Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
RoeptH7121 de WijsheidH2451 nietH3808, en verheftH5414 niet de VerstandigheidH8394 Haar stemH6963?
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
KJV
Doth not wisdom2
cry?3
and understanding4
put forth5
her voice?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Op de spitsH7218 der hoge plaatsenH4791, aanH5921 den wegH1870, ter plaatseH1004, waar padenH5410 zijn, staatH5324 Zij;
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
KJV
She standeth7
in the top1
of high places,2
by the way4
in the places5
of the paths.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Aan de zijde der poortenH8179, voor aan de stadH7176, aan den ingangH3996 der deurenH6607 roept Zij overluid:
Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
Ook in dit vers
roept overluidH7442
KJV
She crieth7
at1
the gates,2
at the entry3
of the city,4
at the coming5
in at the doors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
TotH413 u, o mannenH376! roepH7121 Ik, en Mijn stemH6963 is totH413 de mensenkinderenH1121.
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
KJV
Unto you, O men,2
I call;3
and my voice4
is to the sons6
of man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Gij slechtenH6612! verstaatH995 kloekzinnigheidH6195, en gij zottenH3684! verstaatH995 met het hartH3820.
Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
KJV
O ye simple,2
understand1
wisdom:3
and, ye fools,4
be ye of an understanding5
heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
HoortH8085, wantH3588 ik zal vorstelijkeH5057 dingen sprekenH1696, en de openingH4669 Mijner lippenH8193 zal enkel billijkheidH4339 zijn.
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
KJV
Hear;1
for I will speak4
of excellent things;3
and the opening5
of my lips6
shall be right things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantH3588 Mijn gehemelteH2441 zal de waarheidH571 bedachtelijk uitsprekenH1897, en de goddeloosheidH7562 is Mijn lippenH8193 een gruwelH8441.
Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
KJV
For my mouth4
shall speak3
truth;2
and wickedness7
is an abomination5
to my lips.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
AlH3605 de redenenH561 Mijns mondsH6310 zijn in gerechtigheidH6664; er is nietsH369 verdraaidsH6617, noch verkeerdsH6141 in.
Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
KJV
All the words3
of my mouth4
are in righteousness;1
there is nothing froward7
or perverse
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij zijn alleH3605 rechtH5228 voor dengene, die verstandigH995 is, en rechtmatigH3477 voor degenen, die wetenschapH1847 vindenH4672.
Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
KJV
They are all plain2
to him that understandeth,3
and right4
to them that find5
knowledge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
NeemtH3947 Mijn tuchtH4148 aan, en nietH408 zilverH3701, en wetenschapH1847, meer dan het uitgelezenH977 uitgegraven goudH2742.
Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
KJV
Receive1
my instruction,2
and not silver;4
and knowledge5
rather than choice7
gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 wijsheidH2451 is beterH2896 dan robijnenH6443, en alH3605 wat men begerenH2656 mag, is met haar nietH3808 te vergelijkenH7737.
Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
KJV
For wisdom3
is better2
than rubies;4
and all the things that may be desired6
are not to be compared
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
IkH589, WijsheidH2451, woonH7931 bij de kloekzinnigheidH6195, en vindeH4672 de kennisH1847 van alle bedachtzaamheidH4209.
Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
KJV
I wisdom2
dwell3
with prudence,4
and find out7
knowledge5
of witty inventions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De vrezeH3374 des HEERENH3068 is, te hatenH8130 het kwadeH7451, de hovaardigheidH1344, en den hoogmoedH1347, en den kwadenH7451 wegH1870; Ik haatH8130 ook den mondH6310 der verkeerdhedenH8419.
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
KJV
The fear1
of the LORD2
is to hate3
evil:4
pride,5
and arrogancy,6
and the evil8
way,7
and the froward10
mouth,9
do I hate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
RaadH6098 en het wezen zijn Mijne; IkH589 ben het VerstandH998, Mijne is de SterkteH1369.
Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
KJV
Counsel2
is mine, and sound wisdom:3
I am understanding;5
I have strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Door Mij regerenH4427 de koningenH4428, en de vorstenH7336 stellenH2710 gerechtigheidH6664.
Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
KJV
By me kings2
reign,3
and princes4
decree5
justice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Door Mij heersenH8323 de heersersH8269, en de prinsenH5081, alH3605 de rechtersH8199 der aardeH776.
Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
KJV
By me princes2
rule,3
and nobles,4
even all the judges6
of the earth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ik heb liefH157, die Mij liefhebbenH157; en die Mij vroeg zoekenH7836, zullen Mij vindenH4672.
Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
KJV
I love2
them that love3
me; and those that seek me early4
shall find
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
RijkdomH6239 en eerH3519 is bijH854 Mij, duurachtigH6276 goedH1952 en gerechtigheidH6666.
Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
KJV
Riches1
and honour2
are with me; yea, durable5
riches4
and righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Mijn vruchtH6529 is beterH2896 dan uitgegraven goudH2742, en dan dicht goudH6337; en Mijn inkomenH8393 dan uitgelezenH977 zilverH3701.
Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
KJV
My fruit2
is better1
than gold,3
yea, than fine gold;4
and my revenue5
than choice7
silver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ik doe wandelenH1980 op den wegH734 der gerechtigheidH6666, in het middenH8432 van de padenH5410 des rechtsH4941;
Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
KJV
I lead3
in the way1
of righteousness,2
in the midst4
of the paths5
of judgment:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Opdat Ik Mijn liefhebbersH157 doe beervenH5157 dat bestendigH3426 is, en Ik zal hun schatkamerenH214 vervullenH4390.
Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
KJV
That I may cause those that love2
me to inherit1
substance;3
and I will fill5
their treasures.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De HEEREH3068 bezatH7069 Mij in het beginselH7225 Zijns wegsH1870, voor Zijn werkenH4659, van toen aan.
De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
KJV
The LORD1
possessed2
me in the beginning3
of his way,4
before5
his works
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Ik ben van eeuwigheidH5769 af gezalfdH5258 geweest; van den aanvangH7218, van de oudhedenH6924 der aardeH776 aan.
Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
KJV
I was set up2
from everlasting,1
from the beginning,3
or ever4
the earth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Ik was geborenH2342, als de afgrondenH8415 nog nietH369 waren, als nog geen fonteinenH4599 waren, zwaarH3513 van waterH4325;
Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
KJV
When there were no depths,2
I was brought forth;3
when there were no fountains5
abounding6
with water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Aleer de bergenH2022 ingevestH2883 waren, voorH6440 de heuvelenH1389 was Ik geborenH2342.
Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
KJV
Before the mountains2
were settled,3
before4
the hills5
was I brought forth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Hij had de aardeH776 nog niet gemaaktH6213, noch de veldenH2351, noch de aanvangH7218 van de stofjesH6083 der wereldH8398.
Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
KJV
While as yet he had not made3
the earth,4
nor the fields,5
nor the highest part6
of the dust7
of the world.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Toen Hij de hemelenH8064 bereiddeH3559, was IkH589 daarH8033; toen Hij een cirkelH2329 overH5921 het vlakkeH6440 des afgrondsH8415 beschreefH2710;
Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
KJV
When he prepared1
the heavens,2
I was there: when he set5
a compass6
upon the face8
of the depth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Toen Hij de opperwolkenH7834 van boven vestigdeH553; toen Hij de fonteinenH5869 des afgrondsH8415 vastmaakteH5810;
Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
KJV
When he established1
the clouds2
above:3
when he strengthened4
the fountains5
of the deep:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Toen Hij der zeeH3220 haar perkH2706 zetteH7760, opdat de waterenH4325 Zijn bevelH6310 nietH3808 zouden overtredenH5674; toen Hij de grondvestenH4144 der aardeH776 steldeH2710;
Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
KJV
When he gave1
to the sea2
his decree,3
that the waters4
should not pass6
his commandment:7
when he appointed8
the foundations9
of the earth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Toen was Ik een voedsterlingH525 bij Hem, en Ik wasH1961 dagelijksH3117 Zijn vermakingenH8191, te allerH3605 tijdH6256 voor Zijn aangezichtH6440 spelendeH7832;
Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
KJV
Then I was by him,2
as one brought up3
with him: and I was daily6
his delight,5
rejoicing8
always11
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
SpelendeH7832 in de wereldH8398 Zijns aardrijksH776, en Mijn vermakingenH8191 zijn metH854 de mensenkinderenH1121.
Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
KJV
Rejoicing1
in the habitable part2
of his earth;3
and my delights4
were with the sons6
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Nu dan, kinderenH1121! hoortH8085 naar Mij; want welgelukzaligH835 zijn zij, die Mijn wegenH1870 bewarenH8104.
Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
KJV
Now therefore hearken3
unto me, O ye children:2
for blessed5
are they that keep7
my ways.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
HoortH8085 de tuchtH4148, en wordt wijsH2449, en verwerptH6544 die nietH408.
Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
KJV
Hear1
instruction,2
and be wise,3
and refuse
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WelgelukzaligH835 is de mensH120, die naar Mij hoortH8085, dagelijksH3117 wakendeH8245 aanH5921 Mijn poortenH1817, waarnemendeH8104 de postenH4201 Mijner deurenH6607.
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
KJV
Blessed1
is the man2
that heareth3
me, watching5
daily8
at my gates,7
waiting10
at the posts11
of my doors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WantH3588 die Mij vindtH4672, vindtH4672 het levenH2416, en trektH6329 een welgevallenH7522 van den HEEREH3068.
Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
KJV
For whoso findeth2
me findeth3
life,4
and shall obtain5
favour6
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Maar die tegen Mij zondigtH2398, doet zijn zielH5315 geweldH2554 aan; allenH3605, die Mij hatenH8130, hebben den doodH4194 liefH157.
Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
KJV
But he that sinneth1
against me wrongeth2
his own soul:3
all they that hate5
me love6
death.
de Wijsheid
Hij wil zeggen: Zekerlijk ja zij. Het is ene manier van vragen, die sterkelijk verzekert. Zie Gen. 13:9 .
Hertaald:
de Wijsheid
Hij wil zeggen: zeker wel. Het is een manier van vragen die krachtig bevestigt. Zie Gen. 13:9.
en verheft
Hebreeuws, geeft. Zie boven Spr. 1:20 .
Hertaald:
en verheft
Hebreeuws: geeft. Zie hierboven Spr. 1:20.
spits
Hebreeuws, in het hoofd der hoogten. Men kan hierdoor verstaan plaatsen, die verheven zijn geweest, waaruit de leraars aan de gemeente de goede leer en vermaning konden voorhouden. Vergelijk 2 Kron. 24:20 ; Neh. 8:5 ; Matt. 10:27 ; Hand. 22:3 .
Hertaald:
spits
Hebreeuws: aan het hoofd van de hoogten. Men kan hieronder verheven plaatsen verstaan van waaraf de leraars de gemeente de goede leer en vermaning konden voorhouden. Vergelijk 2 Kron. 24:20; Neh. 8:5; Matth. 10:27; Hand. 22:3.
aan den weg,
Versta, des heren straat, door welke vele mensen passeren.
Hertaald:
aan den weg,
Versta: de openbare weg, waarlangs veel mensen komen.
ter plaatse,
Hebreeuws, [ in, of op ] het huis der paden, of stegen; dat is, in de plaats der paden. Versta, de kruiswegen, waar vele paden, of wegen, gelijk in een huis of plaats, bijeenkomen. Huis voor plaats; zie Ex. 25:27 .
Hertaald:
ter plaatse,
Hebreeuws: in of op het huis van de paden of stegen; dat is: op de plaats van de paden. Versta: de kruiswegen, waar veel paden of wegen als in een huis of op een plein samenkomen. Huis staat hier voor plaats; zie Ex. 25:27.
Aan de zijde
Hebreeuws, aan de hand der poorten. Hand voor zijde, zie 2 Sam. 18:4 . Anders: ter plaats der poorten.
Hertaald:
Aan de zijde
Hebreeuws: aan de hand van de poorten. Hand staat voor zijde; zie 2 Sam. 18:4. Anders: ter plaatse van de poorten.
voor aan de stad,
Hebreeuws, aan de mond der stad; dat is, aan haren ingang, gelijk de volgende woorden verklaren. Alzo de mond des puts, Gen. 29:2 ; de mond der spelonk; Joz. 10:18 .
Hertaald:
voor aan de stad,
Hebreeuws: aan de mond van de stad; dat is: aan haar ingang, zoals de volgende woorden verklaren. Zo ook: de mond van de put, Gen. 29:2; de mond van de spelonk, Joz. 10:18.
zij overluid
Te weten, de wijsheid. Anders: roepen zij; te weten, de wijsheid en de verstandigheid. Zie daarvan boven vs.1. Het eerste is beter, gelijk het blijkt uit vs.6, alwaar het enkelvoudig getal is. Idem, zie onder vs.12.
Hertaald:
zij overluid
Namelijk: de wijsheid. Anders: roepen zij, namelijk de wijsheid en de verstandigheid. Zie daarover hierboven vers 1. Het eerste is beter, zoals blijkt uit vers 6, waar het enkelvoud staat. Zie ook hieronder vers 12.
o mannen
Eenigen menen dat hier door de mannen moeten verstaan worden degenen, die door adel, staat en vermogen onder de mensen uitsteken, en anders kinderen der mannen genaamd worden, en door de kinderen der mensen de gemene lieden. Zie Ps. 49:3 .
Hertaald:
o mannen
Sommigen menen dat hier onder de mannen degenen verstaan moeten worden die door adel, stand en vermogen boven de andere mensen uitsteken en elders kinderen van de mannen genoemd worden, en onder de kinderen van de mensen de gewone lieden. Zie Ps. 49:3.
slechten
Zie boven Spr. 1:4 .
Hertaald:
slechten
Zie hierboven Spr. 1:4.
kloekzinnigheid,
Zie op dezelfde plaats.
Hertaald:
kloekzinnigheid,
Zie dezelfde plaats.
zotten
Zie boven Spr. 1:22 .
Hertaald:
zotten
Zie hierboven Spr. 1:22.
vorstelijke
Hebreeuws, der vorsten; te weten, dingen, dat is, geen algemene en slechte dingen, maar heerlijke en voortreffelijke, die den vorsten en groten heren betamen, niet alleen omdat zij hen mede aangaan, maar ook van hen behoren gehoord en aangenomen, ja ook van hen voorgesteld te worden. Vergelijk Spr. 22:20 .
Hertaald:
vorstelijke
Hebreeuws: van de vorsten, namelijk dingen; dat is: geen alledaagse en geringe dingen, maar heerlijke en voortreffelijke die vorsten en grote heren passen — niet alleen omdat zij ook hen aangaan, maar ook omdat zij door hen gehoord en aangenomen, ja ook door hen voorgehouden behoren te worden. Vergelijk Spr. 22:20.
de opening
Dat is, dat ik door de opening mijner lippen voortbrengen zal.
Hertaald:
de opening
Dat is: wat ik door het openen van mijn lippen zal voortbrengen.
gehemelte
Of, rake. Versta onder een lid, waardoor het spreken geschiedt, al de andere, die daartoe mede helpen, als lippen, tanden, tong en keel. Zie Job 33:2 .
Hertaald:
gehemelte
Of: verhemelte. Versta onder één orgaan waarmee het spreken gebeurt ook alle andere die daaraan meewerken, zoals lippen, tanden, tong en keel. Zie Job 33:2.
een gruwel
Hebreeuws, een gruwel mijner lippen; dat is, waarvan mijne lippen een gruwel, of afkeer hebben, te weten, om die te spreken. Zie boven Spr. 3:32 .
Hertaald:
een gruwel
Hebreeuws: een gruwel van mijn lippen; dat is: waarvan mijn lippen een gruwel of afkeer hebben, namelijk om die uit te spreken. Zie hierboven Spr. 3:32.
verdraaids,
Vergelijk Job 5:13 .
Hertaald:
verdraaids,
Vergelijk Job 5:13.
recht
Of, gereed, recht voor de hand. Het Hebreeuwse woord betekent òf dat rechtis, òf dat recht voor de hand, tegenwoordig, strak in het gezicht en zeer gereed, plat en open is, om verstaan te worden. Alzo 2 Sam. 15:3 , onder Spr. 24:26 .
Hertaald:
recht
Of: helder, meteen begrijpelijk. Het Hebreeuwse woord betekent óf wat recht is, óf wat vlak voor de hand ligt, duidelijk zichtbaar en zeer gemakkelijk, eenvoudig en open om te begrijpen. Zo 2 Sam. 15:3, hieronder Spr. 24:26.
vinden
Dat is, krijgen, bekomen. Zie Gen. 26:12 , en de aantekening.
Hertaald:
vinden
Dat is: krijgen, verkrijgen. Zie Gen. 26:12, en de aantekening daar.
niet zilver,
Dat is, meer dan het zilver, gelijk de volgende woorden van vs.10 uitwijzen. Dat in het algemeen gezegd wordt, is dikwijls maar ten zekeren aanzien en bij vergelijking te verstaan. Vergelijk Jes. 43:18 ; Jer. 7:22 , en Jer. 16:14 ; Hos. 6:6 ; Matt. 23:3 ; 1 Kor. 1:17 .
Hertaald:
niet zilver,
Dat is: meer dan het zilver, zoals de volgende woorden van vers 10 aangeven. Wat in algemene bewoordingen gezegd wordt, moet vaak in een bepaald opzicht en bij wijze van vergelijking verstaan worden. Vergelijk Jes. 43:18; Jer. 7:22, en Jer. 16:14; Hos. 6:6; Matth. 23:3; 1 Kor. 1:17.
uitgegraven
Zie boven Spr. 3:14 ; idem onder vs.19.
Hertaald:
uitgegraven
Zie hierboven Spr. 3:14; en ook hieronder vers 19.
robijnen,
Zie Job 28:18 .
Hertaald:
robijnen,
Zie Job 28:18.
al wat men
Hebreeuws, alle lusten, of begeerlijkheden zullen met haar niet vergeleken worden. Zie boven Spr. 3:15 .
Hertaald:
al wat men
Hebreeuws: alle lusten of begeerlijkheden zullen met haar niet vergeleken worden. Zie hierboven Spr. 3:15.
Ik,
Dat is, ik bezit, geniet en gebruik de kloekzinnigheid, als die mij alleen toebehoort en ten dienste staat.
Hertaald:
Ik,
Dat is: ik bezit, geniet en gebruik de scherpzinnigheid, die alleen mij toebehoort en tot mijn beschikking staat.
kloekzinnigheid,
Zie boven Spr. 1:4 .
Hertaald:
kloekzinnigheid,
Zie hierboven Spr. 1:4.
bedachtzaamheid
Zie op hetzelfde vers.
Hertaald:
bedachtzaamheid
Zie hetzelfde vers.
De vreze
Dat is, de vreze des Heeren, die het beginsel en het voornaamste deel der wijsheid is, boven Spr. 1:7 ; veroorzaakt en beweegt den mens het kwaad te haten.
Hertaald:
De vreze
Dat is: de vreze van de Heere, die het beginsel en het voornaamste deel van de wijsheid is, hierboven Spr. 1:7, brengt de mens ertoe en beweegt hem om het kwaad te haten.
kwaden weg;
Zie boven Spr. 2:12 .
Hertaald:
kwaden weg;
Zie hierboven Spr. 2:12.
mond
Zie op hetzelfde vers.
Hertaald:
mond
Zie hetzelfde vers.
wezen
Of, bestendig wezen, of bestendige wijsheid. Zie boven Spr. 2:7 .
Hertaald:
wezen
Of: bestendig wezen, of bestendige wijsheid. Zie hierboven Spr. 2:7.
stellen
Van dit woord komt een ander, betekenende wetgevers of wetstellers, Gen. 49:10 ; Deut. 33:21 ; Richt. 5:14 .
Hertaald:
stellen
Van dit woord komt een ander woord dat wetgevers of wetstellers betekent, Gen. 49:10; Deut. 33:21; Richt. 5:14.
gerechtigheid
Dat is, goede en rechtvaardige wetten, naar welke de onderdanen moeten geregeerd worden.
Hertaald:
gerechtigheid
Dat is: goede en rechtvaardige wetten, waarnaar de onderdanen geregeerd moeten worden.
prinsen,
Zie Job 12:21 .
Hertaald:
prinsen,
Zie Job 12:21.
vroeg zoeken,
Zie van het Hebreeuwse woord Job 7:21 , en boven Spr. 7:15 .
Hertaald:
vroeg zoeken,
Zie over het Hebreeuwse woord Job 7:21, en hierboven Spr. 7:15.
vinden
Zie 2 Kron. 15:2 .
Hertaald:
vinden
Zie 2 Kron. 15:2.
vrucht
Zie boven Spr. 1:31 .
Hertaald:
vrucht
Zie hierboven Spr. 1:31.
uitgegraven goud,
Zie boven Spr. 3:14 .
Hertaald:
uitgegraven goud,
Zie hierboven Spr. 3:14.
dicht goud;
Zie 1 Kon. 10:18 . Anderen: goud van Ufaz; die menen dat Paz hier is voor Ujaz, de naam van een plaats, waar veel uitnemend goud vandaan kwam; Jer. 10:9 . Te weten, die heden in Barbarije, naar sommiger gevoelen, Fez genaamd wordt.
Hertaald:
dicht goud;
Zie 1 Kon. 10:18. Anderen: goud van Ufaz; zij menen dat Paz hier staat voor Ufaz, de naam van een plaats waar veel uitnemend goud vandaan kwam; Jer. 10:9. Naar de mening van sommigen wordt die plaats tegenwoordig in Barbarije Fez genoemd.
weg der gerechtigheid,
Dat is, op de wijze en manier van leven, die men volgen moet om naar de wet, eerst God en dan zijnen naasten, den schuldigen plicht te bewijzen, die hun toebehoort. Zie boven Spr. 2:8 .
Hertaald:
weg der gerechtigheid,
Dat is: op de wijze en manier van leven die men moet volgen om naar de wet eerst God en dan zijn naaste de verschuldigde plicht te bewijzen die hun toekomt. Zie hierboven Spr. 2:8.
dat bestendig is,
Versta een zodanig goed, dat waarlijk goed is en den mens het hoogste welvaren, dat in eeuwigheid blijft, medebrengt, niet schijnende zulks te zijn, maar in der waarheid zijnde.
Hertaald:
dat bestendig is,
Versta een goed dat werkelijk goed is en de mens het hoogste welzijn brengt dat in eeuwigheid blijft; dat niet alleen zo lijkt, maar het in waarheid is.
De HEERE
Versta, den eeuwigen Vader van onzen Heere Jezus Christus; dat is, de eerste persoon der eeuwige Godheid.
Hertaald:
De HEERE
Versta: de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, dat is: de eerste Persoon van de eeuwige Godheid.
bezat
Dat is, had mij in en bij hem, uit hem op een onbegrijpelijke wijze geboren zijnde; Joh. 1:1 ; Kol. 1:15 ; Hebr. 1:3 , Hebr. 1:5 .
Hertaald:
bezat
Dat is: had Mij in en bij Zich, omdat Ik op een onbegrijpelijke wijze uit Hem geboren ben; Joh. 1:1; Kol. 1:15; Hebr. 1:3, Hebr. 1:5.
Mij in het
Te weten, de wezenlijke Wijsheid, het zelfstandig Woord des Vaders, of de tweede persoon des goddelijken wezens, de eeuwige en eniggeboren Zoon en waarachtig God, van wien zie ook boven Spr. 1:20 , en hier vs.12; Joh. 1:1 ; Kol. 1:15 .
Hertaald:
Mij in het
Namelijk: de wezenlijke Wijsheid, het zelfstandige Woord van de Vader, of de tweede Persoon van het goddelijke wezen, de eeuwige en eniggeboren Zoon en waarachtig God; zie over Hem ook hierboven Spr. 1:20, en hier vers 12; Joh. 1:1; Kol. 1:15.
Zijns wegs,
Dat is, zijner werking, als der schepping, ja ook van zijn eeuwigen raad en voornemen om de wereld te scheppen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
Hertaald:
Zijns wegs,
Dat is: van Zijn werken, zoals de schepping, ja ook van Zijn eeuwige raad en voornemen om de wereld te scheppen, zoals de volgende woorden aangeven.
voor Zijn werken,
Dat is, van alle eeuwigheid af, als er nog niets gemaakt was.
Hertaald:
voor Zijn werken,
Dat is: van alle eeuwigheid af, toen er nog niets gemaakt was.
van toen aan
Te weten, als er niets was dan God en niets dan eeuwigheid. Vergelijk Ps. 93:2 .
Hertaald:
van toen aan
Namelijk: toen er niets was dan God en niets dan eeuwigheid. Vergelijk Ps. 93:2.
gezalfd
Dat is, verordend en ingesteld als ene prinses om de wereld te scheppen, te onderhouden en te regeren.
Hertaald:
gezalfd
Dat is: verordend en aangesteld als een vorstin om de wereld te scheppen, te onderhouden en te regeren.
van de oudheden
Dat is, voor de aarde, eer de aarde geschapen was. Vergelijk onder vs.25,26.
Hertaald:
van de oudheden
Dat is: vóór de aarde, voordat de aarde geschapen was. Vergelijk hieronder vers 25 en 26.
geboren,
Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Ps. 51:7 ; alzo in vs.25.
Hertaald:
geboren,
Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt in Ps. 51:7; zo ook in vers 25.
zwaar van water;
Hebreeuws, zwarigheden der wateren; dat is, grote menigte van water. Of, bezwaard met water; dat is, vol water en overvloeiende van water.
Hertaald:
zwaar van water;
Hebreeuws: zwaarten van de wateren; dat is: een grote hoeveelheid water. Of: bezwaard met water, dat is: vol water en overvloeiend van water.
ingevest
Dat is, ingedrukt, gegrond en vastgezet waren. Het Hebreeuwse woord ziet daarop, dat de bergen hunne grondvesting hebben onder in de wateren.
Hertaald:
ingevest
Dat is: ingedrukt, gegrond en vastgezet waren. Het Hebreeuwse woord ziet erop dat de bergen hun grondslag onder in de wateren hebben.
Hij
Namelijk, de Heere, boven vs.22.
Hertaald:
Hij
Namelijk: de Heere, hierboven vers 22.
nog niet gemaakt,
Het Hebreeuwse woord ad, of gnad, is elders ook aldus genomen; zie Job 1:18 , en de aantekening. Of, Hebreeuws, totdat Hij de aarde niet gemaakt had; dat is, aleer Hij de aarde gemaakt had.
Hertaald:
nog niet gemaakt,
Het Hebreeuwse woord ad of gad wordt elders ook zo gebruikt; zie Job 1:18, en de aantekening daar. Of luidt het Hebreeuws: totdat Hij de aarde niet gemaakt had, dat is: voordat Hij de aarde gemaakt had.
de velden,
Het Hebreeuwse woord betekent de plaatsen, die buiten de huizen en steden zijn, als de straten en velden. Voor velden is het hier genomen, gelijk ook Ps. 144:13 ; Ezech. 7:15 .
Hertaald:
de velden,
Het Hebreeuwse woord duidt de plaatsen aan die buiten de huizen en steden liggen, zoals de straten en de velden. Hier wordt het gebruikt voor velden, zoals ook Ps. 144:13; Ezech. 7:15.
den aanvang
Hebreeuws, het hoofd; dat is, begin. Alzo Num. 10:10 ; Pred. 3:11 ; Ezech. 40:1 . De zin is dat nog het minste stofje niet gemaakt was.
Hertaald:
den aanvang
Hebreeuws: het hoofd; dat is: begin. Zo Num. 10:10; Pred. 3:11; Ezech. 40:1. De betekenis is dat er nog niet eens een stofje gemaakt was.
een cirkel
Of, een cirkel ordende, zette. Dit wordt gezegd ten aanzien van den vorm des aardrijks, welke van God rond gemaakt is, zodat het diepe wateren omvat, en van die rondom omvat wordt. De zin is, dat God de aarde gelijk met een kompas of passer rond gemaakt heeft.
Hertaald:
een cirkel
Of: een cirkel ordende, zette. Dit wordt gezegd met het oog op de vorm van de aarde, die door God rond gemaakt is, zodat zij diepe wateren omvat en er zelf rondom door omvat wordt. De betekenis is dat God de aarde als het ware met een passer rond gemaakt heeft.
over
Dat is, over de diepe wateren.
Hertaald:
over
Dat is: over de diepe wateren.
vestigde;
Te weten, opdat zij hare plaats behoudende, niet zouden nedervallen op de aarde.
Hertaald:
vestigde;
Namelijk: opdat zij hun plaats zouden houden en niet op de aarde zouden neervallen.
vastmaakte;
Dat is, een vasten en gedurigen loop gaf.
Hertaald:
vastmaakte;
Dat is: een vaste en voortdurende loop gaf.
perk
Hebreeuws, inzetting, ordening; dat is, perk, binnen hetwelk zij zich zou moeten houden.
Hertaald:
perk
Hebreeuws: inzetting, ordening; dat is: de grens waarbinnen zij zich zou moeten houden.
bevel
Hebreeuws, mond. Zie Gen. 41:40 .
Hertaald:
bevel
Hebreeuws: mond. Zie Gen. 41:40.
stelde;
Of, inzette, of beschreEf.
Hertaald:
stelde;
Of: instelde, of vastlegde.
voedsterling
Te weten, dat bij zijne voedster gedurig is. Alzo is de eeuwige Zoon Gods, de zelfstandige wijsheid des Vaders, van eeuwigheid onverscheidenlijk bij Hem geweest, gelijk geschreven is Joh. 1:1 :het Woord was bij God. Idem: Joh. 17:5 :verklaar mij met de klaarheid, die Ik bij U had eer de wereld was. doch het woord kan ook genomen worden voor dengene, die zelf voedt, zijnde de overzetting aldus gesteld: en ik ben bij hem voedende; dat is, onderhoudende en regerende alle dingen, en voornamelijk zijne kerk door zijnen Geest en Woord opkwekende en voedende.
Hertaald:
voedsterling
Namelijk: dat voortdurend bij zijn voedster is. Zo is de eeuwige Zoon van God, de zelfstandige wijsheid van de Vader, van eeuwigheid onafscheidelijk bij Hem geweest, zoals geschreven staat in Joh. 1:1: het Woord was bij God; en in Joh. 17:5: verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was. Maar het woord kan ook opgevat worden voor Degene Die zelf voedt, waarbij de vertaling zo luidt: en Ik was bij Hem, voedende; dat is: alle dingen onderhoudend en regerend, en in het bijzonder Zijn kerk door Zijn Geest en Woord opkwekend en voedend.
dagelijks
Hebreeuws, dag dag; dat is, dagelijks, altijd. Zie Gen. 39:10 , en onder vs.34.
Hertaald:
dagelijks
Hebreeuws: dag dag; dat is: dagelijks, altijd. Zie Gen. 39:10, en hieronder vers 34.
vermakingen,
Hiermede wordt door een figuurlijke manier van spreken te kennen gegeven de grote aangenaamheid des Zoons Gods bij zijnen Vader. Zie Matt. 3:17 ; Joh. 5:20 , en Joh. 8:29 . Anders: en Ik ben ene dagelijkse vermaking; te weten, der schepselen door mijn algemene en bijzondere weldaden.
Hertaald:
vermakingen,
Hiermee wordt bij wijze van beeldspraak de grote aangenaamheid van de Zoon van God bij Zijn Vader te kennen gegeven. Zie Matth. 3:17; Joh. 5:20, en Joh. 8:29. Anders: en Ik ben een dagelijkse vermaking, namelijk voor de schepselen, door Mijn algemene en bijzondere weldaden.
Spelende
Te weten, mits dat zij zich zeer wonderbaar en menigerlei vertoont in aller schepselen onderhouding en regering.
Hertaald:
Spelende
Namelijk: doordat zij zich op zeer wonderlijke en veelvoudige wijze vertoont in het onderhouden en regeren van alle schepselen.
met de mensenkinderen
Te weten, om die goed te doen, ten aanzien van het tegenwoordige en toekomende leven.
Hertaald:
met de mensenkinderen
Namelijk: om hun goed te doen, met het oog op het tegenwoordige en het toekomende leven.
Mijn wegen
Dat is, die Ik hun voorschrijf.
Hertaald:
Mijn wegen
Dat is: die Ik hun voorschrijf.
verwerpt
Vergelijk boven Spr. 1:25 , waar hetzelfde Hebreeuwse woord is.
Hertaald:
verwerpt
Vergelijk hierboven Spr. 1:25, waar hetzelfde Hebreeuwse woord staat.
dagelijks
Eene gelijkenis, genomen van de naarstige studenten, die altijd omtrent de leerplaats hunner leraars zijn, òf van de verzoekers, die het uitgaan der raadsheren en advokaten vlijtiglijk waarnemen, òf van de deurwachters des tempels, die stedevast hun werk moesten gadeslaan.
Hertaald:
dagelijks
Een vergelijking, ontleend aan de ijverige leerlingen die altijd bij de leerplaats van hun leraars te vinden zijn, of aan verzoekers die nauwlettend afwachten wanneer de raadsheren en advocaten naar buiten komen, of aan de deurwachters van de tempel, die hun werk trouw op hun plaats moesten waarnemen.
trekt
Of, behaalt; dat is, verkrijgt gunst en genade bij den Heere. Zie dezelfde manier van spreken onder Spr. 12:2 , en Spr. 18:22 .
Hertaald:
trekt
Of: behaalt; dat is: verkrijgt gunst en genade bij de Heere. Zie dezelfde manier van spreken hieronder Spr. 12:2, en Spr. 18:22.
geweld
Of, onrecht, of overlast. Hebreeuws, is een geweldiger zijner ziel. Zie het volgende lid van vs.36, idem onder Spr. 20:2 .
Hertaald:
geweld
Of: onrecht, of overlast. Hebreeuws: is een geweldenaar van zijn ziel. Zie het volgende deel van vers 36, en ook hieronder Spr. 20:2.
Mij haten,
Zij worden gezegd God en zijne wijsheid te haten, die wetens en willens doen hetgeen God en zijne wijsheid haten. Zie van zulken Ps. 21:9 , en Ps. 83:3 ; Rom. 1:30 .
Hertaald:
Mij haten,
Van hen wordt gezegd dat zij God en Zijn wijsheid haten, omdat zij welbewust en met opzet doen wat God en Zijn wijsheid haten. Zie over zulke mensen Ps. 21:9, en Ps. 83:3; Rom. 1:30.
hebben den dood lief
Dat is, doen hetgeen waarmede zij den dood en het verderf aan zich brengen; alzo, den vloek liefhebben, Ps. 109:17 ; loeren op zijn eigen bloed, boven Spr. 1:18 ; zijne ziel versmaden; onder Spr. 15:32 .
Hertaald:
hebben den dood lief
Dat is: zij doen wat hun de dood en het verderf bezorgt; zo ook: de vloek liefhebben, Ps. 109:17; loeren op zijn eigen bloed, hierboven Spr. 1:18; zijn ziel versmaden, hieronder Spr. 15:32. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Opnieuw staat de Wijsheid op de hoogte, aan de weg en bij de poorten (Spr. 8:2-3). Haar roep gaat niet naar een kring van geleerden: "Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen" (Spr. 8:4). Zij zegt eerst iets over haar eigen woorden. Zij zijn recht en zonder verdraaiing (Spr. 8:8), en de goddeloosheid is haar lippen een gruwel (Spr. 8:7). Daarna wordt haar waarde tegen zilver en goud gewogen (Spr. 8:10-11). Dan volgt de omschrijving die het gedeelte draagt: "De vreze des HEEREN is, te haten het kwade" (Spr. 8:13). En zij noemt de plaats waar haar werk zichtbaar wordt: "Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid" (Spr. 8:15). Het gedeelte eindigt bij wie haar zoeken: "die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden" (Spr. 8:17). Bijbelse betekenis: Twee dingen springen eruit. De wijsheid wordt hier niet als kennis omschreven maar als een houding: het kwade haten (Spr. 8:13). Wie veel weet en het kwade niet haat, heeft haar niet. En haar bereik is groter dan het persoonlijke leven. Zij raakt de rechtspraak en het bestuur, want recht dat in een land gedaan wordt is haar werk (Spr. 8:15-16). Daarmee is gezegd dat er voor het openbare leven geen tweede wijsheid bestaat naast die van de vreze des HEEREN. Let ook op Spr. 8:17. Zij belooft zich te laten vinden, en dat is niet vanzelfsprekend na wat in Spr. 1:28 stond. Typologie: Paulus zegt over het gezag hetzelfde als Spr. 8:15: "er is geen macht dan van God" (Rom. 13:1). En hij noemt Christus met zoveel woorden "de kracht Gods, en de wijsheid Gods" (1 Kor. 1:24). Spr. 8:1-21; Spr. 1:28; Rom. 13:1; 1 Kor. 1:24 De rede gaat over op wat vóór alles was. "De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan" (Spr. 8:22). Zij was er voordat de afgronden waren en voordat de bergen ingevest waren (Spr. 8:24-25). Toen God de hemelen bereidde, was zij daar (Spr. 8:27). Toen Hij de zee haar perk zette en de grondvesten van de aarde stelde, was zij erbij (Spr. 8:29). Dan volgt het vers waaraan dit gedeelte zijn naam ontleent: "Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen" (Spr. 8:30). Het slot wendt zich naar de aarde: haar vermakingen zijn met de mensenkinderen (Spr. 8:31). Bijbelse betekenis: De kerk heeft in dit gedeelte van oudsher de eeuwige Zoon van God beleden, en het register houdt die belijdenis vast. Drie dingen dragen haar. Het eerste is wat er niet staat: de Statenvertaling geeft "De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs" (Spr. 8:22) en geen woord voor scheppen. Daarmee valt de oude Ariaanse lezing weg, die uit dit vers wilde afleiden dat de Zoon een schepsel zou zijn. Het tweede is de taal van het volgende vers: "Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest" (Spr. 8:23). Zalven is in heel de Schrift het woord dat bij de Messias hoort, en het staat hier vóór de grondlegging van de wereld. Het derde is de manier waarop het Nieuwe Testament over Christus spreekt: het schrijft Hem woordelijk toe wat dit hoofdstuk van de Wijsheid zegt, tot in het gezelschap bij de schepping toe. Wie hier niet meer ziet dan een dichterlijke voorstelling van een eigenschap van God, houdt minder over dan de Schrift zelf geeft. Eén grens blijft wel staan. Dit hoofdstuk is geen verhandeling over de wijze waarop de Zoon uit de Vader is; het zegt dat Hij er was, niet hoe. Let ten slotte op het slot van het gedeelte. Deze Wijsheid blijft niet in de hoogte: haar vermakingen zijn met de mensenkinderen (Spr. 8:31), en dat is de weg die uitloopt op de menswording. Typologie: Johannes zegt van het Woord wat hier van de Wijsheid gezegd wordt: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God" (Joh. 1:1), en "Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt" (Joh. 1:3). Paulus schrijft dezelfde werken aan Christus toe: "alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen" (Kol. 1:16), en hij voegt eraan toe dat Hij vóór alle dingen is (Kol. 1:17). En hij noemt Hem ook met zoveel woorden bij de naam die dit hoofdstuk draagt: "Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods" (1 Kor. 1:24), Die ons geworden is "wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing" (1 Kor. 1:30). In Hem zijn al de schatten van de wijsheid en de kennis verborgen (Kol. 2:3). Wat Spreuken 8 laat spreken, heeft in het Evangelie dus een Naam. Spr. 8:22-31; Joh. 1:1; Joh. 1:3; Kol. 1:16; Kol. 1:17; 1 Kor. 1:24; 1 Kor. 1:30; Kol. 2:3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Spreuken laat de Wijsheid door de straten roepen als een persoon. In dit hoofdstuk gaat zij verder dan spreekwoorden en verstandig leven, en spreekt zij over wat er was voordat er iets was. De Wijsheid zegt dat zij van eeuwigheid bij God was, vóór de schepping — en de kanttekenaars lezen daar de eeuwige Zoon. Tot hier ging het over vermaningen aan een jonge man. En dan verandert de toon: de HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. De kanttekening laat er geen misverstand over bestaan wie hier spreekt: versta de wezenlijke Wijsheid, het zelfstandige Woord van de Vader, de tweede Persoon van het goddelijke wezen, de eeuwige en eniggeboren Zoon en waarachtig God. En bij het bezitten tekent zij aan: dat is, Hij had Mij in en bij Zich, omdat Ik op een onbegrijpelijke wijze uit Hem geboren ben — met verwijzing naar Johannes 1, Kolossenzen 1 en Hebreeën 1. Daarna volgt een lange opsomming van wat er nog niet was: geen afgronden, geen bronnen, geen bergen, geen velden. En telkens: toen was Ik daar. Het slot is het opvallendst. Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. De kanttekening verklaart dat als het beeld van een kind dat voortdurend bij zijn voedster is: zo is de eeuwige Zoon van eeuwigheid onafscheidelijk bij de Vader geweest — en zij haalt daarbij Johannes 17:5 aan, waar Christus bidt om de heerlijkheid die Hij bij de Vader had eer de wereld was. En het woord vermakingen wijst op de aangenaamheid van de Zoon bij Zijn Vader. Diezelfde klank hoort men bij de Jordaan: Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. In het Nieuwe Testament: Johannes 1:1-3; Johannes 17:5; Kolossenzen 1:15-17; 1 Korinthe 1:24, 30 Hoever dit reikt: De kanttekenaars lezen dit hoofdstuk op de tweede Persoon; zij noemen daarnaast de mogelijkheid dat het om de wijsheid van de Schrift gaat. Het Nieuwe Testament haalt Spreuken 8 niet met name aan, maar spreekt in dezelfde bewoordingen over het Woord dat bij God was.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Spreuken 8:17 De Almachtige kan wel duizend werelden bouwen en ze met overvloed vervullen.… Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Spreuken 8:17 De wijsheid houdt van hen die haar liefhebben en zoekt degene die… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Spreuken 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Wijsheid die er vóór alles was — 8:22-31
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Liefde van eeuwigheid
Zoek liefde en wijsheid


Spreuken 8
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
XIV. Vs. 1-36.KruisverwijzingenSpreuken 1:22→Johannes 8:14→Spreuken 14:6→Romeinen 15:18→Job 29:7→Lukas 14:21→Mattheüs 22:9→Openbaring 22:17→
— Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem? Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij; Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid: Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart. Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn. Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel. Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in. Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden. Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
Aan het einde van het vorig hoofdstuk verhief zich de rede reeds ver boven het op zich zelven staande beeld tot het algemene van alle dwaasheid, die even verleidelijk als verderfelijk is. Daardoor is de weg gebaand, om aan diezelfde hoogte tegenover haar de wijsheid te plaatsen. Even als alle dwaasheid en tijd vergeten, in den persoon der overspelige vrouw verenigd werd voorgesteld, zo wordt nu in vereniging met de vijf eerste redenen (Hoofdstuk 1-3) ook de wijsheid als een persoon die met heldere stem op, alle openbare plaatsen de mensen uitnodigt, naar hare woorden te horen, die in hun volkomen waarheid en grote waarde, bijzondere voordelen voor lichaam en ziel zullen aanbrengen (vs. 1-21). Zij beroemt zich hierop, dat zij reeds vóór de wereld bestond, dat zij door God vóór alle schepselen gegenereerd, bij de schepping Hem ter zijde stond, Hem als ene bekwame kunstenares gediend heeft, en van dag tot dag grote vreugde had, hoe zij zich dagelijks verheugde in de menigvuldige scheppingswerken Gods (vs. 22-31). Men geve Haar daarom toch gehoor. Wie haar volgt en zich met haar bemoeit, wordt gelukkig, maar wie zich aan haar afkeert, of wel haar zelfs haat, vertoornt zich over zijne eigene dwaasheid en zoekt het verderf (vs. 32-36). Het geheel is een lofwoord vol geestdrift en schoonheid op de eeuwige Wijsheid Gods, even als in Job 28, Wijsheid 7 en Sir 1, waarbij men niet mag vergeten, dat het ene dichterlijke rede is vol hoog verhevene gedachten, maar niet ene openbaring over de diepten van Gods Wezen en het leven. “Dat de wijsheid ene macht is, en dat in nog geheel anderen zin dan de dwaasheid, ene zuiver geestelijke macht, ja ene macht, welke teruggaat in de eeuwige diepten van God, en zonder welke de gehele wereld niet ware geschapen, noch zou voortbestaan, ene macht, die ondanks al hare hoogte en heerlijkheid, zich toch altijd ook den mensen wil mededelen en die zij bekwaam is te leiden in vereniging met den waren godsdienst-dat alles heeft de schrijver levendig leren kennen. Hij laat haar hier met al die levendigheid en waarheid, met welke zij in hem zelven leeft, uit de diepte van haar eigen wezen spreken, en alles beproeven, wat zij kan, om de mensen tot zich te trekken Even als uit de diepte van den waren profeet, God met Zijne onbedwingbare macht, en toch in alle rustige duidelijkheid spreekt, zo stroomt hier de stem der wijsheid uit het hart van haren van geestdrift vervulden tolk, gij had hij haar zelf gezien, hoe zij gelijk ene profetes aan alle plaatsen spreekt, waar hare stem het meest moest worden gehoord.”
Er is dan tegenover deze zware en gevaarlijke verzoekingen en verleidingen van de wereld en hare wijsheid, die in de zevende tot de dertiende rede (Hoofdstuk 4-7) geschilderd zijn, geen middel tot bewaring? Zeker! Roept de eeuwige Goddelijke wijsheid niet zo luide, dat zij door ieder kan gehoord worden; biedt zij zich niet ieder tot ene trouwe leidsvrouw aan? en verheft niet de verstandigheid, de innig aan de goddelijke wijsheid verbondene zuster, duidelijk hare stem, elkeen vriendelijk en lieflijk uitnodigende, die het leven zoekt en het verderf in de binnenkamers des doods (Hoofdstuk 1: 20 vv.) zou willen ontvluchten.
Openlijk, voor iedereen zichtbaar, hoog boven op de toppen der heuvelen, op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, in veld en bos staat zij, en predikt aan ieder, die voorbijgaat, uit de werken der schepping en hun heerlijkheid, om hen te overtuigen, dat de zonde tot verderf der mensen en de weg van Gods geboden de enige weg van geluk is.
Maar ook midden in het gewoel der mensen, aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren, waar men handel drijft en twisten door het gerecht beslist worden (Job 29: 7. Deuteronomium 16: 18), roept zij overluid, voor iedereen, die haar wil horen, verstaanbaar: Er is dus een tweevoudig gebied, waaruit de kennis der wijsheid kan geput worden, de natuur en de mensheid op de beschouwing aan beide berust de leer der wijzen (Job 12: 8-12; 5: 27; 8: 8). Deze beide bronnen van kennis worden echter door de leraars der wijsheid niet boven de Openbaring gesteld; integendeel heeft juist uit de laatste de geest der Israëlitische wijzen den sleutel ontvangen tot de natuur en de mensheid, alleen door middel van het in de Openbaring opgegane licht is men in staat overal het Goddelijke doel op te merken. Terwijl de Israëlitische geest nadacht over de daden Gods, die met de levendigheid der waarheid waren overgeleverd, en over de Goddelijke openbaring, in welker tucht hij was opgevoed, werd hem het inzicht in hun heerlijkheid en doelmatigheid ontdekt. Hier bood zich aan den nadenkend en beschouwer ene onuitputtelijke bron aan kennis aan (Psalm 119: 18) Maar aan de kennis der doelmatigheid der theocratische inzettingen ging het nadenken voort tot de gedachte van ene Goddelijke orde die alles omvatte en beheerste en tot een zeker doel leidde. De Heere toch der theocratie is de Schepper en Onderhouder van het heelal, en zelfs het verbond rust op de wereldorde. De door de wet onderwezene ziet ook in de natuur ene daarmee overeenkomende wet (gelijk in Psalm 19 de openbaring der natuur en der wet tegenover elkaar worden gesteld). Het is het Woord aan dezelfden God, dat in de theocratie als het woord der wet en der belofte bekend is gemaakt, en dat als woord van macht de wereld tot aanzijn heeft geroepen en in alle verschijningen der natuur zich openbaart. Terwijl nu het heelal niet alleen wordt aangemerkt als product van de macht van God, die scheppen kan, wat Hij wil, maar ook als product van een Goddelijk handelen volgens een plan, zo komt het voor als openbaring der Goddelijke Wijsheid.
De Wijsheid, (Spreuken 9: 1) de opperste Wijsheid genoemd, is gene blote persoonsverbeelding, maar ene verbloemde voorstelling van den persoon van Christus, als de persoonlijk geopenbaarde Wijsheid Gods. Christus is in geheel de Schrift, en dus ook in de Spreuken van Salomo, de enige sleutel tot opening van hare diepste diepten, waar de meeste schatten liggen. Ja, aldaar worden de verborgene schatkamers vol edelgesteenten gevonden, die enkel gesloten blijven voor hen, die dezen sleutel niet willen gebruiken. Wij herhalen het ook hier: God heeft het beeld aan Zijn Zoon op allerlei wijze in de Schrift ingeweven en wel altijd overeenkomstig de bedeling des tijds. Aan de eerste vrouw werd Hij als het zaad der vrouw, aan Abraham, den vader der volken, als aller volkeren zegen, aan Mozes, den middelaar der wet, als de Middelaar der genade, aan David, den koning, als de eeuwige Koning en aan den wijzen Salomo, als de persoonlijke Wijsheid geopenbaard.”. De beschrijving, welke de Spreker van Zijnen Goddelijken oorsprong geeft (vs. 22-31) kan niet, zonder de grootste ongerijmdheid op de gemelde zaken (godsdienst, wijsheid, wet, openbaring) worden toegepast; noch de wijsheid aan den schranderste, noch de wet van God, noch de oneindige wijsheid van het Opperwezen, kan met mogelijkheid gezegd worden aan eeuwigheid gezalfd en vóór de wording aan alle geschapene dingen geboren te zijn (vs. 23). Wij hebben derhalve aan een persoon te denken, en wel aan een Goddelijken persoon. Kortom, het staat bij ons vast, dat hier Gods eeuwige Zoon onder den naam van “wijsheid” sprekende is ingevoerd. Aan dezen immers wordt de bestiering aan alle dingen met het hoogste recht toegekend (vs. 14-16). Deze heeft vóór de wording aller dingen van eeuwigheid bestaan (vs. 22-26). Deze was bij den Vader, toen Hij de hemelen bereidde en enen cirkel beschreef over de vlakte aan den afgrond (vs. 27-31). Voeg er bij dat onze goddelijke Verlosser Zich zelven met enen kennelijken weerslag op deze redevoering, de Wijsheid noemt, MATTHEUS. 11: 19, en dat deze uitmuntende persoon met het hoogste recht den naam aan wijsheid draagt (vs. 12).
Tot u, o mannen! die in waardigheid, ambten en aanzien staat (Psalm 49: 3; 4: 2), roep ik; meent gijlieden niet, dat gij mijne leer niet nodig hebt, en mijne stem is tot der mensen kinderen 1), tot hen, tot die mensen, welke in het oog der wereld weinig betekenen, ook tot de onaanzienlijksten der aarde, tot allen zonder onderscheid van stand en geslacht komt mijn woord.
Wij luisteren te meer naar die redenen, in welke wij ons horen noemen, daar wij anders misschien niet op gelet zouden hebben. De wijsheid roept tot de mannen en haar stem is tot de kinderen des mensen. De Engelen behoefden haar onderwijs niet, de duivelen hadden het versmaad en de redeloze schepselen zijn er niet vatbaar voor. De mensen, die geleerder zijn dan de dieren des velds en wijzer dan de vogelen des hemels, zijn er het voorwerp alleen van. Deze hadden ook belang bij dit onderwijs, moeten allen, willen zij wel doen, van de kleinste tot de grootste, gereed staan, om het te ontvangen en hetzelve vermeesteren en aannemen.
Gij slechten, onnadenkenden, die u door den schijn laat verleiden om het hogere te vergeten en het mindere na te jagen, verstaat kloekzinnigheid, beschouwt alle dingen in het ware licht, en gij zotten! (Hoofdstuk 1: 22 ), gij moedwillige zondaars! verstaat met het hart, gij trotsen en werkheiligen! legt alle vooroordelen af en laat het u ernst zijn om te luisteren. De eerste trap aan verlichting is, dat men op het woord lere letten, zijne eigene dwaasheid erkenne, en zijne eigen wijsheid late varen. De prediking des Evangelies geschiedt niet aan ons als rechtschapene en rechtvaardige mensen, maar als openbare en geheime zondaren. Neen, het Evangelie vleit ons niet, zo als de wereldse wijsheid ons doet. Het zegt tot ons rechtstreeks en met den hoogsten ernst: “Uw hart moet bekeerd worden, ene mondbelijdenis is niet voldoende.”.
Hoort met opmerkzaamheid, want ik zal vorstelijke 1) dingen spreken, voortreffelijke, hoogst gewichtige waarheden u voorstellen, die tot eeuwige heerlijkheid geleiden, en de opening, mijner lippen, al wat uit mijnen mond gaat, zal enkel billijkheid, waarheid en recht, zijn. (Psalm 19: 9).
Vorsten moeten eerlijk en prijzenswaardig spreken en handelen, zodat men hun voorbeeld kan roemen en volgen, niet als de tirannen en cyclopen.
De waarheden van het Evangelie zijn vorstelijke dingen, omdat zij God, den Koning aller vorsten, alleszins betamelijk zijn, omdat zij waardig zijn door Gods Zoon, den Vorst des levens en den Overste van de koningen der aarde, te worden voorgesteld, omdat zij de aandacht van alle mensen, zelfs van koningen en vorsten verdienen.
Wat de Wijsheid zal doen horen, wordt daarom vorstelijk genoemd, dewijl het hemelse en goddelijke zaken betreft en van zulk een uitnemend gewicht, dat zij elke andere zaak verre te boven gaan. Alle kennis en wetenschap vergeleken bij wat de wijsheid voortbrengt is gering. Zij betreft datgene, wat niet alleen voor den tijd, maar ook wat voor de eeuwigheid geldt.
Want mijn gehemelte, waar het nog niet uitgesprokene woord, door het stille werken van den geest wordt gevormd, zal de waarheid bedachtelijk uitspreken (Hebr. ademen); mijne gedachten zijn de gedachten der eeuwige waarheid, en de goddeloosheid is mijnen lippen een gruwel, alle leugen en bedrog zal dus verre van mijne woorden zijn.
Al de redenen mijns monds, wat ik ook lere, bedreige of belove, alle mijne woorden zijn in gerechtigheid, zijn overeenkomstig Gods wil en bedoelen Zijne eer; er is niets verdraaids noch verkeerds in1), niets is in tegenspraak met zich zelven, of met de waarheid Gods, alles is heilige eenvoud. (Psalm 19: 10).
Alle de voorschriften en besturingen van den geopenbaarden Godsdienst zijn overeenkomstig met, en dienen tot volmaking van de Wet en het licht der natuur, en er is niets in dezelve, welke Gods enige boei, enig streng juk oplegt, of ons onder enig zulk bedwang legt, welke met de waardigheid en de vrijheid der menselijke natuur overeenkomstig zou zijn; en niets schrijven ze ons voor, waarover wij met reden zouden mogen klagen, want alle Gods geboden, omtrent alle dingen, zijn recht.
Zij zijn allen recht voor degenen, die verstandig is; zij die uit de waarheid zijn zullen van deze mijne leer bekennen, dat zij uit God is, en zijn rechtmatig, duidelijk en waar voor degenen, die wetenschap vinden, voor hen, die er zich op toeleggen om de waarheid te leren kennen en reeds enige beginselen van kennis hebben verzameld. (MATTHEUS. 13: 12). De evangelische theologie schrijft aan de gehele heilige Schrift, aan het boek der hemelse wijsheid de eigenschap toe, dat zij klaar en duidelijk is. Hoewel er toch vele moeilijke en duistere plaatsen zijn, die zonder geleerdheid en kennis niet te verklaren zijn, hoewel er zulke diepe, goddelijke geheimen in te vinden zijn, die voor het verduisterd menselijk verstand op aarde niet ten volle worden verstaan, zo blijft het toch waar, dat de Schrift zo duidelijk in hare woorden is, dat er geen geloofsstuk, nodig tot zaligheid, gevonden wordt, dat de Heilige Schrift niet op deze of gene plaats zo duidelijk heeft uitgedrukt dat een eenvoudige, naar de goddelijke kennis begerige, niet tot overtuiging der Goddelijke waarheid zou kunnen komen.
Neemt mijne tucht aan, daar gij om uwer zonden wil bestraft wordt, en van de nietigheid van alle streven buiten God moet overtuigd worden; die te willen ontvangen is de eerste schrede tot het bezit der wijsheid; neem haar aan en niet zilver, want de onvergankelijke schatten zijn beter, dan die, welke de dieven doorgraven en stelen, en leert wetenschap, de kennis der Goddelijke waarheid, meer dan het uitgelezen, uitgegraven goud. (Hoofdstuk 1: 3; 3: 14. Job 28: 17). Het is de tucht, die ons hij ondervinding God doet kennen; het is de weg, die door lief en leed leidt. In het Evangelie heet het: Wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.” Deze tucht is beter dan zilver. Salomo was zeer rijk, doch dit was hij genoodzaakt te zeggen, dat zelfs koning te zijn en rijkdom te hebben, tot de ijdelheden behoorde. Een ding is nodig-God te vrezen.
a) Want wijsheid, gelijk ik, de eeuwige Wijsheid, u wil geven, is beter dan robijnen, die, in de diepte der zee met grote begeerte, moeite en gevaar gevonden, voor de grootste kleinoden worden gehouden (Job 28: 18), en al wat men begeren mag 1) van de heerlijkheid der wereld is met haar niet te vergelijken, 2) daarom omdat zij ons onvergankelijke schatten en goddelijke heerlijkheid geeft.
Psalm 19: 11. Spreuken 3: 14,15; 16: 16.
In het Hebr. Chafatsim. Beter: al wat kostbaar is, m.a.w. alle kleinodiën. De Goddelijke Wijsheid wordt hier gesteld tegen het kostbaarste wat op aarde is te vinden en te verkrijgen.
De wijsheid van God heeft overeenkomst met ene parel, want zij wordt, gelijk boven gezegd is, slechts met grote moeite en door gevaarvollen arbeid uit het zoutachtige tranenwater van het berouw verkregen, en is slechts daardoor, dat (even als de parel door het kwetsen van de parelschelp ontstaat) de Zoon Gods door het lijden des doods geheiligd werd; een den mensen toegankelijk goed geworden. (MATTHEUS. 13: 46). Ook is zij in zich zelve afgerond en geeft van alle zijden glans, aan ieder oog een ander kleurenschijnsel gevende, even als de parel. Zij komt, even als deze, slechts toe aan koningen en vorsten, aan de kinderen Gods, die den aardbol beheersen. Maar de wijsheid is nog beter dan paarlen. Zij versiert zelfs voor de ogen Gods en niets kan in haar plaats treden, wanneer zij verloren gaat.
Altijd klimmend is deze rede. Eerst is het zilver, dan goud, dan robijnen, dan al wat kostbaar en begeerlijk is. Of Salomo de wetenschap ook lief had! Doch het was niet de wetenschap der ongelovigen, zo als zij ook bij ons zijn; neen, deze zijn juist de zotten bij Salomo; maar het was de wijsheid der heiligen, het was de wetenschap des geloofs en der genade Gods. Het was die schat dien de akkerman vond in zijn akker, en die onschatbare parel, die de koopman vond en voor welke hij alles verkocht, wat hij had, terwijl Jesaja zegt: “Komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk!” Want die ze koopt, geeft er niets voor, en die ze heeft, heeft er alles voor over, want al het overige is hem voortaan van gene waarde meer. Wat zwoegen dan nog zo velen geheel hun leven om goud en zilver bijeen te vergaderen, welke toch gene andere dan lichamelijke behoeften kunnen voldoen; graaft in de Schriften en onderzoekt ze-zij zijn de goud- en zilvermijnen der ziel.
Ik, Wijsheid, woon bij hen op ‘t nauwst verbonden met de kloekzinnigheid (vs. 5), de verstandigheid en nadenkendheid deel ik als ene eerste gave mede, en ik vinde, ik bezit de kennis van alle bedachtzaamheid 1); bij alle levensvragen, weet ik goeden raad te geven.
In het Hebr. Wedaäth mezummoth emtsa. Letterlijk, en het weten van juiste besluiten is bij mij te verkrijgen. De Wijsheid zegt hier te bewonen de kloekzinnigheid en het is daarom, dat zij hen, die zich haar overgeven en naar haar luisteren, de kennis mededeelt, om rechte besluiten te nemen, besluiten, die het tijdelijk en eeuwig geluk in den weg van recht en gerechtigheid bevorderen.
De vreze des HEREN, de ware godsvrucht, met welke ik onafscheidelijk verbonden ben; en die ik als ene tweede gift doch als hoogste goed mededeel en bevorder (Hoofdstuk 2: 5 ), is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg, den goddelozen wandel; Ik haat niet alleen deze genoemde zonden, maar ook den mond der verkeerdheden, den leugenachtigen mond; want waar hemelse Wijsheid is, daar is waarheid in woord en wandel. Ik ben de eeuwige en zelfstandige Wijsheid, het beeld van den onzienlijken God. Ik ben de bronader der wijsheid, de leraar der wijsheid, die door het Evangelie verborgenheden geopenbaard heb, welke van voor de tijden der eeuwen waren verzwegen geweest en mijnen lievelingen wijsheid in het verborgen bekend maak. Ik woon, bij de kloekzinnigheid, ik heb mijnen vasten en bestendigen zetel bij de kloekzinnigheid; zulke, die er zich op toeleggen, om een opgehelderd doorzicht te hebben, vooral in zaken van den godsdienst, zijn mij bijzonder aangenaam, deze begunstig ik met mijnen bijstand, zodat zij in de geheiligde kennis van mijne leer al meer en meer vorderingen maken, en ik wijsheid vindt de kennis aller bedachtzaamheid, of “ik doe vinden”, ik verstrek tot het vinden van de kennis aller bedachtzaamheid, want ik geef mijnen lievelingen niet alleen een opgehelderd begrip van de leerstukken des Evangelies, maar ik verleen hun ook de nodige genade, om acht te geven op de uitgangen van hun harten en te weten, hoe zij zich in onderscheidene omstandigheden moeten gedragen.
In Hoofdstuk 6: 16-19 is gezegd wat door den Heere gehaat wordt, dit zelfde wordt nu ook gezegd door de Wijsheid gehaat te worden.
Raad en het wezen, de kracht om te helpen zijn mijne (Jes. 27: 1 ), ik ben het verstand, om den besten weg te onderscheiden, mijne is de sterkte, om dien te betreden en iets groots te verrichten, en ik geef dien aan mijne jongeren, als ene derde kostbare gave.
Door mij, door het verstand en de macht, die ik geef, regeren de koningen, en de vorsten stellen door mijnen raad gerechtigheidvast en beslissen de twisten op aarde.
Door mij heersen in ‘t algemeen de heersers, en de prinsen, ieder die iets te regelen en iets te leiden heeft, al de rechters der aarde. Zonder Christus regeren de vorsten en groten eigenmachtig, eigenwillig en eigenwijs. Van daar zo vele treurige regeringen. Zij bestaan niet zelden in ene rusteloze en tegenstrijdige beweging. Men twist en gist en mist, en heeft geen zeker doel, en nog veel minder een zekeren tred en been.
Niet te vergeefs zoekt iemand, die hemelse goederen, want ik heb lief, die mij liefhebben, ik begiftig gaarne rijkelijk met mijne gaven allen, die al is het maar met een klein verlangen, naar mijne gemeenschap uitzien, en die mij vroeg zoeken, met terzijdestelling van eigene wijsheid en zondelust, zullen mij vinden, en met mij enen rijken zegen. Door liefhebben, niet door luiheid komt men tot God. Men moet God liefhebben, opdat wij door Zijne liefde ons zelven vergeten. God liefhebben is ook zich zelven liefhebben. Hij bemint God minder, die nevens Hem iets bemint, dat hij niet om Zijnentwil bemint. Ieder, die zich zelven meer dan God bemint, bemint ook zich zelven niet. God wordt niet bemind, dan door God. Wie God bemint, verlaat gemakkelijk al wat in de wereld is. Door de liefde tot den Goede worden wij goed en beter. Mijne liefde is mijne zwaarte; door haar word ik gedreven, waarheen ik gedreven word. Ene goede of verkeerde liefde maakt ook de gevoelens goed of slecht. Nadert, nadert dan, o onsterfelijke zielen! en werpt u aan de voeten der eeuwige Wijsheid en ondervindt, hoe genadig en vriendelijk zij u zal ontvangen, hoe duidelijk zij u zal verschijnen en hoe verstandig zij een ieder naar zijne behoefte zal terechtwijzen. Gij zult spoedig gewaar worden, hoe ver de menselijke leer hij haar onderricht achterstaat, en hoe schandelijk de wijzen u hebben bedrogen. Zij, die Christus beminnen, zijn dezulken, die wedergeboren zijn en ene geestelijke en ondervindelijke kennis hebben van Hem, die in Hem geloven, Zijne beminnelijkheid hebben gezien en in wier harten Zijne liefde is uitgestort. De liefde, met welke zij Christus beminnen, is van harte en oprecht. Dit wijst aan en beschrijft de personen, die van de liefde van Christus tot hen mogen verzekerd zijn, wanneer hun liefde zich gevestigd heeft op Hem, die alle dingen werkt, ook de begeerten om voor den gemeenschappelijken zegen te arbeiden. En zij, die Hem zoeken in het gebruik der middelen van het Woord en de instellingen, en ondersteund worden door Zijnen Geest en Zijne genade, om te ontvangen vergiffenis, gerechtigheid, leven en redding, die alleen in Hem worden gevonden, zullen Hem vinden. Zij mogen gezegd worden Hem vroeg te zoeken, die Hem zoeken in den morgen hunner jeugd, of in de eerste plaats, boven alle andere dingen, dezulken zullen steeds voorspoed hebben. Zij vinden Christus en het leven, rechtvaardigheid en zaligheid in Hem en elke zegen, en alzo zijn zij gelukkig.
Ook a) rijkdom, en eer onder de mensen is bij mij, want de godzaligheid heeft ook de beloften van dit leven; duurachtig goed, mijne vierde gave is een blijvend en door mijnen zegen aangroeiend goed, en daar en boven als ene vijfde gave, die in vereniging met de vreze Gods (vs. 13) alle de andere verenigt en bevestigt, de gerechtigheid, de eeuwige gerechtigheid, door welke alleen een zondaar voor God kan bestaan.
Spreuken 3: 16. De gelovigen zijn kinderen van een oneindig rijken Vader; zij mogen en moeten zich derhalve verheugen in de onmetelijke rijkdommen, die zij nog niet hebben, maar die door hunnen Vader in de hemelen bewaard worden. En van deze rijkdommen ontvangen zij op aarde zo veel of zo weinig, als hun goed is, maar in den hemel ontvangen zij alles.
De rijkdommen, met welke de wijsheid hare gunstelingen bedenkt, hebben deze twee voordelen: eerst dat zij een rechtvaardig goed zijn, of verkregen worden door gerechtigheid; door alle eerlijke en geregelde middelen, en dat ze tevens in rechtvaardige handen vallen, die weten hoe ze er mede handelen moeten, indien zij zich als goede rentmeesters willen gedragen, voor den hemelsen Leenheer, die dezelve hun maar onder borgtocht en op zekere renten geschonken heeft en laat bezitten. Ten tweede, dat zij een duurzaam goed worden of blijven, dat ze niet zo haastig wegvloeien als met arendsvleugelen, gelijk het onrechtvaardig gewonnen goed, maar aan de nakomelingschap gerustelijk meermalen overgelaten worden.
Mijne vijfvoudige vrucht, die aan mij den boom des levens groeit (Hoofdstuk 3: 19) is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud, wat de vuurproef heeft doorstaan (Hoofdstuk 3: 14), en mijn inkomen, dat ik voor elk mijner discipelen medebreng, dan uitgelezen zilver.
Ik doe, om mijne beide laatste gaven (vs. 18) nog eens nadrukkelijk op den voorgrond te plaatsen, ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid 1), in het midden van de paden des rechts, en leer alzo ook de mijnen wandelen;
Er is een gerechtigheid, waardoor de zondaar in de rechte verhouding tot God komt te staan, en er is een gerechtigheid, waardoor hij het recht handhaaft tegenover zijne gelijken, zodat hij door den drang der liefde het openbaart, dat hij gelijk met gelijk wil behandelen. Over deze tweeërlei gerechtigheid wordt hier gesproken. Het tweede is een gevolg van het eerste.
Opdat ik, tegelijk met deze gezindheid des harten, ook ware goederen mijnen liefhebbers doe beërven, en wel dat goed, dat bestendig is; en ik zal hun schatkamers vervullen; hun verstand zal ik met zaligmakende kennis, en hunnen wil met ongeveinsde heiligheid vervullen.
Wilt gij echter recht kennen, wat mijn Wezen is en welke mijne onvergelijkelijke waarde, en van waar ik deze zo hoog geroemde goederen bezit, zo weet dat ik van Goddelijken oorsprong, (vs. 22-26).De HEERE bezat 1) mij, in het beginsel 2) Zijns wegs, als eersteling Zijner schepping, vóór Zijne werken, vóór Hij nog hemel of, aarde gemaakt had (Genesis 1:
, van toen aan ben ik.
In deze schildering der Wijsheid (vs. 22-36) komt het er vooral op aan, dat hare afstamming als onmiddellijk en alleen van God zelven, boven alles wat schepping heet, wordt voorgesteld. Zij kan gene woorden vinden, om deze hare betrekking tot hetgeen voor alle mensen het hoogste goed is, te beschrijven. Zij kan hare verhouding tot den Heere, hoewel die, strenger gedacht, ene andere moet zijn, dan die der overige zichtbare schepselen, toch slechts door reeds elders gebezigde woorden uitdrukken, kiest slechts het minste, zeldzame en oude, meestal slechts bij dichters gebruikte “verwerven”, vervolgens “scheppen”, gelijk ook de plaatsen, die op onze plaats doelen (Sir. 1: 4,9; 24: 14) het vertalen (zo ook de Septuaginta: ektise): vervolgens (vs. 23) het zeer zeldzame Kow, eigenlijk “geweven,” “gewerkt,” vervolgens tot aanzijn geroepen worden”: eindelijk vs. 24 vv. tweemalen het dichterlijke woord voortgebracht, geboren worden. De nadruk ligt hier overal niet op den aard en de wijze van haren oorsprong, maar, daarop, dat zij sedert lang vóór al het zichtbare werd geschapen.
De grondlegging der wereld is door geheel de Schrift heen het begin des tijds. Het vroegere is de ondenkbare eeuwigheid, is God, de persoonlijke eeuwigheid, de Eeuwige in Zich zelven, zonder werken, zonder schepping. Had nu Christus heerlijkheid bij den Vader eer de wereld was, zo behoort Hij tot het eeuwig wezen Gods.
De Wijsheid is het waardoor Hij alle dingen geschapen heeft. Zij wordt hier persoonlijk voorgesteld. God onderscheidt Zich binnen het terrein der bijzondere openbaring als Jehova en Malach Jehova (de Bode, de Engel des Heren). Maar in betrekking tot de wereld in het algemeen onderscheidt Hij Zich als Elohiem in Woord en Wijsheid. Deze beide zelfonderscheidingen dragen onder het O. Verbond een voorbereidend karakter, maar lopen uit op den een Christus, die zich geopenbaard heeft te zijn de Logos (het Woord, de Wijsheid), door Wie alle dingen zijn geschapen, en als de Knecht des Heren (de Zoon, de Middelaar des N. Verbonds, de Profeet, Priester en Koning), die het werk der zaligheid volkomen volbrengt. Daarom wordt ook hier van de Wijsheid gezegd, dat zij is door God voortgebracht, dat zij is uit Hem. Het woord in den grondtekst geeft toch een creëren, een voortbrengen uit Zich zelven aan. Gelijk van den Christus onder het N. Verbond gezegd wordt, dat hij is de Eerstgeborene aller creaturen (Coll. 1: 21), zo wordt hier ook van de Opperste Wijsheid gezegd, dat zij (Hij) het eerst is door God gegenereerd, door Hem is voortgebracht.
Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest 1), ten einde mijne zegeningen den mensen te schenken, van den a) aanvang, van de oudheden, de eerste beginselen (Genesis 1: 1), der aarde aan2),
Joh. 1: 1.
Dit kan niet gezegd worden dan van een persoon. Christus is de Gezalfde des Vaders. Zeker naar Zijne mensheid, want alleen naar de mensheid is zalving nodig, maar toch van eeuwigheid, zijnde door den Vader gezalfd tot Profeet, Koning en Hogepriester van eeuwigheid af en in eeuwigheid (Psalm 2: 7). En Micha (5: 1) getuigt van den Messias: “Zijne uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.”.
Te recht merkt Schultens aan, dat dit in onze overzetting eer te flauw dan te sterk is uitgedrukt. De woorden in den grondtekst geven toch duidelijk aan, dat ook de Wijsheid hier wil zeggen, dat Zij er was eer er nog enig begin van deze bewoonbare aarde was.
Ik was geboren, als de afgronden, de waterstromen, die in den beginne de aarde omgeven (Genesis 1: 2 vv.), nog niet waren. Ik ben geen geschapen wezen, dat een begin heeft gehad. De afgronden der wateren behoren tot de eerste werken, welke God buiten Zich heeft voortgebracht, maar, toen er nog in het geheel gene afgronden waren, in de nooit begonnen eeuwigheid ben Ik als Gods Zoon gegenereerd; als nog gene fonteinen waren, zwaar van water (vs. 28. Genesis 7: 11. Job 38: 16). Zodra de Almachtige Schepper het droge van de wateren afgescheiden en bergen geformeerd had op de oppervlakte van onzen aardbol kwamen er aanstonds fonteinen voort, zwaar en bezwangerd van wateren. Deze fonteinen behoren derhalve onder de eerste voortbrengselen der schepping, maar toen er nog gene fonteinen waren, was Ik reeds geboren.
Aleer de bergen, dat beenderenstel der aarde, met hare wortelen in het inwendige der aarde ingevest; vastgesteld waren, vóór de heuvelen was ik geboren (Psalm 90: 2).
Om het nog eens kort te zamen te vatten: Hij had de aarde, het bewoonde land, nog niet gemaakt, noch haar tot die vruchtbare uitgestrektheden, de velden gemaakt, noch den aanvang van de stofjes der wereld. Nergens kan men zo duidelijk, als in die landen (van het Oosten) en in Afrika zien, dat al het vruchtbare land slechts als een hoop verstrooide aardkluiten tussen de uitgestrekte woestijnen ligt.
Vs. 27-31 schildert de wijsheid, in welk verband zij met alle schepselen van God, maar voornamelijk met de mensen staat, en wel met een inwendigen gloed, en met ene reine vreugde des harten, zoals dit slechts hij vermag, die op de rechte plaats ook het diepste en verborgenste uitstort, waarmee zijn gehele zelfbewustzijn samenhangt.
Toen Hij de hemelen in hun onmetelijke hoogte bereidde, was ik daar of, daarbij; 1) toen Hij enen cirkel over het vlakke des afgronds beschreef, toen Hij den dampkring formeerde en die in de gedaante van een cirkel uitbreidde over de aarde, welke een scheidsmuur vormde tussen de wateren boven en beneden (Genesis 1: 6. (Job 26: 10);
De Wijsheid was er bij als God de wereld schiep en was alzo toen reeds lang gegenereerd, evenals de knecht des Heren (Jes. 48: 16) evenzo zegt, dat Hij daarbij is, sedert de geschiedenis der volken, die met Cyrus ene nieuwe wending nam.
Toen Hij verder de opperwolken van boven vestigde, zodat zij hare sluizen niet konden verbreken en den aardbodem met water bedekte (Job 26: 8; 38: 37), toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte, de wateren beneden of de bronnen der zee (Job 38: 16), zodat zij niet weer te veel van de onderaardse bruisende wateren doorlieten, om de aarde weer tot een chaos te doen worden (Genesis 7: 11; 8: 2);
Toen Hij der zee in den beginne (Genesis 1: 9,10) haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden, maar zich steeds moesten houden binnen de grenzen tussen het vaste land en de zee (Psalm 104: 9. Job 38: 8-11), toen Hij de grondvesten der aarde stelde, de elementen die al het andere dragen, rangschikte; Toen de alleen wijze God der aarde hare plaats aanwees onder de dwaalsterren en hare vastgestelde bewegingen verordende, met een woord, bij en vóór de eerste wording aller dingen was ik reeds. Ik ben derhalve geen geschapen wezen. Ook ben ik bij de eerste wording aller dingen niet als een bloot aanschouwer tegenwoordig geweest, maar als de almachtige Werkmeester zelf (vgl. Joh. 1: 3. Kol. 1: 19. Hebr. 1: 12). Alle uitdrukkingen, welke wij vs. 24-29 ontmoeten, dienen ten betoge aan hetgeen de Opperste Wijsheid vs. 22 gezegd had, ten betoge, dat onze goddelijke Leraar aan Zijnen Vader gewonnen was van alle eeuwigheid, “voor Zijne werken van toen aan.” De tweede stelling vs. 23, dat onze Verlosser ook van eeuwigheid tot Middelaar gezalfd is, wordt vs. 30 en 31 nader betoogd.
Toen was ik, de hemelse bron der wijsheid, een voedsterling 1) bij Hem, en ik was dagelijks Zijne vermakingen. Zijne zalige vreugde, Zijn innig welgevallen a) te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende.
Joh. 5: 17.
Ene geheel dichterlijke en Oosterse voorstelling. Bij de schepping der wereld zweefde de wijsheid, als een geliefd voedsterkind voor Gods aangezicht, en verlustigde Hem als door haar kinderlijk spel. God vermaakte Zich in het spelen der wijsheid en zie! daar kreeg ene wereld het aanwezen, die in echte afdruksel der hoogste wijsheid was.
De woorden: “toen was ik een voedsterling bij Hem,” behelzen de volgende zeer gewichtige waarheden in zich; 1) dat de Zoon van den Vader waarachtig en personeel onderscheiden is, gelijk de voedsterling een ander is dan de persoon, door welken hij wordt opgevoed; 2) dat God de Vader Zijnen Zoon ene teerhartige liefde van de schepping der wereld, ja van alle eeuwigheid, heeft toegedragen en onophoudelijk toedraagt, gelijk een voedsterling door zijne ouders teder bemind wordt; met dit onderscheid evenwel, dat de liefde van den eeuwigen Vader tot Zijnen eeuwigen Zoon de tederhartigste ouderliefde zover overtreft, als de oneindige goedheid boven den nietigen mens verheven is. (Vergelijk (Joh. 5: 20-29); 3) dat de Zoon van den Vader nimmer afgescheiden is. Hij was bij den Vader, toen het heelal geformeerd werd. Hij was bij den Vader van eeuwigheid, Hij is nog bij den Vader, en Hij zal eeuwig bij den Vader blijven (vgl. (Joh. 10: 38; 14: 10).
In het Hebr. Amoon. Dit woord kan én voedsterling én werkmeester betekenen. In de laatste betekenis komt het voor Jer. 52: 15. Wij voor ons kiezen de tweede betekenis. Hier wordt toch van de Wijsheid gezegd, dat zij is de middeloorzaak der Schepping. Reeds vroeger in de vorige verzen is er op gewezen, dat zij uit God is, maar hier ook in verband met het volgende, dat, toen God de wereld schiep, zij door Haar is voortgebracht. Gelijk eeuwen daarna Johannes van het Woord sprak, dat alle dingen door Hetzelve gemaakt zijn, zo wordt ook hier van de Wijsheid gezegd, dat Zij het is, waardoor de Heere God alles heeft gewerkt. Woord en Wijsheid zijn één en wijzen op Hem, die zeggen kon: Eer Abraham was, ben Ik.
Spelende, mij verlustigende in de heerlijkheid der menigvuldige wel gelukte scheppingswerken van God, in de wereld Zijns aardrijks, en mijne hoogste vermakingen waren van den beginne af en zijn met der mensen kinderen, die naar het evenbeeld Gods zijn geschapen. Het is alsof de Wijsheid juist tot dit einde het schoonste en goddelijkste heeft bewaard om het uit te spreken. Wat is meer waar en tevens meer verheven en heerlijk om te denken, dan dat het dezelfde tedere wijsheid is, die reeds over een gehele wereld aanwezig was en met God als Zijn liefste kind mede de wereld hielp scheppen, en die nu eeuwig in die door haar mede geschapene wereld, maar boven alles in de mensen, hare vreugde en haar genot vindt.
Het spelen der wijsheid, waarin de Heere Zijn lust heeft, en haar spelen op aarde, waarbij zij in de mensen hare vreugde heeft, zinspeelt hier op den vrolijk kinderlijken zin der liefde die bij de schepping bestond, en op de innige betrekking, in welke de kinderen der wijsheid op aarde (MATTHEUS. 11: 19) met haar, de Goddelijke wijsheid zelf, verkeren (Spreuken 10:
. Ook is op deze plaats, de helderste voorspellende schemering van het licht des Nieuwen Testaments; Gods eeuwige wijsheid gaat als van Hem uit, opdat Hij in haren arbeid Zich verlustige. De Vader ziet in den Zoon tot Zijne zaligheid Zijn eigen wezen. En het is de met deze wijsheid innig verbondene liefde, waarin de Vader de wereld geschapen heeft tot Zijne en Zijner schepselen zaligheid.
Het spelen der wijsheid voor het aangezicht des Vaders openbaart zich inzonderheid in de wonderbare onderhouding, regering en besturing der werken Gods in het grote wereldgebouw, waar alles in de schoonste orde bewaard, alles zeer wonderbaar geregeerd en bestuurd wordt, zodat de gehele schouwplaats der tegenwoordige wereld wel een schouwspel van Gods majesteit en heerlijkheid zou kunnen genoemd worden. Niet minder openbaart zich dit in het rijk der genade.
Wat is het scheppen aan werelden voor den Almachtige anders dan een hoog heilig spel? Immers moeite en inspanning zijn hier niet denkbaar; maar enkel het vermaak, het welbehagen dat God had, zulke werelden als er zijn, te doen worden. En wij allen, met al de andere redelijke schepselen, de engelen boven, en al de voor vreugde vatbare schepselen beneden ons zouden in enkel heilig vermaak, in enkel lieflijk en vrolijk spelen eeuwig hebben geleefd voor Gods aangezicht, maar de duivel heeft dat heilig goddelijk spel bedorven en afgebroken. De zonde is de enige droevige ernst, die allen anderen droevigen ernst heeft voortgebracht. En thans zijn er nog wel flauwe overblijfselen van dat oorspronkelijk vermaak, maar nooit zonder dat de ernst daar tegenover staat. Is niet de wording aan ieder bezintuigd wezen een spel, een vermaak? Daar daartegenover staan vooral bij den mens, de vreselijke en doodsgevaarlijke barensweeën. Is niet het leven van het kind een spel, en wie herinnert zich niet hoe gelukkig hij als spelend kind was? maar daar tegenover staat de ernst, de arbeid, de moeite, de zorg, de teleurstellingen, het verdriet van het volgend leven. En al wilden ook wij, gelijk sommigen doen, geheel het leven als een spel, als ene vreugde, een vermaak beschouwen, daar tegenover staat toch altijd de ernst des lijdens, der smarte, der ziekte, des doods. Ja, God is liefde, en de liefde is een vermaak, een spel. Wie lief heeft, die heeft vermaak; maar daar tegenover staat de haat, dat kwaad, dat pijn is, en pijn veroorzaakt. Wrange vrucht der zonde! Zij heeft bijna al het zoete Gods weggenomen. Wel maakt ook de duivel het leven der zijnen tot een schijnbaar allervrolijkst spel van muziek en dans, waarin toneelspel en kaartspel en allerlei spelen elkaar afwisselen, doch het is ene dronkemansvreugde, die lichaam en ziel verwoest; en tot hoe lang duurt zij? Tot aan de armoede, tot aan de ziekte, tot aan het graf, indien niet nog vooraf tot aan den kerker en tot aan het schavot. En waar leidt zij allerlaatst heen? Tot aan den eeuwigen dood. De goddeloze houdt de zonde voor een spel, waarmee hij zich zolang vermaakt, totdat hij zijne ziel heeft verspeeld, maar voor den godvruchtige is zij de vreselijkste ernst, die er denkbaar is. En dat is zij ook voor God. Het is de zonde, waardoor al de ernst, waardoor al de toorn van God is opgewekt, en waardoor het kruis van Golgotha noodzakelijk is geworden. Ja, heeft de duivel zijn hels spel tegenover het heilig spel van God gesteld, God heeft tegenover dat helse vermaak het Goddelijke lijden gesteld van Zijn eniggeboren Zoon, Zijn voedsterling. in wie Hij al Zijn welbehagen heeft Op het bloedig Golgotha, in Christus aan het kruis heeft God de zonde veroordeeld in het vlees (Rom. 8: 3). Waarom? Om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3: 8). De ernst van het kruis van Christus is de algenoegzame maar dan ook enige bron geworden ener nieuwe, ener eeuwige vreugde voor een iegelijk die gelooft, van die vreugde, waarin Christus uit Zijn lijden is ingegaan; van die vreugde en heerlijkheid, die Hij had eer de wereld was; maar toen had Hij die als God met God, maar nu ook als Godmens met mensen. De ernst van het kruis is voor Hem voorbijgegaan; thans zetelt Hij aan de rechterhand Zijns Vaders, wachtende totdat al Zijne vijanden, waarvan de laatste de dood is, onder Zijne voeten zullen zijn gesteld, en dan heeft het helse spel, de zonde een einde; dan worden de duivel en zijne engelen afgesloten in den afgrond, dien zij zich zelven hebben gedolven, en dan zal Christus Zijne persoonlijke heerschappij over de vijandelijke macht, welke nu verandert in ene eeuwige overwinning, teruggeven aan den Vader, en dan zal het bij al Gods kinderen in hemel en op aarde weer zijn enkel vermaak, vreugde, blijdschap, één heilig goddelijk spel in God, door God, tot God van eeuwigheid tot eeuwigheid: God zal zijn alles in allen, en Zijne vermakingen met de kinderen der mensen zullen zonder einde zijn. Toen was ik een voedsterling bij hem, en ik was dagelijks Zijne vermaking. Reeds in de kabbalistische boeken der Joden wordt gezegd, dat God behagen heeft Zich zelven te denken en af te spiegelen. Welnu, Gods afspiegeling van Zich zelven is Gods Zoon, door wie God Zijne wijsheid en ook Zijne liefde openbaart. En de Zoon is de vermaking des Vaders. De Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem alles wat Hij doet. “Deze is mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik Mijn welbehagen heb,” zei de Vader bij den doop van Zijnen Zoon. En zie hiermede het punt aangewezen, waarin de mens God moet ontmoeten. Zo geheel waar als de Vader van Jezus zei: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in dewelke Ik mijn welbehagen heb, zo geheel waar moeten wij ook zeggen: Mijne ziel heeft in Hem al haar welbehagen. Ten allen tijd voor Zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld Zijns aardrijks. Onder de hemellichamen is de aarde de uitverkorene der genade Gods, niet de zon en niet een zonnestelsel. God alleen is groot, en in het kleinste verheerlijkt Hij Zich het liefst en het meest; daarom is ook de mens, in wie Hij Zijn bijzonder welbehagen heeft, niet uit ene edele stof, maar uit het stof der aarde genomen. -Spelende in de wereld. De natuur is vol spelingen of overeenkomsten. Telkens wordt men door wonderlijke en vreemde dingen verrast; want God heeft Zijne werk niet eenvormig, maar als met ene losse hand gemaakt. De natuurkundigen vinden dan ook gedurig de treffendste overeenkomsten tussen de verst verwijderde vakken van voorwerpen en werkingen, en noemen dat spelingen der natuur, meestal in den zin van toevalligheden; doch deze verschijnselen hebben hunnen grond in de wijsheid Gods, en met deze zijn gene toevalligheden bestaanbaar. Ook ons leven, en nog meer de geschiedenis der wereld en der volken is vol van spelingen, en nu en dan van de meest onverwachte oplossingen der meest ingewikkelde raadsels, al hetwelk getuigt van ene verborgene, onze gedachten te boven gaande wijsheid. En mijne vermakingen zijn met de mensenkinderen. Gelijk de Vader Zijne vermakingen heeft met den Zoon, zo heeft de Zoon Zijne vermakingen met de kinderen der mensen, en Hij had die zelfs tot zover, dat Hij onder den ouden dag in menselijke gestalte met de heiligen sprak, wandelde en maaltijdde, en ten laatste zelf mens werd door de ontvangenis uit den Heiligen Geest en de geboorte ui ene vrouw, onze onheilige natuur in die overneming zelf heiligende. Mochten wij nu maar Zijne vermakingen, Zijne spelen met ons recht vatten. Ook in de genade leidt Hij ons door den Heiligen Geest wonderlijk. Mochten wij ons nu maar, bij het veelvuldige vreemde en onverklaarbare, dat ons overkomt, gedurig herinneren, dat het niet anders dan Zijne spelingen, Zijne vermakingen met ons, de onophoudelijke werkingen Zijner wijsheid en liefde voor en in ons zijn.
Als gezalfde Middelaar heb Ik, uit kracht van den borgtocht, welke Ik van eeuwigheid op Mij genomen heb, ene gans bijzondere liefde tot de verlorene kinderen van Adam: het is Mijn lust en hoogste vermaak, om als plaatsvervangende Borg van zondaren, hun eeuwige en meest wezenlijke belangen te bevorderen.
Dit spelen moet dan ook niet in den zin van kinderlijk spel worden opgevat, maar veeleer in de verheuging, die de kunstenaar heeft over zijn kunstwerk. Gelijk een kunstenaar een heerlijke en innige vreugde heeft over een welgelukt plan zijner schepping, alzo heeft ook de Wijsheid een Goddelijke vreugde over hetgeen door Haar als middeloorzaak is voortgebracht. En dewijl de mens is het hoogste kunstproduct der Schepping, het pronkjuweel der schepping, zoals hij rein en volmaakt uit de handen van zijn Schepper voortkwam, daarom ook zegt de Wijsheid hier, dat Hare vermaking inzonderheid was met de mensenkinderen.
Nu dan, kinderen! wanneer gij dan uit het zo even gezegde hebt leren kennen, van welk enen rein goddelijken oorsprong ik ben, hoe ik aan alle schepselen gedaante en aanzijn heb gegeven, en dus ook wel aan u de in vs. 12-21 aangeprezene heerlijke gave kan mededelen, zo hoort naar mij; want a) welgelukzalig zijn zij, die mijne, de door mij aanbevolene wegen bewaren, en al het ongoddelijke en de wereldse begeerlijkheden haten en vlieden (Tit. 2: 12).
Psalm 119: 1,2; 128: 1. Luk. 11: 28. Niet met gestrengheid, maar met lokkende liefde wordt ten goede vermaand. Ook Christus sprak vriendelijk tot Zijne discipelen, en noemt hen destijds ook “kinderkens!” God spreekt tot ons als tot zonen en dochters. En wij zouden Zijne zonen en dochters niet willen zijn, door niet te horen naar hetgeen Hij tot ons spreekt?.
Hoort en neemt aan de tucht, die u de zonde en de dwaasheid van uw hart aantoont, en wordt daardoor wijs, en verwerpt die niet, omdat zij aanwezig zijnde gene zaak van vreugde, maar van droefheid is (vs. 10).
Want die mij vindt, en zich aan mij overgeeft, vindt het geestelijke en eeuwige leven, en
trekt een welgevallen van den HEERE. 1)
Spreuken 12: 2.
De kinderen der Wijsheid vinden altijd genade in de ogen van den Koning der koningen, die voor alle zijne gelovige heilgenoten het eeuwige leven verkregen, het recht daartoe hun geschonken en zijn verdere gunst voor hen verworven heeft. Gelukkigen dan zij, die Christus, de ware Wijsheid zoeken en vinden, en dus altijd in Hem gevonden worden.
Maar die tegen mij zondigt, mij veracht, doet zijne eigene ziel geweld aan en berooft haar alzo van haar eeuwig heil; allen, die mij, evenals die echtbreker (Hoofdstuk 7: 21), haten, hebben schijnbaar het leven, welks licht en vreugde zij door het verachten van mijn persoon en van mijne gaven willen genieten, maar inderdaad den dood, den geestelijken en eeuwigen dood, die hun loon is, (Hoofdstuk 7: 27. (Joh. 16: 9) lief. 1)
Kom toch gij, gezegende kracht des Allerhoogsten, met uwe tuchtigende genade krachtig in ons! Wees onze geleidende ster en de roede van onze zo hoognodige tucht! Wees gij onze geleidster en drijfster, die ons tevens alle kracht en vreugde tot gehoorzaamheid geeft als het reinste uitvloeisel des Vaders en het leven van Uwe onderdanen.”. Wij hebben hier onder het O. Verbond hetzelfde, wat de Heere Christus zegt: Wie mijn woord zal bewaard hebben, zal den dood niet smaken tot in der eeuwigheid (Joh. 8: 51). Wijsheid en leven is één. Wie de Wijsheid heeft, heeft ook het Leven. Hij, die de Wijsheid is, zegt ook: Ik ben de Opstanding en het Leven (Joh. 11: 25).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel