Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

Zacharia 3

1 Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 Daarna toondeH7200 Hij mij JosuaH3091, den hogepriesterH1419, staandeH5975 voor het aangezichtH6440 van den EngelH4397 des HEERENH3068; en de satanH7854 stondH5975 aanH5921 zijn rechterhandH3225, om hem te wederstaanH7853. Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.

KJV And he shewed1 me Joshua3 the high5 priest4 standing6 before7 the angel8 of the LORD,9 and Satan10 standing11 at his right hand13 to resist

1 וַיַּרְאֵ֗נִי H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 2 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 3 יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ H3091 Jozua, Josua Jehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ) 4 הַכֹּהֵ֣ן H3548 priester, priesters, priesteren chief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer 5 הַגָּד֔וֹל H1419 grote, groot, groten [phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very 6 עֹמֵ֕ד H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry 7 לִפְנֵ֖י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 8 מַלְאַ֣ךְ H4397 Engel, boden, engel ambassador, angel, king, messenger 9 יְהוָ֑ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 10 וְהַשָּׂטָ֛ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 11 עֹמֵ֥ד H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry 12 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 13 יְמִינ֖וֹ H3225 rechterhand, rechter, rechterschouder [phrase] left-handed, right (hand, side), south 14 לְשִׂטְנֽוֹ H7853 staan, tegenstanders, wederstaan (be an) adversary, resist
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 Doch de HEEREH3068 zeideH559 totH413 den satanH7854: De HEEREH3068 scheldeH1605 u, gij satanH7854! ja, de HEEREH3068 scheldeH1605 u, Die JeruzalemH3389 verkiestH977; is dezeH2088 nietH3808 een vuurbrandH181 uit het vuurH784 geruktH5337? Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?

KJV And the LORD2 said1 unto Satan,4 The LORD6 rebuke5 thee, O Satan;8 even the LORD10 that hath chosen12 Jerusalem13 rebuke9 thee: is not this a brand16 plucked17 out of the fire?

1 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יְהוָ֜ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הַשָּׂטָ֗ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 5 יִגְעַ֨ר H1605 gescholden, schelde, schelden corrupt, rebuke, reprove 6 יְהוָ֤ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 7 בְּךָ֙ 8 הַשָּׂטָ֔ן H7854 satan, tegenpartijder, tegenpartij adversary, Satan, withstand 9 וְיִגְעַ֤ר H1605 gescholden, schelde, schelden corrupt, rebuke, reprove 10 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 11 בְּךָ֔ 12 הַבֹּחֵ֖ר H977 verkoren, verkiezen, verkoos acceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require 13 בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם H3389 Jeruzalem, Jeruzalems Jerusalem 14 הֲל֧וֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 15 זֶ֦ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 16 א֖וּד H181 vuurbrand, vuurbranden (fire-) brand 17 מֻצָּ֥ל H5337 redden, gered, red [idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out) 18 מֵאֵֽשׁ H784 vuur, vuurs, vurige burning, fiery, fire, flaming, hot
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 JosuaH3091 nu wasH1961 bekleedH3847 met vuileH6674 klederenH899, als hij voor het aangezichtH6440 des EngelsH4397 stondH5975. Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.

KJV Now Joshua1 was clothed3 with filthy5 garments,4 and stood6 before7 the angel.

1 וִיהוֹשֻׁ֕עַ H3091 Jozua, Josua Jehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ) 2 הָיָ֥ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 3 לָבֻ֖שׁ H3847 bekleed, aantrekken, trok (in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear 4 בְּגָדִ֣ים H899 klederen, kleed, ambtsklederen apparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe 5 צוֹאִ֑ים H6674 vuile filthy 6 וְעֹמֵ֖ד H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry 7 לִפְנֵ֥י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 8 הַמַּלְאָֽךְ H4397 Engel, boden, engel ambassador, angel, king, messenger
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 Toen antwoorddeH6030 Hij, en sprakH559 totH413 degenen, die voor Zijn aangezichtH6440 stondenH5975, zeggendeH559: Doet deze vuileH6674 klederenH899 van hem wegH5493. Daarna sprakH559 Hij totH413 hem: ZieH7200, Ik heb uw ongerechtigheidH5771 van u weggenomenH5674, en Ik zal u wisselklederenH4254 aandoenH3847. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.

KJV And he answered1 and spake2 unto those that stood4 before5 him, saying,6 Take away7 the filthy9 garments8 from him. And unto him he said,11 Behold,13 I have caused thine iniquity16 to pass14 from thee, and I will clothe17 thee with change of raiment.

1 וַיַּ֣עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 2 וַיֹּ֗אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הָעֹמְדִ֤ים H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry 5 לְפָנָיו֙ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 6 לֵאמֹ֔ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 הָסִ֛ירוּ H5493 weg, week, weggenomen be(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without 8 הַבְּגָדִ֥ים H899 klederen, kleed, ambtsklederen apparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe 9 הַצֹּאִ֖ים H6674 vuile filthy 10 מֵעָלָ֑יו H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 11 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 12 אֵלָ֗יו H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 13 רְאֵ֨ה H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 14 הֶעֱבַ֤רְתִּי H5674 doorgaan, voorbij, gegaan alienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath 15 מֵעָלֶ֨יךָ֙ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 16 עֲוֺנֶ֔ךָ H5771 ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaad fault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin 17 וְהַלְבֵּ֥שׁ H3847 bekleed, aantrekken, trok (in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear 18 אֹתְךָ֖ H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 19 מַחֲלָצֽוֹת H4254 wisselklederen changeable suit of apparel, change of raiment
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 Dies zegH559 Ik: Laat ze een reinenH2889 hoedH6797 opH5921 zijn hoofdH7218 zettenH7760. En zij zettenH7760 dien reinenH2889 hoedH6797 opH5921 zijn hoofdH7218, en zij togenH3847 hem klederenH899 aan; en de EngelH4397 des HEERENH3068 stondH5975 daarbij. Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.

KJV And I said,1 Let them set2 a fair4 mitre3 upon his head.6 So they set7 a fair9 mitre8 upon his head,11 and clothed12 him with garments.13 And the angel14 of the LORD15 stood by.

1 וָאֹמַ֕ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 יָשִׂ֛ימוּ H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 3 צָנִ֥יף H6797 hoed, hulledoeken, vorstelijke hoed diadem, hood, mitre 4 טָה֖וֹר H2889 rein, louter, reine clean, fair, pure(-ness) 5 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 6 רֹאשׁ֑וֹ H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 7 וַיָּשִׂימוּ֩ H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 8 הַצָּנִ֨יף H6797 hoed, hulledoeken, vorstelijke hoed diadem, hood, mitre 9 הַטָּה֜וֹר H2889 rein, louter, reine clean, fair, pure(-ness) 10 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 11 רֹאשׁ֗וֹ H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 12 וַיַּלְבִּשֻׁ֨הוּ֙ H3847 bekleed, aantrekken, trok (in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear 13 בְּגָדִ֔ים H899 klederen, kleed, ambtsklederen apparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe 14 וּמַלְאַ֥ךְ H4397 Engel, boden, engel ambassador, angel, king, messenger 15 יְהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 16 עֹמֵֽד H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 Toen betuigdeH5749 de EngelH4397 des HEERENH3068 JosuaH3091, zeggendeH559: Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:

KJV And the angel2 of the LORD3 protested1 unto Joshua,4 saying,

1 וַיָּ֨עַד֙ H5749 betuigd, betuigen, getuigen admonish, charge, earnestly, lift up, protest, call (take) to record, relieve, rob, solemnly, stand upright, testify, give warning, (bear, call to, give, take to) witness 2 מַלְאַ֣ךְ H4397 Engel, boden, engel ambassador, angel, king, messenger 3 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 4 בִּיהוֹשֻׁ֖עַ H3091 Jozua, Josua Jehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ) 5 לֵאמֹֽר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 Zo zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: IndienH518 gij in Mijn wegenH1870 zult wandelenH3212, en indienH518 gij Mijn wachtH4931 zult waarnemenH8104, zo zult gijH859 ookH1571 Mijn huisH1004 richtenH1777, en ookH1571 Mijn voorhovenH2691 bewarenH8104; en Ik zal u wandelingenH4108 gevenH5414 onder dezenH428, die hier staanH5975. Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.

KJV Thus saith2 the LORD3 of hosts;4 If thou wilt walk7 in my ways,6 and if thou wilt keep11 my charge,10 then thou shalt also judge14 my house,16 and shalt also keep18 my courts,20 and I will give21 thee places to walk23 among these that stand by.

1 כֹּה H3541 zo, alzo, aldus also, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder 2 אָמַ֞ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 3 יְהוָ֣ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 4 צְבָא֗וֹת H6635 heirscharen, heir, heiren appointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare) 5 אִם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 6 בִּדְרָכַ֤י H1870 weg, wegen, weegs along, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever) 7 תֵּלֵךְ֙ H3212 ging, ga, gaan [idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak 8 וְאִ֣ם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 9 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 10 מִשְׁמַרְתִּ֣י H4931 wacht, wachten, bewaring charge, keep, or to be kept, office, ordinace, safeguard, ward, watch 11 תִשְׁמֹ֔ר H8104 houden, bewaren, waarnemen beward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man) 12 וְגַם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 13 אַתָּה֙ H859 gij, gijlieden, u thee, thou, ye, you 14 תָּדִ֣ין H1777 richten, recht, gericht (come) with a straight course 15 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 16 בֵּיתִ֔י H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 17 וְגַ֖ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 18 תִּשְׁמֹ֣ר H8104 houden, bewaren, waarnemen beward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man) 19 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 20 חֲצֵרָ֑י H2691 voorhof, dorpen, voorhofs court, tower, village 21 וְנָתַתִּ֤י H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 22 לְךָ֙ 23 מַהְלְכִ֔ים H4108 wandelingen place to walk 24 בֵּ֥ין H996 tussen among, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within 25 הָעֹמְדִ֖ים H5975 stond, staan, stonden abide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry 26 הָאֵֽלֶּה H428 deze, dit, dezen an-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 HoorH8085 nu toe, JosuaH3091, gij hogepriesterH1419! gijH859 en uw vriendenH7453, die voor uw aangezichtH6440 zittenH3427, wantH3588 zij zijn een wondertekenH582; wantH3588 zietH2005, Ik zal Mijn KnechtH5650, de SPRUITEH6780, doen komenH935. Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.

KJV Hear1 now, O Joshua3 the high5 priest,4 thou, and thy fellows7 that sit8 before9 thee: for they are men wondered at:12 for, behold, I will bring forth16 my servant18 the BRANCH.

1 שְֽׁמַֽע H8085 horen, gehoord, hoorde [idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness 2 נָ֞א H4994 toch, doch, Och I beseech (pray) thee (you), go to, now, oh 3 יְהוֹשֻׁ֣עַ H3091 Jozua, Josua Jehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ) 4 הַכֹּהֵ֣ן H3548 priester, priesters, priesteren chief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer 5 הַגָּד֗וֹל H1419 grote, groot, groten [phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very 6 אַתָּה֙ H859 gij, gijlieden, u thee, thou, ye, you 7 וְרֵעֶ֨יךָ֙ H7453 naaste, naasten, vriend brother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other 8 הַיֹּשְׁבִ֣ים H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 9 לְפָנֶ֔יךָ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 10 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 11 אַנְשֵׁ֥י H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 12 מוֹפֵ֖ת H4159 wonderen, wonderteken, wonder miracle, sign, wonder(-ed at) 13 הֵ֑מָּה H1992 zij, die, hun it, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye 14 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 15 הִנְנִ֥י H2005 ziet, zie behold, if, lo, though 16 מֵבִ֛יא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 17 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 18 עַבְדִּ֖י H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 19 צֶֽמַח H6780 gewas, SPRUIT, SPRUITE branch, bud, that which (where) grew (upon), spring(-ing)

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 WantH3588 ziet, aangaande dien steenH68, welkenH834 Ik gelegdH5414 heb voor hetH1931 aangezichtH6440 van JosuaH3091, opH5921 dien enenH259 steenH68 zullen zevenH7651 ogenH5869 wezen; ziet, Ik zal zijn graveerselH6603 graverenH6605, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, en Ik zal de ongerechtigheidH5771 dezes landsH776 op eenH259 dagH3117 wegnemenH4185. Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.

KJV For behold the stone3 that I have laid5 before6 Joshua;7 upon one10 stone9 shall be seven11 eyes:12 behold, I will engrave14 the graving15 thereof, saith16 the LORD17 of hosts,18 and I will remove19 the iniquity21 of that land22 in one25 day.

1 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 2 הִנֵּ֣ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 3 הָאֶ֗בֶן H68 stenen, steen, gesteente [phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s) 4 אֲשֶׁ֤ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 5 נָתַ֨תִּי֙ H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 6 לִפְנֵ֣י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 7 יְהוֹשֻׁ֔עַ H3091 Jozua, Josua Jehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ) 8 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 9 אֶ֥בֶן H68 stenen, steen, gesteente [phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s) 10 אַחַ֖ת H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 11 שִׁבְעָ֣ה H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 12 עֵינָ֑יִם H5869 ogen, oog, verf affliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves) 13 הִנְנִ֧י H2005 ziet, zie behold, if, lo, though 14 מְפַתֵּ֣חַ H6605 open, opende, geopend appear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent 15 פִּתֻּחָ֗הּ H6603 graveerselen, graveert, zegelgravering carved (work) (are, en-) grave(-ing, -n) 16 נְאֻם֙ H5002 spreekt, zegt, gesproken (hath) said, saith 17 יְהוָ֣ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 18 צְבָא֔וֹת H6635 heirscharen, heir, heiren appointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare) 19 וּמַשְׁתִּ֛י H4185 wijken, houdt, wijkt cease, depart, go back, remove, take away 20 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 21 עֲוֺ֥ן H5771 ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaad fault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin 22 הָאָֽרֶץ H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 23 הַהִ֖יא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 24 בְּי֥וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 25 אֶחָֽד H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Te dienH1931 dageH3117, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, zult gijlieden een iegelijkH376 zijn naasteH7453 nodigenH7121 totH413 onderH8478 den wijnstokH1612 en totH413 onderH8478 den vijgeboomH8384. Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.

KJV In that day,1 saith3 the LORD4 of hosts,5 shall ye call6 every man7 his neighbour8 under the vine11 and under the fig tree.

1 בַּיּ֣וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 2 הַה֗וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 3 נְאֻם֙ H5002 spreekt, zegt, gesproken (hath) said, saith 4 יְהוָ֣ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 5 צְבָא֔וֹת H6635 heirscharen, heir, heiren appointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare) 6 תִּקְרְא֖וּ H7121 riep, noemde, roepen bewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say 7 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 8 לְרֵעֵ֑הוּ H7453 naaste, naasten, vriend brother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other 9 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 10 תַּ֥חַת H8478 onder, plaats, voor as, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with 11 גֶּ֖פֶן H1612 wijnstok, wijnstokken, wijnstoks vine, tree 12 וְאֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 13 תַּ֥חַת H8478 onder, plaats, voor as, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with 14 תְּאֵנָֽה H8384 vijgeboom, vijgen, vijgebomen fig (tree)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Zacharia 3:1 Zacharia 6:11 Psalmen 109:6 Hagai 1:1 Ezra 5:2 2 Kronieken 29:11 1 Samuël 6:20 Ezechiël 44:11 Ezechiël 44:15
Zacharia 3:2 Judas 1:9 Amos 4:11 Judas 1:23 Romeinen 8:33 Zacharia 2:12 Zacharia 1:17 Lukas 9:42 Romeinen 16:20
Zacharia 3:3 Jesaja 64:6 Ezra 9:15 Openbaring 19:8 Openbaring 7:13 Daniël 9:18 2 Kronieken 30:18 Mattheüs 22:11
Zacharia 3:4 Ezechiël 36:25 Lukas 15:22 Lukas 1:19 Openbaring 7:14 Zacharia 3:7 Jesaja 61:10 Jesaja 43:25 Johannes 1:29
Zacharia 3:5 Exodus 29:6 Zacharia 6:11 Leviticus 8:6 Job 29:14 Openbaring 5:8 Exodus 28:2 Openbaring 4:10 Openbaring 4:4
Zacharia 3:6 Handelingen 7:35 Jesaja 63:9 Genesis 22:15 Genesis 48:15 Hosea 12:4 Zacharia 3:1 Exodus 23:20 Genesis 28:13
Zacharia 3:7 Genesis 26:5 Ezechiël 44:15 Leviticus 8:35 Hebreeën 12:22 1 Koningen 2:3 Mattheüs 19:28 Openbaring 3:21 2 Timotheüs 4:1
Zacharia 3:8 Jesaja 11:1 Jeremia 23:5 Zacharia 6:12 Jesaja 4:2 Jesaja 42:1 Ezechiël 12:11 Jesaja 53:2 Ezechiël 17:22
Zacharia 3:9 Jesaja 28:16 Zacharia 4:10 Jeremia 50:20 Psalmen 118:22 Openbaring 5:6 2 Timotheüs 2:19 1 Timotheüs 2:5 Hebreeën 9:25
Zacharia 3:10 1 Koningen 4:25 Micha 4:4 Jesaja 36:16 Johannes 1:45 Hosea 2:18 Zacharia 2:11
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Zacharia 3 vers 1

Hij mij Te weten, de engel; zie Zach. 2:3-4 .

Hertaald: Hij mij Namelijk de engel; zie Zach. 2:3-4.

Jósua, Van deze Jozua wordt ook melding gemaakt Hag. 1:1 , Hag. 1:12 , en Hag. 2:3 . Hij wordt alhier gesteld als een beeld der kerk, dewijl hij te dien tijde als de voornaamste opziener of voorstander derzelve op aarde geweest is, zijnde hogepriester; doch anderszins, ten aanzien dat hij het volk uit de Babylonische gevangenschap geleid en den tempel herbouwd heeft, en hogepriester was, is hij ook geweest een voorbeeld van Jezus Christus, in naam en inderdaad.

Hertaald: Jósua, Van deze Jozua wordt ook melding gemaakt in Hag. 1:1, Hag. 1:12 en Hag. 2:3. Hij wordt hier gesteld als een beeld van de kerk, omdat hij in die tijd als hogepriester de voornaamste opziener of voorstander daarvan op aarde was. Maar daarnaast is hij ook een voorafbeelding van Jezus Christus geweest, in naam en in werkelijkheid, omdat hij het volk uit de Babylonische gevangenschap geleid heeft, de tempel herbouwd heeft en hogepriester was.

den hogepriester, Hebr. den groten priester.

Hertaald: den hogepriester, Hebreeuws: de grote priester.

voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; Jozua stond voor dien Engel, dat is, Christus, als een beschuldigde voor zijn rechter, de satan zijnde de aanklager. Anderen nemen hier staan voor dienen, gelijk Ps. 135:2 .

Hertaald: voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; Jozua stond voor die Engel, dat is: Christus, als een beschuldigde voor zijn rechter, terwijl de satan de aanklager was. Anderen vatten staan hier op als dienen, zoals Ps. 135:2.

de satan Dit betekent een tegenpartijder, of wederstander; zie Job 1:6 .

Hertaald: de satan Dit betekent een tegenpartijder of wederstander; zie Job 1:6.

aan zijn rechterhand, Te weten, aan Jozua's rechterhand.

Hertaald: aan zijn rechterhand, Namelijk aan de rechterhand van Jozua.

om hem te wederstaan Dat is, dat hij hem [te weten Jozua] voor Christus aanklaagde en beschuldigde, als niet waardig zijnde dat de tempel onder zijn beleid zou herbouwd worden. Zie Openb. 12:10 . De Hebr. woorden, die hier gebruikt worden, luiden zoveel alsof wij zeiden: Deze tegenstander stond om hem tegen te staan. Verg. met de woorden van den tekst Ef. 6:12 .

Hertaald: om hem te wederstaan Dat is: dat hij hem — namelijk Jozua — bij Christus aanklaagde en beschuldigde, als niet waardig dat de tempel onder zijn leiding herbouwd zou worden. Zie Openb. 12:10. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden luiden zoveel als: deze tegenstander stond om hem tegen te staan. Vergelijk de woorden van de tekst met Ef. 6:12.

Zacharia 3 vers 2

de HEERE zeide tot den satan Te weten, de Zoon Gods, dien Hij tevoren den engel des Heeren genoemd heeft.

Hertaald: de HEERE zeide tot den satan Namelijk de Zoon van God, Die Hij tevoren de Engel van de HEERE genoemd heeft.

De HEERE Dat is, God de Vader.

Hertaald: De HEERE Dat is: God de Vader.

schelde u, Dat is, drijve u terug met uw valse aanklacht, Hij make u te schande, verstote en verdoeme u, en rechtvaardige zijn getrouwen dienaar Jozua. Zie Jud. 1:9 .

Hertaald: schelde u, Dat is: drijve u met uw valse aanklacht terug, make u te schande, verstote en verdoeme u, en spreke Zijn trouwe dienaar Jozua vrij. Zie Judas 1:9.

verkiest; Zie Zach. 1:17, en Zach. 2:12.

Hertaald: verkiest; Zie Zach. 1:17 en Zach. 2:12.

deze niet Te weten, de hogepriester Jozua.

Hertaald: deze niet Namelijk de hogepriester Jozua.

een vuurbrand Zie Jes. 7:4 . Anders: [als] een vuurbrand, uit het vuur gered?

Hertaald: een vuurbrand Zie Jes. 7:4. Anders: als een vuurbrand, uit het vuur gered?

uit het vuur gerukt? Dat is, uit de Babylonische gevangenschap; of uit den algemenen ondergang gered, opdat Ik mijne genade aan hem bewijzen zou? Waarom begeert gij dan, dat Ik hem zou te schande maken? Zie Am. 4:11 .

Hertaald: uit het vuur gerukt? Dat is: uit de Babylonische gevangenschap; of: uit de algemene ondergang gered, opdat Ik Mijn genade aan hem zou bewijzen? Waarom wilt u dan dat Ik hem te schande zou maken? Zie Amos 4:11.

Zacharia 3 vers 3

met vuile klederen, Dat is, met bezoedelde, onreine, bevlekte klederen, waarmede zijne zonden en onreinheden worden aangewezen, gelijk blijkt uit vs.4.

Hertaald: met vuile klederen, Dat is: met bezoedelde, onreine, bevlekte kleren, waarmee zijn zonden en onreinheden worden aangeduid, zoals uit vers 4 blijkt.

des Engels stond Te weten, van den Engel, van wien in vs.1 gesproken is, die de Heere Christus was.

Hertaald: des Engels stond Namelijk van de Engel over Wie in vers 1 gesproken is, Die de Heere Christus was.

Zacharia 3 vers 4

antwoordde Dat is, sprak.

Hertaald: antwoordde Dat is: sprak.

Hij, Te weten, Christus, die de zonden vergeeft en den onrechtvaardige rechtvaardig spreekt; alzo ook straks wederom, daarna [te weten, nadat zij hem de vuile klederen hadden uitgetrokken] sprak Hij, te weten, Christus.

Hertaald: Hij, Namelijk Christus, Die de zonden vergeeft en de onrechtvaardige rechtvaardig spreekt. Zo ook meteen daarna: en daarna — namelijk nadat zij hem de vuile kleren hadden uitgetrokken — sprak Hij, namelijk Christus.

tot degenen, Dat is, tot de andere engelen, die zijne dienaars zijn, altijd vaardig staande om zijne bevelen te verrichten; Hebr. 1:14 .

Hertaald: tot degenen, Dat is: tot de andere engelen, die Zijn dienaren zijn en altijd gereedstaan om Zijn bevelen uit te voeren; Hebr. 1:14.

tot Hem Te weten, tot Jozua.

Hertaald: tot Hem Namelijk tot Jozua.

Zie, Dat is, hieruit zult gij de waarheid dezer zaak vernemen, dat Ik uwe ongerechtigheden van u heb weggenomen, die door het vuile kleed, zie vs.3, werden betekend. Verg. Jes. 6:7 ; Jer. 1:9 .

Hertaald: Zie, Dat is: hieruit zult u de waarheid van deze zaak vernemen, dat Ik uw ongerechtigheden van u heb weggenomen, die met het vuile kleed werden aangeduid, zie vers 3. Vergelijk Jes. 6:7; Jer. 1:9.

weggenomen, Zie 2 Sam. 12:13 .

Hertaald: weggenomen, Zie 2 Sam. 12:13.

wisselklederen aandoen Aldus worden genoemd nieuwe, zuiver, schone klederen, die men alleen op feestdagen aandeed. Zie Richt. 14:12 . Hier wordt door de wisselklederen verstaan de gerechtigheid van Christus, ware heiligheid of geestelijk sieraad. Verg. Matt. 22:11 ; Luc. 15:22 .

Hertaald: wisselklederen aandoen Zo worden nieuwe, zuivere, mooie kleren genoemd die men alleen op feestdagen aantrok. Zie Richt. 14:12. Hier wordt met de wisselkleren de gerechtigheid van Christus verstaan, ware heiligheid of geestelijk sieraad. Vergelijk Matth. 22:11; Luk. 15:22.

Zacharia 3 vers 5

Dies zeg Ik Anders: toen zeide ik: te weten bij mijzelven, als zijnde woorden van den profeet, wensende dat zulks door den wil des Heeren mocht geschieden.

Hertaald: Dies zeg Ik Anders: toen zei ik, namelijk bij mijzelf — als woorden van de profeet, die wenste dat dit door de wil van de HEERE mocht gebeuren.

hoed op zijn hoofd zetten Van het woord hoed, zie de aantekening bij Ex. 29:4 . De hoed beduidt het priesterlijk ambt, waartoe de Heer Jozua heeft aangesteld en bevestigd, nadat Hij hem van zijne zonden gereinigd en geheiligd had; zie 1 Petr. 2:9 .

Hertaald: hoed op zijn hoofd zetten Over het woord hoed, zie de aantekening bij Ex. 29:4. De hoed duidt het priesterlijke ambt aan, waarin de HEERE Jozua aangesteld en bevestigd heeft nadat Hij hem van zijn zonden gereinigd en geheiligd had; zie 1 Petr. 2:9.

klederen aan; Te weten, wisselklederen, gelijk vs.4.

Hertaald: klederen aan; Namelijk wisselkleren, zoals vers 4.

stond daarbij Te weten, vaardig om des Vaders bevel uit te voeren.

Hertaald: stond daarbij Namelijk gereed om het bevel van de Vader uit te voeren.

Zacharia 3 vers 7

de HEERE der heirscharen Te weten, God de Vader, die voor de weldaden, waarmede Hij de mensen begenadigt, dankbaarheid is vereisende, namelijk gedurige oefening in de godzaligheid; Luc. 1:74 ; 1 Petr. 1:15-16 .

Hertaald: de HEERE der heirscharen Namelijk God de Vader, Die voor de weldaden waarmee Hij de mensen begenadigt dankbaarheid vraagt, namelijk een voortdurende oefening in de godzaligheid; Luk. 1:74; 1 Petr. 1:15-16.

indien gij Mijn wacht Dat is, indien gij mijne instellingen en geboden naarstig zult onderhouden, gelijk Ik die wil onderhouden hebben.

Hertaald: indien gij Mijn wacht Dat is: als u Mijn instellingen en geboden nauwgezet zult onderhouden, zoals Ik ze onderhouden wil hebben.

zult waarnemen, Hebr. zult wachten.

Hertaald: zult waarnemen, Hebreeuws: zult wachten.

zo zult gij ook Mijn huis richten, Dat is, zo zult gij ook het opzicht en de regering over mijn kerk hebben, gelijk het uwe voorouders gehad hebben; zie 2 Kron. 19:11 . De kerk wordt meermalen Gods huis genoemd, gelijk Num. 12:7 ; Jer. 11:15 , en Jer. 12:7 ; Hebr. 3:2 .

Hertaald: zo zult gij ook Mijn huis richten, Dat is: dan zult u ook het opzicht en het bestuur over Mijn kerk hebben, zoals uw voorouders dat gehad hebben; zie 2 Kron. 19:11. De kerk wordt vaker het huis van God genoemd, zoals Num. 12:7; Jer. 11:15 en Jer. 12:7; Hebr. 3:2.

Mijn voorhoven bewaren; Dat is, gij zult in uw hogepriesterambt geduriglijk blijven, en het opzicht over mijne kerk hebben en behouden. Het is even hetzelfde hetwelk Hij straks met andere woorden gezegd heeft.

Hertaald: Mijn voorhoven bewaren; Dat is: u zult voortdurend in uw hogepriesterlijk ambt blijven en het opzicht over Mijn kerk hebben en behouden. Het is precies hetzelfde als wat Hij zojuist met andere woorden gezegd heeft.

Ik zal u wandelingen geven onder dezen, Dat is, na dit leven, zal Ik u opnemen in het eeuwige leven, en zal u doen wandelen onder de heilige engelen, die hier staan, en andere hemelse scharen. Verg. Matt. 22:30 ; 2 Tim. 4:8 ; Hebr. 12:22 .

Hertaald: Ik zal u wandelingen geven onder dezen, Dat is: na dit leven zal Ik u opnemen in het eeuwige leven en u doen wandelen onder de heilige engelen die hier staan, en onder de andere hemelse scharen. Vergelijk Matth. 22:30; 2 Tim. 4:8; Hebr. 12:22.

Zacharia 3 vers 8

uw vrienden, Dat is, uwe metgezellen, de priesters, onder uw opzicht staande. Of in het algemeen, de vromen die het met u houden.

Hertaald: uw vrienden, Dat is: uw metgezellen, de priesters die onder uw opzicht staan. Of in het algemeen: de vromen die het met u houden.

een wonderteken; Of, een wonder. Hebr. mannen des wonders. Eenigen verstaan dit alzo, dat zij voor een wonder bij de boze mensen gehouden werden, overmits zij des Heeren woord hoorden; zie Jes. 8:18 . Doch sommigen verstaan dat zij voor een wonder werden aangezien, overmits zij zo wonderbaar uit de Babylonische gevangenschap verlost en in hun land wedergebracht waren, zijnde hetzelve een teken van de verlossing door Christus; zie Ps. 71:7 .

Hertaald: een wonderteken; Of: een wonder. Hebreeuws: mannen van het wonder. Sommigen vatten dit zo op dat zij door de boze mensen voor een wonder gehouden werden omdat zij het Woord van de HEERE hoorden; zie Jes. 8:18. Maar anderen verstaan dat zij als een wonder werden aangezien omdat zij zo wonderbaarlijk uit de Babylonische gevangenschap verlost en in hun land teruggebracht waren — wat een teken was van de verlossing door Christus; zie Ps. 71:7.

Ik zal Te weten, de Vader; wiens woorden hier de Heere Christus herhaalt; zie vs.6.

Hertaald: Ik zal Namelijk de Vader, van Wie de Heere Christus hier de woorden herhaalt; zie vers 6.

Mijn Knecht, Dat is, Christus; zie Jes. 42:1 , en Jes. 52:13 . De zin is: Dezen zal Ik in de wereld doen verschijnen in de volheid des tijds, en Hij zal mijn wil doen, gelijk een getrouwe knecht den wil en het bevel van zijn heer doet.

Hertaald: Mijn Knecht, Dat is: Christus; zie Jes. 42:1 en Jes. 52:13. De betekenis is: Hem zal Ik in de volheid van de tijd in de wereld doen verschijnen, en Hij zal Mijn wil doen zoals een trouwe knecht de wil en het bevel van zijn heer doet.

de SPRUITE, Te weten, den Messias, die een Spruit is uit den stam van Isaï. Zie Jer. 23:5 , en Jer. 33:15 , en Zach. 6:12 . Eenigen houden het Hebr. woord Zemach in den tekst.

Hertaald: de SPRUITE, Namelijk de Messias, Die een Spruit is uit de stam van Isaï. Zie Jer. 23:5, Jer. 33:15 en Zach. 6:12. Sommigen houden het Hebreeuwse woord Zemach in de tekst aan.

Zacharia 3 vers 9

dien steen, Namelijk Christus, straks een Spruit genoemd, vs.8, die het fondament en de hoeksteen des tempels werd afgebeeld; Ps. 118:22 ; Jes. 28:16 . Alzo wederom hier, toen de tempel is gefondeerd en vernieuwd geworden in de tegenwoordigheid van Jozua.

Hertaald: dien steen, Namelijk Christus, Die zojuist een Spruit genoemd is, vers 8, en Die afgebeeld werd door het fundament en de hoeksteen van de tempel; Ps. 118:22; Jes. 28:16. Zo ook hier weer, toen de tempel gefundeerd en vernieuwd werd in de tegenwoordigheid van Jozua.

op dien enen steen Of, in dien steen, te weten in Christus, zal zijn, vooreerst de volheid der Godheid, en daarna overvloed van geestelijke gaven, en voorts volkomen zorg voor zijne kerk. Anders: over. Verstaande de grote zorg des Vaders over Christus en zijn rijk.

Hertaald: op dien enen steen Of: in die steen, namelijk in Christus, zal allereerst de volheid van de Godheid zijn, en daarna een overvloed van geestelijke gaven, en verder een volkomen zorg voor Zijn kerk. Anders: over — waarbij men de grote zorg van de Vader voor Christus en Zijn rijk verstaat.

zeven ogen wezen; Verg. met de woorden van dit vers, de woorden van Zach. 4:10 ; Openb. 5:6 .

Hertaald: zeven ogen wezen; Vergelijk de woorden van dit vers met de woorden van Zach. 4:10; Openb. 5:6.

Ik zal zijn graveersel graveren, Dat is, Ik zal hem kostelijk uithouwen, gelijk men een kostelijken steen fraai polijst en glad maakt; dat is, Ik zal hem [te weten] Christus versieren met menigerlei geestelijke gaven. Hebr. Ik zal zijne opening openen; welke woorden enigen duiden op het lijden en op de wonden van onzen Heere Jezus Christus, waarmede onze ongerechtigheden zijn uitgedelgd en de zaligheid verworven is.

Hertaald: Ik zal zijn graveersel graveren, Dat is: Ik zal hem kostbaar uithouwen, zoals men een kostbare steen fraai polijst en glad maakt; dat is: Ik zal Hem — namelijk Christus — versieren met allerlei geestelijke gaven. Hebreeuws: Ik zal zijn opening openen; die woorden betrekken sommigen op het lijden en de wonden van onze Heere Jezus Christus, waarmee onze ongerechtigheden uitgedelgd en de zaligheid verworven is.

dezes lands Te weten, van de kerk der Joden en heidenen.

Hertaald: dezes lands Namelijk van de kerk uit Joden en heidenen.

op een dag wegnemen Te weten, op dien dag als Christus zal gekruisigd worden.

Hertaald: op een dag wegnemen Namelijk op die dag waarop Christus gekruisigd zal worden.

Zacharia 3 vers 10

zult gijlieden Dat is, gij zult in vrede leven, en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25 ; Mi. 4:4 . Doch versta dit niet zozeer van een tijdelijken vrede en welstand, als van een gerustheid des gemoeds en vrede der coscientie door het geloof, dat God met ons om Christus' wil verzoend is. Verg. Jes. 2:4-5 , en Jes. 25:6-7 ; Hos. 2:14 , Hos. 2:17 , en Hos. 14:5-7 ; Joël 3:19 ; Am. 9:13-15 ; Mi. 4:4 , en Mi. 5:4-5 . In welke plaatsen, onder verbloemde redenen, de vrede der kerk en van een ieder als lidmaat derzelve wordt afgebeeld.

Hertaald: zult gijlieden Dat is: u zult in vrede leven en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25; Micha 4:4. Maar versta dit niet zozeer van een tijdelijke vrede en welstand als van een gerustheid van het gemoed en een vrede van het geweten door het geloof dat God door Christus met ons verzoend is. Vergelijk Jes. 2:4-5 en Jes. 25:6-7; Hos. 2:14, Hos. 2:17 en Hos. 14:5-7; Joël 3:19; Amos 9:13-15; Micha 4:4 en Micha 5:4-5. Op die plaatsen wordt onder beeldspraak de vrede van de kerk en van ieder lid daarvan afgebeeld.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Begrippen Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Doet deze vuile klederen van hem weg  — het vierde nachtgezicht: de hogepriester wordt aangeklaagd, en bekleed met reine klederen (Zach. 3:1-5)

"Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan" (Zach. 3:1). Maar de HEERE wijst de aanklager af: "De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?" (Zach. 3:2). Josua's toestand wordt genoemd: "Josua nu was bekleed met vuile klederen" (Zach. 3:3). Dan het bevel: "Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen" (Zach. 3:4).

Bijbelse betekenis: Merk op wie hier aanklaagt en wie verdedigt: de satan staat aan Josua's rechterhand om hem tegen te staan, maar de HEERE Zelf spreekt de bestraffing uit. Josua verdedigt zichzelf geen moment; het is de HEERE Die voor hem opkomt. Let vervolgens op het beeld van Zach. 3:2: een vuurbrand uit het vuur gerukt — iets dat al bijna verteerd was, maar er op het laatste moment uitgehaald werd. Let ten slotte op de volgorde in Zach. 3:4: eerst worden de vuile klederen weggenomen, dan pas komt de uitspraak dat de ongerechtigheid is weggenomen, en dan de nieuwe kleding. De vergeving gaat de nieuwe staat vooraf, niet andersom.

Typologie: Dezelfde aanklager die hier wordt afgewezen, wordt in het laatste boek uiteindelijk neergeworpen: "de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen" (Op. 12:10, reeds behandeld).

Zach. 3:1-4; Op. 12:10

Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen  — na de reiniging van de hogepriester volgt een belofte die verder reikt dan Josua zelf (Zach. 3:6-10)

Josua krijgt eerst een voorwaardelijke belofte: "Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan" (Zach. 3:7). Dan volgt een blik voorbij Josua: "gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen" (Zach. 3:8). En het teken erbij: "aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen" (Zach. 3:9).

Bijbelse betekenis: Merk op wie hier een wonderteken genoemd worden: Josua en zijn ambtsgenoten, niet om wat zij zelf zijn, maar omdat zij wijzen naar wat komt. Let vervolgens op de naam die in Zach. 3:8 valt: de SPRUITE — een naam die niet verder wordt uitgelegd op dit moment, maar in het volgende blok van dit boek terugkeert (Zach. 6:12) en met meer inhoud gevuld wordt. Let ten slotte op Zach. 3:9: de ongerechtigheid van het hele land wordt op één dag weggenomen — niet geleidelijk zoals bij de jaarlijkse offerdienst, maar in één beweging.

Typologie: Wat hier op één dag gebeurt, in tegenstelling tot de herhaalde jaarlijkse offers, is dezelfde eenmaligheid die de Hebreeënbrief van Christus' offer zegt: "nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande" (reeds behandeld bij Hebr. 9:26).

Zach. 3:6-9; Hebr. 9:26

Alle bijbelse begrippen in één overzicht →

© Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Christus in dit hoofdstuk Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk

Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt

De vuile klederen weggenomen — 3:1-10

Zacharia ziet in de vierde van zijn nachtgezichten een rechtszaal. De hogepriester Jozua staat voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, en aan zijn rechterhand — de plaats van de aanklager — staat de satan om hem te wederstaan.

De hogepriester staat er in vuile kleren en heeft niets te zeggen; wat er gebeurt, gebeurt geheel buiten hem om.

Er is geen verdediging. Jozua zegt in het hele gezicht niets, en dat is niet uit hoogmoed: hij staat er in vuile klederen. De aanklacht is dus terecht, en juist daarom kan hij haar niet weerspreken.

Het is de Engel Die spreekt. En de kanttekening zegt zonder omhaal wie dat is: namelijk de Zoon van God, Die Hij tevoren de Engel van de HEERE genoemd heeft. Zij legt Zijn woorden uit als: drijve u met uw valse aanklacht terug, make u te schande, en spreke Zijn trouwe dienaar Jozua vrij — met verwijzing naar Judas 1:9.

Dan volgt het bevel, en het gaat over de kleren: “Doet deze vuile klederen van hem weg.” Wie dat zegt, tekent de kanttekening opnieuw aan, is Christus, Die de zonden vergeeft en de onrechtvaardige rechtvaardig spreekt. En degenen tot wie Hij spreekt zijn de andere engelen, die Zijn dienaren zijn.

De uitleg staat er meteen achteraan, zodat niemand het beeld verkeerd verstaat: “Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.” Het uittrekken en aankleden is dus geen ceremonie maar vergeving.

Let erop dat Jozua niet eerst schoongewassen wordt. De vuile kleren gaan uit, en er komen andere in de plaats. Hij levert niets in dan wat hij aanhad.

Dan verschuift het gezicht van deze man naar Iemand anders: “Want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.” Zacharia's tijdgenoot is een wonderteken — de kanttekening geeft het Hebreeuws als mannen van het wonder — en dat wonderteken wijst voorbij zichzelf.

Het slot noemt een steen met zeven ogen. De kanttekening betrekt die op Christus, Die zojuist een Spruit genoemd is en Die afgebeeld werd door het fundament en de hoeksteen van de tempel. En van de gravering zegt zij: in die steen zal allereerst de volheid van de Godheid zijn, daarna een overvloed van geestelijke gaven, en verder een volkomen zorg voor Zijn kerk.

En dan de belofte waarmee alles staat of valt: “Ik zal de ongerechtigheid dezes lands wegnemen op een dag.” Eén dag, niet een reeks offers die jaar na jaar terugkomt.

  1. Zacharia 3:1 — De satan staat aan zijn rechterhand om hem aan te klagen.
  2. Zacharia 3:3 — Jozua staat er in vuile klederen en zegt niets.
  3. Zacharia 3:4 — Doet deze vuile klederen van hem weg — Ik heb uw ongerechtigheid weggenomen.
  4. Zacharia 3:8 — Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
  5. Zacharia 3:9 — Ik zal de ongerechtigheid dezes lands wegnemen op een dag.
  6. Openbaring 12:10 — De verklager onzer broederen is nedergeworpen.

In het Nieuwe Testament: Judas 1:9; Openbaring 12:10; Romeinen 8:33-34; Jesaja 61:10

Wat betekenen de niveaus?

Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.

  1. niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
  2. niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
  3. niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
  4. niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst

Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.

Alle heenwijzingen naar Christus in één overzicht →

© Teun van der Plas

Zacharia 3

Zacharia 3:3-4.KruisverwijzingenJesaja 64:6Ezechiël 36:25Ezra 9:15Lukas 15:22Lukas 1:19Openbaring 7:14Zacharia 3:7Jesaja 61:10
— Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
“Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.”

De oorspronkelijke bedoeling van dit gezicht was de herleving van de Joodse staat te voorzeggen, na haar lange neerdrukking door de Babylonische gevangenschap. Josua, de hogepriester, met zijn versleten klederen, moet gezien worden als een voorafschaduwing van het Joodse volk in zijn diepe nood.

Hij diende voor het aangezicht van de HEERE in versleten en vuile klederen, om tegelijk de zonde van Israel te tonen en de armoede waarin zij vervallen waren. Zij waren zo arm dat de dienst van God niet in passende kleding gehouden kon worden. De hogepriester zelf verscheen voor het altaar in gewaden die voor zijn heilig werk niet voegden.

De gezette tijd om Sion genadig te zijn is, naar de gezichten, zeer nabij. En de satan, de oude tegenstander van het uitverkoren geslacht, maakt zich op om hen te weerstaan en de gunst van God van hen af te wenden. Maar diezelfde Engel van het verbond, Die het volk door de woestijn leidde en hen al de dagen van ouds droeg, staat voor de troon als hun Voorspraak. En op Zijn verzoek bestraft de HEERE de satan en begint Hij het volk te zegenen.

Josua, hun vertegenwoordiger, ontvangt andere klederen, ten bewijze dat de zonde van het volk vergeven is en dat God hun eredienst aanneemt. Daarna gaat het gezicht voort tot de dag van de Heere Jezus. Het hart van de profeet Zacharia wordt verkwikt door een blik op het hele land, hersteld tot zijn vroegere vrede en geluk.

Zacharia 3:9.KruisverwijzingenJesaja 28:16Zacharia 4:10Jeremia 50:20Psalmen 118:22Openbaring 5:62 Timotheüs 2:191 Timotheüs 2:5Hebreeën 9:25
— Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
“Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.”

Het wegnemen van onze overtredingen bestaat in vier dingen.

Het eerste is het wegnemen van de straf. Wie God vergeeft, kan om zijn zonde niet gestraft worden. Het zou een schijnvergeving zijn die een mens in de handen van de scherprechter liet. Het vonnis wordt niet opgeschort — nee, het wordt herroepen.

Ten tweede betekent het wegnemen van de overtreding dat alle schuld voor de HEERE weggenomen wordt. De zonde heeft God vertoornd; zij is een breken van Zijn wet en een onteren van Zijn naam. Toch zal God de gelovige zondaar zo vergeven dat er geen toorn tegen hem overblijft.

Ten derde houdt het wegnemen van de zonde in dat de bevlekking van de zonde weggedaan wordt. De zonde maakt ons tot verontreinigde schepselen. Wordt de zonde weggedaan, dan wordt ook de bevlekking die er het gevolg van is gereinigd, en dan worden wij rein voor God en persoonlijk aangenaam bij Hem.

Ten slotte omvat het wegnemen van de zonde de volkomen verwoesting van haar heerschappij over onze natuur. Niet dat de zonde in ons al haar kracht verloren heeft, maar in de gelovige heeft zij haar heersende kracht verloren en is zij van de troon gestoten.

Zo is de belofte van deze tekst een volle belofte. Het wegnemen van de zonde omvat de vergeving van de straf, het wegdoen van de schuld, de reiniging van de bevlekking, en het onttronen van de boze macht.

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Spurgeon Citaten

De plaats van de zonde in de natuurlijke mens is die van een koning op zijn troon. De plaats van de zonde in een christen is die van een rover die zich in schuilhoeken verbergt en zijn oude, aangematigde heerschappij terug probeert te krijgen, maar in die poging faalt.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content