Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalm van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329, opH5921 SchoschannimH7799.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.
KJV
[[To the chief Musician1
upon Shoshannim,3
A Psalm of David.]]4
Save
me, O God;
for the waters
are come
in unto my soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
VerlosH3467 mij, o GodH430! wantH3588 de waterenH4325 zijn gekomenH935 tot aan de zielH5315.
Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
KJV
I sink
in deep
mire,
where there is no standing:
I am come4
into deep
waters,5
where the floods
overflow
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ik ben gezonkenH2883 in grondelozeH4688 modderH3121, waar men nietH369 kan staanH4613; ik ben gekomenH935 in de diepten der waterenH4325, en de vloedH7641 overstroomtH7857 mij.
Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
Ook in dit vers
dieptenH4615
KJV
I am weary
of my crying:
my throat
is dried:
mine eyes
fail
while I wait
for my God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik ben vermoeidH3021 van mijn roepenH7121, mijn keelH1627 is ontstokenH2787, mijn ogenH5869 zijn bezwekenH3615, daar ik ben hopendeH3176 op mijn GodH430.
Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
KJV
They that hate
me without a cause
are more
than the hairs
of mine head:
they that would destroy
me, being mine enemies
wrongfully,
are mighty:
then I restored
that which I took not away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die mij zonder oorzaak hatenH8130, zijn meer dan de harenH8185 mijns hoofdsH7218; die mij zoeken te vernielenH6789, die mij om valse oorzaken vijandH341 zijn, zijn machtigH6105 geworden; wat ik niet geroofdH1497 heb, moet ik alsdan wedergevenH7725.
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
Ook in dit vers
oorzaakH2600
Ps. 38:19;H7231
valse oorzakenH8267
KJV
O God,
thou knowest
my foolishness;
and my sins
are not hid
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
O GodH430! GijH859 weetH3045 vanH4480 mijn dwaasheidH200, en mijn schuldenH819 zijn voor U nietH3808 verborgenH3582.
O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
KJV
Let not them that wait
on thee, O Lord
GOD
of hosts,
be ashamed
for my sake: let not those that seek
thee be confounded
for my sake, O God1
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachtenH6960, o Heere, HEEREH3069 der heirscharenH6635, laat hen door mij niet te schandeH3639 worden, die U zoekenH1245, o God IsraelsH3478!
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Ook in dit vers
GodH430
HeereH136
beschaamdH954
schandeH3637
KJV
Because for thy sake I have borne
reproach;
shame
hath covered
my face.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantH3588 om Uwentwil draag ik versmaadheidH2781; schande heeft mijn aangezichtH6440 bedektH3680.
Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
Ook in dit vers
draagH5375
KJV
I am become a stranger
unto my brethren,
and an alien
unto my mother's
children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ik ben mijn broederenH251 vreemd geworden, en onbekendH5237 aan mijner moedersH517 kinderenH1121.
Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
Ook in dit vers
vreemdH2114
KJV
For the zeal
of thine house
hath eaten me up;
and the reproaches
of them that reproached
thee are fallen
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantH3588 de ijverH7068 van Uw huisH1004 heeft mij verteerdH398; en de smaadhedenH2781 dergenen, die U smadenH2778, zijn opH5921 mij gevallenH5307.
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
KJV
When I wept,
and chastened my soul
with fasting,
that was to my reproach.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En ik heb geweendH1058 in het vastenH6685 mijner zielH5315; maar het isH1961 mij geworden tot allerlei smaadH2781.
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
KJV
I made
sackcloth
also my garment;
and I became a proverb
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En ik heb een zakH8242 tot mijn kleedH3830 aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoordH4912 geworden.
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Ook in dit vers
aangedaanH5414
KJV
They that sit in
the gate
speak
against me; and I was the song
of the drunkards.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Die in de poortH8179 zittenH3427, klappenH7878 van mij; en ik ben een snarenspelH5058 dergenen, die sterken drankH7941 drinkenH8354.
Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
KJV
But as for me, my prayer
is unto thee, O LORD,
in an acceptable
time:
O God,
in the multitude
of thy mercy
hear
me, in the truth
of thy salvation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Maar mij aangaande, mijn gebedH8605 is tot U, o HEEREH3068; er is een tijdH6256 des welbehagensH7522, o GodH430! door de grootheidH7230 Uwer goedertierenheidH2617; verhoorH6030 mij door de getrouwheidH571 Uws heilsH3468.
Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
KJV
Deliver
me out of the mire,
and let me not sink:
let me be delivered
from them that hate
me, and out of the deep
waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ruk mij uit het slijkH2916, en laat mij nietH408 verzinkenH2883; laat mij gered worden van mijn hatersH8130, en uit de dieptenH4615 der waterenH4325.
Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
Ook in dit vers
RukH5337
geredH5337
KJV
Let not the waterflood8
overflow
me, neither let the deep
swallow me up,
and let not the pit
shut
her mouth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Laat de watervloedH4325 mij niet overstromenH7857, en laat de diepteH4688 mij niet verslindenH1104; en laat den putH875 zijn mondH6310 overH5921 mij niet toesluitenH332.
Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
KJV
Hear
me, O LORD;
for thy lovingkindness
is good:
turn
unto me according to the multitude
of thy tender mercies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
VerhoorH6030 mij, o HEEREH3068, wantH3588 Uw goedertierenheidH2617 is goedH2896; zieH6437 mij aan naar de grootheidH7230 Uwer barmhartighedenH7356.
Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
KJV
And hide
not thy face
from thy servant;
for I am in trouble:
hear1
me speedily.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En verbergH5641 Uw aangezichtH6440 nietH408 van Uw knechtH5650, wantH3588 mij is bangeH6887; haastH4118 U, verhoorH6030 mij.
En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
KJV
Draw nigh
unto my soul,
and redeem
it: deliver
me because of mine enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
NaderH7126 totH413 mijn ziel, bevrijdH1350 ze; verlos mij omH4616 mijner vijandenH341 wil.
Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
Ook in dit vers
zielH5315
verlosH6299
KJV
Thou hast known
my reproach,
and my shame,
and my dishonour:
mine adversaries
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
GijH859 weetH3045 mijn versmaadheidH2781, en mijn schaamteH1322, en mijn schande; alH3605 mijn benauwersH6887 zijn voor U.
Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
Ook in dit vers
schandeH3639
KJV
Reproach3
hath broken
my heart;
and I am full of heaviness:
and I looked
for some to take pity,
but there was none; and for comforters,
but I found
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De versmaadheidH2781 heeft mijn hartH3820 gebrokenH7665, en ik ben zeer zwakH5136; en ik heb gewachtH6960 naar medelijdenH5110, maar er is geen; en naar vertroostersH5162, maar heb ze niet gevondenH4672.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
KJV
They gave
me also gall
for my meat;
and in my thirst
they gave me vinegar
to drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Ja, zij hebben mij galH7219 tot mijn spijsH1267 gegeven; en in mijn dorstH6772 hebben zij mij edikH2558 te drinkenH8248 gegeven.
Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
Ook in dit vers
gegevenH5414
KJV
Let their table
become a snare
before
them: and that which should have been for their welfare,
let it become a trap.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Hun tafelH7979 worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergeldingH7965 tot een valstrikH4170.
Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
Ook in dit vers
strikH6341
aangezichtH6440
KJV
Let their eyes
be darkened,
that they see
not; and make their loins
continually
to shake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Laat hun ogenH5869 duisterH2821 worden, dat zij niet zien; en doe hun lendenH4975 gedurigH8548 waggelenH4571.
Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
Ook in dit vers
zienH7200
KJV
Pour out
thine indignation
upon them, and let thy wrathful
anger
take hold
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
StortH8210 over hen Uw gramschap uit; en de hittigheidH2740 Uws toornsH639 grijpeH5381 hen aan.
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
Ook in dit vers
gramschapH2195
KJV
Let their habitation
be desolate;
and let none dwell
in their tents.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Hun paleisH2918 zij verwoestH8074; in hun tentenH168 zij geenH408 inwonerH3427.
Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
KJV
For they persecute
him whom thou hast smitten;
and they talk
to the grief
of those whom thou hast wounded.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantH3588 zij vervolgenH7291, dienH834 GijH859 geslagenH5221 hebt; en maken een praatH5608 van de smartH4341 Uwer verwondenH2491.
Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
KJV
Add
iniquity
unto their iniquity:
and let them not come
into thy righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen nietH408 komenH935 tot Uw gerechtigheidH6666.
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
Ook in dit vers
misdaadH5771
misdaadH5771
KJV
Let them be blotted
out of the book
of the living,
and not be written
with the righteous.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Laat hen uitgedelgdH4229 worden uit het boekH5612 des levensH2416, en metH5973 de rechtvaardigenH6662 nietH408 aangeschrevenH3789 worden.
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
KJV
But I am poor
and sorrowful:
let thy salvation,
O God,
set me up on high.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Doch ik ben ellendigH6041 en in smartH3510; Uw heilH3444, o GodH430! zette mij in een hoog vertrek.
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
Ook in dit vers
zette hoog vertrekH7682
KJV
I will praise
the name
of God5
with a song,
and will magnify
him with thanksgiving.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Ik zal GodsH430 NaamH8034 prijzenH1984 met gezangH7892, en Hem met dankzeggingH8426 grootmakenH1431.
Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
KJV
This also shall please
the LORD
better
than an ox
or bullock
that hath horns
and hoofs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En het zal den HEEREH3068 aangenamerH3190 zijn dan een osH7794, of een gehoorndeH7160 varH6499, die de klauwen verdeeltH6536.
En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
KJV
The humble
shall see
this, and be glad:
and your heart
shall live
that seek
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
De zachtmoedigenH6035, dit gezienH7200 hebbende, zullen zich verblijdenH8055; en gij, die GodH430 zoektH1875, ulieder hartH3824 zal levenH2421.
De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
KJV
For the LORD
heareth
the poor,
and despiseth
not his prisoners.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WantH3588 de HEEREH3068 hoortH8085 de nooddruftigenH34, en Hij verachtH959 Zijn gevangenenH615 nietH3808.
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
KJV
Let the heaven
and earth
praise
him, the seas,
and every thing that moveth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Dat Hem prijzenH1984 de hemelH8064 en de aardeH776, de zeeenH3220, en alH3605 wat daarin wriemeltH7430.
Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
KJV
For God
will save
Zion,
and will build
the cities
of Judah:
that they may dwell
there, and have it in possession.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WantH3588 GodH430 zal SionH6726 verlossenH3467, en de stedenH5892 van JudaH3063 bouwenH1129; en aldaarH8033 zullen zij wonenH7931, en haar erfelijk bezitten;
Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;
Ook in dit vers
erfelijkH3423
wonenH3427
KJV
The seed
also of his servants
shall inherit
it: and they that love
his name
shall dwell
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En het zaadH2233 Zijner knechtenH5650 zal haar beervenH5157; en de liefhebbersH157 Zijns NaamsH8034 zullen daarin wonenH3427.
En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
opperzangmeester,
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester,
Zie Ps. 4:1.
schòschannim
Zie Ps. 45:1 .
Hertaald:
schòschannim
Zie Ps. 45:1.
wateren
Dat is, overgrote gevaren dreigen mij het leven te benemen; zie 2 Sam. 22:17 , alzo vs.3, 15,16.
Hertaald:
wateren
Dat is: overgrote gevaren dreigen mij het leven te benemen; zie 2 Sam. 22:17; zo ook vers 3, 15, 16.
grondeloze
Hebr. modder der grondeloosheid, of diepte.
Hertaald:
grondeloze
Hebreeuws: modder van de grondeloosheid, of van de diepte.
waar
Hebr. en daar is [om zo te spreken] gene standing; dat is, geen vastigheid, grond; ik zink er al dieper en dieper in.
Hertaald:
waar
Hebreeuws: en daar is, om zo te zeggen, geen stand; dat is: geen vastigheid, geen grond; ik zink er steeds dieper in.
overstroomt
Dat is, dreigt mij weg te rukken. Hier wordt gebruikt het woord Schibboleth, waarvan Richt. 12:6 ; alzo onder, vs.16.
Hertaald:
overstroomt
Dat is: dreigt mij weg te rukken. Hier wordt het woord Schibboleth gebruikt, waarover Richt. 12:6; zo ook hieronder vers 16.
zonder
Hebr. tevergeefs, omniet.
Hertaald:
zonder
Hebreeuws: tevergeefs, om niet.
vernielen,
Hebr. die mij vernielen; dat is, zoeken te vernielen, uit te roeien, neder te smijten, die daarmede steeds bezig zijn, het schort aan hen niet, wil hij zeggen. Verg. Ps. 56:2 .
Hertaald:
vernielen,
Hebreeuws: die mij vernielen; dat is: die mij proberen te vernielen, uit te roeien en neer te slaan, en die daar voortdurend mee bezig zijn; aan hen ligt het niet, wil hij zeggen. Vergelijk Ps. 56:2.
valse
Hebr. [om] leugen, valsheid.
Hertaald:
valse
Hebreeuws: [om] leugen, valsheid.
wat ik
David wil zeggen dat hij, onschuldig zijnde, nochtans als een schuldige of misdadiger wordt behandeld. Dit moet ook op Christus geduid worden, die niet zijn eigen, maar onze zonden heeft gedragen; Jes. 53:4-8 ; 1 Petr. 2:24 , en 1 Petr. 3:18 . Sommigen duiden het op den Heere Christus in dezen in, dat Hij het onrecht heeft moeten lijden, omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, daar Hij in der waarheid Gods eigen en eeuwige Zoon was, eenswezens met den Vader en geen geroofde godheid hebbende; zie Joh. 19:7 , en Fil. 2:6 .
Hertaald:
wat ik
David wil zeggen dat hij, hoewel onschuldig, toch als een schuldige of misdadiger behandeld wordt. Dit moet ook op Christus betrokken worden, Die niet Zijn eigen, maar onze zonden gedragen heeft; Jes. 53:4-8; 1 Petr. 2:24, en 1 Petr. 3:18. Sommigen betrekken het in dit opzicht op de Heere Christus: dat Hij onrecht heeft moeten lijden omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, terwijl Hij in werkelijkheid Gods eigen en eeuwige Zoon was, één van wezen met de Vader, en geen geroofde godheid bezat; zie Joh. 19:7, en Fil. 2:6.
dwaasheid,
Of ik schuldig ben aan de zonden en boze stukken, die zij mij ten laste leggen; het ongelijk, dat zij mij aandoen, is U bekend. Alzo Job 16:18 . Aarde bedek mijn bloed niet; te weten, indien ik het mocht vergoten hebben. Verg. Ps. 38:6 .
Hertaald:
dwaasheid,
Of ik schuldig ben aan de zonden en boze daden die zij mij ten laste leggen, en het onrecht dat zij mij aandoen — dat is U bekend. Zo ook Job 16:18: aarde, bedek mijn bloed niet, namelijk als ik het vergoten mocht hebben. Vergelijk Ps. 38:6.
Laat hen
De vromen [wil hij zeggen], die het met mij houden en een goede uitkomst mijner zaken, volgens uw woord, verwachten en beschaamd zouden uitkomen, zo Gij mij verliet; nu is mijne zaak niet alleen hunne zaak, maar ook uwe zaak, dewijl ik en zij ons tezamen aan U en uw woord houden, daarom, enz.
Hertaald:
Laat hen
De vromen, wil hij zeggen, die het met mij houden en naar Uw woord een goede afloop van mijn zaak verwachten, zouden beschaamd uitkomen als U mij verliet. Nu is mijn zaak niet alleen hun zaak, maar ook Uw zaak, omdat ik en zij ons samen aan U en aan Uw woord houden; daarom, enzovoort.
Ik ben
Dat is, niemand wil mij kennen, zelfs ook niet mijn naaste vrienden. Verg. Job 19:13-16 , en vs.9, Ps. 27:10 met de aantekeningen.
Hertaald:
Ik ben
Dat is: niemand wil mij kennen, zelfs mijn naaste vrienden niet. Vergelijk Job 19:13-16, en vers 9, Ps. 27:10 met de aantekeningen.
van uw
Dat is, tot, of voor uw huis. Dit wordt geduld op onzen Heere Christus; Joh. 2:17 , en Rom. 15:3 .
Hertaald:
van uw
Dat is: tot, of voor Uw huis. Dit wordt betrokken op onze Heere Christus; Joh. 2:17, en Rom. 15:3.
in het
Of, met. De zin is: Als ik mijne ziel, of persoon, met vasten pijnigde of kwelde. Verg. Ps. 35:13 .
Hertaald:
in het
Of: met. De betekenis is: toen ik mijn ziel, of mijn persoon, met vasten pijnigde of kwelde. Vergelijk Ps. 35:13.
allerlei
Hebr. smaadheden.
Hertaald:
allerlei
Hebreeuws: smaadheden.
zak tot
Zie Gen. 37:34 .
Hertaald:
zak tot
Zie Gen. 37:34.
aangedaan;
Hebr. gegeven.
Hertaald:
aangedaan;
Hebreeuws: gegeven.
zitten,
Waar men het gericht houdt en het volk bijeenkomt. Zie Gen. 22:17 .
Hertaald:
zitten,
Waar men gericht houdt en het volk samenkomt. Zie Gen. 22:17.
snarenspel
Of, speellieden. Zie Job 30:9 , met de aantekeningen.
Hertaald:
snarenspel
Of: speellieden. Zie Job 30:9 met de aantekeningen.
sterken
Hebr. Schechar. Zie Lev. 10:10 . Dat is, der dronkaards. Hij wil zeggen dat zij in hun dronken gelagen spotliederen voor hem zongen en speelden.
Hertaald:
sterken
Hebreeuws: Schechar. Zie Lev. 10:10. Dat is: van de dronkaards. Hij wil zeggen dat zij in hun dronken drinkgelagen spotliederen over hem zongen en speelden.
mij aangaande,
Alsof hij zeide: Ik weet in al deze mijne zwarigheden geen andere toevlucht dan tot U.
Hertaald:
mij aangaande,
Alsof hij zei: ik weet in al deze moeiten geen andere toevlucht dan tot U.
tijd
Besloten in uw wijzen en zeer genadigen raad, waarin Gij de tijden en minuten hebt geordineerd, wanneer Gij metterdaad wilt en zult bewijzen welke gunst Gij uwen kinderen toedraagt. Anders, [in] den tijd des welbehagens verhoor mij, o God, naar, enz. Verg. Jes. 49:8 ; 2 Kor. 6:2 .
Hertaald:
tijd
Besloten in Uw wijze en zeer genadige raad, waarin U de tijden en ogenblikken bepaald hebt waarop U metterdaad wilt en zult tonen welke gunst U Uw kinderen toedraagt. Anders: [in] de tijd van het welbehagen, verhoor mij, o God, naar, enzovoort. Vergelijk Jes. 49:8; 2 Kor. 6:2.
grootheid
Of, veelheid.
Hertaald:
grootheid
Of: veelheid.
getrouwheid
Dat is, heilzame trouw, die vereist dat Gij naar uwe beloften mij hoort en helpt.
Hertaald:
getrouwheid
Dat is: heilzame trouw, die meebrengt dat U mij naar Uw beloften hoort en helpt.
slijk,
Verg. Ps. 40:3 , en Job 30:19 .
Hertaald:
slijk,
Vergelijk Ps. 40:3, en Job 30:19.
goed;
Dat is, lieflijk, nuttig, troostelijk. Verg. Ps. 63:4 .
Hertaald:
goed;
Dat is: lieflijk, heilzaam, troostrijk. Vergelijk Ps. 63:4.
grootheid
Of, veelheid.
Hertaald:
grootheid
Of: veelheid.
om mijner
Omdat zij zo wreed, bitter en omverzoenlijk zijn, of, opdat zij geen roem over mijnen ondergang dragen, tot oneer van uw heiligen naam.
Hertaald:
om mijner
Omdat zij zo wreed, bitter en onverzoenlijk zijn; of: opdat zij zich niet zouden beroemen op mijn ondergang, tot oneer van Uw heilige Naam.
mijn versmaadheid
Die ik van mijne vijanden moet lijden zonder mijne schuld. Verg. vs.6.
Hertaald:
mijn versmaadheid
Die ik buiten mijn schuld van mijn vijanden moet lijden. Vergelijk vers 6.
voor U
Zijn U bekend, voor uwe ogen niet verborgen.
Hertaald:
voor U
Zij zijn U bekend, voor Uw ogen niet verborgen.
gal
Of, venijn, vergiftig kruid; iets dat bovenmate bitter en zeer schadelijk was. Zie Deut. 29:18 , en Deut. 32:32 ; Klaagl. 3:19 ; Hos. 10:4 ; Am. 6:12 . Door het water daarvan wordt bittere ellende beduid; Jer. 8:14 , en Jer. 9:15 , en Jer. 23:15 .
Hertaald:
gal
Of: vergif, giftig kruid; iets dat bovenmate bitter en zeer schadelijk was. Zie Deut. 29:18, en Deut. 32:32; Klaagl. 3:19; Hos. 10:4; Amos 6:12. Met het water daarvan wordt bittere ellende aangeduid; Jer. 8:14, en Jer. 9:15, en Jer. 23:15.
tafel
Dat is, spijs, drank en wat tot des mensen onderhoud en verkwikking zou dienen; waarmede de goddelozen dikwijls tot hun verderf verstrikt en gevangen worden. Zie Rom. 11:9 , en verg. 2 Kor. 2:15-16 . Deze en de volgende gebeden en wensingen zijn profetieën van lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straffen, die den verstokten vijanden Gods, van zijne kerk, en bijzonderlijk van onzen Heere Jezus Christus, zouden overkomen.
Hertaald:
tafel
Dat is: spijs, drank en alles wat tot onderhoud en verkwikking van de mens zou dienen; daarmee worden de goddelozen vaak tot hun verderf verstrikt en gevangen. Zie Rom. 11:9, en vergelijk 2 Kor. 2:15-16. Deze en de volgende gebeden en wensen zijn profetieën van lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straffen die de verstokte vijanden van God, van Zijn kerk en in het bijzonder van onze Heere Jezus Christus zouden treffen.
volle
Hebr. vergelding; dat is, tot Gods volle wederwraak, van hetgeen zij in vs.23 gezegd worden gedaan te hebben. Anders: hetgeen tot vrede, of welstand zou dienen, [worde, of zij hun] tot een val.
Hertaald:
volle
Hebreeuws: vergelding; dat is: tot Gods volle wedervergelding voor wat zij volgens vers 23 gedaan hebben. Anders: wat tot vrede of welstand zou dienen, worde hun tot een val.
lenden
Dat zij onsterkt en krachteloos zijn.
Hertaald:
lenden
Dat zij zonder sterkte en krachteloos zijn.
grijpe
Dat zij uwen toorn gevoelen.
Hertaald:
grijpe
Dat zij Uw toorn voelen.
paleis
Of, burg, kasteel, slot, heerlijke magnifieke bouwwerken.
Hertaald:
paleis
Of: burcht, kasteel, slot, statige, weelderige bouwwerken.
geslagen
Dat is, dien Gij vaderlijk kastijdt en beproeft, dien zoeken zij voorts op het lijf te vallen en te vernielen. Verg. wijders [onze Heere Christus aangaande] Jes. 53:4-5 ; Matt. 26:31 .
Hertaald:
geslagen
Dat is: wie U vaderlijk kastijdt en beproeft, die vallen zij vervolgens aan om hem te vernielen. Vergelijk verder, wat onze Heere Christus betreft, Jes. 53:4-5; Matth. 26:31.
zij maken
Dat is, zij schimpen en spotten er mede.
Hertaald:
zij maken
Dat is: zij schimpen en spotten ermee.
uwer
Dat is, die Gij om uwentwil, om uws naams wil, laat lijden. Verg. onder vs.34, en aangaande de manier van spreken Ps. 37:22 .
Hertaald:
uwer
Dat is: die U om Uwentwil, om Uw Naam, laat lijden. Vergelijk hieronder vers 34, en wat de manier van spreken betreft Ps. 37:22.
Doe
Hebr. geef, stel; dat is, laat hen vallen van de ene zonde in de andere, geef hen over in een verkeerden zin, enz. Zie Rom. 1:24 , Rom. 1:28 , en Rom. 11:8 ; 1 Thess. 2:16 , en 2 Thess. 2:11 ; idem Matt. 23:22 . Sommigen verstaan door misdaad, de straf der misdaad; alsof hij zeide: Doe straf tot hunne straf.
Hertaald:
Doe
Hebreeuws: geef, stel; dat is: laat hen van de ene zonde in de andere vallen, geef hen over in een verkeerde zin, enzovoort. Zie Rom. 1:24, Rom. 1:28, en Rom. 11:8; 1 Thess. 2:16, en 2 Thess. 2:11; en ook Matth. 23:22. Sommigen verstaan onder misdaad de straf op de misdaad, alsof hij zei: doe straf bij hun straf.
gerechtigheid
Dat zij voor U niet worden gerechtvaardigd en vrijgesproken van hunne zonden. Zie Rom. 10:3 ; Fil. 3:9 ; Joh. 12:39-40 , maar, niet gelovende, in hunne zonde sterven; Joh. 8:24 .
Hertaald:
gerechtigheid
Dat zij voor U niet gerechtvaardigd en van hun zonden vrijgesproken worden. Zie Rom. 10:3; Fil. 3:9; Joh. 12:39-40; maar dat zij, omdat zij niet geloven, in hun zonde sterven; Joh. 8:24.
uitgedelgd
Dat is, [gelijk de volgende woorden verklaren] doe blijken dat zij niet behoren tot het getal uwer uitverkorenen en bij U daaronder niet zijn aangeschreven, hoewel zij bij zichzelven en andere mensen voor uw volk worden gehouden en daaronder gerekend, maar snijd Gij hen af, enz. Alzo worden Job 39:20
Hertaald:
uitgedelgd
Dat is: doe blijken — zoals de volgende woorden verklaren — dat zij niet behoren tot het getal van Uw uitverkorenen en bij U daaronder niet opgeschreven staan, hoewel zij bij zichzelf en bij andere mensen voor Uw volk doorgaan en daaronder gerekend worden; maar snijd U hen af, enzovoort. Zo worden Job 39:20
des levens
Of, der levenden.
Hertaald:
des levens
Of: van de levenden.
aangenamer
Hebr. beter; dat is, bevalliger.
Hertaald:
aangenamer
Hebreeuws: beter; dat is: welgevalliger.
os
Dat is, offeranden van beesten. Zie Ps. 40:7 , en Ps. 50:13-15 .
Hertaald:
os
Dat is: offers van dieren. Zie Ps. 40:7, en Ps. 50:13-15.
klauwen]
Zie Lev. 11:3 .
Hertaald:
klauwen]
Zie Lev. 11:3.
zachtmoedigen,
Zie Ps. 10:17 , en Ps. 22:27 .
Hertaald:
zachtmoedigen,
Zie Ps. 10:17, en Ps. 22:27.
gevangenen
Hebr. gebondenen; dat is, zijn getrouwe knechten, die Hij om zijns naams wil laat lijden. Verg. Ef. 3:1 , en boven vs.27.
Hertaald:
gevangenen
Hebreeuws: gebondenen; dat is: Zijn trouwe knechten, die Hij om Zijn Naam laat lijden. Vergelijk Ef. 3:1, en hierboven vers 27.
wremelt
Zie Gen. 1:21 .
Hertaald:
wremelt
Zie Gen. 1:21.
Sion
Dat is, zijne kerk. Zie Ps. 2:6 .
Hertaald:
Sion
Dat is: Zijn kerk. Zie Ps. 2:6.
zij wonen,
Te weten, de zachtmoedigen, die God zoeken, zijne knechten en liefhebbers, vs.33, en in vs.37.
Hertaald:
zij wonen,
Namelijk: de zachtmoedigen die God zoeken, Zijn knechten en wie Hem liefhebben, vers 33 en vers 37.
het
Te weten, Zion, en zo in vs.37.
Hertaald:
het
Namelijk: Sion, en zo ook in vers 37.
zaad
Dat is, de nakomelinGen. Zie Ps. 22:31 .
Hertaald:
zaad
Dat is: de nakomelingen. Zie Ps. 22:31. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel" (Ps. 69:2). Het beeld is dat van iemand die wegzakt: "Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan" (Ps. 69:3). Van de vijanden staat er: "Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds" (Ps. 69:5). De dichter verzwijgt intussen zijn eigen schuld niet: "O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen" (Ps. 69:6). Wat hij draagt, draagt hij om God: "Want om Uwentwil draag ik versmaadheid" (Ps. 69:8). En dan volgen de verzen die het Nieuwe Testament aanhaalt: "Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen" (Ps. 69:10). Ook de eenzaamheid wordt genoemd: "ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden" (Ps. 69:21). En ten slotte: "in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven" (Ps. 69:22). Bijbelse betekenis: Deze psalm is eerst het lied van een lijdende gelovige, en dat blijft zij ook; Ps. 69:6 belijdt uitdrukkelijk eigen schuld, en dat kan niet van Christus gezegd worden. Toch wijzen de evangelisten en Paulus juist hier telkens heen, en zij doen dat met de verzen die over het lijden om Gods wil gaan. Zo geldt ook hier de werkwijze van Ps. 22 en Ps. 40: eerst de psalm in zijn eigen tijd, dan de aanhaling. Merk op wat er in Ps. 69:10 staat. De smaad die anderen God aandeden, viel op hém; wie zich met God vereenzelvigt, krijgt te dragen wat tegen God gericht is. Let ten slotte op Ps. 69:21. Het gemis van een trooster is hier het zwaarste, zwaarder dan de vijandschap zelf. Typologie: De discipelen dachten aan Ps. 69:10 toen Hij de tempel reinigde: "De ijver van Uw huis heeft mij verslonden" (Joh. 2:17). De Heere Jezus haalde Ps. 69:5 op Zichzelf toe: "Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat" (Joh. 15:25). Paulus past Ps. 69:10 op Hem toe (Rom. 15:3), en aan het kruis werd Hem edik gegeven (Joh. 19:29). Ps. 69:2-22; Joh. 2:17; Joh. 15:25; Joh. 19:29; Rom. 15:3 Na de beschrijving van het lijden volgt een reeks beden om oordeel. "Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik" (Ps. 69:23). Wat daarop volgt, gaat in dezelfde toon door, tot en met de bede dat zij uit het boek van de levenden uitgedelgd worden (Ps. 69:29). En dan keert de psalm terug naar de dichter zelf: "Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek" (Ps. 69:30). Dat wat hij God aanbiedt, is geen offerdier maar een lied: dat zal de HEERE aangenamer zijn dan een os (Ps. 69:31-32). Zulke beden komen in het Psalmboek vaker voor (Ps. 35, Ps. 58, Ps. 109, Ps. 137). Bijbelse betekenis: Vier dingen moeten hierbij gezegd worden. Ten eerste: dit is een gebed en geen daad. De dichter neemt niets in eigen hand maar legt de zaak bij de Rechter neer; juist daarin verschilt het van wraak (reeds behandeld bij Spr. 20:22). Ten tweede: David spreekt hier niet enkel als particulier. Hij is de gezalfde koning, in wie de Schrift de Christus voorafgeschaduwd ziet, en daarom is zijn zaak met de zaak van God verweven; de smaad die hem treft komt van hen die God zelf smaden (Ps. 69:10). Dat betekent niet dat iedere persoonlijke tegenstander daarmee een vijand van God is. Ten derde: de Schrift laat deze woorden staan en verbloemt niet dat een gelovige zo bidden kan; wie ze wegpoetst, maakt het gebed onechter dan het is. Ten vierde, en dat bepaalt het gebruik: het Nieuwe Testament verbiedt de persoonlijke wraak en gebiedt de vijanden lief te hebben (Matt. 5:44), en legt het rechtvaardige oordeel geheel in Gods hand (Rom. 12:19). Daarmee is het verlangen naar dat oordeel niet verboden. De zielen onder het altaar roepen erom (Op. 6:10), en Paulus laat de zaak van wie hem kwaad deed aan de Heere over (2 Tim. 4:14). Wat afgesneden wordt is de bitterheid en niet de bede om recht. Zo leren deze verzen de gelovige geen persoonlijke wraak, maar het neerleggen van het oordeel in Gods handen; wie ze bidt, doet dat niet uit wrok, maar met het verlangen dat Gods recht gehandhaafd wordt. Typologie: Paulus haalt Ps. 69:23 aan wanneer hij over de verharding van Israël spreekt: "Hun tafel worde tot een strik, en tot een val" (Rom. 11:9), en Petrus past Ps. 69:26 toe op de opengevallen plaats (Hand. 1:20). Dezelfde Christus Die aan het kruis bad: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Luk. 23:34), heet in het Nieuwe Testament ook "de rechtvaardige Rechter" (2 Tim. 4:8). Zijn barmhartigheid en Zijn gerechtigheid gaan in Hem samen. Ps. 69:10; Ps. 69:23-32; Spr. 20:22; Matt. 5:44; Rom. 12:19; Op. 6:10; 2 Tim. 4:14; Rom. 11:9; Hand. 1:20; Luk. 23:34; 2 Tim. 4:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een klaagpsalm van David, uit het water tot aan de ziel. Hij wordt zonder oorzaak gehaat, moet weergeven wat hij niet geroofd heeft, en is een vreemde geworden voor zijn broeders. Het Nieuwe Testament haalt deze psalm vaker aan dan bijna elke andere. Wat David hier klaagt, komt in de evangeliën terug op plaatsen waar het opeens letterlijk gebeurt. De klacht is heftig en concreet. Die mij zonder oorzaak haten zijn meer dan de haren mijns hoofds. Ik ben een vreemde geworden mijn broederen, en onbekend mijner moeders kinderen. Dan komt vers 10: want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd. Wanneer Christus de tempel reinigt en de tafels van de wisselaars omkeert, staat er dat Zijn discipelen zich herinnerden dat er geschreven is: de ijver van Uw huis heeft Mij verslonden. Zij zagen wat Hij deed en dachten aan deze psalm. De tweede helft van datzelfde vers gebruikt Paulus: en de smaadheden dergenen die U smaden zijn op mij gevallen. Hij past dat toe op Christus, om te laten zien dat Hij Zichzelven niet behaagd heeft. En dan vers 22, dat aan het kruis bijna letterlijk uitkomt: zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven, en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Mattheüs vertelt dat men Hem edik met gal vermengd te drinken gaf, en Johannes dat Hij zeide: Mij dorst, waarop men een spons met edik aan Zijn mond bracht — en hij schrijft erbij dat het geschiedde opdat de Schrift vervuld zou worden. Er staat in deze psalm ook een regel die niet op Christus kan slaan: o God, Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. David spreekt hier als een zondig mens. Dat is geen bezwaar tegen het gebruik dat het Nieuwe Testament ervan maakt, maar het bepaalt de grens: de apostelen halen bepaalde regels aan, niet het geheel. De kanttekening merkt bij het slot op dat de gebeden en wensen in deze psalm profetieën zijn van wat komen zou — en Petrus haalt inderdaad vers 26 aan bij de vervanging van Judas. In het Nieuwe Testament: Johannes 2:17; Romeinen 15:3; Mattheüs 27:34; Johannes 19:28-30; Handelingen 1:20 Hoever dit reikt: De psalm bevat ook een belijdenis van eigen schuld (vers 6), die niet op Christus kan slaan. Het Nieuwe Testament haalt bepaalde regels aan, niet de psalm als geheel.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas 30 Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek. 31 Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met… 20 Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. 21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak;… 14 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de… 6 O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. 7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere,… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. 2 Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. 3 Ik ben gezonken in grondeloze… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 69
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De smaadheden dergenen die U smaden — 69:1-22
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Psalm 69:30-37
Psalm 69:20-29
Psalm 69:14-19
Psalm 69:6-13
Psalm 69:1-5


Psalmen 69
Psalmen 69:2.KruisverwijzingenPsalmen 40:2→Ezechiël 27:26→Mattheüs 7:25→Psalmen 32:6→Psalmen 88:6→Genesis 7:17→Jeremia 38:6→Mattheüs 26:37→
— Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
De golven hebben niet alleen aan de oever geknaagd, maar zij zijn over de verschansing heen geslagen; en er is een vloed binnenin zo goed als een vloed buiten.
Psalmen 69:3.KruisverwijzingenJesaja 38:14→Psalmen 6:6→Psalmen 119:82→Psalmen 119:123→Deuteronomium 28:32→Psalmen 22:15→Psalmen 39:7→Job 16:16→
— Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
Wij hebben deze tekst afgelopen vrijdagavond uitgelegd gekregen, toen de reiziger ons vertelde dat hij een man in het slijk zag wegzinken, er bijna door verzwolgen, tot hij door een uiterste greep naar de boot ontkwam. Christus werd als het ware door de grote diepten van Zijn verdrukkingen opgezogen, alsof Hij spoedig verzwolgen zou worden.
Psalmen 69:4.KruisverwijzingenPsalmen 35:19→Johannes 15:25→Jesaja 53:4→Psalmen 40:12→1 Petrus 2:22→Psalmen 7:3→1 Petrus 3:18→Psalmen 59:3→
— Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
Hij was zo lang in de hof geweest in die vreselijke zielsstrijd, met sterke roeping en tranen.
Psalmen 69:4-5.KruisverwijzingenPsalmen 35:19→Johannes 15:25→Jesaja 53:4→Psalmen 40:12→1 Petrus 2:22→Psalmen 7:3→1 Petrus 3:18→Psalmen 59:3→
— Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
Zie Hem nu op de straat, weggeleid naar Golgotha; een grote menigte is daar samengestroomd, alle begerig Hem te zien sterven. Zij hebben de Romeinse soldaten achter zich, terwijl de menigte hun toejuicht.
Christus heeft ons onze onschuld niet weggenomen, en onze veiligheid niet, en onze eer niet; Hij heeft ze ons alle téruggegeven. Hij heeft ons rein gemaakt; Hij heeft ons aangenaam gemaakt in de Geliefde; Hij heeft een kroon van louter goud op ons hoofd gezet en onze voeten op een rotssteen gesteld.
Psalmen 69:6.KruisverwijzingenHandelingen 13:17→Handelingen 13:23→Psalmen 25:3→Psalmen 7:7→Psalmen 72:18→2 Samuël 23:3→Jesaja 49:23→Handelingen 4:7→
— O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
Deze woorden zijn niet op onze Heere van toepassing, dan alleen voor zover zij zien op ónze dwaasheid en op ónze zonde, die, zoals wij weten, alle op Hem gelegd zijn. Behalve dat één uitlegger zegt dat Hij hier spreekt naar de wijze van het volk: zij noemden Hem dwaas, zij legden Hem zonde ten laste — maar Hij beroept zich op de hemel: “HEERE, Gij weet of ik dwaas geweest ben, en of ik zonden heb of niet.” In die zin zouden wij het letterlijk op de Zaligmaker mogen toepassen.
“O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.” Wij hebben veel gehoord over het lezen van gedachten. Ik hoop dat de meesten van ons nooit in die richting begiftigd zullen worden, want zo’n vermogen zou het voor velen onaangenaam maken. Iemand zei dat hij wenste een venster in zijn voorhoofd te hebben, zodat ieder zijn gedachten zou kunnen lezen. Ik denk dat hij, als hij ook maar enig verstand had, het rolgordijn eerlang zou moeten neerlaten!
Er zijn gedachten die nu en dan het reinste gemoed doorkruisen, waarvan wij niet zouden wensen dat een ander ze bemerkte. Wie zijn gedachten met voorbeeldige waakzaamheid bewaakt, zal soms onverhoeds betrapt worden en een inbeelding verdragen waarmee hij het gemoed van niemand anders zou willen bevlekken.
Maar al kunnen wij elkanders hart niet lezen, God kan het. Er is geen mogelijkheid de HEERE te bedriegen. Hij doorziet de huichelaar wanneer die zijn mooie kleren aandoet en zijn gebed op de vroomste wijze opzegt — en zelfs wanneer hij zijn binnenkamer ingaat en zich voor zijn God nederbuigt. Wij mogen iets verricht hebben wat op een heilige daad leek; wij mogen een ernstige psalm gezongen hebben; wij mogen anderen voorgekomen zijn als behorend tot de uitnemendsten van de aarde — maar is het niet werkelijk zo, dan kan niemand zich in het verborgen verbergen of het bedrog van zijn geest in het duister verhelen voor de ogen van de Allerhoogste.
Al zouden wij in de hoogmoed van ons hart tot de top van Karmel opklimmen, of met Jona in ons bedrog tot de gronden van de bergen afdalen, Hij zal ons vinden, ons uitkleden, ons ontmaskeren en ons in het zonlicht zetten om door alle verstandige wezens veracht te worden. Mijn zonden kunnen niet voor Hem verborgen blijven, aangezien Hij de verborgenheden van het hart leest, en de kronkelende gangen van de ziel door Zijn onfeilbare wijsheid gemakkelijk doorlopen worden.
Psalmen 69:7.KruisverwijzingenJeremia 15:15→Psalmen 44:22→Jesaja 50:6→Mattheüs 27:29→Mattheüs 26:67→Johannes 15:21→Lukas 23:11→Jesaja 53:3→
— Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
“Laat de schande van Mijn kruis hun geloof niet verwoesten; geef hun zulk een vertrouwen in Mij dat zij Uw kruis dagelijks opnemen en Mij volgen, en dat zij zelfs met Mijn apostel leren zeggen: het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus.”
Psalmen 69:8.KruisverwijzingenPsalmen 31:11→Johannes 1:11→Psalmen 38:11→Johannes 7:5→Mattheüs 26:48→Mattheüs 10:35→1 Samuël 17:28→Mattheüs 26:70→
— Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
Het was om Zijns Vaders wil, opdat Hij Jehova eer zou brengen, dat Hij zo smaadheid verdroeg. “Schande heeft mijn aangezicht bedekt” — dat aangezicht dat helderder is dan de zon en waarop de engelen begeren te staren.
Psalmen 69:9.KruisverwijzingenRomeinen 15:3→Psalmen 119:139→Johannes 2:14→Psalmen 89:50→1 Kronieken 29:3→1 Kronieken 15:27→Markus 11:15→Psalmen 89:41→
— Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
“Petrus zegt dat hij Mij niet kent; zij hebben Mij alle verlaten.”
Psalmen 69:9-10.KruisverwijzingenRomeinen 15:3→Psalmen 119:139→Johannes 2:14→Psalmen 89:50→Psalmen 35:13→1 Kronieken 29:3→1 Kronieken 15:27→Markus 11:15→
— Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
Elk hard woord dat over de Vader gesproken werd, viel op de Zoon; de ongerechtigheden die opstand tegen Jehova waren, vielen alle op de Man van Nazareth.
Psalmen 69:12.KruisverwijzingenDeuteronomium 16:18→Mattheüs 27:12→Genesis 19:1→Handelingen 4:26→Mattheüs 27:20→Job 30:8→Mattheüs 27:62→Markus 15:17→
— En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Gelijk Michal van David zei: hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt! — en dat uit spotternij, zo smaadden zij ook Christus: hoe heerlijk was de Koning Israëls, zo fijn uitgedost in een boerenkleed, of naakt uitgekleed aan Zijn kruis.
Psalmen 69:13.KruisverwijzingenJesaja 49:8→2 Korinthe 6:2→Esther 7:2→Psalmen 32:6→Lukas 22:44→Romeinen 15:8→Esther 5:2→Jesaja 55:6→
— Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
De rechters die daar recht spraken, de kooplieden die daar hun waren verhandelden, de leeglopers die daar rondhingen om het nieuws te horen — die spreken tegen Mij. Zij maakten liedjes over Hem, zo mogen wij het verstaan; zij gaven schotschriften uit; telkens weer kwam er een spotprent uit.
Psalmen 69:14-15.KruisverwijzingenPsalmen 144:7→Psalmen 69:1→Jeremia 38:6→Lukas 19:14→Psalmen 42:7→Psalmen 109:21→Psalmen 42:2→Psalmen 69:15→
— Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils. Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
Stel u voor dat u uw Meester hoort terwijl Hij dit gebed stil bidt in de straten van Jeruzalem; de menigte joelt, maar Hij bidt; vrouwen wenen, en ook Hij weent.
Psalmen 69:16-21.KruisverwijzingenMarkus 15:23→Mattheüs 27:34→Psalmen 63:3→Psalmen 27:9→Job 16:2→Jesaja 63:5→Mattheüs 27:48→Lukas 23:36→
— Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten. Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden. En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
“De versmaadheid heeft mijn hart gebroken.” Dit is een van de merkwaardigste verzen in de hele Heilige Schrift.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David (Psalm 3: 1), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1), op de wijze van het lied Schoschannim “de lelies” (Psalm 45: 1). 2. Op den krijgs- en overwinnings-Psalm volgt nu weer een lijdenspsalm uit den tijd van de vervolgingen van Saul, en wel van even zo sterk uitgedrukt typisch-profetisch karakter als Ps 22, naast welken hij dan ook het meest onder alle Psalmen in het Nieuwe Testament aangehaald wordt. Hij is een hoofdjuweel der zogenoemde Messiaanse Psalmen, en wijst duidelijk aan, dat de ouden recht hadden, wanneer zij de betrekking aan de personen, die in de geschiedenis van het Godsrijk op den voorgrond staan, tot de menswording van den Zone Gods en tot Zijn lijden en sterven voorstelden onder de gelijkenis van de voorrede voor een boek, of van het voorspel van een muziekstuk.
I. Vs. 2-14.KruisverwijzingenPsalmen 35:19→Johannes 15:25→Psalmen 31:11→Psalmen 40:2→Jesaja 38:14→Psalmen 6:6→Psalmen 119:82→Jeremia 15:15→
— Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels! Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
Uit enen diepen, zieldoordringenden nood, welken zijne vijanden hem berokkend hadden, en in welken hij reeds lang te vergeefs om hulp geschreeuwd had, roept David zijnen God van, dat die hem redde (vs. 2-4). Hij is zich van gene dwaasheid of zonde bewust, maar kent zich onschuldig, en is een vervolgde om der gerechtigheid wil. Als zodanige mag hij niet te gronde gaan, anders zouden in en met hem tevens allen, die in God geloven, te schande worden (vs. 5-7). Daar hij dan om Gods wil gehoond en vervolgd wordt, door zijnen ijver voor Gods eer en den waren godsdienst den haat zijner boze tegenpartijen zich berokkend heeft, en alleen van wege zijne ernstige en diepe vroomheid een voorwerp van spot en van verachting geworden is, zo verwacht hij ook van Gods grote goedheid ene hulp, die overeenkomstig de waarheid van Zijne beloften is (vs. 8-14).
Verlos mij, o God! want de wateren der over mij losbarstende droefenissen zijn gekomen tot aan de ziel, zijn zo zwaar, dat mijn leven in gevaar is (Jon. 2: 6. Jer. 4: 10 4.10).
Ik ben gezonken in grondelozen modder, waar men niet kan staan (vgl. Psalm 40: 3 ); ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij, zodat ik op het punt ben om te verdrinken.
Ik heb reeds zo lang in mijne ellende tot U geroepen en ben vermoeid van mijn roepen (Psalm 6: 7. Job 19: 7); mijne keel is ten gevolge daarvan ontstoken, hees geworden (Psalm 22: 16), mijne ogen zijn bezweken, als van enen, die lang en strak naar hetzelfde voorwerp heeft gestaard, daar ik ben hopende op mijnen God, en toch zie ik nog niet het minste voorteken van Zijne hulp. (Psalm 119: 82. Klaagt. 4: 17). Zo wordt ook het geloof van den zwakken strijder afgemat, wanneer na lang hopen en toeven de hulpe uitblijft. Maar juist zo groot enen nood mogen wij den Heere klagen.
Die mij zonder oorzaak haten (Psalm 25: 19; 35: 19. Joh. 15: 25), zijn meer dan de haren mijns hoofds (Psalm 40: 13) (of de haarlokken); die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden (Psalm 38: 20). Wat ik niet geroofd heb (Psalm 35: 11, vgl. 2 Samuel 16: 8), moet ik alsdan wedergeven; onrechtvaardig en wederrechtelijk wordt het mij onttrokken. Van dezen Psalm worden in het Nieuwe Testament sommige verzen op den lijdenden Christus en andere op Zijnen verrader te huis gebracht. In dit en in andere liederen vinden wij gene eigenlijk gezegde voorspellingen aangaande den vernederden en verhoogden Verlosser. En toch, de aanhalingen daaruit in het Nieuwe Verbond zijn geheel iets anders dan ongepaste en willekeurige spellingen. Oud-Testamentische gebeurtenissen, ervaringen, toestanden veeleer spiegel en beeld van soortgelijke gebeurtenissen, ervaringen. Toestanden als de volheid des tijds is verschenen. David zijn volle hart uitstortende en toch daarbij, onder Hoger leiding, in dier voege zich uitdrukkende, dat alles, wat hij van zich zelven voor waarheid getuigt, in veel hoger mate kan gelden van Dien, die na hem zal komen. Zijne schuldeloze miskenning en zijn ijver voor Gods huis, zijne bittere lafenis en de vloek, die zijne vijanden treft, alles op hoger schaal weergevonden in het leven van Hem, die als een andere David kan klagen: de smaadheid dergenen, die U smaden, o God! is op Mij gevallen. Zingende van zich zelven, zong hij tevens voor Hem, wie zulk een lied ter spiegel zou worden, om daarin Zijn eigen beeld te herkennen.
O God! Gij weet van mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn voor U niet verborgen. Gij kent mijne onschuld. De Wette verklaart dit vers terecht: “Gij weet, of ik in dwaasheid verstrikt ben, dat is dat ik het niet ben; ” v.d. Palm vertaalt: “Gij zoudt van mijne misdaad weten, mijne schuld kon niet voor U verborgen zijn.” Ook de Staten-Overzetters nemen dien zin aan in hun kanttekeningen. Gij weet, of ik schuldig ben aan de zonden en boze stukken, die zij mij ten laste leggen, het ongelijk dat zij mij aandoen, is U bekend.”
Als een onschuldig vervolgde (2 Samuel 15: 16 ), om der gerechtigheid wil mag ik op Uwe ontferming rekenen, daar door mijn ondergang de ere Uws naams en de hoop aller rechtvaardigen schipbreuk zou lijden. Laat hen, zo bid ik, door dat Gij mij overgeeft, niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE Zebaoth, der heirscharen! Laat hen, door mij, die met U in gemeenschap ben, als een offer van des werelds boosheid te zien vallen, niet te schande worden, die U in liefde zoeken, o God Israël’s.
Want om Uwentwil, omdat ik U toebehoor en voor Uw huis geijverd heb (vs. 10. Psalm 44:
(Jer. 15: 15), draag ik versmaadheid 1); schande heeft (liever: heeft schande) mijn aangezicht bedekt (Psalm 44: 16).
Hoe klaar is het wederom uit deze verzen, gelijk als uit vs. 5, dat David in dit zijn lijden een voorbeeld was van den Messias in Zijn lijden. Bijna letterlijk zien wij het in den lijdenden Christus vervuld, hoe was Zijn aangezicht in Kajafas’ zaal en in het rechthuis van Pilatus met de wreedste schande bedekt, hoe zijn de snoodste en grievendste smaadredenen op Hem gevallen, als Hij verteerd door Zijn heilig liefdesvuur Zich overgeeft voor ‘s Heren huis, voor Diens heerlijkheid en ere. Wie uit deze klachten den Messias niet herkent, op diens hart ligt nog, gelijk als op het verleden Jodendom, het deksel van Mozes, hij ziet, al heet hij ook een Christen, de heerlijkheid van Christus nog niet, de Christus, de Schrift is voor hem nog verborgen. Maar hij zal hem dan evenmin uit de volgende klachten herkennen.
Ik ben wegens dezen smaad, dien ik te dragen heb, mijnen broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen, zodat zij zich schuw van mij terugtrekken (Psalm 38:
(Joh. 7: 5).
a) Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd, hij zet mij aan, ontgloeit mij als een verterend vuur (Psalm 119: 139), en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen; alle vijandschap tegen God concentreert zich op mijn persoon, om mijnen ijver voor U.
Joh. 2: 17. Rom. 15: 3.
En ik heb, als ik dien toestand van Uw huis voor mijne ogen zag (Luk. 19: 41 vv.), geweend in het vasten mijner ziel, in mijn diep lijden weggezonken; maar het is mij geworden tot allerlei smaad; men spot daarmee in plaats dat men zich tot bekering laat dringen (Psalm 109: 24 vv.).
Dikwijls gebeurt het, dat wie zich vurig in de bres stellen voor de ere Gods, de goddelozen te meer te voorschijn doen treden en verbitteren, dewijl zij strijdlustig, zonder bezadigdheid strijden. Doch David getuigt hier, dat hij zo bedaard in zijn ijver is geweest, dat het zelfs een hardheid van ijzer had moeten zacht maken. Evenwel door deze omstandigheden toont hij, hoezeer hij door den moedwil van zijne vijanden is verdrukt, zodat hij zelfs niet vrij was, om te mompelen, en hem niets anders overbleef, dan met tranen en zuchten de zaak Gods te verdedigen.
En ik heb, in smart over de troosteloosheid van den algemenen toestand (2 Samuel 21: 22 ), enen zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden, zij hebben nog te meer mij bespot.
Die in de poort zitten, de rechters, die geroepen zijn de ernstige zaken te behandelen (Genesis 19: 1 ), klappen van mij, verzinnen allerlei spotnamen (Job 30: 9), en ik ben een snarenspel dergenen a), die sterken drank 1) drinken 2), in de drinkgelagen zingt het woeste volk van den dweper, den schijnheilige, gelijk zij mij noemen, spotliederen.
Klaagt. 3: 14.
Vergel. Leviticus 10: 11
Wat David hier opsomt, zijn wel de uitersten der boosheden, welke hem troffen. Op dezelfde wijze klaagt ook Jeremia, en van daar, dat er uitleggers zijn, die menen, dat deze Psalm door laatstgenoemden Profeet is gedicht. Wel is David hier een type van den Christus Gods. Wie denkt hier niet aan Golgotha, hoe men de Heilige Gods daar heeft bespot, hoe men op Zijn klagelijke klacht spottend heeft uitgeroepen: Hij roept Elias! En tevens heeft hij hier het beeld getekend van de Kerk Gods, die zo dikwijls tot een aanfluiting der hel is geweest, en dat zal blijven tot den jongsten dag.
Maar mij aangaande tegenover al dien haat en hoon, mijn gebed is tot U, o HEERE! 1) (Psalm 109: 4). Er is een tijd des welbehagens 2) waarin Gij mij verhoort (Psalm 32: 6. (Jes. 49: 8. (2 (Kor. 6: 2), o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid, die Gij bewijst aan allen, die U kennen (Psalm 36: 11). Verhoor mij door de getrouwheid van de beloften Uws heils 3), die Gij beloofd hebt, wanneer wij tot U bidden.
Het is een bewijs van een zeldzame kracht, dat David zelfs door de harde behandeling niet zo verplet werd, dat hij den moed opgaf. Doch hij leert tegelijk, van welk middel hij zich bediend heeft tegen zulk ene zware ergernis. Want waar de goddelozen hun spotternijen als zo vele factoren gebruiken, om zijn geloof te vernietigen, daar zegt hij, dat hij het gebed heeft uitgestort, waarmee hij alle aanvallen zou afslaan. Niet twijfelachtig is het, of waar hij gedwongen werd bij de mensen te zwijgen, van de wereld derhalve afgesloten, hij zich tot God heeft gewend. Alzo zullen ook nu de gelovigen op dezelfde wijze, ofschoon zij bij de goddelozen niets vermogen, staande blijven als overwinnaars, indien zij zich aangorden en moed vatten, om tot God te bidden. Slotsom is, dat, waar David alles had beproefd, maar zijn moeite onbeloond zag, terwijl de mensen hem hadden verlaten, hij met God alleen had gehandeld.
Of, en beter: in den tijd des welbehagens. David noemt nu den tijd, den tijd des welbehagens. Van alle mensen is hij afgebracht. Alle hoop op den mens is ijdel. Al zijn moeite is te vergeefsen geweest. Zijne verwachting is nu enkel en alleen op zijn God. Zijn geloof en hope hebben hem niet begeven. Daarom kan hij roepen en smeken. Hij gevoelt, ja hij weet, dat zijn God hem nabij is Daarom noemt hij dezen tijd, den tijd des welbehagens. Want hij weet het, dat het Verbond Gods vast staat en dat zijn God hem niet zal laten omkomen.
Ook hier heeft de Geest van Christus, die in de profeten en alzo in David (Hand. 2: 30) was, en die te voren betuigd heeft het lijden van Christus en de daaropvolgende heerlijkheid. (1 Petrus 1: 11), de uitspraak omtrent het voorbeeld (David) tot ene voorzegging van het tegenbeeld (Christus) versterkt. Hoewel onze Psalm als een Psalm van David ook over David’s lijden handelt, is toch de kerk, het eigenlijke lichaam daarvan, de lijdende Messias. Behalve de in het Nieuwe Testament duidelijk op Christus toegepaste plaatsen uit deze afdeling (vs. 5 en 10. Joh. 15: 25, 2: 17. Rom. 15: 3) herinnert ook vs. 8 vv. duidelijk aan de plaats Jes. 53: 3 en vs. 13, aan den smaad dien Jezus van de krijgsknechten in het rechthuis van Pilatus (MATTHEUS. 27: 27 vv.) moest ondergaan, waarom de oudere uitleggers het opschrift: “van de lelies” of “van de rozen” daarvan willen verstaan hebben, dat de Psalm handelt over de witte lelies der heilige onschuld van Christus en van de rode rozen van Zijn kostbaar bloed.
15.
II. Vs. 15-22.KruisverwijzingenMarkus 15:23→Mattheüs 27:34→Psalmen 63:3→Psalmen 27:9→Job 16:2→Jesaja 63:5→Mattheüs 27:48→Lukas 23:36→
— Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren. Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten. Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden. En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
De aan het slot der vorige afdeling aangehevene bede om hulp en redding, wordt tot in bijzonderheden voortgezet, in nauwe aansluiting aan de schildering van den nood, zo als die in die afdeling voorkomt (vs. 15-20). Vervolgens horen wij ene klacht over de hardheid en boosheid der vijanden (vs. 21 en 22), welke tot grondslag dient voor de verwensingen, die in de daarop volgende afdeling voorkomen.
Ruk mij uit het slijk 1), waarin ik wegzink (vs. 3), en laat mij niet geheel en al verzinken; laat mij gered worden van mijne haters, en uit de diepten der wateren, uit de ellende, waarin zij mij gestort hebben.
In deze tweede afdeling wordt hetzelfde gebed voortgezet; intussen klimt het gevaar hoe langer hoe meer, en dringender wordt dan ook het geroep om hulp.
Laat den watervloed, die nu tot aan de lippen is gekomen (vs. 3) mij niet overstromen, en laat de diepte van den afgrond mij niet verslinden, en laat den put des grafs, waarin ik geworpen hen, zijnen mond over mij niet toesluiten, zodat ik als levend begraven worde.
Verhoor mij, Heere! ten opzichte van deze bede; want Uwe goedertierenheid is goed, is vertroostend voor het hart, daar zij het zo wel met ons meent (Jer. 32: 41. (Psalm 25: 8); zie mij aan in genade, en help mij naar de grootheid Uwer barmhartigheden 1).
David spreekt het hier uit, dat Gods Almacht en goedertierenheid tegelijk met Zijne getrouwheid en barmhartigheid voor hem, en dus ook voor geheel de Kerk, de vaste en onwrikbare grondslagen zijn, waarop het geloof rust, en waarop hij blijft pleiten. Het zijn niet zijne eigene gerechtigheden, maar het zijn de barmhartigheid Gods, die hem vrijmoedigheid geven, om zijn hart voor zijn God uit te storten.
En verberg Uw aangezicht niet van Uwen knecht; want mij is bange 1) in dezen groten nood; haast U, verhoor mij (Psalm 31: 3 ).
Mij is bange. Uit dit enkele woord, uit die enkele uitdrukking, herkent gij den man naar Gods harte. Meermalen lezen wij het van hem: Mij is bange. Maar in ditzelfde ogenblik, waarin vrees zijn hart vervult, als hij ziet op zijne doodsvijanden slaat hij het oog vertrouwend en smekend op ten hemel en roept tot zijn God om redding en verhoring des gebeds.
Nader tot mijne ziel, die in zo groot gevaar is (vs. 2), bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil, dat zij zich niet beroemen mij machtig geworden te zijn. (Psalm 13: 5).
Gij weet mijne versmaadheid, en mijne schaamte, en mijne schande, hoe groot die is; wend Gij ze door Uwe barmhartigheid af; al mijne benauwers zijn voor U; Gij ziet hun boosheid en moet hen naar Uwe gerechtigheid richten.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; ik ben door die schande naar lichaam en ziel beide ziek geworden (Psalm 6: 3); en ik heb gewacht naar medelijden, bij de mensen, maar er is geen, die zich aan mij laat gelegen liggen, en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden 1), die liefdevol deelnamen in mijn lot (Klaagt. 1: 2, 9).
Ook hier, gelijk in het volgende vers, is de typische betekenis zo duidelijk te herkennen. De ganse lijdensgeschiedenis van Christus op Gabbatha en Golgotha bewijst dit zo zonneklaar. Wat David hier klagende en zuchtende uitroept is volkomen vervuld in Hem, die door God tot zonde is gemaakt, op Wie de schuld van een verloren volk is gelegd. En het is volkomen waar: “ziende door het geloof op dien lijdenden Messias, die komen zou, heeft David om Zijnent wil smaadheid gedragen en is hij, gesterkt onder zijn lijden, door God verhoord en uitgeholpen.” _
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; ik ben door die schande naar lichaam en ziel beide ziek geworden (Psalm 6: 3); en ik heb gewacht naar medelijden, bij de mensen, maar er is geen, die zich aan mij laat gelegen liggen, en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden 1), die liefdevol deelnamen in mijn lot (Klaagt. 1: 2, 9).
Ook hier, gelijk in het volgende vers, is de typische betekenis zo duidelijk te herkennen. De ganse lijdensgeschiedenis van Christus op Gabbatha en Golgotha bewijst dit zo zonneklaar. Wat David hier klagende en zuchtende uitroept is volkomen vervuld in Hem, die door God tot zonde is gemaakt, op Wie de schuld van een verloren volk is gelegd. En het is volkomen waar: “ziende door het geloof op dien lijdenden Messias, die komen zou, heeft David om Zijnent wil smaadheid gedragen en is hij, gesterkt onder zijn lijden, door God verhoord en uitgeholpen.” _
Ja, integendeel Zij hebben mij gal tot mijne spijs gegeven, in plaats van mij te troosten en te verkwikken, en, om mijn hartenleed te vermeerderen; in mijnen dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven, zelfs in de behoeften der natuur mij nog honende en het leven bitter makende. (Jer. 8: 14; 9: 14; 23: 15). Twee voorvallen bij de kruisiging des Heren staan in betrekking tot ons vers. Vooreerst gaven zij Hem edik te drinken met gal vermengd (mirre in den wijn); toen Hij dat geproefd had wilde Hij niet drinken (MATTHEUS. 27: 34. Mark. 15: 23). Mattheus noemt naar zijne gewoonte den drank theologisch; steeds het oog op de profetieën des Ouden Testaments richtende, spreekt hij van gal en edik, opdat de vervulling van de plaats in den Psalm des te zichtbaarder worde. Markus daarentegen ziet naar Zijne gewoonte op den uitwendigen aard van den drank; volgens hem was het een (zure) wijn met mirre gemengd, de gewone drank voor misdadigers. Hun aangeboden was deze (dronken makende) drank ene weldaad, aan de persoonlijke, lijdende gerechtigheid aangeboden, was zij ene zware en bittere krenking.
Vervolgens riep Jezus volgens Joh. 19: 28 (vgl. MATTHEUS. 27: 48), toen Hij wist, dat reeds alles volbracht was, opdat de Schrift geheel zou vervuld worden: “Mij dorst” en men gaf Hem edik te drinken. Om de vervulling van de plaats in den Psalm aan te wijzen, riep dienvolgens de stervende Heiland: “Mij dorst; ” de daad komt dus als ene symbolische voor, waardoor het beeld van den Psalm belichaamd wordt.
23.
III. Vs. 23-34.KruisverwijzingenJesaja 53:4→Daniël 5:6→Mattheüs 23:38→Handelingen 1:20→Zacharia 1:15→Lukas 10:20→Filippenzen 4:3→Psalmen 34:3→
— Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen. Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan. Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden. Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek. Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
Thans volgen de verwensingen der vijanden, door welke Gods rechtvaardig, met hun handelen nauwkeurig overeenstemmend gericht over hen ingeroepen wordt, voor zich zelven echter, den nu lijdende en door hevige smart verscheurde, hoopt de zanger spoedige hulp en verhoging, waarvoor hij Gode zijn lofoffer belooft, waarvan een zegen zal uitgaan tot geloofsversterking voor alle rechtvaardigen.
Moge dan Gods vergeldende rechtvaardigheid op in het oog vallende wijze aan hen geopenbaard worden a). Hun tafel, aan welke zij zwelgen en hun spotliederen zingen, terwijl ik ween en vast (vs. 11 en 13) worde, ter vergelding dat zij mij dien edik gaven, voor hun aangezicht tot een strik; nog te midden van hun weelde overvalle hun het verderf; en tot volle vergelding 1) tot een valstrik, zodat de smart hen overvalle als de smart ener zwangere vrouw (1 (Thessalonicenzen. 5: 3).
Rom. 11: 9.
In het Hebr. Welischlomim. Dit betekent: en den zorgelozen. De Staten-Overzetters hebben de Septuaginta gevolgd, die vertaalt: antapodosin, dat is en tot vergelding. Maar dan moest er staan: Oeleschiloemim. Wel dezelfde letters, maar anders gevocaliseerd. De dichter spreekt hier van zorgelozen, van hen, die daar zeggen, vrede, vrede en geen gevaar. Heeft hij geklaagd, dat zij hem gal tot zijn spijze hebben gegeven, hier spreekt hij het uit, dat hun tafel hun tot een strik worde. Onder tafel hebben wij hier weelderigen overvloed te verstaan. De Apostel Paulus in Rom. 11: 9-10 begrijpt onder dit beeld, de geestelijke en eeuwige goederen, die de Heere God Zijn volk had verleend.
Laat hun a) ogen, waarmee zij met vreugde mijne ellende zagen (Psalm 22: 18), duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden, den zetel der natuurlijke kracht, waarmee zij mij mishandelen, gedurig (voor altijd) waggelen, dat ze niet meer ophouden te wankelen. (Nah. 2:
.
Jes. 6: 9; 29: 10; 44: 18. Rom. 11: 10,
Stort over hen Uwe gramschap uit (Psalm 79: 6. Hos. 5: 10), gelijk zij over mij smaad en schande uitgegoten hebben (vs. 8 vv.), en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan met alle macht, om hen te verderven.
Hun paleis 1) zij, ter vergelding daarvoor, dat zij mij uit mijn huis verdreven hebben (2 (Samuel 16: 10 vv.), verwoest; in hun tenten zij geen inwoner 2). (Job 18: 15 vgl. (MATTHEUS. 23: 38. Hand. 1: 20).
Heeft David in de vorige verzen gesproken van de personen, hier spreekt hij den vloek uit over hun bezittingen.
Dit was wel het zwaarste op tijdelijk gebied, wat een Oosterling kon treffen. Zoals wij reeds vroeger hebben aangemerkt, bestond de rijkdom niet alleen in vele bezittingen, maar ook in vele kinderen en dienstbaren. Welnu hier komt de vloek, dat de tenten zullen uitgestorven zijn.
Want zij vervolgen, die Gij geslagen hebt; in plaats van zich te ontfermen en te bedenken, hoe spoedig Uwe kastijdingen hen zelven kunnen treffen (Job 19: 21 vv. Jes. 53: 4. Zach. 13:
(Joh. 19: 3 vv. Luk. 23: 21), en maken een praat van de smart Uwer verwonden, met vreugde vertellen zij van het lijden, dat Gij anderen liet dragen. (Jes. 66: 16. Jer. 25: 33).
Laat het hun gaan naar de wet der zedelijke wereldorde, dat dit de vloek des bozen is, dat het kwade steeds voortgaande kwaad moet baren (Rom. 1: 24 vv.); doe misdaad tot hun misdaad, stapel bij hen zonde op zonde, en laat hen niet komen tot Uwe gerechtigheid, laat hen nimmer door U van schuld en straf worden vrijgesproken; onttrek Uwe genade geheel, en geef hen over aan de onbekeerlijkheid van hun hart.
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens 1), waarin de namen staan dergenen, die bij het leven moeten behouden worden (Dan. 12: 1), en met de rechtvaardigen, tot wier getal zij ook niet behoren (Habakuk. 2: 4), niet aangeschreven worden.
“Of der levenden” in den zin: “laat ze gedood worden.” Slechts met vrezen en beven mag men zulke uitspraken der Heilige Schrift, als wij hier vinden, nader treden: in een goddelozen mond kunnen zij zeer goddeloos worden.
Wordt eerst een Petrus, Paulus, Jacob, David, Elisa, zo zult gij ook in den naam van God mogen vloeken.
Er is verstand nodig, om te onderscheiden wie verworpen en wie nog te redden zijn; reinheid, dat men niet zijn eigen ik zoeke; gematigdheid, die het gemoed tot stil verdragen geneigd maakt.
Zij, over wie David deze oordelen profiteert, zijn mensen, die tot de uiterste boosheid gekomen zijn, die naar het rechtvaardig oordeel Gods aan de zonde worden overgegeven, en onherstelbaar verloren zijn. Het zijn verschrikkelijke, ontzettende oordelen, die David hier zijne vijanden aankondigt, van hen profeteert, ja, zelfs bidt, dat God ze over hen brengen. En toch, het moet ons onder de lezing reeds duidelijk zijn geworden, er spreekt uit zijne woorden geen onheilige toorngeest, maar de Heilige Geest van Christus, door Wie de profeten gesproken hebben. David is hier profeet en voorbeeld van Christus, en die vijanden haten en vervolgen. honen en smaden hem niet als David, maar als den Gezalfde Gods, als den gunsteling van Jehova, als den ijveraar voor het huis Gods. En die oordelen, welke hij over hen uitspreekt, zijn ze iets anders en iets meer dan de gerichten en straffen, die Gods gerechtigheid over zulke zondaren eist? Of kan God zulk een afval en vijandschap ongestraft laten?.
Doch ik, in tegenoverstelling van mijne vijanden, die nu nog verheven zijn, ben ellendig en in smart. Doch gelijk zij verheven zijn, om ras op ‘t diepst vernederd te worden, zo lig ik neer, om ter rechter tijd verhoogd te worden en ik mag de nadering van dien tijd wensen met de bede: Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek, ontrukke mij aan het tegenwoordige lijden en plaatse mij op het toppunt van zegen en van welvaart.
Ik zal, wanneer de tijd dier verlossing daar is, Gods naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging groot maken 1).
Wij melken het hier wel, dat David hier hetzelfde met andere woorden uitspreekt als wat hij in Psalm 4 zegt. Wel is zijn toestaan een voor de wereld alles behalve benijdbare toestand, maar toch is zijn hope blijvend gevestigd op Zijn Verbonds-God. Hij houdt zich aan Zijn God vast en is er vast van overtuigd, dat hij diens Naam nog eenmaal zij loven en prijzen.
En het geestelijk offer van dankbaren lof, die uit het diepst des harten voortkomt, zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var; die de klauwen verdeelt 1), dan een offerdier, dat mannelijk en volledig opgewassen is en tot de reine dieren behoort, dat een offer geheel volgens de wet is (Leviticus 1: 3; 11: 3. Genesis 15: 9. vgl. (Psalm 40: 7; 50: 23; 51: 18 50.23 51.16).
Beter: ‘t Zal den Heere aangenamer zijn dan varren, die hoornen en klauwen hebben. Hiermede verklaart hij, dat hij weet, welk offer de Heere aangenaam is, nl. de offers van zijn hart en lippen, waardoor hij het uitspreekt, dat hij alleen Zijn uitredding en verheffing aan den Heere God heeft te danken.
De zachtmoedigen (de ellendigen, de bedrukten), allen, die met mij in gemeenschap van geloof en van lijden verbonden zijn, dit gezien, hebbende, dat ik U mijn dankoffer breng, zullen zich met mij verblijden, en gij, die God zoekt! ulieder hart zal leven 1). Gelijk zij met mij gebeden hebben, zullen zij zich ook met mij verheugen (Psalm 22: 27).
David spreekt hier zijn begeerte uit, dat zijne uitredding en verlossing, aan dezen, die in eenzelfde nood verkeren tot bemoediging en verlevendiging van hun hope zal zijn. Zo toont hij ook hier een patriarch der Kerk te zijn, die voor alle gelovigen, in zijn levens- en lijdensgeschiedenis, maar ook in de geschiedenis van zijne uitredding een doorluchtig voorbeeld is geweest.
Want deze is de troostvolle ervaring, die alsdan in mijn voorbeeld op nieuw bevestigd wordt, de HEERE hoort de nooddruftigen, wanneer zij tot Hem roepen, en Hij veracht Zijne gevangenen niet, Hij neemt integendeel allen aan, om ze te verlossen, die in duisternis zitten en gevangen liggen in ellende. (Psalm 107: 10). Heerlijk woord: Zijne gevangenen! Zij liggen in de gevangenis van smart, door het hun opgelegde kruis hun veroorzaakt, maar ook in Zijn hart; zij lijden volgens Zijnen wil, dus om Zijnentwil, maar onder Zijne ogen en slechts zo lang, als hij het wil; Hij voert de gevangenen uit ter rechter tijd in enkel welvaart, en heil, zegen en voorspoed en dan zijn het Zijne verlosten, Zijne gezegenden, Zijne kinderen en erfgenamen.
35.
IV. Vs. 35-37.KruisverwijzingenPsalmen 51:18→Jesaja 44:26→Psalmen 102:28→Jesaja 46:13→Psalmen 37:29→Psalmen 48:11→Psalmen 147:12→Openbaring 14:1→
— Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt. Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.
Wat David aan ‘t slot der vorige afdeling van de ellendigen en armen en van de gevangenen des Heren zegt, neemt de Gemeente van Israël ter harte, in den tijd, dat zij zich in zulk een toestand bevindt en God heeft leren zoeken. -Het gebed van haren koning wordt haar gebed gedurende de Babylonische ballingschap; zij breidt het echter hier door ene liturgische toevoeging uit (Vergelijk Psalm 14: 7; 25: 22; 31: 23), die hare hoop voor de toekomst uitspreekt.
Dat Hem, den Heere, prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wemelt (Psalm 148: 1 vv.).
Want God zal Zion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten.
En het zaad Zijner knechten (Psalm 102: 29) zal haar, de weder opgebouwde steden van Juda beërven; en de liefhebbers Zijns naams zullen daarin wonen (Jes. 66: 9). Onbegrijpelijk is het slot van dezen Psalm ook in David’s mond niet; dat Israël’s hoogste heerlijkheid door het gericht van ballingschap zou doorbreken, voorzegt reeds de Thora (de Wet in de 5 Boeken van Mozes), en ook David zelf las in Gods hart als profeet lijden en vreugde der toekomst. Maar ook de opvatting, dat de voor ons liggende afdeling ene liturgische bijvoeging der gemeente uit de ballingschap is, is aan te nemen: de gemeente der ballingschap kon dezen Psalm des te eerder tot de hare maken, daar David’s typisch lijden zich herhaalde in haar, voor zover zij in ‘t midden der heidenwereld Jehova beleed.
De dichter is hier profeet, profeteert van de verlossing van het aardse, maar ook van het geestelijk Zion. Hij voorspelt hier de heerlijke en zalige toekomst van dat geestelijk Zion, dat eenmaal zonder vlek en rimpel, den Hemel der heerlijkheid, den hemelsen tempelburcht zal bewonen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel