan de mannen van Zif en Kehila. Misschien dacht hij ook aan de vermoorde priesters van Nob en aan de velen die als banneling bij hem in de spelonk van Adullam kwamen. Hij vroeg zich af waar het land op zou aansturen zonder de ankers van zijn godvruchtige, trouwe mannen.
Toch greep David te midden van al dat wanbestuur niet naar opruiende complotten. Hij nam zijn toevlucht tot ernstig smeken. Hij sloot zich niet aan bij de menigte die kwaad deed, maar nam de wapens van het gebed ter hand om hun aanvallen op het goede af te slaan.
Vers 2. “Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste.” Wat ze zeggen, is hol en leeg. Je hoeft er niet naar te luisteren, want het is lichtzinnig, dwaas en waardeloos. Je kunt het niet geloven, want het is vals en gelogen. Je kunt er niet op bouwen, want het is bedrog en vleierij. En je moet het je niet aantrekken, want het streelt de hoorder en vult hem met een trotse dunk van zichzelf. Wat is het treurig wanneer het gewoon is geworden om ijdele praatjes te verkopen!
“Jij krabt mijn rug, ik krab de jouwe”: zo gaat het oude Schotse spreekwoord. Geef mij een prachtig karakter, dan geef ik jou er ook een. Eerlijke mensen hebben een hekel aan complimenten en kruiperige gelukwensen. Ze weten dat je er een terug moet geven als je er een aanneemt, en ze willen met geen van beide iets te maken hebben. Zulke wederzijdse gunsten worden het meest bewonderd door mensen die in hun karakter failliet zijn. Het zijn slechte tijden wanneer iedereen zijn naaste zo om de tuin leidt en inpalmt.
“Met vleiende lippen spreken zij, met een dubbel hart.” Wie het hart van een ander opblaast, heeft zelf niets dan wind in zijn borst. Als iemand mij recht in mijn gezicht prijst, laat hij mij maar één kant van zijn hart zien. De andere kant is zwart van minachting voor mij, of vies van het plan om mij erin te laten lopen. Vleierij is het uithangbord van de herberg waar de dubbelhartigheid de waard is. De Chinezen vinden iemand met twee harten een zeer laag mens. We zijn veilig als we alle vleiers voor zulke mensen houden.
Vers 3, 4. Wie van vleierij en hoogmoed houdt, wacht een totale ondergang. Maar ondertussen, wat een lawaai maken ze! De apostel noemde hen terecht “wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende”. Vrijdenkers zijn meestal ook vrijpraters. Ze voelen zich nooit zo thuis als wanneer ze foeteren op Gods heerschappij en zichzelf een grenzeloze vrijheid toeëigenen. Vreemd toch dat het zachte juk van de Heere de schouders van de hoogmoedigen zo schaaft, terwijl ze de ijzeren boeien van Satan als erekettingen om zichzelf slaan! Ze roepen vol branie naar God: “Wie is heer over ons?” Maar de holle stem van de boze horen ze niet, die uit het helse meer roept: “Ik ben uw heer, en zeer getrouw dient gij mij.” Arme dwazen! Hun hoogmoed en glorie worden afgesneden als een verwelkende bloem. Moge God geven dat onze ziel niet samen met hen wordt weggerukt.
Het is opmerkelijk dat vleiende lippen en tongen die grote woorden spreken, hier in één adem worden genoemd. Het past ook goed, want ze maken zich schuldig aan dezelfde fout. De eerste vleit een ander, de tweede vleit zichzelf, en in beide gevallen houdt men een leugen in de rechterhand. Meestal denken we dat vleiers zulke lage, kruipende pluimstrijkers zijn dat ze onmogelijk hoogmoedig kunnen zijn. Maar een wijs mens zal je vertellen dat alle hoogmoed in feite laagheid is, en dat er in de allerdiepste laagheid juist heel wat hoogmoed schuilt. Caesars paard is nog trotser op het dragen van Caesar dan Caesar op het rijden van zijn paard. De mat waaraan de keizer zijn schoenen afveegde, snoeft: “Ik heb de keizerlijke laarzen schoongemaakt.”
Niemand is zo weerzinwekkend bazig als de kleine mannetjes die een ambt binnenkruipen door voor de groten te buigen. Het zijn echt slechte tijden wanneer zulke figuren talrijk en machtig zijn. Geen wonder dat Gods gerechtigheid, die zulke schadelijke mensen wegsnijdt, een psalm waard is! Hemel en aarde zijn deze tergende overtreders beu, want hun aanwezigheid is een ware plaag voor het volk dat eronder gebukt gaat. Mensen kunnen de tongen van zulke opscheppende vleiers niet bedwingen. Maar het middel van de Heere is, hoe scherp ook, zeker. Het is een antwoord waar niets tegenin te brengen valt, op al hun opgeblazen woorden vol ijdelheid.
Vers 5. Op Zijn tijd zal de Heere Zijn uitverkorenen verhoren, die dag en nacht tot Hem roepen. Hij heeft lang geduld met hun onderdrukkers, maar toch zal Hij snel wraak voor hen nemen. Let op: wanneer heiligen onderdrukt worden, is dat op zichzelf al een kreet tot God, hoe zwijgend ze het ook dragen. Mozes werd bij de Rode Zee verhoord terwijl hij niets zei, en Hagars ellende werd gehoord ondanks haar stilzwijgen. Jezus voelt met Zijn volk mee, en hun pijn is bij Hem een krachtig pleitbezorger. Maar al snel beginnen ze te zuchten en hun nood onder woorden te brengen. Dan komt de verlichting in allerijl.
Niets beweegt een vader zoals het huilen van zijn kinderen. Hij komt in actie, roept zijn mannenmoed op, werpt de vijand neer en brengt zijn lieveling in veiligheid. Voor het kind is een zuchtje wind al te veel om te dragen, en de vijand is zo hooghartig dat hij het kleintje uitlacht. Maar dan komt de Vader! Nu mag het kind lachen, want het is uit de greep van zijn kwelgeest getild. Wat een kracht zit er in de zuchten van een arme, dat ze de almachtige God van Zijn troon laten opstaan! De nooddruftigen durfden niet te spreken en konden alleen in het geheim zuchten. Maar de Heere hoorde het. Hij kon niet langer rusten en gordde Zijn zwaard om voor de strijd.
Wat een mooie dag is het wanneer onze ziel God bij haar strijd betrekt! Want zodra Zijn blote arm zichtbaar wordt, zal Filistea die dag bitter berouwen. De donkerste uren van de nacht van de kerk zijn die vlak voor het aanbreken van de dag. De nood van de mens is de kans van God. Jezus zal komen om te verlossen, juist wanneer Zijn nooddruftigen zuchten alsof alle hoop voorgoed is verdwenen. O Heere, breng Uw “nu” dichtbij en kom snel overeind om ons te helpen.
Misschien lukt het de gebogen lezer om de belofte van dit vers vast te grijpen. Laat hij er dan dankbaar een volle schat aan troost uit putten. Gurnall zegt: “Zoals men de wijn van een heel okshoofd uit één kraan kan aftappen, zo kan een arme ziel de troost van het hele verbond uit één belofte voor zichzelf putten, als zij die kan toepassen.” Met “in veiligheid stellen” wordt bedoeld dat God ons bewaart op aarde en ons eeuwig behoudt in de hemel.
Vers 6. Wat een tegenstelling tussen de ijdele woorden van mensen en de reine woorden van Jehova! Wat mensen zeggen is ja en nee, maar de beloften van de Heere zijn ja en amen. Als het gaat om waarheid, zekerheid, heiligheid en trouw, zijn de woorden van de Heere zo rein als zilver dat goed gelouterd is. In de grondtekst zit een toespeling op de strengste zuivering die men in de oudheid kende. Als het zilver zo zuiver mogelijk moest worden, liet men het daar doorheen gaan. Al het schuim verbrandde en alleen het heldere, kostbare metaal bleef over. Zo helder en zo vrij van elk spoor van dwaling of ontrouw is het boek met de woorden van de Heere.
De Bijbel is door de smeltoven van vervolging, literaire kritiek, filosofische twijfel en wetenschappelijke ontdekkingen gegaan. Ze heeft niets verloren, behalve de menselijke uitleggingen die eraan vastzaten zoals slakken aan het kostbare erts. De ervaring van de heiligen heeft haar op elke denkbare manier beproefd, maar zelfs in de hevigste hitte is geen enkele leer of belofte verteerd. Zoals Gods woorden zijn, zo horen ook de woorden van Zijn kinderen te zijn. Willen we in onze omgang met anderen op God lijken, dan moeten we op onze taal letten en in alles wat we zeggen de strengste oprechtheid en reinheid bewaren.
Vers 7. In de handen vallen van een verdorven geslacht, zodat hun wreedheid ons kwelt of hun invloed ons besmet: dat is een kwaad waar we ontzettend bang voor mogen zijn. Maar de tekst ziet dit kwaad aankomen en biedt er een antwoord op. Menige heilige leefde honderd jaar vóór zijn tijd. Het was alsof hij zijn ziel vooruit had geschoten naar een lichtere toekomst en zo aan de nevels van het bewolkte heden was ontkomen. Zonder eer en onbegrepen ging hij naar zijn graf. En kijk! Terwijl geslachten komen en gaan, wordt de held plotseling opgegraven en leeft hij voort in de bewondering en liefde van de besten van de aarde. Voor eeuwig is hij veilig voor het geslacht dat hem brandmerkte als oproerkraaier of hem als ketter verbrandde.
Laat dit ons dagelijkse gebed zijn: dat we boven onze eeuw uitstijgen zoals bergtoppen boven de wolken, en als een naar de hemel wijzende torenspits uitsteken boven de mist van onwetendheid en zonde die ons omringt. O eeuwige Geest, laat in ons het betrouwbare woord van dit vers in vervulling gaan! Ons geloof gelooft die twee geruststellende woorden en roept: “U zult”, “U zult.”
Vers 8. Hier zijn we weer terug bij de bittere bron die de psalmist in de eerste plaats naar de bronnen van het heil dreef: de overheersing van het kwaad. Als de machthebbers verdorven zijn, zullen hun ondergeschikten niet beter zijn. Zoals een warme zon schadelijke vliegen tevoorschijn lokt, zo kweekt een zondaar in eer overal ondeugd. Ons land zou niet zo krioelen van verachtelijke figuren als de zogenaamde “eerbiedwaardigen” het bedrijf niet hun goedkeuring gaven.
Ach, dat de heerlijkheid en overwinning van onze Heere Jezus ons zou aanmoedigen om overal te wandelen en te werken! Gelijk werkt immers op gelijk. Een hooggeplaatste zondaar geeft andere zondaars moed. Zo zal onze verheven Verlosser Zijn heiligen zeker wakker schudden, opbeuren en aanvuren. Gesterkt door één blik op Zijn regerende macht gaan we het kwaad van onze tijd met heilige vastberadenheid tegemoet. En dan bidden we met nog meer hoop: “Help, Heere.”
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Vers 1. “Help, Heere.” Het was hoog tijd om de hemel om hulp te roepen, toen Saul riep: “Ga, dood mij de priesters des HEEREN.” Volgens sommige gezaghebbende godgeleerden beging hij daarmee de zonde tegen de Heilige Geest. Men denkt dat dit de aanleiding was voor het ontstaan van deze psalm. 1 Samuël 22:17. David piekert lang over die slachting en wat eraan voorafging: Doëgs kwaadaardige aangifte, het kleine aantal van zijn trouwe vrienden, de menigte gezworen vijanden aan het hof. Dan barst hij plotseling los met deze woorden: “Help, Heere.” Help, nu het erop of eronder is! De Arabische vertaling heeft: Verlos mij met kracht, als met oorlogswapens, want “de HEERE is een krijgsman.” Exodus 15:3.
— John Trapp.
Vers 1. “De getrouwen.” “Een getrouw man”, als ouder, als bestraffer, als raadgever, iemand “zonder bedrog”: “wie zal hem vinden?” Spreuken 20:6. Kijk goed! Kijk naar jezelf in de spiegel van het Woord. Vindt je naaste of je vriend jou trouw aan hem? Wat zegt onze dagelijkse omgang daarover? Proberen we niet vaak te zeggen wat prettig klinkt, ten koste van de waarheid? Staan onze betuigingen van achting niet soms haaks op wat we werkelijk voelen? In het gewone leven houden we grove overtredingen buiten de deur, maar duizend kleine vergrijpen laten we toe. Juist die breken de muur tussen zonde en plicht af en zijn, gemeten naar Gods maatstaf, echte stappen op verboden terrein.
— Charles Bridges, 1850.
Vers 1. Een “getrouw” mens is eerst trouw aan zichzelf. Daarna is hij trouw aan God, en dan aan anderen, vooral aan de kerk van God. Voor predikanten is dit van het grootste belang.
— Joseph Irons, 1840.
Vers 1. Stel je een zorgzame moeder voor. Er dendert een troep wilde paarden in volle vaart door de straat, en ze ziet haar kind midden op de weg. Meteen grijpt ze het in haar armen en rent met het kind naar huis. Of denk aan de hen die een roofzuchtige wouw boven haar kop ziet: ze begint te kloeken en haalt haar kuikens onder haar vleugels. Zo doet ook God het vaak. Wil Hij een zware ramp over een land laten komen, dan roept Hij Zijn dierbare kinderen eerst bij Zich, en kiest Hij hen eruit. Zijn uitverkoren dienaren neemt Hij weg voordat het kwaad komt.
Zo werd Augustinus weggenomen vlak voordat Hippo, de stad waar hij woonde, werd ingenomen. Pareus stierf voordat Heidelberg werd geplunderd. En Luther werd weggenomen voordat heel Duitsland onder oorlog en bloedvergieten bedolven raakte.
— Ed. Dunsterville, in een preek bij de begrafenis van Sir Sim. Harcourt, 1642.
Vers 1. “Help, Heere; want de godvruchtige houdt op”, enz.:—
Keer terug, o klager, verfoei uw leven niet langer,
En maak uw hart niet door vertwijfeling banger.
Waant u zich op een woeste kust, door rotsen ingesloten,
Waar elk uitzicht is belemmerd en elke weg lijkt afgesloten?
Toch zijn er in het gevallen Israël harten en ogen,
Die dag aan dag, net als u, hun smeekgebed verhogen.
U kent hen niet, maar hun Schepper kent hen allen,
En hoort hun stil gebed, hoe diep zij ook zijn gevallen.
Kom, keer terug, houd moed in uw verdriet,
Werp uw brood op het water, vertrouw: God vergeet u niet..
Want na vele dagen zult u het wederom ontvangen,
En met vreugde oogsten wat u uitzag met verlangen.
— John Keble, 1792-1866.
Vers 1, 2, 4. Kijk eens naar onze markten en kermissen, naar onze onderhandse contracten en afspraken, onze winkels en kelders, onze gewichten en maten. Kijk naar onze beloften en onze plechtige verzekeringen, naar onze politieke trucs en ons gewetenloze machiavellisme, naar het opdrijven van de prijzen van alle koopwaar. En zeg dan zelf of de twaalfde psalm niet net zo goed bij onze tijd past als bij de dagen van de man van God. Toen dreef het huichelen, liegen en doen alsof, het bedrog en de sluwheid van de mensen de psalmist tot deze kreet: “Help, Heere; want er is geen godvruchtige meer: want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen: zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart, die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?”
— R. Wolcombe, 1612.
Vers 2. “Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste; met vleiende lippen spreken zij, met een dubbel hart.” Valse ijver lijkt op een veerman: hij kijkt de ene kant op en roeit naar de andere. Zo iemand wekt de schijn van het ene en heeft het andere in de zin. Jehu liet merken dat hij brandde voor Gods eer, maar hij had het op het koninkrijk van zijn heer gemunt. Zijn ijver voor de dienst van God moest hem alleen naar de scepter van het koninkrijk brengen. Zo liet ook Demetrius zien hoeveel hij van Diana hield, terwijl hij in werkelijkheid de eer van zijn eigen beroep wilde bewaren.
Zo zijn er ook bij ons veel te veel mensen die heel vroom overkomen, terwijl hun hart op heel andere doelen mikt. Maar laten ze één ding zeker weten: de wereld kunnen ze misschien voor de gek houden, en zichzelf ten gronde richten, maar God niet. Hij kent de geheimen van elk hart.
— Gr. Williams, 1636.
Vers 2. “Zij spreken valsheid.” —
“De aarde is trouweloos, de hemel biedt geen schijn,
Gerechtigheid is heengevlucht, de waarheid lijkt verdwenen te zijn!”
— Vergilius’ Aeneis, IV. 373.
Vers 2. “Met een dubbel hart.” De mens is niets dan onoprechtheid, schijn en huichelarij, tegenover zichzelf en tegenover anderen. Hij wil niet dat iemand hem de waarheid zegt, en hij ontwijkt het zelf om haar aan anderen te zeggen. Al die neigingen gaan lijnrecht in tegen recht en verstand, en toch zitten ze diep in zijn hart geworteld.
— Blaise Pascal.
Vers 2. “Met vleiende lippen spreken zij, met een dubbel hart.” Voor een mantel is er geen betere stof dan godsdienst. Niets is zo in de mode, niets levert zoveel op. Het is een livrei waarin een slim man twee heren kan dienen, God én de wereld, en van allebei voordeel kan trekken. Ik dien ze allebei, en in beide dien ik vooral mezelf, want ik speel met allebei een dubbelspel. Voor de ogen van de mensen dient niemand zijn God toegewijder dan ik. Zo bereik ik, te midden van de beste mensen, mijn eigen doelen en dien ik mezelf. In het verborgen dien ik de wereld. Daar ben ik minder streng in de leer, maar met veel meer plezier; door de lusten van haar dienaren te bevredigen bereik ik mijn doel en dien ik mezelf.
Het huis van gebed: wie komt daar vaker dan ik? In alle christelijke plichten: wie staat er sneller vooraan? Ik vast met wie vasten, zodat ik kan eten met wie eten. Ik treur met wie treuren. Geen hand is milder voor de goede zaak dan de mijne, en in hun gezinnen bidt niemand langer en met luider vuur. Zodra mijn naam van heilig leven mijn goede geweten heeft uitgeroepen, kan het mijn zaak nooit aan klanten ontbreken, mijn waren nooit aan een prijs, mijn woorden nooit aan geloofwaardigheid en mijn daden nooit aan lof. Ben ik gierig, dan noemen ze het zorgvuldigheid. Ben ik schraal, dan heet het matigheid. Ben ik zwaarmoedig, dan lijkt het godzalig verdriet. Ben ik vrolijk, dan wordt het geestelijke vreugde. Ben ik rijk, dan zal het wel de zegen zijn op een godvruchtig leven. Ben ik arm, dan is dat vast de vrucht van eerlijke zaken. Spreekt men goed over mij, dan is dat de verdienste van mijn heilige wandel; spreekt men kwaad, dan is het de boosheid van kwaadwilligen.
Zo zeil ik met elke wind mee en haal ik mijn doel, hoe de omstandigheden ook zijn. Deze mantel houdt mij in de zomer koel en in de winter warm, en hij verbergt de vuile zak van al mijn geheime lusten. Onder deze mantel loop ik in het openbaar eerlijk rond, met applaus, en zondig ik in het geheim zonder zorgen en zonder dat iemand zich eraan stoot. Wijselijk regel ik mijn zaken, zonder ooit ontdekt te worden. Ik reis over zee en land om één bekeerling te maken, en zodra hij gemaakt is, maakt hij mij. Op een vastendag roep ik “Genève!”, op een feestdag roep ik “Rome!”. Ben ik arm, dan doe ik alsof ik overvloed heb, om mijn krediet te redden. Ben ik rijk, dan doe ik alsof ik arm ben, om onkosten te besparen.
Meestal ga ik naar schismatische lezingen, want die brengen me het meest op. Daar leer ik nieuwe leerstellingen verspreiden en verdedigen, en ze zorgen ervoor dat ik drie keer per week een maaltijd krijg. Soms neem ik een leugen te hulp, als nieuwe krijgslist om het evangelie te steunen. En onderdrukking geef ik een kleurtje met Gods oordelen over de goddelozen. Liefdadigheid zie ik als een uitzonderlijke plicht, dus niet iets wat je gewoon steeds hoeft te doen. Wat ik in het openbaar afkeur om er zelf beter van te worden, dat doe ik stiekem thuis voor mijn eigen plezier. Maar wacht, ik zie een handschrift in mijn hart dat mijn ziel neerdrukt. Er staan deze droevige woorden: “Wee u, geveinsden.” Mattheüs 23:13.
— Francis Quarles’ “Hypocrite’s Soliloquy”.
Vers 2. “Met vleiende lippen”, enz. De wereld beweert inderdaad dat de samenleving niet kan bestaan als mensen volkomen eerlijk en openhartig tegen elkaar zijn. Volgens haar raakt de goede orde net zo ontregeld als iedereen zegt wat hij wil, zoals in die tijd van Israëls geschiedenis dat ieder deed wat recht was in zijn eigen ogen. Nu is de wereld zeker de beste rechter over haar eigen toestand en bestuur. Ik zal dus niet zeggen hoe lasterlijk zo’n opmerking is. Maar och, wat een beeld schetst ze daarmee van het gebouw van de samenleving: de muren ervan zouden alleen met vleierij en leugens kunnen worden gemetseld en bijeengehouden!
— Barton Bouchier.
Vers 2. “Vleiende lippen.” Toen de wijsgeer Bion eens werd gevraagd welk dier hij het schadelijkst vond, antwoordde hij: “Van de wilde dieren een tiran, en van de tamme een vleier.” De vleier is de gevaarlijkste vijand die we kunnen hebben. Raleigh was zelf hoveling en dus thuis in de hele kunst van het vleien. In zijn eigen loopbaan en lot had hij ontdekt hoe gevaarlijk en misleidend die macht is, hoe diep haar slimheid en hoe nog dieper haar valsheid. Hij zegt: “Een vleier heet een beest te zijn dat bijt terwijl het glimlacht. Maar het is moeilijk hen van vrienden te onderscheiden — ze zijn zo behulpzaam en vol betuigingen: want zoals een wolf op een hond lijkt, zo lijkt een vleier op een vriend.”
— “The Book of Symbols”, 1844.
Vers 2. “Zij spreken met een dubbel hart.” In de oorspronkelijke tekst staat: “Een hart en een hart.” Eén hart voor de kerk, een ander voor de beurs. Eén voor de zondag, een ander voor de werkdagen. Eén voor de koning, een ander voor de paus. Een man zonder hart is een wonder, maar een man met twee harten is een monster. Van Judas wordt gezegd: “Er waren vele harten in één man”; en van de heiligen lezen we: “Er was één hart in vele mensen.” Handelingen 4:32. Dabo illis cor unum: een bijzondere zegen.
— Thomas Adams.
Vers 2. Wie erop rekent dat mensen elkaar trouw blijven terwijl ze God de rug toekeren, komt bedrogen uit. De oorspronkelijke oprechtheid verdwijnt van de aarde samen met de oorspronkelijke godsvrucht. Daarna neemt het eigenbelang de plaats van het geweten in bij alles wat mensen doen, tot de een de ander niet verder vertrouwt dan hij hem met dat belang kan vasthouden.
Daarom wil trouwens bijna niemand dat zijn gezin en zijn personeel ongelovig zijn, ook al zijn velen zelf ongelovig. Ze oordelen, en terecht, dat je alleen op echte christenen kunt bouwen als het gaat om het nauwgezet nakomen van je plichten tegenover anderen.
— George Horne.
Vers 3. “De HEERE snijde af alle vleiende lippen”, enz. Wie er plezier in heeft anderen te bedriegen, merkt uiteindelijk dat hijzelf het meest bedrogen is. Want zodra de Zon der waarheid opkomt, ontmaskert en verteert de helderheid van Zijn opgang in één klap alle huichelarij.
— George Horne.
Vers 3. “Afgesneden lippen en tongen.” Zou hier niet een toespeling kunnen zitten op die vreselijke maar veelzeggende straffen die oosterse koningen gewoon waren aan misdadigers op te leggen? Lippen werden afgesneden en tongen uitgerukt als iemand schuldig werd bevonden aan liegen of verraad. Zó vreselijk zijn de straffen voor de zonde, en oneindig veel vreselijker nog!
— C. H. S.
Vers 3, 4. U hoeft het niet vreemd te vinden als ik zeg dat de Heere de eigenaar van onze lichamen is. Hij heeft er zoveel recht op dat ze meer van Hem zijn dan van ons. De apostel zegt hetzelfde in 1 Korinthe 6:20: “Verheerlijkt dan God in uw lichaam”, dat Gods is. Onze lichamen, en elk lid ervan, zijn van Hem. Want als het geheel van Hem is, is er geen enkel deel uitgezonderd.
Daarom spraken ze hoogmoedig en eigenden ze zich brutaal het eigendomsrecht van God toe, toen ze zeiden: “Onze lippen zijn onze!” Alsof hun lippen niet van Hem waren, Die Heer en Eigenaar is van alles, en alsof zij er zelf de baas over waren en ze mochten gebruiken zoals het hun uitkwam. Dit tartte God. Daarom liet Hij zien welk recht Hij had om over zulke lippen en tongen te beschikken: Hij sneed ze af.
— David Clarkson.
Vers 4. “Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; wie is heer over ons?” Zo ging het precies. Aan de ene kant stonden twaalf arme, ongeleerde mannen; aan de andere kant stond alle welsprekendheid van Griekenland en Rome in slagorde. Van de tijd van Tertullus tot die van Julianus de afvallige is elke vorm van redenaarskunst, geleerdheid en gevatheid ingezet tegen de kerk van God. De uitkomst was dezelfde als in dat bekende verhaal over het dispuut tussen de christelijke boer en de heidense wijsgeer. Die wijsgeer had de verzamelde vaders van een synode uitgedaagd hem het zwijgen op te leggen, maar werd te schande gemaakt door het eenvoudige geloof van de boer: “In de naam van onzen Heere Jezus Christus gebied ik u stom te zijn.”
“Wie is heer over ons?” “Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken?” Exodus 5:2. “Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?” Job 21:15. “Wie is die God, die u zal verlossen?” Daniël 3:15.
— Michaël Ayguan, in J. M. Neale’s Commentary.
Vers 4. “Onze lippen zijn onze.” Wie met God te maken krijgt, moet zichzelf loslaten en God erkennen als zijn eigenaar. Maar diep in mensenharten zit iets anders: we willen van onszelf zijn. We willen niet toegeven dat God aanspraak op ons maakt: “Onze lippen zijn onze.” Goddeloze mensen konden hetzelfde net zo goed zeggen van hun hele bestaan: onze lichamen, onze kracht, onze tijd, onze gaven en noem maar op, alles is van ons, en wie is heer over ons?
— John Howe.
Vers 4. Uit de fouten van de goddelozen moeten we drie tegengestelde lessen leren. Eén: niets van wat we hebben is van onszelf. Twee: alles wat God ons gegeven heeft, is bedoeld om Hem ermee te dienen. Drie: wat we ook doen of zeggen, boven ons staat een Heer aan Wie we moeten antwoorden zodra Hij ons ter verantwoording roept.
— David Dickson.
Vers 5. “Om de verwoesting der ellendigen”, enz. Soms blazen en puffen onderdrukkers en vervolgers tegen het volk van God. Ze tarten en bespotten hen en denken hen met één stoot van hun adem weg te kunnen blazen. Dan zal God opstaan ten oordeel, zoals de Chaldeeuwse vertaling het weergeeft. Juist op het allerlaatste ogenblik, wanneer alles verloren lijkt en het arme, onderdrukte en getergde volk van God niets anders kan doen dan zuchten en wenen, en wenen en zuchten, dan zal de Heere opstaan en hen van hun onderdrukking bevrijden. Hun dag van uiterste nood maakt Hij dan tot een prachtige gelegenheid om te werken tot Zijn eigen eer en tot het welzijn van Zijn volk.
Mattheüs 22:6, 7: “En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen. Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.”
— Thomas Brooks.
Vers 5. Wees bang, wie je ook bent, die de armen onrecht doet! Je hebt macht, rijkdom en de gunst van de rechters. Maar zij hebben de sterkste wapens die er zijn: zuchten en kermen, waarmee ze hulp uit de hemel halen. Die wapens graven huizen af, werpen fundamenten omver en doen hele volken ineenstorten.
— Chrysostomus.
Vers 5. “Om het kermen der nooddruftigen zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE.” Geen enkele genade is zo klein of zo gering dat God haar over het hoofd ziet. Elke goede neiging in een van Zijn knechten merkt Hij op. Zijn naam vrezen is niet iets groots, en toch rust daar een belofte op. Aan Zijn naam denken is nog kleiner, en toch wordt dat opgeschreven in een “gedenkboek”. God houdt precies bij hoeveel goede gedachten een arme ziel heeft gehad. Kwade gedachten van goddeloze mensen vallen Hem ook op – het zijn de eerste vruchten van een boos hart (Mattheüs 15:19). Zo liggen de goede gedachten juist bovenop, en die laten het beste zien dat een hart goed is.
Een wens is iets kleins, zeker de wens van een arme. Toch let God op de wens van den arme, en een goede wens noemt Hij zelfs de grootste weldadigheid: “De wens des mensen is zijn weldadigheid.” Een traan maakt bijna geen geluid, en toch heeft hij een stem: “De HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.” Het is geen mooi water, en toch bewaart God het in een fles. Een zucht is armzalig, en toch is het soms het mooiste deel van een gebed (Romeinen 8:26). Een zucht is dan ook weinig, maar God wordt erdoor wakker geschud en in beweging gebracht. Psalm 12:5. Een blik is nóg minder, en toch wordt die gezien (Jona 2:4). Ademhalen is weer minder, en toch kon de kerk in haar nood niet meer zeggen (Klaagliederen 3:56). Hijgen is minder dan ademen: het is wat iemand overhoudt die geen adem meer heeft. En toch is dat soms het enige waar de godvruchtigen nog op kunnen wijzen. Psalm 42:1.
Een godvruchtig mens wordt vaak getekend aan de hand van zijn kleinste trekken, zijn quod sic. Zalig zijn de armen, de zachtmoedigen, zij die treuren en zij die hongeren en dorsten. Hanna bad nooit mooier dan toen ze geen woord meer kon uitbrengen en alleen nog riep: “Hard, hard hart.” De tollenaar bad nooit mooier dan toen hij op zijn borst sloeg en riep: “Heere, wees mij zondaar genadig.” En Maria Magdalena bad nooit mooier dan toen ze achter Christus kwam, neerzat, huilde en zweeg. Wat klinkt muziek over het water zoet! Wat zijn de laagste dalen vruchtbaar! Treurende harten zijn het meest muzikaal, en de laagsten dragen de meeste vrucht.
De goede herder zorgt het meest voor Zijn zwakke lammeren en Zijn krachteloze schapen. Een vader steekt de meeste zorg in zijn kleinste kind, en een moeder waakt het langst bij het zieke kind. Wat een troost zit er in die woorden van onze Zaligmaker: “Het is niet de wil uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga!” En de hemel staat alleen open voor wie worden als een klein kind.
— John Sheffield, 1654.
Vers 5. “De verwoesting der ellendigen.” Wie arme mensen brutaal en wreed onderdrukt, begaat een zonde die verwoestende, vernietigende oordelen over een heel volk brengt. God stuurde tien verwoestende oordelen, het ene na het andere, over Farao, zijn volk en zijn land. Zo wreekte Hij de wrede onderdrukking van Zijn arme volk. “Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort. Want de HEERE zal hun twistzaak twisten.” Spreuken 22:22, 23.
Rijken beroven en onderdrukken is een grote zonde, maar armen beroven en onderdrukken is nog erger. En wie een arme berooft en onderdrukt, juist omdat hij arm is en geen geld heeft om zijn recht te kopen, bereikt het toppunt van onmenselijkheid en goddeloosheid. Iemand onderdrukken is zonde, maar iemand die al onderdrukt wordt nóg verder onderdrukken is het toppunt van zonde. Armoede, gebrek en ellende zouden ons medelijden moeten wekken. Onderdrukkers maken er een slijpsteen van voor hun wreedheid en hardheid. Daarom zal de Heere de zaak van Zijn arme, onderdrukte volk tegen hun onderdrukkers bepleiten, zonder honorarium en zonder angst. Ja, Hij zal hun zaak bepleiten met pestilentie, bloed en vuur.
Gog was zo’n groot onderdrukker van de armen (Ezechiël 38:8-14), en God pleit tegen hem met pestilentie, bloed en vuur (vers 22): “En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.”
— Thomas Brooks.
Vers 6. “De woorden des HEEREN zijn reine woorden”, enz. Wat een mooie opening van dit vers, zo scherp tegenover alles wat eraan voorafging! Spreken zondaars ijdelheid? Laten de heiligen dan spreken over Jezus en Zijn evangelie. Spreken zij onreine taal? Laten de gelovigen dan de reine woorden van God gebruiken. Die zijn als zilver: hoe vaker je ze gebruikt en in het vuur smelt, hoe kostbaarder ze worden. Het is waar dat verachters God en Zijn woord als onzin afdoen. Maar wat een onbekende schat zit er in het Woord, in de beloften en in het verbond met alles wat van Jezus is! Ze zijn aantrekkelijker dan goud, ja, dan veel fijn goud, en zoeter dan honing en honingzeem.
— Robert Hawker.
Vers 6. “De woorden des HEEREN zijn reine woorden”, enz. Wie zilver goed wil zuiveren, houdt het telkens opnieuw in het vuur, zodat het grondig getoetst wordt. Zo gaat het ook met Gods waarheid. Er is bijna geen waarheid die niet keer op keer op de proef is gesteld. Zit er nog een beetje schuim aan, dan trekt God haar opnieuw in twijfel. Zijn er vroeger Schriftplaatsen aangehaald die niets bewezen, dan moet die waarheid weer in het vuur, zodat het schuim wegbrandt. De Heilige Geest is zó nauwkeurig, zó fijngevoelig, zó precies, dat Hij geen valsheid duldt tussen de waarheden van het evangelie. Daarom laat God al eeuwenlang vroegere stellingen opnieuw onderzoeken: er zit altijd wel ergens schuim aan, hetzij in de manier waarop de opvattingen zijn verwoord, hetzij in de Schriftplaatsen die ervoor werden aangehaald en voor goed doorgingen. Hij houdt niet op voordat Hij alles gelouterd heeft.
Neem de leer van Gods vrije genade. Die is steeds opnieuw beproefd. Pelagius begint, en hij mengt zijn eigen schuim erdoor: genade is volgens hem niets anders dan de natuur van de mens. Zijn leer werd gelouterd en een groot deel van het schuim verdween. Daarna komen de semi-Pelagianen, die de inzet als het ware delen. Ze zeggen dat de natuur niets kan zonder genade, maar laten haar wel meewerken met de genade en evenveel invloed uitoefenen. Ook dat schuim werd verbrand. De Papisten nemen dezelfde strijd op. Ze willen geen Pelagianen en ook geen semi-Pelagianen heten, en toch mengen ze schuim. Dan komen de Arminianen, die het pausdom op dit punt opnieuw zuiveren, maar ook zij mengen schuim. God wil deze waarheid zevenmaal door het vuur halen, totdat Hij haar zo zuiver laat zien als maar kan. En ik zeg: dat is omdat deze waarheid zo kostbaar is.
— Thomas Goodwin.
Vers 6. De Schrift is de zon en de kerk is de klok. We weten dat de zon zeker en regelmatig haar baan trekt. De klok kan, zoals dat gaat, te snel of te langzaam lopen. Zouden we niet iemand dwaas noemen die zegt liever de klok te vertrouwen dan de zon? Zo kunnen we ook niet anders dan de lichtgelovigheid afkeuren van mensen die liever op de kerk vertrouwen dan op de Schrift.
— Bisschop Hall.
Vers 6. “De woorden des HEEREN zijn reine woorden.” Mensen kunnen losse stukken uit het Boek bekijken en zich vermaken met dingen die op het eerste gezicht verkeerd lijken, om dan maar een oogje dicht te knijpen. Maar laten ze het lezen, laten ze het héle Boek lezen! Laten ze goed bedenken tot wie de verschillende gedeelten gericht waren, hoe oud de wereld toen was, onder welke omstandigheden de onderdelen zijn geschreven en welke bedoelingen er zijn, zelfs achter de gedeelten die een ongelovige het meest tegenstaan. Dan raken ze er met goede redenen van overtuigd dat dit Boek niet uit het hart van een bedrieger komt, maar van mannen die schreven “als zij van den Heiligen Geest gedreven werden”.
Laten ze het zo streng onderzoeken als ze willen, als hun onderzoek maar goed geïnformeerd is, verstandig is aangepakt en eerlijk en oprecht gebeurt. Dan hebben wij niets te vrezen voor de uitkomst. Sommige gedeelten hebben door onwetendheid en dwaasheid een geforceerde, onnatuurlijke uitleg gekregen. Onreine geesten hebben erin gekeken en zagen schaduwen, weerkaatst door hun eigen onreinheid. Montesquieu zei van Voltaire: Lorsque Voltaire lit un livre, il le fait, puis il écrit contre ce qu’il a fait: “Wanneer Voltaire een boek leest, maakt hij het tot wat hij wil, en schrijft dan tegen wat hij gemaakt heeft.” Het is niet moeilijk om de bladzijden van de Bijbel te besmeren en te bekladden, en de vuile vlekken die mensen met een verdorven geest erop hebben gegooid, de vlekkeloze Auteur ervan aan te rekenen. Maar kijken we er eerlijk naar zoals het is, dan zullen we merken dat het Boek, net als de Auteur ervan, zonder gebrek en zonder vlek is.
— Gardiner Spring, D.D.
Vers 6. “De woorden des HEEREN zijn reine woorden: zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.” Deze uitdrukking kan twee dingen inhouden: ten eerste dat het woord volkomen betrouwbaar is, en ten tweede dat het helemaal zuiver is. Eerst de betrouwbaarheid: goud blijft heel in het vuur als het schuim is weggebrand. Lege inbeeldingen helpen ons niet als het benauwd wordt. Maar het woord van God blijkt voortreffelijker naarmate het meer wordt beproefd. De belofte wordt op de proef gesteld, net zoals wij in diepe verdrukking op de proef worden gesteld. Maar dan blijkt ze volkomen zuiver. “Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen” (Spreuken 30:5). Zuiver goud verliest niets in het vuur, en zo verliezen de beloften niets als ze beproefd worden. Ze blijven bij ons, ook in onze allergrootste moeilijkheden.
Ten tweede wijst het op de zuivere volmaaktheid van het woord. Zilver en goud dat vaak gelouterd is, bevat geen schuim meer. Zo zit er ook geen enkel gebrek in het woord van God.
— Thomas Manton.
Vers 6. Zo vertaalt Fry dit vers:—
De woorden van Jehova zijn zuiver en klaar,
Als zilver, gelouterd, gelouterd zevenmaal daar.
Als goud, van alle smetten en onreinheid bevrijd,
Beproefd en gelouterd, volkomen in zuiverheid.
Het woord (Hebr.) wordt soms gebruikt voor de zuiverheid van zilver, maar is eigenlijk eerder een bijvoeglijk naamwoord bij goud. Dat komt door de bijzondere manier waarop goud van de grond wordt gescheiden: door het steeds opnieuw te wassen en af te gieten.
— John Fry, bij dit vers.
Vers 6. “Zevenmaal.” Ik moet toegeven dat er in dit “zevenmaal” een geheimzinnige betekenis kan zitten. Het kan een toespeling zijn op de zeven tijdperken van de kerk, of op de volmaaktheid die in het getal zeven besloten ligt. Die volmaaktheid zal de kerk bereiken wanneer Jezus Christus wordt geopenbaard. Wie de profetische uitleg van de zeven zendbrieven in het boek Openbaring aanvaardt, zal dit des te gemakkelijker erkennen.
— W. Wilson, D.D., bij dit vers.
Vers 8. “Wanneer de snoodsten der mensenkinderen verhoogd worden”: in het Hebreeuws letterlijk: snoodheden, outidanoi, het abstracte voor het concrete, quisquiliae, outidanoi. Het gebeurt maar al te vaak dat juist lege vaten bovendrijven, dat rotte palen worden verguld met namaakgoud en dat de slechtste onkruiden het mooist opschieten. Kaf stijgt op in de wan, terwijl het goede koren onderaan de hoop blijft liggen, laag bij de voeten van de wanner. Waarom lopen goddeloze mensen overal “rond”, zo levendig en druk bezig (en wie anders dan zij?). Het antwoord is: omdat schooiers en woestelingen omhoog zijn gekomen. Zie Spreuken 28:12, 18 en 29:2.
Verkoudheid en zinking zakken van het hoofd naar de longen en putten het hele lichaam uit. Zo gaat het ook in het lichaam van de staat. En zoals een vis eerst bij de kop begint te rotten en dan overal, zo gaat het hier ook. Anderen vertalen: “Wanneer zij (dat wil zeggen de goddelozen) verheven worden”. Dan is het een “schande voor de mensenkinderen”: andere mensen, die vooruitgang beter verdienen, worden dan niet alleen genegeerd, maar zelfs gemeen behandeld door zulke nietswaardige eerzuchtigen. Hoe hoger die klimmen, hoe meer ze – als apen – hun lelijkheid laten zien.
— John Trapp.
Vers 8. Zo vertaalt Good dit vers:— Zullen goddelozen in alles zegevieren, Zal het droesem der aarde bovenaan triomferen?
De grondtekst is hier letterlijk weergegeven. (Hebr.) betekent “droesem, bezinksel, afval.” (Hebr.) is hier een bijwoord en betekent eerder “bovenaan” dan “verheven”.
— J. Mason Good, bij dit vers.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
Vers 1. “Help, Heere.”
I. Het gebed zelf: kort, veelzeggend, op tijd, goed gericht en vurig.
II. De gelegenheden waarbij je het kunt gebruiken.
III. De manieren waarop het verhoord wordt.
IV. Redenen om een genadig antwoord te verwachten.
Vers 1. De eerste twee zinsdelen. Een tekst voor de begrafenis van een uitnemend gelovige, om bij het graf te gebruiken.
Vers 1. Het hele vers als tekst.
I. Het betreurde feit: beschrijf de godvruchtigen en getrouwen, en laat zien hoe zij wegvallen.
II. Het gevoel dat dit wekt: rouw om het verlies, vrees voor de kerk, een persoonlijke behoefte aan zulke metgezellen, en een beroep op God.
III. De voorgevoelens die dit oproept: het mislukken van de zaak, naderende oordelen enz.
IV. Het geloof dat overblijft: “Help, Heere.”
Vers 1. Eer geven aan God en eerlijk zijn tegenover mensen horen nauw bij elkaar: ze nemen samen af.
Vers 2 (eerste zinsdeel). Een toespraak over de overmacht en de schade van ijdel gepraat.
Vers 2. Het hele vers. Het verband tussen vleierij en verraad.
Vers 2. “Een dubbel hart.” Goede en verkeerde soorten harten, en de ziekte van dubbelhartigheid.
Vers 3. Gods haat tegen die tweelingzonden van de lippen: vleierij en hoogmoed (dat is zelfvleierij). Waarom Hij ze haat. Hoe Hij die haat laat zien. In wie Hij ze het meest haat. Hoe we ervan gereinigd worden.
Verzen 3 en 4.
I. De opstand van de tong: haar aanspraak op macht, zelfbezit en vrijheid. Zet hier de belijdenis van de gelovige tegenover: “wij zijn niet onze eigen.”
II. De manier waarop ze in opstand komt: “vleierij en hoogmoedige dingen spreken.”
III. Het einde van haar verraad: “afgesneden.”
Vers 5. De Heere opgestaan. Hoe! Waarom! Wat nu! Wanneer!
Vers 5. Het laatste zinsdeel. Het bijzondere gevaar van gelovigen door hen die hen verachten, en hun bijzondere veiligheid. Een goed praktisch onderwerp.
Vers 6. De zuiverheid, de beproeving en de bestendigheid van de woorden des Heeren. Zeven smeltkroezen waarin gelovigen het woord op de proef stellen. Even nadenken, en je vindt ze zelf wel.
Vers 7. Bewaring voor Zijn volk, in dit leven en tot in eeuwigheid. Een zeer veelzeggend thema.
Vers 8. Zonde op hoge plaatsen is bijzonder besmettelijk. Roep rijken en vooraanstaanden op om aan hun verantwoordelijkheid te denken. Dankbaarheid voor eerlijke heersers. Onderscheidingsvermogen bij de keuze van onze vertegenwoordigers of stedelijke bestuurders.
WERKEN OVER DE TWAALFDE PSALM
In “A Godly Meditation upon XX select Psalms … … … … By Sir ANTHONY COPE, Knight, 1547”, een dun kwarto in gotische letter, staat een uitleg, of liever een overdenking, over deze psalm. Herdrukt in 1848.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

