Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarna toondeH7200 Hij mij JosuaH3091, den hogepriesterH1419, staandeH5975 voor het aangezichtH6440 van den EngelH4397 des HEERENH3068; en de satanH7854 stondH5975 aanH5921 zijn rechterhandH3225, om hem te wederstaanH7853.
Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
KJV
And he shewed1
me Joshua3
the high5
priest4
standing6
before7
the angel8
of the LORD,9
and Satan10
standing11
at his right hand13
to resist
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Doch de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: De HEEREH3068 scheldeH1605 u, gij satanH7854! ja, de HEEREH3068 scheldeH1605 u, Die JeruzalemH3389 verkiestH977; is dezeH2088 nietH3808 een vuurbrandH181 uit het vuurH784 geruktH5337?
Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
KJV
And the LORD2
said1
unto Satan,4
The LORD6
rebuke5
thee, O Satan;8
even the LORD10
that hath chosen12
Jerusalem13
rebuke9
thee: is not this a brand16
plucked17
out of the fire?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
JosuaH3091 nu wasH1961 bekleedH3847 met vuileH6674 klederenH899, als hij voor het aangezichtH6440 des EngelsH4397 stondH5975.
Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.
KJV
Now Joshua1
was clothed3
with filthy5
garments,4
and stood6
before7
the angel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen antwoorddeH6030 Hij, en sprakH559 totH413 degenen, die voor Zijn aangezichtH6440 stondenH5975, zeggendeH559: Doet deze vuileH6674 klederenH899 van hem wegH5493. Daarna sprakH559 Hij totH413 hem: ZieH7200, Ik heb uw ongerechtigheidH5771 van u weggenomenH5674, en Ik zal u wisselklederenH4254 aandoenH3847.
Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
KJV
And he answered1
and spake2
unto those that stood4
before5
him, saying,6
Take away7
the filthy9
garments8
from him. And unto him he said,11
Behold,13
I have caused thine iniquity16
to pass14
from thee, and I will clothe17
thee with change of raiment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dies zegH559 Ik: Laat ze een reinenH2889 hoedH6797 opH5921 zijn hoofdH7218 zettenH7760. En zij zettenH7760 dien reinenH2889 hoedH6797 opH5921 zijn hoofdH7218, en zij togenH3847 hem klederenH899 aan; en de EngelH4397 des HEERENH3068 stondH5975 daarbij.
Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.
KJV
And I said,1
Let them set2
a fair4
mitre3
upon his head.6
So they set7
a fair9
mitre8
upon his head,11
and clothed12
him with garments.13
And the angel14
of the LORD15
stood by.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Toen betuigdeH5749 de EngelH4397 des HEERENH3068 JosuaH3091, zeggendeH559:
Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:
KJV
And the angel2
of the LORD3
protested1
unto Joshua,4
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: IndienH518 gij in Mijn wegenH1870 zult wandelenH3212, en indienH518 gij Mijn wachtH4931 zult waarnemenH8104, zo zult gijH859 ookH1571 Mijn huisH1004 richtenH1777, en ookH1571 Mijn voorhovenH2691 bewarenH8104; en Ik zal u wandelingenH4108 gevenH5414 onder dezenH428, die hier staanH5975.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.
KJV
Thus saith2
the LORD3
of hosts;4
If thou wilt walk7
in my ways,6
and if thou wilt keep11
my charge,10
then thou shalt also judge14
my house,16
and shalt also keep18
my courts,20
and I will give21
thee places to walk23
among these that stand by.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
HoorH8085 nu toe, JosuaH3091, gij hogepriesterH1419! gijH859 en uw vriendenH7453, die voor uw aangezichtH6440 zittenH3427, wantH3588 zij zijn een wondertekenH582; wantH3588 zietH2005, Ik zal Mijn KnechtH5650, de SPRUITEH6780, doen komenH935.
Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
KJV
Hear1
now, O Joshua3
the high5
priest,4
thou, and thy fellows7
that sit8
before9
thee: for they are men
wondered at:12
for, behold, I will bring forth16
my servant18
the BRANCH.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantH3588 ziet, aangaande dien steenH68, welkenH834 Ik gelegdH5414 heb voor hetH1931 aangezichtH6440 van JosuaH3091, opH5921 dien enenH259 steenH68 zullen zevenH7651 ogenH5869 wezen; ziet, Ik zal zijn graveerselH6603 graverenH6605, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, en Ik zal de ongerechtigheidH5771 dezes landsH776 op eenH259 dagH3117 wegnemenH4185.
Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
KJV
For behold the stone3
that I have laid5
before6
Joshua;7
upon one10
stone9
shall be seven11
eyes:12
behold, I will engrave14
the graving15
thereof, saith16
the LORD17
of hosts,18
and I will remove19
the iniquity21
of that land22
in one25
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Te dienH1931 dageH3117, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, zult gijlieden een iegelijkH376 zijn naasteH7453 nodigenH7121 totH413 onderH8478 den wijnstokH1612 en totH413 onderH8478 den vijgeboomH8384.
Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.
KJV
In that day,1
saith3
the LORD4
of hosts,5
shall ye call6
every man7
his neighbour8
under the vine11
and under the fig tree.
Hij mij
Te weten, de engel; zie Zach. 2:3-4 .
Hertaald:
Hij mij
Namelijk de engel; zie Zach. 2:3-4.
Jósua,
Van deze Jozua wordt ook melding gemaakt Hag. 1:1 , Hag. 1:12 , en Hag. 2:3 . Hij wordt alhier gesteld als een beeld der kerk, dewijl hij te dien tijde als de voornaamste opziener of voorstander derzelve op aarde geweest is, zijnde hogepriester; doch anderszins, ten aanzien dat hij het volk uit de Babylonische gevangenschap geleid en den tempel herbouwd heeft, en hogepriester was, is hij ook geweest een voorbeeld van Jezus Christus, in naam en inderdaad.
Hertaald:
Jósua,
Van deze Jozua wordt ook melding gemaakt in Hag. 1:1, Hag. 1:12 en Hag. 2:3. Hij wordt hier gesteld als een beeld van de kerk, omdat hij in die tijd als hogepriester de voornaamste opziener of voorstander daarvan op aarde was. Maar daarnaast is hij ook een voorafbeelding van Jezus Christus geweest, in naam en in werkelijkheid, omdat hij het volk uit de Babylonische gevangenschap geleid heeft, de tempel herbouwd heeft en hogepriester was.
den hogepriester,
Hebr. den groten priester.
Hertaald:
den hogepriester,
Hebreeuws: de grote priester.
voor het aangezicht van den Engel des HEEREN;
Jozua stond voor dien Engel, dat is, Christus, als een beschuldigde voor zijn rechter, de satan zijnde de aanklager. Anderen nemen hier staan voor dienen, gelijk Ps. 135:2 .
Hertaald:
voor het aangezicht van den Engel des HEEREN;
Jozua stond voor die Engel, dat is: Christus, als een beschuldigde voor zijn rechter, terwijl de satan de aanklager was. Anderen vatten staan hier op als dienen, zoals Ps. 135:2.
de satan
Dit betekent een tegenpartijder, of wederstander; zie Job 1:6 .
Hertaald:
de satan
Dit betekent een tegenpartijder of wederstander; zie Job 1:6.
aan zijn rechterhand,
Te weten, aan Jozua's rechterhand.
Hertaald:
aan zijn rechterhand,
Namelijk aan de rechterhand van Jozua.
om hem te wederstaan
Dat is, dat hij hem [te weten Jozua] voor Christus aanklaagde en beschuldigde, als niet waardig zijnde dat de tempel onder zijn beleid zou herbouwd worden. Zie Openb. 12:10 . De Hebr. woorden, die hier gebruikt worden, luiden zoveel alsof wij zeiden: Deze tegenstander stond om hem tegen te staan. Verg. met de woorden van den tekst Ef. 6:12 .
Hertaald:
om hem te wederstaan
Dat is: dat hij hem — namelijk Jozua — bij Christus aanklaagde en beschuldigde, als niet waardig dat de tempel onder zijn leiding herbouwd zou worden. Zie Openb. 12:10. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden luiden zoveel als: deze tegenstander stond om hem tegen te staan. Vergelijk de woorden van de tekst met Ef. 6:12.
de HEERE zeide tot den satan
Te weten, de Zoon Gods, dien Hij tevoren den engel des Heeren genoemd heeft.
Hertaald:
de HEERE zeide tot den satan
Namelijk de Zoon van God, Die Hij tevoren de Engel van de HEERE genoemd heeft.
De HEERE
Dat is, God de Vader.
Hertaald:
De HEERE
Dat is: God de Vader.
schelde u,
Dat is, drijve u terug met uw valse aanklacht, Hij make u te schande, verstote en verdoeme u, en rechtvaardige zijn getrouwen dienaar Jozua. Zie Jud. 1:9 .
Hertaald:
schelde u,
Dat is: drijve u met uw valse aanklacht terug, make u te schande, verstote en verdoeme u, en spreke Zijn trouwe dienaar Jozua vrij. Zie Judas 1:9.
verkiest;
Zie Zach. 1:17, en Zach. 2:12.
Hertaald:
verkiest;
Zie Zach. 1:17 en Zach. 2:12.
deze niet
Te weten, de hogepriester Jozua.
Hertaald:
deze niet
Namelijk de hogepriester Jozua.
een vuurbrand
Zie Jes. 7:4 . Anders: [als] een vuurbrand, uit het vuur gered?
Hertaald:
een vuurbrand
Zie Jes. 7:4. Anders: als een vuurbrand, uit het vuur gered?
uit het vuur gerukt?
Dat is, uit de Babylonische gevangenschap; of uit den algemenen ondergang gered, opdat Ik mijne genade aan hem bewijzen zou? Waarom begeert gij dan, dat Ik hem zou te schande maken? Zie Am. 4:11 .
Hertaald:
uit het vuur gerukt?
Dat is: uit de Babylonische gevangenschap; of: uit de algemene ondergang gered, opdat Ik Mijn genade aan hem zou bewijzen? Waarom wilt u dan dat Ik hem te schande zou maken? Zie Amos 4:11.
met vuile klederen,
Dat is, met bezoedelde, onreine, bevlekte klederen, waarmede zijne zonden en onreinheden worden aangewezen, gelijk blijkt uit vs.4.
Hertaald:
met vuile klederen,
Dat is: met bezoedelde, onreine, bevlekte kleren, waarmee zijn zonden en onreinheden worden aangeduid, zoals uit vers 4 blijkt.
des Engels stond
Te weten, van den Engel, van wien in vs.1 gesproken is, die de Heere Christus was.
Hertaald:
des Engels stond
Namelijk van de Engel over Wie in vers 1 gesproken is, Die de Heere Christus was.
antwoordde
Dat is, sprak.
Hertaald:
antwoordde
Dat is: sprak.
Hij,
Te weten, Christus, die de zonden vergeeft en den onrechtvaardige rechtvaardig spreekt; alzo ook straks wederom, daarna [te weten, nadat zij hem de vuile klederen hadden uitgetrokken] sprak Hij, te weten, Christus.
Hertaald:
Hij,
Namelijk Christus, Die de zonden vergeeft en de onrechtvaardige rechtvaardig spreekt. Zo ook meteen daarna: en daarna — namelijk nadat zij hem de vuile kleren hadden uitgetrokken — sprak Hij, namelijk Christus.
tot degenen,
Dat is, tot de andere engelen, die zijne dienaars zijn, altijd vaardig staande om zijne bevelen te verrichten; Hebr. 1:14 .
Hertaald:
tot degenen,
Dat is: tot de andere engelen, die Zijn dienaren zijn en altijd gereedstaan om Zijn bevelen uit te voeren; Hebr. 1:14.
tot Hem
Te weten, tot Jozua.
Hertaald:
tot Hem
Namelijk tot Jozua.
Zie,
Dat is, hieruit zult gij de waarheid dezer zaak vernemen, dat Ik uwe ongerechtigheden van u heb weggenomen, die door het vuile kleed, zie vs.3, werden betekend. Verg. Jes. 6:7 ; Jer. 1:9 .
Hertaald:
Zie,
Dat is: hieruit zult u de waarheid van deze zaak vernemen, dat Ik uw ongerechtigheden van u heb weggenomen, die met het vuile kleed werden aangeduid, zie vers 3. Vergelijk Jes. 6:7; Jer. 1:9.
weggenomen,
Zie 2 Sam. 12:13 .
Hertaald:
weggenomen,
Zie 2 Sam. 12:13.
wisselklederen aandoen
Aldus worden genoemd nieuwe, zuiver, schone klederen, die men alleen op feestdagen aandeed. Zie Richt. 14:12 . Hier wordt door de wisselklederen verstaan de gerechtigheid van Christus, ware heiligheid of geestelijk sieraad. Verg. Matt. 22:11 ; Luc. 15:22 .
Hertaald:
wisselklederen aandoen
Zo worden nieuwe, zuivere, mooie kleren genoemd die men alleen op feestdagen aantrok. Zie Richt. 14:12. Hier wordt met de wisselkleren de gerechtigheid van Christus verstaan, ware heiligheid of geestelijk sieraad. Vergelijk Matth. 22:11; Luk. 15:22.
Dies zeg Ik
Anders: toen zeide ik: te weten bij mijzelven, als zijnde woorden van den profeet, wensende dat zulks door den wil des Heeren mocht geschieden.
Hertaald:
Dies zeg Ik
Anders: toen zei ik, namelijk bij mijzelf — als woorden van de profeet, die wenste dat dit door de wil van de HEERE mocht gebeuren.
hoed op zijn hoofd zetten
Van het woord hoed, zie de aantekening bij Ex. 29:4 . De hoed beduidt het priesterlijk ambt, waartoe de Heer Jozua heeft aangesteld en bevestigd, nadat Hij hem van zijne zonden gereinigd en geheiligd had; zie 1 Petr. 2:9 .
Hertaald:
hoed op zijn hoofd zetten
Over het woord hoed, zie de aantekening bij Ex. 29:4. De hoed duidt het priesterlijke ambt aan, waarin de HEERE Jozua aangesteld en bevestigd heeft nadat Hij hem van zijn zonden gereinigd en geheiligd had; zie 1 Petr. 2:9.
klederen aan;
Te weten, wisselklederen, gelijk vs.4.
Hertaald:
klederen aan;
Namelijk wisselkleren, zoals vers 4.
stond daarbij
Te weten, vaardig om des Vaders bevel uit te voeren.
Hertaald:
stond daarbij
Namelijk gereed om het bevel van de Vader uit te voeren.
de HEERE der heirscharen
Te weten, God de Vader, die voor de weldaden, waarmede Hij de mensen begenadigt, dankbaarheid is vereisende, namelijk gedurige oefening in de godzaligheid; Luc. 1:74 ; 1 Petr. 1:15-16 .
Hertaald:
de HEERE der heirscharen
Namelijk God de Vader, Die voor de weldaden waarmee Hij de mensen begenadigt dankbaarheid vraagt, namelijk een voortdurende oefening in de godzaligheid; Luk. 1:74; 1 Petr. 1:15-16.
indien gij Mijn wacht
Dat is, indien gij mijne instellingen en geboden naarstig zult onderhouden, gelijk Ik die wil onderhouden hebben.
Hertaald:
indien gij Mijn wacht
Dat is: als u Mijn instellingen en geboden nauwgezet zult onderhouden, zoals Ik ze onderhouden wil hebben.
zult waarnemen,
Hebr. zult wachten.
Hertaald:
zult waarnemen,
Hebreeuws: zult wachten.
zo zult gij ook Mijn huis richten,
Dat is, zo zult gij ook het opzicht en de regering over mijn kerk hebben, gelijk het uwe voorouders gehad hebben; zie 2 Kron. 19:11 . De kerk wordt meermalen Gods huis genoemd, gelijk Num. 12:7 ; Jer. 11:15 , en Jer. 12:7 ; Hebr. 3:2 .
Hertaald:
zo zult gij ook Mijn huis richten,
Dat is: dan zult u ook het opzicht en het bestuur over Mijn kerk hebben, zoals uw voorouders dat gehad hebben; zie 2 Kron. 19:11. De kerk wordt vaker het huis van God genoemd, zoals Num. 12:7; Jer. 11:15 en Jer. 12:7; Hebr. 3:2.
Mijn voorhoven bewaren;
Dat is, gij zult in uw hogepriesterambt geduriglijk blijven, en het opzicht over mijne kerk hebben en behouden. Het is even hetzelfde hetwelk Hij straks met andere woorden gezegd heeft.
Hertaald:
Mijn voorhoven bewaren;
Dat is: u zult voortdurend in uw hogepriesterlijk ambt blijven en het opzicht over Mijn kerk hebben en behouden. Het is precies hetzelfde als wat Hij zojuist met andere woorden gezegd heeft.
Ik zal u wandelingen geven onder dezen,
Dat is, na dit leven, zal Ik u opnemen in het eeuwige leven, en zal u doen wandelen onder de heilige engelen, die hier staan, en andere hemelse scharen. Verg. Matt. 22:30 ; 2 Tim. 4:8 ; Hebr. 12:22 .
Hertaald:
Ik zal u wandelingen geven onder dezen,
Dat is: na dit leven zal Ik u opnemen in het eeuwige leven en u doen wandelen onder de heilige engelen die hier staan, en onder de andere hemelse scharen. Vergelijk Matth. 22:30; 2 Tim. 4:8; Hebr. 12:22.
uw vrienden,
Dat is, uwe metgezellen, de priesters, onder uw opzicht staande. Of in het algemeen, de vromen die het met u houden.
Hertaald:
uw vrienden,
Dat is: uw metgezellen, de priesters die onder uw opzicht staan. Of in het algemeen: de vromen die het met u houden.
een wonderteken;
Of, een wonder. Hebr. mannen des wonders. Eenigen verstaan dit alzo, dat zij voor een wonder bij de boze mensen gehouden werden, overmits zij des Heeren woord hoorden; zie Jes. 8:18 . Doch sommigen verstaan dat zij voor een wonder werden aangezien, overmits zij zo wonderbaar uit de Babylonische gevangenschap verlost en in hun land wedergebracht waren, zijnde hetzelve een teken van de verlossing door Christus; zie Ps. 71:7 .
Hertaald:
een wonderteken;
Of: een wonder. Hebreeuws: mannen van het wonder. Sommigen vatten dit zo op dat zij door de boze mensen voor een wonder gehouden werden omdat zij het Woord van de HEERE hoorden; zie Jes. 8:18. Maar anderen verstaan dat zij als een wonder werden aangezien omdat zij zo wonderbaarlijk uit de Babylonische gevangenschap verlost en in hun land teruggebracht waren — wat een teken was van de verlossing door Christus; zie Ps. 71:7.
Ik zal
Te weten, de Vader; wiens woorden hier de Heere Christus herhaalt; zie vs.6.
Hertaald:
Ik zal
Namelijk de Vader, van Wie de Heere Christus hier de woorden herhaalt; zie vers 6.
Mijn Knecht,
Dat is, Christus; zie Jes. 42:1 , en Jes. 52:13 . De zin is: Dezen zal Ik in de wereld doen verschijnen in de volheid des tijds, en Hij zal mijn wil doen, gelijk een getrouwe knecht den wil en het bevel van zijn heer doet.
Hertaald:
Mijn Knecht,
Dat is: Christus; zie Jes. 42:1 en Jes. 52:13. De betekenis is: Hem zal Ik in de volheid van de tijd in de wereld doen verschijnen, en Hij zal Mijn wil doen zoals een trouwe knecht de wil en het bevel van zijn heer doet.
de SPRUITE,
Te weten, den Messias, die een Spruit is uit den stam van Isaï. Zie Jer. 23:5 , en Jer. 33:15 , en Zach. 6:12 . Eenigen houden het Hebr. woord Zemach in den tekst.
Hertaald:
de SPRUITE,
Namelijk de Messias, Die een Spruit is uit de stam van Isaï. Zie Jer. 23:5, Jer. 33:15 en Zach. 6:12. Sommigen houden het Hebreeuwse woord Zemach in de tekst aan.
dien steen,
Namelijk Christus, straks een Spruit genoemd, vs.8, die het fondament en de hoeksteen des tempels werd afgebeeld; Ps. 118:22 ; Jes. 28:16 . Alzo wederom hier, toen de tempel is gefondeerd en vernieuwd geworden in de tegenwoordigheid van Jozua.
Hertaald:
dien steen,
Namelijk Christus, Die zojuist een Spruit genoemd is, vers 8, en Die afgebeeld werd door het fundament en de hoeksteen van de tempel; Ps. 118:22; Jes. 28:16. Zo ook hier weer, toen de tempel gefundeerd en vernieuwd werd in de tegenwoordigheid van Jozua.
op dien enen steen
Of, in dien steen, te weten in Christus, zal zijn, vooreerst de volheid der Godheid, en daarna overvloed van geestelijke gaven, en voorts volkomen zorg voor zijne kerk. Anders: over. Verstaande de grote zorg des Vaders over Christus en zijn rijk.
Hertaald:
op dien enen steen
Of: in die steen, namelijk in Christus, zal allereerst de volheid van de Godheid zijn, en daarna een overvloed van geestelijke gaven, en verder een volkomen zorg voor Zijn kerk. Anders: over — waarbij men de grote zorg van de Vader voor Christus en Zijn rijk verstaat.
zeven ogen wezen;
Verg. met de woorden van dit vers, de woorden van Zach. 4:10 ; Openb. 5:6 .
Hertaald:
zeven ogen wezen;
Vergelijk de woorden van dit vers met de woorden van Zach. 4:10; Openb. 5:6.
Ik zal zijn graveersel graveren,
Dat is, Ik zal hem kostelijk uithouwen, gelijk men een kostelijken steen fraai polijst en glad maakt; dat is, Ik zal hem [te weten] Christus versieren met menigerlei geestelijke gaven. Hebr. Ik zal zijne opening openen; welke woorden enigen duiden op het lijden en op de wonden van onzen Heere Jezus Christus, waarmede onze ongerechtigheden zijn uitgedelgd en de zaligheid verworven is.
Hertaald:
Ik zal zijn graveersel graveren,
Dat is: Ik zal hem kostbaar uithouwen, zoals men een kostbare steen fraai polijst en glad maakt; dat is: Ik zal Hem — namelijk Christus — versieren met allerlei geestelijke gaven. Hebreeuws: Ik zal zijn opening openen; die woorden betrekken sommigen op het lijden en de wonden van onze Heere Jezus Christus, waarmee onze ongerechtigheden uitgedelgd en de zaligheid verworven is.
dezes lands
Te weten, van de kerk der Joden en heidenen.
Hertaald:
dezes lands
Namelijk van de kerk uit Joden en heidenen.
op een dag wegnemen
Te weten, op dien dag als Christus zal gekruisigd worden.
Hertaald:
op een dag wegnemen
Namelijk op die dag waarop Christus gekruisigd zal worden.
zult gijlieden
Dat is, gij zult in vrede leven, en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25 ; Mi. 4:4 . Doch versta dit niet zozeer van een tijdelijken vrede en welstand, als van een gerustheid des gemoeds en vrede der coscientie door het geloof, dat God met ons om Christus' wil verzoend is. Verg. Jes. 2:4-5 , en Jes. 25:6-7 ; Hos. 2:14 , Hos. 2:17 , en Hos. 14:5-7 ; Joël 3:19 ; Am. 9:13-15 ; Mi. 4:4 , en Mi. 5:4-5 . In welke plaatsen, onder verbloemde redenen, de vrede der kerk en van een ieder als lidmaat derzelve wordt afgebeeld.
Hertaald:
zult gijlieden
Dat is: u zult in vrede leven en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25; Micha 4:4. Maar versta dit niet zozeer van een tijdelijke vrede en welstand als van een gerustheid van het gemoed en een vrede van het geweten door het geloof dat God door Christus met ons verzoend is. Vergelijk Jes. 2:4-5 en Jes. 25:6-7; Hos. 2:14, Hos. 2:17 en Hos. 14:5-7; Joël 3:19; Amos 9:13-15; Micha 4:4 en Micha 5:4-5. Op die plaatsen wordt onder beeldspraak de vrede van de kerk en van ieder lid daarvan afgebeeld. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan" (Zach. 3:1). Maar de HEERE wijst de aanklager af: "De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?" (Zach. 3:2). Josua's toestand wordt genoemd: "Josua nu was bekleed met vuile klederen" (Zach. 3:3). Dan het bevel: "Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen" (Zach. 3:4). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier aanklaagt en wie verdedigt: de satan staat aan Josua's rechterhand om hem tegen te staan, maar de HEERE Zelf spreekt de bestraffing uit. Josua verdedigt zichzelf geen moment; het is de HEERE Die voor hem opkomt. Let vervolgens op het beeld van Zach. 3:2: een vuurbrand uit het vuur gerukt — iets dat al bijna verteerd was, maar er op het laatste moment uitgehaald werd. Let ten slotte op de volgorde in Zach. 3:4: eerst worden de vuile klederen weggenomen, dan pas komt de uitspraak dat de ongerechtigheid is weggenomen, en dan de nieuwe kleding. De vergeving gaat de nieuwe staat vooraf, niet andersom. Typologie: Dezelfde aanklager die hier wordt afgewezen, wordt in het laatste boek uiteindelijk neergeworpen: "de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen" (Op. 12:10, reeds behandeld). Zach. 3:1-4; Op. 12:10 Josua krijgt eerst een voorwaardelijke belofte: "Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan" (Zach. 3:7). Dan volgt een blik voorbij Josua: "gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen" (Zach. 3:8). En het teken erbij: "aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen" (Zach. 3:9). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier een wonderteken genoemd worden: Josua en zijn ambtsgenoten, niet om wat zij zelf zijn, maar omdat zij wijzen naar wat komt. Let vervolgens op de naam die in Zach. 3:8 valt: de SPRUITE — een naam die niet verder wordt uitgelegd op dit moment, maar in het volgende blok van dit boek terugkeert (Zach. 6:12) en met meer inhoud gevuld wordt. Let ten slotte op Zach. 3:9: de ongerechtigheid van het hele land wordt op één dag weggenomen — niet geleidelijk zoals bij de jaarlijkse offerdienst, maar in één beweging. Typologie: Wat hier op één dag gebeurt, in tegenstelling tot de herhaalde jaarlijkse offers, is dezelfde eenmaligheid die de Hebreeënbrief van Christus' offer zegt: "nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande" (reeds behandeld bij Hebr. 9:26). Zach. 3:6-9; Hebr. 9:26 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Zacharia ziet in de vierde van zijn nachtgezichten een rechtszaal. De hogepriester Jozua staat voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, en aan zijn rechterhand — de plaats van de aanklager — staat de satan om hem te wederstaan. De hogepriester staat er in vuile kleren en heeft niets te zeggen; wat er gebeurt, gebeurt geheel buiten hem om. Er is geen verdediging. Jozua zegt in het hele gezicht niets, en dat is niet uit hoogmoed: hij staat er in vuile klederen. De aanklacht is dus terecht, en juist daarom kan hij haar niet weerspreken. Het is de Engel Die spreekt. En de kanttekening zegt zonder omhaal wie dat is: namelijk de Zoon van God, Die Hij tevoren de Engel van de HEERE genoemd heeft. Zij legt Zijn woorden uit als: drijve u met uw valse aanklacht terug, make u te schande, en spreke Zijn trouwe dienaar Jozua vrij — met verwijzing naar Judas 1:9. Dan volgt het bevel, en het gaat over de kleren: “Doet deze vuile klederen van hem weg.” Wie dat zegt, tekent de kanttekening opnieuw aan, is Christus, Die de zonden vergeeft en de onrechtvaardige rechtvaardig spreekt. En degenen tot wie Hij spreekt zijn de andere engelen, die Zijn dienaren zijn. De uitleg staat er meteen achteraan, zodat niemand het beeld verkeerd verstaat: “Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.” Het uittrekken en aankleden is dus geen ceremonie maar vergeving. Let erop dat Jozua niet eerst schoongewassen wordt. De vuile kleren gaan uit, en er komen andere in de plaats. Hij levert niets in dan wat hij aanhad. Dan verschuift het gezicht van deze man naar Iemand anders: “Want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.” Zacharia's tijdgenoot is een wonderteken — de kanttekening geeft het Hebreeuws als mannen van het wonder — en dat wonderteken wijst voorbij zichzelf. Het slot noemt een steen met zeven ogen. De kanttekening betrekt die op Christus, Die zojuist een Spruit genoemd is en Die afgebeeld werd door het fundament en de hoeksteen van de tempel. En van de gravering zegt zij: in die steen zal allereerst de volheid van de Godheid zijn, daarna een overvloed van geestelijke gaven, en verder een volkomen zorg voor Zijn kerk. En dan de belofte waarmee alles staat of valt: “Ik zal de ongerechtigheid dezes lands wegnemen op een dag.” Eén dag, niet een reeks offers die jaar na jaar terugkomt. In het Nieuwe Testament: Judas 1:9; Openbaring 12:10; Romeinen 8:33-34; Jesaja 61:10
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De plaats van de zonde in de natuurlijke mens is die van een koning op zijn troon. De plaats van de zonde in een christen is die van een rover die zich in schuilhoeken verbergt en zijn oude, aangematigde heerschappij terug probeert te krijgen, maar in die poging faalt. Zij zei: Ja, Heere, maar de hondjes eten ook van de kruimels die er vallen van de tafel van hun bezitter. (Mattheüs 15:27) Lees verder Jesaja 64:4—9. Geloof in… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Daarna laat Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond. Zacharia 3… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De vuile klederen weggenomen — 3:1-10
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Jouw puinhoop is je argument voor genade
Dien God als een priester


Zacharia 3
Zacharia 3:3-4.KruisverwijzingenJesaja 64:6→Ezechiël 36:25→Ezra 9:15→Lukas 15:22→Lukas 1:19→Openbaring 7:14→Zacharia 3:7→Jesaja 61:10→
— Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
“Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.”
De oorspronkelijke bedoeling van dit gezicht was de herleving van de Joodse staat te voorzeggen, na haar lange neerdrukking door de Babylonische gevangenschap. Josua, de hogepriester, met zijn versleten klederen, moet gezien worden als een voorafschaduwing van het Joodse volk in zijn diepe nood.
Hij diende voor het aangezicht van de HEERE in versleten en vuile klederen, om tegelijk de zonde van Israel te tonen en de armoede waarin zij vervallen waren. Zij waren zo arm dat de dienst van God niet in passende kleding gehouden kon worden. De hogepriester zelf verscheen voor het altaar in gewaden die voor zijn heilig werk niet voegden.
De gezette tijd om Sion genadig te zijn is, naar de gezichten, zeer nabij. En de satan, de oude tegenstander van het uitverkoren geslacht, maakt zich op om hen te weerstaan en de gunst van God van hen af te wenden. Maar diezelfde Engel van het verbond, Die het volk door de woestijn leidde en hen al de dagen van ouds droeg, staat voor de troon als hun Voorspraak. En op Zijn verzoek bestraft de HEERE de satan en begint Hij het volk te zegenen.
Josua, hun vertegenwoordiger, ontvangt andere klederen, ten bewijze dat de zonde van het volk vergeven is en dat God hun eredienst aanneemt. Daarna gaat het gezicht voort tot de dag van de Heere Jezus. Het hart van de profeet Zacharia wordt verkwikt door een blik op het hele land, hersteld tot zijn vroegere vrede en geluk.
Zacharia 3:9.KruisverwijzingenJesaja 28:16→Zacharia 4:10→Jeremia 50:20→Psalmen 118:22→Openbaring 5:6→2 Timotheüs 2:19→1 Timotheüs 2:5→Hebreeën 9:25→
— Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
“Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.”
Het wegnemen van onze overtredingen bestaat in vier dingen.
Het eerste is het wegnemen van de straf. Wie God vergeeft, kan om zijn zonde niet gestraft worden. Het zou een schijnvergeving zijn die een mens in de handen van de scherprechter liet. Het vonnis wordt niet opgeschort — nee, het wordt herroepen.
Ten tweede betekent het wegnemen van de overtreding dat alle schuld voor de HEERE weggenomen wordt. De zonde heeft God vertoornd; zij is een breken van Zijn wet en een onteren van Zijn naam. Toch zal God de gelovige zondaar zo vergeven dat er geen toorn tegen hem overblijft.
Ten derde houdt het wegnemen van de zonde in dat de bevlekking van de zonde weggedaan wordt. De zonde maakt ons tot verontreinigde schepselen. Wordt de zonde weggedaan, dan wordt ook de bevlekking die er het gevolg van is gereinigd, en dan worden wij rein voor God en persoonlijk aangenaam bij Hem.
Ten slotte omvat het wegnemen van de zonde de volkomen verwoesting van haar heerschappij over onze natuur. Niet dat de zonde in ons al haar kracht verloren heeft, maar in de gelovige heeft zij haar heersende kracht verloren en is zij van de troon gestoten.
Zo is de belofte van deze tekst een volle belofte. Het wegnemen van de zonde omvat de vergeving van de straf, het wegdoen van de schuld, de reiniging van de bevlekking, en het onttronen van de boze macht.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenJesaja 28:16→Zacharia 6:11→Psalmen 109:6→Judas 1:9→Jesaja 11:1→Jeremia 23:5→1 Koningen 4:25→Hagai 1:1→
— Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen. Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij. Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan. Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen. Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.
Vierde nachtgezicht. De Hogepriester Josua voor den Engel des Heeren. Het gezicht beantwoordt de moeilijke vraag: “Hoe is zulk ene verheerlijking van Israël mogelijk en te verwachten bij zijne eigene grote schuld en die zijner priesters?” Het 3de gezicht had den zegen en de verheerlijking van Israël, door vorige profeten reeds voorzegd, weer opgenomen, en die in grootse trekken bevestigd. Zulk een zegenen en verheerlijken van Israël heeft echter tot noodzakelijke voorwaarde, dat Israël een volk zij, met zijnen God verzoend en heilig. Dit kon Israël alleen worden, wanneer zijne zonden steeds opnieuw weer verzoend werden op de door den Heere voorgeschrevene wijze. Nu scheen echter de vroegere door den Heere aangestelde priesterschap om hare schuld ongeschikt te zijn, om die verzoening van de zonden des volks verder te volbrengen, en daarmee voor Israël alle hoop te zijn afgesneden, dat het ooit verzoening van zijne zonde en hierdoor vervulling van die beloften kon verkrijgen. Door des Heeren genade wordt echter, zoals ons gezicht aanwijst, de priesterstand in zijnen toenmaligen vertegenwoordiger, den hogepriester Josua, van alle schuld gereinigd, opnieuw in het priesterambt ingezet, en aan hem de voorzeggende betekenis bekrachtigd, dat hij moet wijzen op den Knecht des Heeren, die eens zal komen, om op waarachtige, eeuwig geldende wijze de schuld van Israël te verzoenen, en Israëls verheerlijking te weeg te brengen. ” Zo geeft dus dit gezicht aan het volk Gods de zeer gewichtige en genadige belofte, dat het nooit de vergeving der zonden door Gods genade zal missen, ja dat eens ene eeuwig geldende, waarachtige verzoening door den Heere, zelven zal worden aangebracht. Het geheel is in twee delen verdeeld: het eigenlijke visioen, een toneel des gericht in den hemel, waarin de Hogepriester Josua door den satan wordt aangeklaagd, door den Heere gerechtvaardigd en opnieuw bekleed (vs. 1-5), en de voorstelling, welke voorafbeeldende betekenis deze gebeurtenis heeft voor het voortbestaan en de toekomst van het rijk Gods (vs. 6-10).
Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staandeals een aangeklaagde in het heiligdom des hemels voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, die van den beginne de lotgevallen des volks had geleid, in wien Gods heerlijkheid woont, door wien Hij ook richt; en de Satan, de vijand van God en van mensen (Job 1:6 Openb. 12:10) stond als Josua’s aanklager (Ps. 109:6) aan zijne rechterhand, om hem, als den drager van het hogepriesterlijk ambt, dat Gods volk verzoent, wegens de zondige bevlekking van hem en van zijn ambt te weerstaan, en zo mogelijk het zondendelgende priesterambt, en daarmee het bestaan van het volk Gods, en de verwezenlijking der toekomstige verlossing te vernietigen. In den hogepriester concentreert zich het priesterschap van Israël, even als weer in het priesterschap zich het karakter van Israël, als heilig volk, concentreert. De hogepriester stelt de heiligheid en de priesterlijke waardigheid van Israël voor, en wel niet alleen door bijzondere ambtelijke handelingen en functies, maar zo, dat hij als deze Leviet en Aäroniet, als het toenmalige hoofd van het huis van Aäron in zijn persoon zulk een door God uit genade aan Israëls volk toegekend karakter van heiligheid en priesterlijke waardigheid vertegenwoordigt. Hieruit blijkt de oorzaak en het motief van de aanklacht van Josua voor den troon Gods van de zijde des satans. Het gehele volk Gods, welke priesterlijk karakter, dat een middel was tot verzoening der gehele wereld, in het Aäronietische priesterschap zijn toppunt had, was om zijne zware zonden in den vuuroven der ballingschap verstoten en eerst voor korten tijd in het land der vaderen teruggekeerd. Maar nog scheen het, dat aan de herstelling en vastheid der goddelijke inrichtingen onder het volk, door welke het tot bereiking van zijn door, de toekomstige verlossing, moest worden geroerd, in ‘t bijzonder aan den tempelbouw en zijnen dienst tot verzoening der zonden veel ontbrak, en het kon den oppervlakkigen beschouwer twijfelachtig voorkomen, of het volk werkelijk weer tot genade was aangenomen en in zijne roeping van volk van God weer was hersteld. Wat van het volk waar was, was dit in de hoogste mate van het hogepriesterlijk ambt, dat toen door Josua werd bekleed. Juist dit ambt had bijzonder grote schuld aan de zonde en den afval des volks, was daarom ook met het volk tijdelijk in ballingschap geworpen, en het scheen, alsof het met het volk voor alle eeuwigheid onwaardig was, om middelaar der verzoening met God te zijn. Deze schijn beweegt satan, die het niet kan begrijpen, dat Gods Genade groter zou zijn dan onze zonde, en wien zonde vergeven en Gods barmhartigheid iets onzinnigs is, te beproeven, het voor zijne heerschappij op aarde zo hoogst gevaarlijke priesterlijk ambt in Israël te niet te doen. Gelukte hem zijne poging, zo had hij daardoor ook de toekomstige verlossing verijdeld. Deze is de alleen juiste betekenis van dit gewichtige, diepe visioen, welke de voortgang der genade Gods en de zekerheid Zijner belofte tegenover zulke aanvallen van het rijk der duisternis verzekert. Ene persoonlijke schuld als grond van zijne aanklacht door satan aan te nemen, is een teken, dat men de verreikende betekenis van het visioen niet verstaat. Wij geloven integendeel, dat vooral Josua’s opgewekte ijver voor den tempel en zijne verzoenende dienst de aanleiding voor satan en zijne werktuigen zullen geweest zijn, om de vroeger bewezene onwaardigheid van den gehelen priesterstand voor een zo heilig ambt op den voorgrond te stellen, zodat dit visioen niet alleen het gehele volk in het geloof aan de zekerheid zijner toekomstige heerlijkheid moest versterken, maar vooral Josua en der priesterschap tot troost dienen tegenover de twijfelingen en verzoekingen, welke hun door duivelse aanklachten der boosheid werden veroorzaakt. Ons visioen herinnert in meer dan een opzicht aan het Boek Job, vooral aan zijn geschiedkundig gedeelte (Hoofdst. 1 en 2); niet alleen gelijk het toneel des gerichts in den hemel ziet op het toneel, waarin satan Job voor den Heere aanklaagt, zodat wij tot recht begrip van ons visioen op de verklaring van Job kunnen wijzen, maar de aanklacht van Job kan eveneens als ene zware verzoeking worden opgevat, als “een strijd van God met den satan, en van satan met God om eens mensen ziel, die Godes is” (Job 1:12). In elk geval blijkt uit het gehele voor ons liggende visioen, het aanwezig zijn van het Boek Job en bekendheid daarmee, zo als reeds te zien is in de vermelding van satan als ene geheel bekende persoonlijkheid en zijn verschijnen voor God tussen andere engelen. In Josua, den Hogepriester zien wij een beeld van ieder kind Gods, dat nabijgebracht is door het bloed van Christus, en nu geleerd heeft de heilige dingen te bedienen en in te gaan achter het voorhangsel. Jezus heeft ons tot koningen en priesters Gode gemaakt, en zelfs hier op aarde oefenen wij het priesterschap uit van een toegewijd leven en ene heilige dienst, maar van dezen hogepriester wordt gezegd, dat hij is staande voor den Engel des Heeren, dat is staande om te dienen. Dit moet de voortdurende houding van de ware gelovigen zijn. Elke plaats is nu Gods tempel, en Zijne kinderen kunnen Hem even goed in hun dagelijkse bezigheid dienen als in Zijn Huis. Zij moeten altoos dienen, zij moeten de geestelijke offeranden van gebed en lofzang brengen, en zich zelven als levende offeranden stellen. Maar merk de plaats op, waar Josua staat om te bedienen; het is voor den Engel van Jehova. Het is alleen door een Middelaar, dat wij arme zondige schepselen priesters Gods kunnen worden. Ik breng wat ik heb voor den afgezant, den Engel des verbonds, den Heere Jezus, en door Hem vinden mijne gebeden, die in Zijne gebeden worden opgenomen den toegang tot God; mijne lofzangen worden liefelijk daar zij gevoegd worden bij de mirre en aloë en kassie uit den hof van Christus. Indien ik Hem niets dan tranen kan brengen, zo zal Hij ze met Zijne eigene tranen in ene fles bewaren, want Hij heeft eens geweend; indien ik niets kan brengen dan mijn wenen en mijne klachten, zo zal Hij ze als ene welbehagelijke offerande aannemen, want ook Hij was eens gebroken van harte, en zuchtte zwaarlijk in Zijn gemoed. In Hem staande word ik zelf in den Geliefde aangenomen en al mijne bedorvene werken, hoewel zij in zichzelve de voorwerpen der Goddelijke verafschuwing zijn geworden zó aangenomen, dat het Gode een liefelijke reuk is. Hij is tevreden en ik ben gezegend. Zie dan welke de toestand des Christen is: een priester staande voor den Engel des Heeren. De Profeet Zacharia, die wel de Profeet van den tweeden tempel mag genoemd worden, moest den wederopbouw van stad en tempel als met ene treffelijke muziek van profetieën begeleiden. Hij zag namelijk in een gezicht den Hogepriester Josua door den satan beschuldigd als onbekwaam voor zijn ambt, en hoe Josua daarna bij de wegneming zijner ongerechtigheid door God bekwaam gemaakt werd en op nieuw zijne aanstelling ontving. Wat niemand is tot het verrichten van enig werk voor God bekwaam, wanneer niet vooraf zijne zonden van hem weggenomen zijn. Dit hebben wij in Jesaja gezien, en dit zien wij nu in Josua. En dat nochthans zo vele ongelovigen in onzen tijd de Goddelijke zaken ter hand nemen, en op hun profane wijze behandelen, is uiterst vermetel, maar zal hun onfeilbaar tot oordeel strekken; want God wil niet, dat iemand met vuile klederen het heiligdom ingaat, en met onheilige handen de heilige dingen aanroert, hoe veel te minder, dat men Zijne heilige schrijvers in het slijk slepe, zo als de ongelovigen doen, die zich gewoonlijk de grootste grofheden en gemeenheden in dit opzicht veroorloven. Zij begrijpen niet, dat zij hiermede hun eigene diepe zedelijke verzonkenheid blootleggen. En zulke mensen menen nog nuttig te zijn bij het volk, ja in de gemeente des Heeren! Zij zijn er enkel tot bederf van zich zelven en van anderen. Zelfs de Apostelen hadden toe te zien, dat zij niet anderen leerden en zelf verwerpelijk wierden, hoe veel te meer zulk ongewassen zondaren als de ongelovigen zijn. Met den last van onverzoende zonden op ons kunnen wij niets doen voor God, alsdan zijn wij met volstrekte onvruchtbaarheid geslagen. Eerst door de rechtvaardigmaking in het bloed van Christus worden wij bekwaam gemaakt tot al de werkzaamheden in het koninkrijk van God. Zolang dit niet geschied is, heeft de duivel vat op ons, laat hij zijn recht gelden en treedt hij tegen ons op als aanklager of beschuldiger. Nu mogen de ongelovigen hiermede de scherts drijven, maar wij houden het voor ene zeer ernstige zaak. Wij hebben hier de akte van zulk een rechtsgeding voor ons, en wij hechten er een volkomen geloof aan, zoals aan alles wat de Schrift ons zegt. De duivel is hier, zoals wij het zouden uitdrukken, de procureur-generaal, die de beschuldiging instelt en den eis doet, en voor zover hij waarheid spreekt, ook gehoor vindt; doch zijn het kinderen Gods, die hij beschuldigt, dan wordt hij door den Heere gescholden en weersproken, dan wordt zijn eis niet ontvankelijk verklaard, en de beschuldigde vrij gesproken. Trouwens de Heere moet het voor ons opnemen, zullen wij tot de zaligheid komen; zo niet wij zijn verloren. Wij hebben dus in Christus een Advocaat, een voorspraak bij den Vader, als wij gezondigd hebben (1 Joh. 2:1). Deze is de Engel, die bij Josua stond, en die bij afwisseling Heere en Engel genoemd wordt, omdat Christus tegelijk de Zender en de Gezondene is. Het is dan ook wel meer gebeurd, dat de vorst zelf incognito het werk deed van een afgezant. In het Oude Testament zien wij Hem mens wordende, en in het Nieuwe Testament zien wij Hem mens geworden. De satan weerstond Josua; niemand had iets op dien eerwaardigen hogepriester te zeggen, maar de satan wist genoeg van hem, om tegen hem op te treden, en dit verwondert ons niet, want Josua had werkelijk vuile klederen aan, hij was een zondaar, en alleen de genade, waaronder hij stond, kon hem redden en redde hem. Maar wat zegt gij van die mensen, die van den vlekkeloos heiligen Jezus in het hagelblank kleed Zijner hemelse reinheid onreinheden zeggen, en tegen Hem, den Heerlijke boven alle heerlijken, beschuldigingen inbrengen durven. Zijn het gene rechte duivelskinderen, die satans aard geheel in zich hebben opgenomen, en die zo als de Heilige Schrift zegt, lasteren, wat zij niet weten, en in hetgeen zij van nature weten, zich zelven verderven? (Judas 1:8, 10).
Doch de HEERE, de Engel des Heeren, die met God gelijk in Wezen is, zei na het aanhoren der aanklacht tot den Satan, terwijl hij hem afwees: De HEERE, die barmhartig en genadig, lankmoedig en van grote goedertierenheid en trouwe is, schelde u, brenge Zijn rechtvaardigd gericht der verdoemenis over u (Job. 1:6), gij Satan, die van den beginne Gods genade veracht, en Gods kinderen vervolgd en om hun zonden hebt aangeklaagd! Ja, de HEERE schelde u, de Heere, die Jeruzalem als plaats der openbaring van Zijne genade en ontferming, van Zijne macht en heerlijkheid verkiest, die deze verkiezing zelfs in Zijnen toorn over Jeruzalem niet vergeten, noch teruggetrokken heeft, en gij zoekt deze verkiezing door vernietiging van het hogepriesterlijk ambt te doen vervallen. En wat in ‘t bijzonder dezen door u aangeklaagden drager van het hogepriesterlijke ambt aangaat, is deze met den gehelen priesterstand niet een vuurbrand uit het vuur) gerukt, door Gods genade en almacht van den rand des verderfs teruggetrokken? 3)
Dat in Judas 1:9 den Engel Michaël dezelfde woorden tegen satan worden toegeschreven, daaruit mag niet worden besloten, dat de Apostel Judas op ons visioen ziet, en den hier sprekenden Engel als den Engel Michaël heeft opgevat. Integendeel haalt Judas die woorden aan uit een niet-Bijbels boek.
Daarom, Josua, zie er niet op. dat gij zulk een klein stuk, zulk een kort stompje en ellendig brandhout in uwe ogen zijt. God is het, die uit het vuur wil halen, en balken, pilaren, sparren, ja huizen, steden, bossen, ja alles zal maken, en gij zijt er van God toe verordend, opdat Hij door u en uit u het heerlijke Jeruzalem bouwe, al waart gij nog zo gering.
De Heere bad daardoor, dat Hij het hogepriesterlijk ambt in het gericht des toorns, dat Hij over het gehele volk in de ballingschap heeft moeten brengen, niet heeft laten te niet gaan, maar het bewaard en teruggevoerd heeft, duidelijk en bepaald verklaard, dat Hij ondanks de zonden van de dragers van het heilige ambt, Zijne genade daarvan niet heeft willen afkeren, maar Jeruzalems verkiezing bevestigen. Een vuurbrand wil zeggen een stuk hout, dat reeds in het bos ligt te branden. De zonde is dat vuur; daar liggen wij allen van nature in; moge het nu nog smeulen en roken, het kan ieder ogenblik in lichte laaie vlam uitbreken, doch de genade trekt ons uit dat vuur, en wil niet dat wij, die reeds brandende zijn, verbranden.
Josua nu was bekleed met vuile klederen, als tekenen van de bezoedeling van zijn ambt door zonde en schuld (Jes. 64:5; Spr. 30:12. Openb. 3:4; 7:14), en als teken der zonde van het gehele volk, welks vertegenwoordiger hij was. Hij droeg nog die klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond, wachtende op de afwassing van zijne zonden. De ongelovigen zijn geheel zonder klederen, schaamteloos naakt, doch de gelovigen zijn nog gene volmaakte heiligen, maar zondaren, en hebben als zodanig bezoedelde, vuile klederen aan. Daarmee zijn zij ook niet meer presentabel voor God. Maar als God de onreine klederen verwisselt voor reine, dan is er immers niet op te zeggen. En dat doet God nu bij Josua. Het grote denkbeeld dezer zaak is, dat wij door de zonde zedelijk naakt zijn geworden voor God, en dat wij nu niet weer voor God gekleed kunnen worden door klederen, die wij ons zelven geven, maar enkel door klederen, die God ons geeft. Dit werd in het paradijs afgebeeld. Aldaar bedekte de mens zijne naaktheid. Doch het was voor God gene kleding. Hij zelf kleedde den mens; de kleding is dus ene verordening Gods, Zij is gewijzigd voor kunne en verstand. De man heeft ene andere kleding dan de vrouw, de koning dan de dienaar, de rijke dan de arme; ook heeft allerlei toestand zijne kleding. Wij kennen het feestkleed en het rouwkleed. In het Oosten heeft de kleding nog veel meer betekenis dan bij ons. Is men daar ten feeste, dan heeft men fijne witte klederen aan, en is men in rouw, dan scheurt men zijne klederen, en draagt ze zo lang totdat de rouw is. Ook kleedde zich bij de ouden een beschuldigde niet gelijk bij ons, zeer net, neen in bezoedelde klederen, om zijnen vernederden toestand uit te drukken, en medelijden voor zich op te wekken. Voorts weet gij, hoe bij de Roomsen de onderscheidene klederen der geestelijke en kerkelijke personen, als monniken, nonnen, tot zelfs de liefdezusters, een grote rol spelen, waarbij de sierlijkheid en ook weer de wanstaltigheid niet ontbreekt. Ach, men vergeet, dat de kleding des lichaams niet te rein, en tegelijk niet te eenvoudig kan zijn, en dat wij naar de ziel Gode het meest behagen, wanneer wij niet een Zondags, maar een zondaars-kleed dragen; wanneer wij met ootmoedigheid zijn bekleed. De vlekkeloze en niet te bedekken witte klederen, die God ons geeft te dragen, zijn de klederen des heils, zijn de klederen, die wit gewassen zijn in het bloed des Lams. En nu vragen wij waar is ene godsdienst behalve de onze, die ons zegt, dat God zo in eens en zo volkomen de ongerechtigheden van den mens wegneemt en hem ene eeuwige gerechtigheid in de plaats geeft, als de mens van klederen verwisselt door de vuile klederen uit te trekken en de schone aan te trekken? Neen, zo iets kan God alleen laten verkondigen. De mens wil van nature zich zelven verbeteren, en op deze wijze zalig worden. Hij wil de schuld, die hij bij God heeft bij termijnen afbetalen, door bij voorbeeld met iedere avondmaalsviering beter te worden dan vroeger. Doch behalve dat de mogelijkheid der afbetaling niet bestaat, weet men ook niet of God met zulk ene wijze van betaling wel genoegen neemt. Waartoe dan nog langer het losgeld geweigerd, dat Christus u aanbiedt in Zijn bloed. In dat bloed is Hij de verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor onze zonden maar ook voor de zonden der gehele wereld (1 Joh. 2:2). Of meent gij, dat de betaling Gods zo precies wordt afgepast als bij ons, die ene rekening voldoen, juist zo als zij is, tot op het halve centje toe, maar ook niet meer? Neen, als gij zo over God denkt, dan kent gij Zijne genade niet. Gij moet den Heere u voorstellen als een onmetelijk rijk vorst, die met ene karavaan van duizende kamelen, dragende onnoemelijke schatten, ene reis doet door vreemde landen, om overal wel te doen, en ene gevangenis voorbij komt, waaruit een man hem door de ijzeren traliën ziet voorbijgaan, en hem toeroept: “Ach ontferm u over mij; ik zit hier voor schuld gegijzeld en gij zijt zo rijk. ” Terstond trekt de vorst een kostbaren ring van den vinger, geeft hem den cipier en zegt: “Deze ring is duizendmaal meer waard dan de schuld van den man groot is; doch ik heb gene mindere waarde bij mij. Laat den gevangene vrij. ” Hoort gij met klein geld houdt die grote heer zich niet op. En nu is de gevangene vrij, vrij van de gevangenis, maar ook vrij van zijn weldoener? Neen, dat is onmogelijk. Indien de nu vrijgekochte niet met geheel zijn hart voor altijd aan zijn weldoener verplicht en verbonden had willen zijn, hij zou niet uit de gevangenis geroepen hebben: “Ontferm u over mij; behoud mij, koop mij vrij. ” Die God niet wil dienen, wil ook niet door God verlost zijn, maar wacht op ene gelegenheid om zich zelven te verlossen, ten einde alzo aan niemand verplicht te zijn en zijn eigen heer en meester te blijven. Hij kan lang wachten. Indien gij niet gelooft, dat Ik het ben (uw Verlosser), gij zult in uw zonden sterven, zegt de Heere Jezus Christus (Joh. 8:24). Hoe groter de ellende en onwaardigheid is, zo veel te zuiverder en groter wordt de genade, aan zulk een bewezen. Die gene onwaardigheid heeft, kan geen genade ontvangen; die aan weinige of geringe onwaardigheid onderhevig is, kan geringe genade deelachtig worden; die onder grote onwaardigheid zucht, kan een voorwerp van grote genade vinden, die niet alleen in verbeelding, maar inderdaad de grootste onwaardige is op de wereld, kan ook de alleen grootste genade op aarde verkrijgen.
Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, tot de dienende geesten, die op Zijne bevelen wachten, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot Hem: Zie, Ik heb uween uws volks ongerechtigheid van u weggenomen, u al uwe zonden alleen uit genade vergeven, zodat gij nu heilig en recht voor Mijne ogen staat, en Ik zal u bovendien wisselklederen aandoen 1), ten teken en onderpand der toekomstige heerlijkheid van uw ambt en van het gehele volk.
Micha 7:18
Hier wordt de leer der genade tegenover die der goede werken bevestigd. Want hier wordt Josua uit- en aangetrokken, voordat hem het ambt en het gebod wordt gegeven wat hij moet doen. De persoon moet te voren rein zijn door het geloof, daarna zijn zijne werken welgevallig, zo als ook in Abel en Kaïn is aangetoond. De wisselklederen zijn het zinnebeeld van de gerechtigheid, door Christus Jezus aangebracht. Zij zijn de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid van den enigen Borg en Zaligmaker, waardoor Hij den vloek heeft gedragen, aan al de eisen der Wet heeft voldaan, en het recht heeft verworven, om van alle straf vrij te spreken, en alle zegeningen naar lichaam en ziel te geven.
Dies zeg Ik: Laat ze enen reinen hoed of hoofdband, het teken zijner hogepriesterlijke waardigheid, waarop het gouden voorhoofdsiersel is vastgemaakt, op zijn hoofd zetten, opdat hij overtuigd worde, dat hij en zijn ambt in Israël den Heere zeker heilig zijn en door Hem geroepen, om de zonden des volks te verzoenen (Ex. 28:28). En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem eerst daarna 1) de klederender heerlijkheid aan; en de Engel des HEEREN stond, terwijl het geschiedde, daarbij. Hij keurde door Zijne tegenwoordigheid de gerechtigheid en heiligheid en de toekomstige heerlijkheid van het hogepriesterlijk ambt en daarmee de onherroepelijke verkiezing van Israël goed, en bevestigde die.
Het is opmerkelijk, dat de reine hoed als het teken der goddelijke roeping tot de waardigheid van hogepriester en teken der heiligheid van het ambt eerst wordt opgezet; want zonder de heiligheid is de heerlijkheid niet mogelijk. Jehova, te weten de Engel van Jehova, bestrafte den satan met de woorden “Jehova schelde u, liever: bedwinge u, dat is uwe hatelijke tong, om te zwijgen, ja Jehova bedwinge u, die Jeruzalem verkiest. Is deze niet een vuurbrand, een brandhout uit het vuur gerukt? De Engel bediende zich van den naam Jehova, om den satan te herinneren aan het nieuwe verbond des Heeren met Israël, dat van geen wankelen weet, met dien gedenknaam van God, aan Mozes bevestigd; aan de goddelijke onveranderlijke trouw, die Jeruzalem en het Joodse volk uit alle natiën zich ten eigendom had verkoren, en dat volk, om zijne zonde bijna aan de uitroeiing toegewijd, zo wonderbaar uit Babel had doen terugkomen, alsof men nog tijdig een half brandhout uit het vuur had gerukt; ja ook aan Zijne Goddelijke vrijmacht, waardoor Hij in het straffen en vergeven der zonde doen kan wat Hem behaagt. Ondertussen had de satan in zijne beschuldiging geen ongelijk, want, volgens het derde vers, was Josua bekleed net vuile klederen; volgens den grondtekst waren de klederen niet dat, wat men gewoonlijk slordig noemt, maar zo onrein alsof zij uit drek en modder waren opgehaald. Ene afbeelding van de menigte, snoodheid en gruwelijkheid der zonden van Israël en zijne priesters, die Josua als de hogepriester vertegenwoordigde. Maar wat zegt nu de Engel des Heeren? Hij zegt tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden: Wie waren dezen? Gene mensen of priesters, want van hen wordt in het gezicht gene melding gemaakt, en deze waren, als zo vele zondaren, onbevoegd tot hetgeen thans bevelen werd; maar men denke aan engelen, die den Engel van Jehova vergezelden, en tot welke Hij thans in den naam van zijnen Vader, zowel als op eigen gezag, sprak: “doet deze vuile klederen van hem weg. ” Wat dit betekent, behoef ik niet aan te duiden, want de Engel den Heeren liet, toen Zijne dienaren Zijn bevel ten uitvoer brachten, volgen: “Ziet, Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen; ” ene verklaring van volkomene vergeving, uitdelging der schuld, die den zondaar, welke haar gelooft en eerbiedig aanneemt, zo gerust maakt, alsof hij gene zonde had gedaan, maar die altijd gepaard gaat met ene andere wegneming van de zonde, te weten van de bedorvenheid van zijn hart, van de begeerte, overhelling en hebbelijkheid om verder te zondigen, door de wedergeboorte ons afgebeeld met het volgende woord: “Ik zal u wisselklederen, beter reine blinkende klederen, aandoen. ” Derhalve zeg Ik: “laat hem enen reinen hoed of muts op zijn hoofd zetten, ” en zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij trokken hem klederen aan, en de Engel van Jehova stond, te weten om toe te zien, dat Zijn bevel nauwkeurig werd uitgevoerd (Zach. 3:5). Zo werd door den hogen God plechtig verklaard, dat de schuld van Israël en Zijner priesters was vergeven, en Hij wederom in gunst de offers en gebeden zou aanzien, die Hem eerlang, naar Mozes instelling, weer in den tempel zouden worden gebracht.
Toen betuigde de Engel des HEEREN, de openbaarder van den eeuwigen wil Gods en de toekomstige voleindiger van de zaligheid van Israël. Hij verklaarde en verzekerde met verhevene, plechtige stem om ontwijfelbare zekerheid te geven, aan Josua, die rechtvaardig en heilig als hogepriester van Gods volk voor Hem stond, zeggende:
Zo zegt de HEERE der heirscharen, die door Mij spreekt en Zijne woorden ook kan verwezenlijken: Indien gij met alle uwe opvolgers in het hogepriesterlijk ambt, in Mijne wegen zult wandelen, in gehoorzaamheid, oprecht geloof en ootmoedige liefde, zo als Ik dit aan ieder onder Mijn volk ten voorwaarde van het deelgenootschap aan de toekomstige heerlijkheid heb voorgesteld, en indien gij Mijne wacht, alle de heilige diensten van het priesterlijk ambt, door welke gij Mijn volk tot zijn doel moet leiden, ijverig en nauwgezet zult waarnemen, zo zult gij, die zo even Mij door den satan zijt aangeklaagd, maar door den Heere zijt vrijgesproken, ook Mijn huis richten. Gij zult ook verder den gehelen heiligen dienst in het heilige en allerheilige waarnemen, ja eens ook het ware huis Gods van alle genadegoederen der verlossing voorzien, en ook Mijne voorhoven met den offerdienst bewaren, dat zij door gene afgoderij worden verontreinigd en ontheiligd, zelfs eens ook de bemiddelaars zijn zowel in den inwendigen als den uitwendigen voorhof, voor Joden en Heidenen van de ware, eeuwige verzoening, en Ik zal u behalve deze bevestiging in uw ambt, wanneer eens de betekenis van uw priesterlijk ambt zal vervuld zijn, wandelingen, vrijen inen uitgang geven onder dezen, die hier staan. Gij zult even als deze hemelse geesten onmiddellijk vrijen toegang hebben tot Mijnen troon, uw volk voor Mij vertegenwoordigen, uwe gebeden zelf voor Mij brengen en verhoord worden. Deze grote belofte is voor het hogepriesterschap in Israël vervuld in Christus, den eeuwigen Hogepriester, die ter rechterhand Gods zit, en ons door voortdurende voorbede voor God den Vader, op grond van Zijn in ‘t Allerheilige des hemels gebracht, dierbaar bloed, vertegenwoordigt, Toen bij den dood van Christus het voorhangsel van het allerheilige scheurde, kon de hogepriester in Israël begrijpen, dat de vervulling van dit visioen gekomen was, zodat de hogepriester van het volk Gods van nu aan vrij kon toetreden tot den troon Gods, midden tussen de heilige engelen, die altijd het aangezicht Gods zien.
Hoor nu toch opmerkzaam toe, Josua, gij hogepriester!Ik wil u nu ook verkondigen, hoe Ik dien nieuwen tijd van vrijen toegang tot Mijnen troon wil doen komen, gij en uwe vrienden, de andere priesters, diein de priester-vergaderingen voor uw aangezicht als den voorzitter der vergadering zitten, en met u den heiligen dienst der verzoening in den tempel waarnemen; want (liever, waarlijk) zij, de priesters met u, zijn een wonderteken 1), betekenisvolle voorspellende voorbeelden van den toekomstigen, groten en enigen Hogepriester 1), en van de door Hem aangebrachte grote genade Gods. Want ziet, Ik zal nu spoedig Mijnen knecht, Zemah, 2) de a) SPRUITE, doen komen. De Spruit uit de dorre aarde, het rijsje uit Isaï’s afgehouwen tronk, waarvan Jesaja in Jes. 53:2; 11:1 v. sprak, die gerechtigheid op aarde zal brengen, en van wien Jeremia (23:5; 33:15) voorspeld heeft, zal komen. Op Hem moet gij met uwen offerdienst wijzen als op degene, die ook, gelijk gij uit de schuld en zonde tot genade en tot hope der heerlijkheid gekomen zijt, uit de geringheid en verachting tot grootheid en heerlijkheid zal omhoog rijzen.
Jes. 4:2. Zach. 6:12
In dubbel opzicht wordt aan Josua en zijne priesters ene voorspellende, voorafbeeldende betekenis toegeschreven. Eens was het doel van het gehele priesterlijk ambt, dat zich in het hogepriesterschap concentreerde, om door den van God ingestelden offerdienst Israëls schuld te verzoenen, en zo ene verzoening tussen Israël en den Heere tot stand te brengen (Lev. 9:7; 16:34). Daar het echter alleen offers van dieren waren, welke de Oud-Testamentische priesters konden brengen, zo werd ook de schuld niet werkelijk, maar symbolisch verzoend, en was er ene gedurige herhaling dezer offeranden nodig. Hoewel God deze tot schuldverzoening bestemde, maar slechts symbolisch verzoenende offerdienst had ingesteld, wilde Hij aan de ene zijde in Israël “steeds het bewustzijn wakende houden, dat het ene verzoening van zijne zonden nodig had, welke door die offeranden tot stand gebracht kon worden, maar werd aan de andere zijde ook Israël daarop gewezen, dat Hij zulk ene verzoening op werkelijke en eeuwig geldende wijze wilde te weeg brengen, want Hij kan ene behoefte, die Hij zelf tracht op te wekken, om Zijner trouw en barmhartigheid wil niet onvervuld laten. Zo waren dan de Oud-Testamentische priesters en in ‘t bijzonder de hogepriester, wanneer zij door het brengen van offeranden van dieren ene verzoening van Israëls schuld wilden bewerken, heenwijzingen op Hem, die door het brengen van het ware offer waarlijk en voor eeuwig zou verzoenen. ” . Aan de andere zijde waren juist Josua en zijne priesters, hoewel met schuld beladen, door de almacht der genade uit het vuur van het welverdiende gericht gerukte brandhouten, en wezen zij door dit wonder van genade, door hen ervaren, op het nog veel grotere der toekomstige zondendelgende genade Gods in Christus.
Het Hebr. woord Zemah is hier als eigennaam voor den Messias gebruikt. Stonden Josua en zijne Priesters reeds daar als wondertekenen Gods, als een brandhout uit het vuur gerukt, de genade Gods zou nog groter worden, als de Heere Zijne belofte in den Messias zou vervullen, en de Spruit, de gezalfde, de Heere Christus zou komen. De Heere God, de Drieeënige God zegt het hier, dat Hij zelf den Spruit zal doen komen. De Middelaar als zodanig is de gezant van den Drieëenigen God.
Hij komt zeker: want ziet, aangaande dien Steen 1), dat afbeeldsel van Mijn rijk op aarde, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, opdat hij dien beware, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen, de zevenvoudige krachten en gaven van den Geest Gods (Jes. 11:2), zij zullen met werkzame liefde en trouw daarin gericht zijn, om hem tot volmaking te brengen: Ziet, Ik zelf zal Zijn graveersel, Ik zal Mijne heerlijkheid daarop graveren door Mijnen knecht Zemah en de zevenvoudige kracht Mijns Geestes, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal aan de andere zijde door dienzelfden knecht de ongerechtigheid dezes lands, waarin die steen ligt, van het land van Juda en eens van de gehele aarde, op éénen dag, op eens voor alle eeuwigheid (Hebr. 7:27; 9:19; 10:10) wegnemen 2), zodat zijne verzoening niet behoeft te worden herhaald, als onder het voorafbeeldend priesterschap.
Wat hebben we hier onder “de steen” te verstaan. Sommigen verstaan daaronder den Christus Gods, den Messias. Anderen den hoeksteen van den tempel, weer anderen, den steen, die de Arke des Verbonds in den tempel verving, en nog anderen, den steen in den borstlap des Hogepriesters. De hoeksteen kan het niet wezen, want deze was reeds lang gelegd, vóór jaren. En wel is het waar, dat de Messias niet zelden met dien naam wordt genoemd, maar hier wordt de steen in het nauwste verband gebracht met het komen van den Messias. En dan blijft er niets anders over, dan onder hem te verstaan, het Godsrijk onder Israël, wat de Spruit zou brengen onder de zevenvoudige bestraling van den H. Geest. Van zeven ogen wordt hier gesproken, evenals in Openb. 5:6, van de zeven ogen des Lams, dewelke zijn, de zeven Geesten Gods. Een tweede gevolg van het komen van den Spruit zou zijn, dat Hij de misdaden van het land verzoenen zou.
De Heere wil op éénen dag ene zo grote verzoening te kreeg brengen, welke genoegzaam zal zijn voor aller zonde, van het begin der wereld tot in eeuwigheid, zodat niet dagelijks en jaarlijks steeds voor nieuwe zonden nieuwe vergeving moet worden aangebracht, zoals onder het oude priesterschap plaats had, als men dagelijks en jaarlijks vergeving der zonden zoekt door offeranden en godsdienst; het graveren op den dag van het lijden van Christus zal ene volkomen genoegzame vergeving uitwerken. Niets is mijns oordeels duidelijker, dan dat die ééne dag de dag is, waarop onze Heere aan het kruis Zijn offer voor de zonde heeft volbracht, gelijk Paulus aanmerkt: de misdaden vergevende, uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, het weggenomen en aan het kruis genageld hebbende (Kol. 2:14). Toen is de gehele zondenschuld, voor elk die gelooft, uitgewist, ja, de schuld van deze aarde, en aan Gods gerechtigheid voor haar voldaan. Ook de zondenschuld van het Joodse land en volk, waaraan men hier in het bijzonder schijnt te moeten denken, en die oudtijds op elken groten verzoendag zinnebeeldig, doch ook niet meer dan zinnebeeldig, en met het oog op den beteren Hogepriester, werd afgedaan.
Te dien dage, als Ik door Mijnen knecht Zemah, alle schuld en misdaad uitdelg en Mijn rijk verheerlijk, spreekt de HEERE der heirscharen, zal alle twist en alle ellende, die uit de zonde is voortgekomen, worden weggeruimd, en een toestand van zaligen vrede voor de geheiligde gemeente Gods aanbreken; dan zult gijlieden in zalig genot van vrede en liefde, een iegelijk zijnen naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom (Micha 4:4. 1 Kon. 5:5 Alzo staat door dit gezicht vast, dat de gemeente Gods, ondanks hare zonde en de bezoedeling van haar priesterlijk ambt tot volkomenheid en eeuwige heerlijkheid zal komen, dat dit door den Spruit uit Davids stam, door uitdelging van alle zonde, door genade alleen zal geschieden. Wij moeten anderen overtuigen, om te komen deelnemen met ons, in de genieting van deze voorrechten, een ieder moet zijn naaste overtuigen, om te komen en met hem neer te zitten tot onderlinge verkering onder den wijnstok en vijgeboom, en om met hem te delen in de vruchten, waaraan hij omringd is. De Evangelische genade, voor zoverre die met kracht komt, maakt de mensen gebuurlijk, en zij, die zelf de vertroosting van kennis met Christus hebben, en van gemeenschap met God, door Hem, zullen gereed zijn, om anderen daartoe uit te lokken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel