Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Te dienH1931 dageH3117 zal er een FonteinH4726 geopendH6605 zijnH1961 voor het huisH1004 DavidsH1732, en voor de inwonersH3427 van JeruzalemH3389, tegen de zondeH2403 en tegen de onreinigheidH5079.
Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.
KJV
In that day1
there shall be a fountain4
opened5
to the house6
of David7
and to the inhabitants8
of Jerusalem9
for sin10
and for uncleanness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, dat Ik uitroeienH3772 zal uitH4480 het landH776 de namenH8034 der afgodenH6091, dat zij nietH3808 meerH5750 gedachtH2142 zullen worden; ja, ook de profetenH5030, en den onreinenH2932 geestH7307 zal Ik uitH4480 het landH776 wegdoenH5674.
En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
saith4
the LORD5
of hosts,6
that I will cut off7
the names9
of the idols10
out of the land,12
and they shall no more be remembered:14
and also I will cause the prophets18
and the unclean21
spirit20
to pass22
out of the land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En het zal geschiedenH1961, wanneer iemandH376 meerH5750 profeteertH5012, datH3588 zijn vaderH1 en zijn moederH517, die hem gegenereerdH3205 hebben, totH413 hem zullen zeggenH559: Gij zult nietH3808 levenH2421, dewijlH3588 gij valsheidH8267 gesprokenH1696 hebt in den NaamH8034 des HEERENH3068; en zijn vaderH1 en zijn moederH517, die hem gegenereerdH3205 hebben, zullen hem doorstekenH1856, wanneer hij profeteertH5012.
En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valsheid gesproken hebt in den Naam des HEEREN; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert.
KJV
And it shall come to pass, that when any4
shall yet prophesy,3
then his father8
and his mother9
that begat10
him shall say6
unto him, Thou shalt not live;12
for thou speakest15
lies14
in the name16
of the LORD:17
and his father19
and his mother20
that begat21
him shall thrust18
him through when he prophesieth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En het zal geschiedenH1961 te dien dageH3117, dat die profetenH5030 beschaamdH954 zullen worden, een iegelijkH376 van wege zijn gezichtH2384, wanneer hij profeteertH5012; en zij zullen geenH3808 harenH8181 mantelH155 aandoenH3847, omH4616 te liegenH3584;
En het zal geschieden te dien dage, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk van wege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen;
KJV
And it shall come to pass in that day,2
that the prophets5
shall be ashamed4
every one6
of his vision,7
when he hath prophesied;8
neither shall they wear10
a rough12
garment11
to deceive:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Maar hij zal zeggenH559: Ik ben geenH3808 profeetH5030, ikH595 ben een manH376, die het landH127 bouwtH5647; wantH3588 een mensH120 heeft mij daartoe geworvenH7069 van mijn jeugdH5271 aan.
Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan.
KJV
But he shall say,1
I am no prophet,3
I am an husbandman;5
for man10
taught me to keep cattle11
from my youth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En zo iemandH413 tot hem zegtH559: WatH4100 zijn dezeH428 wondenH4347 in uw handenH3027? zo zal hij zeggenH559: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagenH5221 ben, in het huisH1004 mijner liefhebbersH157.
En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.
Ook in dit vers
[wonden]H834
KJV
And one shall say1
unto him, What are these wounds4
in thine hands?7
Then he shall answer,8
Those with which I was wounded10
in the house11
of my friends.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZwaardH2719! ontwaakH5782 tegenH5921 Mijn HerderH7462, en tegenH5921 den ManH1397, Die Mijn MetgezelH5997 is, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635; slaH5221 dien HerderH7462, en de schapenH6629 zullen verstrooidH6327 worden; maar Ik zal Mijn handH3027 tot de kleinenH6819 wendenH7725.
Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
KJV
Awake,2
O sword,1
against my shepherd,13
and against the man6
that is my fellow,7
saith8
the LORD9
of hosts:10
smite11
the shepherd,
and the sheep15
shall be scattered:14
and I will turn16
mine hand17
upon the little ones.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En het zal geschiedenH1961 in het ganseH3605 landH776, spreektH5002 de HEEREH3068, de tweeH8147 delenH6310 daarin zullen uitgeroeidH3772 worden, en den geestH1478 geven; maar het derdeH7992 deel zal daarin overblijvenH3498.
En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.
KJV
And it shall come to pass, that in all the land,3
saith4
the LORD,5
two7
parts6
therein shall be cut off9
and die;10
but the third11
shall be left
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En Ik zal dat derdeH7992 deel in het vuurH784 brengenH935, en Ik zal het louterenH6884, gelijk men zilverH3701 loutertH6884, en Ik zal het beproevenH974, gelijk men goudH2091 beproeftH974; hetH1931 zal Mijn NaamH8034 aanroepenH7121, en IkH589 zal het verhorenH6030; Ik zal zeggenH559: Het is Mijn volkH5971; en hetH1931 zal zeggenH559: De HEEREH3068 is mijn GodH430.
En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God.
KJV
And I will bring1
the third part3
through the fire,4
and will refine5
them as silver8
is refined,6
and will try9
them as gold12
is tried:10
they shall call14
on my name,15
and I will hear17
them: I will say,19
It is my people:20
and they shall say,23
The LORD24
is my God.
dien dage
Te weten, als de Messias zal gekoemen zijn.
Hertaald:
dien dage
Namelijk wanneer de Messias gekomen zal zijn.
een Fontein
Of, springader, bronwel; dat is, de genade Gods van de vergeving der zonden door het bloed van Jezus Christus, in hetwelk wij gewassen zijn.
Hertaald:
een Fontein
Of: springader, bronwel; dat is: de genade van God in de vergeving van de zonden door het bloed van Jezus Christus, waarin wij gewassen zijn.
geopend zijn
Te weten, geopend zijnde, of wordende, door de predikatie van het heilig Evangelie.
Hertaald:
geopend zijn
Namelijk geopend door de prediking van het heilig Evangelie.
voor het huis Davids,
Dat is, voor de gelovige kinderen Gods.
Hertaald:
voor het huis Davids,
Dat is: voor de gelovige kinderen van God.
tegen de zonde
Dat is, tot afwassing der zonden en alle onreinheden uit en met de zonden ontstaande.
Hertaald:
tegen de zonde
Dat is: tot afwassing van de zonden en van alle onreinheden die uit en met de zonde ontstaan.
de onreinigheid
Het Hebr. woord betekent eigenlijk de afzondering vanwege de onzuiverheid der maandstonden, van welke gehandeld wordt Lev 12 , en Lev 15 .
Hertaald:
de onreinigheid
Het Hebreeuwse woord duidt eigenlijk de afzondering aan vanwege de onreinheid van de maandstonden, waarover gehandeld wordt in Lev. 12 en Lev. 15.
de namen
Dat is, alle afgoderij, alzo dat zij niet meer onder ulieden zal genoemd worden; verg. Ps. 16:4 ; Hos. 2:16 .
Hertaald:
de namen
Dat is: alle afgoderij, zodat die niet meer onder u genoemd zal worden; vergelijk Ps. 16:4; Hos. 2:16.
afgoden,
Van het woord afgoden zie 1 Sam. 31:9 .
Hertaald:
afgoden,
Over het woord afgoden, zie 1 Sam. 31:9.
de profeten,
Te weten, de valse profeten. Anders: [hunne] profeten, te weten der afgoden.
Hertaald:
de profeten,
Namelijk de valse profeten. Anders: hun profeten, namelijk die van de afgoden.
den onreinen geest
Dat is, de valse leraars, die een onreine leer drijven door ingeving van den bozen onreine geest, te weten, van den duivel. Verg. 1 Joh. 4:1-3 .
Hertaald:
den onreinen geest
Dat is: de valse leraars, die een onreine leer verkondigen door ingeving van de boze, onreine geest, namelijk van de duivel. Vergelijk 1 Joh. 4:1-3.
zal Ik uit het land wegdoen
Hetzij door straffe uitroeiing, Deu 13 , of door overreding tot verloochening van denzelven.
Hertaald:
zal Ik uit het land wegdoen
Hetzij door strenge uitroeiing, Deut. 13, hetzij door hen ertoe te bewegen die te verloochenen.
meer profeteert,
Te weten, valselijk, makende God tot een dekmantel zijner leugens; of wanneer iemand meer profeteert door ingeven van den onreinen geest.
Hertaald:
meer profeteert,
Namelijk vals, terwijl hij God tot een dekmantel van zijn leugens maakt; of wanneer iemand nog profeteert door ingeving van de onreine geest.
dat zijn vader en zijn moeder,
De zin is: Bij de gelovigen zal zulk een ijver zijn, dat zij geen valsen profeet of leraar zullen kunnen dulden noch lijden, alzo dat zelfs zijn eigen ouders of naaste bloedvrienden hem verwijzen zullen, achtervolgens de wet Gods; Deut. 13:6 , Deut. 13:8 .
Hertaald:
dat zijn vader en zijn moeder,
De betekenis is: bij de gelovigen zal zo'n ijver zijn dat zij geen valse profeet of leraar zullen kunnen dulden of verdragen, zodat zelfs zijn eigen ouders of naaste bloedverwanten hem zullen aanklagen, overeenkomstig de wet van God; Deut. 13:6, Deut. 13:8.
Gij zult niet leven,
Dat is, gij zijt niet wward dat gij leeft, gij behoort niet langer te leven; maar gij zijt waardig gedood te worden, achtervolgens de wet; Deut. 13:1 , enz.
Hertaald:
Gij zult niet leven,
Dat is: u bent het niet waard dat u leeft, u behoort niet langer te leven; integendeel, u verdient het gedood te worden, overeenkomstig de wet; Deut. 13:1, enzovoort.
zullen hem doorsteken,
Gedreven zijnde door een goddelijke ijver, zullen zij hem den rechters overleveren om gestraft te worden. Doch anderen menen dat het Hebr. woord hier betekent bestraffen, niet alleen met woorden, maar ook met harde slagen.
Hertaald:
zullen hem doorsteken,
Gedreven door een goddelijke ijver zullen zij hem aan de rechters overleveren om gestraft te worden. Maar anderen menen dat het Hebreeuwse woord hier bestraffen betekent, niet alleen met woorden maar ook met harde slagen.
profeteert
Te weten, valselijk.
Hertaald:
profeteert
Namelijk vals.
die profeten
Te weten, die valse profeten.
Hertaald:
die profeten
Namelijk die valse profeten.
beschaamd zullen worden,
Overtuigd zijnde van valse leer door klare licht der waarheid en van hun eigen ouders.
Hertaald:
beschaamd zullen worden,
Doordat zij van valse leer overtuigd worden door het heldere licht van de waarheid en door hun eigen ouders.
zijn gezicht,
Dat is, zijn valse profetie.
Hertaald:
zijn gezicht,
Dat is: zijn valse profetie.
geen haren mantel aandoen,
Gelijk eertijds Elia gedaan heeft, 2 Kon. 1:8 , en Johannes de Doper, Matt. 3:4 ; verg. Jes. 20:2 . Dir deden de valse profeten, om hunne woorden des te groter schijn van heiligheid te geven.
Hertaald:
geen haren mantel aandoen,
Zoals Elia vroeger gedaan heeft, 2 Kon. 1:8, en Johannes de Doper, Matth. 3:4; vergelijk Jes. 20:2. Dit deden de valse profeten om hun woorden des te meer schijn van heiligheid te geven.
hij zal zeggen
Dat is, een iegelijk dezer profeten.
Hertaald:
hij zal zeggen
Dat is: ieder van deze profeten.
ik ben een man,
Alsof hij zeide: Ik heb dit beroep verlaten, de landbouwerij is de hantering, die ik geleerd en gedaan heb van mijne jeugd aan, daar heb ik mij wederom toe begeven.
Hertaald:
ik ben een man,
Alsof hij zei: ik heb dat beroep verlaten; de landbouw is het vak dat ik van jongs af geleerd en beoefend heb, en daartoe heb ik mij weer begeven.
een mens heeft mij daartoe geworven
Of, men heeft mij gesteld over het vee, of het vee leren opvoeden, enz. of want men heeft mij geleerd met het vee om te gaan, enz.
Hertaald:
een mens heeft mij daartoe geworven
Of: men heeft mij over het vee aangesteld, of: mij het vee leren opfokken, enzovoort; of: want men heeft mij geleerd met het vee om te gaan, enzovoort.
Wat zijn deze wonden in uw handen?
Dat is, wat beduiden deze wonden? Hebr. slagen; dat is, littekenen van wonden; verg. 1 Kon. 18:28 ; in uwe handen. Versta hierbij, en ook verder, in uw lichaam. Of, aldus: Waarom zijn deze wonden in uwe handen? Zo zal hij zeggen: omdat ik geslagen ben, enz.
Hertaald:
Wat zijn deze wonden in uw handen?
Dat is: wat betekenen deze wonden? Hebreeuws: slagen; dat is: littekens van wonden; vergelijk 1 Kon. 18:28. In uw handen — vul hierbij aan: en ook verder in uw lichaam. Of aldus: waarom zijn deze wonden in uw handen? Dan zal hij zeggen: omdat ik geslagen ben, enzovoort.
mijner liefhebbers
Dat is, dergenen die mij liefhebben of beminnen, te weten, mijne ouder of naaste vrienden, die door harde slagen [daar ik nog de littekenen van draag] mij hebbe afgewend en afgehouden van leugens te spreken en van valse profetieën. Men zegt gemeenlijk, harde slagen leren wel, en tot een harden knoest moet men een scherpen beitel gebruiken.
Hertaald:
mijner liefhebbers
Dat is: van hen die mij liefhebben, namelijk mijn ouders of naaste vrienden, die mij door harde slagen — waarvan ik nog de littekens draag — afgewend en afgehouden hebben van het spreken van leugens en van valse profetieën. Men zegt gewoonlijk: harde slagen leren wel, en voor een harde knoest moet men een scherpe beitel gebruiken.
Zwaard
Dewijl in het naastvoortgaande vers gezegd is hoe de valse profeet van zijn eigen vriend is behandeld, zo neemt de Heere, namelijk God de Vader, daaruit aanleiding om te voorzeggen hoe Christus zijn lieve Zoon en opperste Herder, alsof Hij ook een valse profeet ware, geslagen en omgebracht zou worden. Doch zulks zou niet bij geval geschieden, maar naar zijn goddelijke ordinantie. Verg. Matt. 26:31 ; Joh 14; Joh 16; Joh 18; Hand. 2:23 ; Hand. 4:28
Hertaald:
Zwaard
Omdat in het vorige vers gezegd is hoe de valse profeet door zijn eigen vrienden behandeld is, neemt de HEERE — namelijk God de Vader — daaruit aanleiding om te voorzeggen hoe Christus, Zijn lieve Zoon en opperste Herder, geslagen en omgebracht zou worden alsof Hij ook een valse profeet was. Maar dat zou niet bij toeval gebeuren, maar naar Zijn goddelijke beschikking. Vergelijk Matth. 26:31; Joh. 14, Joh. 16 en Joh. 18; Hand. 2:23; Hand. 4:28.
Die Mijn Metgezel is,
Namelijk mijn eniggeboren Zoon, eenswezens met mij.
Hertaald:
Die Mijn Metgezel is,
Namelijk Mijn eniggeboren Zoon, van hetzelfde wezen als Ik.
de kleinen
Door de kleinen worden hier verstaan de discipelen van Christus, die eenvoudige onaanzienlijke mannen waren, van wie Christus tot degenen, die Hem vingen, zeide: Zoekt gij mij, zo laat dezen gaan. En nadat zij verstrooid waren, heeft hen de Heere wederom vergaderd, Joh. 18:8 . Doch men kan hier ook door de kleinen verstaan de uitverkoren kinderen Gods, die klein zijn voor de ogen der wereld; zie Matt. 18:10 , Matt. 18:14 .
Hertaald:
de kleinen
Onder de kleinen worden hier de discipelen van Christus verstaan, die eenvoudige, onaanzienlijke mannen waren en van wie Christus tegen hen die Hem gevangennamen zei: als u Mij zoekt, laat dezen dan gaan. En nadat zij verstrooid waren, heeft de Heere hen weer verzameld, Joh. 18:8. Maar men kan hier onder de kleinen ook de uitverkoren kinderen van God verstaan, die klein zijn in de ogen van de wereld; zie Matth. 18:10, Matth. 18:14.
wenden
Te weten, om hen te verzamelen en in het geloof te sterken. Van de manier van spreken zie Ezech. 38:12 . Anders: En Ik zal mijne hand tegen de kleinen wenden; die mede vervolging zullen lijden gelijk hunne herders.
Hertaald:
wenden
Namelijk om hen te verzamelen en in het geloof te versterken. Zie over deze manier van spreken Ezech. 38:12. Anders: en Ik zal Mijn hand tegen de kleinen keren, die ook vervolging zullen lijden zoals hun herders.
de twee delen
Hebr. de mond van tweën, gelijk Deut. 21:17 ; dat is, de twee delen. De zin is: dat verre het grootste deel der mensen zou verworpen worden en in zijne zonden en ongeloof blijven liggen en bederven; de klienste hoop zal zalig worden. Zie Matt. 7:13 ; Luc. 8:5 , enz.
Hertaald:
de twee delen
Hebreeuws: de mond van twee, zoals Deut. 21:17; dat is: de twee delen. De betekenis is dat verreweg het grootste deel van de mensen verworpen zou worden en in hun zonden en ongeloof zou blijven liggen en verderven; de kleinste groep zal zalig worden. Zie Matth. 7:13; Luk. 8:5, enzovoort.
den geest geven;
Verg. zoveel de betekenis van het woord verlangt, Gen. 6:17 , en Num. 17:12-13 .
Hertaald:
den geest geven;
Vergelijk, voor zover de betekenis van het woord dat toelaat, Gen. 6:17 en Num. 17:12-13.
het derde deel
Te weten, die Ik uit genade zal verschonen en sparen.
Hertaald:
het derde deel
Namelijk zij die Ik uit genade zal sparen en verschonen.
dat derde deel
Te weten, dat derde deel, hetwelk mijne uitverkorenen zijn.
Hertaald:
dat derde deel
Namelijk dat derde deel, dat Mijn uitverkorenen zijn.
in het vuur brengen,
Versta hier, het vuur der vervolging en van het kruis. Zie Jes. 1:25 , en Jes. 48:10 ; 1 Petr. 1:7 .
Hertaald:
in het vuur brengen,
Versta hier het vuur van de vervolging en van het kruis. Zie Jes. 1:25 en Jes. 48:10; 1 Petr. 1:7.
het zal Mijn Naam aanroepen,
Het derde deel. De zin is: Een iegenlijk dezer uitverkorenen, die Ik alzo zal beproefd hebben, zal mijnen naam aanroepen, enz.
Hertaald:
het zal Mijn Naam aanroepen,
Namelijk het derde deel. De betekenis is: ieder van deze uitverkorenen, die Ik zo beproefd zal hebben, zal Mijn Naam aanroepen, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid" (Zach. 13:1). Bijbelse betekenis: Merk op de plaats van dit vers: direct na de rouwklage over Hem Die doorstoken werd (reeds behandeld bij Zach. 12:10). De rouw is niet het laatste woord; er volgt onmiddellijk reiniging. Let vervolgens op voor wie deze Fontein geopend wordt: niet alleen voor het gewone volk, maar uitdrukkelijk ook voor het huis Davids — zelfs de koninklijke lijn zelf heeft reiniging nodig. Let ten slotte op de twee dingen waartegen de Fontein werkt: de zonde en de onreinigheid — schuld en besmetting, beide weggenomen door dezelfde bron. Typologie: Dat reiniging rechtstreeks voortvloeit uit wat er met de Doorstokene gebeurde, wordt bevestigd waar uit Zijn doorstoken zijde bloed en water vloeiden (reeds behandeld bij Joh. 19:34). Zach. 12:10; Zach. 13:1; Joh. 19:34 "Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden" (Zach. 13:7). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier wordt aangesproken: niet de Herder Zelf, maar het zwaard, dat wordt opgeroepen om te ontwaken. Let vervolgens op de twee aanduidingen van deze Herder: Mijn Herder en den Man, Die Mijn Metgezel is. Dat is een nabijheid tot de HEERE Zelf die het vers een bijzondere diepte geeft. Let ten slotte op de twee gevolgen die na elkaar genoemd worden: eerst verstrooiing van de kudde wanneer de Herder geslagen wordt. Dan toch een belofte — Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden — de kleinsten worden niet aan hun lot overgelaten. Typologie: De Heere Jezus haalt dit vers rechtstreeks op Zichzelf aan, vlak voor Zijn gevangenneming: "Gij zult allen aan Mij geergerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden" (Matt. 26:31). Zach. 13:7; Matt. 26:31 "En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven" (Zach. 13:8). Wat er met dat overblijfsel gebeurt: "En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren" (Zach. 13:9). Bijbelse betekenis: Merk op de verhouding die genoemd wordt: twee derde gaat verloren, één derde blijft over — geen kleine rest, maar ook geen ongeschonden geheel. Let vervolgens op de twee beelden voor wat dat overblijfsel te wachten staat: louteren gelijk zilver, beproeven gelijk goud — beide processen die onzuiverheden wegbranden zonder het edele metaal zelf te vernietigen. Let ten slotte op het resultaat in Zach. 13:9: een volk dat Zijn Naam aanroept, en een God Die antwoordt, en de wederzijdse belijdenis die daarop volgt: Het is Mijn volk... De HEERE is mijn God. Typologie: Datzelfde beeld van vuur dat beproeft zonder te vernietigen wat echt is, gebruikt Paulus voor het werk dat op het fondament Christus gebouwd wordt: "de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven" (1 Kor. 3:13). Zach. 13:8-9; 1 Kor. 3:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het hoofdstuk gaat over valse profeten die ontmaskerd worden en zich schamen voor hun wonden. En dan keert het ineens om, en spreekt God over Iemand Die geslagen wordt zonder dat Hij vals is. God roept het zwaard op tegen Zijn eigen Herder — en noemt Hem in dezelfde adem Zijn Metgezel. Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder. Het zwaard is Gods eigen zwaard, het werktuig van Zijn gericht, en het wordt opgeroepen tegen Iemand Die Hij Mijn Herder noemt. De kanttekening legt het verband met het voorgaande: omdat er gezegd is hoe de valse profeet door zijn eigen vrienden behandeld werd, neemt de HEERE daaruit aanleiding om te voorzeggen hoe Christus, Zijn lieve Zoon en opperste Herder, geslagen en omgebracht zou worden alsof Hij ook een valse profeet was. En dan die aanduiding: den Man, Die Mijn Metgezel is. De kanttekening zegt zonder omhaal wat dat inhoudt: namelijk Mijn eniggeboren Zoon, van hetzelfde wezen als Ik. Daar staan de drie dingen bij elkaar die nergens anders zo dicht op elkaar staan: het zwaard van God, de Herder, en Iemand van hetzelfde wezen. Christus haalt dit vers aan op de weg naar Gethsémané. Hij zegt tegen Zijn discipelen dat zij allen in dezen nacht aan Hem geërgerd zullen worden, want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. En zo gebeurde het, nog diezelfde nacht. Het slot van het vers is echter geen verstrooiing maar zorg: maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. De kanttekening verstaat daaronder de discipelen, eenvoudige en onaanzienlijke mannen, van wie Christus tegen Zijn gevangennemers zei: indien gij Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. En na de verstrooiing heeft de Heere hen weer verzameld. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 26:31, 56; Markus 14:27; Johannes 18:8; Johannes 10:11
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken op zondagmorgen 22 januari 1871, door C.H. Spurgeon, in de Metroplotan Tabernacle. Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van… En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft;… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 13
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Sla dien Herder — 13:7-9
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
De geopende Fontein
Gelouterd door het vuur


Zacharia 13
Zacharia 13:1.KruisverwijzingenPsalmen 51:2→Ezechiël 36:25→1 Korinthe 6:11→Johannes 1:29→Zacharia 12:3→Jesaja 1:16→Psalmen 51:7→1 Johannes 5:6→
— Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.
“Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.”
Wat is deze fontein die geopend heet te zijn, en wanneer en hoe werd zij geopend? Het is een fontein die voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem geopend is, tegen de zonde en tegen de onreinheid.
De zegen waarover hier gesproken wordt, gaat over de grootste kwaden waaraan het menselijk geslacht onderworpen is: de zonde en de onreinheid. Wij zijn allen gevallen, en wij hebben onze val allen door onze zondige praktijk bewezen. De zonde heeft ons van God gescheiden en Zijn goddelijke toorn over ons gebracht. En de onreinheid, die een neiging is om in de zonde te blijven, verhindert ons tot onze hemelse Vader terug te keren en opnieuw in gemeenschap met Hem te treden.
Dit grote kwaad in zijn dubbele gestalte wordt naar de tekst door God uitdrukkelijk onderkend. Er wordt niet door de vingers naar gezien; het wordt niet als een kleinigheid behandeld die maar blijven mag. En toch mogen wij door God geliefd zijn en gelukkig wezen, want er is voorziening gemaakt om dat kwaad weg te nemen. De tekst zegt niet dat de vuilheid bedekt wordt of dat de overtreding verontschuldigd wordt. Hij zegt dat er een fontein geopend is tot werkelijke wegneming van de zonde en de onreinheid.
In het evangelie speelt God nooit met de zonde van de mens. Wij verkondigen volle, vrije en onmiddellijke vergeving aan de grootste van de zondaars, maar niet op een manier die ons de zonde in Gods achting gering doet achten. Door het offer van Zijn Zoon maakt God het Zichzelf mogelijk barmhartig te zijn zonder onrechtvaardig te wezen. In de plaatsvervanging van Christus Jezus zien wij hoe het recht en de barmhartigheid elkaar in vrede omhelzen en elkaar dubbele eer bewijzen.
Zij zullen die vergeving zien wanneer zij hun zonde waarlijk gezien hebben. Wordt eenmaal de vuilheid van hun overtreding bemerkt, dan wordt ook de fontein van de reiniging bemerkt. Niemand kent ooit de kostbaarheid van het door God gegeven geneesmiddel voordat hij de kracht van de verschrikkelijke ziekte gevoeld heeft. Niemand duikt door het geloof in de kristallen fontein van de volkomen reiniging zonder eerst de vuilheid te bewenen die weggenomen moet worden.
Zacharia 13:2.KruisverwijzingenJeremia 23:14→1 Koningen 22:22→Hosea 2:17→Ezechiël 36:25→Ezechiël 30:13→Exodus 23:13→Mattheüs 12:43→Sefanja 1:3→
— En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.
Waar vergeving is, is zeker ook heiligmaking. De afgoden moeten vallen en de valse profeten moeten weg. Wij kunnen niet onze zonden houden én een Zaligmaker hebben. Hebben wij Christus om onze zonde uit te wissen, dan moeten wij diezelfde Christus ook hebben om de zonde zelf weg te nemen. Dat wil zeggen: haar gezag, haar kracht en haar heerschappij over ons.
Zacharia 13:3.KruisverwijzingenDeuteronomium 13:6→Deuteronomium 18:20→Mattheüs 10:37→Lukas 14:26→2 Korinthe 5:16→Ezechiël 14:9→Deuteronomium 33:9→Exodus 32:27→
— En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valsheid gesproken hebt in den Naam des HEEREN; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert.
Zo hevig zal de afkeer van valse profeten zijn, dat mensen zelfs hun eigen kinderen niet zullen sparen. Zij zullen een gruwel aan hen hebben wanneer die opstaan tegen de HEERE der heirscharen en tegen Zijn waarheid.
Zacharia 13:4.Kruisverwijzingen2 Koningen 1:8→Jesaja 20:2→Mattheüs 3:4→Micha 3:6→Jeremia 2:26→Jeremia 6:15→Openbaring 11:3→Markus 1:6→
— En het zal geschieden te dien dage, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk van wege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen;
Zij zullen dit goddeloze beroep meteen en voorgoed opgeven. Iemand die zich uitgaf voor een voorspeller van de toekomst, laat na zijn bekering dat kwade beroep varen. Zo mogen bekeerde mensen nooit in gezelschap zijn van hen die met de geesten van de doden omgaan en toverij en dergelijke gruwelen bedrijven. Alles van die soort moet door godvruchtige mensen verafschuwd worden, en zij moeten er zich met heilige afschuw en weerzin van afkeren.
Zacharia 13:5-6.KruisverwijzingenAmos 7:14→Handelingen 19:17→Spreuken 27:5→1 Koningen 18:28→Psalmen 22:16→Johannes 19:14→Johannes 18:35→Openbaring 13:16→
— Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan. En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.
Wat zijn deze tekenen van de afgoden? Bent u er niet mee gebrandmerkt? Behoorde u niet tot dat vervloekte gezelschap dat afgoden dient en de tekenen ervan in de handen ontvangt?
De afgodendienst zal zo’n verfoeilijke zaak worden, dat hij liever wat anders zegt dan te bekennen dat hij ooit iets met afgoden te doen gehad heeft. Juist die tekenen waarin de valse profeten zich eens beroemden, zullen zij verfoeien.
Nu dan, broeders: aangezien de heidense profeten in hun lichaam de tekenen van hun goden ontvingen, verstaan wij iets van wat Paulus bedoelde toen hij aan de Galaten schreef: “Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de merktekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.” Hij beschouwde de striemen van de gesel, waarmee hij om Christus’ wil telkens weer geslagen was, als bewijzen dat hij Jezus toebehoorde. Zij tekenden hem met het merk van de grote Koning, zodat alle mensen konden weten dat hij aan Hem en aan Zijn dienst toegewijd was.
Zacharia 13:7-8.KruisverwijzingenMarkus 14:27→Jesaja 40:11→Mattheüs 26:31→Zacharia 11:7→Jeremia 23:5→Micha 5:2→Ezechiël 37:24→Jeremia 47:6→
— Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.
“Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”
Zo heeft God in de tijden van Zijn hevigste oordelen een overblijfsel naar de verkiezing van de genade dat aan het zwaard ontkomen zal. En dat is omdat dat zwaard opgewekt is tegen Hem Die hun Vertegenwoordiger en hun Borg was, en Die als Plaatsvervanger in hun plaats stond.
Zacharia 13:9.KruisverwijzingenJesaja 48:10→Psalmen 50:15→1 Petrus 1:6→Jeremia 29:11→Zacharia 10:6→Jesaja 65:23→Maleachi 3:2→1 Petrus 4:12→
— En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God.
Behouden, maar zo als door vuur. Dat is in zekere zin waar van alle rechtvaardigen. Zij zullen zeker behouden worden. En al zouden de vuren van de vervolging om hen heen woeden, de HEERE zal hen door het vuur heen brengen. Zij zullen er niet in vergaan, maar er zelfs goed uit trekken.
Bent u Gods volk, dan zult u zeker beproefd en getoetst worden. Zo zeker als God u in het derde deel gezet heeft dat Hij behouden zal, zo zeker heeft Hij ook beschikt dat u door het vuur zou gaan. U zult, van binnen en van buiten, dat ondervinden wat uw oprechtheid toetst en bewijst of uw geloof van goddelijke oorsprong is of niet. Er is geen gemakkelijke weg naar de hemel.
En toch zijn wij die in Jezus geloven geen ongelukkig volk. Het karakter van Gods heiligen is nog altijd naar de tegenstellingen van Paulus. Als bedroefd, maar toch altijd blijde. Als arm, maar toch velen rijk makend. Als niets hebbend, en toch alles bezittend.
Wat een kostbaar zinnetje is dat: zij zullen Mijn naam aanroepen! En God zal hun gebed horen: en Ik zal hen verhoren. Het “zij zullen” en het “Ik zal” staan hier dicht bij elkaar, en het ene is even zeer het werk van Gods genade als het andere.
Let op die snelle antwoorden, die weerklanken als het ware. Zij roepen en God hoort. God spreekt en zij antwoorden. God zegt: het is Mijn volk. Zij antwoorden: de HEERE is mijn God. Welgelukzalig bent u wanneer u in deze weerklanken van het hart mee kunt doen, of met de bruid kunt zeggen: mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn. Is er tussen u en de allerheerlijkste Heere die wederkerige wisseling van liefde? Zo ja, driemaal gelukkig bent u. En zo niet, dan geve God dat u haastig in deze verborgenheid van de HEERE mag ingaan.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Zulk een diep boetvaardig smeken van Israël zal de Heere daarmee beantwoorden, dat Zijne vernieuwende genade op het rijkelijkst op hen afstroomt. Te dien dage zal er ene fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, d. i. het gehele volk Israël (Hoofdst. 12:10), ene vrije, voor ieder toegankelijke, vroeger verborgene en geslotene, maar nu door des Heeren ontferming opene, onuitputtelijke, onverdroogbare fontein, uit welke zij de zonden delgende reinigende en heiligende genade Gods tegen demenigvuldige, dagelijkse zonde in woorden en werken, en tegen deaangeborene onreinigheid, uit welke die dagelijkse overtredingen geboren worden, zo rijkelijk zullen putten, als men water put uit ene steeds springende bron, om uitwendige bevlekking en onreinheid af te wassen. Wat anders kan deze fontein wezen dan het dierbaar bloed van den Zoon Gods, die ons wast en reinigt van alle zonden, het bloed, waarin zich voor ons de onpeilbare zee der liefde en genade Gods ontdekt, het bloed, waarmee wij besprengd en gereinigd worden, waarmee wij onze gewetens dagelijks opnieuw besprengen en afwassen, dat zulk ene kracht en sterkte heeft, dat aan klein droppeltje de gehele wereld kan reinigen, ja geheel en al uit des duivels muil kan verlossen. Het beeld van de fontein is ontleend, deels aan het water, dat voor de reiniging der Levieten bij hun wijding werd gebruikt, en in Num. 8:7 het water der ontzondiging heet, deels van het water der besprenging, dat van de offeras der rode koe tot reiniging van onreinheid des doods bereid was, en in Num. 19:9 “het water der afzondering, ” dat is onreinheid delgend water genoemd wordt. Evenals de lichamelijke onreinheid beeld der geestelijke onreinheid, van besmetting der zonde is (Ps 51:9), zo is het aardse water der besprenging symbool van het geestelijk water, dat de zonde uitdelgt (1 Joh 1:7; 5:6), van de genade Gods in Christus Jezus, in wien wij hebben de verzoening met God, namelijk de vergeving der zonden. De fontein is het beeld der vreugde (Ps. 87:7). In tijden van algemene vreugde springen de fonteinen. Na het laatste rouwfeest komt het eeuwig vreugdefeest. De Geest der genade en der gebeden werkt niet enkel droefheid naar God, en daarmee een onberouwelijk berouw, maar Hij geeft ook het leven en de vreugde. Waar vergeving van zonden is, daar is blijdschap. De fontein is het beeld van het onophoudelijke en altijd verse en nieuwe dezer blijdschap. Gelijk ene fontein hare wateren rusteloos uitstort over alles, wat zich onder haar stelt, zo de genade Gods in Christus. De fontein is dan ook ene beminde zaak in de Schrift. God wordt in de Schrift verheerlijkt als de Schepper, niet enkel van de zee, maar van de fonteinen der wateren; ja in de Openbaring van Johannes valt de zee eenmaal weg, maar de fonteinen en rivieren blijven. Al het zout water verdwijnt, al het zoete blijft over. Welk een heerlijke fontein, niet waar? Zulk ene fontein vindt men niet in de natuur, maar in de Schrift alleen, en zalig die haar daarin wil naderen, om in hare uitstromende wateren zich te baden en te wassen. Zeker dichter laat een koningsmoorder zeggen: “Al wies ik mijne bebloede handen in de zee, zij zouden er niet wit, maar de zee zou er rood van worden” Ook wij delen, al worden wij rein, onze onreinheid aan het natuurlijk water mede; doch het water uit deze fontein maakt rein en wordt zelf niet onrein. Ja, zo is het geestelijke. Wij zijn onrein. Wij kunnen niet tot God komen, daarom komt God tot ons, Zich openbarende in het vlees, opdat wij Hem zouden kunnen zien en horen, en Hij raakt den melaatse aan, en deelt hem Zijne reinheid mede, zonder zelf onrein te worden. Het water is door geheel de schrift heen het beeld van de zuivering van zonde. Wat zou ons ook kunnen reinigen dan water? Dopen en wassen is in de Schrift hetzelfde. De Priesters moesten zich, alvorens Gode te naderen, met offeranden of met andere diensten in het daartoe gestelde wasvat wassen, opdat zij niet stierven. Johannes de Doper, de zoon eens Priesters, en dus zelf een Priester, werd in plaats van naar het door mensen gemaakte wasvat in den tempel, uitgezonden in den groten tempel der natuur, naar de wateren, die God laat stromen; naar de oevers van den Jordaan, om daar te dopen en te laten wassen allen, die als Priesters Gods het heilige wilden ingaan om God te dienen; en de grote Hogepriester kwam ook in plaats van tot het wasvat des tempels, tot het wasvat van Gods schepping, om er den doop in te ontvangen. Reeds dit was ene overbrenging van den tempel en zijne ware omgeving tot de aarde en haren gehelen omvang. Trouwens, God begint altijd met het allereenvoudigste en kleine, en eindigt met het hoogste en grootste, ja oneindige. Zeker moesten de gedurige wassingen Israël ook tot een uitwendig rein, zindelijk volk maken, want wat is in het oosten meer nodig dan zindelijkheid? In het land der melaatsheid en der pest kwam alles aan op reinheid en rein houden. Tot zelfs de spijswetten stonden hiermede bij Israël in verband. Al wat afkomstig was van in onreinheid levende of van onrein voedsel levende dieren, met al wat bloed verhittend en bloed bedervend was, werd door de wet van God verboden. Doch de Farizeën, die altijd aan Gods Woord hun eigen woord toevoegden, vermenigvuldigden de wassingen zozeer, dat het gene wassingen meer konden zijn, maar blote indompelingen in het water, of voor wat daar niet vatbaar voor was, blote besprengingen met enkele druppels water. Zo meent de mens meer te moeten doen dan God wil, en juist daardoor doet hij minder. Doe niets, dan wat God u gebiedt, maar doe dit goed; daarbij vergaten de Farizeën, dat het Gode niet te doen is om de lichamelijke reinheid alleen, maar om de reinheid des harten, waarvan de lichamelijke reinheid het beeld moet zijn. God wil met al deze verordeningen van wassing en doping niets anders zeggen dan: “gelijk gij mensen een afkeer hebt van een ongewassen aangezicht, zo heb ik een afkeer van een ongewassen zondaar. ” Voorts was er ook ene wassing of zuivering door olie. Deze hebben ook wij nog op bijzondere wijze toebereid. Er was ook ene zuivering door vuur: Het vuur reinigt inwendig. De vereniging der zuivering door het water en door vuur maakt sommige dingen volkomen. Wat eisen onzen groenten allereerst? Water, om ze te reinigen, en vervolgens? Vuur om ze te stoven. Door het water worden zij uitwendig, door het vuur innerlijk van alle schadelijke bestanddelen gezuiverd. Er is echter ook ene zuivering door bloed. Door bloed? vraagt gij wellicht met bevreemding. Zeker, voor de wereld is dit de grootst mogelijke dwaasheid en ergernis tegelijk. Zij houdt integendeel het bloed voor bevlekkend, en tracht het daarom overal af te wissen, waar zij het vindt, tot zelfs het bloed van Jezus Christus; ziet zij dit op u, terstond strekt zij de hand uit om het van u weg te doen. Zij spare zich de moeite! Zalig de ziele, die besprengd is met het bloed van Jezus Christus, want zij is daarmee onbevlekt voor God. Zeker, het natuurlijk bloed van Jezus Christus reinigt onze ziel van zonden. Het bloed vertegenwoordigt de offerande, en daarom is het volkomen hetzelfde, of gij zegt: het bloed, òf: de offerande van Jezus Christus is de verzoening der zonde en reinigt ons van onze zonden. Het uitgestorte bloed vertegenwoordigt het uitgestorte leven, de ziele; en de ziele van Christus, zijn leven, is gegeven tot een rantsoen, tot een losprijs, tot ene betaling, tot ene voldoening van zovelen, als er door Hem tot God gaan. En waarom is Zijne voldoening alleen voldoende voor die allen? Omdat één, vermenigvuldigd met oneindig, ene oneindigheid is. Zijne volmaakte Godheid en mensheid in de eenheid Zijns persoons, maken Zijne offerande tot ene algenoegzame verzoening der zonden, al waren er ook nog duizende millioenen mensen meer, dan er zijn, die de verzoening nodig hebben. Daarom zegt de Schrift: God heeft Zijne gemeente verkregen door Zijn bloed (Hand. 20:28); en laten de ongelovigen er nu over redeneren zoveel zij willen, wegredeneren kunnen zij het evenmin, als zij de zon uit het firmament kunnen wegnemen. God gaf in den Zoon Zichzelven, en daarmee in Zijne liefde tot Zijne Kerk, leven voor leven.
Waar echter vergeving der zonden is, daar volgt noodzakelijk een nieuw leven in gerechtigheid en heiligheid. De Heere zelf zal dan alles wegnemen wat de heiliging van Zijn volk zou kunnen hinderen. En het zal te dien dage, wanneer Israël zijne zonde erkent, en vergeving verkrijgt door het bloed van Hem, dien zij doorstoken hebben, geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land, waarin Mijn volk woont, de namen der afgoden 1), dat niet één ze meer zal aanbidden, ja zijzelfs niet meer gedacht zullen worden, maar ieder Mij alleen vrezen, Hij alleen van ganser harte liefhebben zal; ja ook de valse Profeten, die Mijn volk door hun leugenen uit hunnen eigen geest van Mijne zuivere waarheid en gerechtigheid konden zoeken af te keren, en den onreinen geest, die tot het rijk des duivels behoort, dat op aarde zoekt te bevorderen, in de valse Profeten werkzaam is en leugenen ingeeft (1 (Kon. 22:21 vv. Openb. 16:13 v.), zal Ik uit het land wegdoen, zodat de afval van Mijn volk geen voedsel meer zal krijgen en geheel zal ophouden.
De Profeet handelt in de gehele afdeling: Hoofdst. 12:1-13 :6 niet over zijn heden, maar over die toekomst, welke voor Israël daarmee zal beginnen, dat het zijnen Middelaar verwerpt, en gedurende welke het aan de macht der boze herders (Hoofdst. 11:15 v. zal zijn prijsgegeven. Volgens de veronderstelling van den Profeet zal die verkeerdheid van Israël, tengevolge van welke het zijnen Middelaar verwierp volgens inwendige noodzakelijkheid tot dat toppunt stijgen, dat zij vóór de straf der ballingschap bereidt had, zodat het voor een groter of kleiner deel van zijne leden weer tot de dwaasheid van afgoderij zal vervallen. Moge ook onze tegenwoordige tijd er nog niet uitzien alsof deze veronderstelling van den Profeet zou worden vervuld, zo mag ons dit toch niet bewegen, om van de meest voor de hand liggende en alleen natuurlijke opvatting van den profetischen tekst volgens zijn zamenhang af te wijken. Te minder is zulk ene afwijking veroorlooft, daar het profetische oord ook overigens aanneemt, dat de mensheid ondanks den hogen stand van maatschappelijke en verstandelijke ontwikkeling, de toenemende beschaving toch tot ene zedelijke barbaarsheid zal vervallen, zodat het weer tot enen formelen afgodendienst komt (Openb. 9:20; 13:3; 14:15 Onder de afgoden, welke men dan zal vereren, behoeft men echter niet noodzakelijk Fetischen te verstaan, ook de verering van het genie en de onbeperkte heerschappij, welke men aan algemeen verbreide goddeloze ideeën inruimt, zodat men daaraan zelfs leven en ziel opoffert, is niet alleen afval van den Heere, maar ook grove afgodendienst. Gelijk de Geest Gods ene fontein is tegen de zonde en de onreinheid, zo zijn onreine geeesten als vuile wateren, welke ieder bezoedelen, die zijn kleed daarmee nat maakt.
En het zal geschieden, dat wanneer iemand meer profeteert, ieder zal weten, dat ten tijde der bekering van het gehele volk, overeenkomstig des Heeren belofte, niemand meer een ander zal leren, dat allen van den Heere zullen geleerd zijn (Jer. 31:34, Jes. 54:13 dat dus ieder, die voorgeeft een Profeet des Heeren te zijn, een bedrieger, een leugenprofeet, een lasteraar van den naam des Heeren moet zijn. Het zal zelfs zijn, dat zijn eigen vader, en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, ondanks hun natuurlijke liefde, in heiligen toorn tot hem, dien profeterende, zullen zeggen: Gij zult niet leven, gij moet sterven, dewijl gij valsheid gesproken hebt in den naam des HEEREN; en zijn vader en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem, overeenkomstig des Heeren bevel (Deut. 13:6-11; 18:20), dat ieder die tot afgoderij verleidt of door den leugengeest profeteert, den dood moet sterven, doorsteken, wanneer hij profeteert. Hoewel de wet de volvoering der straf aan eigen ouders niet beveelt, zo zal toch zozeer de ijver voor den Heere hen allen doordringen en boven alles gaan.
Ja zelfs diegenen, welke vóór de uitstorting des Geestes het meest in goddeloosheid waren weggezonken, zullen zich van harte tot den Heere bekeren, en zich over hunnen vorigen wandel schamen. En het zal geschieden te dien dage, dat die Profeten, die vóór de uitstorting van den Geest der genade (Hoofdst. 12:10) den geest der leugen hebben gediend, en valse leer hebben verkondigd, beschaamd zullen worden, een iegelijk van wege zijn gezicht, wanneer hij profeteert, dat hij vroeger had, of door de werking en macht van den bozen geest, of dat hij voorgaf om de onkundigen te bedriegen, en op een dwaalweg te leiden, en zich zelven te beroemen; en zij zullen een zo diepen afkeer hebben van die vroegere zonde van leugenprofetie, dat zij genen haren mantel meer aandoen, zo als de Profeten gewoon zijn dien te dragen (2 Kon 1:8. Jes. 20:2. Matth. 3:4. Hebr. 11:37. Openb. 11:3 zij zullen gene poging meer aanwenden om te liegen, maar er van gruwen. Het haren gewaad, d. i. een uit ongelooide vellen vervaardigde mantel, werd gehouden voor een teken van afstand van werelds genot, om in strenge onthouding uitsluitend voor den dienst van God te leven.
Maar hij zal, opdat bij niemand de verdenking oprijze, dat hij nog tot de Profeten zou willen geteld worden, openlijk en tot ieder zeggen: Ik ben geen Profeet, ik gaf mij niet met Profeteren af, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe als lijfeigene, als knecht, geworven van mijne jeugd aan, de stand van knecht sluit dien van Profeet geheel uit. Zo zal hij uit schaamte en uit vrees voor schande liever tot ene leugen zijne toevlucht nemen, en zich den aller geringsten en verachtsten stand toeschrijven, dan bekennen dat hij die goddeloze bezigheid had.
En zo iemand, juist omdat hij zo ongevraagd bij ieder verzekert, dat hij geen Profeet is geweest, tot hem zegt: Maar wat zijn deze wonden en striemen in uwe handen, en verder op uwe armen? Zijn dat gene duidelijke sporen van zelfverwondingen, zoals valse Profeten vóór en bij hun voorzegging zich gewoonlijk toebrachten (1 (Kon. 18:28)? zo zal hij zeggen, tot ene ongeloofwaardige uitspraak zijne toevlucht nemende: Het zijn de wonden, waarmee ik in mijne jeugd geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers 1).
Sommige goede uitleggers merken aan, hoe schielijk dit komt, na de melding van Christus doorstoken zijn, en denken dat deze woorden zijn van dien groten Profeet, niet van den valsen Profeet, van wie te voren gesproken was. Christus gewond aan Zijne handen, toen zij aan het kruis genageld werden, en na Zijne opstanding had Hij nog de tekenen dezer wonden; en hier zegt Hij, hoe Hij daaraan kwam. Hij ontving die als een valse Profeet; want de Overpriesters noemden Hem als een verleider, en om die reden wilden zij Hem gekruisigd hebben, maar Hij ontving ze in het huis Zijner vrienden, de Joden, die Zijne vrienden moesten zijn. 7.
II. Vs. 7KruisverwijzingenMarkus 14:27→Jesaja 40:11→Mattheüs 26:31→Zacharia 11:7→Jeremia 23:5→Micha 5:2→Ezechiël 37:24→Jeremia 47:6→
— Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
-Hoofdst 14:21. De nu volgende tweede helft van den last des Heeren over Israël moet er toe dienen, om de voorstelling, welke in de eerste helft gegeven is, van de ontwikkeling der geschiedenis van Gods volk ten einde toe aan te vallen en uit te breiden. De volgende afdeling knoopt zich daar aan, waar de vorige is blijven staan; veel daarin staat parallel met hetgeen in ‘t vorige gezegd is. Terwijl namelijk in het voorgaande werd voorgesteld, hoe de Heere Zijn volk tot overwinning tegen alle vijandige wereldmachten leidt, en door uitstorting van Zijnen Geest der genade tot erkentenis zijner zware zonde in het verwerpen en doden van den Messias brengt, en geheel verandert, wordt in ‘t volgende eerst summarisch het toekomstige gericht aangekondigd, waardoor de Heere de goddelozen van de vromen onder Zijn volk zal scheiden, de laatsten louteren en heiligen zal, en Zijn volk in heerlijkheid volmaken (vs. 7-9); alsdan wordt dit gericht in Hoofdst. 14 verder uiteen gezet. In 6 afdelingen schildert de Profeet den laatsten, grootsten druk, de redding en verheerlijking van Zijn volk. alle Gode vijandige volken zullen bij laatste, zoals reeds in Hoofdst. 12:2 vv. is aangewezen, door den Heere tegen Jeruzalem worden vergaderd, zij zullen de stad innemen, plunderen, en de helft harer bewoners in ballingschap wegvoeren. Dan zal zich de Heere over Zijn volk ontfermen. Hij zal verschijnen op den Olijfberg, en door het splijten van dezen berg den overgeblevenem een veiligen weg tot redding banen. Hij zal met Zijne heilige engelen nederdalen, om Zijn rijk te volmaken. Dan zal van Jeruzalem uit een stroom van heil en zegen over het gehele land worden uitgestort. De legers van volken, tegen Jeruzalem uitgetrokken, zullen op wonderbare wijze worden geslagen en elkaar vernietigen, het overblijfsel der volken zal zich tot den Heere bekeren, en jaarlijks naar Jeruzalem komen, om den Heere met Zijn volk te danken, dat Hij ze van de dwaalwegen in de woestijn der goddeloosheid tot het rijk des vredes heeft gebracht. Jeruzalem zal dan echter, evenals het ganse volk Gods, heilig worden. Het is de allerlaatste tijd, van welken hier wordt gesproken, de volmaking van alle raadsbesluiten Gods, de tijd der verheerlijking.
Zwaard! ontwaak tegen Mijnen Herder 1), tegen den door Mij als Verlosser en Heilaanbrenger gezondene (Hoofdst. 11:4 vv.), en tegen den man, die zelf waarachtig God, en van eeuwigheid met Mij op ‘t nauwst verbonden, en daarom Mijn metgezel 1) (Hoofdst. 12:10. (Joh. 10:30)is, spreekt de HEERE der heirscharen a), sla dien goeden Herder, en de door Hem geweide, maar ondankbare, ongehoorzame schapen zullen verstrooid worden, zodat ieder zonder God en zonder Koning en Herder zijnen eigenen, door hem in de blindheid zijns harten gekozen weg zal gaan; maar Ik zal daarna Mijne hand tot de kleinen, de ootmoedigen en boetvaardigen onder de verstrooide kudde wenden, en ze uit hun verstrooiing tot hunnen enigen Verlosser en Herder, en daardoor tot de zekerheid van den eeuwigen vrede terugleiden.
Matth 26:31; Mark. 14:27.
Deze zijn de woorden van God, den Vader, die bevel en last geeft, om het zwaard Zijner gerechtigheid tegen Zijn Zoon te doen ontwaken, toen Deze Zich gewillig tot een slachtoffer voor de zonde gemaakt heeft.
De Heere wordt hier Gods regeerder genoemd, omdat Hij van eeuwigheid bij den Vader was, Zijn eeuwige en eniggeboren Zoon en Herder, omdat Hij als de Middelaar, de grote en goede Herder was, die op Zich had genomen om de kudden te weiden. Hem zou de Vader daarstellen als den goeden Herder. Het zwaard, het zwaard der gerechtigheid zou tegen Hem ontwaken, omdat Hij zelf geen zonde had, maar de zonde van een verloren volk op Hem zou worden gelegd, en opdat Hij alleen een eeuwige verzoening zou teweeg brengen. Alzo ging het dan ook met den Heere in Zijn laatste lijden: het zwaard ontwaakte tegen Hem en Zijne discipelen werden verstrooid; maar na Zijne verrijzenis ging Hij ze allen voor naar Galilea, en aldaar hebben zij Hem gezien. Alzo ging het in de dagen van Stefanus, en zo dikwijls er enige vervolging werd aangericht om des Evangelies wil; maar de Heere vergat Zijne schapen niet. Alzo gaat het door alle tijden; wanneer het zwaard der vijandschap wordt uitgetogen en gewet tegen de gemeente des Heeren, dan worden velen bevreesd, en soms verstrooid, maar de overste Herder der schapen, die uit de doden is opgewekt, vergeet of verlaat de Zijnen niet. Aan de rechterhand Zijns Vaders gezeten, heeft Hij, als Middelaar Gods en der mensen, als Heere van alle dingen en als Hoofd Zijner Kerk, alle macht in den hemel en op aarde. Zo Hij voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Zijne schapen zijn in Zijne handen, en Hij roept ze telkens toe: vrees niet, gij klein kuddeke, want het is des Vaders welbehagen, u Zijn koninkrijk te geven. De profetie beschrijft hier weer hetzelfde wat het profetische gezicht van den goeden Herder moest voorstellen (Hoofdst. 11:4-14). Den dood van den goeden Herder, welke in dat gezicht nog niet duidelijk was uitgedrukt, en die hier beschouwd wordt van de andere zijde, namelijk als door Gods eigene beschikking, volgens Zijn eeuwig raadsbesluit tot stand gekomen, vermeldt de profetie alleen, om aan te tonen, welk gezicht zich daaruit over de herderloze kudde zal ontwikkelen. Dat echter de natuurlijk niet slechts uitwendige verstrooiing en daarop volgende uitroeiing van twee derde delen der kudde, het goddelijk strafgericht voor het verwerpen en doden van haren Herder is, weet ieder, die dat profetisch gezicht (Hoofdst. 11) heeft verstaan, want het is hetzelfde, wat daar door verbreking der beide stokken over de kudde komt, zelfzuchtige haat en partijen, inwendige strijd en dood (vgl Hoofdst. 11:9). Alles wat tegen den Heere Christus geschiedde van den tijd af, dat men met zwaarden tegen Hem trok, geschiedde naar den voorbedachten raad en de voorzienigheid Gods (Hand. 2:23). Israël verwerpt wel Zijnen Verlosser, ja het doodt Hem (Hoofdst. 12:10); maar evenals Israël zich hierdoor verzondigt, zo is toch ook dit in den raad des Heeren opgenomen; in zo verre brengt de Heere zelf het doden van Zijnen goeden Herder teweeg, opdat Hij door Zijnen dood het heil en het leven van Israël en van de gehele wereld tot stand brenge. “Jesaja verbindt de wonden van Jezus in deze en de geopende heilfontein, tot welke Hij alle naar genade en troost smachtende zielen nodigt (Jes. 53:5; 55:1 v.) Eveneens verbindt Zacharia den blik op den doorstoken Verlosser (Hoofdst. 12:10 en de vrije opene fontein tegen alle zonde en onreinheid, welke uit Zijne wonden vloeit. ” Hier roept nu de Heere zelf het zwaard tegen Zijnen Herder op; in het zwaard zijn echter alle moordwerktuigen, ook die tot ter dood marteling en tot geweldigen dood begrepen.
En het zal gedurende die verstrooiing der herderloze kudde geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, dat de tweederde delen daarin des volks zullen uitgeroeid worden met enen geweldigen dood door middel van het zwaard van den dwazen Herder (Hoofdst. 11:16
, en den geest geven; maar het derde deel zal als een heilig zaad en uitverkoren overblijfsel daarin overblijven, namelijk de kleinen, tot welk Hij Zijne hand zal wenden.
En Ik zal dat derde deel in het vuur der smarten brengen, en Ik zal het van alle zondigheid louteren, gelijk men zilver in den smeltoven loutert, en Ik zal het beproeven a), gelijk men goud beproeft, opdat zij tot een waarachtig heilig volk worden b), het zal dan met hartelijk berouw en waar vertrouwen opzien tot Hem, dien zij doorstoken hebben, en Mijnen in Hem hun geopenbaarden naam aanroepen, en Ik zal hetin Zijnen naam verhoren, Ik zal te dien dage van hen allen zeggen 1): Het is Mijn waarachtig heilig volk, dat Ik heb verlost en verkregen, dat Mij dient in eeuwige gerechtigheid, reinheid en zaligheid; en het zal zeggen: de HEERE is Mijn God, door wiens ontferming ik zalig ben geworden (Hoofdst. 8:8. (Hos. 2:22. (Jer. 24:7; 30:22).
(1 (Petr. 1:6, 7. b) Ps. 50:15; 91:15 c) Ps. 144:15. Joh. 20:28. De vervulling van dat gericht en deze redding begon feitelijk met den dood van den goeden Herder, den Heere Jezus Christus, doch duurt nog heden voort, en zal voortduren, tot het einde der dagen. Toen de vangers in den hof van Gethsemane het zwaard tegen den Heere Jezus ophieven en Hem gevangen namen, om Hem tot het lijden des doods weg te voeren, toen tengevolge daarvan Zijne discipelen allen te zamen wegvluchtten, toen was dit voorspel een begin van de verstrooiing en verwoesting der gehele kudde van het volk Israëls, welke zich aan haren Herder ergerde; de Heere had ook op deze plaats gewezen, en die met vrije aanhaling genoemd als de profetie, die toen werd vervuld, dat ook zij allen aan Hem zouden worden geërgerd. Spoedig na des Heeren dood werd de vroegere eenheid in Israël verdeeld tot een menigte van partijen, en ieder ging langs zijn eigen weg in het verderf. Twee derde delen der kudde werden uitgeroeid, toen in den Joodsen oorlog onder Titus alleen bij de belegering van Jeruzalem 1. 100. 000 omkwamen, en spoedig daarop bij de onderdrukking van Bar-Cochba alleen in Palestina ongeveer 600. 000 Joden hunnen dood vonden, en geheel Judea tot ene woesternij werd; de uitroeiing van het twee derde deel werd in de volgende eeuwen voortgezet in de vervolgingen der Joden met vuur en zwaard, en zal eerst dan ophouden, als geheel Israël zich zal bekeren. Maar ook het tweede gedeelte der profetie begon dadelijk na den dood van Jezus. Zoals Hij Zijnen discipelen had voorzegd, dat Hij na Zijne opstanding weer als hun trouwe Herder voor hen zou heengaan naar Galilea, zo geschiedde het. Toen keerde de Heere eerst Zijne hand tot de kleinen onder de verstrooide kudde, gelijk Hij door het woord van Petrus die 3. 000 bekeerde. Sedert zijn er wel meer enkele, tot welke de Heere Zijne ontfermende hand keert, om ze tot hunnen Herder terug te voeren. Maar het derde deel, dat in het land der eeuwige rust over zal blijven, zal vol worden, wanneer de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. In dien tijd zal de Heere alle kleinen in de kudde van het volk Israël, d. i. allen, die waarachtige begeerte naar verlossing hebben, door grote rampen heen tot volle bekering en heiliging leiden. Zo is dus in de verzen 7-9 in een kort overzicht de aard en wijze aangegeven, waarop het onder Israël tot de noodzakelijke scheiding en reiniging van alle goddeloze elementen zal komen. Meer nauwkeurig wordt dit door het volgende hoofdstuk uitgewerkt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel