Een preek uitgesproken op donderdag 29 april 1886 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Mattheüs 28:18
Ik wil uw aandacht vooral op dit ene vers vestigen. Toch zal ik ook de rest van het hoofdstuk moeten aanhalen: “Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.”Onze Heere Jezus was tot aan Zijn dood altijd bij Zijn discipelen. Na Zijn opstanding was Hij vaak bij hen, maar niet meer voortdurend. Hij kwam en ging op geheimzinnige wijze: terwijl de deuren gesloten waren, stond Hij er ineens, juist wanneer zij Hem het minst verwachtten. Soms verscheen Hij hun onderweg, soms terwijl zij aan het vissen waren, soms op de afgesproken berg in Galilea.
Bij deze gelegenheid weet ik niet zeker of alleen de elf discipelen bijeen waren, of dat het ging om de bekendere ontmoeting waarbij Hij tot meer dan vijfhonderd broeders tegelijk sprak. Velen die deze tekst goed bestudeerd hebben, achten dat laatste waarschijnlijker. Hoe dan ook, de Heiland maakte het Zich hier heel vertrouwd met Zijn discipelen. De meest juiste vertaling van de tekst luidt: “Jezus kwam bij hen en sprak met hen.” Er was een heilige vertrouwelijkheid in Zijn omgang met hen. Hij sprak met hen als met vrienden.
De heerlijkheid van dat moment was voor hen dat Hij er was, en dat Hij tot hen sprak. Het deed er niet toe waar het was: Hij was daar, en waar Hij Zich ook tot middelpunt van de groep maakt, daar volgt altijd een onvergetelijke samenkomst. Broeders en zusters, ik wenste dat wij altijd naar onze Heere uitzagen. Ik vrees dat wij in onze samenkomsten vaak denken en zeggen: “Die-en-die was er, en die-en-die predikant sprak tot ons.” Maar de beste samenkomst is wanneer Christus er is, en wanneer Hij Zelf, door Zijn Goddelijke Geest, vertrouwelijk tot onze zielen spreekt!
Let op waarover onze Heere tot Zijn discipelen sprak. Hij stond op het punt om van hen weg te gaan. Zijn lichamelijke aanwezigheid zouden Zijn volgelingen niet langer genieten, totdat Hij op dezelfde wijze zou wederkomen als zij Hem naar de hemel hadden zien opvaren. Maar Zijn laatste gesprek, of een van de laatste gesprekken die Hij vóór Zijn hemelvaart met hen had, ging over Hemzelf en Zijn werk.
Het was een moment waarop Hij hen inwijdde in Zijn geheim: Hij legde hun uit welk verbond de Vader tussen Hem en hen had opgericht, en Hij maakte hun de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus bekend, die voortaan hun hele leven zou beslaan. U ziet: Hij begint met tot hen te spreken over Zijn eigen macht: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Wij zijn niet geschikt om voor Christus uit te gaan werken, voordat wij Hem werkelijk zelf kennen, en ook iets weten van de Goddelijke kracht die Hij bereid is ons te geven.
Het is goed voor ons om die les eerst zelf te leren, voordat wij haar aan anderen proberen te onderwijzen. Ga niet uit naar alle volken, voordat u eerst uw binnenkamer bent binnengegaan en gemeenschap met de Meester Zelf hebt gehad. U zult uw opdracht verknoeien, tenzij u fris uit Zijn gezegende tegenwoordigheid vertrekt.
Wat moesten zij dan doen, anders dan voor Hem te handelen? “Gaat dan henen, onderwijst al de volken.” Zij moesten die volken alleen over Hém onderwijzen; Hij zou het grote onderwerp van al hun onderwijs zijn. Het juiste woord is: alle volken tot discipelen máken. Zij moesten hen tot discipelen maken, niet tot hun eigen discipelen, maar tot Zíjn discipelen.
Hij zou de Leraar blijven, de Rabbi, de Meester; zij mochten alleen uitgaan om Zíjn werk te doen, niet hun eigen werk. Broeders, wij mogen niet proberen een eigen partij te vormen waarvan wij zelf het hoofd zijn; wij moeten die gedachte ten diepste verafschuwen! Wij moeten de volken tot Hém verzamelen. Doen wij dat niet, dan zijn wij niet Zijn dienstknechten, maar onze eigen dienstknechten, of liever, onze eigen meesters. Wij zijn afvalligen en trouweloos als wij zo handelen. “Gaat dan henen” en maak alle volken tot discipelen: dat was het bevel van Jezus Christus aan Zijn discipelen.
En wie tot discipel gemaakt waren, moesten gedoopt worden, maar dan in Zijn Naam, samen met die van de Vader en van de Heilige Geest. Wie niet als gelovige in de Naam van de Heere Jezus Christus gedoopt is, is helemaal niet gedoopt. De naam van Christus is onlosmakelijk verbonden met wie op Schriftuurlijke wijze gedoopt wordt.
Zo ziet u: of het nu gaat om prediken, om discipelen maken, of om dopen, wij moeten dicht bij Christus blijven. Heel die lijn door prediken wij Hém, maken wij discipelen vóór Hém, dopen wij in Zíjn Naam.
En wanneer wie tot discipel gemaakt waren, ook gedoopt waren, wat moest er dan gebeuren? “lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” De herderlijke zorg voor de schapen moet altijd in de Naam van onze Heere blijven. Wij stichten geen gemeente in enige andere naam dan de Zijne; wij kennen ook geen regel, orde of tuchtboek dan wat Hij ons heeft nagelaten.
Hij alleen is Koning in Sion, en alleen wat Hij leert heeft gezag. De uitleg die Zijn dienstknechten geven, moeten wij toetsen aan de maatstaven die Hijzelf ons gegeven heeft; maar het woord van de Meester moet in zijn geheel gehoorzaamd en aanvaard worden. “lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Broeders en zusters, er wordt geen echt werk voor Christus gedaan, tenzij wij Hem altijd op Zijn juiste plaats zetten en onszelf op onze juiste plaats houden: Hijzelf de Almachtige Leidsman en Bevelhebber van Zijn volk, en wijzelf Zijn dienstknechten in alles, die er zelfs in de kleinste dingen naar streven om gehoorzaam te zijn aan Zijn geopenbaarde wil!
Merk vooral op dat dit alles moet gebeuren in verbondenheid met Hemzelf: “Ik ben met ulieden al de dagen.” Het is niet genoeg dat u Mijn Evangelie predikt, in Mijn Naam doopt, en aan alle volken leert dat Ik de Heere en Meester van het huis ben en hun gebiedt Mijn wil te gehoorzamen; u moet ook altíjd Mij aan uw zijde hebben. U zult niets doen wat de moeite waard is; u zult uw leven in mislukking doorbrengen, tenzij u voortdurende gemeenschap met Mij onderhoudt. “Ik ben met ulieden al de dagen.”
Dit moet zo blijven totdat deze bedeling eindigt, en zij eindigt alleen doordat wij met Christus verenigd worden op een nog hoger niveau. Dan gaan wij over van Zijn met-ons-zijn naar ons met-Hém-zijn, van geestelijke gemeenschap naar een werkelijke, zichtbare, lichamelijke gemeenschap! Wij zullen aan Hem gelijk zijn, wanneer wij Hem zullen zien zoals Hij is. Hij zal in de laatste dag op de aarde staan; Hij zal heerlijk regeren te midden van Zijn ouden van dagen. Tot die tijd is het ons voorrecht om aan Zijn zijde te blijven, en nooit uit te gaan tenzij wij voelen dat Hij met ons meegaat, zodat ons prediken en onderwijzen in Zijn Naam uitwerking heeft op de harten en gewetens van de mensen.
Ik zou het doel van deze inleiding gemist hebben, als ik deze gedachtelijn niet naar voren had gebracht: wil iemand van ons een opdracht ontvangen voor de dienst van Christus, dan moet die van Christus Zélf komen. Willen wij die opdracht uitvoeren, dan moet dat in trouw aan Christus gebeuren. En hopen wij in die opdracht te slagen, dan moet dat in voortdurende, persoonlijke gemeenschap met Christus zijn.
Wij moeten met Hem beginnen te werken, met Hem blijven werken, en nooit ophouden te werken, totdat Hijzelf komt om ons van deze dienst te ontslaan, omdat er geen verdere behoefte meer aan is! Ach, deden wij al ons gemeentewerk toch maar in de naam van het grote Hoofd van de gemeente! Ach, deden wij al het werk van Christus toch maar bewust in de tegenwoordigheid en in de kracht van Christus!
Nog altijd slechts als inleiding op mijn hoofdthema, vraag ik u een ogenblik stil te staan bij de grote uitspraak die onze Heiland deed: “En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”
“Alle macht.” Lees het, als u wilt, als “alle gezag.” Er wordt niet zozeer kracht mee bedoeld, als wel morele macht. Christus bezit op dit moment een koninklijk gezag: door kracht, dat is waar, maar vooral door recht. Het is de macht die voortkomt uit Zijn verdiensten, uit Zijn heerlijke natuur, en uit de gave van de Goddelijke Geest, Die zonder mate op Hem rust.
Het woord dat wij met “macht” vertalen, heeft een ruimere betekenis. U vindt daar een mooi voorbeeld van in Johannes 1:12: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Daar zou “macht” ook vertaald kunnen worden met “voorrecht,” “recht” of “vrijheid,” en toch terecht als “macht” worden weergegeven.
Christus heeft op dit moment alle rechten in hemel en op aarde; Hij heeft alle heerschappij en overheersing, en Hij heeft natuurlijk ook alle kracht die dat recht ondersteunt. Maar het is geen macht in de zin van louter geweld; het is niet de macht van explosief geweld waarin aardse koningen zich verlustigen. Het is een andere, hogere kracht die Christus heeft: de Goddelijke energie van liefde. Hij bezit op dit moment alle gezag in hemel en op aarde.
“Alle macht,” zegt Hij, “is Mij gegeven” — dat wil zeggen: Hij heeft het nú. U en ik worden niet uitgezonden om het Evangelie te prediken om macht vóór Christus te verwerven; Hij heeft die macht al. Wij worden ook niet uitgezonden, zoals wij soms zeggen, om de wereld vóór Christus te winnen; in de strikte zin is zij al van Hem. Hij is op dit ogenblik de Koning der heerlijkheid, Hij is al Heere over alles, Koning der koningen en Heere der heren! Alle gezag is aan Hem gegeven.
Ik zal niet proberen uit te leggen wanneer precies het Hem gegeven is, maar ik herinner u eraan dat het gegeven ís. Die grote daad is voltrokken! Onze Heere Jezus houdt in Zijn hand de scepter die Hem macht geeft over alle vlees, zodat Hij eeuwig leven kan geven aan zovelen als de Vader Hem gegeven heeft. Hij heeft al die scepter in Zijn hand, waarmee Hij de volken zal verbreken als met een ijzeren roede, en hen zal verpletteren als een pottenbakkersvat! Hij hoeft niet meer naar Zijn troon te gaan; Hij zit er al op. Hij hoeft niet meer gekroond te worden; Hij is al gekroond, zoals wij zeiden, als Koning der koningen en Heere der heren!
“Mij is gegeven alle macht.” Dit is niet zomaar de macht die Christus van nature bezit door Zijn Godheid, of een macht die geheel in Zijn menszijn zou passen, want dat zou noodzakelijk beperkt zijn. Het is een macht die past binnen dat gezegende, samengestelde Persoon: de Christus van God. Als de Godmens, de Middelaar tussen God en mensen, is Hem alle macht toebedeeld als beloning voor het lijden van Zijn ziel, grenzeloos gezag, zodat Hij nu kan zeggen: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”
Alle macht “in de hemel” behoort Christus toe; dat wil zeggen: alle macht bij God. U herinnert zich hoe Elia bad en zo de hemel opende; maar de Christus van God is groter dan Elia. U weet hoe mannen Gods gezegend zijn geweest met opmerkelijke kracht en gloed in hun voorbeden; maar de voorbede van Christus is machtiger dan alle voorbeden van al Zijn volk samen. Ja, in zekere zin is Zíjn voorbede de kracht die alle voorbeden van alle heiligen doeltreffend maakt. Hij is het Die kracht legt in hun gebeden en in hun smekingen.
Uiteraard heeft Christus, omdat Hij macht heeft bij God, ook macht over alle heilige engelen en alle reine geestelijke wezens. Alle macht van welke aard dan ook, die met hemelse dingen en hemelse plaatsen te maken heeft, is in Christus’ hand.
Ook op aarde heeft Christus alle macht; dat wil zeggen: Hij is Heere over de hele aarde. “Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.” Hij is Meester van alle voorzienige leidingen; Zijn hand houdt altijd het roer vast en stuurt het schip dat Zijn discipelen draagt.
Hij is Meester van alle koningen en van alle politiek; en wanneer wij soms voor ons geliefde vaderland beven, is daar in werkelijkheid geen reden toe. “De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.” Christus heeft alle gezag over alle mensenkinderen en alle krachten van de natuur. Van de sterren die het voorhoofd van de middernacht verlichten, tot aan de diepste wet die in het binnenste der aarde werkt: de Heere Jezus Christus is Meester over dit alles!
Alle macht, zegt Hij, is Hem gegeven in hemel en op aarde. Dit is een uitspraak die een veel volledigere toelichting zou vragen dan ik u nu, gezien de beschikbare tijd, kan geven. Ik wil deze uitspraak liever op de volgende manier gebruiken.
I. Laat mij allereerst over deze uitspraak van onze Heere zeggen — “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” — dat WIJ ONS DAARIN GROOT VERBLIJDEN.
Ik weet niet of onze Goddelijke Meester ons iets had kunnen zeggen dat ons hart met zoeter vreugde had doen trillen, dan de woorden: “Mij is alle macht gegeven.” Geliefden, wenst u niet dat alle macht gegeven wordt aan Hem Die wij liefhebben? Ik erken dat niets mij méér doet verblijden dan het feit dat Hij regeert.
Ik ken geen droefheid zo groot als de droefheid van te zien hoe Zijn waarheid in het slijk vertrapt wordt, en ik ken geen vreugde die mijn ziel zo doet opspringen als de wetenschap dat Jezus nog steeds als Koning gezeteld is op de heilige berg van Sion, dat Hij nog steeds regeert, en dat “Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.” Is er enige macht die u zou willen achterhouden van Hem? Is er enige macht die u liever aan iemand anders zou toevertrouwen?
Is het niet de vreugde van uw ziel te bedenken dat Hij dit kon zeggen, zelfs toen Hij nog hier onder de mensen woonde, vóórdat Hij tot de Vader was opgevaren, terwijl Hij nog als de anderen sprak met Zijn arme discipelen: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”? Voelen wij niet de drang om te roepen: “Halleluja! Halleluja!” als wij weten dat dit werkelijk zo is?
Ook verheugt het ons, geliefde vrienden, te weten dat alle macht in de handen van Christus is, omdat wij zeker weten dat zij op de juiste manier gebruikt zal worden. Macht in de handen van sommige mensen is gevaarlijk, maar macht in de handen van Christus is gezegend. Laat Hem toch alle macht hebben! Laat Hem ermee doen wat Hij wil, want Hij kan niets anders willen dan wat recht, rechtvaardig, waar en goed is.
Geef Hem onbeperkte soevereiniteit! Wij willen geen beperkte monarchie, wanneer Christus Koning is. Nee, zet elke kroon op dat dierbare hoofd, en laat Hem onbeperkt heersen, want er is niemand als Hij. Hij is heerlijker dan alle mensenkinderen, en het is onze vreugde te weten dat Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde!
Dit geeft ons ook een goede reden om vaak tot Hem te gaan. Ik houd ervan te bedenken dat alle macht in Hem is en niets in mij, want nu kan ik niet bij Hem wegblijven. Ik moet wel bij Zijn deur kloppen, en als Hij mij vraagt waarom ik zo vaak kom, moet ik antwoorden: “Het kan niet anders, mijn Heere, want alle macht is bij U! Had ik zelf de macht om voor mijzelf te zorgen, dan zou ik dat misschien proberen; maar omdat ik zonder U van honger zou sterven, moet ik voor elke maaltijd en elke hap bij U komen, ja, voor elke ademtocht en elke hartslag.”
Ja, juist omdat Christus alle macht gegeven is, verblijden wij ons dat wij altijd tot Hem mogen gaan! Zult u een klein kind bestraffen omdat het naar zijn moeders borst verlangt? Hoe kan het leven zonder zijn natuurlijke voeding? En kunt u onze zwakheid bestraffen, omdat zij zich vasthoudt aan de Almacht van Christus?
Wij zijn ook blij dat Hem alle macht gegeven is, omdat Hij zo gemakkelijk te bereiken is. Het is moeilijk voor wie in nood zijn om met koningen te spreken, maar het is niet moeilijk om hun noden aan de Koning der koningen bekend te maken. Het is niet gemakkelijk om een verzoekschrift aan een aardse vorst voor te leggen, maar het is heel anders met wie hun verzoeken willen brengen bij de Vorst Immanuel.
Zijn deur staat altijd open voor wie tot Hem komen, en Zijn oor en hart zijn altijd bereid om naar hun smekingen te luisteren. Roep Hem aan wanneer u wilt: Hij zal u nooit afwijzen! Kom tot Zijn kracht wanneer u maar wilt: die kracht zal naar uw zwakheid toestromen, en u sterk maken in de Heere en in de kracht van Zijn macht. Deze eerste gedachte laat ik bij u achter: wij verheugen ons dat Christus alle macht gegeven is.
II. Ten tweede ZIEN WIJ DE PRAKTISCHE UITWERKING VAN DEZE WAARHEID: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen.”
Ik ben broeders en zusters tegengekomen die de Bijbel andersom proberen te lezen. Zij zeggen: “God heeft een plan dat zeker vervuld zal worden; daarom zullen wij geen stap verzetten. Alle macht is in de handen van Christus; daarom zullen wij stilzitten.” Maar zo leest Christus deze tekst niet! Er staat: “Mij is alle macht gegeven, gaat dan henen, en doe iets.”
“Maar Heere, wat wilt U van ons, terwijl U alle macht heeft? Wij zijn zulke arme, onbeduidende, onbruikbare schepsels, dat wij alles wat wij ondernemen zeker zullen verknoeien.” “Nee,” zegt de Meester, “Mij is alle macht gegeven, gaat dan henen.” Hij zet ons in beweging, juist omdat Hij alle macht heeft!
Ik weet dat velen van ons geneigd zijn stil te blijven zitten en te zeggen: “Alles gaat mis, de wereld wordt steeds donkerder, en alles gaat achteruit.” Wij zitten dan samen te treuren in de heerlijkste ellende, en proberen elkaar juist verder de diepte in te moedigen! Doen wij dat niet vaak? Helaas, het is zo, en wij voelen ons prettig bij de gedachte dat anderen zich in gezegende harmonie van ellende bij ons zullen voegen; of proberen wij ons een beetje in te spannen, dan voelen wij toch dat er niet veel goeds in onze dienst zit, en dat er weinig van kan komen.
Deze boodschap van onze Meester lijkt mij op het geluid van een trompet. Ik heb u de klanken van een citer gegeven, maar nu klinkt de heldere trompetstoot! Hier is de kracht om u in staat te stellen te “gaan.” Ga daarom weg van uw ashopen, weg van uw as en uw stof. Schud uzelf los van uw zwaarmoedigheid! De hoorn roept: “Zadel en laars aan! Op en weg!” De strijd is begonnen, en elke goede soldaat van Jezus Christus moet vooraan staan voor zijn Aanvoerder en zijn Heere. Omdat Christus alle macht gegeven is, geeft Hij die macht door aan Zijn volk, en zendt Hij hen uit naar strijd en overwinning!
Toch klinkt er nog een andere toon in deze trompetstoot. “Mij is alle macht gegeven, gaat dan henen” — “gaat u.” Wie uit die eerste groep discipelen moet er uitgaan? Is het Petrus, de overhaaste en koppige? Is het Johannes, die soms vuur uit de hemel wil roepen om mensen te verdelgen? Is het Filippus, bij wie de Heiland al zo lang is geweest, en die Hem toch nog niet kent? Is het Thomas, die eerst zijn vinger in de tekenen van de nagelen moet leggen, of hij zal niet geloven?
Toch zegt de Meester tegen hen: “Gaat u; Mij is alle macht gegeven, gaat u dan. U bent voor Mijn doel net zo geschikt als iedere ander zou zijn. Er is geen macht in u, dat weet Ik, maar alle macht is in Mij, gaat u dan.” “Ga, wormpje Jakob, en dors de bergen, want Ik heb u tot een nieuwe scherpe dorssleep gemaakt, met tanden. Ga in al uw zwakheid, want dit is uw kracht, de kracht die in Mij woont! Gaat u, en onderwijst alle volken. Arm, zwak, gebrekkig, zondig — ga toch, want Ik heb alle macht die u ooit nodig kunt hebben.”
“Ga, gaat u,” zegt Christus. “Maar Heere, als wij tot de mensen gaan, zullen zij naar onze paspoorten vragen.” “Neem ze,” zegt Hij, “alle gezag is Mij gegeven in hemel en op aarde. U bent vrij in de hemel, en u bent vrij op aarde. Er is geen plaats — of het nu in het verre Ethiopië is, of in de woestijnen van Scythië, of in het midden van Rome — er is geen plaats waar u niet mag komen! Daar zijn uw paspoorten: alle gezag is Mij gegeven, gaat u dan.”
“Maar Heere, wij hebben meer nodig dan paspoorten, wij hebben een opdracht nodig.” “Hier is uw opdracht,” zegt de Heere, “Mij is alle macht gegeven, en Ik draag die aan u over. Ik heb gezag, en Ik geef u gezag. Gaat u dan, omdat Ik het gezag heb. Ga en onderwijs vorsten en koningen en bedelaars — onderwijs hen allemaal gelijk. Ik stel u aan, Ik machtig u! Zovelen van u die Mij kennen en Mijn liefde in uw harten hebben uitgestort, machtig Ik om te gaan en —
“Zeg het de zondaars rond: / wat een dierbare Heiland ik vond.”
En als zij vragen hoe u het durft, vertel hun dan niet dat de bisschop u gewijd heeft, of dat een synode u een vergunning gaf, maar dat aan uw Meester alle macht gegeven is in hemel en op aarde, en dat u in Zijn Naam gekomen bent!” En niemand mag u dat tegenspreken.
“Bovendien,” zegt de Meester, “zend Ik u uit terwijl Mijn macht u al voorafgaat.” Let daarop, want ik breng het u opnieuw in herinnering. Christus zegt niet: “Ga en verover macht voor Mij op aarde, ga en verwerf macht voor Mij onder de mensenkinderen.” Nee, maar: “Alle gezag en macht zijn al aan Mij toevertrouwd, gaat u dan. Ik zend u naar een land dat geen vreemd koninkrijk is, Ik zend u naar een land dat van Mij is, want alle zielen zijn van Mij. Gaat u naar de Joden of naar de heidenen, zij zijn van Mij; gaat u naar India of naar China, u hoeft niemands toestemming te vragen — u bevindt zich in het land van uw eigen Koning, u bent bezig met de opdracht van uw eigen Koning, en de macht van uw eigen Koning gaat u voor.”
Ik geloof dat wanneer zendelingen naar een land gaan, zij vaak eerder rijpe vruchten mogen oogsten dan bomen moeten planten. Zoals de Heere de horzels uitzond om de weg vrij te maken voor de kinderen van Israël, zo zendt Hij ook vaak vreemde veranderingen — staatkundig, maatschappelijk en godsdienstig — vóór de boden van het kruis uit, om voor hen de weg te bereiden!
En dit is de boodschap die met heldere trompetstoot klinkt tot alle soldaten van Koning Jezus: “Ik heb alle gezag in hemel en op aarde, gaat u dan, zonder twijfel of vragen, en breng het Evangelie aan alle volken, hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.”
Zo verblijden wij ons dus eerst in deze grote uitspraak van onze Heere Jezus Christus, en vervolgens zien wij de praktische uitwerking ervan.
III. Ten derde, en heel kort: WIJ VOELEN DE NOODZAAK ERVAN.
O broeders en zusters, als er hier iemand is die de macht kent die in Christus is om zijn bediening tot enig nut te maken, dan ben ik dat zeker! Ik betreed deze kansel bijna nooit zonder mij erover te beklagen dat ik geroepen ben tot een taak waarvoor ik mij onbekwamer voel dan enig ander mens die ooit geboren is!
Wee mij, dat ik een Evangelie moet prediken dat mij zo overweldigt, en waarvan ik voel dat ik zo onbekwaam ben het te verkondigen! Toch kon ik het niet opgeven, want het zou een nog groter wee voor mij zijn het Evangelie van Jezus Christus niet te prediken. Tenzij de Heilige Geest het Woord zegent, zijn wij die het Evangelie prediken de ellendigsten onder alle mensen, want wij hebben ons aan een onmogelijke taak gewaagd. Wij hebben ons begeven op een terrein waar alleen het bovennatuurlijke ooit baat zal hebben!
Als de Heilige Geest de harten van onze hoorders niet vernieuwt, kunnen wíj dat niet doen. Als de Heilige Geest hen niet wedergeboren doet worden, kunnen wíj dat niet. Brengt Hij de waarheid van God niet in hun ziel, dan konden wij net zo goed in het oor van een lijk spreken! Alles wat wij te doen hebben, gaat ver boven onze eigen kracht; wij moeten onze Meester bij ons hebben, of wij kunnen niets doen!
Wij voelen diep onze behoefte aan deze grote waarheid; wij zeggen het niet slechts, maar worden er elke dag opnieuw, door ons eigen diepe besef van behoefte, toe gedreven om ons erover te verblijden dat onze Heere verklaard heeft: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde,” want wij hebben alle macht nodig! Elke soort macht die er is in hemel en op aarde, zullen wij nodig hebben, voordat wij deze bediening volledig kunnen volbrengen.
Voordat alle volken tot het horen van het Evangelie van Christus gebracht zijn, voordat in elk land van Hem getuigd is, zullen wij de gehele Almacht van God nodig hebben; wij zullen elke kracht in hemel en op aarde nodig hebben, voordat dit volbracht is. Dank God dat deze macht al gereed ligt voor ons gebruik. De kracht die opgewassen is tegen zo’n geweldige taak, is al aanwezig!
IV. Ik moet veel overslaan waarbij ik had willen stilstaan, en zeg daarom vervolgens: WIJ GELOVEN DEZE TEKST, EN WIJ RUSTEN ERIN. “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”
Wij geloven in deze macht en wij rusten erin. Wij zoeken geen andere macht. Er is vaak een verlangen naar grote verstandelijke kracht: men wil “knappe” mensen die het Evangelie prediken. Ach, mijne heren, ik vrees dat het Evangelie meer schade heeft geleden door knappe mensen dan door wat ook! Ik betwijfel of de duivel zelf ooit zoveel onheil in de gemeente van God heeft aangericht als knappe mensen gedaan hebben!
Nee, wij willen wel zoveel verstandelijke kracht hebben als God ons wil geven, maar wij denken aan die tekst: “Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE.” De wereld zal niet gered worden door wereldse wijsheid of door schitterende welsprekendheid; briljante toespraken en dichterlijke volzinnen winnen geen zielen voor Christus. De kracht om dat te doen is de kracht die in Christus is.
En de gemeente van God, wanneer zij bij zinnen is, zoekt geen andere macht; ik bedoel dat zij niet voor koningen en vorsten buigt en roept: “Vestig ons, begiftig ons!” Het is een oud verzinsel dat de koninklijke aanraking “de kwaal van de koning” zou kunnen genezen. Maar het is een oud feit dat de hand van de koning kwaad brengt, telkens wanneer zij als beschermheerschap op de gemeente van Christus gelegd wordt.
Nee, koningen en koninginnen, wij kunnen u missen! Komt u als nederige smekelingen aan de voeten van Jezus, dan zult u behouden worden, evenals uw onderdanen; maar de gemeente van God heeft een Koninkrijk dat niet van deze wereld is, en heeft geen enkele hulp nodig van de koninkrijken van deze wereld. Alle macht voor de uitbreiding van het Koninkrijk van Christus is in Hemzelf; Zijn eigen Persoon draagt Zijn eigen Koninkrijk, en wij zullen naar geen andere bron van gezag gaan om de macht te putten die wij nodig hebben. De gemeente van Christus moet altijd tot Hem zeggen: “Al mijn fonteinen zijn in U.”
En, geliefde vrienden, wij geloven en rusten in deze waarheid, en trotseren elke andere macht. Elke andere macht die zich denkbaar tegen het Koninkrijk van Christus kan stellen, doet er niet toe; nee, zelfs geen enkele windvlaag, want alle macht is al in Christus, en wat Zijn Koninkrijk lijkt tegen te staan, moet slechts de lege naam van macht zijn. Er kan geen werkelijke macht in schuilen, want alle macht is in Hem, zowel in hemel als op aarde!
Omdat dit zo is, weten wij zeker dat zelfs onze zwakheden de voortgang van Zijn Koninkrijk niet zullen belemmeren; nee, wij roemen juist in onze zwakheden, want juist dan wordt de macht van Christus des te meer zichtbaar. Hoe minder wij zelf hebben waardoor het Koninkrijk zou kunnen uitbreiden, hoe duidelijker het wordt dat het Koninkrijk uitbreidt door de macht van de Koning Zelf.
Tegelijk geven wij Hem alle macht die wij hebben, omdat alle macht van Hem is; en alles wat wij ooit bezitten, leggen wij als een schatting voor Hem neer. Wat er ook goeds, glans, licht of kennis in deze wereld is, wij zeggen: “Het behoort allemaal aan Jezus toe.” En wij zetten de brede pijl van onze grote Koning erop, en eisen het voor Hem op.
O geliefde vrienden, waarom zijn wij dan ooit terneergeslagen? Waarom beginnen wij toch te twijfelen aan het uiteindelijke welslagen van de goede zaak? Waarom gaan wij ooit met bonzend hoofd en kloppend hart naar huis, vanwege de kwaden van deze tijd? Moed, mijn broeders, moed! De Koning heeft alle macht, het is onmogelijk Hem te verslaan!
Zojuist viel er, dat weet ik, een vaandeldrager, en over het slagveld zie ik de rookwolken opstijgen. De rechtervleugel van ons leger kan even geschokt zijn, maar de Koning in het midden van het leger rijdt nog altijd op het witte paard van de overwinning — en Hij hoeft het maar te willen, Hij hoeft slechts één woord te spreken, en de vijand zal weggejaagd worden als kaf voor de wind!
V. Ten slotte — en hier had ik graag veel tijd genomen, maar ik kan slechts aanduiden wat ik had willen zeggen. Is het zo dat alle gezag aan Christus gegeven is in hemel en op aarde, dan MOETEN WIJ HET GEHOORZAMEN.
Christus zegt: “Gaat.” Laten wij dan onmiddellijk gaan, naar Zijn Woord, in het spoor dat Gods eigen hand voor ons uitstippelt! Laten wij gaan en alle volken tot discipelen maken; laten wij hun vertellen dat zij van Christus moeten leren, en dat zij gehoorzaam moeten zijn aan Zijn wil. Laten wij ook wie Zijn discipelen worden, dopen, zoals Hij ons gebiedt: “dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.”
Vervolgens, laten wij Hem in alles trouw zijn, en laten wij Zijn discipelen opvoeden in trouw aan Hem: “lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Omdat Hij alle gezag heeft, laten wij geen ander gezag toelaten. Laten wij binnen het huis van de Meester blijven, en ernaar streven de gedachten van de Meester te kennen, Zijn wil te leren, Zijn Boek te bestuderen, Zijn Geest te ontvangen, en laten deze dingen heersen boven alle andere macht.
En laten wij intussen ernaar streven in gemeenschap met Hem te blijven: “Ik ben met ulieden al de dagen.” Laten wij nooit van Hem weggaan. Omdat Hem alle gezag gegeven is, laten wij dicht aan Zijn zijde blijven; laten wij de lijfwachten van Zijn gevolg zijn. Laten wij de dienstknechten zijn die de riemen van Zijn schoenen losmaken, die water voor Zijn voeten brengen, en die zich daardoor zeer geëerd achten. “Ik ben met ulieden al de dagen,” zegt Hij, laten wij dan ook altijd bij Hem zijn.
En laten wij altijd blijven uitzien naar Zijn wederkomst. De laatste woorden van het hoofdstuk wekken deze gedachte op: “tot de voleinding der wereld,” of: van deze bedeling. U weet dat deze bedeling zal eindigen met het glorieuze begin van een lichtere en betere bedeling; laten wij daarom naar die dag blijven uitzien. Dienstknechten, u zult niet goed dienen, tenzij u de wederkomst van uw Meester verwacht! Zegt u: “Hij stelt Zijn komst uit,” dan kunt u beginnen te eten, te drinken, dronken te worden en uw medeknechten te slaan.
Laat het verwachten van de wederkomst van uw Heere u altijd op de tenen houden, met uw lampen gereed en uw lichten brandend; want misschien wordt er vannacht in onze straten de roep gehoord: “Zie, de Bruidegom komt! Gaat uit, Hem tegemoet!” Mochten wij allen zo gereed zijn, dat deze roep de zoetste muziek zou zijn die onze oren ooit konden horen! De Heere zegene u, geliefden, om Christus’ wil! Amen.
Preek nr. 2465· Gehouden 29 april 1886, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 42. Oorspronkelijke titel: ‘Our Omnipotent Leader’. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

