Is het goed met mijn kind? Spurgeon over baby’s en kleine kinderen in de hemel

Een preek uitgesproken op zondagochtend 29 september 1861 door ds. C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Metropolitan Tabernacle Pulpit
HET HEIL VAN VROEG GESTORVEN KINDEREN

Is het goed met het kind? En zij antwoordde: “Het is goed.”
(2 Koningen 4:26 — vertaling gebaseerd op de King James Version)

Het onderwerp van de preek van vanochtend is “De zaligheid van kinderen”. Misschien vindt niet iedereen dit even interessant, maar voor zover ik weet heb ik hier nog niet eerder over gesproken tot deze gemeente. Bovendien vind ik het belangrijk dat de gedrukte prekenreeks onderwerpen bevat die het gehele theologische spectrum bestrijken. Ik ben van mening dat er geen enkel punt in onze bediening overgeslagen mag worden, ook al biedt het slechts troost aan een beperkte groep.

Wellicht heeft het grootste deel van de toehoorders wel eens bittere tranen geweend bij het zien van de kleine kist van hun kind; misschien kan dit onderwerp hen enige troost bieden. Denk bijvoorbeeld aan de goede Sunamitische vrouw die door Gehazi werd gevraagd of het goed met haar ging. Ze rouwde om een verloren kind, en toch zei ze: “Het is goed.” Ze voelde dat deze beproeving gezegend zou zijn. Hij vroeg haar ook naar haar man – oud en op leeftijd, met de dood nabij – en ook daarop antwoordde ze: “Ja, het is goed.”

Toen kwam de vraag over haar kind, dat thuis dood lag, en het beantwoorden daarvan zou haar verdriet kunnen doen herleven: “Is het goed met het kind?” Toch antwoordde ze opnieuw: “Het is goed.” Misschien deed ze dat omdat ze geloofde dat het kind spoedig naar haar terug zou keren en dat zijn tijdelijke afwezigheid het beste was; maar ik denk eerder dat ze ervan overtuigd was dat, wat er ook met zijn ziel was gebeurd, deze veilig was onder Gods hoede, beschut in de schaduw van Zijn vleugels. Zonder angst dat het verloren was, zonder enig vermoeden dat het uit de plaats van gelukzaligheid was verstoten – want dat zou haar volledig hebben weerhouden om zo’n antwoord te geven – zei ze: “Ja, het kind is gestorven, maar het is goed.”

Laat iedere vader en moeder hier ervan verzekerd zijn: ook al heeft God hun kind in de kindertijd tot Zich genomen, u mag erop vertrouwen dat het goed is met het kind. Misschien hebt u het nooit zijn of haar geloof horen belijden – daartoe was het nog niet in staat – het is niet gedoopt in de Heere Jezus Christus en niet met Hem begraven in de doop; het kon niet met een zuiver geweten voor God getuigen. Toch mag u ervan overtuigd zijn dat het kind het goed heeft: in veel opzichten beter dan u, en in alle opzichten, zonder uitzondering, oneindig en eeuwig goed.

U vraagt zich wellicht af: “Welke redenen hebben wij om aan te nemen dat het goed is met het kind?“. Voordat ik daarop inga, wil ik één ding duidelijk maken. Er wordt op goddeloze, bedrieglijke en lasterlijke wijze beweerd dat calvinisten geloven dat sommige jonge kinderen verloren gaan. Degenen die deze beschuldiging uiten, weten dat dit onwaar is. Ik durf niet te hopen – hoewel ik dat graag zou willen – dat zij ons uit onwetendheid in een verkeerd daglicht stellen. Zij herhalen kwaadwillig wat al duizend keer is ontkend en waarvan zij weten dat het niet waar is.

In Calvijns advies aan Knox legt hij het tweede gebod — “Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben” (Ex. 20:6) — uit als een verwijzing naar opeenvolgende generaties. Daaruit lijkt hij af te leiden dat zuigelingen met vrome voorouders, hoe ver die ook teruggaan, gered worden wanneer zij als zuigelingen sterven. Dit zou zonder twijfel het gehele menselijke geslacht omvatten. Wat de moderne calvinisten betreft, ken ik hierop geen uitzondering; wij hopen en geloven allen dat alle die in hun kindertijd sterven, uitverkorenen zijn.

Dr. Gill, die tegenwoordig wordt beschouwd als een toonbeeld van het calvinisme – om nog maar te zwijgen van het ultracalvinisme – suggereert nergens dat ook maar één enkel kind verloren is gegaan. Hij erkent echter wel dat dit een geheimzinnig onderwerp is. Niettemin spreekt hij de overtuiging uit – en hij meent daarvoor grond te vinden in de Schrift – dat allen die in hun kindertijd zijn ontslapen, niet verloren zijn gegaan. Integendeel, zij worden gerekend tot Gods uitverkorenen en zijn aldus de eeuwige rust binnengegaan.

Wij hebben nooit het tegenovergestelde beweerd. Telkens wanneer deze beschuldiging wordt geuit, wijzen wij die van de hand en zeggen wij: “U hebt dit misschien gezegd, maar wij hebben het nooit gedaan; en u weet dat wij het nooit hebben gedaan.“ Als u het aandurft deze laster nogmaals te herhalen, laat de leugen dan op uw gezicht geschreven staan, voor zover u nog in staat bent te blozen. Slechts in zeer zeldzame uitzonderingen – waarvan ik alleen heb gehoord van lasteraars – hebben sommigen geloofd dat zuigelingen verloren zijn, maar wij geloven dat zij het paradijs van God binnengaan.

Vanmorgen wil ik eerst uitleggen op welke manier wij geloven dat zuigelingen worden gered; ten tweede wil ik de redenen daarvoor uiteenzetten; en ten derde wil ik trachten de praktische betekenis van dit onderwerp te belichten.

I. Allereerst: DE MANIER WAAROP WIJ GELOVEN DAT KINDEREN GERED WORDEN.

Sommigen baseren het idee van de eeuwige zaligheid van het kind op diens onschuld. Wij doen dat niet; wij geloven dat het kind in de eerste Adam is gevallen, “Zoals allen in Adam sterven” (1 Kor. 15:22). Alle nakomelingen van Adam, of het nu zuigelingen of volwassenen zijn, werden door hem vertegenwoordigd – hij stond voor hen allen, en toen hij viel, vielen zij allen mee. In het werkverbond dat met Adam werd gesloten, werd geen enkele uitzondering gemaakt voor stervende zuigelingen; en voor zover zij in Adam waren opgenomen, hebben zij, hoewel zij niet gezondigd hebben naar het voorbeeld van Adams overtreding, toch erfzonde. Zoals David over zichzelf zegt: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen” (Ps. 51:7), en dit geldt bijgevolg voor het gehele menselijke geslacht.

Wij geloven dat hun zaligheid niet te danken is aan enige natuurlijke onschuld van hun kant. Zij komen op precies dezelfde manier de hemel binnen als wij; zij worden daar in de Naam van Christus opgenomen. “Niemand kan een ander fundament leggen dan dat wat gelegd is” (1 Kor. 3:11), en wij geloven niet dat er voor het kind een ander fundament bestaat dan dat voor de volwassene. Evenmin geloven wij dat kinderen door de doop de hemel binnengaan – om nog maar te zwijgen van het feit dat wij het besprenkelen van kinderen beschouwen als een menselijke en vleselijke uitvinding, een aanvulling op het Woord van God, en daarom goddeloos en schadelijk. Wanneer dit gepaard gaat met leugens, zoals wanneer kinderen wordt geleerd dat zij door hun doop tot kinderen van God en erfgenamen van het koninkrijk der hemelen worden gemaakt, ontstaat er een ketterij die even verachtelijk is als elke leugen die ooit in de hel is gesmeed of onder de hemel is uitgesproken. Een dergelijke praktijk moet door christenen onmiddellijk worden vermeden.

Wanneer het kind, net als wij, door de dood wordt weggerukt, zal het niet worden gered door rituelen, ceremonies of menselijke wilskracht, maar op een totaal andere grondslag.

Op welke gronden geloven wij dan dat het kind gered is? Wij geloven dat het kind net zo verloren is als de rest van de mensheid, en eveneens onderworpen is aan het oordeel: “Op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven“ (Gen. 2:17 en Gen. 3:17). Het is gered omdat het uitverkoren is. Binnen de gemeenschap van de uitverkorenen, die zijn opgeschreven in het boek des levens van het Lam, geloven wij dat miljoenen zielen slechts kortstondig op aarde verschijnen en vervolgens hun vleugels uitslaan naar de hemel. Zij zijn gered omdat zij zijn verlost door het kostbare bloed van Jezus Christus. Hij die Zijn bloed voor al Zijn volk heeft vergoten, heeft hen gekocht voor dezelfde prijs waarmee Hij hun ouders heeft verlost. Zij zijn gered omdat Christus hun Borg was en in hun plaats heeft geleden.

Zij zijn niet gered zonder wedergeboorte, want: “Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan” (Joh. 3:5) – dit geldt niet alleen voor volwassenen, maar voor ieder menselijk wezen – “tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” Het lijdt geen twijfel dat de Geest van God op wonderbaarlijke wijze de ziel van het kind vernieuwt, waardoor deze geschikt wordt om te delen in de erfenis van de heiligen in het licht. Dit blijkt uit voorbeelden in de Schrift: Johannes de Doper was reeds vanaf de moederschoot vervuld van de Heilige Geest. Hetzelfde wordt gezegd van Jeremia; en over Samuel lezen we dat de Heere hem riep toen hij nog een zuigeling was.

Wij geloven daarom dat, nog voordat het verstand kan werken, God – die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man,  maar door het verborgen werk van Zijn Heilige Geest – de ziel van het kind tot een nieuwe schepping in Christus Jezus maakt. Zo treedt het kind binnen in de rust die voor het volk van God overblijft. Door uitverkiezing, verlossing en wedergeboorte treedt het kind de heerlijkheid binnen, door precies dezelfde deur waardoor iedere gelovige in Christus Jezus hoopt binnen te gaan — en op geen andere wijze.

Als wij niet konden aannemen dat kinderen op dezelfde manier gered worden als volwassenen, als wij zouden moeten veronderstellen dat Gods gerechtigheid geweld zou worden aangedaan of dat Zijn heilsplan aangepast moest worden om aan hun situatie tegemoet te komen, dan zouden wij reden tot twijfel hebben. Maar wij zien dat de ziel van een kind op dezelfde wijze, volgens hetzelfde plan, op dezelfde gronden en door dezelfde Middelaar het aangezicht van de Verlosser in eeuwige heerlijkheid kan aanschouwen. Daarom zijn wij op dit punt volkomen gerust.

II. Dit brengt mij nu bij DE REDENEN WAAROM WIJ VAN MENING ZIJN DAT KINDEREN GERED ZIJN.

Ten eerste baseren wij onze overtuiging grotendeels op de goedheid van Gods aard. Wij stellen dat de tegengestelde leer – namelijk dat sommige zuigelingen verloren gaan – volkomen in strijd is met het beeld dat wij hebben van Hem wiens Naam liefde is. Als wij een God hadden die Moloch heette, als God een tirannieke heerser was zonder welwillendheid of barmhartigheid, dan zouden wij misschien kunnen veronderstellen dat sommige zuigelingen in de hel worden geworpen. Maar onze God, die de jonge raven hoort wanneer zij roepen, zal zeker geen behagen scheppen in het huilen en jammeren van zuigelingen die uit Zijn aanwezigheid zijn verstoten.

Wij lezen over Hem dat Hij zo teder is dat Hij zelfs voor de ossen zorgt, en niet wil dat de os die het graan treedt, een muilkorf krijgt. Ja, Hij zorgt voor de vogel in het nest en wil niet dat de moedervogel wordt gedood terwijl zij op haar jongen broedt. Hij heeft voorschriften en geboden gegeven, zelfs met betrekking tot wezens zonder verstand. Hij voorziet zelfs het meest weerzinwekkende dier van voedsel en verwaarloost de worm niet meer dan de engel. Zouden wij dan, in het licht van zo’n alomvattende goedheid, willen geloven dat Hij de ziel van een kind zou verstoten?

Ik zeg dat dit in directe tegenspraak zou zijn met alles wat wij ooit over Hem hebben gelezen of geloofd; ons geloof zou aan het wankelen worden gebracht door een openbaring die een feit aan het licht zou brengen dat zo volkomen in strijd is met het patroon van al Zijn andere handelingen. Wij hebben geleerd onze meningen nederig aan Zijn wil te onderwerpen, en wij matigen ons niet aan de Heere te bekritiseren of te beschuldigen; wij geloven dat Hij rechtvaardig is, wat Hij ook doet, en daarom zouden wij alle openbaringen van Hem aanvaarden. Maar Hij heeft dit nooit geopenbaard, en ik denk niet dat Hij ons ooit zal vragen zo’n wanhopige sprong in het diepe te wagen – namelijk het goede te zien in de eeuwige ellende van een zuigeling die in de hel is geworpen.

Weet u nog dat Jona – die koppige, opvliegende Jona – Nineve wilde laten vergaan? De reden die God aanvoerde waarom Nineve niet vernietigd mocht worden, was dat er meer dan honderdtwintigduizend kinderen woonden – mensen, zo zei Hij, die hun rechterhand nog niet van hun linkerhand konden onderscheiden. Als Hij Nineve heeft gespaard opdat hun sterfelijk leven behouden zou blijven, denkt u dan dat hun onsterfelijke zielen zomaar verloren zullen gaan? Ik leg het slechts voor aan uw eigen gezond verstand. We hoeven hier niet veel argumenten voor aan te voeren. Zou uw God een kind verwerpen? Als de uwe dat zou kunnen, ben ik blij te kunnen zeggen dat hij niet de God is die ik aanbid.

Voetnoot van de vertaler: In de King James Version (1611) wordt vermeld dat er “six score thousand” kinderen waren (120.000), een aanduiding van de omvang van de jonge bevolking van Ninevé. De Statenvertaling noemt dit aantal niet.

Ook hier zijn wij van mening dat dit volkomen in strijd zou zijn met het welbekende karakter van onze Heere Jezus Christus. Toen Zijn discipelen de kleine kinderen wegstuurden die door hun bezorgde moeders naar Hem waren gebracht, zei Jezus: “Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen” (Matt. 19:14). Hiermee leerde Hij, zoals John Newton terecht opmerkt, dat juist zulke mensen een zeer groot deel van het Koninkrijk der Hemelen uitmaken.

Wanneer we bedenken dat volgens de meest betrouwbare statistieken meer dan een derde van de mensheid al in de kindertijd sterft, wordt de ernst duidelijk. Mogelijk is dit aandeel zelfs nog groter. Als we ook regio’s meetellen waar kindermoord voorkomt, zoals in heidense landen en in China, zou het kunnen dat zelfs de helft van de wereldbevolking sterft vóór het bereiken van de volwassenheid. Tegen die achtergrond krijgt de uitspraak van de Verlosser des te meer kracht: “Want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen”.

Wanneer sommigen mij eraan herinneren dat het Koninkrijk der Hemelen verwijst naar de genadetijd op aarde, antwoord ik: ja, dat is waar, maar het omvat ook diezelfde genadetijd in de hemel. Want hoewel een deel van het Koninkrijk der Hemelen op aarde is, namelijk in de Kerk, is het andere deel – de Kerk boven – evenzeer het Koninkrijk der Hemelen, aangezien de Kerk één is.

Wij weten dat deze tekst vaak wordt aangehaald als argument voor de zuigelingendoop. Maar ten eerste heeft Christus hen niet gedoopt, want “Jezus doopte niet”; en ten tweede hebben Zijn discipelen hen evenmin gedoopt, aangezien zij zich in feite tegen hun komst verzetten en hen wilden wegsturen. Als Jezus het niet deed, en zijn discipelen evenmin, wie deed het dan wel? Het heeft evenmin iets te maken met de doop of de besnijdenis. Noch de tekst, noch de context bevat ook maar de geringste verwijzing naar de doop; en evenmin kan ik, zoals anderen die deze tekst gebruiken om de zuigelingendoop te verdedigen, daaruit logischerwijs de praktijk van de besnijdenis bij zuigelingen afleiden.

Wat het wél laat zien, is dat zuigelingen een groot deel van het huisgezin van Christus uitmaken, en dat Jezus Christus bekendstaat om zijn liefde en vriendelijkheid jegens de kleintjes. Toen zij in de tempel “Hosanna!” riepen, berispte Hij hen toen? Nee, Hij verheugde zich juist in hun kinderlijke kreten. “Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U een sterk fundament gelegd” (Ps. 8:3). Klinkt die tekst niet alsof er in de hemel “volmaakte lof” aan God zal worden gebracht door menigten cherubijnen die hier op aarde waren – uw kleintjes, die u in uw schoot koesterde – en die vervolgens plotseling naar de hemel werden weggerukt?

Ik kan mij niet voorstellen dat de liefdevolle en tedere Jezus tegen kleine kinderen zou zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur!“ (Matt. 25:41) Ik kan mij niet voorstellen dat Hij, wanneer Hij zal zitten om alle volken te oordelen, de kleintjes aan Zijn linkerhand zou plaatsen en hen voor altijd uit Zijn aanwezigheid zou verbannen. Zou Hij zich tot hen kunnen richten en zeggen: ‘Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen?’ (Matt 25:35) Hoe zouden zij dat ooit kunnen doen?

En als de voornaamste reden voor hun verdoemenis ligt in dergelijke nalatigheden – welke zij onmogelijk konden begaan omdat zij niet in staat waren hun plicht te vervullen – hoe kan Hij hen dan veroordelen en verstoten?

Bovendien zijn wij van mening dat de wegen van de genade, wanneer wij erover nadenken, het hoogst onwaarschijnlijk – om niet te zeggen onmogelijk – maken dat de ziel van een zuigeling verdoemd zou worden. Wat zegt de Schrift? “Waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest.“ Zoiets zou men niet kunnen zeggen over een verstoten zuigeling. Wij weten dat God zo overvloedig genadig is dat uitdrukkingen als “de onnaspeurlijke rijkdom van Christus (Ef. 3:8)”, “God die rijk is aan barmhartigheid (Ef. 2:4)”, “een barmhartig en genadig God (Ps. 86:15)” en “de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade (Ef. 2:7)” zonder enige overdrijving of hyperbool volledig op Hem van toepassing zijn.

Wij weten dat Hij goed is voor allen, dat Zijn tedere barmhartigheid zich uitstrekt over al Zijn schepselen, en dat Hij, door Zijn genade “bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken” (Ef. 3:20). Gods genade heeft de grootste zondaars ter wereld bereikt en heeft zelfs de verachtelijksten onder de verachtelijken niet links laten liggen. Zelfs hij die zichzelf de grootste zondaar noemde, heeft deel gekregen aan de liefde van Christus. Alle vormen van zonde en godslastering zijn vergeven.

Hij is in staat geweest om volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan. Is het dan in overeenstemming met een dergelijke genade dat Hij de ontelbare scharen van kleintjes, die het beeld van de aardse Adam in zich dragen, zou voorbijgaan en nooit het beeld van de hemelse Adam in hen zou aanbrengen? Ik kan mij een dergelijke gedachte niet voorstellen. Iedereen die Gods genade heeft geproefd, gevoeld en ervaren, zal, naar mijn mening, instinctief terugdeinzen voor elke andere leer dan deze: namelijk dat zuigelingen die als zodanig sterven, zeer zeker gered zijn.

Eén van de sterkste argumenten is ongetwijfeld het onbetwistbare feit dat de Schrift stelt dat het aantal verloste zielen bij het Laatste Oordeel buitengewoon groot zal zijn. In het boek Openbaring lezen we over een menigte die niemand kan tellen. De psalmist spreekt over hen als zo talrijk als de dauwdruppels die uit de schoot van de ochtend opkomen. Veel passages beschrijven Abraham, de vader van de gelovigen, met een nageslacht dat zo talrijk is als de sterren aan de hemel of als het zand aan de oever van de zee. Christus zal de vrucht van Zijn zielenpijn zien en tevreden zijn; het is zeker geen klein aantal dat Hem voldoening zal schenken.

De kracht van deze kostbare verlossing omvat een grote schare die verlost is. De gehele Schrift lijkt te leren dat de hemel geen kleine wereld zal zijn, dat de bevolking ervan niet zal bestaan uit een handvol mensen, alsof ze uit een oogst zijn geplukt, maar dat Christus verheerlijkt zal worden door tienduizend maal tienduizend mensen die Hij met Zijn bloed heeft verlost. Maar waar moeten al deze zielen vandaan komen? Hoe klein is het deel van de wereld dat christelijk genoemd kan worden! En binnen dat deel, hoe klein is het deel dat werkelijk de naam van gelovige draagt! Hoevelen hebben slechts een formele band met de Kerk van Christus? Hoevelen zijn huichelaars en kennen de waarheid niet!

Ik zie niet in hoe dit mogelijk zou zijn, tenzij het duizendjarig vrederijk spoedig zou aanbreken en veel langer dan duizend jaar zou duren; ik kan mij niet voorstellen hoe zo’n enorm aantal de hemel zou kunnen binnengaan, tenzij men ervan uitgaat dat de zielen van zuigelingen de overgrote meerderheid vormen. Het is voor mij een troostende gedachte dat er meer mensen gered zullen worden dan verloren gaan, want in alle dingen moet Christus de eerste plaats hebben. Waarom zou dat hier anders zijn?

Een bekende theoloog zei eens dat het aantal mensen dat verloren gaat misschien wel klein is in vergelijking met het aantal dat wordt gered — net zoals er in een goed bestuurd land maar weinig mensen in de gevangenis zitten vergeleken met het aantal dat vrij rondloopt. Ik hoop dat dit inderdaad zo zal blijken te zijn. In elk geval is het niet aan mij om te vragen: “Heere, zijn het er maar weinigen die gered worden?” De poort is smal, maar de Heere weet hoe Hij duizenden erdoorheen kan leiden zonder haar breder te maken, en wij mogen niet proberen iemand uit te sluiten door haar nog smaller te maken.

O, ik weet dat Christus de overwinning zal behalen en dat, aangezien Hij gevolgd wordt door ontelbare scharen, de zwarte vorst van de hel nooit zoveel volgelingen zal hebben in zijn sombere stoet als Christus in Zijn heerlijke triomf. En als dat zo is, dan moeten wij wel aannemen dat de kinderen gered worden. Ja, broeders, zelfs als het anders zou lijken, mogen wij toch geloven dat zij gered zullen worden, omdat wij diep vanbinnen overtuigd zijn dat zij tot de gezegenden behoren en eenmaal bij Christus zullen wonen.

Nu nog een paar terloopse zaken uit de Schrift die ook enig licht op dit onderwerp lijken te werpen. U bent het geval van David vast niet vergeten. Zijn kind bij Batseba moest sterven als straf voor de overtreding van de vader. David bad, vastte en kwelde zijn ziel; uiteindelijk vertelden ze hem dat het kind dood was. Hij vastte niet meer, maar zei: “Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen” (2 Sam. 12:23).

Waar verwachtte David nu heen te gaan? Natuurlijk naar de hemel. Dan moet zijn kind daar zijn geweest, want hij zei: “Ik zal wel naar hem toe gaan.” Ik hoor hem niet hetzelfde zeggen over Absalom. Bij diens lijk sprak hij niet: “Ik zal wel naar hem toe gaan”; voor die opstandige zoon had hij geen hoop. Over dit kind sprak hij niet: “Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!” Maar wat de baby betreft, kon hij dat met het volste vertrouwen loslaten, want hij zei:“Ik zal wel naar hem toe gaan.” Het is alsof hij zei: “nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, al ga ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; ik zal naar mijn kind gaan, en in de hemel zullen wij weer met elkaar verenigd worden.”

U herinnert zich wellicht de voorbeelden die ik eerder heb aangehaald, waarin wordt gesteld dat kinderen al vanaf de baarmoeder geheiligd waren. Dit werpt een nieuw licht op het onderwerp: het toont aan dat het niet onmogelijk is dat een kind, terwijl het nog een zuigeling is, deel heeft aan de genade. Dan is er nog de passage: “Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt U voor Uzelf lof tot stand gebracht” (Matt. 21:16). De uittocht uit Egypte was een voorafschaduwing van de verlossing van het uitverkoren volk, en u weet dat daarbij ook de allerkleinsten moesten meegaan; er mocht zelfs geen enkel dier achterblijven. Waarom zouden kinderen dan bij de grotere verlossing niet meezingen in het lied van Mozes en van het Lam?

Er is ook een passage in Ezechiël — want wanneer wij maar weinig hebben, moeten wij zelfs de kruimels oprapen en doen wat onze Meester deed: de brokstukken verzamelen, opdat niets verloren gaat. In Ezechiël 16:21 berispt God Zijn volk omdat het zijn kleine kinderen aan Moloch heeft overgeleverd en hen door het vuur heeft laten gaan. Over deze kleintjes zegt Hij: “U hebt Mijn kinderen geslacht, en hebt hen overgeleverd om hen door het vuur te laten gaan” (KJV). Zij worden dus Gods kinderen genoemd; die kleintjes, die als zuigelingen stierven in de gloeiend hete armen van Moloch, noemt God “Mijn kinderen.”

Wij mogen dan ook geloven dat Jezus over al diegenen die in deze vroege dagen van hun leven zijn ontslapen, heeft gezegd: “Dit zijn Mijn kinderen.“ En dat Hij ook vandaag, terwijl Hij Zijn schapen naar bronnen van levend water leidt, niet nalatig is Zijn eigen gebod na te leven: “Weid Mijn lammeren”  Joh. 21:15). Ja, ook vandaag draagt Hij “de lammeren in Zijn schoot” (Jes. 40:11), en zelfs voor de eeuwige troon schaamt Hij Zich niet te zeggen: “Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft” (Hebr. 2:13).

Er is nog een andere passage in de Bijbel die ik hier van toepassing acht. In het eerste hoofdstuk van Deuteronomium wordt in de woestijn een dreigement uitgesproken over de kinderen van Israël: zij, met uitzondering van Kaleb en Jozua, zouden het beloofde land nooit zien. Niettemin wordt eraan toegevoegd: “En ook uw kleine kinderen, waarvan u zei: Zij zullen de vijand tot buit worden, en uw kinderen die heden nog geen goed of kwaad kennen, die zullen erin komen. Aan hen zal Ik het geven en zij zullen het in bezit nemen” (Deut 1:39).

Aan u, vaders en moeders die God niet vrezen, die ongelovig leven en sterven, wil ik zeggen: “Uw ongeloof kan uw kinderen de hemel niet ontzeggen, en ik prijs God daarvoor.” Hoewel u geen aanspraak kunt maken op de tekst: ‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal’, toont de geschiedenis aan dat de zonde van het geslacht in de woestijn het volgende geslacht niet uit Kanaän heeft geweerd, maar dat zij daar zeker zijn binnengegaan. Zo zal de zonde van ongelovige ouders niet noodzakelijkerwijs de ondergang van hun kinderen betekenen; door Gods soevereine genade en Zijn overvloedige barmhartigheid zullen ook zij deel krijgen aan de rust die Hij voor Zijn volk heeft bewaard.

Begrijp goed dat ik vanochtend geen onderscheid heb gemaakt tussen de kinderen van godvruchtige en goddeloze ouders. Als zij in hun kindertijd sterven, maakt het mij niet uit wie hun vader of moeder is: zij zijn gered. Ik onderschrijf zelfs niet de theorie van een goede presbyteriaanse predikant die veronderstelt dat de kinderen van godvruchtige ouders een betere plaats in de hemel zouden hebben dan degenen die toevallig uit goddeloze ouders zijn voortgekomen. Daar geloof ik niet in.

Ik ben er niet zeker van of er in de hemel wel rangen bestaan; en zelfs als dat zo zou zijn, ben ik er niet van overtuigd dat dit zou bewijzen dat onze kinderen meer rechten hebben dan anderen. Zij allen, zonder uitzondering, uit wiens lendenen zij ook mogen zijn voortgekomen, zullen, zo geloven wij, niet door de doop, niet door het geloof van hun ouders, maar eenvoudigweg omdat wij allen gered zijn door de uitverkiezing van God, door het kostbare bloed van Christus, door de vernieuwende werking van de Heilige Geest, de heerlijkheid en onsterfelijkheid bereiken, en het hemelse beeltenis dragen zoals zij het aardse beeltenis hebben gedragen.

III. Ik ben nu toegekomen aan de PRAKTISCHE TOEPASSING VAN DE LEER.

Allereerst, laat dit een troost zijn voor rouwende ouders. U zegt dat het een zware last is die u moet dragen. Weet dit: het is gemakkelijker om een dode last te dragen dan een levende. Een levende last dragen is werkelijk een beproeving – een kind hebben dat opstandig is in de kindertijd, wreed in de puberteit en verdorven in de volwassenheid!

Ach, als God maar had gewild dat het kind bij de geboorte was gestorven; als God maar had gewild dat het nooit het daglicht had gezien!

Menig vader is met grijze haren ten grave gedragen vanwege zijn zorgen om zijn nog levende kinderen; ik denk niet dat dit geldt voor zijn overleden kinderen – zeker niet als hij christen is en troost kan putten uit de woorden van de apostel: “Wij zijn niet bedroefd zoals de anderen, die geen hoop hebben” (zie: 1 Thess 4:13).

Zou u uw kind dus hebben willen laten leven? Ach, als u de sluier van het lot had kunnen oplichten en had kunnen zien waartoe het bestemd was! Zou u het hebben willen laten leven om te rijpen voor de galg? Zou u het hebben willen laten leven om de God van zijn vader te vervloeken? Zou u het hebben willen laten leven om uw huis ellendig te maken, om u uw kussen met tranen te laten bevochtigen, en u met uw handen op uw lendenen naar uw dagelijks werk te sturen vanwege verdriet? Zo had het kunnen zijn. Maar nu is het niet zo, want uw kleintje zingt voor de troon van God.

Weet u aan welke smarten uw kleintje is ontsnapt? U hebt er zelf genoeg van ervaren. Het was uit een vrouw geboren, het zou van korte duur en vol ellende zijn geweest, net als u. Het is aan die smarten ontsnapt; betreurt u dat? Denk ook aan uw eigen zonden en het diepe verdriet van berouw. Als dat kind had geleefd, zou het een zondaar zijn geweest en de bitterheid van het besef van zonde hebben gekend. Het is daaraan ontsnapt; het verheugt zich nu in de heerlijkheid van God. Zou u het dan terug willen hebben?

Rouwende ouders, als u uw eigen nakomeling daarboven even zou kunnen zien, denk ik dat u uw tranen zeer snel zou wegvegen. Daar, tussen de zoete stemmen die het eeuwige loflied zingen, is wellicht de stem van uw eigen kind te horen – nu een engel, en u de moeder van een zangeres voor de troon van God.

U zou misschien niet hebben gemopperd als u de belofte had gekregen dat uw kind tot de adelstand zou worden verheven; het is echter hoger verheven dan dat – tot de adelstand van de hemel. Het heeft de waardigheid van de onsterfelijken ontvangen; het is gekleed in gewaden die beter zijn dan koninklijke kleding; het is rijker en gezegender dan het ooit had kunnen zijn als alle kronen van de aarde op zijn hoofd waren geplaatst. Waarom zou u dan klagen? Een dichter van weleer heeft een vers geschreven dat uitstekend geschikt is als grafschrift voor een kind; —

“Hoe korter mijn leven, hoe langer de rust,
God roept eerst hen die Hij het meest bemint en kust.
Wie vandaag wordt geboren en morgen reeds gaat,
Verliest enkele uren vreugd’, maar ontelbare dagen van kwaad.
Vele ziekten tergen ons vaak en fel,
Doch de dood slaat eenmaal, en verlicht het leed wel.”

Hervey zegt hierover: “gelukkig is het kindje dat door het geloof bevoorrecht is, een korter leven leidt en een lichter juk draagt. Pas gisteren ontving het de adem, en morgen keert het reeds terug naar de dood.”  En een ander, naar de hemel opkijkend, zegt: —

“O gezegende ruil, o benijdenswaardig lot,
gekroond zonder strijd, zonder smart of spot,
vreemd aan pijn, gezegend met vreugd’,
hier zonder roem, maar in ’t hemels licht geheugd.”

Het is waar, het is goed om te strijden en te overwinnen, maar het is ook iets bijzonders om te overwinnen zonder die strijd! Het is goed om het overwinningslied te zingen nadat we de Rode Zee met al haar verschrikkingen zijn overgestoken; maar het is nog steeds heerlijk om het lied te zingen zonder die zee! Ik weet niet of ik zelf de voorkeur zou geven aan het lot van een kind in de hemel. Ik denk dat het nobeler is om de storm te hebben doorstaan en tegen wind en regen te hebben gevochten. Ik denk dat dit, voor u en voor mij, een reden voor eeuwige gelukzaligheid zal zijn: namelijk dat we de weg naar de hemel niet zo gemakkelijk hebben bereikt. Want uiteindelijk is dit sterfelijke leven slechts een speldenprik, en daarna wacht ons onvoorstelbare heerlijkheid.

Toch meen ik dat wij God mogen danken voor deze kleintjes, want zij zijn gespaard gebleven voor zonden zoals de onze, voor zwakheden zoals de onze en voor het lijden dat wij kennen, en zij zijn nu ingegaan in de rust daarboven. Zo spreekt de Heere tot u, o Rachel, wanneer u weent om uw kinderen en weigert getroost te worden omdat zij er niet meer zijn: “Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen, want er is loon voor uw werk, spreekt de HEERE. Zij zullen uit het land van de vijand terugkomen, en er is hoop voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE, uw kinderen zullen terugkomen naar hun gebied” (Jer. 31:16).

De volgende, en wellicht nuttigste en vruchtbaarste conclusie die uit deze tekst kan worden getrokken, is deze: velen van u zijn ouders van kinderen die in de hemel zijn. Is het dan niet wenselijk dat u hen daar ook weer ontmoet? En toch zijn er in deze zalen, in deze ruimte, sommigen — misschien wel velen — die geen hoop hebben op het hiernamaals. In feite hebt u datgene wat voorbij het graf ligt, uitgesteld tot een andere dag; u hebt al uw tijd en gedachten gewijd aan de korte, vluchtige en onbevredigende bezigheden van het sterfelijke leven.

Moeder, onbekeerde moeder, vanaf de kantelen van de hemel wenkt uw kind u naar het paradijs. Vader, goddeloze, onboetvaardige vader, de kleine oogjes die eens vreugdevol naar u keken, kijken nu op u neer, en de lippen die u nog maar net “vader” hadden leren noemen voordat ze werden verzegeld door de stilte van de dood, spreken vandaag als met een zachte, stille stem tot u: “Vader, moeten wij voor altijd gescheiden blijven door de grote kloof die niemand kan oversteken?”

Legt de natuur zelf niet een soort verlangen in uw ziel, opdat u verbonden zou zijn met uw eigen kinderen, in het bundel van het leven? Sta dan stil en denk na. Zoals u nu bent, kunt u daar niet op hopen; want uw weg is zondig, u hebt Christus vergeten, u hebt geen berouw getoond over uw zonden, en u hebt het loon van de ongerechtigheid liefgehad.

Ik smeek u: ga vanmorgen naar uw kamer en stel u voor dat u van uw kleintjes wordt verdreven, voor altijd verbannen uit de aanwezigheid van God, dat u zult worden geworpen in de plaats “waar de worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt” (Mark. 9:48). Als u hierover nadenkt, zal uw hart wellicht in beroering komen en zullen uw ogen misschien vol tranen komen te staan. Moge dan de Heilige Geest het kruis van de Verlosser, het heilige kind Jezus, voor uw ogen plaatsen!

Onthoud: als u uw ogen op Hem richt, zult u leven; als u met heel uw hart in Hem gelooft, zult u bij Hem zijn waar Hij is — bij al diegenen die de Vader Hem heeft gegeven en die u zijn voorgegaan. U hoeft niet buitengesloten te worden. Wilt u uw eigen ondergang bezegelen en uw eigen doodvonnis ondertekenen? Veronachtzaam deze grote verlossing niet, maar moge Gods genade in u werken, zodat u gaat zoeken — en u zult vinden; zodat u gaat kloppen — en u zal worden opengedaan; zodat u vraagt — en u zult ontvangen!

O, mocht ik u bij de hand nemen! Misschien bent u zojuist teruggekeerd van een vers gedolven graf, of hebt u uw kind thuis moeten achterlaten, en heeft God mij vanmorgen tot een boodschapper voor u gesteld. O, mocht ik u bij de hand nemen en zeggen: “Wij kunnen het kind niet terugbrengen — de geest is onherroepelijk heengegaan — maar u kunt het volgen!”

Stel u de ladder van licht voor die voor u staat! De eerste trede daarvan is berouw, dat uit uw hart komt; de volgende trede is geloof in Christus, en zodra u dat punt bereikt, bent u veilig en zeker op weg, en spoedig zult u bij de poorten van de hemel worden ontvangen door juist die allerkleinsten die u zijn voorgegaan, opdat zij u mogen verwelkomen wanneer u de eeuwige kusten bereikt.

Nog een laatste les, en ik zal u niet langer ophouden. Wat kunnen we zeggen tegen ouders die kinderen hebben die nog in leven zijn? We hebben gesproken over degenen die gestorven zijn, maar wat dan van de levenden?

Ik denk dat ik het als volgt zou kunnen zeggen: bewaar uw tranen, rouwende ouders, voor de kinderen die nog in leven zijn. U mag naar het kleine graf gaan, u mag ernaar kijken en zeggen: “Dit is mijn kind; hij of zij is gered; moge hij of zij voor altijd in vrede rusten, ver van alle angst en kwaad.” Maar keer terug naar degenen die aan uw tafel zitten, kijk van het ene kind naar het andere en zeg: “Dit zijn mijn kinderen; velen van hen zijn nog niet gered. Zij zijn zonder God, zonder Christus; sommigen van hen zullen volwassen worden, en u kunt duidelijk zien dat hun harten zijn zoals elk natuurlijk hart: hopeloos verdorven. Er is reden tot wenen voor u.”

Ik bid dat u nooit ophoudt om over hen te wenen totdat zij ophouden met zondigen; nooit ophoudt voor hen te hopen totdat zij ophouden te leven; nooit ophoudt voor hen te bidden totdat u zelf ophoudt met ademen. Breng hen met geloof in de armen van God, en laat u niet ontmoedigen omdat zij nog niet zijn zoals u zou willen dat zij zijn. Zij zullen uiteindelijk overwonnen worden, als u maar op God blijft vertrouwen. Denk niet dat het hopeloos is. Hij die u heeft gered, kan ook hen redden.

Breng hen één voor één voortdurend naar Gods verzoendeksel en worstel met Hem, zeg: “Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent” (Gen. 32:26). Want voor u is de belofte en voor uw kinderen, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal. Bid, strijd, worstel, en u zult het geluk ervaren om uw huisgezin gered te zien worden.

Dit was het woord dat de apostel aan de stokbewaarder gaf: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden, u en uw huisgenoten” (Hand 16:31). Wij hebben daarvan vele bewijzen gezien, want hier in dit bad heb ik niet alleen de vader en de moeder gedoopt, maar in veel gevallen ook alle kinderen, die één voor één door genade zijn gebracht om hun vertrouwen op Jezus te stellen.

Het zou de diepste wens van elke ouder moeten zijn om al hun kinderen tot Christus te zien behoren, om te zien dat al diegenen die uit hun nageslacht voortkomen, worden opgenomen in de menigte die rondom de troon van God zal zingen. Wij mogen in geloof tot God bidden, want ons is een belofte gegeven. De Schrift laat ons bovendien vele voorbeelden zien: de God van Abraham is ook de God van Isaak en Jakob. Voor deze goede zaak zal Hij echter door het Huis van Israël worden bevraagd, opdat Hij het voor hen doet. Vraag het Hem, smeek het Hem, en treedt met een oprecht en gelovig hart tot Hem – Hij zal u zeker horen.

Een woord tot de hele gemeente.

Onlangs zei een klein kind — en kinderen zeggen soms vreemde dingen —: “Papa, ik kan niet meer terug.” Toen hem werd gevraagd wat hij daarmee bedoelde, legde hij uit dat hij hier was, dat hij aan zijn leven was begonnen, en dat het hem zo leek dat hij niet kon ophouden te bestaan — hij kon niet meer terug. U en ik zouden hetzelfde kunnen zeggen: hier zijn we, we zijn volwassen geworden, en we kunnen niet terug naar de kindertijd waarin we ooit waren. Daar is geen uitweg. De goede John Bunyan wenste altijd dat hij als kind was gestorven. Aan de andere kant hoopte hij dat hij misschien afstamde van een of andere Jood, omdat hij dacht dat de Hebreeën misschien gered zouden worden. Maar die deur heeft God gesloten.

Alle deuren zijn voor u en mij gesloten, behalve die welke recht voor ons ligt, gemarkeerd met het teken van het kruis. Daar bevindt zich de gouden klopper van het gebed. Als wij ervoor kiezen ons daarvan af te wenden om een andere deur te zoeken – een poort van ceremonies, van bloed of van afkomst? Dan zullen wij daar nooit binnengaan.

Daar is die klopper! In geloof, grote God, zal ik hem nu opheffen. “Ik, de grootste zondaar, heb genade nodig!” Jezus staat daar. “Kom binnen,” zegt Hij, “u die door de Heere gezegend bent; waarom staat u buiten?” Hij ontvangt mij in Zijn armen, wast, kleedt en verheerlijkt mij wanneer ik tot Hem kom. Ben ik zo’n dwaas dat ik niet klop? Ja, dat is mijn aard – wat ben ik dan een dwaas! O Geest van God! Maak mij wijs, opdat ik mijn gevaar en mijn toevluchtsoord moge kennen!

En nu, zondaar, in de Naam van Hem die leefde, stierf en voor eeuwig leeft, grijp die klopper vast, hef hem op, klop ermee, en laat uw gebed zijn, voordat u dit heiligdom verlaat: “God, wees mij, zondaar, genadig!” Moge de Heere het horen en zegenen, omwille van Zijn Naam!

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content