Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
ZietH2009, de dagH3117 komtH935 den HEEREH3068, dat uw roofH7998 zal uitgedeeldH2505 worden in het middenH7130 van u, o Jeruzalem!
Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!
KJV
Behold, the day2
of the LORD4
cometh,3
and thy spoil6
shall be divided5
in the midst
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want Ik zal alleH3605 heidenenH1471 tegenH413 JeruzalemH3389 ten strijdeH4421 verzamelenH622; en de stadH5892 zal ingenomenH3920, en de huizenH1004 zullen geplunderdH8155, en de vrouwenH802 zullen geschondenH7901 worden; en de helftH2677 der stadH5892 zal uitgaanH3318 in de gevangenisH1473; maar het overigeH3499 des volksH5971 zal uitH4480 de stadH5892 nietH3808 uitgeroeidH3772 worden.
Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.
KJV
For I will gather1
all nations4
against Jerusalem6
to battle;7
and the city9
shall be taken,8
and the houses11
rifled,10
and the women12
ravished;13
and half15
of the city16
shall go forth14
into captivity,17
and the residue18
of the people19
shall not be cut off21
from the city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de HEEREH3068 zal uittrekkenH3318, en Hij zal strijdenH3898 tegen dieH1992 heidenenH1471, gelijk ten dageH3117 als Hij gestredenH3898 heeft, ten dageH3117 des strijdsH7128.
En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.
KJV
Then shall the LORD2
go forth,1
and fight3
against those nations,4
as when6
he fought7
in the day8
of battle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En Zijn voetenH7272 zullen te dien dageH3117 staanH5975 opH5921 den OlijfbergH2022, die voorH6440 JeruzalemH3389 ligtH4480, tegenH5921 het oosten; en de OlijfbergH2022 zal in tweeenH2677 gespletenH1234 worden naar het oosten, en naar het westenH3220, zodat er een zeerH3966 grote valleiH1516 zal zijn; en de ene helftH2677 des bergsH2022 zal wijkenH4185 naar het noordenH6828, en de helftH2677 deszelven naar het zuidenH5045.
En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeen gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.
Ook in dit vers
oostenH4217
oostenH6924
KJV
And his feet2
shall stand1
in that day3
upon the mount6
of Olives,7
which is before10
Jerusalem11
on the east,12
and the mount14
of Olives15
shall cleave13
in the midst16
thereof toward the east17
and toward the west,18
and there shall be a very21
great20
valley;19
and half23
of the mountain24
shall remove22
toward the north,25
and half26
of it toward the south.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dan zult gijlieden vliedenH5127 door de valleiH1516 Mijner bergenH2022 (wantH3588 deze vallei der bergen zal reikenH5060 totH413 AzalH682), en gij zult vliedenH5127, gelijk als gij vloodtH5127 voorH6440 de aardbevingH7494 in de dagenH3117 van UzziaH5818, den koningH4428 van JudaH3063; den zal de HEEREH3068, mijn GodH430, komenH935, en alH3605 de heiligenH6918 metH5973 U, o HEERE!
Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!
KJV
And ye shall flee1
to the valley2
of the mountains;3
for the valley6
of the mountains7
shall reach5
unto Azal:9
yea, ye shall flee,10
like as ye fled12
from before13
the earthquake14
in the days15
of Uzziah16
king17
of Judah:18
and the LORD20
my God21
shall come,19
and all the saints
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, datH1931 er nietH3808 zal zijn het kostelijkeH3368 lichtH216, en de dikke duisternisH7087.
En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijke licht, en de dikke duisternis.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
that the light6
shall not be clear,7
nor dark:8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Maar het zal een enigeH259 dagH3117 zijn, dieH1931 den HEEREH3068 bekendH3045 zal zijn; het zal noch dagH3117, nochH3808 nachtH3915 zijn; en het zal geschiedenH1961, ten tijdeH6256 des avondsH6153, dat het lichtH216 zal wezen.
Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.
KJV
But it shall be one3
day2
which shall be known5
to the LORD,6
not day,8
nor night:10
but it shall come to pass, that at evening13
time12
it shall be light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ook zal het te dien dageH3117 geschiedenH1961, dat er levendeH2416 waterenH4325 uit JeruzalemH3389 vlietenH3318 zullen, de helftH2677 van die naar de oostzeeH6931, en de helftH2677 van die naarH413 de achtersteH314 zeeH3220 aan; zij zullen des zomersH7019 en des wintersH2779 zijn.
Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.
KJV
And it shall be in that day,2
that living6
waters5
shall go out4
from Jerusalem;7
half8
of them toward the former11
sea,10
and half12
of them toward the hinder15
sea:14
in summer16
and in winter
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En de HEEREH3068 zal tot KoningH4428 overH5921 de ganseH3605 aardeH776 zijn; te dienH1931 dageH3117 zal de HEEREH3068 een zijn, en Zijn NaamH8034 eenH259.
En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een.
KJV
And the LORD2
shall be king3
over all the earth:6
in that day7
shall there be one11
LORD,10
and his name12
one.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Dit ganseH3605 landH776 zal rondomH5437 als een vlak veld gemaakt worden, van GebaH1387 tot RimmonH7417 toe, zuidwaartsH5045 van JeruzalemH3389; en zij zal verhoogdH7213 en bewoondH3427 worden in haar plaats; van de poortH8179 van BenjaminH1144 af, tot aanH5704 de plaats van de eersteH7223 poortH8179, tot aan de HoekpoortH6434 toe; en van den torenH4026 van HananeelH2606, tot aan des koningsH4428 wijnbakkenH3342 toe.
Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hananeel, tot aan des konings wijnbakken toe.
Ook in dit vers
plaatsH4725
plaatsH8478
rondom vlak veldH6160
KJV
All the land3
shall be turned1
as a plain4
from Geba5
to Rimmon6
south7
of Jerusalem:8
and it shall be lifted up,9
and inhabited10
in her place, from Benjamin's13
gate12
unto the place15
of the first17
gate,16
unto the corner20
gate,19
and from the tower21
of Hananeel22
unto the king's25
winepresses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zij zullen daarin wonenH3427, en er zal geenH3808 verbanningH2764 meerH5750 zijnH1961; want JeruzalemH3389 zal zekerH983 wonenH3427.
En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.
KJV
And men shall dwell1
in it, and there shall be no more utter destruction;3
but Jerusalem8
shall be safely9
inhabited.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En ditH2063 zal de plageH4046 zijnH1961, waarmede de HEEREH3068 alH3605 de volkenH5971 plagenH5062 zal, die tegenH5921 JeruzalemH3389 krijg gevoerdH6633 zullen hebben: Hij zal een iegelijks vleesH1320, daar hijH1931 opH5921 zijn voetenH7272 staatH5975, doen uitterenH4743; en een iegelijks ogenH5869 zullen uitterenH4743 in hun holenH2356; een eens iegelijks tongH3956 zal in hun mondH6310 uitterenH4743.
En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; een eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.
KJV
And this shall be the plague3
wherewith the LORD6
will smite5
all the people9
that have fought11
against Jerusalem;13
Their flesh15
shall consume away14
while they stand17
upon their feet,19
and their eyes20
shall consume away21
in their holes,22
and their tongue23
shall consume away24
in their mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ook zal het te dien dageH3117 geschiedenH1961, datH1931 er een grootH7227 gedruisH4103 van den HEEREH3068 onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naastenH7453 handH3027 zullen aangrijpenH2388, een eens ieders handH3027 zal tegenH5921 de handH3027 zijns naastenH7453 opgaanH5927.
Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, een eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
that a great7
tumult5
from the LORD6
shall be among them; and they shall lay hold9
every one10
on the hand11
of his neighbour,12
and his hand14
shall rise up13
against the hand16
of his neighbour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En ookH1571 zal JudaH3063 te JeruzalemH3389 strijdenH3898; en het vermogenH2428 allerH3605 heidenenH1471 rondomH5439 zal verzameldH622 worden, goudH2091 en zilverH3701, en klederenH899 in groteH3966 menigteH7230.
En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.
KJV
And Judah2
also shall fight3
at Jerusalem;4
and the wealth6
of all the heathen8
round about9
shall be gathered together,5
gold,10
and silver,11
and apparel,12
in great14
abundance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
AlzoH3651 zal ook de plageH4046 der paardenH5483, der muildierenH6505, der kemelenH1581, en der ezelenH2543, en allerH3605 beestenH929 zijn, die in diezelve heirlegersH4264 geweest zullen zijn, gelijk generH2063 plageH4046 geweest is.
Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.
KJV
And so shall be the plague3
of the horse,4
of the mule,5
of the camel,6
and of the ass,7
and of all the beasts9
that shall be in these13
tents,12
as this plague.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En het zal geschiedenH1961, dat alH3605 de overgeblevenenH3498 van alleH3605 heidenenH1471, die tegenH5921 JeruzalemH3389 zullen gekomenH935 zijn, die zullen van jaarH8141 tot jaarH8141 optrekkenH5927 om aan te biddenH7812 den KoningH4428, den HEEREH3068 der heirscharenH6635, en om te vierenH2287 het feestH2282 der loofhuttenH5521.
En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den HEERE der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten.
KJV
And it shall come to pass, that every one that is left3
of all the nations5
which came6
against Jerusalem8
shall even go up9
from10
year11
to year12
to worship13
the King,14
the LORD15
of hosts,16
and to keep17
the feast19
of tabernacles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En het zal geschiedenH1961, zo wie vanH854 de geslachtenH4940 der aardeH776 nietH3808 zal optrekkenH5927 naarH413 JeruzalemH3389, om den KoningH4428, den HEEREH3068 der heirscharenH6635, te aanbiddenH7812, zo zal er overH5921 henlieden geenH3808 regenH1653 wezen.
En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.
KJV
And it shall be, that whoso will not come up4
of all the families6
of the earth7
unto Jerusalem9
to worship10
the King,11
the LORD12
of hosts,13
even upon them shall be no rain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En indienH518 het geslachtH4940 der EgyptenarenH4714, over dewelke de. regen niet is, niet zal optrekkenH5927 noch komenH935, zo zal die plageH4046 overH5921 hen zijn, met dewelkeH834 de HEEREH3068 die heidenenH1471 plagenH5062 zal, die niet optrekkenH5927 zullen, om te vierenH2287 het feestH2282 der loofhuttenH5521.
En indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de. regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plage over hen zijn, met dewelke de HEERE die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.
Ook in dit vers
[regen]H3808
KJV
And if the family2
of Egypt3
go not up,5
and come7
not, that have no rain; there shall be the plague,11
wherewith the LORD14
will smite13
the heathen16
that come not up19
to keep20
the feast22
of tabernacles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DitH2063 zal de zondeH2403 der EgyptenarenH4714 zijnH1961, mitsgaders de zondeH2403 allerH3605 heidenenH1471, dieH834 nietH3808 optrekkenH5927 zullen, om te vierenH2287 het feestH2282 der loofhuttenH5521.
Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.
KJV
This shall be the punishment3
of Egypt,4
and the punishment5
of all nations7
that come not up10
to keep11
the feast13
of tabernacles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Te dien dageH3117 zal opH5921 de bellenH4698 der paardenH5483 staanH1961: De HEILIGHEIDH6944 DES HEERENH3068. En de pottenH5518 in het huisH1004 des HEERENH3068 zullen zijn als de sprengbekkensH4219 voorH6440 het altaarH4196;
Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
KJV
In that day1
shall there be upon the bells5
of the horses,6
HOLINESS7
UNTO THE LORD;8
and the pots10
in the LORD'S12
house11
shall be like the bowls13
before14
the altar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Ja, alH3605 de pottenH5518 in JeruzalemH3389 en in JudaH3063 zullen den HEEREH3068 der heirscharenH6635 heiligH6944 zijn, zodat allenH3605, die offeren willenH2076, zullen komenH935, en van dezelve nemenH3947, en in dezelve kokenH1310; en er zal geenH3808 KanaanietH3669 meerH5750 zijnH1961, in het huisH1004 des HEERENH3068 der heirscharenH6635, te dienH1931 dageH3117.
Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaaniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage.
KJV
Yea, every pot3
in Jerusalem4
and in Judah5
shall be holiness6
unto the LORD7
of hosts:8
and all they that sacrifice11
shall come9
and take12
of them, and seethe14
therein: and in that day23
there shall be no more the Canaanite18
in the house20
of the LORD21
of hosts.
de dag komt den HEERE,
Dat is, daar komt een dag voor den Heere. Anders: de dag des HEEREN komt; of de dag van den Heere komt, dat is, de dag die den Heere bekend is, gelijk in vs.7 staat. Sommigen verstaan dit van den tijd der verwoesting van Jeruzalem door Vespasianus en Titus; anderen van de vervolging der kerk onder den wreden koning Antiochus, ten tijde der Macchabeën. Anderen duiden dit op den Antichrist en zijne wrede vervolgingen.
Hertaald:
de dag komt den HEERE,
Dat is: er komt een dag voor de HEERE. Anders: de dag des HEEREN komt; of: de dag van de HEERE komt, dat is: de dag die de HEERE bekend is, zoals in vers 7 staat. Sommigen verstaan dit van de tijd van de verwoesting van Jeruzalem door Vespasianus en Titus; anderen van de vervolging van de kerk onder de wrede koning Antiochus, in de tijd van de Makkabeeën. Weer anderen betrekken het op de antichrist en zijn wrede vervolgingen.
o Jeruzalem
Versta hierbij, en gij Joodse land.
Hertaald:
o Jeruzalem
Vul hierbij aan: en u, Joodse land.
alle heidenen
Verg. Ezech. 38:4 , Ezech. 38:6 , Ezech. 38:9 , Ezech. 38:15 , en Hab. 1:6 . Alle, is hier te zeggen, vele of allerlei, gelijk Jona 2:3 .
Hertaald:
alle heidenen
Vergelijk Ezech. 38:4, Ezech. 38:6, Ezech. 38:9, Ezech. 38:15 en Hab. 1:6. Alle betekent hier: veel, of allerlei, zoals Jona 2:3.
de helft der stad
Dat is, een groot deel van de inwoners der stad zal gevankelijk uitgevoerd worden; te weten, van die overgeblevenen, die door de pest, honger, of het zwaard niet omgekomen zijn.
Hertaald:
de helft der stad
Dat is: een groot deel van de inwoners van de stad zal gevankelijk weggevoerd worden, namelijk van hen die overgebleven zijn en niet door de pest, de honger of het zwaard omgekomen zijn.
het overige des volks
Verstaat men deze profetie van de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus, zo is het te zeggen dat de godzaligen, vóór de vaste belegering der stad, zullen uitgaan naar het stadje Pella, en alzo bij het leven blijven zullen. Dit is dat derde deel waar de profeet van gesproken heeft, Zach. 13:8-9 .
Hertaald:
het overige des volks
Wanneer men deze profetie verstaat van de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus, betekent het dat de godzaligen vóór de vaste belegering van de stad zullen uitgaan naar het stadje Pella en zo in leven zullen blijven. Dat is het derde deel waarover de profeet gesproken heeft, Zach. 13:8-9.
tegen die heidenen,
Te weten, tegen die volken, die vijanden zijn van Gods kerk.
Hertaald:
tegen die heidenen,
Namelijk tegen die volken die vijanden zijn van Gods kerk.
gelijk ten dage als Hij gestreden heeft,
Of, gelijk Hij [voor ulieden] placht te strijden in den dag des strijds, namelijk ten tijde van Mozes, Jozua, Gideon, Debora, David, Asa, en op andere tijden meer.
Hertaald:
gelijk ten dage als Hij gestreden heeft,
Of: zoals Hij voor u placht te strijden op de dag van de strijd, namelijk in de tijd van Mozes, Jozua, Gideon, Debora, David, Asa en bij nog andere gelegenheden.
te dien dage staan op den Olijfberg,
Te weten, ten tijde van Christus, die op den Olijfberg verkeerd heeft, aldaar zijn lijden aangevangen en ten hemel is gevaren. Zie Luc. 22:39 ; Hand. 1:12 .
Hertaald:
te dien dage staan op den Olijfberg,
Namelijk in de tijd van Christus, Die op de Olijfberg verkeerd heeft, daar Zijn lijden begonnen is en vandaar ten hemel gevaren is. Zie Luk. 22:39; Hand. 1:12.
die voor Jeruzalem ligt,
Hebr. die voor het aangezicht van Jeruzalem is tegen het oosten. Zie Hand. 1:12 .
Hertaald:
die voor Jeruzalem ligt,
Hebreeuws: die tegenover het aangezicht van Jeruzalem ligt, tegen het oosten. Zie Hand. 1:12.
in tweeën gespleten worden
Hebr. in zijn midden, of in zijn helft gespleten worden.
Hertaald:
in tweeën gespleten worden
Hebreeuws: in zijn midden of in zijn helft gespleten worden.
naar het oosten, en naar het westen,
Dat is, in de lengten van het oosten tot het westen toe.
Hertaald:
naar het oosten, en naar het westen,
Dat is: in de lengte, van het oosten tot het westen toe.
zodat er een zeer grote vallei zal zijn;
Dat is, zodat er een zeer groot dal tussen die twee helften van den berg zal wezen, en dat men Jeruzalem bescheidenlijk zal kunnen zien liggen, hetwelk tevoren met dezen berg en andere als bedekt lag of verborgen was. Versta dit van het geestelijke Jeruzalem, namelijk de kerk Gods, waarvan de heidenen vóór de komst van Christus, geen kennis hadden; maar dan zullen alle hindernissen, die de heidenen den toegang tot Christus en zijne kerk konden verhinderen of afsnijden, weggenomen worden, en zij zullen een open pas hebben tot dezelven. Verg. Jes. 57:14 , en Jes. 62:10 .
Hertaald:
zodat er een zeer grote vallei zal zijn;
Dat is: zodat er tussen die twee helften van de berg een zeer groot dal zal zijn, en men Jeruzalem duidelijk zal kunnen zien liggen, terwijl het tevoren door deze berg en andere als het ware bedekt of verborgen lag. Versta dit van het geestelijke Jeruzalem, namelijk de kerk van God, waarvan de heidenen vóór de komst van Christus geen kennis hadden. Maar dan zullen alle hindernissen die de heidenen de toegang tot Christus en Zijn kerk konden versperren of afsnijden weggenomen worden, en zij zullen een vrije doorgang daarheen hebben. Vergelijk Jes. 57:14 en Jes. 62:10.
gijlieden
O mijne uitverkorenen.
Hertaald:
gijlieden
O Mijn uitverkorenen.
vlieden
Dat is, haastelijk toelopen, gelijk de vluchtenden plegen te doen. Of, men kan het verstaan van de goddeloze Joden, die door schrik en vrees van straf wegvluchten zouden en ruimte maken voor het aankomende volk des Heeren.
Hertaald:
vlieden
Dat is: haastig toelopen, zoals vluchtenden plegen te doen. Of men kan het verstaan van de goddeloze Joden, die uit schrik en vrees voor straf zouden wegvluchten en ruimte zouden maken voor het aankomende volk van de HEERE.
door de vallei
Anders: tot de vallei mijner bergen; dat is, tot mijne kerk.
Hertaald:
door de vallei
Anders: tot het dal van Mijn bergen; dat is: tot Mijn kerk.
Mijner bergen
Of, der bergen; dat is, dier twee delen van den Olijfberg, die Ik met het doorspijten van den Olijfberg, gemaakt heb.
Hertaald:
Mijner bergen
Of: van de bergen; dat is: van die twee delen van de Olijfberg die Ik door het splijten van de Olijfberg gemaakt heb.
Azal
Anders: tot den berg, dien Hij afgezonderd, of verkoren heeft, te weten, den berg Zion. Hij, te weten, de Heere. De zin is: Daar zal een wijde baan zijn, alzo dat een ieder wel plaats en ruimte hebben zal om de kerk van Christus te kunnen komen. Wat den berg Azal aangaat, is onzeker waar hij ligt, want van dezelven wordt nergens meer gedacht.
Hertaald:
Azal
Anders: tot de berg die Hij afgezonderd of uitverkoren heeft, namelijk de berg Sion. Hij, namelijk de HEERE. De betekenis is: er zal een brede baan zijn, zodat iedereen ruim plaats zal hebben om tot de kerk van Christus te kunnen komen. Wat de berg Azal betreft, het is onzeker waar die ligt, want er wordt nergens anders melding van gemaakt.
en gij zult vlieden,
Anders: gij zult vinden, zeg ik, gelijk, enz.
Hertaald:
en gij zult vlieden,
Anders: u zult vinden, zeg ik, zoals, enzovoort.
voor de aardbeving
Of, vanwege de aardbeving, of uit vrees der aardbeving. Zie Am. 1:1 .
Hertaald:
voor de aardbeving
Of: vanwege de aardbeving, of: uit vrees voor de aardbeving. Zie Amos 1:1.
in de dagen van Uzzia,
Zie de koning Uzzia, 2 Kron. 26:19 .
Hertaald:
in de dagen van Uzzia,
Zie over koning Uzzia 2 Kron. 26:19.
dan zal de HEERE,
Dit spreekt de profeet in zijn eigen persoon. De zin is: Na de eerste verschijning van Christus, in het vlees, zal de andere volgen ten jongsten dage.
Hertaald:
dan zal de HEERE,
Dit spreekt de profeet in zijn eigen persoon. De betekenis is: na de eerste verschijning van Christus in het vlees zal de tweede volgen op de jongste dag.
al de heiligen
Dat is, alle engelen. Zie Dan. 8:13 .
Hertaald:
al de heiligen
Dat is: alle engelen. Zie Dan. 8:13.
met U, o HEERE
Hier wendt de profeet zijne aanspraak tot Christus, hetwelk, gelijk sommigen menen, daarom geschiedt, omdat de profeet wel geweten heeft, dat die boze Joden hem niet geloven zouden. Verg. Joël 3:11 .
Hertaald:
met U, o HEERE
Hier richt de profeet zijn woord tot Christus. Volgens sommigen gebeurt dat omdat de profeet wel wist dat die boze Joden hem niet zouden geloven. Vergelijk Joël 3:11.
dat er niet zal zijn
Dat is, daar zullen gene beurten zijn van licht en duisternis, klaren dag en nacht, het zal een eeuwige dag zijn; zie Jes. 60:19-20 ; Openb. 21:23 , en Openb. 22:5 . Doch enigen verstaan dit van het licht van het heilg Evangelie, hetwelk ten tijde van Christus lichten zal. Anderen van de verduistering der zon ten tijde van het lijden van Christus.
Hertaald:
dat er niet zal zijn
Dat is: er zullen geen wisselingen zijn van licht en duisternis, van klaarlichte dag en nacht; het zal een eeuwige dag zijn; zie Jes. 60:19-20; Openb. 21:23 en Openb. 22:5. Maar sommigen verstaan dit van het licht van het heilig Evangelie, dat in de tijd van Christus zou schijnen. Anderen van de verduistering van de zon ten tijde van het lijden van Christus.
het kostelijke licht,
Dat is, het klare licht, gelijk Job 31:26 .
Hertaald:
het kostelijke licht,
Dat is: het heldere licht, zoals Job 31:26.
dikke duisternis
Hebr. samenstemming, te weten, der duisternis.
Hertaald:
dikke duisternis
Hebreeuws: samenstemming, namelijk van de duisternis.
een enige dag zijn,
Dat is, een dag die eeuwig duren zal.
Hertaald:
een enige dag zijn,
Dat is: een dag die eeuwig zal duren.
die den HEERE bekend zal zijn;
De Heere alleen weet wanneer deze dag beginnen zal; Matt. 24:36 .
Hertaald:
die den HEERE bekend zal zijn;
De HEERE alleen weet wanneer deze dag zal beginnen; Matth. 24:36.
dag,
Te weten, zulk een dag, die met de zon voortkomt.
Hertaald:
dag,
Namelijk zo'n dag als met de zon opkomt.
nacht zijn;
Te weten, zulk een nacht, als nu door het wegblijven der zon komt.
Hertaald:
nacht zijn;
Namelijk zo'n nacht als nu ontstaat doordat de zon wegblijft.
des avonds,
Versta hier door avond den gehelen nacht, of ten tijde van den avond; dat is, als het placht avond te worden. Zie Jes. 60:20 ; Openb. 21:23 .
Hertaald:
des avonds,
Versta hier onder avond de hele nacht, of de tijd van de avond; dat is: wanneer het gewoonlijk avond wordt. Zie Jes. 60:20; Openb. 21:23.
te dien dage geschieden,
Ten tijde der verschijning van Christus in het vlees.
Hertaald:
te dien dage geschieden,
Ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees.
levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen,
Dat is, altijd vloeiende en vliedende. Hierdoor moet men verstaan de gaven van de Heilige Geest , die Christus overvloedig over zijne kerk uitstorten zou; zie Ezech. 47:1 ; Joël 3:18 ; Openb. 22:1 ; verg. Joh. 4:14 , en Joh. 7:38 .
Hertaald:
levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen,
Dat is: altijd vloeiend en stromend. Hieronder moet men de gaven van de Heilige Geest verstaan, die Christus overvloedig over Zijn kerk zou uitstorten; zie Ezech. 47:1; Joël 3:18; Openb. 22:1; vergelijk Joh. 4:14 en Joh. 7:38.
de helft van die naar de Oostzee,
Dat is, alle gelovigen der ganse wereld, zij zijn waar zij zijn mogen, hetzij tegen den opgang of den ondergang der zon, zullen die geestelijke gaven deelachtig worden.
Hertaald:
de helft van die naar de Oostzee,
Dat is: alle gelovigen van de hele wereld, waar zij ook zijn — hetzij naar de opgang, hetzij naar de ondergang van de zon — zullen die geestelijke gaven deelachtig worden.
de achterste zee aan;
Aldus wordt de Middellandse zee genoemd. Zie Deut. 11:24 , en Deut. 34:2 .
Hertaald:
de achterste zee aan;
Zo wordt de Middellandse Zee genoemd. Zie Deut. 11:24 en Deut. 34:2.
zij zullen des zomers en des winters
Dat is, in eeuwigheid en altoosdurend.
Hertaald:
zij zullen des zomers en des winters
Dat is: in eeuwigheid en voortdurend.
zijn
Dat is, duren, vlieten. Anders: het zal des zomers, en des winters geschieden.
Hertaald:
zijn
Dat is: duren, vloeien. Anders: het zal 's zomers en 's winters gebeuren.
de HEERE
Te weten, de Heere Christus Jezus.
Hertaald:
de HEERE
Namelijk de Heere Christus Jezus.
zal de HEERE
Dat is, Hij zal alleen geëerd worden, als zijnde de enige ware God en Zaligmaker, de afgoden zullen uitgeroeid worden; Zach. 13:2 .
Hertaald:
zal de HEERE
Dat is: Hij alleen zal geëerd worden, als de enige ware God en Zaligmaker; de afgoden zullen uitgeroeid worden; Zach. 13:2.
zijn, en Zijn Naam een
Dat is, bekend worden te zijn. Aldus wordt het woord zijn ook gebruikt Joh. 15:8 ; Gij zult mijne discipelen zijn; dat is, voor mijne discipelen bekend worden.
Hertaald:
zijn, en Zijn Naam een
Dat is: bekend worden als zodanig. Zo wordt het woord zijn ook gebruikt in Joh. 15:8: u zult Mijn discipelen zijn, dat is: als Mijn discipelen bekend worden.
Dit ganse land
Te weten, het land van Juda, van het ene einde van het land tot aan het andere. Want Geba [anders] Gibea lag aan den landpaal der Benjaminieten, 1 Kon. 15:22 , en Rimmon aan de landpalen van den stam van Juda; Joz. 15:32 , en Joz. 19:7 ; zie van Geba Joz. 21:17 ; 1 Kon. 15:22 , en Jes. 10:29 .
Hertaald:
Dit ganse land
Namelijk het land van Juda, van het ene einde van het land tot aan het andere. Want Geba — anders Gibea — lag aan de grens van de Benjaminieten, 1 Kon. 15:22, en Rimmon aan de grens van de stam van Juda; Joz. 15:32 en Joz. 19:7. Zie over Geba Joz. 21:17; 1 Kon. 15:22 en Jes. 10:29.
zij zal
Te weten, de stad Jeruzalem, waar door de kerk Gods hier wordt beduid, inzonderheid de kerk van het Nieuwe Testament.
Hertaald:
zij zal
Namelijk de stad Jeruzalem, waarmee hier de kerk van God bedoeld wordt, in het bijzonder de kerk van het Nieuwe Testament.
verhoogd
Dat is, beroemd en heerlijk gemaakt worden.
Hertaald:
verhoogd
Dat is: beroemd en heerlijk gemaakt worden.
bewoond worden in haar plaats;
Dat is, velen zullen zich tot de kerk begeven.
Hertaald:
bewoond worden in haar plaats;
Dat is: velen zullen zich bij de kerk voegen.
van de poort van Benjamin af,
Dat is, aan alle plaatsen waar de Heere zijne kerk hebben zal. Van de poort van Benjamin wordt ook gesproken, Jer. 20:2 , en Jer. 37:13 .
Hertaald:
van de poort van Benjamin af,
Dat is: op alle plaatsen waar de HEERE Zijn kerk zal hebben. Over de poort van Benjamin wordt ook gesproken in Jer. 20:2 en Jer. 37:13.
den toren van Hanáneël,
Zie Neh. 3:1 , en Neh. 12:39 , en Jer. 31:38 .
Hertaald:
den toren van Hanáneël,
Zie Neh. 3:1, Neh. 12:39 en Jer. 31:38.
daarin wonen,
Te weten, in de stad Jeruzalem, dat is in de gemeente Gods.
Hertaald:
daarin wonen,
Namelijk in de stad Jeruzalem, dat is: in de gemeente van God.
er zal geen verbanning meer zijn;
Dat is, zij zal niet meer verstoord worden, gelijk voordezen geschied is, toen het scheen dat Ik hen geheel verbannen en verstoten had; zie Deut. 2:34 .
Hertaald:
er zal geen verbanning meer zijn;
Dat is: zij zal niet meer verwoest worden, zoals eerder gebeurd is, toen het leek alsof Ik hen geheel verbannen en verstoten had; zie Deut. 2:34.
Jeruzalem
Dat is, de inwoners van Jeruzalem.
Hertaald:
Jeruzalem
Dat is: de inwoners van Jeruzalem.
zeker
Hebr. in verzekerdheid.
Hertaald:
zeker
Hebreeuws: in verzekerdheid.
wonen
Of, bewoond worden.
Hertaald:
wonen
Of: bewoond worden.
En dit zal de plage zijn,
Nadat de profeet van den stand en de gelegenheid der gelovigen gesproken heeft, spreekt hij nu hier van de plagen en ellenden der goddelozen.
Hertaald:
En dit zal de plage zijn,
Nadat de profeet gesproken heeft over de staat en de omstandigheden van de gelovigen, spreekt hij hier over de plagen en ellenden van de goddelozen.
die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben
Dat is, die kerk Gods bevochten en vervolgd hebben.
Hertaald:
die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben
Dat is: die de kerk van God bevochten en vervolgd hebben.
een iegelijks vlees,
Hebr. zijn vlees; dat is, eens ieders vlees, lichaam, leden, of deszelfs vlees, alzo straks, zijne ogen en zijne tong.
Hertaald:
een iegelijks vlees,
Hebreeuws: zijn vlees; dat is: ieders vlees, lichaam of leden; en zo meteen ook zijn ogen en zijn tong.
hij op zijn voeten staat,
Dat is, haastelijk, onvoorziens, geen kwaad vermoedende. Zie het voorbeeld in Herodes; Hand. 12:21 , enz.
Hertaald:
hij op zijn voeten staat,
Dat is: plotseling en onverwacht, terwijl hij geen kwaad vermoedt. Zie het voorbeeld van Herodes; Hand. 12:21, enzovoort.
doen uitteren;
Dat is, ganselijk verderven.
Hertaald:
doen uitteren;
Dat is: volkomen te gronde richten.
tong zal in hun mond uitteren
Met welke zij God en de vromen gelasterd en gesmaad hebben.
Hertaald:
tong zal in hun mond uitteren
Waarmee zij God en de vromen gelasterd en gesmaad hebben.
Ook zal het te dien dage geschieden,
De zin is: God de Heere zal hen niet alleen door zijne hand plagen, vs.12; maar ook door henzelven onder elkander; en ook door zijn volk, vs.14; verg. Ezech. 30:21 , enz.
Hertaald:
Ook zal het te dien dage geschieden,
De betekenis is: God de HEERE zal hen niet alleen door Zijn hand plagen, vers 12, maar ook door henzelf onderling, en ook door Zijn volk, vers 14; vergelijk Ezech. 30:21, enzovoort.
een groot gedruis
Of, een groot rumoer, of getrommel, hetwelk hun de Heere aanjagen zal.
Hertaald:
een groot gedruis
Of: een groot rumoer of tumult, dat de HEERE hun zal aanjagen.
van den HEERE
Hebr. des Heeren.
Hertaald:
van den HEERE
Hebreeuws: van de HEERE.
aangrijpen,
Hetzij vijandelijkerwijze; of uit angst en vrees, hulp en troost van zijne vriend, metgezel of naaste verzoekende; verg. Richt. 7:22 ; 1 Sam. 14:20 ; Ezech. 38:21-22 .
Hertaald:
aangrijpen,
Hetzij op vijandige wijze, hetzij uit angst en vrees, terwijl hij hulp en troost zoekt bij zijn vriend, metgezel of naaste; vergelijk Richt. 7:22; 1 Sam. 14:20; Ezech. 38:21-22.
opgaan
Hetzij om te slaan, of, gelijk het anderen verstaan, om hulp en bijstand te zoeken.
Hertaald:
opgaan
Hetzij om te slaan, hetzij, zoals anderen het verstaan, om hulp en bijstand te zoeken.
Juda te Jeruzalem
Dat is, het Joodse volk, de Joden. Anders: ook zult gij, Juda, tegen Jeruzalem strijden.
Hertaald:
Juda te Jeruzalem
Dat is: het Joodse volk, de Joden. Anders: ook zult u, Juda, tegen Jeruzalem strijden.
strijden;
Te weten, tegen die volken, van wie in vs.12, gesproken is.
Hertaald:
strijden;
Namelijk tegen die volken over wie in vers 12 gesproken is.
verzameld worden,
Dat is, weggevoerd worden, het zal verzameld worden om weggevoerd te worden. De zin is: God zal zijne kerk een volkomen overwinning geven over al hare vijanden, alzo dat zij hen zullen plunderen en al hunne goederen roven, gelijk in den krijg geschiedt, als men zijne vijanden heeft overwonnen. Het is een figuurlijke manier van spreken van den krijg en krijgers genomen.
Hertaald:
verzameld worden,
Dat is: weggevoerd worden; het zal verzameld worden om weggevoerd te worden. De betekenis is: God zal Zijn kerk een volkomen overwinning geven over al haar vijanden, zodat zij hen zullen plunderen en al hun goederen zullen buitmaken, zoals dat in de oorlog gebeurt wanneer men zijn vijanden overwonnen heeft. Het is een beeldende manier van spreken, ontleend aan de oorlog en de krijgslieden.
de plage
De zin is: De Heere zal niet alleen de vijanden zijner kerk verdelgen, maar ook al hunne macht en geweld, mitsgaders al de middelen, die zij gebruikt hebben om Gods volk te bevechten, zal Hij teniet maken.
Hertaald:
de plage
De betekenis is: de HEERE zal niet alleen de vijanden van Zijn kerk verdelgen, maar Hij zal ook al hun macht en geweld tenietdoen, en ook alle middelen die zij gebruikt hebben om Gods volk te bevechten.
der paarden,
Hebr. van het paard, van den muil, enz.
Hertaald:
der paarden,
Hebreeuws: van het paard, van de muildier, enzovoort.
in diezelve heirlegers geweest zullen zijn,
Versta, de heirlegers dergenen, die rondom Jeruzalem zijn zouden.
Hertaald:
in diezelve heirlegers geweest zullen zijn,
Versta: de legers van hen die rondom Jeruzalem zouden zijn.
gener plage geweest is
Te weten, mensenplaag, waarvan in vs.12-14, gesproken is.
Hertaald:
gener plage geweest is
Namelijk de mensenplaag, waarover in vers 12-14 gesproken is.
al de overgeblevenen van alle heidenen,
Dat is, al degenen, die de Heere niet zal verdelgd hebben, te weten, alle uitverkorenen, die tot de ware kennis Gods zullen gebracht wezen door de predikatie van het heilg Evangelie.
Hertaald:
al de overgeblevenen van alle heidenen,
Dat is: allen die de HEERE niet verdelgd zal hebben, namelijk alle uitverkorenen die door de prediking van het heilig Evangelie tot de ware kennis van God gebracht zullen zijn.
optrekken
Te weten, naar Jeruzalem. De Heere zal hen bekeren, alzo dat zij zich ook tot de Christelijke gemeente begeven zullen om den Heere te dienen. De profeet beschrijft hier den inwendigen godsdienst der kerk van het Nieuwe Testament door den uiterlijken godsdienst, die in het Oude Testament is gebruikelijk geweest.
Hertaald:
optrekken
Namelijk naar Jeruzalem. De HEERE zal hen bekeren, zodat zij zich ook bij de christelijke gemeente zullen voegen om de HEERE te dienen. De profeet beschrijft hier de innerlijke godsdienst van de kerk van het Nieuwe Testament met de uiterlijke godsdienst die in het Oude Testament gebruikelijk geweest is.
den Koning, den HEERE der heirscharen,
Dat is, den Heere Christus.
Hertaald:
den Koning, den HEERE der heirscharen,
Dat is: de Heere Christus.
om te vieren het feest der loofhutten
Dat is, om God te loven voor zijne weldaden, gelijk het volk Gods placht te doen, als het het feest der loofhutten placht te houden. Zie Lev. 23:34 , enz. En onder den naam van dit feest vervat hij allerhande eer, die men Gode te doen schuldig is.
Hertaald:
om te vieren het feest der loofhutten
Dat is: om God te loven voor Zijn weldaden, zoals het volk van God placht te doen bij het houden van het loofhuttenfeest. Zie Lev. 23:34, enzovoort. En onder de naam van dit feest vat hij alle eer samen die men God verschuldigd is.
zo zal er over henlieden geen regen wezen
Dat is, zij zullen van den Heere niet gezegend worden, maar integendeel zullen zij vervloekt wezen. De regen zijnde een uiterlijk teken van den zegen des Heeren. Verg. Deut. 28:23-24 ; Jes. 30:23 .
Hertaald:
zo zal er over henlieden geen regen wezen
Dat is: zij zullen door de HEERE niet gezegend worden, maar integendeel vervloekt zijn. De regen is namelijk een uiterlijk teken van de zegen van de HEERE. Vergelijk Deut. 28:23-24; Jes. 30:23.
het geslacht der Egyptenaren,
Eenigen verstaan hier door de Egyptenaars [die grote vijanden der kerk Gods waren] ook alle andere heidense natiën, vijanden van Gods kerk.
Hertaald:
het geslacht der Egyptenaren,
Sommigen verstaan hier onder de Egyptenaren — die grote vijanden van Gods kerk waren — ook alle andere heidense volken die vijanden van Gods kerk zijn.
over dewelke de regen niet is,
Dat is, over welke het gewoonlijk niet regent gelijk over andere landen. Want zeer zelden regent het in Egypte, maar de Nijl bevochtigt gewoonlijk het land tweemalen des jaars. Zie Deut. 11:10 . Anders: alhoewel het over hen niet [placht te regenen] zo zal [dan nog] die plaag [over hen komen met] welke de Heere plagen zal die heidenen, die niet, enz. Alsof de Heere zeide: Alhoewel het daar niet regent, zo zullen zij dan nog dezen vloek niet ontgaan, want de plaag, die anderen overkomen zal door de onthouding van den regen, zal hen ook treffen bij andere middelen. Of, aldus: En indien het geslacht der Egyptenaren niet zal optrekken noch komen, zo zal [de regen] over hen niet zijn; de plaag zal er zijn met welke, enz.
Hertaald:
over dewelke de regen niet is,
Dat is: over wie het gewoonlijk niet regent zoals over andere landen. Want in Egypte regent het zeer zelden, maar de Nijl bevochtigt het land gewoonlijk tweemaal per jaar. Zie Deut. 11:10. Anders: hoewel het over hen niet placht te regenen, zal die plaag dan toch over hen komen waarmee de HEERE die heidenen zal plagen die niet, enzovoort. Alsof de HEERE zei: hoewel het daar niet regent, zullen zij deze vloek toch niet ontgaan; want de plaag die anderen zal overkomen door het uitblijven van de regen, zal ook hen treffen door andere middelen. Of aldus: en als het geslacht van de Egyptenaren niet zal optrekken en niet zal komen, dan zal de regen over hen niet zijn; de plaag zal er zijn waarmee, enzovoort.
de zonde der Egyptenaren zijn,
Dat is, de straf der zonde.
Hertaald:
de zonde der Egyptenaren zijn,
Dat is: de straf op de zonde.
om te vieren het feest der loofhutten
Dat is, om den Heere te dienen.
Hertaald:
om te vieren het feest der loofhutten
Dat is: om de HEERE te dienen.
op de bellen der paarden
Het is in verscheidene landen gebruikelijk, dat de voerlieden hunnen paarden bellen om den hals hangen, menende dat derzelver geklank de paarden enige verlichting of moed aanbrengt.
Hertaald:
op de bellen der paarden
In verscheidene landen is het gebruikelijk dat de voerlieden hun paarden bellen om de hals hangen, in de mening dat het geluid daarvan de paarden enige verlichting of moed geeft.
staan
Hebr. zijn.
Hertaald:
staan
Hebreeuws: zijn.
DE HEILIGHEID DES HEEREN
De zin is: dat zelfs de kleinste dingen, ook die in den oorlog tegen Gods volk plachten gebruikt te worden, enz. tot den dienst van God zullen geheiligd zijn. Dit was de titel, die in een gouden plaat voor het voorhoofd van den hogepriester geschreven was. Doch daarvan, zie Ex. 28:36 .
Hertaald:
DE HEILIGHEID DES HEEREN
De betekenis is: dat zelfs de kleinste dingen — ook die in de oorlog tegen Gods volk gebruikt plachten te worden — aan de dienst van God geheiligd zullen zijn. Dit was het opschrift dat op een gouden plaat voor het voorhoofd van de hogepriester geschreven stond. Zie daarover Ex. 28:36.
als de sprengbekkens voor het altaar;
Te weten, in menigte en groot getal. De zin is: er zullen overvloedige middelen zijn tot verrichting van den godsdienst, ook dienaars in groot getal, tot verrichting van den godsdienst, gelijk er ook vele offeraars wezen zullen.
Hertaald:
als de sprengbekkens voor het altaar;
Namelijk in menigte en in groten getale. De betekenis is: er zullen overvloedige middelen zijn voor het verrichten van de godsdienst, en ook dienaren in groten getale om die godsdienst te verrichten, zoals er ook veel offeraars zullen zijn.
in Jeruzalem en in Juda
Dat is, die te Jeruzalem zullen zijn.
Hertaald:
in Jeruzalem en in Juda
Dat is: die in Jeruzalem zullen zijn.
heilig zijn,
Hebr. heiligheid zijn; dat is, den Heere geheiligd zijn.
Hertaald:
heilig zijn,
Hebreeuws: heiligheid zijn; dat is: aan de HEERE geheiligd zijn.
koken;
Te weten, hunne offeranden. Zie 1 Sam. 2:13 .
Hertaald:
koken;
Namelijk hun offeranden. Zie 1 Sam. 2:13.
geen Kanaäniet meer zijn,
Dat is, geen onrein en goddeloos mens. Verg. Openb. 21:27 . Zie ook Jes. 35:8 , en Joël 3:17 . Versta hierbij, maar die in het huis des Heeren zullen zijn en verkeren, die zullen van zonden gereinigd en wedergeboren zijn, Ef. 5:27 . Anderen verstaan het aldus: Ten tijde van den Messias zal er geen volk noch natie van den godsdienst of uit den tempel gesloten worden, want die natiën, die tevoren onrein geweest zijn, zullen alsdan heilig en zuiver zijn voor de Heere.
Hertaald:
geen Kanaäniet meer zijn,
Dat is: geen onrein en goddeloos mens. Vergelijk Openb. 21:27. Zie ook Jes. 35:8 en Joël 3:17. Vul hierbij aan: maar zij die in het huis van de HEERE zullen zijn en verkeren, zullen van zonden gereinigd en wedergeboren zijn, Ef. 5:27. Anderen verstaan het aldus: in de tijd van de Messias zal geen volk en geen natie van de godsdienst of uit de tempel geweerd worden, want die volken die tevoren onrein geweest zijn, zullen dan heilig en zuiver voor de HEERE zijn. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen" (Zach. 14:2). Dan het ingrijpen: "En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen" (Zach. 14:3). En de plaats: "Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeen gespleten worden" (Zach. 14:4). Bijbelse betekenis: Merk op de omvang van wat hier wordt aangekondigd: alle heidenen, verzameld tegen één stad. Let vervolgens op wie ingrijpt: niet een leger van Juda, maar de HEERE Zelf, Die uittrekt en strijdt. Let ten slotte op de plaats die met name genoemd wordt: de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt. Het register doet geen uitspraak over het TIJDSTIP van deze gebeurtenis; het beschrijft slechts wat de tekst zelf zegt over de plaats en de aard van dit ingrijpen. Typologie: Diezelfde berg wordt in het Nieuwe Testament genoemd bij de hemelvaart, met de belofte van een terugkeer: "Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren" — gezegd op "den berg, die genaamd wordt de Olijf berg" (Hand. 1:11-12). Zach. 14:1-4; Hand. 1:11-12 "Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn" (Zach. 14:8). Bijbelse betekenis: Merk op de bron van dit water: niet een rivier die van buiten de stad komt, maar water dat uit Jeruzalem zelf vliet. Let vervolgens op de richting: naar twee zeeën tegelijk, in tegengestelde richtingen — een beeld van een zegen die zich in alle richtingen verspreidt. Let ten slotte op de laatste woorden: des zomers en des winters, in tegenstelling tot gewone beken die 's zomers opdrogen. Dit water blijft het hele jaar stromen. Typologie: Ditzelfde beeld van levend water dat van Gods eigen troon uitgaat, keert terug in het laatste boek van de Schrift: "een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams" (reeds behandeld bij Op. 22:1). Zach. 14:8; Op. 22:1 "En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een" (Zach. 14:9). Bijbelse betekenis: Merk op de omvang van dit koningschap: niet over Israël alleen, maar over de ganse aarde. Let vervolgens op de tweeledige uitspraak die volgt: de HEERE zal een zijn, en Zijn Naam een. Waar door de eeuwen heen volken hun eigen goden onder verschillende namen dienden, spreekt dit vers van een tijd waarin die verdeeldheid wegvalt. Let ten slotte op waar dit vers staat: niet aan het begin van het boek, maar in het laatste hoofdstuk, als een van de laatste grote uitspraken van heel Zacharia. Dat is een gepast hoogtepunt voor een boek dat begon met een oproep tot wederkeer. Typologie: Dat er uiteindelijk één Middelaar is tussen God en de mensen, voor alle volken tegelijk, is de belijdenis van Paulus: "er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus" (reeds behandeld bij 1 Tim. 2:5). Zach. 14:9; 1 Tim. 2:5 "Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar" (Zach. 14:20). En het laatste vers van het boek: "Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaaniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage" (Zach. 14:21). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze woorden eerst alleen te vinden waren: gegraveerd op de gouden plaat aan de voorzijde van de hogepriesterlijke hoed. Hier staan diezelfde woorden op de bellen der paarden — het gewoonste, meest alledaagse voorwerp dat men zich kan voorstellen. Let vervolgens op Zach. 14:21: gewone kookpotten worden gelijkgesteld aan de sprengbekkens van het altaar, voorwerpen die vroeger streng gescheiden werden gehouden. Let ten slotte op de laatste zin van het boek: er zal geen Kanaaniet meer zijn in het huis des HEEREN. Het boek dat begon met een oproep tot wederkeer na ontrouw, eindigt met een huis waarin niets onheiligs meer plaatsvindt. Typologie: Wat hier van de bellen der paarden gezegd wordt, is dezelfde inscriptie die eerst alleen op de gouden plaat van de hogepriester stond: "De HEILIGHEID DES HEEREN!" (Ex. 28:36). Zach. 14:20-21; Ex. 28:36 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Het laatste hoofdstuk van Zacharia. De stad is ingenomen, de huizen geplunderd, de helft van het volk weggevoerd. En dan keert het tafereel: er komt Iemand van buitenaf tussenbeide. God trekt uit ten strijde, en er wordt bij verteld waar Hij Zijn voeten zet. **De omslag.** “En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.” Zoals vroeger bij de Rode Zee: het volk staat stil en Hij vecht. **De plaats.** Dan komt de zin die dit hoofdstuk uit de algemeenheid haalt: “En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten.” Geen wolk en geen berg in het algemeen. Een aanwijsbare heuvel, met een naam, aan de oostkant van de stad. De kanttekening zegt onomwonden waarop dat ziet: op de tijd van Christus, Die op de Olijfberg verkeerd heeft. Daar is Zijn lijden begonnen, en vandaar is Hij ten hemel gevaren. Zij verwijst naar Lukas 22 en naar Handelingen 1. **De naam van de plaats.** Op die berg begon Gethsémané. Op die berg stonden de discipelen te kijken toen een wolk Hem wegnam. En op die berg zeiden twee mannen in witte kleding dat Hij op dezelfde wijze terug zou komen. Het is de enige berg in de Bijbel waarvan gezegd wordt dat God er Zijn voeten zet. **Wat er dan gebeurt.** De berg splijt en er ontstaat een dal om doorheen te vluchten. De kanttekening leest dat geestelijk: alle hindernissen die de heidenen de toegang tot Christus en Zijn kerk konden afsnijden, worden weggenomen; zij krijgen een open pas. **Het water en de Koning.** Twee beloften sluiten het af. Levende wateren uit Jeruzalem, zomer en winter — dezelfde stroom die Ezechiël onder de dorpel zag en die Christus bij het loofhuttenfeest naar Zichzelf toe trok. En: “En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een.” **Het slot.** De overgeblevenen van de volken die tegen Jeruzalem optrokken, komen jaarlijks terug — om aan te bidden, en om het loofhuttenfeest te vieren. De vijanden van vers 2 staan aan het eind van het hoofdstuk in de feestzaal. In het Nieuwe Testament: Handelingen 1:11-12; Lukas 22:39; Ezechiël 47:1; Johannes 7:37-38; Openbaring 11:15; Exodus 14:14 Hoever dit reikt: Wanneer en hoe dit vervuld wordt, wordt verschillend uitgelegd; sommigen lezen het van de eerste komst, anderen van de laatste dingen, en de kanttekening leest het splijten van de berg geestelijk. Wat vaststaat is de plaats die genoemd wordt, en dat het Nieuwe Testament diezelfde berg noemt bij het lijden en bij de hemelvaart. Deze post spreekt zich over de tijdsorde niet uit.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: HEILIG VOOR DE HEERE.(Zacharia 14:20) Lees verder Psalm 8. Zelfs plezier en ontspanning zullen heilig worden voor… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Het zal geschieden ten tijde van de avond dat het licht blijft. Zacharia 14 vers 7 Vaak zien wij onze oude… Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De heiligheid des Heeren. Zacharia 14:20 Paarden werden ook gebruikt voor het werk, en dat is nog zo.… Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De heiligheid des Heeren. Zacharia 14:20 Als u in het alpengebied reist, vindt u het leuk om het… Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De heiligheid des Heeren. Zacharia 14:20 In de tekst gaat het over paarden, die onder de joodse wet… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Op die dag zal het geschieden dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen, ’s zomers en ’s winters zal het… En het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. Zach. 14:7 Het zou een verrassing zijn, als het zo zou zijn, want alles wijst erop,… Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN. Zach. 14:20 Gelukkige dag, wanneer alle dingen heilig zullen zijn, en de bellen van de… En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en zijn Naam één. Zach. 14:9 Zalig vooruitzicht! Dit… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 14
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zijn voeten zullen staan op den Olijfberg — 14:3-5, 8-9, 16
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Geniet van je vakantie, met God
Sterven, maar het licht zal aanbreken
Maak uw gewone werk heilig voor de Heere
Laat alles u ertoe brengen God te prijzen
De heiligheid des Heeren
levend water vanuit Jeruzalem
En het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen
Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN
En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn


Zacharia 14
Zacharia 14:20.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:5→Jesaja 23:18→1 Korinthe 3:16→Numeri 4:14→Numeri 7:84→Exodus 25:29→Numeri 7:19→Zacharia 9:15→
— Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
“Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;”
De eenvoudige betekenis van de tekst is deze: de dag zal komen waarop in het gewone leven de heiligheid de leidstar zal zijn. Dan zullen de alledaagse handelingen van het menselijk bestaan even goed de dienst van God zijn als het offer op het altaar. Of als de gang van de hogepriester wanneer hij achter het voorhangsel binnenging.
Denk aan wat het meest veracht was: de paarden. Aan de plaatsen die het minst voor toewijding in aanmerking leken te komen: de stallen. Aan de dingen die het minst heilig leken: het tuig van de paarden. Dat alles zal geheel en al in gehoorzaamheid aan Gods wil gebruikt worden. Op de dag waarover Zacharia spreekt, zullen de gewone dingen dus aan God toegewijd zijn en in Zijn dienst gebruikt worden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ziet, de dag komt tot verheerlijking van den naam des HEERE, dat uw roof, de in u geroofde schat, zal uitgedeeld worden, niet in enigen afgelegen hoek, maar in het midden van u, o Jeruzalem! 1) zo groot zal de overmoed uwer vijanden zijn.
God verschijnt hier tegen Jeruzalem; het oordeel begint van het huis Gods, wanneer de dag des Heeren komt, moet Jeruzalem door het vuur, om gelouterd te worden. God zelf vergadert alle volken om tegen Jeruzalem te strijden. Hij geeft hun een last, gelijk Hij deed aan Sanherib, om den buit te nemen, want het volk van Jeruzalem was nu geworden het volk Zijns toorns. En wie kan voor Hem bestaan, of voor volken, door Hem vergaderd? Waar Hij last geeft, zal Hij voorspoed geven, de stad ingenomen worden door de Romeinen, die volken tot hun gebied hebben.
Want Ik, de Heere, zal zelf alle Gode vijandige Heidenen tegen Jeruzalem, dat dan weer tot middelpunt van Mijn rijk is verheven, ten strijde verzamelen, om ze daarna even als Faraö en zijn leger te verderven (Hoofdst. 12:2 vv.). Eneerst zal het dan-alzo is Mijn wil-tegen Mijne heilige stad gelukken, de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden (Jes. 13:16), en de helft van de inwoners der stad zal wederom, even als ten tijde van de verovering door de Chaldeën, uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zaldoor Mijne bijzondere beschikking uit de stad niet uitgeroeid worden, maar zal daarin blijven, opdat Ik aan hen Mijne wonderbaar reddende en helpende macht betone.
En de HEERE zal zelf met al zijne heilige Engelen uittrekken, en Hij zal strijden tegen die Heidenen, zo als dit de verzen 12 vv. nauwkeuriger voorstellen, gelijk ten dage, als Hij met wonderbare betoning Zijner almacht en heerlijkheid in vroegere dagen dikwijls gestreden heeft, ten dage des strijds tussen het rijk Gods en het Gode vijandige wereldrijk. Even als echter dan de macht der boosheid van het wereldrijk zich in de hoogste mate zal openbaren, en het al zijne kracht zal inspannen, zo zal ook de openbaring van de heerlijke macht des Heeren alle vroegere betoning verre overtreffen.
Jes. 42:13.
En eerst zal de Heere verborgen en onzichtbaar van den hemel op aarde nederkomen. Zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die aan gindse zijde van het Kedrondal voor Jeruzalem ligt tegen het Oosten, op dezelfde plaats, waar de aarde ook het begin Zijner grootste vernedering heeft gezien; zodra echter Zijne heilige voeten de aarde aanraken, zal deze, gelijk altijd, tot in de diepte beven (Ex. 19:18. (Richt. 5:5. (Ps. 68:8. Nah. 1:6). En de Olijfberg zal in tweeën gespleten wordenen wel in ene loodrecht op de oostzijde van Jeruzalem staande lijn, naar het oosten en naar het westen. Die beide helften zullen verre van elkaar wijken, zodat er ene zeer grote vallei zal zijn, een breed dal; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden 1) Ezech. 38:19 vv.).
Evenals de andere Profeten eindigt ook de Profeet Zacharia met een vergezicht te geven in de voleindiging der eeuwen. Hij schildert den ondergang der Joodse kerk, de verwoesting van het Jeruzalem in de dagen des Heeren, maar ook den triomf van den Christus Gods. Hij voorspelt hoe de Olijfberg in tweeën zal gespleten worden en er een grote vallei zal zijn. Dat is, er zal een brede weg van gemeenschap geopend worden tussen Jeruzalem en de Heidenwereld, zodat de middenmuur der afscheiding zal weggenomen zijn, en de Heidenen kunnen komen tot het geestelijk Jeruzalem, dit is, tot de Kerk, die zalig wordt.
Dan zult gijlieden, die niet door de vijanden worden weggesleept en uitgeroeid, maar door des Heeren genade als het ware volk van God in de stad zijt bewaard, in die aardbeving de komst des Heeren opmerken, en in het wijd voor u geopende dal erkennen, dat hier het toevluchtsoord is, u door den Heere bereid, tegen iedere schade. Gij zult dan vlieden uit de veroverde en verwoeste stad door de vallei Mijner bergen, door het dal, dat zich gevormd heeft door het wonderbaar scheiden van de twee helften van den berg, en het zal u volkomen veiligheid geven; (want deze vallei der bergen zal reiken tot het aan gindse zijde van den Olijf berg gelegene dorpje Azal1) (= edel),) en gij zult met zulk een schrik over de aardbeving tot dat dal vlieden, gelijk als gij in uwe voorouders vloodt voor degrote aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda, welke dengenen, die deze beleefden, een voorspellende voorbode van deze verschrikkingen van den laatsten tijd was (Amos 1:1). Dan, als gij allen in dat dal zijt geborgen, zal de HEERE,) Mijn God, wiens Profeet ik verwaardigd ben te zijn, in zichtbare heerlijkheid komen ten gerichte over Zijne vijanden, en tot volmaking van het eeuwig heil van Zijn volk, en al de heiligen, de engelen met U, o HEERE! opdat Gij eeuwig bij de Uwen woont (Dan. 7:9 v. (Matth. 16:27; 25:31. (2 Thess. 1:7. Openb 19:14).
Een dorp met name Azal, is in de nabijheid van Jeruzalem niet aan te wijzen, ook Hiëronymus, die ons over zovele andere, nu verdwenen plaatsen berichten geeft, weet van zulk een dorp niets. Dat het hetzelfde als Beth-Haëzel zou zijn en dit aan gindse zijde van den Olijfberg zou hebben gelegen, blijft ene gissing, naast welke de andere even zoveel waarschijnlijkheid had, dat het woord als Adverbium in de betekenis van: “naast” zou staan, en daardoor alleen zon moeten worden uitgedrukt, dat het wonderdal tot dicht bij Jeruzalem zich zou uitstrekken. Deze vallei der bergen wordt gezegd te reiken tot Azië, of tot de afgezonderde plaats, dit is, tot die allen, welke God afgezonderd heeft voor Zich, wanneer God Zijne bergen tot een weg maakt; door hen een vallei te maken zal de weg geopend worden voor alle de reizigers, en de dwazen zullen daarin zelfs niet dwalen.
Van het oosten komt de Heere tot den roemruchtigen intocht in Jeruzalem, evenals Ezech. 43:2. En ziet de heerlijkheid des Gods van Israël kwam van het oosten en bruiste, gelijk een groot water bruist, en het werd verlicht op de aarde van het licht Zijner heerlijkheid! Naar het oosten was ook (Ezech. 11:23) de heerlijkheid des Heeren van den tempel uitgegaan, en had zich gesteld op den berg, die tegen het oosten der stad ligt op den Olijfberg. David, het typische beeld van den hemelsen koning, was bij zijne vlucht voor Absalom mede oostwaarts over den Olijfberg gedaan (2 Sam. 15:30) en langs denzelfden weg teruggekeerd. Zo hield ook Jezus Zijnen koninklijken intocht in Jeruzalem van het oosten komende, van den Olijfberg af (Matth. 21:1), en ging van den Olijfberg ten hemel (Luk. 24:50). Dßßr was het, dat twee mannen in witte klederen den jongeren verkondigden: deze Jezus, die van u opgenomen is ten hemel, zal alzo komen gelijk gij Hem hebt zien ten hemel waren. ” In den tempel van Ezechiël wordt de oostpoort van den buitensten voorhof voor de mensen gesloten, nadat de Heerlijkheid des Heeren er door is ingegaan (Ezech. 44:1, 2). Zo is het duidelijk, waarom de Heere bij Zacharia juist op den Olijfberg, die tegen het oosten ligt, verschijnt vermits Hij komt tot een gericht des toorns over Zijne vijanden, die Zijne Heilige stad Jeruzalem hebben ingenomen. Evenals de natuurlijke zon van het oosten af den dag aanbrengt, zo zal ook de Zon des eeuwigen heils voor Zijne gemeente van het Oosten verschijnen; want in hetgeen volgens God beschikkingen in de natuur plaats heeft, is ene voorafbeeldende betekenis. Daarom bouwde men de kerken met het koor naar het Oosten, en wendde de dienaar Gods zijn aangezicht bij het gebed naar het Oosten; daarom rusten onze doden in hun graven, met het aangezicht naar het Oosten gekeerd, des Heeren komst, die ons onze verlossing aanbrengt, verwachtende met den jubelenden triomferenden Zacharia. In de laatste woorden wordt gezegd, dat de Heere God zal komen, in de volgende verzen wordt dit woord uitgewerkt. De Profeet ziet den dag komen, waarop de Heere ten gerichte Zich opmaakt, omringd door Zijne heilige Engelen, Hij ziet het, dat, Hij krijgt er een gezicht in, hoe, in den loop der tijden, de Christelijke Kerk zich zal uitbreiden, maar ook vervolgd worden door hare vijanden, maar tevens, hoe alleen de raad Gods gelukkiglijk is volvoerd in betrekking tot der zondaren zaligheid; de Heere God zal komen om aan alle macht der vijanden een einde te maken.
En het zal te dien dage, als de Heere ten gerichte over Zijne vijanden en tot redding Zijner gemeente van den hemel nederdaalt, volgens de door den Heere over Zijne vijanden bepaalde verschrikkingen, geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en zal de dikke duisternis1), (Joël 3:15. (Jes. 13:10. Matth. 24:29. Openb. 6:12).
In het Hebr. wehajah bajoom hahoe loo jihejeh oor jekaroth wekippaoon. Beter: En het zal ten dien dage geschieden; het zal niet licht zijn, de kostelijken zullen verduisterd worden. Onder kostelijken hebben we, in verband met Job 31:26 te verstaan: zon, maan en sterren. De Profeet wil zeggen, wat ook door andere Profeten wordt verkondigd, dat zon, maan en sterren hun licht zullen verliezen, als de Heere zich openbaart. Vandaar dat er ook volgt, dat het dag noch nacht, zal wezen, omdat er gaan licht der zon en geen licht der maan of sterren zal zijn, maar ten tijde des avonds zal het licht wezen.
Maar het zal een enige dag zijn, aan welken geen andere dag der wereld gelijkt, die den HEERE in Zijne betekenis wel bekend zal zijn, het zal noch dag noch nacht zijn op de wijze als nu, wanneer de opgang en ondergang van zon en maan de afwisseling teweeg brengen; maar de orde der natuur zal geheel omgekeerd zijn, bij dag zal de duisternis van Gods gericht heersen; en het zal geschieden ten tijde des avonds, wanneer het gericht zal geëindigd zijn, dat het licht zal wezen, daarop zal echter een dag aanbreken, waarop geen avond en gene duisternis meer volgt (Openb. 21:23, 25). Dikwijls zien wij met bezorgdheid den ouden dag tegemoet, en wij vergeten dat het ten tijds des avonds licht zal wezen. Voor vele gelovigen is de ouderdom de beste tijd huns levens. De lucht, die den zeeman tegenwaait, wordt zachter, naarmate hij de kust der eeuwigheid nadert; de zee is stiller geworden, ene diepe, heilige, kalme rust heerst overal. De schitterende vlammen van het vuur der jeugd worden op het altaar van den grijsaard niet meer gevonden, maar het wezenlijke vuur van ernstig gevoel is gebleven. De pelgrims hebben het land Beulah bereikt, die gelukkige landstreek, waar de dagen zijn als de dagen des Hemels op aarde. Engelen bezoeken dat land, ene hemelse koelte waait, en de bloemen van het paradijs groeien er, en de lucht is met de muziek der Serafs vervuld. Sommigen wonen aldaar jaren lang, en anderen komen er slechts weinige uren voor hun dood; maar het is een Eden op aarde. Wel mogen wij naar den tijd verlangen, dat wij in die schaduwrijke dreven zullen mogen rusten, en verzadigd worden met hoop, totdat de tijd des oogstes komt. De ondergaande zon schijnt groter te zijn dan wanneer zij boven aan den hemel staat, en een glans van heerlijkheid kleurt al de wolken, die haar omringen. Het lijden verstoort geenszins de kalmte van de zachte schemering des ouderdoms, want de kracht, die in zwakheid volbracht wordt, draagt het alles met geduld. De rijpe vruchten der ervaring maken den keurigen maaltijd uit van den avond des levens, en de ziel bereidt zich voor de rust. Gods kinderen zullen het licht ook in de ure des doods genieten. Het ongeloof klaagt: de schaduwen vallen, de nacht komt, het leven spoedt ten einde. O neen! roept het geloof uit: de nacht is haast voorbijgegaan, en de ware dag breekt aan. Het licht is opgegaan, het licht der onsterfelijkheid, het licht van des vaders aangezicht. Leg uwe voeten zamen op het bed, en zie het geestenheir dat u wacht. Engelen wenken u toe. Vaarwel, geliefde, gij zijt vertrokken, gij wenkt ons met de hand. Nu is alles licht. De poorten ontsluiten zich, de gouden straten blinken, den steen Jaspis gelijk. Wij bedekken de ogen, maar gij aanschouwt het ongeziene. Vaarwel, broeder, gij hebt ten tijde des avonds een licht, dat wij nog niet bezitten.
Ook zal het te dien dage bij het aanbreken van den eeuwigen dag der zaligheid, geschieden, dat er levende, kristal heldere wateren uit het heiligdom te Jeruzalem, van de plaats, waar de Heere onder Zijne verloste, zalige gemeente aanwezig is, vlieten zullen (Joël 3:18. Ezech. 47:7-12. Openb. 22:1) de ene helft van die naar de Oostzee, de zee ten oosten, de zogenaamde Dode zee, en de helft van die naar de achterste, de westelijke, de Middellandse zee aan; Zij zullen de krachten des eeuwigen levens uit de woonplaats Gods in het gehele land invoeren, en des zomers en des winters zijn, zodat gene verdroging onder den gloed van den zomer, gene verstijving in den winter meer kan plaats hebben; het zal eeuwige lente en voortdurende wasdom zijn. De stromen van levend water, uit Jeruzalem gloeiende, drogen evenmin op door de verschroeiende hitte van den snikheten zomer, als zij bevriezen door de ijzige winden van den ruwen winter. Verblijd u, mijne ziel, dat gij gespaard zijt om van de getrouwheid des Heeren te getuigen. De jaargetijden veranderen, en gij verandert, maar uw Heere blijft eeuwig dezelfde, en de stromen Zijner liefde zijn even diep, breed en vol, nu als immer. De hitte van de zorgen der bezigheden, en de verzengende beproevingen doen mij de behoefte aan den verfrissende invloed van de rivier Zijner genade gevoelen; ik mag dadelijk en tot verzadiging uit de onuitputtelijke bron drinken, want des zomers en des winters stroomt zij voort. De hoge wellingen vloeien steeds over, en, geprezen zij de Naam des Heeren, de lage wellingen kunnen evenmin opdrogen. Elia vond de beek Krith opgedroogd, maar Jehova was nog dezelfde zorgende God. Job zei dat zijne broederen gehandeld hadden als bedrieglijke beken, maar in zijn God had hij ene overvloeiende rivier der vertroosting. De Nijl is het grootste vertrouwen van Egypte, doch zijne vloeden zijn veranderlijk; onze Heere is in eeuwigheid dezelfde. Door den loop van den Eufraat om te wenden nam Cyrus de stad Babylon; doch gene menselijke noch helse macht kan den stroom der goddelijke genade omwenden. Men heeft beddingen van oude rivieren geheel droog en ledig gevonden; maar de stromen, die op de bergen der goddelijke vrijmacht en der eindeloze liefde ontspringen, zullen altijd boordevol zijn. De geslachten gaan voorbij, doch de stroom der genade blijft onveranderd. De rivier Gods kan met meer recht dan de beek in het gedicht zingen: Mensen mogen gaan of komen, Maar mijn golven blijven stromen. Hoe groot is uw geluk, o mijne ziel! dat gij langs zulke stille wateren gevoerd wordt! Ga nooit tot andere stromen, opdat gij niet des Heeren bestraffing zoudt horen. Wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren der modderige rivier te drinken.
En de HEERE, de alleen ware, Drieëenige God, zaldan in volle waarheid zichtbaar en eeuwig tot Koning over de ganse aarde zijn 1), waar Gods volk woont, en Zijn rijk is uitgebreid, en dit zal de gehele wereld zijn, te dien dage zal alle afgodendienst geheel verdwenen zijn, dan zal de HEERE één zijn, en Zijn naam één, de alleen aangebedene en geprezene. De Heere (Jehovah) is wel altoos één geweest (ofschoon in onderscheidenheid van personen), maar Zijn naam, dien Hem de mensen gaven, was zeer verschillend, naarmate van de onderscheidene beelden en begrippen, die de heidense volken zich van den Heere maakten. De valse namen, die met de valse beelden en begrippen verbonden waren, de afgodennamen zullen geheel van de aarde verdelgd worden (vgl. (Hoofdst. 13:2), en gelijk de Heere slechts één is, zo zal ook Zijn naam slechts één zijn, een naam waarin God aan Zijn wezen ene menselijke voor alle verstaanbare uitdrukking geeft, een naam waarin de Heere Zich heeft willen bekend maken, is ons nu bekend, het is de naam Jezus, gelijk Petrus (Hand. 4:12 #Ac), Paulus (Fil. 2:9-11) en Johannes (1 Joh. 5:20), eenparig getuigen. In den enigen naam Jezus is tevens de kennis en de verering des Vaders en des Heiligen Geestes den mensen gegeven. Hij is en was altoos zodanig naar recht en in de oppermachtige betrekking Zijner Voorzienigheid. Zijn koninkrijk heerst over alles, en niemand is van Zijn gebied uitgesloten, maar hier wordt beloofd, dat Hij zodanig zijn zal, die dadelijk bezitting van de harten Zijner onderdanen neemt. Hij zal van allen voor Koning erkend worden in alle plaatsen. Zijn gezag zal erkend worden, en men zal zich daaraan onderwerpen en verbintenis aan Hem zweren.
Dit ganse land van het eeuwige Kanaän, waarin des Heeren verlost en geheiligd volk woont, zal dan zijn omgekeerd, het zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, alle bergen zullen worden vernederd en effen gemaakt, maar ook vruchtbaar en bloeiende zijn, van Geba (= heuvel) (Joh. 18:24) tot Rimmon (= zeer hoog) toe, zuidwaarts van Jeruzalem (Joz. 15:32) tussen welke beide plaatsen zich nu een hoog berg- en rotsachtig landschap bevindt, welks bergen veel hoger zijn dan Zion. En zij, Jeruzalem, het middelpunt van het rijk Gods in heerlijkheid, zal uit- en inwendig verhoogdzijn (Micha 4:1), en zal niet meer door de Heidenen worden vertreden, maar in hare gehele vroegere uitgestrektheid bewoond worden in hare plaats, zo verre zij ten tijde van David en Salomo zich uitstrekte, van de poort van Benjamin of Efraïm in den noordelijken muuraf, tot aan de plaats van de eerste of oude poort aan den noord-oosthoek der stad (Neh. 3:6), tot aan de Hoekpoort aan den anderen of noordwesthoek (2 Kon. 14:13)toe; en aan de andere zijde van den toren van Hananeël (= genadig door God gegeven) aan den noordoosthoek, tot aan des konings wijnbakken toe, nabij de koninklijke tuinen aan de zuidzijde (Neh. 3:1 en 15), zodat van het oosten naar het westen, van het noorden naar het zuiden alles in de stad nieuw en heerlijk zal zijn.
En zij zullen daarin eeuwig wonen; de bewoners der stad zullen heilig en zondeloos zijn, en er zal gene verbanning, geen vloek des Heeren meer zijn, zodat zij enig gericht zouden moeten vrezen; want Jeruzalem zal zeker tegen alle vijandelijke aanvallen wonen, en nooit weer verwoest worden (Jes. 65:18 vv. Openb. 22:3) “De aaneenknoping van de gedaante der toekomstige heerlijkheid van het rijk Gods met het beeld der toenmaals aanwezige, grotendeels nog in puin liggende stad, had voor de eerste lezers van Zacharia iets bijzonder vertroostends en verheffends; zij erkenden daardoor, dat door Gods genade dezelfde stad, welke nu in een kommervollen tijd met moeite werd opgebouwd, eens de verheerlijkste koningin aller heidenen zou worden. Maar zij wisten ook, dat deze eenheid van het tegenwoordige en toekomstige Jeruzalem niet in de ligging en ruimte der poorten, der torens en koninklijke persbakken, of in de stof van kalk en stenen, maar in de geestelijke eenheid en persoonlijkheid van Jeruzalem, als de stad en de gemeente Gods bestond. ” Eerst de ondervinding van deze laatste dingen zal het ons kunnen doen begrijpen, op welke nu voor ons ondoorgrondelijke wijze de Heere, die Zijn volk overeenkomstig Zijn eeuwig raadsbesluit verkoren heeft, en daaraan Kanaän met Jeruzalem als het land der rust in God gegeven, eens Zijne eeuwige gedachten in de aardse verhoudingen zal verwezenlijken, zodat het hemelse en aardse, beeld en voorwerp, het eeuwige en tijdelijke of in ruimte beperkte met elkaar geheel overeenkomen. Nadat de Heere de werking der reddende verschijning des Heeren (vs. 4-7) voor Jeruzalem (vs. 8-11) geschilderd heeft, gaat Hij nu terug tot het eerste doel dezer verschijning, den strijd van God tegen de heidenen, en schildert hij de bestraffing der heidenen, die zich tegen Jeruzalem hadden verenigd, het hadden ingenomen en verwoest (vs. 2). De Heere wil Zijn volk soms na lange beroeringen zelfs ene verlossing geven uit hun ellenden, zowel als hun voor het verderf bewaren in hun ellenden, wanneer deze hen overkomen; en ofschoon de Kerk niet altijd zo behandeld wordt, zo is zij nochtans de plaats van de grootste veiligheid om in te wonen van de wereld, en daar ook des Heeren volk, met de grootste vrijmoedigheid, het gevaar van enig lot, dat haar kan overkomen, ondergaan mag.
En dit zal de door God onmiddellijk over u gezondene plage zijn, waarmee de HEERE al de volken (vs. 3) plagen zal, die tot verdelging van het rijk Gods van de aarde tegen Jeruzalem krijg gevoerd, het veroverd en verwoest zullen hebben; Hij zal ten gevolge van ene verwoestende pest, welke onder hen woedt (Jes. 37:36), eens iegelijks vlees, daar waar hij op zijne voeten staat1), terwijl hij reeds aan ‘t overige des lichaams aan den dood en de verrotting is overgegeven, doen uitteren, en eens iegelijke ogen, waarmee hij in begeerlijkheid en boosheid den weg naar Jeruzalem en de zwakke plaatsen der stad bespiedt, zullen uitteren in hun holen, en eens iegelijks tong, waarmee hij tegen den Heere en Zijne heiligen smaadheid gesproken heeft, zal in hunnen mond uitteren.
Wij zouden zeggen, “daar zij staande en gaande zijn. “
Ook zal het te dien dage geschieden als ene verdere straf over hen, dat er een groot gedruis, verblinding en algemene verwarring van den HEERE onder hen zal wezen, gelijk Hij op voorafbeeldende wijze den Ammonieten en Moabieten onder Josafat en meermalen gedaan heeft (2 Kron. 20:23. Richt. 7:22. 1 Sam. 14:20 zodat zij, een ieder menende dat het zijn vijand is, zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand met het zwaard zal tegen de hand zijns naasten opgaan om hem den doodslag te geven (Ezech. 3:21),
Zo zullen alle deze vijandelijke legerscharen tot op den laatsten man volkomen worden vernietigd. En ook zal Juda en dat zal het derde middel der bestraffing des Heeren tegen hen zijn-als een verlost, met krijgshaftigheid toegerust volk van God te Jeruzalem strijden, en het vermogen aller Heidenen rondom zal als een buit uit dezen laatsten groten strijd verzameld worden rondom het rijk van God en Zijn middelpunt Jeruzalem, goud en zilver, en klederen in grote menigte 1).
Drieërlei plagen tegen de vijanden worden hier genoemd. Vooreerst dat zij bij levende lijve zullen uitteren, vervolgens, dat de Heere God onder hen een panischen schrik zal verwekken, zodat de een in den ander een vijand zal zien en zij elkaar zullen doden, en ten derde, de Joden zelf tegen de vijanden zullen optrekken en hen verslaan. Hiermede wordt niet op bijzonderheden gedoeld, maar in het algemeen aangegaan de volslagen vernietiging der vijanden Gods en van Zijn volk, namelijk van hen, die niet tot God zich bekeren. Over hen, die tot God zich bekeren, wordt in de volgende verzen gesproken.
Alzo zal ook de vernietiging der vijanden ene zo volledige zijn dat de plage ook ene der paarden, der muilen, welke den volken tot rijdieren dienen, der kemelen en der ezelen, welke hun tot wegvoeren van goederen en van buit dienden, en aller beesten zalzijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is, zij zullen allen op die wijze omkomen, en zij zullen door pest en zwaard en onderlinge vernietiging worden uitgeroeid.
En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle Heidenen, allen, die niet door des Heeren gericht zijn weggenomen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, ene gehele verandering zullen ondergaan. Zij zullen voor Jeruzalems muren, misschien ten gevolge van de grote aardbeving en de wonderbare redding van Gods volk en de verschijning des Heeren, van hun vijandschap afstand doen, en tot kennis der waarheid komen, of hadden reeds in hun land alle vijandschap tegen den Heere afgelegd, die zullenverschoond worden, en zich van harte tot den Heere bekeren, en nog ter elfder ure in het rijk Gods ingaan, dan zullen zij van jaar tot jaar naar Jeruzalem optrekken a), om daar aan te bidden den Koning, die daar in zichtbare heerlijkheid onder Zijn volk woont, den HEERE der heirscharen als den alleen waren God, in wien zij heil en leven hebben gevonden, en om te vieren het feest der loofhutten als eeuwig dank- en vredefeest daarvoor, dat de Heere ook hen van de dwaalwegen der afgoderij en der goddeloosheid tot erkentenis der eeuwige waarheid heeft gebracht.
Jes. 66:23. Reeds onder het Oude Verbond was het loofhuttenfeest een schaduwbeeld der zaligheid in het rijk van God. Het was vooral een jaarlijks dankfeest voor Israëls genadige bewaring op zijnen tocht door de woestijn, en voor zijne inleiding in het beloofde land vol heerlijke goederen. Wanneer echter eens dit rijk des vredes zelf zal zijn gekomen in het nieuwe Jeruzalem, zo zal de schaduw voor de werkelijkheid zijn geweken, en Israël zal dan op het nieuwe eeuwige loofhuttenfeest danken, dat de Heere door Zijne barmhartigheid in Christus het uit alle dwaling en uit ongeloof en uit al de gevolgen daarvan in de heerlijkheid en in de eeuwige rust heeft geleid. De bekeerde heidenen zullen zich in alle opzichten aan die viering aansluiten, want zij zullen nog voor de bijzondere barmhartigheid Gods te danken hebben, dat ook zij tot kinderen van Abraham zijn aangenomen, en in het eeuwige Kanaän, in het rijk des vredes onder den Goddelijken Koning Jezus Christus zijn aangenomen.
En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aardezich niet tot den enigen God en Verlosser zal bekeren, en niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen 1) wezen, maar zij zullen alle goederen der genade, ook de lichamelijke, verliezen.
Regen is beeld van de genade Gods, van de zegeningen des Geestes. Uitgesproken wordt hier derhalve, dat, wie niet tot het geestelijk Israël bekeerd zijn, maar Heidenen zijn gebleven, niet mede zullen bedeeld worden met de genade Gods met de zaligmakende werken des Geestes, en dat daarom voor hen geen plaats is in het heerlijk Koninkrijk Gods. De eeuwige verwerping der goddelozen wordt hier reeds uitgesproken.
En, daarentegen zal geen volk op aarde, ook niet het allervijandigste, van de goederen van het Godsrijk zijn uitgesloten, wanneer het den Koning daarvan aanbidt en Zich aan Zijn volk aansluit, indienechter bijv. het geslacht der eertijds zo bitter vijandige Egyptenaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken, noch komen, om te aanbidden, zo zal die plage over hen zijn, en ook hun zo vruchtbaar land zou tot ene onbewoonbare woestijn worden, die plage, met welke de HEERE die Heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen om te vieren het feest der loofhutten in het rijk des vredes.
Dit, de wegneming van den zegen en van de vruchtbaarheid hunner landen door droogte, zal de straf der zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller Heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten, maar in ongeloof en goddeloosheid volharden.
Te dien dage zal al het onheilige, onreine en zondige uit het rijk van God zijn afgezonderd, en volkomen heiligheid alles vervullen. Zelfs op de bellen der paarden, welke men deze tot versiering pleegt om te hangen, en die dus met den godsdienst geen het minste verband hebben, zal staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN, 1) even als op des hogepriesters gouden hoofdband geschreven was. Het onderscheid tussen meer en minder heilig zal niet meer zijn. En de potten in het huis des HEEREN, waarin men met offervlees kookt, zullen zijn als de sprengbekkens, in welke men voor het brandofferaltaar het bloed der offerdieren opvangt.
De tuigen hunner paarden zullen aan God toegeheiligd zijn. Op de bellen der paarden zal gegraveerd zijn de Heiligheid des Heeren. De paarden, die in den oorlog gebruikt worden, zullen niet langer tegen God en Zijn volk gebruikt worden, gelijk zij gedaan zijn, maar voor Hem en hun. Hun oorlogen zelfs zullen heilige oorlogen zijn, hun krijgsherauten zullen onder Gods banier dienen. Hun helden, die in statie rijden met ene prachtige houding, zullen het hun grootste ere rekenen, met hun eergenietingen God te vereren. De Heiligheid des Heeren zal op de garelen hunner wagenen en paarden geschilderd zijn, gelijk de groten soms hun wapenschild met hun zinspreuk op hun doeken geschilderd hebben. De bellen der paarden, welke bestemd zijn, om hen te verlevendigen op hun reizen, en om kennis te geven van hun aannadering, zullen de Heiligheid des Heeren op zich geschreven hebben, om te betekenen, dat dit het is, welke op ons zelven invloed hebben moet, en waarvan wij belijdenis moeten doen bij anderen, waar wij ook gaan.
Ja niet alleen de kookketels in den tempel des Heeren, maar ook al de potten in Jeruzalem en daarbuiten in Juda d. i. in het land en het volk van het rijk der heerlijkheid rondom, zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, even als vroeger het allerheiligste, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve, namelijk van hun eigene kookketels, nemen, en in dezelve het heiligste maal, dat zij in gemeenschap met den Heere willen houden, koken, en er zal a) geen met vloek beladene, zo als eertijds de Kanaäniet, die hier en daar nog onder Israël tot hiertoe woonde, meer zijn; geen zodanige of daaraan gelijke zal in het huis of het rijk des HEEREN der heirscharen, te dien dagewezen.
Jes. 35:8. Joël 3:17. Openb. 21:27; 22:15. Jeruzalem zal eens herbouwd worden en de stad des vredes zijn, al de vijanden der kerk gefnuikt, of onder den Heere gebracht en tot Zijnen dienst geleid. Zo iemand dat niet wil, en zich tegen Hem verzet, en den raad Gods tot zijne zaligheid versmaadt, het zal zijn dat zij geen dageraad zien zullen. Als dan maar de heiligheid des Heeren onze sieraad zij, en de sieraad van ons Christendom meer en meer worden mocht, als maar alles, onbepaald alles den Heere gewijd zij, dan zal Hij ook door allen geëerd en gediend worden, en Hij zal er voor zorgen, dat er ten laatste in Zijne gemeente en in de harten van Zijn volk geen enkele Kanaäniet meer wezen zal. Zien wij gelukkige en heerlijke dagen tegemoet, dan mogen zij al in onzen leeftijd niet aanlichten, zij komen voor ons of voor onze nageslachten zeker en gewis. Als Hij, die van den Olijfberg ten hemel voer, en die het boek van Gods raadsbesluiten in handen houden, daartoe opstaat, dan zal het licht rijzen uit de duisternis, en alles wat door den mond Zijner heilige Profeten en Apostelen gesproken is, zal gewis vervulling bekomen. Het onderscheid tussen heilig en profaan zal alleen dan ophouden, wanneer de zonde en zedelijke onreinheid, welke dit onderscheid in aanzijn riep, en de afzondering en bijzondere heiliging der voor den dienst van God bestemde dingen nodig maakte, geheel zal zijn opgeheven en uitgedelgd. Dit onderscheid weg te nemen, de uitdelging der zonde te bewerken, en het door zonde ontheiligde weer te heiligen, was het doel der goddelijke inrichtingen. Tot dat einde werd Israël van de volken der aarde afgezonderd, om het tot een heilig volk op te voeden en tot bereiking van dat doel was het ene wet gegeven, waarin de scheiding van het heilige en profane door alle zaken heenging. Dit doel zal het volk van God eens bereiken; door het gericht zal de zonde met hare gevolgen worden uitgedelgd. In het voltooide rijk van God zullen gene zondaars meer zijn, maar enkel rechtvaardigen en heiligen. Met dit blij uitzicht, dat de Heere eens van Zion uit als Koning over Zijn heilig en gezegend verbondsvolk zal heersen, dat aan Zijnen scepter ook de heiligen zullen onderdanig zijn, dat alles in dienst van den Heere zal staan en heilig zal worden, en dat de zondaars uit de gemeente der rechtvaardigen zullen verwijderd zijn-met dit vrolijk uitzicht eindigt het Boek van Zacharia’s profetie. Wat nu ten slotte de vervulling dezer profetieën aangaat, zo vinden wij ook bij deze het algemeen karakter der Oud-Testamentische profetie, volgens welke zij de gebeurtenissen in de ontwikkeling van het Godsrijk niet na elkaar in de historische op elkaar volging, maar naast elkaar ziet, zodat de meest verwijderde met de naast bijzijnde binnen dezelfde lijst op hetzelfde beeld zijn gezien. Een Godsstaat, waarvan al de vijanden na heftigen strijd zijn beteugeld; waarvan al de burgers van bescherming verzekerd met overvloed gezegend, tot feestelijke vreugd zijn geroepen, waarvan geheel de inrichting, tot in de minste bijzonderheden toe van het maatschappelijk en huiselijk leven rein is en God gewijd; en die eindelijk in dezen zijn heerlijken toestand tot verenigingspunt strekt voor alle andere volken, ziet daar het laatste en hoogste, wat de Geest door Zacharia verkondigt. Uit deze laatste verzen blijkt het zo glashelder, dat de Heere God door den Profeet laat aankondigen de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem, waar niets zal inkomen dat verontreinigt. Christus Jezus zal alle de ergernissen verbannen uit Zijn Koninkrijk. Hij zal de tarwe verzamelen en het onkruid met onuitblusselijk vuur verbranden. Dan zal het één heilige Gemeente zijn, de nieuwe aarde onder den nieuwe hemel, waarop gerechtigheid woont. SLOTWOORD OP HET BOEK ZACHARIA. In het jaar 520 vóór Christus tot het profetischen ambt geroepen, was den Profeet Zacharia opgelegd, het teruggekeerde volk Gods in Juda en Jeruzalem te wijzen op het gevaar, dat hen dreigde, omdat het aan Gods beloften ging wanhopen, of in eigengerechtigheid en werelddienst zich verliep. Hij ontving daarom den last des Heeren, om de heerlijkheid des Heeren HEEREN te verkondigen, die Zich in den loop der eeuwen zou openbaren en hare voleindiging zou vinden in de volle openbaringe Gods in het hemelse Jeruzalem. Daartoe ontving hij zijne nachtgezichten, maar ook wat de Heere hem verder door Zijn Geest openbaarde, hetwelk niet zelden van onuitputtelijke diepte is. Zoals bekend is, hebben uitleggers van oude en nieuwe tijden getracht aan te tonen, dat Hoofdst. 9-14 niet van onzen Profeet is, maar door een ander is geprofeteerd of geschreven. Men grondt zich dan vooral op het feit, dat de Profeet in de eerste acht hoofdstukken in den eersten persoon spreekt en in de andere niet, en tevens hierop, dat taal en stijl van de laatste zes aanmerkelijk verschillen. Indien het echter een feit is, en het is een feit, dat de vaststelling van den Kanon slechts enkele tientallen van jaren heeft plaats gehad na den dood van Zacharia, en men dus ook toen van hem nog gewisse historische overleveringen had, dan is dit reeds, op menselijke wijze geredeneerd, reden genoeg, om met de Kerk van latere eeuwen, al de hoofdstukken aan dezen Profeet toe te kennen. En wat het verschil, vooral in stijl en profetische vlucht betreft, ook dit bezwaar is niet moeilijk op te lossen, indien men er mede rekent, dat dit ook bij andere schrijvers wordt aangetroffen en geheel samenhangt met het onderwerp wat behandeld wordt. Het was ook voor Zacharia bewaard, om door den Heiligen Geest geïnspireerd, de toekomstige dingen te verkondigen, een vergezicht te geven in de volle ontplooiing van de heerlijkheid Gods, in het volkomen heilig stellen van de Kerk, die zalig wordt, tot troost en vertroosting van alle Gods kinderen van alle eeuwen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel