BIJBELS DAGBOEK
C. H. SPURGEON

Voor Iedere Avond | 30 juli
30 juli — Avond
“…en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.”—Johannes 6:37
Aan de duur van deze belofte is geen grens gesteld. Er staat niet alleen: “Ik zal een zondaar bij zijn eerste komst niet uitwerpen”, maar: “zal Ik geenszins uitwerpen.” In de grondtekst staat: “Ik zal niet, niet uitwerpen”, of “Ik zal nooit, nooit uitwerpen”. De tekst betekent dat Christus een gelovige in het begin niet zal afwijzen. En omdat Hij dat in het begin niet doet, zal Hij het ook tot het laatst niet doen.
Maar stel dat de gelovige zondigt nadat hij gekomen is? “En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.” Maar stel dat gelovigen terugvallen? “Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.” Maar gelovigen worden ook verzocht! “God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.” Maar de gelovige kan in zonde vallen, zoals David! Ja, maar Hij zal hen met hysop ontzondigen, zodat ze rein zijn, en Hij zal hen wassen, zodat ze witter zijn dan sneeuw. Hij zegt: “En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid…”
“Eenmaal in Christus, voor altijd in Christus,
niets kan ons scheiden van Zijn liefde.”
Over Zijn schapen zegt Hij: “Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.” Wat zeg je hiervan, o bevend, zwak gemoed? Is het niet een kostbare ontferming dat je, als je tot Christus komt, niet terechtkomt bij iemand die je maar een korte tijd goed behandelt en je dan wegstuurt? Hij zal je ontvangen en je tot Zijn bruid maken, en je zult voor altijd van Hem zijn. Ontvang niet langer “den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze”, maar “den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” O, wat een genade zit er in deze woorden: “zal Ik geenszins uitwerpen.”

