Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Dengene nuG1161, die zwakG770 is in het geloofG4102, neemtG4355 aan, maar nietG3361 totG1519 twistigeG1261 samensprekingenG1253.
Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.
KJV
Him that is weak3
in the faith5
receive ye,6
but2
not7
to8
doubtful10
disputations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De een gelooftG4100 wel, datG3739 men allesG3956 etenG5315 mag, maarG1161 die zwakG770 is, eetG2068 moeskruidenG3001.
De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.
KJV
For2
one1
believeth3
that he may eat4
all things:5
another,7
who is weak,8
eateth10
herbs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Die daar eetG2068, verachteG1848 hem nietG3361, die niet eetG2068; enG2532 die niet eetG2068, oordeleG2919 hem nietG3361, die daar eetG2068; wantG1063 GodG2316 heeft hemG846 aangenomenG4355.
Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
KJV
Let7
not4
him that eateth2
despise
him that eateth5
not;6
and8
let11
not10
him which eateth13
not14
judge15
him that eateth:
for18
God17
hath received20
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WieG5101 zijt gijG4771, die eens anderen huisknechtG3610 oordeeltG2919? Hij staatG4739, ofG2228 hij valtG4098 zijn eigenG2398 heerG2962; dochG1161 hij zal vastgesteldG2476 worden, wantG1063 GodG2316 isG1510 machtigG1415 hem vast te stellenG2476.
Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.
KJV
Who2
art
thou1
that judgest5
another man's6
servant?7
to his own9
master10
he standeth11
or12
falleth.13
Yea,15
he shall be holden up:14
for17
God20
is
able16
to make21
him22
stand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De een achtG2919 wel den enen dagG2250 boven den anderen dagG2250; maarG1161 de anderG3739 achtG2919 alG3956 de dagenG2250 gelijk. Een iegelijkG1538 zij inG1722 zijn eigenG2398 gemoedG3563 ten volle verzekerdG4135.
De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.
KJV
One2
man1
esteemeth3
one day4
above5
another:6
another7
esteemeth9
every10
day11
alike. Let17
every man12
be fully persuaded
in13
his own15
mind.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Die den dagG2250 waarneemtG5426, die neemtG5426 hem waar den HeereG2962; enG2532 die den dagG2250 niet waarneemtG5426, die neemtG5426 hem niet waar den HeereG2962. Die daar eetG2068, die eetG2068 zulks den HeereG2962, wantG1063 hij danktG2168 GodG2316; enG2532 die niet eetG2068, die eetG2068 zulks den HeereG2962 niet, enG2532 hij danktG2168 GodG2316.
Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.
KJV
He that regardeth2
the day,4
regardeth6
it unto the Lord;5
and7
he that regardeth10
not9
the day,12
to the Lord13
he doth15
not14
regard
it. He that eateth,17
eateth19
to the Lord,18
for21
he giveth God23
thanks;20
and24
he that eateth27
not,26
to the Lord28
he eateth30
not,29
and31
giveth God34
thanks.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 niemandG3762 van ons leeftG2198 zichzelvenG1438, enG2532 niemandG3762 sterftG599 zichzelvenG1438.
Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.
KJV
For2
none1
of us
liveth5
to himself,4
and6
no man7
dieth9
to himself.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 hetzij dat wij levenG2198, wij levenG2198 den HeereG2962; hetzij dat wij stervenG599, wij stervenG599 den HeereG2962. Hetzij danG3767 dat wij levenG2198, hetzij dat wij stervenG599, wij zijnG1510 des HeerenG2962.
Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.
KJV
For3
whether1
we live,4
we live7
unto the Lord;6
and whether8
we die,10
we die13
unto the Lord:12
whether14
we live17
therefore,16
or18
die,20
we are
the Lord's.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 daartoe is ChristusG5547 ookG2532 gestorvenG599, enG2532 opgestaanG450, enG2532 weder levendG326 geworden, opdatG2443 Hij beiden over dodenG3498 enG2532 levendenG2198 heersenG2961 zou.
Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.
KJV
For3
to1
this
end Christ4
both5
died,6
and7
rose,8
and9
revived,10
that11
he might be Lord16
both12
of the dead13
and14
living.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
MaarG1161 gij, watG5101 oordeeltG2919 gij uw broederG80? OfG2228 ookG2532 gijG4771, watG5101 verachtG1848 gij uw broederG80? WantG1063 wij zullen allenG3956 voor den rechterstoelG968 van ChristusG5547 gesteldG3936 worden.
Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.
KJV
But2
why3
dost4
thou1
judge
thy
brother?6
or8
why11
dost12
thou7
set at nought
thy
brother?14
for17
we shall18
all16
stand before
the judgment seat20
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Want er is geschrevenG1125: IkG1473 leefG2198, zegtG3004 de HeereG2962; voor MijG1473 zal alle knieG1119 zich buigenG2578, enG2532 alleG3956 tongG1100 zal GodG2316 belijdenG1843.
Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.
KJV
For2
it is written,1
As I4
live,3
saith5
the Lord,6
every10
knee11
shall bow9
to me,
and12
every13
tongue14
shall confess15
to God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo dan een iegelijkG1538 vanG4012 ons zal voor zichzelvenG1438 GodeG2316 rekenschapG3056 gevenG1325.
Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.
KJV
So2
then1
every one3
of us
shall give8
account7
of5
himself6
to God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Laat ons dan elkanderG240 niet meer oordelenG2919; maarG235 oordeeltG2919 dit lieverG3123, namelijk, dat gij den broederG80 geenG3361 aanstootG4348 ofG2228 ergernisG4625 geeftG5087.
Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.
KJV
Let us4
not therefore2
judge7
one another3
any more:1
but5
judge
this
rather,8
that no man10
put11
a stumblingblock12
or15
an occasion to fall16
in his brother's way.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik weetG1492 enG2532 ben verzekerdG3982 inG1722 den HeereG2962 JezusG2424, datG3754 geenG3361 dingG3762 onreinG2839 is in zichzelvenG1438; dan die achtG3049 ietsG5100 onreinG2839 te zijnG1510, dieG1565 is het onreinG2839.
Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.
KJV
I know,1
and2
am persuaded3
by4
the Lord5
Jesus,6
that7
there is nothing8
unclean9
of10
itself:11
but
to him that esteemeth15
any thing16
to be
unclean,17
to him19
it is unclean.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 indien uw broederG80 omG1223 der spijzeG1033 wil bedroefdG3076 wordt, zo wandeltG4043 gijG4771 niet meer naarG2596 liefdeG26. VerderfG622 dien niet met uw spijzeG1033, voor welkenG3739 ChristusG5547 gestorvenG599 is.
Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.
KJV
But2
if1
thy
brother6
be grieved8
with3
thy meat,4
now9
walkest thou12
not
charitably.11
Destroy18
not13
him17
with thy
meat,15
for19
whom20
Christ21
died.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Dat danG3767 uw goedG18 nietG3361 gelasterdG987 worde.
Dat dan uw goed niet gelasterd worde.
KJV
Let2
not1
then3
your
good6
be evil spoken of:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantG1063 het KoninkrijkG932 GodsG2316 isG1510 nietG3756 spijsG1035 enG2532 drankG4213, maarG235 rechtvaardigheidG1343, enG2532 vredeG1515, enG2532 blijdschapG5479, doorG1722 den HeiligenG40 GeestG4151.
Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.
KJV
For2
the kingdom5
of God7
is
not1
meat8
and9
drink;10
but11
righteousness,12
and13
peace,14
and15
joy16
in17
the Holy19
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 die ChristusG5547 inG1722 deze dingen dientG1398, is GodeG2316 welbehagelijkG2101, enG2532 aangenaamG1384 den mensenG444.
Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.
KJV
For2
he that in3
these things
serveth5
Christ7
is acceptable8
to God,10
and11
approved12
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zo dan laat ons najagenG1377, hetgeen tot den vredeG1515, enG2532 hetgeen totG1519 de stichtingG3619 onder elkanderG240 dient.
Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.
KJV
Let us6
therefore1
follow after
the things which make for3
peace,5
and7
things wherewith12
one13
may edify10
another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
VerbreekG2647 het werkG2041 van GodG2316 nietG3361 omG1223 der spijzeG1033 wilG3956. Alle dingen zijn wel reinG2513; maarG235 het is kwaadG2556 den mensG444, die met aanstootG4348 eetG2068.
Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.
KJV
For2
meat3
destroy4
not1
the work6
of God.8
All things9
indeed10
are pure;11
but12
it is evil13
for that man15
who eateth19
with17
offence.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Het is goedG2570 geenG3361 vleesG2907 te etenG5315, noch wijnG3631 te drinkenG4095, noch iets, waaraanG1722 uw broederG80 zich stootG4350, ofG2228 geergerdG4624 wordt, ofG2228 waarin hij zwakG770 is.
Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geergerd wordt, of waarin hij zwak is.
KJV
It is good1
neither3
to eat4
flesh,5
nor6
to drink7
wine,8
nor9
any thing whereby10
thy
brother13
stumbleth,15
or16
is offended,17
or18
is made weak.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
HebtG2192 gijG4771 geloofG4102? hebtG2192 dat bij uzelven voor GodG2316. ZaligG3107 is hij, die zichzelvenG1438 nietG3361 oordeeltG2919 inG1722 hetgeenG3739 hij voor goed houdtG1381.
Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.
KJV
Hast3
thou1
faith?2
have6
it to4
thyself5
before7
God.9
Happy10
is he that condemneth13
not12
himself14
in15
that thing which16
he alloweth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
MaarG1161 die twijfeltG1252, indienG1437 hij eetG5315, is veroordeeldG2632, omdatG3754 hij nietG3756 uitG1537 het geloofG4102 eet. En alG3956 watG3739 uitG1537 het geloofG4102 nietG3756 is, dat is zondeG266.
Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
KJV
And2
he that doubteth3
is damned6
if4
he eat,5
because7
he eateth not8
of9
faith:10
for12
whatsoever13
is not14
of15
faith16
is
sin.
die zwak is in het geloof,
Dat is, die het stuk van de afdoening der ceremoniën des Ouden Testaments nog niet recht verstaat uit zwakheid; gelijk vele Joden waren toen ter tijd, die tot de Christelijke religie bekeerd waren, welke, omdat de ceremoniën van God zelf ingesteld waren en zij in dezelve waren opgebracht, toen nog niet wel konden geloven dat zij nagelaten mochten of behoorden te worden, en daarom zich ergerden als de gelovigen uit de heidenen die niet onderhielden. Hij spreekt dan hier niet van degenen, die uit hardnekkigheid staande hielden en leerden dat de onderhouding der ceremoniën ter zaligheid nog noodzakelijk was, tegen welken hij handelt in den brief aan de Galaten.
Hertaald:
die zwak is in het geloof,
Dat is: wie het punt van de afschaffing van de ceremoniën van het Oude Testament uit zwakheid nog niet goed begrijpt. Zo waren er in die tijd veel Joden die tot de christelijke godsdienst bekeerd waren en die, omdat de ceremoniën door God Zelf ingesteld waren en zij daarin opgevoed waren, toen nog niet goed konden geloven dat die nagelaten mochten of moesten worden. Daarom namen zij er aanstoot aan wanneer de gelovigen uit de heidenen ze niet onderhielden. Hij spreekt hier dus niet over hen die uit hardnekkigheid volhielden en leerden dat het onderhouden van de ceremoniën nog noodzakelijk was voor de zaligheid; tegen hen handelt hij in de brief aan de Galaten.
neemt aan,
Namelijk als een broeder, met alle vriendelijkheid, verdragende in hem zijne zwakheid. Zie Filem. 1:12 , Filem. 1:17 .
Hertaald:
neemt aan,
Namelijk als een broeder, met alle vriendelijkheid, terwijl u zijn zwakheid in hem verdraagt. Zie Filem. 1:12, Filem. 1:17.
tot twistige
Grieks, twistingen der samensprekingen; of twijfelingen der gedachten; namelijk dat gij hem daartoe niet brengt.
Hertaald:
tot twistige
Grieks: twistgesprekken over overwegingen; of: twijfelingen van gedachten; namelijk dat u hem daartoe niet brengt.
samensprekingen
Of, overleggingen, disputeringen; dat is, dat gij niet te zeer en te heftig hierover met hem disputeert, twist en hem verwart, en tot meerdere twijfeling brengt; of, dat hij met u ten gevalle doe tegen zijne conscientie.
Hertaald:
samensprekingen
Of: overleggingen, discussies; dat is: dat u hierover niet te veel en te heftig met hem discussieert en twist, hem in verwarring brengt en tot nog meer twijfel brengt; of dat hij u ter wille zou handelen tegen zijn geweten in.
De een gelooft wel,
Namelijk die de Christelijke vrijheid recht verstaat.
Hertaald:
De een gelooft wel,
Namelijk hij die de christelijke vrijheid goed begrijpt.
alles eten mag,
Dat is, allerlei eetbare spijs, zonder onderscheid van reine of onreine, hetwelk in het Oude Testament was; Lev. 11:4 ; Deut. 14:7 .
Hertaald:
alles eten mag,
Dat is: allerlei eetbare spijs, zonder het onderscheid tussen rein en onrein dat in het Oude Testament bestond; Lev. 11:4; Deut. 14:7.
die zwak is,
Namelijk in het geloof, vs.1.
Hertaald:
die zwak is,
Namelijk in het geloof, vers 1.
eet moeskruiden
Namelijk liever dan dat hij hier de wet niet zou houden; dat is, laat hem genoegen met een slechte spijs, die in de wet toegelaten was, en onthoudt hem van het vlees van zwijnen, hazen, konijnen en andere in de wet verboden; Lev. 11:5 , enz.
Hertaald:
eet moeskruiden
Namelijk liever dan dat hij hierin de wet niet zou houden. Dat is: hij neemt genoegen met eenvoudig voedsel dat in de wet toegestaan was, en onthoudt zich van het vlees van zwijnen, hazen, konijnen en andere dieren die in de wet verboden waren; Lev. 11:5, enzovoort.
Die daar eet,
Dat is, die gelooft dat men allerlei spijs mag eten, en zulks ook doet.
Hertaald:
Die daar eet,
Dat is: wie gelooft dat men allerlei spijs mag eten en dat ook doet.
verachte hem niet,
Grieks, houde hem niet als niets. Zie van dit woord Marc. 9:12 ; Luc. 23:11 .
Hertaald:
verachte hem niet,
Grieks: houdt hem niet voor niets. Zie over dit woord Mark. 9:12; Luk. 23:11.
die niet eet; en
Namelijk allerlei spijs, omdat hij meent dat zulks niet geoorloofd is.
Hertaald:
die niet eet; en
Namelijk allerlei spijs, omdat hij dat niet geoorloofd acht.
oordele hem niet,
Dat is, veroordeel, namelijk dat hij daaraan zou zondigen; of dat hij daarom een ongodsdienstig mens of een verachter van de wet zou zijn.
Hertaald:
oordele hem niet,
Dat is: veroordeel hem niet, namelijk alsof hij daarmee zou zondigen, of alsof hij daarom een ongodsdienstig mens of een verachter van de wet zou zijn.
hem aangenomen
Dat is, zowel den een als den ander tot het geloof gebracht en tot een van zijne kinderen in de gemeenschap zijner kerk aangenomen; en behoort daarom van de mensen niet veracht of veroordeeld te worden.
Hertaald:
hem aangenomen
Dat is: God heeft zowel de een als de ander tot het geloof gebracht en als een van Zijn kinderen in de gemeenschap van Zijn kerk aangenomen. Daarom behoort hij door de mensen niet veracht of veroordeeld te worden.
Wie zijt gij,
Hij bestraft beiden, de zwakken en de sterken, dat zij elkander verachtten en veroordeelden.
Hertaald:
Wie zijt gij,
Hij bestraft hen beiden, de zwakken en de sterken, omdat zij elkaar verachtten en veroordeelden.
eens anderen huisknecht
Dat is, uwen broeder, die niet uw maar Gods dienstknecht is. Waarmede hij toont dat zulk veroordelen strijdt, zelfs tegen het recht der natuur, naar hetwelk niemand eens anders dienstknecht, over wien hij geen recht heeft, mag veroordelen.
Hertaald:
eens anderen huisknecht
Dat is: uw broeder, die niet uw dienstknecht is maar die van God. Daarmee laat hij zien dat zo'n veroordeling zelfs tegen het natuurrecht ingaat: daarnaar mag niemand de dienstknecht van een ander veroordelen, over wie hij geen zeggenschap heeft.
oordeelt?
Dat is, veroordeelt, vs.3.
Hertaald:
oordeelt?
Dat is: veroordeelt, vers 3.
Hij staat,
Dat is, zo hij wel doet.
Hertaald:
Hij staat,
Dat is: wanneer hij goed doet.
valt
Dat is, zo hij zondigt.
Hertaald:
valt
Dat is: wanneer hij zondigt.
zijn eigen heer;
Namelijk wien hij toekomt, en die alleen recht heeft om hem te oordelen; wanneer die hem dan niet veroordeelt, zo behoort hem zijn mededienstknecht niet te veroordelen.
Hertaald:
zijn eigen heer;
Namelijk de heer aan wie hij toebehoort en die als enige het recht heeft hem te oordelen. Wanneer die hem dan niet veroordeelt, behoort zijn mededienstknecht hem niet te veroordelen.
vastgesteld worden,
Dat is, in het geloof meer en meer toenemen en bevestigd worden.
Hertaald:
vastgesteld worden,
Dat is: in het geloof meer en meer toenemen en bevestigd worden.
machtig hem vast te stellen
Dat is, heeft niet alleen den wil, want Hij heeft hem aangenomen, vs.3, maar ook de macht om hem te versterken in het geloof, zodat gij niet veel met hem daarover behoeft te twisten.
Hertaald:
machtig hem vast te stellen
Dat is: Hij heeft niet alleen de wil daartoe — want Hij heeft hem aangenomen, vers 3 — maar ook de macht om hem in het geloof te versterken, zodat u daarover niet veel met hem hoeft te twisten.
De een
Namelijk de gelovige Jood, die de Christelijke vrijheid nog niet recht verstaat.
Hertaald:
De een
Namelijk de gelovige Jood, die de christelijke vrijheid nog niet goed begrijpt.
acht wel den enen dag boven den anderen dag;
Grieks, oordeelt; dat is meent, dat de feestdagen des Ouden Testaments nog moeten onderhouden worden, en dat overzulks de ene dag heiliger is dan de andere.
Hertaald:
acht wel den enen dag boven den anderen dag;
Grieks: oordeelt; dat is: hij meent dat de feestdagen van het Oude Testament nog onderhouden moeten worden en dat daarom de ene dag heiliger is dan de andere.
de ander
Namelijk de gelovige heiden, die de Christelijke vrijheid verstaat.
Hertaald:
de ander
Namelijk de gelovige heiden, die de christelijke vrijheid wel begrijpt.
acht al de dagen gelijk
Grieks, allen dag, of een iegelijken dag; dat is, houdt dat het onderscheid der dagen nu ophoudt, en dat wij nu aan de feestdagen des Ouden Testaments niet verbonden zijn.
Hertaald:
acht al de dagen gelijk
Grieks: elke dag, of: iedere dag; dat is: hij houdt het ervoor dat het onderscheid tussen de dagen nu ophoudt en dat wij nu niet meer aan de feestdagen van het Oude Testament gebonden zijn.
Een iegelijk zij
Namelijk hetzij dat hij eet of niet eet, de dagen onderscheidt of niet onderscheidt.
Hertaald:
Een iegelijk zij
Namelijk of hij nu eet of niet eet, de dagen onderscheidt of niet onderscheidt.
in zijn eigen gemoed
Of in zijn eigen verstand.
Hertaald:
in zijn eigen gemoed
Of: in zijn eigen verstand.
ten volle verzekerd
Namelijk dat hij, zulks doende, niet zondigt en niet voorheeft God te vertoornen, en wetens tegen zijnen wil te doen; en dat hij dienvolgens ook naarstiglijk onderzoeke, welk van beiden den Heere behaagt.
Hertaald:
ten volle verzekerd
Namelijk dat hij door zo te handelen niet zondigt en niet van plan is God te vertoornen of willens tegen Zijn wil in te gaan; en dat hij dus ook nauwgezet onderzoekt wat van beide de Heere behaagt.
den dag waarneemt,
Dat is, de feestdagen des Ouden Testaments, welke de zwakken uit de Joden meenden, ook in het Nieuwe Testament te moeten onderhouden worden.
Hertaald:
den dag waarneemt,
Dat is: de feestdagen van het Oude Testament, waarvan de zwakken uit de Joden meenden dat die ook in het Nieuwe Testament onderhouden moesten worden.
den Heere; en die
Dat is, heeft anders niets voor, dan daarmede den Heere dienst en ere te bewijzen. Zodat zij beiden, de zwakken en sterken enerlei doel en oogmerk voorhebben, en daarom elkander niet moeten veroordelen.
Hertaald:
den Heere; en die
Dat is: hij heeft niets anders op het oog dan daarmee de Heere dienst en eer te bewijzen. Zo hebben zij beiden, de zwakken en de sterken, hetzelfde doel en oogmerk, en daarom moeten zij elkaar niet veroordelen.
Die daar eet,
Namelijk allerlei spijs, en gelooft dat zulks geoorloofd is, vs.2.
Hertaald:
Die daar eet,
Namelijk allerlei spijs, terwijl hij gelooft dat dit geoorloofd is, vers 2.
hij dankt God; en die niet eet,
Namelijk de sterke voor deze vrijheid en voor de spijs, die hij met goede conscientie nuttigt.
Hertaald:
hij dankt God; en die niet eet,
Namelijk de sterke, voor deze vrijheid en voor de spijs die hij met een goed geweten gebruikt.
hij dankt God
Namelijk de zwakke, hoewel hij meent sommige spijzen verboden te zijn, dat evenwel God hem verleent, waarmede hij met goede conscientie kan gevoed worden; 1 Tim. 4:5 .
Hertaald:
hij dankt God
Namelijk de zwakke. Hoewel hij meent dat sommige spijzen verboden zijn, geeft God hem toch voedsel waarmee hij met een goed geweten gevoed kan worden; 1 Tim. 4:5.
van ons
Namelijk gelovigen Christenen, hetzij sterken of zwakken.
Hertaald:
van ons
Namelijk van ons, gelovige christenen, hetzij sterken of zwakken.
leeft zichzelven,
Dat is, moet zijn leven aanstellen niet naar zijn eigen lust of voordeel; of gelijk hij wil, alzo hij zijn zelfs eigen niet is, maar onder een ander, namelijk den Heere staat; naar wiens bevel en tot wiens dienst hij zijn leven moet richten.
Hertaald:
leeft zichzelven,
Dat is: hij moet zijn leven niet inrichten naar zijn eigen lust of voordeel, of zoals hij zelf wil, aangezien hij niet zichzelf toebehoort maar onder een ander staat, namelijk de Heere, naar Wiens bevel en tot Wiens dienst hij zijn leven moet richten.
sterft zichzelven
Namelijk gelijk of het met zijn dood ten enenmale met hem uit ware.
Hertaald:
sterft zichzelven
Namelijk alsof het met zijn dood volledig met hem gedaan zou zijn.
wij leven den Heere;
Dat is, wij staan onder het gebied des Heeren Jezus Christus, als Zijn eigen dienstknechten zijnde, door Zijn bloed gekocht, en moeten overzulks ons leven tot Zijn dienst en eer besteden.
Hertaald:
wij leven den Heere;
Dat is: wij staan onder het gezag van de Heere Jezus Christus, als Zijn eigen dienstknechten, door Zijn bloed gekocht, en moeten daarom ons leven besteden aan Zijn dienst en eer.
wij sterven den Heere
Dat is, wij moeten bereid zijn, om ten dienste en ere onzes Heeren ons leven af te leggen, als het Hem belieft, en zullen na onzen dood van ons doen rekenschap geven.
Hertaald:
wij sterven den Heere
Dat is: wij moeten bereid zijn ons leven af te leggen tot dienst en eer van onze Heere, wanneer het Hem behaagt, en wij zullen na onze dood rekenschap van ons doen afleggen.
wij zijn des Heeren
Dat is, wij zijn Christus' eigendom en dienstknechten, die onder Hem staan en naar Zijn bevel leven en sterven moeten.
Hertaald:
wij zijn des Heeren
Dat is: wij zijn het eigendom en de dienstknechten van Christus, die onder Hem staan en naar Zijn bevel moeten leven en sterven.
Want daartoe is Christus ook gestorven,
Hier bewijst hij dat Christus onze Heere is, en dat hij dit recht van heerschappij door Zijn dood en opstanding over ons verkregen heeft; 1 Kor. 6:20 ;; 1 Petr. 1:18 .
Hertaald:
Want daartoe is Christus ook gestorven,
Hier bewijst hij dat Christus onze Heere is en dat Hij dit recht van heerschappij over ons verkregen heeft door Zijn dood en opstanding; 1 Kor. 6:20; 1 Petr. 1:18.
doden en levenden heersen zou
Dat is, over alle gelovigen, zowel, die nog leven als die in den Heere gestorven zijn, en die wederom van Hem zullen opgewekt worden.
Hertaald:
doden en levenden heersen zou
Dat is: over alle gelovigen, zowel die nog leven als die in de Heere gestorven zijn en die door Hem weer opgewekt zullen worden.
gij,
Namelijk zwakke.
Hertaald:
gij,
Namelijk zwakke.
oordeelt gij
Dat is, veroordeelt, vs.3.
Hertaald:
oordeelt gij
Dat is: veroordeelt, vers 3.
uw broeder?
Dat is, de gelovige Christenen, die de Christelijke vrijheid verstaan en gebruiken.
Hertaald:
uw broeder?
Dat is: de gelovige christenen die de christelijke vrijheid begrijpen en gebruiken.
gij,
Namelijk sterke in het geloof.
Hertaald:
gij,
Namelijk sterke in het geloof.
veracht gij
Zie vs.3.
Hertaald:
veracht gij
Zie vers 3.
uw broeder?
Namelijk die de Christelijke vrijheid nog niet verstaat, noch durft gebruiken, om dezer zwakheid wil.
Hertaald:
uw broeder?
Namelijk hem die de christelijke vrijheid nog niet begrijpt en niet durft te gebruiken, vanwege zijn zwakheid.
voor den rechterstoel
Dat is, voor het oordeel Gods, hetwelk Christus als Rechter houden zal, 2 Kor. 5:10 , wien het alleen ook toekomt over de conscientiën te oordelen; en dien wij rekenschap moeten geven van al ons doen en laten, vs.12.
Hertaald:
voor den rechterstoel
Dat is: voor het oordeel van God, dat Christus als Rechter houden zal, 2 Kor. 5:10. Aan Hem alleen komt het ook toe over de gewetens te oordelen, en Hem moeten wij rekenschap geven van al ons doen en laten, vers 12.
Ik leef,
Dat is, zo waarachtiglijk als Ik leef; ene manier van eedzweren, die de Heere dikwijls gebruikt, Num. 14:21 , Num. 14:28 ; Jes. 49:18 ; Jer. 22:24 ; Ezech. 5:11 , en Ezech. 14:16 , Ezech. 14:18 , en Ezech. 20:3 .
Hertaald:
Ik leef,
Dat is: zo waarachtig als Ik leef. Een manier van eedzweren die de Heere vaak gebruikt, Num. 14:21, Num. 14:28; Jes. 49:18; Jer. 22:24; Ezech. 5:11, Ezech. 14:16, Ezech. 14:18 en Ezech. 20:3.
zegt de Heere;
Hetgeen van Jehova, den waren God, bij den profeet gezegd is, wordt hier Christus toegeëigend, om te tonen dat Hij ook de waarachtige God is.
Hertaald:
zegt de Heere;
Wat bij de profeet gezegd wordt over Jehova, de ware God, wordt hier op Christus toegepast, om te laten zien dat ook Hij de waarachtige God is.
voor Mij zal
Namelijk Christus, den Zoon Gods en Zaligmaker. Zie Ef. 1:20 , Ef. 1:22 ; Fil. 2:10 .
Hertaald:
voor Mij zal
Namelijk Christus, de Zoon van God en Zaligmaker. Zie Ef. 1:20, Ef. 1:22; Filipp. 2:10.
knie zich buigen,
Dat is, eerbied en gehoorzaamheid als hunnen Heere betonen; zie Fil. 2:10 .
Hertaald:
knie zich buigen,
Dat is: eerbied en gehoorzaamheid betonen als aan hun Heere; zie Filipp. 2:10.
alle tong zal God
Dat is, de gelovigen uit alle natiën, zowel sterken als zwakken, zullen met hunne tongen en monden mij belijden de ware God en hun Heere en rechter te zijn; Rom. 10:9-10 .
Hertaald:
alle tong zal God
Dat is: de gelovigen uit alle volken, zowel sterken als zwakken, zullen met hun tong en mond belijden dat Ik de ware God ben en hun Heere en Rechter; Rom. 10:9-10.
belijden
Of, loven, danken.
Hertaald:
belijden
Of: loven, danken.
een iegelijk
Wie hij ook zij, groot of klein; zwak of sterk.
Hertaald:
een iegelijk
Wie hij ook is, groot of klein, zwak of sterk.
voor zichzelven
Dat is, van zijn eigen doen en laten, en niet van eens anders doen.
Hertaald:
voor zichzelven
Dat is: van zijn eigen doen en laten, en niet van dat van een ander.
Gode
Dat is, den Heere Christus, die waarachtig God is en Gods gericht houden zal.
Hertaald:
Gode
Dat is: aan de Heere Christus, Die waarachtig God is en Gods gericht zal houden.
rekenschap geven
Namelijk hoe wij ons gedragen hebben in dit leven. Zie Matt. 25:2 ; 2 Kor. 5:10 .
Hertaald:
rekenschap geven
Namelijk hoe wij ons in dit leven gedragen hebben. Zie Matth. 25:19; 2 Kor. 5:10.
oordelen;
Dat is, veroordelen, vs.4, 10, namelijk dewijl het oordeel den Heere Christus toekomt.
Hertaald:
oordelen;
Dat is: veroordelen, vers 4 en 10; namelijk aangezien het oordeel aan de Heere Christus toekomt.
oordeelt dit liever,
Dat is, acht en bekent dat dit het beste en betamelijkste is.
Hertaald:
oordeelt dit liever,
Dat is: houdt en erkent dat dit het beste en meest passende is.
gij
Namelijk sterke.
Hertaald:
gij
Namelijk sterke.
den broeder
Namelijk die nog zwak is.
Hertaald:
den broeder
Namelijk hem die nog zwak is.
aanstoot
Namelijk dat gij door uw ontijdig gebruik der Christelijke vrijheid, of lichtvaardig veroordelen, niet worde vervreemd van den Christelijken godsdienst. Zie 1 Kor. 8:9 .
Hertaald:
aanstoot
Namelijk dat hij door uw ontijdige gebruik van de christelijke vrijheid, of door uw lichtvaardige veroordeling, niet vervreemd raakt van de christelijke godsdienst. Zie 1 Kor. 8:9.
geeft
Grieks, stelt, of legt.
Hertaald:
geeft
Grieks: stelt of legt.
Ik weet en ben verzekerd
Dat is, hoewel ik wel weet.
Hertaald:
Ik weet en ben verzekerd
Dat is: hoewel ik wel weet.
in den Heere Jezus,
Dat is, voor den Heere Christus. Zie Hand. 10:15 .
Hertaald:
in den Heere Jezus,
Dat is: voor de Heere Christus. Zie Hand. 10:15.
geen ding
Dat is, gene spijs.
Hertaald:
geen ding
Dat is: geen enkele spijs.
onrein is
Grieks, gemeen is. Zie Hand. 10:14 , namelijk, nu in het Nieuwe Testament na de komst van Christus.
Hertaald:
onrein is
Grieks: gemeen is. Zie Hand. 10:14; namelijk nu in het Nieuwe Testament, na de komst van Christus.
in zichzelven;
Of, door zichzelven; dat is, uit zijn eigen natuur; Gen. 1:31 , en Gen. 9:2-3 . Hij spreekt van eetbare spijzen; hoewel dan daarna enige derzelve ten aanzien van het gebod Gods voor een tijd onrein zijn geweest; zo zijn zij nu alle voor rein te houden, overmits die schaduwen nu ophouden; Kol. 2:16 ; 1 Tim. 4:3-4 .
Hertaald:
in zichzelven;
Of: door zichzelf; dat is: uit haar eigen aard; Gen. 1:31 en Gen. 9:2-3. Hij spreekt over eetbare spijzen. Hoewel sommige daarvan met het oog op Gods gebod een tijdlang onrein geweest zijn, moeten zij nu alle voor rein gehouden worden, aangezien die schaduwen nu opgehouden hebben; Kol. 2:16; 1 Tim. 4:3-4.
die acht iets onrein te zijn,
Dat is, die nog niet gelooft dat het onderscheid der spijs nu ophoudt, maar meent dat dit verbod Gods nog moet achtervolgd worden. Want de middelmatige zaken zijn ons zodanig, gelijk wij dezelve achten, wanneer zij zonder ergernis kunnen gedaan of gelaten worden.
Hertaald:
die acht iets onrein te zijn,
Dat is: wie nog niet gelooft dat het onderscheid in spijzen nu ophoudt, maar meent dat dit gebod van God nog nagevolgd moet worden. Want de middelmatige zaken zijn voor ons zoals wij ze beschouwen, wanneer zij zonder aanstoot gedaan of nagelaten kunnen worden.
die is het onrein
Dat is, die mag tegen zijn gevoelen zulke spijs niet eten; want daarmede zou hij doen hetgeen hijzelf zonde houdt te wezen.
Hertaald:
die is het onrein
Dat is: hij mag zulke spijs niet tegen zijn overtuiging in eten, want daarmee zou hij doen wat hij zelf voor zonde houdt.
uw broeder
Dat is, de zwakke medegelovige.
Hertaald:
uw broeder
Dat is: de zwakke medegelovige.
om der spijze wil
Dat is, omdat hij ziet dat gij spijs eet, die hij houdt van God den Christenen verboden te zijn.
Hertaald:
om der spijze wil
Dat is: doordat hij ziet dat u spijs eet waarvan hij meent dat God die de christenen verboden heeft.
bedroefd wordt,
Namelijk als hij ziet dat gij, die sterk zijt, spijs eet, die in het Oude Testament verboden was, menende dat gij daaraan u bezondigt tegen God; hetwelk de godzaligen bedroeft. Of, ziende dat gij daarmede hen als veracht en veroordeelt.
Hertaald:
bedroefd wordt,
Namelijk wanneer hij ziet dat u, die sterk bent, spijs eet die in het Oude Testament verboden was, terwijl hij meent dat u zich daarmee tegen God bezondigt — wat de godzaligen bedroeft. Of: doordat hij ziet dat u hen daarmee als het ware veracht en veroordeelt.
naar liefde
Want die bedroeft of ergert niemand, maar zoekt de zwakken tegemoet te gaan, toe te geven en in het geloof te sterken; 1 Kor. 13:4 , enz.
Hertaald:
naar liefde
Want de liefde bedroeft of ergert niemand, maar zoekt de zwakken tegemoet te komen, aan hen toe te geven en hen in het geloof te versterken; 1 Kor. 13:4, enzovoort.
Verderf dien niet
Namelijk zoveel in u is; hem daarmede vervremende van den Christelijken godsdienst. Of, zo hij uw voorbeeld volgt tegen zijne conscientie, dezelve daarmede kwetsende, waardoor zijn geloof in gevaar gebracht wordt.
Hertaald:
Verderf dien niet
Namelijk voor zover het van u afhangt, doordat u hem daarmee vervreemdt van de christelijke godsdienst. Of: doordat hij, wanneer hij uw voorbeeld tegen zijn geweten in volgt, dat geweten kwetst, waardoor zijn geloof in gevaar gebracht wordt.
met uw spijze,
Dat is, etende voor hem spijs, die hij meent nog verboden te zijn.
Hertaald:
met uw spijze,
Dat is: doordat u in zijn bijzijn spijs eet waarvan hij meent dat die nog verboden is.
voor welken Christus gestorven is
Namelijk om hem te behouden, die gij, zoveel in u is, verderft, hetwelk een gruwelijke zonde is, die ook tegen Christus gedaan wordt; 1 Kor. 8:12 . Anderszins moet men al degenen, die het geloof van Christus belijden, naar het oordeel der liefde, houden voor zodanig, die van Christus door zijn dood verlost zijn. Want dat degenen, die waarlijk door den dood van Christus eens verlost zijn, niet zullen verloren gaan, wordt geleerd Matt. 24:24 ; Joh. 10:28 ; 1 Petr. 1:5 .
Hertaald:
voor welken Christus gestorven is
Namelijk om hem te behouden — terwijl u hem, voor zover het van u afhangt, verderft. Dat is een gruwelijke zonde, die ook tegen Christus begaan wordt; 1 Kor. 8:12. Overigens moet men allen die het geloof in Christus belijden naar het oordeel van de liefde houden voor mensen die door Christus' dood verlost zijn. Want dat zij die werkelijk eenmaal door de dood van Christus verlost zijn niet verloren zullen gaan, wordt geleerd in Matth. 24:24; Joh. 10:28; 1 Petr. 1:5.
uw goed niet
Dat is, uwe Christelijke vrijheid en het gebruik derzelve.
Hertaald:
uw goed niet
Dat is: uw christelijke vrijheid en het gebruik daarvan.
gelasterd worde
Zo van de zwakke Christenen als van degenen, die buiten zijn, als zij zullen zien dat de Christenen om zulke geringe zaken met elkander twisten.
Hertaald:
gelasterd worde
Zowel door de zwakke christenen als door hen die buiten staan, wanneer zij zullen zien dat de christenen over zulke geringe zaken met elkaar twisten.
het Koninkrijk Gods
Dat is, het koninkrijk der heerlijkheid of der eeuwige zaligheid wordt niet verkregen door spijs eten of niet eten, en het rijk der genade of de ware godzaligheid wordt daardoor niet bevorderd. Zie 1 Kor. 8:8 .
Hertaald:
het Koninkrijk Gods
Dat is: het Koninkrijk van de heerlijkheid of van de eeuwige zaligheid wordt niet verkregen door het eten of niet eten van spijs, en het rijk van de genade of de ware godzaligheid wordt daardoor niet bevorderd. Zie 1 Kor. 8:8.
rechtvaardigheid,
Namelijk Gods of des geloofs, die tevoren beschreven is, Rom. 4:5 . Waarmede de heiligheid des levens ook gevoegd moet zijn.
Hertaald:
rechtvaardigheid,
Namelijk de gerechtigheid van God of van het geloof, die tevoren beschreven is, Rom. 4:5. Daarmee moet ook de heiligheid van het leven gepaard gaan.
vrede,
Namelijk gerustheid in onze harten en conscientiën door de verzekering, dat wij en ons doen door het geloof Gode aangenaam zijn, Rom. 5:1 , en ook uiterlijke vrede en enigheid onder de broeders.
Hertaald:
vrede,
Namelijk gerustheid in ons hart en geweten door de verzekering dat wij en ons doen door het geloof God aangenaam zijn, Rom. 5:1, en ook uiterlijke vrede en eenheid onder de broeders.
blijdschap,
Dat is, een geestelijke vreugde in het hart, ontstaande uit de vaste hoop der zaligheid en uit aanmerking van den welstand der gemeente in vrede bloeiende.
Hertaald:
blijdschap,
Dat is: een geestelijke vreugde in het hart, die ontstaat uit de vaste hoop op de zaligheid en uit het zien op de welstand van de gemeente die in vrede bloeit.
door den Heiligen Geest
Grieks, in den Heiligen Geest; dat is, die van den Heiligen Geest gewrocht en ontstoken wordt, en een geestelijke, niet een wereldse blijdschap is.
Hertaald:
door den Heiligen Geest
Grieks: in de Heilige Geest; dat is: de blijdschap die door de Heilige Geest gewerkt en ontstoken wordt, en die een geestelijke en geen wereldse blijdschap is.
in deze dingen
Dat is, die zijne gerechtigheid door het geloof in Christus zoekt, naar ware heiligheid staat, en in zichzelven gevoelt den vrede en de blijdschap des Heiligen Geestes, en altijd naar vrede tracht.
Hertaald:
in deze dingen
Dat is: wie zijn gerechtigheid zoekt door het geloof in Christus, naar ware heiligheid streeft, in zichzelf de vrede en de blijdschap van de Heilige Geest ervaart en altijd naar vrede streeft.
dient,
Bewijst Christus de gehoorzaamheid en den godsdienst, die Hij van u eist.
Hertaald:
dient,
Hij bewijst Christus de gehoorzaamheid en de eredienst die Hij van u eist.
aangenaam
Grieks, beproeft; dat is voor goed en godzalig bevonden en gehouden.
Hertaald:
aangenaam
Grieks: beproefd; dat is: voor goed en godzalig bevonden en gehouden.
den mensen
Namelijk die recht oordelen.
Hertaald:
den mensen
Namelijk de mensen die juist oordelen.
najagen,
Grieks, vervolgen; dat is, op alle manieren zoeken. Zie dergelijke Ps. 34:15 .
Hertaald:
najagen,
Grieks: najagen; dat is: op alle manieren zoeken. Zie iets dergelijks in Ps. 34:15.
hetgeen tot den vrede,
Dat is, laat ons alle middelen aanwenden om vrede onder de gelovigen te houden, en vlieden al wat dien zou kunnen verbreken of verhinderen.
Hertaald:
hetgeen tot den vrede,
Dat is: laten wij alle middelen aanwenden om de vrede onder de gelovigen te bewaren, en alles vermijden wat die zou kunnen verbreken of verhinderen.
stichting
Eene gelijkenis, genomen van het opbouwen van een huis of tempel; dat is, laat ons trachten naar hetgeen waardoor de kerk Gods, die het huis is des levenden Gods, 1 Tim. 3:15 , en Hebr. 3:6 mag opgebouwd en gesticht worden; Matt. 16:18 ; 1 Kor. 3:9 ; 2 Kor. 13:10 ; Ef. 4:12 ; 1 Tim. 1:4 .
Hertaald:
stichting
Een vergelijking, ontleend aan het opbouwen van een huis of tempel. Dat is: laten wij streven naar datgene waardoor de kerk van God, die het huis van de levende God is, 1 Tim. 3:15 en Hebr. 3:6, opgebouwd en gesticht mag worden; Matth. 16:18; 1 Kor. 3:9; 2 Kor. 13:10; Ef. 4:12; 1 Tim. 1:4.
onder elkander dient
Dat is, aan wederzijden, elk toebrengende, wat tot stichting der gemeente dienstig is, de zwakke met toenemen in de kennis der Christelijke vrijheid, en niet te veroordelen de andere; en de sterke in het aannemen van de zwakken, met vermijding van ergernis en van verachting der zwakken.
Hertaald:
onder elkander dient
Dat is: wederzijds, doordat ieder bijdraagt wat dienstig is tot stichting van de gemeente: de zwakke door toe te nemen in de kennis van de christelijke vrijheid en de ander niet te veroordelen, en de sterke door de zwakken aan te nemen, terwijl hij aanstoot en verachting van de zwakken vermijdt.
Verbreek
Grieks, ontbind niet, of maak niet los; namelijk zoveel in u is, met ontijdig gebruik der Christelijke vrijheid, verachting en aanstoot; dit wordt gesteld tegen opbouwen of stichten.
Hertaald:
Verbreek
Grieks: ontbind niet, of: maak niet los; namelijk voor zover het van u afhangt, door ontijdig gebruik van de christelijke vrijheid, door verachting en door aanstoot. Dit wordt gesteld tegenover opbouwen of stichten.
het werk van God niet
Dat is, het geloof des zwakken broeders, hetwelk God heeft begonnen in hem tot zijne zaligheid te werken; want het is een grote zonde af te breken hetgeen God bouwt.
Hertaald:
het werk van God niet
Dat is: het geloof van de zwakke broeder, dat God in hem begonnen is te werken tot zijn zaligheid. Want het is een grote zonde af te breken wat God bouwt.
om der spijze wil
Dat is, om zulk ene geringe zaak, als daar is deze of die spijs te eten.
Hertaald:
om der spijze wil
Dat is: om zo'n geringe zaak als het eten van deze of die spijs.
Alle dingen zijn wel rein;
Dat is, ik beken wel dat den Christenen nu geoorloofd is allerlei spijs te eten. Zie vs.14.
Hertaald:
Alle dingen zijn wel rein;
Dat is: ik erken wel dat het de christenen nu geoorloofd is allerlei spijs te eten. Zie vers 14.
kwaad den mens,
Dat is, zondig en schadelijk.
Hertaald:
kwaad den mens,
Dat is: zondig en schadelijk.
met aanstoot eet
Namelijk der zwakken.
Hertaald:
met aanstoot eet
Namelijk aanstoot voor de zwakken.
Het is goed geen vlees te eten,
Dat is, dienstig tot stichting der zwakken in de gemeente.
Hertaald:
Het is goed geen vlees te eten,
Dat is: dienstig tot stichting van de zwakken in de gemeente.
uw broeder zich
Namelijk die nog zwak is in het geloof.
Hertaald:
uw broeder zich
Namelijk hij die nog zwak is in het geloof.
stoot, of geërgerd wordt,
Dat is, wanneer dat eten of drinken, enz., den zwakken aanstoot geeft. Zodat het onthouden van zulk eten of drinken goed is, om het vermijden van ergernis. Zie 1 Kor. 8:13 .
Hertaald:
stoot, of geërgerd wordt,
Dat is: wanneer dat eten of drinken, enzovoort, de zwakken aanstoot geeft. Zich van zulk eten of drinken onthouden is dus goed, om aanstoot te vermijden. Zie 1 Kor. 8:13.
Hebt gij geloof?
Namelijk waardoor gij weet en verzekerd zijt dat de Christenen de vrijheid hebben om allerlei spijs te eten. Zie vs.2, 14; 1 Kor. 8:1 .
Hertaald:
Hebt gij geloof?
Namelijk het geloof waardoor u weet en verzekerd bent dat de christenen de vrijheid hebben allerlei spijs te eten. Zie vers 2 en 14; 1 Kor. 8:1.
hebt dat bij uzelven
Namelijk in uw eigen conscientie zonder het te tonen met ergernis voor de zwakke broeders.
Hertaald:
hebt dat bij uzelven
Namelijk in uw eigen geweten, zonder het met aanstoot te tonen voor de zwakke broeders.
voor God
Namelijk die evenwel weet dat gij dat geloof hebt, al toont gij het in zulker voege niet. Of, heb het alzo, dat het gebruik van dien Gode moge behagen, dien wij rekenschap zullen geven, en dien wij niet mogen vertoornen.
Hertaald:
voor God
Namelijk voor God, Die toch weet dat u dat geloof hebt, ook al toont u het op die manier niet. Of: heb het zo dat het gebruik ervan God mag behagen, aan Wie wij rekenschap zullen geven en Wie wij niet mogen vertoornen.
oordeelt
Dat is, veroordeelt, namelijk de vrijheid zo misbruikende met ergernis, dat hij daarmede verdient van de broeders gestraft en van God geoordeeld te worden.
Hertaald:
oordeelt
Dat is: veroordeelt; namelijk doordat hij de vrijheid zo misbruikt met aanstoot dat hij daarmee verdient door de broeders bestraft en door God geoordeeld te worden.
in hetgeen hij voor goed houdt
Dat is, hetgeen hij verstaat en acht geoorloofd te zijn, als het zonder ergernis geschiedt. Grieks, in hetgeen hij beproeft.
Hertaald:
in hetgeen hij voor goed houdt
Dat is: wat hij begrijpt en houdt voor geoorloofd, wanneer het zonder aanstoot gebeurt. Grieks: in wat hij beproeft.
die twijfelt,
Dat is, die nog niet volkomen verzekerd is dat allerlei spijs nu rein en geoorloofd is.
Hertaald:
die twijfelt,
Dat is: wie nog niet volkomen verzekerd is dat allerlei spijs nu rein en geoorloofd is.
indien hij eet,
Namelijk enige spijs in het Oude Testament verboden.
Hertaald:
indien hij eet,
Namelijk enige spijs die in het Oude Testament verboden was.
is veroordeeld,
Dat is, kwetst zijne conscientie en maakt zich schuldig aan de verdoemenis.
Hertaald:
is veroordeeld,
Dat is: hij kwetst zijn geweten en maakt zich schuldig aan de verdoemenis.
uit het geloof niet is,
Dat is, gedaan wordt zonder verzekerd te zijn dat het werk, hetwelk wij doen, Gode behaagt in Christus. Of, dat niet voortkomt uit een gelovig hart, zonder hetwelk noch onze werken, noch onze personen God kunnen behagen; Hebr. 11:6 .
Hertaald:
uit het geloof niet is,
Dat is: wat gedaan wordt zonder de verzekering dat het werk dat wij doen God in Christus behaagt. Of: wat niet voortkomt uit een gelovig hart, zonder welk hart noch onze werken noch onze personen God kunnen behagen; Hebr. 11:6. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Want als wij leven, leven wij voor de Heere. Romeinen 14:8 Als God het had gewild, was je op het moment dat je tot geloof kwam meteen de… Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten. (Genesis 28:16) Lees verder Efeze 4:25—5:4. Vrolijkheid is… Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Romeinen 14:17 We zullen nooit Gloria in excelsis zingen… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wij leven voor de Heere. Romeinen 14 vers 8 Als God het gewild had, zouden wij allemaal direct na onze bekering… Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Romeinen 14
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
Christus eren in je dagelijks leven
God is hier
Een gezegende combinatie
Wij leven voor de Heere
Stop God niet in een doos!


Romeinen 14
Romeinen 14:10-13
Kruisverwijzingen1 Petrus 4:5→2 Korinthe 5:10→Mattheüs 12:36→Jesaja 45:22→Jakobus 4:11→Lukas 12:57→1 Korinthe 4:5→Romeinen 2:16→— Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.
“Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.” Paulus zag onder de christenen een veel te algemene gewoonte om elkaar te oordelen. In die tijd bestond het grootste deel van de bekeerlingen uit Joden, en zij brachten hun vroegere godsdienstige gewoonten mee in de christelijke gemeente. Zij hadden de ceremoniële wet vroom onderhouden, en zij voelden dat zij hun geweten geweld zouden aandoen als zij de meer opvallende voorschriften ervan niet zouden blijven houden. En hoewel zij bepaalde onderdelen ervan opgaven die door het Evangelie duidelijk waren afgeschaft, hielden zij andere in stand, zoals bijzondere dagen voor godsdienstige vasten en feesten. Veel oprechte maar zwakke gelovigen waren angstvallig over wat zij aten, in de mening dat zij zo het wettelijke onderscheid tussen rein en onrein voedsel in stand hielden. Tegelijk waren er in de gemeente terecht mensen die begrepen dat de komst van Christus de oude bedeling had tenietgedaan. Die heilige dagen waren volgens hen allemaal typen en schaduwen waarvan de wezenlijke inhoud in Christus lag. De Heere had aan Petrus, de dienaar van de besnijdenis, immers al getoond dat van nu af aan niets onrein of gemeen was. De mensen met een sterk geloof verweten hun zwakkere broeders bijgelovig te zijn en zichzelf door dat bijgeloof een juk van slavernij op te leggen. De zwakkeren op hun beurt vonden zichzelf niet bijgelovig maar nauwgezet, en verweten de sterken dat die veel te ver gingen in hun vrijheid en hen daardoor deden struikelen. Zo keken de sterken neer op de zwakken, terwijl zij bijna twijfelden of die wel tot de vrijheid van Christus gekomen waren. De zwakken op hun beurt beschuldigden de sterken ervan hun vrijheid tot bandeloosheid te maken. Zij hadden allebei ongelijk, want zij oordeelden elkaar. Paulus was zelf het felst gekant tegen de partij die de wet weer wilde invoeren, en hij stond in elk opzicht helder en recht op de vrijmoedige lijnen van de christelijke vrijheid. Toch was hij zo bezield door de geest van zijn Meester, dat hij bereid was alles voor allen te zijn. Hij zag het grote gevaar van tweedracht waar liefde had moeten zijn, wierp zich in de bres, en hield hun voor dat oordelen hun taak niet was, want er komt nog een oordeel: “Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1KruisverwijzingenRomeinen 15:1→Romeinen 15:7→1 Korinthe 9:22→Lukas 17:2→Romeinen 14:21→1 Korinthe 8:7→1 Korinthe 3:1→Filippenzen 2:29→
— Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.
-Hoofdst 15:13. Nadat de apostel tot hiertoe vermaningen heeft uitgesproken, die de Christen als zodanig en zo allen op gelijke manier aangaan, volgen nu aanwijzingen die betrekking hebben op een onderscheiden manier van Christelijk leven bij gelijke Christelijke staat. De voortzetting van de rede heeft daarom plaats met een “nu” of “maar”. Vooraf roept Paulus de leden van de gemeente op om zich broederlijk te gedragen jegens de zwakken in geloof, die zich onder hen bevinden (vs. 1). Daarop noemt hij twee verschilpunten tussen beide delen, de sterken en zwakken en geeft aan beide delen het juiste gezichtspunt aan de hand voor zijn verhouding tot het andere. Hetgeen hij daarover uitspreekt ontwikkelt hij nader, maar berispt ook het gedrag dat tegen dit ware gezichtpunt strijdt en zo veelvuldig gezien wordt, ernstig; hij verwerpt het als onrechtmatig, omdat de Heere alleen Rechter is en ieder aan Hem alleen rekenschap verschuldigd is (vs. 2-12). De apostel geeft nu over het eten van allerlei voedsel (vs. 2) zijn eigen mening te kennen, waarin Hij in de Heere Jezus verzekerd is en stelt zich voor zijn persoon aan de kant van de sterken en vrijen, waartoe hij zich dadelijk vooral gewend had (vs. 1). Des te dringender vermaant hij nu ook dezen, dat zij niet door doordrijven van hun principe de zwakken in het geloof aanstoot geven, maar liever hun vrijheid moeten overgeven en zich naar de manier van anderen moeten schikken, dan dezen enig gevaar voor hun zielen veroorzaken (vs. 13-23). Tot zo’n dragen van de zwakken in geduld en zelfverloochening dringt hij dan nog verder met te herinneren aan het voorbeeld van alle ootmoedig zelfverloochenen, aan Christus, voor wie het niet te veel was om omwille van ons smaadheid op Zich te nemen. Zo kan het voor ons ook niet te zwaar worden om ook de zwakheden van de broeders te dragen (Hoofdstuk 15: 1-4). Terwijl nu echter Paulus datgene, wat hij zo-even van Christus zei, in een Oud-Testamentisch Schriftwoord kleedde, begint hij van de Schrift te spreken en keert bij nog eens tot het voorname woord van zijn brief terug: “vooral de Joden, maar ook de heidenen”, opdat de gemeente, waaraan hij schrijft, overeenstemmend en eensgezind moge zijn (15: 5-13).
Er zijn er zeker in uw midden, die nog niet in staat zijn om in het dagelijks leven een volkomen gebruik te maken van de genade, die de gelovigen in Christus gegeven is en volgens welke alle dingen geoorloofd zijn (1 Kor. 6: 12) en niets verwerpelijk is wat met dankzegging ontvangen wordt (1 Tim. 4: 4), maar die allerlei bedenkingen hebben, waarmee men toch zijn geweten niet behoefde te bezwaren, wanneer men de volle gevolgtrekking kon maken van de vrijheid, waarmee Christusons bevrijd heeft (Gal. 5: 1). Degenen nu, die in dit opzicht zwak is in het geloof, neemt aan. U, die het hoofdbestanddeel van de gemeente uitmaakt, namelijk u sterken (Hoofdstuk 15: 5) erkent de, dusdanige omwille van zijn geloof, al is dat ook nog een zwak geloof en behandelt hem als een broeder in Christus, die met het volste recht tot u behoort (vs. 3; 15: 7). Maar laat het niet komen tot twistige samensprekingen; maak niet enig uitwendig gebruik, als vlees eten en wijn drinken, waarin toch het koninkrijk van God niet gelegen is (vs. 17), tot een twistpunt. Laat daarin een ieder handelen, zoals hij meent verplicht te zijn en leg geen dwang op, noch brengt iemand in verzoeking om iets te doen wat hij met de toestand van zijn geweten op dat ogenblik nog niet kan overeenbrengen (vs. 23).
In dit hoofdstuk gaat de apostel van het gebied van de algemene vermaningen tot een zeer bijzonder veld van de Christelijke plichten over, tot de verhouding van de sterk gelovigen en van de zwak gelovigen, of van de vrijeren en strengeren onder elkaar. Daartoe gaf hem aanleiding de toestand en de bijzondere behoefte van de gemeente te Rome, die uit Christenen, uit heidenen en Joden was samengesteld. De Christenen uit de heidenen, die zonder wet, door het geloof alleen, leden van Christus waren geworden, konden gemakkelijk tot de mening komen dat de gehele verhouding van de Joden omtrent vanouds hun heilige wet een vasthoudendheid was, die voor God mishaagde en daarom een zonde, die moest worden bestreden. Eveneens konden de Christenen uit de Joden gemakkelijk op het denkbeeld komen dat de Christelijke vrijheid omtrent de voorschriften van de wet, die de heidenen zich veroorloofden, het gevaar van losbandigheid in zich bevatte en niet te verenigen was met de eerbied, die toch ieder gelovige aan het woord van Mozes, dat toch God zelf geopenbaard had, verschuldigd was. Als de strengeren de vrijheid als losbandigheid voorkwam, scheen de vrijen de gestrengheid dienst van de wet en slavernij toe. Er waren dus verschilpunten genoeg voorhanden om hen jegens elkaar wantrouwend en vijandig te maken. Paulus stond, zoals dit reeds zijn positie als apostel van de heidenen meebracht, aan de kant van de vrijen, wier geloof hij het sterkste noemt; van dit standpunt noemt hij de toestand van de strengeren een “zwak zijn in het geloof”. Het standpunt, waarop men zich door de letter van de wet in zijn vrije beweging gesteund acht, is minder in vergelijking tot dat, waarbij men weet dat de wet in Christus vervuld is en haar letter ons niet meer dwingt. Toch kan iemand nog in de banden van de wet zijn, terwijl hij toch zijn zaligheid alleen in Christus zoekt en dus in het geloof staat.
Het predikaat “sterk in het geloof” geeft zo’n standpunt te kennen, waarop het geloof in de Verlosser, het vertrouwen op de verkregen gerechtigheid in zo’n mate het bezielend principe van de overtuiging is geworden, de gehele denkwijze zo heeft doortrokken, dat de mens daarnaar alle levensomstandigheden kan beoordelen en behandelen, dat hij door geen vreemdsoortig element van een andere denkwijze, die hem vroeger beheerste en waarvan hij zich nog niet geheel kan losmaken, aan het wankelen kan worden gebracht. Zo kouden toen degenen, die van het Joodse wettische standpunt tot het geloof gekomen waren, zich vaak pas langzamerhand van de invloed daarvan op de beoordeling van alle levenstoestanden losmaken, terwijl het nieuwe Christelijke principe, dat uit het geloof in de Verlosser voortvloeide, hun denkwijze steeds meer en meer doordrong. Deze kracht van het geloof, die de beoordeling beheerste, bleek bijvoorbeeld daarin, dat iemand, van zijn zaligheid in de gemeenschap met Christus verzekerd, in het gebruik van uitwendige zaken zich niet meer aan het wankelen liet brengen door die bedenkingen, die hij vroeger op zijn wettisch standpunt had gemaakt, alsof dit of dat hem zou kunnen ontreinigen. Een tegenstelling tegen het sterk zijn in het geloof, dat het leven beheerste, vormt het “zwak zijn in het geloof”, wanneer naast het geloof nog een ander element, dat uit het vroegere standpunt voortvloeit, de overtuiging beheerst. Vandaar de strijd, de bedenkingen, die met het principe van het geloof in strijd zijn! Hoewel Paulus dit ten gevolge van de aanleiding, hem door de toenmalige tijdsomstandigheden gegeven, vooral ontwikkelt met het oog op het Joodsch-wettisch standpunt, heeft datzelfde ook in zijn zin betrekking op de verhouding van elk ander standpunt tot het Christelijke, dat in de levensrichting door het geloof is ingedrongen. De geloofskracht, die het leven beheerst, geeft daarom het zelfstandig Christelijk karakter, de Christelijke vastheid van karakter, de Christelijke sterkte en vrijheid van geest. Het eigenaardige karakter van de Christelijke vrijheid bestaat daarin, dat, terwijl de Christen zijn hele leven richt naar Christus als zijn Verlosser en door Hem naar God, terwijl Hij alleen door het bewustzijn van deze afhankelijkheid bezield wordt en geen andere erkent dan die daarin zijn grond heeft, hij zich juist daardoor onafhankelijk voelt van alle schepsels, van al het wereldse, van welke aard het ook zij. Het bestaat verder daarin, dat hij in het bewustzijn van deze inwendige onafhankelijkheid handelt door de bezielende geest van Christus alles beheerst en zich aan geen mens, aan geen omstandigheid dienstbaar maakt, dat niets op hem zo’n invloed kan hebben om hem anders te doen zijn, dan de Geest van Christus het verlangt (1 Kor. 7: 51 vv. ; 6: 12; 3: 22). Deze vrijheid van en beheersing van de wereld, die van het geloof uitgaat en evenals al wat Christelijk is in het inwendige haar grond heeft, kan zich echter ook onder alle inwendige beperkingen openbaren en zij openbaart zich juist daardoor, dat deze uitwendige beperkingen voor de geest, die boven deze verheven is en in het bewustzijn van het geloof zich van alles onafhankelijk voelt, ophouden iets beperkends te zijn. Paulus betoont zijn Christelijke vrijheid juist daarin, dat hij terwille van anderen, om alles de Geest van Christus dienstbaar te maken, alles zo te behandelen, als het aan de bevordering van het rijk van God het meeste dienstbaar is, veelal vrijwillig de vormen van de afhankelijkheid aanneemt (1 Kor. 9: 19) – dat hij, die van allen vrij is, zich allen dienstbaar maakt.
De een, die namelijk onder de sterken gerekend moet worden (Hoofdstuk 15: 1), gelooft wel dat men alles eten mag, omdat geen enkel voedsel voor hem hinderlijk is in het leven van Jezus Christus (Matth. 15: 11), maar die zwak is in het geloof (vs. 1) en om het afgodenoffer gewetensbezwaren maakt, dat hij zonder het te weten, zodanig vlees zou kunnen krijgen en zich daarmee zou kunnen verontreinigen (1 Kor. 8: 7), eet eenvoudig moeskruiden, hij onthoudt zich liever geheel van het gebruik van vlees en van wijn (vs. 17 en 21).
a) Die daar allerlei eet, verachte hem niet als een bijgelovig mens, die niet alle dingen, maar alleen moeskruiden eet; hij moet diens geweten ontzien, dat nu eenmaal wat angstvallig is (1 Kor. 8: 12) en die het vlees niet eet, zich daarvan onthoudt, oordeel hem niet, die daar eet als ware hij een gewetenloos man, die de ware heilige Christelijke ernst mist; want God heeft hem in Zijn gemeenschap door Christus aangenomen en wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God (Hoofdstuk 8: 33 v. 15: 7).
Kol. 2: 16.
Wie bent u, die de huisknecht van een ander oordeelt, dat u hem naar uw zelfgemaakte geboden berispen zou (Jak. 4: 12)? Hij staat of valt zijn eigen heer, namelijk Christus, die als Heer alleen te beslissen heeft, wie voor Hem staan en bestaan zal of niet (vs. 9 v. Luk. 21: 36). U mag menen dat de vrijheid, die hij neemt, zoveel gevaren voor zijn ziel in zich sluit, dat hij ten slotte noodzakelijk ten val moet komen; maar hij zal vastgesteld worden. Hij zal ten einde toe blijven staan zonder dat het met hem tot een vallen komt; want God is machtig hem vast te stellen, hem bestendig te steunen, zodat hij mag volharden in het geloof (1 Kor. 16: 13. 2 Kor. 1: 24).
Omdat de gemeente te Rome voornamelijk uit Christenen uit de heidenen bestond en de invloed van Paulinische persoonlijkheden in haar midden groot was, volgt dat wij bij haar, vooral in de tijd van onze brief, de Christelijke leer en levensrichting van Paulus als aangenomen moeten onderstellen. Tot deze behoorden ook Christenen uit de Joden, als Aquila en Priscilla. Dit neemt echter niet weg dat een kleinere partij daar judaïseerde, als men deze uitdrukking wil gebruiken; daarbij moeten wij echter in geen geval aan het exclusieve Judaïsme van de Galatische dwaalleraars denken. Vóórdat het oordeel van God over het uitverkoren volk en over de Joodse institutie gekomen was, doordat Titus de tempel verwoestte, was het waarnemen van de Joodse gebruiken, ten minste van de kant van de Christenen uit de Joden van Palestina, waardoor zij alleen konden werken op hun volksgenoten, die voor de zaligheid in Christus verordineerd waren, niet iets ziekelijks. Het was integendeel natuurlijk (1 Kor. 7: 17 vv.) als het maar niet in farizese zin gemaakt werd tot een noodzakelijke voorwaarde van zaligheid. Instinctief voor de mening van Paulus is de van deze kant nog weinig overwogen plaats van onze brief: Hoofdstuk 4: 11 vv. Tot het geestelijk zaad van Abraham, d. i. de ware Christen-gemeente, die het rechtvaardig makend geloof heeft (Hoofdstuk 9: 8. Gal 3: 7), worden hier gerekend: 1) zulke Christenen uit de heidenen, die zonder zich te laten besnijden, het rechtvaardig makend geloof bezitten, dat ook Abraham in de voorhuid had en 2) Christenen uit de Joden, die het rechtvaardig makend geloof bezitten en wel a) de zodanigen, die niet uit de besnijdenis alleen zijn, haar niet tot onmisbare voorwaarde van de zaligheid maken (Hoofdstuk 2: 3, 25. Gal. 5: 3. Hand. 15: 1), die ook niet van de heidenen eisen, alhoewel zij die voor hun personen bezitten en de Mozaïsche wet waarnemen, b) degenen die ook voor hun persoon de Mozaïsche wet niet meer of alleen onder zekere omstandigheden waarnemen, dus in de sporen van Abrahams geloof wandelen, toen hij in de voorhuid was. Paulus sluit daarom zulke Judaïsten, als die in de brief aan de Galaten, die de besnijdenis voor een noodzakelijke voorwaarde van de zaligheid aanzien en de waarneming van de Mozaïsche wet eisen (“die uit de wet zijn” Hoofdstuk 4: 14) van het geestelijk zaad van Abraham en de erfenis van de belofte uit. Hij rekent daarentegen degenen tot het geestelijk zaad van Abraham, die voor hun persoon de Mozaïsche wet nog waarnemen, zonder toch de vervulling daarvan voor noodzakelijk ter zaligheid te houden en de heidenen op te leggen, zoals vooral in Palestina zulke wettische Christenen werden gevonden; want ook zij geloofden door de genade van de Heere Jezus zalig te worden (Hand. 15: 11; 21: 20 vv. 15. 11). Tot deze klasse van Joodse Christenen behoorde dan de judaïserende fractie te Rome, waarmee de meerderheid, die sterk in het geloof was, vrede moest houden. Die meerderheid bestond grotendeels, zo niet geheel (omdat Paulus zich in Hoofdstuk 15: 1 met haar insluit en volgens de vroeger gegevene uiteenzettingen ook de onder b. genoemden tot haar behoorden) uit geborene heidenen. Terwijl nu de sterkgelovige om zijn meerdere kennis op de zwakgelovige Christen uit de Joden makkelijk met verachting neerzag, was deze in zijn scrupulositeit geneigd om de eersten te veroordelen, d. i., zijn vrijzinnig handelen als lichtvaardig en zondig te berispen, zonder hem daarom de zaligheid te ontzeggen. Dat onder de zwakken in het geloof Christenen uit de Joden moeten worden verstaan blijkt bepaald daaruit, dat zij een onderscheid tussen rein en onrein voedsel vaststellen en ook een onderscheid maken tussen de dagen, dus nog vasthouden aan de Joodse heilige tijden, voornamelijk aan de Sabbatten. In het eerste opzicht gaat hun gedrag verder dan de spijswetten van de Pentateuch, wanneer zij geen vlees, maar moeskruiden eten en ook geen wijn drinken. Is daarmee een gehele en niet slechts een tijdelijke onthouding uitgesproken, zo had die zeker haar grond in een leefwijze, gemotiveerd door het zedelijk streven naar beheersing van de materie, zoals die volgens de kerkelijke traditie ook de apostelen Mattheus en Jakobus, de rechtvaardige, zouden hebben geleid. Men beriep er zich op, dat de mens oorspronkelijk de planten als voedsel waren aangewezen (Gen. 1: 29) en vlees en wijn pas later erbij waren gekomen (Gen. 9: 3, 20 vv.) en nu kon juist te Rome tegenover de daar aanwezige weelderigheid en zwelgerij in meer ernstige gemoederen gemakkelijk een waardering van gehele onthouding ontstaan.
Door de rabbijnen was de Joden al het vlees, door heidenen geslacht, alsook de wijn van de heidenen verboden, om zich niet te verontreinigen door iets, dat in betrekking tot afgodendienst stond. Nu trokken de Joden zich terug van het gezellig samenleven met de heidenen en de strengere, met name de Joodse Christenen, onttrokken zich liever geheel, zonder zich daarom het genot van vlees en wijn in het algemeen te ontzeggen (Hand. 11: 3. Gal. 2: 12 vv.). De Christenen uit de Joden van die fractie deden het eerste niet maar vreesden toch, als zij tafelgemeenschap met de Christenen uit de heidenen hadden, dat zij zich zouden verontreinigen door het niet gemakkelijk te mijden genot van offervlees, dat op heidense markten gekocht werd en van libatiewijn. Daardoor meenden zij in verontreinigende gemeenschap met de afgoden te treden, zodat zij er bezwaar in hadden ten minste in dit samenleven met anderen, die dergelijke bezorgdheid niet hadden, vlees en wijn te genieten, waarom zij zich met moeskruiden alleen tevreden stelden (Dan. 1: 8 vv.). De apostel behandelt gewoonlijk met de tederste toegeeflijkheid zo’n geloofsrichting, omdat die in de openbaring van God onder het Oude Testament haar wortel heeft en op de geschiedkundige ontwikkeling van het volk van Israël berust, in zo verre die namelijk zich niet direct tegenover de evangelische leer van de zaligheid stelt (1 Kor. 9: 20. Hand. 16: 3; 18: 18, 21; 21: 20 vv.). Evenzo had de apostelraad te Jeruzalem de Christenen uit de heiden en vooral aanbevelen, om verdraagzaam en verschonend te handelen jegens de angstige zorgen van de Christenen uit de Joden, voor de verontreiniging met de afgoden of de afgodenoffers (Hand. 15: 20, 29; 21: 25). Nu vinden wij als karakteristiek kenteken van de zwakken ook het achten van de ene dag boven de anderen. De Joodse Christenen van deze richting zullen van degenen, die slechts moeskruiden aten, wel onderscheiden moeten worden als de strengere, waarschijnlijk Palestijnse Christenen uit de Joden (Hand. 21: 20 vv.). Van deze zullen er wel weinige te Rome gevestigd geweest zijn, waarom hun kiezen van dagen in vs. 5 v. alleen van terzijde wordt genoemd.
Dit rustte zeker daarop, dat de sabbat van het begin van de schepping geheiligd was.
Evenals de naam “zwakken” niet onvoorwaardelijk berisping is, zo is de naam “sterken” niet onvoorwaardelijk lof. De zwakke is zijn bevreesdheid tot een zekere bescherming, zolang hij zijn zwakheid zuiver houdt, d. i. niet tot een regel voor anderen maakt, daarentegen wordt voor de sterke zijn op zichzelf rechtmatig gevoel van vrijheid soms gevaarlijk tot zelfverheffing – deze stellingen zouden door de voorbeelden van vrome katholieken en niet vrome protestanten kunnen worden bevestigd. Evenwel is het standpunt van de sterke het hogere, en de apostel zegt uitdrukkelijk: de sterke zal in zijn vrijheid van het geloof blijven staan. Hij spreekt daar alleen van de toestand van de sterke in anderen, niet van ieder in het bijzonder, want dat sommigen, die sterken geacht waren, tot losbandigheid vervielen, dat had hij reeds vroeger ondervonden; maar in anderen is zijn woord heerlijk vervuld.
De een, die bij de zwakken wordt gerekend, acht wel de ene dag boven de andere dag als een heilige dag (Gal. 4: 10. Kol. 2: 16); maar de ander acht in zijn sterker geloof al de dagen gelijk 1) en wil ze alle voor even heilig gehouden hebben. Een ieder, zowel de een, die tussen de dagen onderscheid maakt, als de ander, die het niet maakt, moet in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd2) zijn en moet zich voor zichzelf overeenkomstig zijn overtuiging gedragen, maar mijdt daarbij het oordelen en verachten van anderen.
In het “acht alle dagen gelijk” wordt de oud-apostolische mening uitgesproken, die geen bijzondere feesten onderscheidde, omdat het gehele leven in Christus hun een feest was geworden. Toen de bloeitijd van het Christendom verdween, moest intussen de behoefte zich weer doen voelen, om in de algemene stroom van het dagelijks leven lichtpunten op de voorgrond te stellen.
Volgens de ideale opvatting moet het gehele leven van de Christen een onafgebroken zondag, iedere dag en ieder uur aan de dienst van de Heere gewijd zijn. Wat ons hier als zedelijk doel voor ogen zweeft, dat wij hier ernstig moeten najagen, dat zal eens ook zijn volle verwezenlijking vinden in de eeuwige sabbatsrust van de heilige, die Gods volk beloofd is (Hebr. 4: 1 vv.). Maar evenals onze menselijke beperktheid een plaatselijke cultus verlangt, zo maakt ook het tijdelijk karakter van ons bestaan en de natuur van onze beroepsbezigheden reeds omwille van de orde de afzondering van zekere uren en dagen tot uitsluitend godsdienstig gebruik noodzakelijk. Terwijl het “waar en wanneer” wel niet van de diepere Oud-Testamentische opvatting, maar toch van de populaire Joodse, alsook van de heidense godsverering, in tegenstelling met het “overal en altijd” van de Christelijke godsverering stond, kan zich daarentegen de laatste zonder schade door haar universalisme naar plaats en tijd accommoderen en zij doet het ook, tot de aardse orde van zaken geheel in een hemels en eeuwig aanzijn verheerlijkt zal zijn. Eveneens is het ook met het gebed; wij moeten altijd in biddende stemming en biddend van geest zijn, ons hele leven moet een onafgebroken gebed zijn (1 Thessalonicenzen. 5: 17). Desalniettemin moeten zij op zekere tijden bidden in engere zin en ons hart in bede, voorbede en dankzegging voor God uitstorten. Uit dit gezichtspunt moeten dan de feesttijden van de Kerk beschouwd worden, niet als een Joods juk, maar als een heilzame, onontbeerlijke instelling van de evangelische vrijheid, waarin de Christen zich verheugt en dankbaar verheugt, zich boven het gewoel van het dagelijks leven en werken tot het genot van hemels genieten verheft en al zijn beroepsbezigheden aan de dienst van God toewijdt. Zij zijn geen middel om snel gedaan te hebben, zodat men, zoals helaas nog heden door vele Christenen in hun vleselijk Joodse gezindheid geschiedt, zijn vroomheid tot de zondag en de bidstonden beperkt en daar als het ware zijn rekening met God weer voor een hele week aanzuivert, om in deze de wereld des te ongehinderder te dienen. Zij zijn integendeel een middel om steeds meer te komen tot het bidden zonder ophouden en tot die toestand te brengen dat het onderscheid tussen profane en heilige tijden zal verdwijnen, wanneer wij altijd voor de troon van God zullen zijn en Hem zullen dienen dag en nacht.
Tot zekerheid in enige overtuiging kan men alleen dan komen, wanneer deze op goddelijke grond berust. Daarom wil de apostel niet terughouden van het onderzoeken van de goddelijke waarheid en de zwakken alleen laten bouwen op de zandgrond van hun eigen meningen; maar juist door het streven naar zekerheid, door het onderzoek moet ieder van hen waarlijk bevestigd worden. (V.).
Het volgende vers is dan een leidraad, volgens welken ieder in zijn geestelijk leven van zijn overtuiging verzekerd moet worden; hoe meer iemand zijn mening godsdienstig probeert te heiligen, voor de Heere Jezus te brengen, in dankzegging probeert om te wenden (in plaats van zich oordelend boven andersdenkenden te verheffen of in verachting op hen neer te zien), des te meer moet hij er toe komen om in het licht van God het ware en het valse te onderscheiden.
De beide richtingen worden tot op deze dag onder Christenen gevonden, en zelden verstaan haar woordvoerders elkaar geheel. Het onderscheid tussen heden en de tijd van de apostelen ligt alleen omtrent de zaak, om welke de strengere en de vrijere richting van elkaar afwijken. In onze dagen zijn de vragen, waarbij de meningen zich verdelen, bijvoorbeeld die, of een Christen bloed mag eten, sterken drank drinken, tabak roken, of hij aan deze en andere openbare vermakelijkheden mag deelnemen. Daarom is het voor ons van groot gewicht, dat wij in ons hoofdstuk, zowel als in de eerste brief aan de Corinthiërs, bepaalde en duidelijke aanwijzingen van de apostel bezitten over de hoofdgedachten, die dergelijke twistpunten beslissen.
Van vroegeren tijd aan heeft men in de kerk deze Christelijke leer op het gedrag van de Christens in alle zogenaamde middenzaken (adiaphor a) toegepast, d. i. op zaken, die door God noch verboden, noch geboden zijn. Dat sterke drank op zichzelf een schadelijk vergif is en dus het gebruik er van een zonde is tegen het vijfde gebod, is een bewering, waarvoor niet meer grond aanwezig is dan voor menige andere van die aard, bijvoorbeeld dat koffie en tabak vergiften zouden zijn. Iets anders is het daarentegen, als velen er bedenkingen tegen maken, om iets met dankzegging te drinken dat de duivel tot een middel maakt om zo vele mensen in de diepste ellende te storten, ja te vermoorden. Wanneer zo ook dergelijke genietingen, die boven de nooddruft van het lichaam gaan, voor een Christen hinderlijk zijn of in zijn liefde tot de naaste, zodat hij de armen onthoudt, wat hij tot goede verzorging van zijn lichaam nodig heeft, of dat het hem hinderlijk is in volkomen heldere, blije overgave van lichaam en ziel aan de dienst van God met bidden en werken, dan zijn het voor hem geen middenzaken meer, maar zaken tegen de liefde van God en van de naaste, die hij niet met dankzegging kan genieten. Die uit vrees van hindernissen te ondervinden in een heilig leven, in liefde zoveel mogelijk ontberingen zich getroost, doet zeker goed. Die zich aan de verzoeking om slaaf van enig genot te worden, door gehele onthouding onttrekt in gevoel van eigen zwakheid, doet ook niet kwaad. Maar zij handelen niet naar het geloof en de liefde, die hun eigen keus en handelwijze in dergelijke uitwendige zaken tot een wezenlijk stuk van het Christelijk leven maken en de broeders veroordelen, die een andere zienswijze hebben.
Die de dag waarneemt, zo denkt een ieder, die sterk is in het geloof, die neemt hem waar de Heere, die wil er Hem mee dienen en naar Zijn wil leven, zoals hij die mag erkennen. En die de dag niet waarneemt, zo denkt van zijn kant weer de zwakkere, die neemt hem niet waar de Heere, omdat hij alle dagen op gelijke manier heilig wil houden. Die, om hier weer op het in vs. 2-4 besproken onderscheid terug te komen, daar eet, die eet zulks de Heere, zo houdt zich het zwakkere deel, dat hem ziet eten, overtuigd, a) want hij dankt God, hij zendt ook zijn tafelgebed over het vlees, dat hij wil genieten tot God op, hetgeen hij niet zou doen, als hij moest vrezen door zo’n genot Christus te verliezen en van de genade te vervallen (Gal. 5: 4). En die niet eet, die, zo houdt zich ook aan de andere kant de sterke in het geloof omtrent hem overtuigd, eet zulks de Heere niet, die vermijdt het genot van vlees en wijn om Christus wil, om Hem op zijn manier trouw te blijven en hij dankt God voor zijn mindere voedsel, voor zijn moeskruiden, omdat hij van mening is dat hij juist door zo’n onthouding het best het belang van zijn Heer kan waarnemen.
1 Kor. 10: 31. 1 Tim. 4: 3
De apostel veronderstelt in liefde van elk van de beide partijen, wat hij wil, dat de een van de andere veronderstelt. Zijn manier van uitdrukking bevat een indirecte eis tot wederkerig erkennen en verdragen en tevens een indirecte vermaning voor iedereen om zichzelf te beproeven, of hij ook gezind is en handelt volgens hetgeen de apostel met vertrouwen veronderstelt. Evenals nu echter de veronderstelling, hier uitgesproken, zo sluit ook, wat in de eerstvolgende verzen wordt gezegd, een indirect dringen tot zelfonderzoek en tot werkelijk vervullen van het veronderstelde in zich. Zoals namelijk de apostel op onze plaats veronderstelt dat het houden van dagen en het niet houden, het eten en niet eten in de dienst van de Heere en Hem ter eer geschiedt, dan veronderstelt hij daarom, dat in het algemeen niemand onder de Christenen voor zichzelf, maar ieder voor de Heere leeft en sterft, waardoor de juistheid van de eerste veronderstelling bevestigd wordt. Want die zich in het algemeen aan de Heere heeft toegewijd, die heeft zich ook in bijzondere zaken aan Hem toegewijd.
Als ik nu op de zo-even genoemde manier aanneem, dat de ene onder u evenzeer als de andere wat zij doen of niet doen, niet tot eer of voordeel van zichzelf doen, maar voor Hem, die ons aller hoofd is, dan neem ik niet meer aan, dan wat bij Christenen werkelijk het geval is. a) Want niemand van ons, die ons naar Christus noemen, leeft voor zichzelf, niemand leidt zo’n leven alsof eigen wil hem wet en eigen persoon zijn doel was en hij dus eigen voordeel en eigen eer zou najagen en niemand sterft voor zichzelf (2 Kor. 5: 15).
Gal. 2: 20. 1 Thessalonicenzen. 5: 10. 1 Petrus 4: 2.
Want hetzij dat wij leven, wij leven voor de Heere Jezus Christus; hetzij dat wij sterven, wij sterven voor de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Heere, wij zijn in al onze daden (1 Kor. 10: 31), zowel als bij alle ondervindingen Zijn eigendom.
Er is hier niet van onze objectieve, maar van onze subjectieve afhankelijkheid van de Heere sprake; want dat leven en dood in Zijn hand zijn, daarmee zou slechts een algemeen menselijke, geen specifiek Christelijke betrekking zijn uitgedrukt. Eveneens moet men bij de uitdrukking: “hetzij dat wij sterven, wij sterven voor de Heere” niet denken aan een leven de Heere na de dood, maar aan een voor de Heere sterven bij het einde van dit leven. Hier treedt dus het sterven volgens de noodzakelijkheid van de natuur op in de vorm van een zedelijk vrije, voor God welgevallige daad. De Christen offert zijn leven niet slechts op in de dienst en ter eer van de Heere in vrijwillige overgave, maar hij lijdt ook de dood, gehoorzaam aan de goddelijke beschikking in blij ontvangen daarvan, terwijl daarentegen hij zichzelf leeft en zichzelf sterft, die naar eigen wil of met tegenzin leeft en eveneens met tegenzin of naar eigen wil sterft.
Ook het sterven van de Christen – op zo’n ideale manier is Paulus zich bewust van de zedelijke macht en toewijding van de levensgemeenschap met Christus – is een zedelijke daad in de verhouding van het toebehoren aan Christus, terwijl hij in de dood weet en voelt, dat hij in die betrekking met zijn leven gestaan heeft en nu ook met zijn sterven staat. Het is het zichzelf bewuste sterven in de Heere (Openbaring 14: 13, vgl. Fil. 1: 20. Rom. 8: 38).
Aan het houden en niet houden, het eten en niet eten (vs. 6) ligt een sterkere tegenstelling ten grondslag, het leven en sterven, maar beide zijn daarin een, dat wij van de Heere zijn, Hem toebehoren.
Als God het gewild had, zou een ieder van ons tot Hem gegaan zijn op het ogenblik van zijn bekering. Het was tot onze voorbereiding voor de onsterfelijkheid niet volstrekt nodig om hier langer te blijven. Het kan de mens gebeuren om ten hemel opgenomen en bereid bevonden te worden, om deel te hebben aan de erfenis van de heilige in het licht, ofschoon hij pas in Jezus leerde geloven. Het is waar, dat onze heiligmaking een lang en onophoudelijk voortgaan is en wij niet volmaakt zullen zijn voordat wij ons lichaam afleggen en het heilige binnentreden zullen; nochtans had de Heere het aldus gewild, Hij zou ons van onvolmaaktheid tot volmaaktheid gebracht en ons dadelijk in de hemel genomen hebben. Waarom zijn wij dan hier? Zou God Zijn kinderen een enkel ogen blik langer dan nodig is buiten het Paradijs houden? Waarom is het leger van de levende God nog op het slagveld, terwijl een aanval hen de overwinning kon geven. Waarom dwalen Zijn kinderen nog overal onder de menigte rond, terwijl een enig woord uit Zijn mond hen in het midden van hun verwachtingen, in de hemel brengen kon. Het antwoord is: zij zijn hier opdat zij voor de Heere leven en anderen tot de kennis van Zijn liefde brengen zouden. Wij blijven op aarde, als zaaiers om het goeie zaad te verspreiden, als ploegers, om het braakland te ontginnen, als herauten om de zaligheid te verkondigen. Wij zijn hier als arbeiders van Hem en arbeiders met Hem. Laat ons toezien dat ons leven aan zijn doel beantwoorde. Dat wij ernstig, nuttig, heilig leven tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade. Intussen is ons verlangen met Hem te zijn en zingen wij elke dag: Mijn hart is met Hem, Terwijl ik dag en nacht De blijde roepstem van Gods Zoon: Sta op en kom! verwacht.
Christus de Heer, wij Zijn eigendom, dat moesten zij steeds op het oog houden, dat moest hen dringen, om niet voor zichzelf, maar voor Hem te leven, om Zijn wil te volbrengen, om Hem te behagen en zo door dit beginsel in al wat zij deden en nalieten, zich te laten besturen. Zo moest het zijn bij allen en als het zo ware bij allen, dan zou hij, die de dag waarnam, zowel als hij, die hem niet waarnam, dan zou hij, die at, zowel als hij, die niet at, wel handelen. En de ene behoorde van de ander te vertrouwen dat hij uit dit beginsel handelde. Woonde dit vertrouwen in hun harten, dan zou men in plaats van elkaar te verachten en te veroordelen, in elkaars gedrag berusten, het billijken en goedkeuren, Christus de Heer, wij Zijn eigendom. Wat een troostrijke waarheid. Ja, dit is onze troost, onze enige troost, dat wij met lichaam en ziel beide in leven en sterven niet onszelf, maar Hem, onze trouwe Zaligmaker eigen zijn, die met Zijn dierbaar bloed voor al onze zouden volkomen betaald en ons uit alle geweld van de duivel verlost heeft, die ons zo bewaart, dat zonder de wil van onze hemelse Vader geen haar van ons hoofd kan vallen, ja, dat ons alle ding tot onze zaligheid moet dienen en die ons door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert en hem voortaan te leven, van harte willig en bereid maakt.
Want daarvoor is Christus naar Gods bedoelen, ook gestorven en opgestaan en weer levend geworden, na Zijn opstanding opnieuw in een leven getreden, dat tot de mensenwereld in betrekking stond, opdat Hij beide over doden en levenden heersen en ook eens over allen als Rechter zitten zou (Hand. 10: 42. 2 Tim. 4: 1 Daarmee zijn wij echter verplicht, zoals wij daardoor ook de macht hebben, om voor Hem te leven en te sterven (1 Thessalonicenzen. 5: 9. v.).
Volgens een korte meer juiste lezing van de grondtekst moet alleen worden vertaald: “Is Christus gestorven en weer levend geworden. ” De apostel legt hierop niet de nadruk, dat de Heere niet in de dood is gebleven, maar dat Hij gestorven en zo uit de dood in Zijn tegenwoordig leven is ingegaan. Daardoor heeft Hij een leven verkregen, waarin de tegenstelling van leven en dood is opgeheven en Hij onze Heere is, hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven. In zo’n recht om Zich objectief ons ten Heere te stellen, ligt verder de plicht van onze subjectieve verhouding als dienstknecht ten opzichte van Hem. Naar deze tweede lezing nu bestaat tussen voor- en nazin een parallelisme. Aan de ene kant komen de beide woorden “gestorven” en “doden”, aan de andere kant “levend geworden” en “levenden” overeen. De uitleggers verklaren dat, zich beroepende op Rom. 10: 10, in de regel voor een zuiver formeel parallellisme, zodat Paulus niet wilde zeggen dat Christus gestorven is, opdat Hij Heer over doden zou zijn en weer levend geworden, opdat Hij het over levenden zou wezen. Zeker is de afwisseling van de uitdrukkingen in zoverre slechts formeel, als aan de ene kant het “sterven en levend worden” en aan de andere kant het “doden en levenden” moet worden bij elkaar genomen in deze zin: door dood en opstanding samen heeft Christus het recht als Heerser beide over doden en levenden verworven. Maar aan het formele parallellisme ligt volgens 1 Petrus 3: 18 vv. Efeze. 4: 9 vv. Fil. 2: 10 vv. toch ook een materieel ten grondslag.
Maar u, die niet eet, waarom oordeelt u uw broeder, die daar eet, als ware het met zijn Christendom geen ernst? Of ook u, die eet, wat veracht u uw broeder die niet eet, als ware hij een bijgelovige, een kleingeestige dwaas? a) Want wij zullen allen, zowel zij, die op een vrijer standpunt staan, als anderen, die een meer vreesachtig geweten hebben, voor de rechterstoel van Christus gesteld worden, om uit de mond van Hem, die de Heere is over levenden en doden (vs. 9. Joh. 5: 27) ons oordeel te ontvangen (2 Kor. 5: 10).
MATTHEUS. 25: 31.
Het “maar u”, waarmee de apostel dit vers begint, geeft het contrast te kennen, waarin het door hem bestrafte oordelen aan de een en het verdoemen aan de andere kant (welk laatste echter ook een oordelen in zich bevat), met de heerschappij van Christus staat.
Boven (vs 4) stond het “u” in tegenstelling tot de vreemde knecht, die echter een broeder genoemd is. Evenals echter het richten over de broeder in het heersersambt van Christus ingrijpt, dan probeert het ook Hem Zijn rechterlijke macht te ontrukken.
Want (of “Evenals er is geschreven in Jes. 45: 23, welk woord men ook op de jongste dag kan toepassen als Zijn woord tot volkomen vervulling zal komen: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal elke knie zich buigen (Fil. 2: 10) en alle tong zal God belijden als de énige Heer.
Merkwaardig is deze plaats, evenals reeds vs. 8 en 9 daardoor, dat zij een krachtige getuigenis voor Christus’ Godheid geeft, ja, het daaruit blijkt, hoe gereed de apostel is, wat in het Oude Testament van God de Allerhoogste gezegd wordt, op Christus toe te passen. (V.).
De apostel wil hier niet de Godheid van Christus bewijzen, maar hij wil te kennen geven dat wij voor Christus’ rechterstoel gesteld zullen worden, waarom in het citaat op “mij” en “God” de nadruk rust. Omdat hij u echter zijn bewijs geeft door een aangehaalde plaats, waarin God, de Heere, als Heer en Rechter optreedt, volgt onmiddellijk vanzelf dat met dit woord: “God” en “Heere” Christus bedoeld is. Ook op andere plaatsen wordt het woord “Heere” als predikaat van Christus gebruikt, om Hem te noemen als de Jehova van het Oude Verbond. Dat de hier aangehaalde plaats van Jesaja direct op Christus moet worden toegepast, wijst Fil. 2: 10 vv. aan.
a) Zo dan, zoals wij uit dit woord van de Schrift opmerken, een ieder van ons zonder uitzondering, omdat toch daar sprake is van alle knieën en van alle tongen, zal eens voor zichzelf voor God rekenschap geven. Ieder zal op zijn doen en laten hier op aarde en dus tegenwoordig vooral daarop moeten toezien, hoe hij dan zelf zal kunnen bestaan (MATTHEUS. 12: 36. Gal. 4: 5 v.).
Ps. 62: 13. Jer. 17: 10; 32: 19. 2 Kor. 5: 10. Gal. 6: 5. Openbaring 2: 23; 22: 12.
Laat ons dan elkaar niet meer, zoals dat nog zo veelvuldig onder ons plaats heeft, oordelen (1 Kor. 4: 5); maar oordeel dit liever in plaats van een rechterlijk vonnis te vellen, neemt liever een zedelijkoordeel, door dit tot uw levensregel te maken, dat u en hiermee wend ik mij vooral tot u, de sterken, die ik reeds in vs. 1 vermaand heb, niemand te kwetsen, de broeder geen aanstoot of ergernis geeft, hem niets in de weg legt, waardoor hij ten val zou kunnen komen.
In het vorige heeft de apostel aangetoond dat hij, die niet eet, noch vanwege de anderen (vs. 3-9), noch vanwege zichzelf (vs. 10-12) reden of recht heeft om degene ongunstig te beoordelen die eet en dat de laatste evenmin reden of recht heeft om op de eersten met minachting neer te zien. Nu gaat hij daarentegen over tot een aanwijzing, die bijna uitsluitend op het eten betrekking heeft. Die niet eet, kan hierin niets veranderen, omdat hij inwendig gehouden is om niet te eten; die daarentegen eet, kan het eten laten, omdat hij inwendig vrij is om het zo of anders te doen.
Alles is op zichzelf rein, zegt de apostel; maar het is niet billijk, naar het een of ander op zichzelf dwaze principe zonder meer te handelen, omdat het op zichzelf beschouwd juist is, maar niet voor uw zwakke broeder.
Tegenover de zaak op zichzelf beschouwd, wordt haar subjectieve voorstelling gesteld. Is zij daarin onrein, dan is zij het ook werkelijk voor de persoon, die daarmee te doen heeft; deze zou zij in zedelijk opzicht verontreinigen door het genot, omdat hij deed, wat hij voor ongeoorloofd hield. Terwijl de woorden: “aanstoot” of “ergernis” in Hoofdstuk 9: 33 in gelijke zin verbonden zijn, worden hier beide uitdrukkingen door een “of” grammatisch van elkaar gescheiden en het volgende staat het niet alleen toe, maar schijnt het zelfs te eisen om het ook in onderscheidenen zin op te vatten, namelijk “aanstoot” van een zich stoten aan de overtuiging van een ander, die niet ten gevolge heeft een wankelen van eigen mening of een overgeven tot de tegenovergestelde overtuiging, maar alleen afkeer en droefheid (vs. 15).
De angstvallige broeder kan zich of verbitteren en nog meer in zijn verkeerde mening verharden, of zich op lichtzinnige manier heen zetten over zijn gewetensbezwaren (vs. 23) en zich vrijmaken, zonder het beginsel van de vrijheid te begrijpen.
a) Ik weet en ben verzekerd in de Heere Jezus over hetgeen ik zeg, ik spreek dus geenszins slechts een subjectieve mening van mijn kant uit, zoals dit wel onder bijzondere omstandigheden soms plaats heeft (1 Kor. 7: 25 en40). En zo verzeker ik u, dat geen ding, als in dit geval vlees en wijn (vs. 21), onrein is in zichzelf en dus niet met de heiligheid van een Christen zou overeenkomen (MATTHEUS. 15: 11. 1 Kor. 10: 26. 1 Kor. 4: 4 v. dan die, zwak in geloof (vs. 2), acht iets onrein te zijn, voor die is het onrein. Hem zou het zeker verontreinigen of ontheiligen, als hij genoot, omdat hij toch zo’n genieten voor verkeerd houdt en zo zijn geweten met iets, dat voor hem zonde is, bezoedelde (vs 23. 1 Kor. 8: 7. Tit. 1: 15).
Hand. 10: 15. 1 Kor. 8: 4. 1 Tim. 4: 4.
Daarnaar kunt u, die meent, dat u alles eten mag (vs. 2), als u met uzelf alleen te doen heeft (vs. 22), u ook gedragen. Maar als u met anderen te doen heeft en uw broeder, wiens geweten hem het eten van zulk voedsel, als u geniet, verbiedt, omwille van het voedsel bedroefd wordt, omdat hij u iets ziet eten, waarvan hij denkt dat daardoor de heiligheid van de Christelijke staat in het algemeen wordt bezoedeld en in het bijzonder uw verhouding tot Christus wordt geschonden, dan wandelt u door het verwekken van zo’n aanstoot (vs. 13), niet meer naar liefde. Deze gebiedt u integendeel de broeder die droefheid te sparen, al is het dat die ook op een ingebeelde grond rust. a) Verderf die niet met uw voedsel daardoor, dat u het hem als iets verkeerds zou doen voorkomen, dat hij tot de Christelijke gemeente was overgegaan, omdat hij hier een gedrag ziet, dat hem als ongebondenheid en wetteloosheid voorkomt; verderf hem niet, waarvoor Christus gestorven is. Heeft Hij, de Heere, om deze zalig te maken zelfs Zijn leven gegeven, geef u dan om hem op de weg van de zaligheid te houden, toch graag het mindere, uw voedsel en uw u toekomende vrijheid om alles te eten.
1 Kor. 8: 11.
Zorgt u in de gemeente, die het veelbetekenende goed van de vrijheid, die wij in Christus hebben, ontvangen heeft, ervoor, dat dan uw goed, deze schat (1 Kor. 10: 29. 2 Kor. 3: 17. niet gelasterd wordt van hen, die er geen begrip van hebben, die nog niet in staat zijn vrijheid van ongebondenheid te onderscheiden.
Sta vrijwillig tegenover zulke angstvallige en bekrompen gemoederen van uw vrijheid af, om de gemeente van God geen ergernis te geven (1 Kor. 8: 9; 10: 32 ; u doet daarmee geen schade aan het rijk van God, op welks bezit het toch alleen aankomt. Want het koninkrijk van God is niet voedsel en drank, het bezitten daarvan hangt niet af van feitelijk te eten en drinken wat men wil, hoewel u daartoe, wat de grond van de zaak aangaat, alleszins de macht heeft (vs. 2 en 14); maar het is rechtvaardigheid voor God door het geloof in Christus Jezus en vrede ten gevolge van de verzoening met Hem en blijdschap door de Heilige Geest, vreugde in het gemoed, gewerkt door de Heilige Geest, die in het hart woont (Hoofdstuk 3: 22; 5: 1; 8: 15 vv.
Want die Christus in deze dingen dient, die deze drie schatten boven alles vasthoudt en zich bij alles door deze laat leiden, die is voor God welbehaaglijk en aangenaam voor de mensen. De Heere acht hem een ware burger van Zijn rijk, terwijl mensen in plaats van aanstoot aan hem te nemen, zich in hem verheugen en hem proberen na te volgen.
Wij, die sterk zijn kunnen het gebruik maken van de vrijheid, waarvan wij ons bewust zijn, nalaten zonder aan het rijk van God iets tekort te doen. Zo dan laat ons ten opzichte van die zwakken najagen hetgeen tot de vrede dient, laat ons onze medegelovigen die droefheid (vs. 15) besparen en verder – zoeken wij hetgeen tot de stichting onder elkaar dient, daardoor dat wij ons aangenaam bij hen maken (vs. 18) en zo hen het best van hun zwakheid genezen.
Paulus wil niet degenen verschonen en verdragen, die hun lichamelijke oefening tot een noodzakelijk stuk van het rijk van God willen maken en het bezit van het rijk daardoor willen verdienen, terwijl zij het allen ontzeggen, die naar een andere mening hun dagelijks leven inrichten. Maar er zijn broeders, medegelovigen en medeheilige, die zo’n lichamelijke oefening waarnemen, niet in het verkeerde van verdienstelijkheid en ziekelijke vroomheid, maar in de vreze van een zwak geweten. Zij menen dat zij de Heilige Geest bedroeven zouden, als zij zich niet van dit of dat genieten onthielden. Bij zulke moet de overtuiging, dat het Koninkrijk van God gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest is, ons, die weten dat deze goederen door geen voedsel, kleren, gebruiken enz. teniet gedaan kunnen worden, tot beoefening van de liefde aandringen en tot het feitelijk bewijs, dat wij het rijk van God niet stellen in het bezitten en gebruiken van zaken, waarvan zij zich onthouden. Zeker behoort vrijheid bij het rijk van God, welks burgers koningen zijn. Het zou nu een armzalige vrijheid zijn en niet naar de Geest van de Heere (MATTHEUS. 17: 25 vv.), als men het verliezen zou, door zich te onthouden van het gebruik van eten of drinken of andere middenzaken. Dit is integendeel de ware vrijheid in het rijk van God, dat Christenen ten gevolge van het geloof in hun uitwendig gedrag niet gebonden zijn en toch naar de liefde in alle zaken zich tot ieders dienstknecht kunnen maken. Die alles moest eten en drinken, zou reeds niet vrij zijn, gevangen genomen onder die macht (1 Kor. 6: 12). De deelgenoten van het rijk van God mogen alles doen en alles laten, waarbij hun schat zonder schade bewaard blijft, ook het goed en de eer van het rijk, gerechtigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Gerechtigheid door het geloof, waaruit vrede met God volgt (Hoofdstuk 5: 1) en de blijdschap door de Heilige Geest (1 Thessalonicenzen. 1: 6), die niet komt en gaat als de vreugde van deze wereld, maar het deel van alle gelovigen en huisgenoten is (Hoofdstuk 15: 13), of zij vlees eten en wijn drinken, dan of zij moeskruiden eten en water drinken.
Gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest is een schone rij; alle drie verkrijgt men door de Heilige Geest, maar met de gerechtigheid begint het – de negatieve, die bestaat in de vergeving van de zonden en de positieve, die bestaat in het toedelen van de nieuwe levenstoestand; uit deze beide ontstaat dan de vrede, de herstelde juiste verhouding tot God, tot de naaste, tot het eigen geweten en het bewustzijn daarvan; en de vrucht uit gerechtigheid en vrede voortkomend, is de blijdschap door de Heilige Geest een zaligheid, die volkomen is.
Zou deze les van de apostel over voedsel en dagen niet ook toepasselijk zijn op ons zingen en daarmee onze handelwijze in de gezangenstrijd ons zijn aangewezen? (v. L.).
Verbreek, zo herhaal ik mijn vermaning van vs. 15 weer in een ander opzicht, het werk van God niet omwille van het voedsel. Het is toch een zaak van geringe betekenis (1 Kor. 6: 13) of een voedsel genoten mag worden, of dat men zich van die, zoals de zwakke meent, moet onthouden, dat u zou willen dwingen alles, zoals u doet, te eten, iemand, in wie het Christendom wel een werk begonnen heeft, maar in wie toch nog velerlei zwakheid is (Fil. 1: 6. 1 Kor. 3: 9 a) Alle dingen zijn wel rein op zichzelf, zoals ik reeds in vs. 15 heb verklaard, maar hetgeen op zichzelf rein is, is kwaad, is een genot, dat zondig is en een oordeel meevoert (vs. 23), de mens, die met aanstoot eet; het is verkeerd als hem het geweten, zoals het gesteld is, het genot verbiedt en onder het eten met geweld door hem wordt onderdrukt.
Tit. 1: 15.
Het is goed, voor u, die zonder zo’n aanstoot voor uzelf kunt eten en drinken wat u wilt, geen vlees te eten noch wijn te drinken, noch iets wat het dan ook zij (1 Kor. 10: 31), waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is, zelfs wanneer zijn zwakheid niet tot een eigenlijk aanstoot of ergernis nemen voortgaat (1 Kor. 8: 10 vv. ; 10: 32-11: 1).
Heeft u geloof dat u alles mag eten (vs. 2)? Heb dat overal, waar u met zwakke broeders te doen heeft, bij uzelf voor God, draag dat niet tot een aanstoot voor anderen openlijk ten toon (1 Kor. 14: 28) en dring dat aan degenen, die het niet hebben, niet op tot een ergernis voor hen. Zalig is degenen, die eten alleen hij, die zichzelf niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt, wiens geweten hem niet beschuldigt als hij iets doet, maar bij zichzelf verzekerd is juist te handelen in hetgeen hij doet.
Maar die twijfelt, als hij eet, of het wel goed en geoorloofd is en zich daarmee bij de sterken voegt zonder inwendig tot hen te behoren, is veroordeeld, is het goddelijk oordeel van de verdoemenis ten prooi geworden (Joh. 3: 18), omdat hij niet uit het geloof eet, maar uit dienstbaarheid aan mensen, zij het mensenvrees, of zucht om mensen te behagen. En zo is ook hier als algemene grondregel toe te passen: a) al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
Tit. 1: 15.
Nu begrijpen wij, waarom het voor de apostel van zo grote betekenis is dat de zwakken, die de eerste stap in het Christendom hebben gezet, die de invloed daarvan in het gehele dagelijks leven nog niet bij ervaring hebben leren kennen, liefderijk worden opgenomen en niet in hun geweten geërgerd. Hij wil ze als tedere plantjes zien behandelen, die men niet bestormt met het zoeken van vrucht, zoals de zon die rijpt aan bomen met stammen, noch ze aan de stormen blootstelt, die voor vastgewortelde eiken goed is. Zij zijn in gevaar om te verliezen, wat zij bezitten, wanneer men hen dringt om te geven wat zij niet kunnen.
Men verstaat het woord “al wat niet uit het geloof is, dat is zonde”, verkeerd, als men met Augustinus daaruit de stelling afleidt dat alle deugden van de heidenen blinkende zonden zijn, eveneens alle maatschappelijke braafheid van onbekeerden beoordeelt, alsmede alle tegenwoordige beschaving. Het is niet juist als men de gelovigen voor volmaakt houdt, maar nog verkeerder als men van deze slechts volkomen ongelovigen onderscheidt. Ons woord doelt niet op heidenen of onbekeerde Christenen, maar eigenlijk op ontwaakte belijders van het Evangelie. Tot deze richt het de eis om alles te laten wat zij niet met volkomen blijdschap van het geloof kunnen doen.
De Christen bezondigt zich met alles, wat hij anders doet dan op grond van zijn geloofsvertrouwen op God, waartoe dit hem geen recht geeft, daartoe heeft hij ook geen recht. Lijdt hij dus aan een zwakheid, waarmee toch oprechtheid wel samen kan gaan, dan moet hij zich onthouden van alles, dat bij hem de grond zou missen, onder welke het alleen Christelijk recht gedaan is.
Waar het de positieve geboden of geboden van God aangaat, heeft de subjectieve overtuiging in het geheel geen stem. In adiaphora – d. i. niet: in zedelijk onverschillige zaken, want die zijn er eigenlijk niet, maar in de zodanige, waarvoor geen objectieve norma mogelijk is, omdat zij door de omstandigheden nu een zedelijk goed en dan weer verwerpelijk kunnen worden, waarin de meerdere of mindere ontwikkeling van de subjectiviteit van invloed is – is de ogenblikkelijke persoonlijke overtuiging of het geloof de beslissende leidraad. Men kan daarom ook niet zeggen: het ware geloof, de juiste overtuiging mag alleen de beslissende grond tot handelen zijn, nee, ook die welke objectief verkeerd is. De overtuiging van deze aceten te Rome was objectief verkeerd; en toch raadt Paulus aan om zolang naar die mening te handelen, totdat in hen het Christelijk leven een betere overtuiging heeft teweeggebracht.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel