BIJBELS DAGBOEK
C. H. SPURGEON

Voor Iedere Avond | 23 mei
23 mei — Avond
“Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht…”—Jesaja 43:24
Mensen die in de tempel aanbaden, brachten vroeger graag geschenken van geurige specerijen mee om op het altaar van God te branden. Maar toen Israël van God afdwaalde, werd het gierig en bracht het nog maar weinig vrijwillige offers aan zijn Heere. Dat was een bewijs van een koud hart tegenover God en Zijn huis. Beste lezer, komt dit bij jou nooit voor? Zou de klacht uit onze tekst niet af en toe, of zelfs vaak, tegen jou kunnen worden ingebracht? Wie arm is aan geld maar rijk aan geloof, wordt heus niet minder aangenomen omdat zijn gaven klein zijn. Maar arme lezer, geef jij een eerlijk deel aan de Heere, of houd je zelfs het penninkje van de weduwe achter, zodat het niet in de heilige schatkist komt? De rijke gelovige moet dankbaar zijn voor het talent dat hem is toevertrouwd, maar hij moet zijn grote verantwoordelijkheid niet vergeten. Want van wie veel gekregen heeft, zal veel gevraagd worden. Rijke lezer, denk jij aan je plichten en geef je de Heere terug naar wat je van Hem hebt ontvangen? Jezus gaf Zijn bloed voor ons. Wat zullen wij Hem geven? Wij zijn van Hem, en alles wat we hebben ook, want Hij heeft ons voor Zichzelf gekocht. Kunnen we dan leven alsof we van onszelf waren? O, hadden we maar meer toewijding! En daarvoor is meer liefde nodig: o, hadden we die maar! Gezegende Jezus, wat bent U goed dat U onze kalmus aanneemt, die wij voor geld gekocht hebben! Niets is te kostbaar als eerbewijs aan Uw onvergelijkelijke liefde, en toch neemt U met welgevallen het kleinste oprechte teken van liefde aan! U neemt onze armzalige vergeet-me-nietjes en liefdesgeschenkjes aan alsof ze op zichzelf kostbaar waren, terwijl ze toch maar zijn als het bosje wilde bloemen dat een kind aan zijn moeder brengt. Mogen we nooit krenterig worden tegenover U, en mogen we vanaf dit uur nooit meer horen dat U over ons klaagt omdat we de gaven van onze liefde achterhouden. We zullen U de eerstelingen van onze opbrengst geven en U van alles de tienden betalen. En dan zullen we belijden: “Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand.”

