BIJBELS DAGBOEK
C. H. SPURGEON

Voor Iedere Avond | 25 juni
25 juni — Avond
“Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet”—Genesis 8:9
Lezer, kun je rust vinden buiten de ark, Christus Jezus? Wees er dan zeker van dat je godsdienst waardeloos is. Ben je tevreden met iets minder dan het bewuste weten dat je met Christus verbonden bent en deel aan Hem hebt? Wee je dan! Als je belijdt christen te zijn, maar volle voldoening vindt in wereldse genoegens en bezigheden, dan is je belijdenis vals. Kan je ziel zich uitstrekken en rusten, vindt zij het bed lang genoeg en de deken breed genoeg om haar te bedekken in de kamers van de zonde? Dan ben je een huichelaar, ver verwijderd van een juist denken over Christus en van het zien van Zijn kostbaarheid. Maar stel dat je voelt dat zonde, ook als je haar ongestraft zou kunnen doen, toch al een straf op zichzelf zou zijn. En stel dat je voelt dat het al ellende genoeg zou zijn om de hele wereld te bezitten, er voor altijd in te blijven en er nooit van gescheiden te worden. Want je God, ja, je God, is het waar je ziel naar smacht. Heb dan goede moed, je bent een kind van God. Met al je zonden en gebreken kun je dit tot je troost nemen: als je ziel geen rust vindt in de zonde, ben je niet zoals de zondaar! Roep je nog steeds om iets beters en smacht je ernaar, dan is Christus je niet vergeten, want jij hebt Hem ook niet helemaal vergeten. De gelovige kan niet zonder zijn Heere. Woorden schieten tekort om zijn gedachten over Hem uit te drukken. We kunnen niet leven van het zand van de woestijn. We hebben het manna nodig dat van boven neerdaalt. Onze leren waterzakken, het vertrouwen op schepselen, geven ons geen druppel vocht. Maar wij drinken uit de rots die ons volgt, en die rots is Christus. Als je van Hem eet, kan je ziel zingen: “Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Maar heb je Hem niet, dan kunnen je overvolle wijnpers en goedgevulde schuur je geen enkele voldoening geven. Treur er dan liever over met de woorden van de wijsheid: “Ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.”

