Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm2
of David,3
when Nathan
the prophet
came
unto him, after he had gone in
to Bathsheba.]]
Have mercy
upon me, O God,
according to thy lovingkindness:
according unto the multitude
of thy tender mercies
blot out
my transgressions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Toen de profeetH5030 NathanH5416 tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
Ook in dit vers
ingegaanH935
BathsebaH1339
KJV
Wash
me throughly
from mine iniquity,
and cleanse
me from my sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Wees mij genadigH2603, o GodH430! naar Uw goedertierenheidH2617; delgH4229 mijn overtredingH6588 uit, naar de grootheidH7230 Uwer barmhartighedenH7356.
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
KJV
For I acknowledge
my transgressions:7
and my sin
is ever
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Was mij wel van mijn ongerechtigheidH5771, en reinigH2891 mij van mijn zondeH2403.
Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
KJV
Against thee, thee only, have I sinned,
and done
this evil
in thy sight:
that thou mightest be justified
when thou speakest,
and be clear
when thou judgest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 ik kenH3045 mijn overtredingenH6588, en mijn zondeH2399 is steeds voor mij.
Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
Ook in dit vers
zondeH2403
KJV
Behold, I was shapen
in iniquity;
and in sin
did my mother
conceive
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigdH2398, en gedaanH6213, dat kwaadH7451 is in Uw ogenH5869; opdatH4616 Gij rechtvaardigH6663 zijt in Uw sprekenH1696, en reinH2135 zijt in Uw richtenH8199.
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
KJV
Behold, thou desirest
truth
in the inward parts:
and in the hidden
part thou shalt make me to know
wisdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZieH2005, ik ben in ongerechtigheidH5771 geborenH2342, en in zondeH2399 heeft mij mijn moederH517 ontvangenH3179.
Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
KJV
Purge
me with hyssop,
and I shall be clean:
wash
me, and I shall be whiter
than snow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
ZieH2005, Gij hebt lustH2654 tot waarheidH571 in het binnensteH2910, en in het verborgeneH5640 maakt Gij mij wijsheidH2451 bekendH3045.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
KJV
Make me to hear
joy
and gladness;
that the bones
which thou hast broken
may rejoice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
OntzondigH2398 mij met hysopH231, en ik zal reinH2891 zijn; was mij, en ik zal witterH3835 zijn dan sneeuwH7950.
Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
KJV
Hide
thy face
from my sins,
and blot out
all mine iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doe mij vreugde en blijdschap horenH8085; dat de beenderenH6106 zich verheugenH1523, die Gij verbrijzeldH1794 hebt.
Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.
Ook in dit vers
vreugdeH8342
blijdschapH8057
KJV
Create
in me a clean
heart,
O God;
and renew
a right
spirit
within
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
VerbergH5641 Uw aangezichtH6440 van mijn zondenH2399, en delgH4229 uit alH3605 mijn ongerechtighedenH5771.
Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
KJV
Cast me not away
from thy presence;2
and take
not thy holy
spirit
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
SchepH1254 mij een reinH2889 hartH3820, o GodH430! en vernieuwH2318 in het binnensteH7130 van mij een vasten geestH7307.
Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
Ook in dit vers
vastenH3559
KJV
Restore
unto me the joy
of thy salvation;
and uphold
me with thy free
spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
VerwerpH7993 mij niet van Uw aangezichtH6440, en neemH3947 Uw HeiligenH6944 GeestH7307 niet van mij.
Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
KJV
Then will I teach
transgressors
thy ways;
and sinners
shall be converted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Geef mij weder de vreugdeH8342 Uws heilsH8668; en de vrijmoedigeH5081 geestH7307 ondersteuneH5564 mij.
Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
Ook in dit vers
heilsH3468
GeefH7725
KJV
Deliver
me from bloodguiltiness,
O God,
thou God
of my salvation:
and my tongue
shall sing aloud
of thy righteousness.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zo zal ik de overtredersH6586 Uw wegenH1870 lerenH3925; en de zondaarsH2400 zullen zich totH413 U bekerenH7725.
Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
KJV
O Lord,
open
thou my lips;
and my mouth
shall shew forth
thy praise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
VerlosH5337 mij van bloedschuldenH1818, o God, Gij, God mijns heilsH8668! zo zal mijn tongH3956 Uw gerechtigheidH6666 vrolijk roemenH7442.
Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
Ook in dit vers
GodH430
GodH430
KJV
For thou desirest
not sacrifice;
else would I give
it: thou delightest
not in burnt offering.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
HeereH136, openH6605 mijn lippenH8193, zo zal mijn mondH6310 Uw lofH8416 verkondigenH5046.
Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.
KJV
The sacrifices
of God
are a broken
spirit:
a broken
and a contrite
heart,
O God,
thou wilt not despise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantH3588 Gij hebt geen lustH2654 tot offerandeH2077, anders zou ik ze gevenH5414; in brandofferenH5930 hebt Gij geen behagen.
Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.
Ook in dit vers
behagenH7521
KJV
Do good
in thy good pleasure
unto Zion:
build
thou the walls
of Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De offerandenH2077 GodsH430 zijn een gebroken geestH7307; een gebroken en verslagenH1794 hartH3820 zult Gij, o GodH430! nietH3808 verachtenH959.
De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.
Ook in dit vers
gebrokenH7665
gebrokenH7665
KJV
Then shalt thou be pleased
with the sacrifices1
of righteousness,
with burnt offering
and whole
burnt offering:
then shall they offer
bullocks
upon thine altar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Doe wel bij SionH6726 naar Uw welbehagenH7522; bouwH1129 de murenH2346 van JeruzalemH3389 op.
Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Dan zult Gij lustH2654 hebben aan de offerandenH2077 der gerechtigheidH6664, aan brandofferH5930 en een offerH5930, dat gansH3632 verteerd wordt; dan zullen zij varrenH6499 offerenH5927 opH5921 Uw altaarH4196.
Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 . Het is opmerkelijk dat, gelijk het Gode geliefd heeft Davids val tot menigvuldig onderwijs zijns volks in de Heilige Schrift te doen beschrijven, David desgelijks door Gods Geest gedreven zijnde, dezen psalm tot gelijk einde in Gods huis heeft doen zingen en spelen.
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1. Het is opmerkelijk dat het God behaagd heeft Davids val in de Heilige Schrift te laten beschrijven tot veelvoudig onderwijs van Zijn volk, en dat David, door Gods Geest gedreven, deze psalm met hetzelfde doel in Gods huis heeft laten zingen en spelen.
ingegaan
Zie Gen. 6:4 .
Hertaald:
ingegaan
Zie Gen. 6:4.
delg mijn
Of, wis uit, doe uit. Verg. Jes. 43:25 , en Jes. 44:22 ; Kol. 2:14 , alzo onder vs.11.
Hertaald:
delg mijn
Of: wis uit, doe weg. Vergelijk Jes. 43:25, en Jes. 44:22; Kol. 2:14; zo ook hieronder vers 11.
grootheid
Of, menigte.
Hertaald:
grootheid
Of: menigte.
wel van
Hebr. vermenigvuldig, was mij, of vermenigvuldig, maak veel mij te wassen, of was mij veel, of veelvoudiglijk, wel terdege, over en weer over. Aldus spreekt David uit overdenking en gevoel van de grootheid en veelheid zijner zonden. De manier van spreken is wel genomen van het uiterlijk en ceremoniëel wassen en reinigen, [waarvan Lev. 11:25 , Lev. 11:32 , en Lev. 14:8-9 ; Num. 19:19-20 , enz., ook Ex. 19:10 ,] maar ziet op de betekenende zaak, te weten de geestelijke afwassing en reiniging van zonden, door het bloed van den Messias. Zie 1 Kor. 6:11 ; 1 Joh. 1:7 , en Openb. 7:14 . Verg. onder vs.9.
Hertaald:
wel van
Hebreeuws: vermenigvuldig, was mij; of: vermenigvuldig, maak het veel mij te wassen; of: was mij veel, of veelvoudig, terdege, keer op keer. Zo spreekt David vanuit de overweging en het besef van de grootheid en de menigte van zijn zonden. Deze manier van spreken is wel ontleend aan het uiterlijke en ceremoniële wassen en reinigen [waarover Lev. 11:25, Lev. 11:32, en Lev. 14:8-9; Num. 19:19-20, enzovoort, en ook Ex. 19:10], maar ziet op de zaak die daardoor werd aangeduid, namelijk de geestelijke afwassing en reiniging van zonden door het bloed van de Messias. Zie 1 Kor. 6:11; 1 Joh. 1:7, en Openb. 7:14. Vergelijk hieronder vers 9.
ken mijn
Of, ik weet, mijne overtredingen zijn mij bekend.
Hertaald:
ken mijn
Of: ik weet het, mijn overtredingen zijn mij bekend.
alleen,
Te weten, voorzoveel ik, gepoogd hebbende mijne zonden voor mensen te verbergen, U nochtans, door Nathans aanzeggingen, bevonden en in mijne conscientie gevoeld heb een getuige en Rechter daarvan te zijn; Gij die ook alleen mijne zonde kondt straffen en vergeven.
Hertaald:
alleen,
Namelijk: voor zover ik, na geprobeerd te hebben mijn zonden voor mensen te verbergen, toch door de aanzegging van Nathan ondervonden en in mijn geweten gevoeld heb dat U daarvan getuige en Rechter bent; U, Die ook alleen mijn zonde kon straffen en vergeven.
kwaad
Dat is, dat U mishaagt.
Hertaald:
kwaad
Dat is: wat U mishaagt.
rechtvaardig
Dat is, rechtvaardig bevonden, gehouden en geoordeeld wordt. Door deze bekentenis geeft David God de eer, dat zijne woorden en oordelen, hem door Nathan aangediend, rechtvaardig en rein zijn. Anders, zodat Gij rechtvaardig zijt, enz.
Hertaald:
rechtvaardig
Dat is: rechtvaardig bevonden, geacht en geoordeeld wordt. Met deze belijdenis geeft David God de eer dat Zijn woorden en oordelen, die hem door Nathan zijn aangezegd, rechtvaardig en zuiver zijn. Anders: zodat U rechtvaardig bent, enzovoort.
ongerechtigheid
Versta, de erfzonde, aangeboren verdorvenheid, het vlees en de inwonende zonde. Zie Joh. 3:6 ; Rom. 7:17 .
Hertaald:
ongerechtigheid
Versta: de erfzonde, de aangeboren verdorvenheid, het vlees en de inwonende zonde. Zie Joh. 3:6; Rom. 7:17.
geboren
Alzo wordt het Hebr. woord gebruikt Job 15:7 ; Spr. 8:24-25 .
Hertaald:
geboren
Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt in Job 15:7; Spr. 8:24-25.
ontvangen
Hebr. verwarmd. Of, is van mij verwarmd geworden; te weten, mij ontvangende en dragende. Aangaande het Hebr. woord, verg. Gen. 30:38-39 , Gen. 30:41 .
Hertaald:
ontvangen
Hebreeuws: verwarmd. Of: ben ik verwarmd geworden; namelijk doordat zij mij ontving en droeg. Wat het Hebreeuwse woord betreft, vergelijk Gen. 30:38-39, Gen. 30:41.
waarheid
Dat is, ongeveinsdheid, onbedriegelijke oprechtheid, gesteld tegen huichelarij en geveinsdheid, waaraan zich David te dezer tijd had schuldig gemaakt.
Hertaald:
waarheid
Dat is: ongeveinsdheid, onbedrieglijke oprechtheid, tegenover huichelarij en geveinsdheid, waaraan David zich in deze tijd schuldig had gemaakt.
binnenste,
Of, binnenste, inwendige delen of partijen; te weten des mensen, dat is, in het hart. Verg. Rom. 3:29 , en Rom. 7:22 ; 2 Kor. 4:16 ; 1 Petr. 3:4 ; idem Luc. 11:39 , Luc. 11:40 . Het Hebr. woord wordt alleen hier en Job 38:36 gevonden, komende van een woord, dat bestrijken, bedekken, overtrekken [gelijk muren met kalk, cement, leem, enz.] betekent, en wordt van sommigen overgezet, nieren; [als met vet overdekt zijnde] waardoor de bewegingen des mensen dikwijls verstaan worden. Doch van anderen, praecordia; dat is, hartedeksel, of borstbeen, dat het hart overdekt, waarin God de wijsheid gesteld heeft; Job 38:36 .
Hertaald:
binnenste,
Of: binnenste, inwendige delen; namelijk van de mens, dat is: in het hart. Vergelijk Rom. 3:29, en Rom. 7:22; 2 Kor. 4:16; 1 Petr. 3:4; en ook Luk. 11:39, Luk. 11:40. Het Hebreeuwse woord komt alleen hier en in Job 38:36 voor. Het komt van een woord dat bestrijken, bedekken, overtrekken betekent [zoals muren met kalk, cement, leem, enzovoort], en wordt door sommigen vertaald met nieren [omdat die met vet overdekt zijn], waaronder vaak de innerlijke bewegingen van de mens verstaan worden. Anderen vertalen het met praecordia, dat is: het hartdeksel of borstbeen dat het hart bedekt, waarin God de wijsheid gelegd heeft; Job 38:36.
verborgene
Of, besloten; te weten het hart. Hij schijnt te willen zeggen dat God hem geleerd heeft, niet alleen van buiten zijn licht te laten schijnen, maar ook inzonderheid van binnene en in het verborgen heilig te zijn. Sommigen duiden het op de wijsheid Gods in verborgenheid, 1 Kor. 2:7 , enz., in het Evangelie en door zijnen Geest geopenbaard.
Hertaald:
verborgene
Of: het beslotene; namelijk het hart. Hij lijkt te willen zeggen dat God hem geleerd heeft niet alleen naar buiten zijn licht te laten schijnen, maar in het bijzonder ook van binnen en in het verborgen heilig te zijn. Sommigen betrekken het op de wijsheid van God in verborgenheid, 1 Kor. 2:7, enzovoort, die in het Evangelie en door Zijn Geest geopenbaard is.
hysop
Dat is, door de besprenging met het bloed van den Messias, afgebeeld door de ceremoniën, waarvan te zien is. Lev. 14:4-7 ; Num. 19:6 , Num. 19:9 , zie de aantekening aldaar; en van hysop; 1 Kon. 4:33 .
Hertaald:
hysop
Dat is: door de besprenging met het bloed van de Messias, afgebeeld door de ceremoniën waarover te zien is in Lev. 14:4-7; Num. 19:6, Num. 19:9, zie de aantekening daar; en over de hysop, 1 Kon. 4:33.
horen;
Mits mij verzekerende van de vergeving mijner zonden, inwendiglijk door uw Heiligen Geest en uitwendiglijk door den dienst uwer profeten.
Hertaald:
horen;
Door mij te verzekeren van de vergeving van mijn zonden: innerlijk door Uw Heilige Geest en uiterlijk door de dienst van Uw profeten.
beenderen
Dat is, dat ik mij verheuge, wien Gij door de boodschap uwer gramschap zulke smart hebt aangedaan, gelijk iemand lijdt, dien de beenderen gebroken en verbrijzeld of vermorzeld worden, of wiens kracht, vermogen en lust als versmolten is. Zie Job 2:5 , en Job 30:17 , en Job 33:19 ; Ps. 35:10 , en Ps. 38:4 , enz.
Hertaald:
beenderen
Dat is: dat ik mij mag verheugen, ik wie U door de boodschap van Uw toorn zo'n smart hebt aangedaan als iemand lijdt van wie de beenderen gebroken en verbrijzeld of vermorzeld worden, of wiens kracht, vermogen en lust als weggesmolten is. Zie Job 2:5, en Job 30:17, en Job 33:19; Ps. 35:10, en Ps. 38:4, enzovoort.
Verberg
Dat is, reken ze mij niet toe. Verg. Ps. 90:8 , en Ps. 109:14-15 ; Jer. 16:17 .
Hertaald:
Verberg
Dat is: reken ze mij niet toe. Vergelijk Ps. 90:8, en Ps. 109:14-15; Jer. 16:17.
delg
Gelijk boven, vs.3.
Hertaald:
delg
Zoals hierboven, vers 3.
Schep
Dat is, werk door uw Heilige Geest krachtiglijk in mij de reiniging mijns harten. Alzo wordt het woord scheppen elders in deze materie gebruikt. Zie Jes. 41:20 , en Jes. 57:19 ; Ef. 2:10 ; en Ef. 4:24 , enz.
Hertaald:
Schep
Dat is: werk door Uw Heilige Geest krachtig in mij de reiniging van mijn hart. Zo wordt het woord scheppen elders in dit verband gebruikt. Zie Jes. 41:20, en Jes. 57:19; Ef. 2:10; en Ef. 4:24, enzovoort.
vasten
Dat is, vernieuwd door een vast geloof, een vast en bestendig opzet in mijne ziel, tot de gehoorzaamheid uwer geboden, opdat ik zo niet meer slibber of val, gelijk nu geschied is. Verg. Ps. 57:8 , en Ps. 112:7 . Verg. wijders van hart en geest, Ezech. 11:19 , met de aantekening; en van den mensen binneste, Job 20:14 .
Hertaald:
vasten
Dat is: vernieuwd door een vast geloof, een vast en bestendig voornemen in mijn ziel tot gehoorzaamheid aan Uw geboden, zodat ik niet meer uitglijd of val zoals nu gebeurd is. Vergelijk Ps. 57:8, en Ps. 112:7. Vergelijk verder over hart en geest Ezech. 11:19 met de aantekening, en over het binnenste van de mens Job 20:14.
Verwerp
Dat een gevolg is van Gods groten toorn. Zie Gen. 4:14 , Gen. 4:16 ; 2 Kon. 24:20 ; Jer. 7:15 , en Jer. 52:3 .
Hertaald:
Verwerp
Wat een gevolg is van Gods grote toorn. Zie Gen. 4:14, Gen. 4:16; 2 Kon. 24:20; Jer. 7:15, en Jer. 52:3.
Heiligen Geest
Hebr. den Geest uwer heiligheid; dat is, uw Heilige Geest, als, berg mijner heiligheid, Ps. 2:6 ; paleis, of tempel zijner heiligheid, Ps. 11:4 , enz. Alzo hebben de Heere Christus en zijne apostelen doorgaans den derden persoon der Heilige Drievuldigheid genoemd den Heilige Geest.
Hertaald:
Heiligen Geest
Hebreeuws: de Geest van Uw heiligheid; dat is: Uw Heilige Geest, zoals ook berg van Mijn heiligheid, Ps. 2:6; paleis of tempel van Zijn heiligheid, Ps. 11:4, enzovoort. Zo hebben de Heere Christus en Zijn apostelen de derde Persoon van de Heilige Drie-eenheid doorgaans de Heilige Geest genoemd.
vreugde
De vreugde, die ik tevoren gevoeld en gehad heb, over de zaligheid, die Gij mij bereid hebt en geven zult; waarvan het gevoel door mijn val in mij verduisterd is.
Hertaald:
vreugde
De vreugde die ik vroeger gevoeld en gehad heb over de zaligheid die U mij bereid hebt en geven zult; het besef daarvan is door mijn val in mij verduisterd.
vrijmoedige
Of, ondersteun mij [met] den vrijwilligen, of vrijmoedigen, goedwilligen, edelen, weldadigen geest; waardoor ik U met kinderlijke vrijmoedigheid mag aanroepen en met blijmoedigheid en bereidwilligheid dienen. Verg. dit met den Geest van het kindschap, waarvan Rom. 8:15-16 . Anders, de Geest der goedwilligheid, vrijmoedigheid.
Hertaald:
vrijmoedige
Of: ondersteun mij [met] de vrijwillige, of vrijmoedige, goedwillige, edele, weldadige geest, waardoor ik U met kinderlijke vrijmoedigheid mag aanroepen en met blijmoedigheid en bereidwilligheid mag dienen. Vergelijk dit met de Geest van het kindschap, waarover Rom. 8:15-16. Anders: de Geest van de goedwilligheid, van de vrijmoedigheid.
Zo zal
Door mijn voorbeeld zal ik hen onderwijzen en troosten, en door dat middel [ziende dat er genade bij U is voor een armen boetvaardigen zondaar] zullen zij zich bekeren. Van des Heeren wegen, zie Gen. 18:19 , en Ps. 25:4 , Ps. 25:10 ; Hos. 14:10 , enz.
Hertaald:
Zo zal
Door mijn voorbeeld zal ik hen onderwijzen en troosten, en langs die weg zullen zij zich bekeren, doordat zij zien dat er bij U genade is voor een arme, boetvaardige zondaar. Over de wegen van de Heere, zie Gen. 18:19, en Ps. 25:4, Ps. 25:10; Hos. 14:10, enzovoort.
bloedschulden,
Hebr. bloeden; dat is de schuld van doodslag, dien ik aan Uria en anderen, die om zijnenetwil mede zijn omgekomen bedreven heb, waardoor ik de straf des doods zelf verdiend heb. Zie Gen. 4:10 , en Gen. 9:5-6 .
Hertaald:
bloedschulden,
Hebreeuws: bloeden; dat is: de schuld van de doodslag die ik aan Uria bedreven heb en aan anderen die om zijnentwil mede zijn omgekomen, waardoor ik zelf de doodstraf verdiend heb. Zie Gen. 4:10, en Gen. 9:5-6.
gerechtigheid
Die Gij bewijst in het genadig houden en volbrengen uwer beloften. Anders gebedsgewijze: laat mijne tong, enz.
Hertaald:
gerechtigheid
Die U bewijst door Uw beloften genadig te houden en te volbrengen. Anders: als gebed geformuleerd — laat mijn tong, enzovoort.
open
Leg in mijnen mond een nieuw lied. Zie Ps. 40:4 . Hij wil zeggen dat zijn mond door de droefenis over zijne zonden en betrachting zijner onwaardigheid, als gesloten was, en door Gods genade en troost des Heiligen Geestes moest geopend worden.
Hertaald:
open
Leg in mijn mond een nieuw lied. Zie Ps. 40:4. Hij wil zeggen dat zijn mond door de droefheid over zijn zonden en het besef van zijn onwaardigheid als gesloten was, en door Gods genade en de troost van de Heilige Geest geopend moest worden.
geen lust
Te weten, zonder voor en medegaande boetvaardigheid. Zie den voorgaanden Psalm, Psa 50 en onder vs.21; Rom. 12:1 ; idem Hos. 6:6 . Sommigen verstaan het van den staat des Nieuwen Testaments, of den geestelijken godsdienst daarvan. Zie Ps. 50:8 .
Hertaald:
geen lust
Namelijk: zonder voorafgaande en meegaande boetvaardigheid. Zie de voorgaande psalm, Ps. 50, en hieronder vers 21; Rom. 12:1; en ook Hos. 6:6. Sommigen verstaan het van de staat van het Nieuwe Testament, of van de geestelijke godsdienst daarvan. Zie Ps. 50:8.
Gods zijn
Dat is, die Hij voornamelijk gebiedt, en die Hem aangenaam zijn, gelijk Joh. 6:28 , werken Gods.
Hertaald:
Gods zijn
Dat is: die Hij vooral gebiedt en die Hem aangenaam zijn, zoals Joh. 6:28 spreekt over werken Gods.
gebroken
Door een oprecht en diep berouw van zonden, en hartelijk verlangen en zuchten naar vergeving van die. De gelijkenis, genomen van het breken, stoten, kneuzen, verbrijzelen en vermorzelen der harde dingen, is klaar, Zie Ps. 34:19 . Hiertegen wordt gesteld een hard hart, waarvan de Schrift elders spreekt. Anders aldus: De offeranden Gods zijn een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart; Gij zult [die] niet verachten.
Hertaald:
gebroken
Door een oprecht en diep berouw over de zonden en een hartelijk verlangen en zuchten naar vergeving daarvan. De vergelijking is duidelijk: zij is ontleend aan het breken, stoten, kneuzen, verbrijzelen en vermorzelen van harde dingen. Zie Ps. 34:19. Daartegenover staat een hard hart, waarover de Schrift elders spreekt. Anders zo: de offeranden Gods zijn een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart; U zult [die] niet verachten.
verslagen
Of, gekneusd, vermorzeld, verbrijzeld.
Hertaald:
verslagen
Of: gekneusd, vermorzeld, verbrijzeld.
Sion
De plaats waar Gij woont, waar uwe kerk haar heilige vergaderingen houdt en U dient. Zie wijders Ps. 2:6 . Aldus bidt David voor Gods volk, uit bekommernis dat toch de ergenis, door hem gegeven, niet mocht strekken tot nadeel en verstoring der ganse kerk.
Hertaald:
Sion
De plaats waar U woont, waar Uw kerk haar heilige samenkomsten houdt en U dient. Zie verder Ps. 2:6. Zo bidt David voor Gods volk, uit zorg dat de ergernis die hij gegeven heeft toch niet tot nadeel en verstoring van de hele kerk zou uitlopen.
naar uw
Of, door uwe goedgunstigheid.
Hertaald:
naar uw
Of: door Uw goedgunstigheid. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het opschrift beslaat hier twee verzen en noemt de aanleiding: het is de psalm van David nadat de profeet Nathan tot hem gekomen was (Ps. 51:1-2). De psalm zelf begint dus pas bij Ps. 51:3, en wel met een beroep op God en niet op zichzelf: "Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden". Twee keer wordt de maat genoemd waarnaar hij vraagt, en beide keren is die Gods eigen goedheid. Dan volgt de erkenning: "ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij" (Ps. 51:5). En dan de zin die het diepst gaat: "Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen" (Ps. 51:6). Even verder gaat hij terug tot vóór zijn daden: "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen" (Ps. 51:7). Bijbelse betekenis: Tegen U alleen — dat is geen ontkenning van het kwaad dat David mensen heeft aangedaan; de psalm noemt de bloedschuld even verder uitdrukkelijk (Ps. 51:16). Het zegt waar de zonde ten diepste tegen ingaat: tegen God zelf, en daarom kan alleen Hij haar vergeven. Merk op wat er in Ps. 51:7 gebeurt. David zoekt de wortel niet bij zijn omstandigheden en niet bij Bathseba, maar bij zichzelf, en dan verder terug dan zijn geheugen reikt; hij belijdt niet alleen wat hij deed maar wat hij is. Dat vers is in de gereformeerde belijdenis het bekendste getuigenis van de aangeboren verdorvenheid, en het staat hier niet als verontschuldiging maar als verzwaring. Let ten slotte op de volgorde. Eerst het beroep op Gods barmhartigheid, dan pas het zelfonderzoek; wie andersom begint, komt niet verder dan wanhoop. Typologie: Paulus haalt Ps. 51:6 aan om te zeggen dat God in Zijn oordeel altijd in het gelijk staat: "Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt" (Rom. 3:4). De tollenaar in de gelijkenis bad de eerste regel van deze psalm in zijn eigen woorden: "O God! wees mij zondaar genadig!" (Luk. 18:13). Ps. 51:1-8; Ps. 51:16; Rom. 3:4; Luk. 18:13 "Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw" (Ps. 51:9). Hysop was het bosje waarmee bij de reiniging bloed of water gesprengd werd; David vraagt dus om wat de priester deed. Dan volgt een opmerkelijke bede: "Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt" (Ps. 51:10). Hij erkent dus dat God zelf hem gebroken heeft. En dan het bekendste vers: "Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest" (Ps. 51:12). Daarop volgt de bede die eruit voortkomt: "Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij" (Ps. 51:13), en: "Geef mij weder de vreugde Uws heils" (Ps. 51:14). Bijbelse betekenis: Let op het werkwoord in Ps. 51:12. Er staat scheppen, en dat woord wordt in het Oude Testament alleen van God gebruikt; het gaat om maken uit niets. David vraagt dus niet of zijn hart opgeknapt wordt maar of er een nieuw hart komt. Merk daarnaast op wat hij in Ps. 51:14 terugvraagt: niet zijn heil maar de vréugde van zijn heil. Dat onderscheid is voor een gelovige die gezondigd heeft van groot gewicht; wat verloren ging was de blijdschap, en die wordt teruggevraagd. Let ten slotte op Ps. 51:15. Zodra hij dit ontvangt, wil hij het doorgeven: dan zal hij overtreders Gods wegen leren. Vergeving maakt in deze psalm een mens niet stil maar spraakzaam. Typologie: Jesaja belooft dezelfde reiniging met hetzelfde beeld: "al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw" (Jes. 1:18). En de Heere Jezus zegt dat het nieuwe hart een geboorte is: "hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest" (Joh. 3:6). Ps. 51:9-15; Jes. 1:18; Joh. 3:6 "Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils!" (Ps. 51:16). De zonde wordt dus bij name genoemd. Dan volgt een gebed dat de rest draagt: "Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen" (Ps. 51:17). Hij kan uit zichzelf niet eens beginnen te loven. Daarna staat er iets wat vreemd klinkt in de mond van een koning onder de wet: "Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen" (Ps. 51:18). En dan het slot: "De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten" (Ps. 51:19). Bijbelse betekenis: David zegt hier niet dat de offerdienst afgeschaft is; dezelfde psalm eindigt met de verwachting dat er weer op het altaar geofferd zal worden. Wat hij zegt is dat er voor zíjn zonde geen offer bestond: overspel en doodslag met opzet gedaan kende in de wet geen zoenoffer. Er bleef hem dus niets over dan zichzelf, gebroken, aan te bieden. Merk op dat het gebroken hart geen prestatie is die de vergeving verdient. Het is wat God niet veracht — er staat een ontkenning, en dat is een voorzichtige en tere manier van spreken. Let ten slotte op Ps. 51:17. Zelfs het loven moet gegeven worden; het begint bij het openen van de lippen door God zelf. Typologie: Samuël had ditzelfde tegen een andere koning gezegd (reeds behandeld bij 1 Sam. 15:22), en de Hebreeënbrief laat zien dat er ten slotte één offer kwam waar de wet er geen kende (Hebr. 10:12). Ps. 51:16-19; 1 Sam. 15:22; Hebr. 10:12 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Het opschrift laat aan duidelijkheid niets te wensen over: een psalm van David, toen de profeet Nathan tot hem gekomen was, nadat hij tot Bathséba was ingegaan. Wat volgt is geen verontschuldiging maar een belijdenis. David vraagt niet om verzachting van de gevolgen, maar om een nieuw hart — en hij weet dat hij dat niet zelf kan maken. Hij begint waar het beginnen moet, bij God en niet bij zichzelf: wees mij genadig naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtredingen uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Dan komt de belijdenis, en zij is scherper dan men verwacht van een koning die een man heeft laten sneuvelen om diens vrouw. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd. Niet dat Uria geen onrecht is aangedaan; maar David ziet dat elke zonde uiteindelijk tegen God gaat. Hij voegt eraan toe dat hij in ongerechtigheid geboren is — het zit dieper dan één daad. De reiniging waarom hij vraagt, ontleent hij aan de offerdienst: ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn. Hysop is het bosje waarmee het bloed werd gesprengd, in Egypte aan de deurposten en later bij de reiniging van een melaatse. David vraagt dus niet om een gebaar maar om wat het gebaar betekende. Wat hij vervolgens vraagt, kan geen mens zichzelf geven: schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Het werkwoord scheppen is hetzelfde als in Genesis 1 — het gaat niet om opknappen maar om iets nieuws. Daarbij smeekt hij: verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij. De kanttekening merkt op dat er in het Hebreeuws staat: de Geest van Uw heiligheid, en dat de Heere Christus en Zijn apostelen de derde Persoon van de Drie-eenheid doorgaans de Heilige Geest noemen. Aan het slot komt hij bij de offers uit, en dan blijkt hoe hij ertegenaan kijkt: Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Daarmee staat deze psalm dicht bij wat Ezechiël later belooft over het stenen hart, en bij wat Christus zegt tegen Nicodémus: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. In het Nieuwe Testament: Johannes 3:3-6; Ezechiël 36:25-27; Titus 3:5; Hebreeën 9:14 Hoever dit reikt: Niveau 2. De psalm noemt Christus niet en wordt in het Nieuwe Testament niet met name aangehaald. De lijn loopt over de reiniging waar David om vraagt en het nieuwe hart dat God alleen scheppen kan.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest. Psalm 51:12 Als er nog maar een sprankje leven in je zit, zelfs als je bent afgedwaald, zal je verlangen naar… Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil, dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid. Psalm 51:16 Kijk eens hoe David in zijn belijdenis… Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil, dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid. Psalm 51:16 Ik vind de schuldbekentenis en het gebed… Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw… Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest. Psalm 51 vers 12 Als wij afgedwaald zijn, smachten wij naar herstel, als er… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wees mij genadig, o God! Psalm 51 vers 3 Toen William Carey aan een gevaarlijke ziekte leed, stelde men hem de… De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. Psalmen 51:17 Als u en ik een gebroken geest hebben,… Onze vader Adam had in het begin een geweldig vermogen, maar hij verloor het snel. Hij schond het vertrouwen van wat hij tot zijn bezit had gekregen en… Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij. Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. Psalm… 15 Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren. 16 Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo… 9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2 Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. 3 Wees mij genadig, o God! naar… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. Psalm 51:16 Het is goed om op… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 51
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Schep mij een rein hart — 51:1-21
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Vernieuwde geestelijke kracht
Een gebed van berouw
Het berouw van een zondaar
Leef!
Onbetwistbare rechtvaardigheid
Vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest
Wees mij genadig, o God!
Een gebroken geest
Over de erfzonde
De Heilige Geest woont in de gelovige
Psalm 51:15-21
Psalm 51:9-14
Psalm 51:1-8
Verlos mij van bloedschulden


Psalmen 51
Psalmen 51:2.KruisverwijzingenPsalmen 51:7→Openbaring 1:5→Jesaja 1:16→Handelingen 22:16→Hebreeën 10:21→Ezechiël 36:25→1 Korinthe 6:11→Openbaring 7:14→
— Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
Merk op dat hij zich beroept op barmhartigheid, en op barmhartigheid alleen — op overvloedige barmhartigheid in haar tederste en vriendelijkste gedaante: “naar de grootheid Uwer barmhartigheden”.
Let er ook op dat David zijn naam niet gebruikt. Hij zegt niet: HEERE, gedenk aan David; hij schaamt zich over zijn naam. En hij schijnt niet te willen dat God dááraan denkt, maar aan barmhartigheid, en dat Hij Zich over dezen naamloze zondaar ontfermt. Hij zegt niet: “verlos den zoon Uwer dienstmaagd”, of: bevrijd Uw knecht, zoals hij anders placht te doen; hij beroept zich enkel op barmhartigheid, en dat is alles.
En merk op: het is niet “wees mij genadig, o míjn God”. Hij is nu ver weg; hij heeft de vertroostende zekerheid van het verbond der genade verloren, en daarom lijkt het meer op de kreet van den verloren zoon toen die terugkwam en zei: “ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.”
“Delg mijn overtreding uit.” De zinspeling is eerder op een schotel: veeg hem uit, keer hem om, gooi eruit wat erin zit, veeg het weg. Of het kan zijn als het intrekken van een aanklacht in de rechtszaal: “HEERE, wil de aanklacht tegen mij vernietigen; delg al mijn overtredingen uit.”
Psalmen 51:3.KruisverwijzingenJesaja 59:12→Spreuken 28:13→Psalmen 32:5→Lukas 15:18→Psalmen 38:18→Leviticus 26:40→Psalmen 40:12→Nehemia 9:2→
— Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Niets over de straf, let daarop — hij noemt die niet. De ware boetvaardige duchtte de straf wel, maar hij duchtte de zónde veel meer. Het is de zondigheid waarvan hij verlost wil worden. “Was mij” — U móét het doen; geen andere wassing is genoeg. Was mij grondig, tot ik volkomen gereinigd ben; reinig mij van míjn zonde. Ik leg haar op niemand anders; reinig míj ervan.
Psalmen 51:4.KruisverwijzingenRomeinen 3:4→Lukas 15:21→Genesis 20:6→Genesis 39:9→2 Samuël 12:9→Genesis 38:7→Psalmen 50:6→Handelingen 17:31→
— Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
Staat de zonde ons niet voor ogen, dan zullen wij haar niet licht voor God uitspreiden; maar hebben wij er kennis van, dan zullen wij er belijdenis van doen aan God. “Mijn zonde is steeds voor mij.” Hij was in zo’n gemoedstoestand dat de gedachtenis van zijn zonde als op zijn oogappels geschilderd stond. Zelfs in zijn dromen bleef hij haar gedenken; hij was nooit vrij van die verschrikkelijke herinnering.
Psalmen 51:5.KruisverwijzingenJob 14:4→Efeze 2:3→Romeinen 5:12→Psalmen 58:3→Job 15:14→Genesis 8:21→Johannes 3:6→Genesis 5:3→
— Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
En toch had hij tegen veel meer gezondigd; maar op dit ogenblik verslond de gedachte aan zijn zonde tegen God al het andere. Al zijn misdrijven tegen zijn medemensen waren onbeduidend vergeleken bij het hoogverraad dat hij tegen zijn God begaan had. Dit is het venijn van de zonde: dat zij zonde tegen God is.
“En gedaan, dat kwaad is in Uw ogen” — terwijl U toezag. Voor een dief is het al onbeschaamdheid genoeg in de tegenwoordigheid van den rechter te stelen; en toch heb ik, o mijn God, dit kwaad in Uw tegenwoordigheid gedaan.
“Opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken.” Zoveel als te zeggen: ik doe deze belijdenis van zonde, die zo zwart is, dat U volkomen zuiver en volkomen rechtvaardig zult zijn als U mij richt, hoe streng ook, en mij tot welk een afschrikwekkende straf ook veroordeelt. Ik zou tegen niets dat U beveelt een pleitgrond kunnen inbrengen. Ik verdien rijkelijk alles wat Uw toorn over mij brengen kan.
Psalmen 51:6.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:7→Job 38:36→Romeinen 7:22→1 Petrus 3:4→Jeremia 5:3→Jeremia 32:40→Jakobus 4:8→1 Kronieken 29:17→
— Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
De zwarte stroom brengt hem ertoe naar de zwarte fontein te kijken. Hoe kunnen wij van ouders die gezondigd hebben verwachten dat hun reine en onbevlekte kinderen geboren zullen worden? Neen — de neigingen tot het kwade zijn in ons allen van het allereerste begin aan aanwezig. Hij waagt het in het geheel niet zichzelf te verontschuldigen, maar veeleer zijn zonde te verzwaren: dat hij van zijn geboorte af een zondaar geweest is.
Psalmen 51:7-8.KruisverwijzingenJesaja 1:18→Hebreeën 9:19→1 Johannes 1:7→Exodus 12:22→Handelingen 2:37→Hosea 6:1→Mattheüs 5:4→Job 5:17→
— Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
Hij had den melaatse rein verklaard zien worden wanneer de hysop in bloed gedoopt en op hem gesprenkeld werd; maar dan moest de melaatse tevóren al rein zijn voordat dit hem plechtig rein kon maken. Hij springt over het eerste deel heen en komt bij het laatste: zijn ziel verlangt ernaar meteen bij God aangenomen te worden.
Psalmen 51:9.KruisverwijzingenJeremia 16:17→Jesaja 38:17→Micha 7:18→Kolossenzen 2:14→Psalmen 51:1→
— Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
En toch, wat kan witter zijn dan sneeuw? Sneeuw is niet als een gewitte muur die enkel aan de oppervlakte wit is: zij is wit door en door. En toch, wanneer God den gelovige wast, maakt Hij hem witter dan sneeuw; want de sneeuw wordt spoedig bevlekt en verliest spoedig haar reinheid, maar wij zullen dat nooit doen als God ons wast.
Onder de wet was er geen voorziening voor de reiniging van een echtbreker. David moest daarom over al de offeranden der wet heen zien naar de reinigende kracht van de grote komende offerande; en hij geloofde daar zó in, dat hij met een moedig geloof — ik ken in heel de Schrift geen moediger uitdrukking dan deze — zegt: was mij, vuil als ik ben, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
Davids afschuwelijke zonde had hem bevlekt en hem gelaten als iemand die gewassen moest worden. Wanneer ik heel de Schrift doorzoek, of ten minste het Oude Testament, dan weet ik niet waar wij het bericht hebben van een ergere zonde begaan door iemand die toch een waar kind van God was. Hij had goede reden tot den HEERE te bidden: was mij — want hij droeg een bijzondere en eigenaardige vlek.
De macht van Jezus Christus om van zonde te reinigen moet ten eerste liggen in de grootheid van Zijn Persoon. Het is niet te begrijpen dat het lijden van een louter mens, hoe heilig of hoe groot hij ook geweest mocht zijn, verzoening had kunnen doen voor de zonden van al ‘s HEEREN uitverkoren volk. Het was omdat Jezus Christus één van de Personen in de goddelijke Drie-eenheid was. Het was omdat de Zoon van Maria niemand anders was dan de Zoon van God. Het was omdat Hij Die leefde en arbeidde en leed en stierf de grote Schepper was, zonder Wien niets gemaakt is dat gemaakt is — daarom heeft Zijn bloed zo’n kracht dat het de zwartste zondaren zo rein kan wassen dat zij witter zijn dan sneeuw.
Psalmen 51:10.KruisverwijzingenEzechiël 11:19→2 Korinthe 5:17→Ezechiël 18:31→Mattheüs 5:8→Efeze 4:22→Ezechiël 36:25→Handelingen 15:9→1 Petrus 1:22→
— Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.
De oorspronkelijke uitdrukking is: gekraakte beenderen, of zoals iemand het weergeeft: verbrijzelde. Zijn besef van zonde was zo groot geweest dat hij zich voelde als iemand wiens beenderen zelf door een verschrikkelijke slag verbrijzeld waren. Zo schijnt hij te zeggen dat er, gelijk er een verrukkelijk genoegen kan zijn wanneer elk van die gebroken beenderen weer hersteld wordt, zo’n genoegen voor hem zou zijn als God zijn zonden vergaf.
Psalmen 51:11.KruisverwijzingenEfeze 4:30→2 Koningen 13:23→Romeinen 8:9→Jesaja 63:10→1 Samuël 10:10→Jeremia 7:15→2 Thessalonicenzen 1:9→Romeinen 1:4→
— Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
Stellen wij onze zonden voor ons eigen aangezicht, dan zal God Zijn aangezicht van onze zonden afwenden. Verbergen wij onze zonden voor ons aangezicht, dan zal God ze voor Zíjn aangezicht stellen; maar staan zij bestendig voor óns, dan zullen zij nooit voor Hém staan.
Psalmen 51:12.KruisverwijzingenJesaja 61:10→Psalmen 13:5→Jesaja 41:10→2 Korinthe 3:17→Lukas 1:47→Judas 1:24→Galaten 4:6→Romeinen 8:15→
— Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
Het is een schepping: juist het woord wordt gebruikt dat in het eerste hoofdstuk van Genesis over de schepping gebruikt wordt. Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
Psalmen 51:13.KruisverwijzingenLukas 22:32→Jesaja 2:3→Handelingen 2:38→Johannes 21:15→Jesaja 6:10→Mattheüs 18:3→Jeremia 31:18→Handelingen 13:10→
— Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
“Ik heb U door het vergeten van U van mijn aangezicht weggedaan; maar verwerp míj niet van Uw aangezicht. Ik ben met een onheiligen geest vervuld geweest; maar o, neem Uw Heiligen Geest niet van mij.”
Psalmen 51:14.Kruisverwijzingen2 Samuël 12:9→Psalmen 35:28→Psalmen 26:9→Jesaja 45:17→Handelingen 18:6→Psalmen 38:22→Daniël 9:16→Hosea 4:2→
— Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
Hij gevoelt hoezeer hij het nodig heeft. Het gebrande kind schuwt het vuur. “En de vrijmoedige geest ondersteune mij.”
Psalmen 51:15.KruisverwijzingenPsalmen 63:3→Ezechiël 3:27→Exodus 4:11→Hebreeën 13:15→Ezechiël 16:63→Ezechiël 29:21→Genesis 44:16→1 Samuël 2:9→
— Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
En dat heeft David sindsdien voortdurend gedaan, want deze psalm is een doorgaande preek voor zondaren geweest, die hen Gods wegen in het vergeven van zonde leert; en velen, daar twijfel ik niet aan, zijn door Zijn Geest tot God bekeerd door de taal van deze psalm.
Wanneer u en ik Christus vinden, laten wij dan van onze gezegende vondst vertellen. Hebt u honing? Eet hem niet alleen zelf op: ga, vertel het uw medemensen. Bent u behouden? Toef niet, maar ga het nieuws verbreiden, opdat ook anderen behouden worden.
Psalmen 51:16.KruisverwijzingenPsalmen 40:6→Hebreeën 10:5→Amos 5:21→Hosea 6:6→1 Samuël 15:22→Spreuken 21:27→Spreuken 15:8→Exodus 21:14→
— Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
Zijn geloof groeit. Hij heeft zich vernederd — en dat is de weg om te rijzen. Maak u zwak voor God, en u zult sterk worden. Ledig uzelf, en u zult vervuld worden; buig laag, en Hij zal u opheffen. “O God, Gij, God mijns heils!”
Die tongen die zonden belijden zijn de beste tongen om mee te zingen. De tong die met het zout der boetvaardigheid gezouten is, is bekwaam om zoet te zijn met de honing der lofzegging.
Psalmen 51:17.KruisverwijzingenPsalmen 34:18→Jesaja 66:2→Lukas 18:11→Lukas 15:10→Psalmen 147:3→Jesaja 57:15→2 Koningen 22:19→Hebreeën 13:16→
— Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.
U weet wat de melaatse deed wanneer hij onrein was: hij bedekte zijn lippen, zoveel als om te belijden dat hij niet waardig was te spreken. Zo zal ook de onreine David hier, met het bedeksel over zijn lippen, het niet wagen te spreken voordat de HEERE zijn zonde heeft weggenomen en zijn mond voor hem heeft geopend.
Dit is wat Jesaja bedoelde toen hij zei: “Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben.” Maar toen er over de gloeiende kool gezegd werd: “Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd”, toen sprak hij recht welsprekend. “HEERE, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.”
Psalmen 51:18.KruisverwijzingenPsalmen 102:16→Lukas 12:32→Jesaja 58:12→Psalmen 25:22→Psalmen 137:5→Psalmen 69:35→2 Korinthe 11:28→Filippenzen 2:13→
— Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.
Hier hebben wij wat God wél begeert en wat Hij níet begeert. Kijkt u naar het zesde vers, dan ziet u wat Hij wél begeert: “Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste.” Hier begeert Hij niet de louter uitwendige eredienst die door offerande gebracht wordt. Het was niet het zinnebeeld alleen dat Hem voldeed.
Psalmen 51:19.KruisverwijzingenPsalmen 4:5→Maleachi 3:3→Efeze 5:2→Psalmen 118:27→Psalmen 66:13→Romeinen 12:1→
— De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.
Er zijn specerijen die nooit volmaakt van geur zijn totdat zij met de stamper in de vijzel gestoten zijn — en zo is het met een gebroken hart. Al wordt het geslagen en al smart het, toch is er een zoet welbehagen voor den HEERE wanneer Hij in Zijn volk de smart over de zonde bemerkt, wanneer zij haar haten en verfoeien.
De dankbaarheid stijgt op wanneer de zonde vergeven is; en wanneer God verschijnt om Zijn gemeente te zegenen, dan zegent zij haar God.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David (Psalm 3: 1), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1).
Door hem vervaardigd in dien ernstigen en moeilijke tijd zijns levens, toen de profeet Nathan op Goddelijken last tot zijne bestraffing (2 Samuel 12: 1 vv.) tot hem was gekomen, nadat hij 9 of 10 maanden vroeger als echtbreker (2 Samuel 11: 1 vv.) tot Bathseba was ingegaan, Deze Psalm is in de rij der boetpsalmen (Psalm 6: 11 ) de vierde. Zie hier ene openlijke kerkelijke boete van enen koning van Israël! Want David heeft dezen Psalm niet alleen voor zich geschreven, om voor zich in ‘t bijzonder te bidden, maar ook aan den zangmeester van den tempel overgegeven, om door zijne boete het volk Gods, dat, hij door zijne zonde geërgerd had, weer te stichten. Men moet niet menen, dat David zo gevoelloos geworden was, dat hij niet in ‘t algemeen God als den Rechter der wereld erkende, dagelijks tot Hem bad, en er zich op toelegde, niet alleen zijne uitwendige godsdienstplichten, maar ook zijn leven en zijne handelingen naar den regel der goddelijke wet in te richten; wij moeten dus weten, dat hij niet geheel en al van alle godsvrucht ontbloot was, maar slechts op ene wijze verblind, dat hij het gevoel van den goddelijken toorn door verkeerde vleierijen in slaap wiegde. Zo werd zijne vroomheid, die anders vele vonken verspreidde, in dit opzicht verstikt. De door Nathan hem bekend gemaakte zonden vergeving (2 Samuel 12: 13) zich aanstonds toe te eigenen, moet David te zwaarder vallen, naarmate zijn val dieper was hij de hem verleende mate van genade. Het was gewis reeds veel, dat hij door de uitwendige aankondiging voor gehele wanhoop bewaard werd en nog zóveel vertrouwen behield, als tot het worstelen om de inwendige verzekering van de vergeving der zonden nodig was. Dit worstelen om van de hem verkondigde vergeving ook inwendig en voor zijn gevoel verzekerd te worden, hebben wij in onzen Psalm, den eersten onder de Davidische Elohiem-Psalmen, voor ons. Ook hier vinden wij het uitgesproken, dat het uitwendig offer op zich zelf gene waarde heeft, gelijk wij reeds in Psalm 50 aantroffen, zodat beide Psalmen niet zonder reden nevens elkaar geplaatst zijn. 3.
I. Vs. 3-11.KruisverwijzingenEzechiël 11:19→2 Korinthe 5:17→Ezechiël 18:31→Mattheüs 5:8→Efeze 4:22→Ezechiël 36:25→Handelingen 15:9→1 Petrus 1:22→
— Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
Bede om ontzondiging. -David heeft lang rondgezworven, en is inwendig verteerd door een dof schuldgevoel. (Psalm 32: 3 vv.). Door Nathans woord bemoedigd, verschijnt hij weer met nedergeslagen oog voor zijnen God, om diens hart te winnen. Het eerste, dat hij daartoe doet, is de belijdenis, is dat hij zijne misdaad erkent, en met terzijdestelling van alle menselijke uitvluchten, haar als zonde tegen den Heere erkent en dat hij zich niet alleen het van zijne daad, maar ook het zondige van zijn gehele inwendige bestaan berust is. Na zulk ene belijdenis waagt hij het vervolgens, met alle vreugde en vertrouwen om vergeving te bidden. Hij is een melaatse, die door hysop moet gereinigd worden, een met bloed bevlekte, van wie God alleen het bloed kan afwassen; nu is hem merg en been nog door het bewustzijn van zonde geschokt en als verslagen; maar in welk ene vreugde zal zijne verslagenheid overgaan, wanneer hij in zijne ziel zal vernemen de troostrijke en blijde toespraak van God, die hem weer genadig is!
Zijt mij genadig, o God 1)! naar Uwe goedertierenheid (Psalm 6: 5); delg mijne overtreding uit uw schuldregister uit, mijne zonde, waarin ontelbaar vele grote zonden verborgen liggen; delg ze uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden; bij de grootheid der zonde is alleen van grote barmhartigheid heil te wachten.
David waagt het nog niet, God, weer als zijnen God aan te spreken; toch ligt voor hem in den naam “God” reeds een rijke troost.
Was mij, den meer dan bevlekte, wel, lang en recht van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde, spreek mij, als enen melaatse (Leviticus 13: 34) rein.
Want 1) ik ken mijne overtredingen 2) in alle diepte en zwaarte, en mijne zonde is steeds voor mij 3); zij plaagt mij, laat mij gene rust; hetzij ik eet of drink, slaap of waak, zo schrik ik steeds voor Uwen toorn en voor Uw gericht.
Het woordje “want” moet niet zo verstaan worden, dat hem de zonden zouden vergeven worden, omdat hij ze erkent, want de zonde is altijd zonde en strafwaardig, of men ze erkent of niet. Toch behoort er erkentenis der zonde te zijn, daar God aan niemand wil genadig zijn, dan aan hen, die hun zonden erkennen, terwijl Hij hun, die hun zonden niet erkennen, geen genade bewijzen wil.
Hoewel de Psalm in de zonde van echtbreuk zijne eerste aanleiding heeft, spreekt David noch van overtredingen, niet alleen daarom, omdat zich uit deze vele andere zonden, als de bloedschuld van Uria, de den vijanden van Jehova gegevene ergernis, en de bijna een jaar lang voortgezette zelfverblinding ontwikkelde, maar ook daarom, omdat elke bijzondere zonde, hoe grondiger en mikroskopischer zij beschouwd wordt, des te meer als een zondenkluwen verschijnt, en als in des te nauweren en meer schrikwekkenden samenhang met den gehelen toestand zich openbaart.
De zonde en misdaad staan aan het kwaad geweten steeds voor ogen, men kan het niet vergeten, gelijk bijv. de geschiedenis van Theodorik van Verona, den koning der Gothen meldt, die in Italië twee dappere mannen, Symmachus en Boëtius had laten ombrengen; toen hem spoedig daarop een grote viskop bij het middagmaal opgedragen werd, meende hij, dat deze het hoofd van Symmachus was. Hevig verschrikte hij daarvan en stierf spoedig daarop. Zo verschenen aan Nero de beelden der mensen, die hij had laten ombrengen.
David meent niet, dat het genoeg is te weten, dat het gehele menselijke geslacht zondig is, maar alsof hij geheel alleen in de wereld en hij de enige zondaar was, spreekt hij: “Ik ken enz.” Het is de zonde als zonde, niet hare straf hier of hiernamaals, niet een van de kwade gevolgen, maar de zonde, de zonde tegen God, de misdaad van de goede en heilige wet van den levenden en liefdevollen God verbroken te hebben. Coram populo, voor het volk, welk ene schande! Coram ecclesia, voor de kerk, en zij leed smart over hem: Coram inimicis, voor de vijanden, zij verheugden er zich in: Coram Deo, voor God, Hij vertoornde over hem, Coram Nathane, voor Nathan; hij ontving berisping. Maar indien er enige hoop is op wederkeren, het ligt in peccatum meum coram me, “mijne zonde voor mij.” Hier is de droefheid van een zondaar, hij beseft niet hoe ongelukkig hij is, totdat zijne zonde voor hem is.
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd 1), en gedaan, dat kwaad is in Uwe ogen 2), opdat Gij, die naar de wonderbare leiding Uwer wijsheid het steeds zo weet te besturen, dat alles, ook der mensen zonde, tot verheerlijking van Uwen naam moet dienen (2 (Samuel 24: 1), rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten3). Zwaar is de straf over mij uitgesproken; en moeilijk zal nu mijn ganse leven zijn; ik zal die straf dragen, want zij is verdiend. Vergeef nochtans mijne zonde!
Deze beschouwing der zonde, die overal gevonden wordt, waar waarachtige kennis der zonde is, dat men zich namelijk van den mens, dien men leed heeft gedaan, tot God verheft, die in hem beledigd is geworden, en viel zo, dat men slechts deze daarin ziet, dat de gehele zonde slechts als ene zonde tegen God voorkomt, moet aan de ene zijde de smart over de zonde veel vergroten. Hoe moest bijv. David leren, hoe moest hij door schaamte en berouw worden aangegrepen, wanneer hij alles tot God terugbracht, in Uria slechts het evenbeeld van God zag, van den Heilige, die elke belediging streng gevoelt, van den Genadige en Barmhartige, wie hij oneindig vele rijke weldaden te danken had, die hem uit het stof der geringheid had verheven, hem zo dikwijls had gered, hem ook voor de toekomst zulke heerlijke beloften had gegeven. Wat echter in de eerste plaats dient, om de smart over de zonde te vermeerderen, dat heeft ook tevens een zeer troostvolle zijde. Heeft David tegen God alleen gezondigd, zo mag hij ook bij Hem alleen de vergeving zoeken en behoeft hij ook niet van troostelozen jammer te vergaan, dat hij het bij Uria, die reeds lang in het graf rust, niet weer goed kan maken, noch bij hem vergeving kan zoeken.
Het groot, het ontzaglijk gevaar dreigt velen, dat zij door de leer omtrent de zonde zich verontschuldigen betreffende hun gebrek aan wezenlijke kennis van de zonde. Zij weten nu eenmaal, dat alle mensen en ook zij grote zondaren zijn. Dat de zonde ons met de gehele wereld voor God verdoemelijk maakt. Dat wij allen in zonde ontvangen en geboren zijn en van natuur geneigd, God en den naaste te haten. De diepe waarheid, die in deze betuigingen ligt, beamende, zijn zij over zich zelve in dezen zeer tevreden en houden zich bij de medebelijdenis van deze waarheid en van den daarmee overeenkomstigen verlossingsweg voor “gelovigen” in tegenstelling met hen, die anders denken en gevoelen. Doch helaas! dit alles geloven en betuigen zij zonder smart. In die waarheid is niets dat hen ontroert. Het heeft hun hoegenaamd geen zedelijken strijd gekost, haar aan te nemen. Niet alzo David. Wij kunnen zijn schuldbesef uit dezen Psalm opmaken: niet alleen uit zijn inhoud, maar ook zelfs uit zijn bestaan. Zie, deze koning spreekt zijn berouw openlijk uit voor zijn volk. hij wil geen geheim hebben voor zijne duizenden onderdanen. Elk moet weten, wat in dezen schrikkelijken zondetijd in zijn hart is omgegaan. En hij spreekt niet in de hartstochtelijke uitvoerigheid, in de ruwe schaamteloosheid, met welke sommigen hun zondig verleden uitmeten. O neen! hij spreekt sober, elk woord is ene gedachte, ene ervaring uit de diepte opgehaald, ene zieldoordringende waarheid. Nu spreekt hij: “tegen U, U alleen heb ik gezondigd.” Had hij dan niet tegen Bathseba, tegen haar ongelukkigen, onschuldigen man, tegen zijn volk, tegen zijne familie, tegen zich zelven gezondigd? O ja, en hij stelt dit alles niet ter zijde, alsof hij God als het ware buiten al deze dingen, als ene grootheid nevens vele andere plaatsen wilde. Neen, hij gevoelt zeer diep, tegen die allen gezondigd te hebben, Hij heeft tegen hen, tegen de kern van hun wezen, waarin zij met God verbonden zijn, gezondigd. Het beeld Gods heeft hij in hen allen beledigd, hun allen kwetsing aangedaan. Maar eigenlijke bodem van dezen donkeren afgrond is, dat David in dezen alleen tegen God, ja, tegen God alleen, gezondigd heeft; want achter elke naaste staat God en ontvangt den slag, dien wij in ‘s naasten aangezicht geven. In elke maatschappelijke en huiselijke ordening is Gods werk, is Hij zelf en wordt Hij aangetast, wanneer wij deze dingen beledigen. David gaat voort met de belijdenis zijner schuld en verklaart: daartoe o Heer! heb ik gezondigd, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein in Uw richten. God bewerkt gene zonde, want Hij is de Heilige. Maar als de zonde bestaat, geeft Hij haar richting en aanleiding, dat zij openbaar worde. Hij bereidt der zonde, als zij eenmaal bestaat, den weg opdat zij zich uite gelijk zij is, van haren aard doe blijken en tot haar eigen oordeel voortga. Ook hier had God, daar de zondige lust in David aanwezig was, de aanleidingen beschikt, die zijne zonde tot haar openbaring moesten doen voortgaan en hem aan zich zelven ontdekken. David erkent, dat dit alzo is geschied, en dat het oordeel, daarna door Nathan van Gods wege gesproken, rechtvaardig is.
Als koning kon David zijne zonde verontschuldigen, over den moord van Uria kon hij rechtens niet worden aangeklaagd; de ontucht met Bathseba kon ten minste bedekt worden en had naar het oordeel der wereld gene zo grote betekenis, maar David plaatst zich voor het Goddelijk gericht, dat scherper is dan het menselijke.
Zich zelven onrecht geven, opdat God recht hebbe en recht behouden, is het wezen der ware belijdenis. Luther vertaalt: “Opdat gij recht behoudt in Uwe woorden, en rein blijft, wanneer Gij geoordeeld wordt. Hij is hierin de Septuaginta gevolgd, die het woord (rein zijn) in de Aramese betekenis nikan (overwinnen) opvat, zodat het nu is. De zin van den grondtekst blijft hierbij in het wezenlijke onveranderd, vooral wanneer men dit in mediale betekenis neemt (vgl. Rom. 3: 4).
En wat het ergste is, deze daad staat niet op zich zelf, maar is een uitvloeisel van mijn natuurlijk bestaan, en mij een bewijs hoe onrein die bron is, waaruit dat bitter water welt. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen, uit het onreine voortgekomen ben ik onrein (Job 14: 4), van mijne geboorte af ben ik verwerpelijk voor God. David erkent nu niet alleen meer, dat hij aan enkele of meerdere zonden schuldig is, hij dringt dieper door en zegt, dat hij van zijde moeders lichaam niets anders dan zonde heeft medegebracht, dat hij geheel verdorven en in zonde verzonken is. Zeker erkennen wij onze zonde op gene andere wijze grondig, dan wanneer wij onze gehele natuur van verderf aanklagen; elke andere zonde moet ons tot deze algemene belijdenis leiden, dat alleen verdorvenheid in alle delen onzer ziel heerst.
David ziet in zijne zonde als in een spiegel zijne gehele onreine en verdorvene natuur, zodat hij tot deze gedachte komt: Ziet, ik, die zo wel geregeerd heb naar Gods bevel en wil, die de gemeente en den godsdienst zo ernstig heb voorgestaan, hoe ben ik in zulk enen gruwel en zulke zware zonden gevallen! Zo is David door de erkentenis van ene zonde tot de erkentenis van het gehele zondige bestaan geleid, als wilde hij zeggen: daar ik, een zo verheven man, met vele grote gedachten begenadigd, als van den hemel in de hel gevallen ben, zou dan zulk ene zware misdaad niet voor mij en voor anderen ene aanwijzing zijn, dat in mijn vlees geen goed woont?. Dat de mens van zijn ontstaan af, en dat dit zelf met zonde besmet is, dat de zonde met hare schuld en haar verderf zich van ouders op kinderen voortplant, de werkelijkheid der erfzonde, is nergens in het Oude Testament zo duidelijk als hier uitgesproken. Anders let het meer op de buitenzijde der zonde en dringt niet tot de geheime wortelen door, spreekt slechts over de openbaring en laat de oorzaak, het demonische uitgangspunt meer bedekt.
David was door een diepen weg gegaan, een weg, waarin hij niet alleen zich zelven, maar ook de zonde in baar wezen en oorsprong had leren kennen, en waarin hij door de werking des Geestes zich zelven als diep schuldig had leren kennen, schuldig en walgelijk van zijne ontvangenis en geboorte af aan. Dit was een werk des geestes geweest, want ons verduisterd verstand, ons hoogmoedig hart wil nog wel belijden, dat wij zonden hebben, maar dat wij verloren liggen in erf- en dadelijke schuld, willen we niet. David echter had zijn hart leren kennen als een poel van wanbedrijven.
Neen ik wil mijne zonde niet verbergen, want ik weet dat Gij dit haat. Zie, Gij hebt lust tot waarheid 1); Gij wilt dat de mens zijn eigen hart kenne, en het U voorlegge, dat hij waar zij voor zich zelven en voor U; daartoe arbeidt Gij in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend 2); dat ik tot zulk ene kennis van mij zelven gekomen ben, is een werk van Uwe verlichtende genade, want mijn hart is te arglistig, is te dodelijk, dan dat ik het van mij zelven zou kennen.
Scherper kon David de tegenstelling niet maken, want daarom verklaart hij dit, dat de zonde in haar wezen leugen is, als uit den vader der leugens. Daardoor was David voor een tijd in een onwaren toestand voor zijn God gekomen. In plaats van oprecht met zijn God om te gaan, was hij onoprecht voor zijn God geworden. Maar door Gods wonderbare goedheid was hij uit dien onwaren, uit dien leugenachtigen toestand uitgerukt en was oprecht in zijn schuld belijden geworden. En waar hij nu door Gods genade oprecht in zijn schuld belijden voor zijn God was geworden, daar moest hij nu ook Gode de ere geven, dat Deze waarheid in het binnenste eist.
De wijsheid der wereld werkt hovaardig en zelfbehagelijk, de wijsheid uit God verootmoedigt, doet ons walgen van ons zelven, en met heilige aandoening bidden: Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn.
Ontzondig mij met hysop 1), gelijk een van melaatsheid genezene, of een met onreinheid des doods bevlekte door middel van een bundel hysop door den priester gereinigd wordt (Leviticus 14: 4 vv. (Numeri 19: 18 vv.), en ik zal niet slechts Levitisch, maar inwendig van harte rein zijn; was mij, gelijk de Levitisch onreinen allerlei wassingen moeten ondergaan (Leviticus 11: 25, 28; 13: 6, 34; 14: 8 enz.), en ik zal witter zijn dan sneeuw 2); ik zal volkomen in Uwe gunst hersteld zijn, en daardoor wezen, alsof ik nimmer enige zonde had.
De melaatsheid, die ongevoelig maakt en toch ondraaglijke pijnen veroorzaakt, die walging verwekt en afzichtelijk doet worden, die besmettelijk en overerfelijk is en den dood tengevolge heeft (vgl. Exodus 4: 6 ) is een juist beeld der zonde.
De zanger allegoriseert niet, maar hij verklaart de grootse reële allegorie der wet.
De werking der rechtvaardigende genade aan den door bloedrode zondeschuld bevlekten mens kon niet heerlijker voorgesteld zijn, dan dat zij witter dan sneeuw maakt; en de geschiedenis kent nauwelijks een groter voorbeeld van verandering van bloedrode zonde in verblindend wit, dan deze, dat uit den echt van David en Bathseba daarna Salomo, de gezegendste aller koningen is voortgekomen.
Gij moet al uwe zonden als zonde tegen God en tevens als deel van den gemeenschappelijken vloek, als erfzonde leren kennen. Die erfzonde moet u, in plaats van ene verontschuldiging der traagheid gelijk zij is- wanneer ze slechts ene leer is-integendeel ene verplettering van al uw trots, een bewijs voor uwe volslagen machteloosheid en (zo God Zich niet ontfermt) hopeloos bederf geworden zijn. Als Gij aldus waarlijk zijt niets geworden, dan kan en wil God iets van u maken. Verkiezende ontferming, vrije genade is al Zijn doen. Wie dit erkent, ontvangt uit zwakheid kracht, gelijk Abraham, niet aanziende de verstorvenheid van Sara en zijne eigene, door het geloof kracht heeft om Izaak te verwekken. In ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde ontvangen. Maar ik heb mijne schuld mogen gevoelen in deze alles overweldigende noodzakelijkheid. Ik heb dus mijne persoonlijkheid er uit mogen redden, daar ze dreigde in doffe wanhoop schipbreuk te lijden, gelijk de wereld op dezen oceaan van nature tegen lichtzinnigheid en vertwijfeling heen en weer schommelt. Onmetelijk groot is de gedachte, ik ben mijzelf, mijn ganse persoon, naar lichaam en geest, mijn geheelheid van mijne eerste wording af aan God schuldig! Is er ook middel om die schuld betaald te zien? Halleluja, zij is betaald! Met meer dan hysop, met het dierbaar bloed des heiligen Lams ben ik ontzondigd. Witter dan sneeuw ben ik in Hem geworden, en de verbrijzelde beenderen verheugen zich in een nieuw leven.
Doe mij na zulk ene ontzondiging, waarvan Gij mij door de getuigenis des Heiligen Geestes inwendig verzegelen moogt, vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt (Psalm 6: 3; 32: 3). Als wilde David zeggen: Ik heb tot hiertoe lang genoeg de wet en Mozes gehoord, die ene zware spraak en ene harde en onverstaanbare tong heeft en zeer kwalijk bespraakt is; neem dat horen van mij, want daar hoort men alleen van Gods toorn. Daarom bid ik, lieve Heere! voortaan vreugde en blijdschap te mogen horen, welke door het woord der genade en de vergeving der zonde komen; alsdan zullen de beenderen vrolijk worden, die Gij verbrijzeld hebt, dat is de beenderen, die verbrijzeld zijn door het gevoel en de verschrikking der zonde, die de wet in het hart teweeg gebracht heeft.
Verberg Uw aangezicht van mijne zonden, wend Uw oog daarvan af om ze nooit meer aan te zien, en delg uit al mijne ongerechtigheden, opdat zij niet meer tegen mij getuigen (vs. 3). Welke is de vrijheid, waarmee Christus Zijn volk vrijmaakt (Gal. 5: 1), welke lijnrecht staat tegenover het juk der slavernij? Het is de Geest der aanneming, meegedeeld aan het hart, welks taal is: Abba, Vader! Het is de bewustheid dier vrijheid van het oordeel, welke het eigendom is van allen, die in Christus Jezus Zijn, en die niet wandelen naar het vlees, maar naar den geest. Het is de wet des Geestes des levens, die het hart vrij maakt van de wet der zonde en des doods. (Rom. 8: 1, 2, 15, 16). Het is het voorrecht van alle berouwvolle gelovigen; hoewel niet genoten, het kan genoten worden door niemand dan door ootmoedige gelovigen, alhoewel degenen, die niet alzo zijn, dikwijls de voorkeur geven aan een roepen daarom. 12.
II. Vs. 12-15.KruisverwijzingenJesaja 61:10→Psalmen 13:5→Jesaja 41:10→2 Samuël 12:9→2 Korinthe 3:17→Lukas 1:47→Judas 1:24→Psalmen 35:28→
— Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij. Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
De bede om vernieuwing. -Met een juist inzicht dat de toekomst van een mens niet beter kan worden, zolang niet is uitgedelgd wat achter hem ligt, heeft David eerst om de vergeving gebeden van hetgeen voorbij is. Nu wendt hij zich van het tegenwoordige in de toekomst, en daar hij tevens weet, dat begin en voortgang van alle verbetering alleen in Gods kracht kan geschieden smeekt hij van den Gever alles goeds met deze of die deugd, maar een geheel gereinigd hart, en, daar hij zijne eigene voornemens niet vertrouwt om enen nieuwen, vasten en vrijmoedigen geest. Terwijl hij vervolgens uit de dagen van afval in den strijd terugziet, toen Gods hand nog zegenend en beschermend op hem rustte, en Gods Heilige Geest bekrachtigend en heiligend in zijn hart regeerde, verlangt hij naar het wederkeren van dien staat der genade en belooft “wanneer” hij weer in deze geplaatst mocht worden ook anderen een leidsman te willen worden om hen van verkeerde wegen tot God terug te brengen.
Schep 1) mij door Uwe almacht, wat ik zelf niet vermag te weeg te brengen, een rein hart, dat den dienst der zonde haat en zich in reinheid naar het goede richt (Psalm 24: 4; 73: 1. (MATTHEUS. 5: 8. Hand. 15: 9), o God! en vernieuw in het binnenste van mij enen vasten geest, die tegen verzoeking bestand is (Psalm 78: 37), zo als ik te voren bezat, totdat ik dien helaas liet overheersen door den geest van den natuurlijken mens, die een speelbal van elke verzoeking is.
Wat! heeft de zonde ons zo verwoest, dat de Schepper weer moet worden ingeroepen? Wat verwoesting is er dan onder de mensen aangericht, “Create in me!” Ik besta nog in mijn uitwendig omkleedsel, maar ik ben krachteloos, ledig, van alles ontbloot. Kom dan, Heere! en laat Uwe macht gezien worden in een nieuw schepsel zonder mijn eigen gevallen “ik”. Een rein hart. In het negende vers vroeg hij om rein te zijn, nu zoekt hij een hart dat die reinheid najaagt, maar hij zegt niet: “Maak mijn oud hart rein, hij heeft te veel ondervinding van de hopeloosheid der oude natuur. Hij wenst, dat de oude mens als ene dode zaak verbrand worde en ene schepping in de plaats trede. Niemand kan of een nieuw hart of ene nieuwe aarde scheppen. Verlossing is ene wondervolle openbaring der hoogste macht; het werk is ons zowel als dat voor ons is geheel en al het werk van Almacht.
Deze schepping is uit niets. David gebruikt hetzelfde woord (bara) dat Mozes bezigt van de schepping van hemel en aarde. Onze schepping in Christus Jezus is niet maar ene inspanning van onze krachten, niet een geholpen worden van onze natuurlijke zwakheid door de macht van Gods genade, het is niet maar ene verbetering van onzen zedelijken aard; het is ene schepping uit niets, van datgene, wat wij te voren niet hadden. Er was niets in ons waarvan het kon gemaakt worden. Wij waren krachteloos, verdorven, dood in zonden en misdaden. Wat dood is wordt niet levend, dan door instorting van hetgeen het niet had. Wat verdorven is ontvangt gene gezondheid dan wanneer het wordt weggenomen, en door iets nieuws vervangen. De oude mens wordt niet veranderd in den nieuwen mens, maar wordt afgelegd. Het is niet de grondslag van het nieuwe leven, maar het is er ene verhindering voor. Het moet worden te niet gedaan en de nieuwe mens worden aangedaan, die geschapen is in Christus Jezus. David bekent hiermede, dat zulk ene reiniging en vernieuwing van het hart Gods werk is en niet in, s mensen macht staat. Want gelijk vergeving der zonden en rechtvaardiging alleen Gods werk is, zo ook de vernieuwing en heiliging; en daar het God werk is, zo moeten wij God daarom bidden, want door natuurlijke krachten hebben wij het niet.
Dien Geest, dien hij van God afsmeekt, noemt hij den vasten, den heiligen, den blijmoedigen, den gewilligen Geest. Met het woord “Scheppen” prijst hij het heerlijke, buitengewone werk Gods in de vernieuwing der mensen, een werk, even groot, alsof Hij nieuwe schepselen voortbracht. Want hij bidt niet, dat God zijn zwak gemoed moge te hulp komen, zijn onmachtig hart moge steunen, maar hij erkent, dat er niets reins of goeds in zijn hart is, vóórdat het hem van elders toevloeit. Waaruit volgt, dat geheel des mensen hart verkeerd en bedorven is, want indien de natuur enige reinheid of deugd bezat in zich zelve, zo zou hij niet spreken van ene schepping Gods of van een geschenk des Heiligen Geestes.
In verband met elkaar geven de beide leden van den tekst dezen zin: Schep in mij een rein hart, dat een afgrijzen heeft van de misdaden die ik begaan heb, en vreugde en lust heeft aan Uw heilig Wezen, en schenk mij, om daarin te blijven en te volharden den Geest der vastheid en der bestendigheid.
Waar niet alleen de schuld der zonde wordt beseft en hare gevolgen geweerd, maar ook het onrein hart zich zelven tot last en walging geworden is, en waar de bede om heiliging even dringend was als de bede om verzoening-daar was het Gode ook ernst met de verhoring. Daar deed Hij het inwendig hart, ook bij de zwaarste verzondiging, vreugde en blijdschap horen. Daar durfde het hart geloven, en in den eenvoud zijns gemoeds en zijner oprechtheid vrijmoedig toetasten, waar de ganse schat der goddelijke barmhartigheid werd opengesteld; daar durft het zich duurzaam toegeven in de heerlijke verwachting ener welgegronde hope, en is in het midden van den strijd des levens in die hope reeds zalig.
Verwerp mij niet, gelijk Gij met Saul gedaan hebt (1 (Samuel 16: 1) van Uw aangezicht, zodat ik voor altijd uit den staat der genade zou gebannen zijn (Ezechiël. 33: 12 vv.), en, zo ik mij dien razenden koning voorstel, voor wie ik op de harp speelde, o God neem Uwen Heiligen Geest niet van mij 1). Gij gaaft mij dien bij mijne zalving (1 Samuel 16: 13), maar Hij is zo door mij bedroefd, dat ik Hem onwaardig ben geworden.
Ook ons lichaam wordt een tempel van den Heiligen Geest genoemd, en zeer zeker kan de H. Geest, ten dele althans, van ons lichaam scheiden, bij ons sterven, om het later in hoge heerlijkheid weer uit te brengen. Maar wat aangaat onze inwendige mens, die naar God geschapen is, in ware gerechtigheid en heiligheid, van dien mens wijkt de Heiligen Geest nimmer. In dien mens blijft Hij. In angst, in den doodsangst der ziele, onder schuld en smaad bedolven, mogen we met David in Psalm 51 uitroepen: “Heer, neem Uwen Heiligen Geest niet van mij,” maar wat de inwoning des Heiligen Geestes in de ziele van Gods kinderen betreft, die kan nooit worden opgeheven.
David wist, dat hij den H. Geest had ontvangen. Niet alleen zaligmakend, maar ook ambtelijk. En nu had hij het ontzettend voorbeeld voor zich van Saul, dat God van dezen den goeden, d.i. den Heiligen Geest ambtelijk had weggenomen en dat een bozen geest over Israël’s eersten koning vaardig was geworden. En nu dat schrikkelijke vreest David ook, in den angst zijner ziele, nu hij tot zulk een val was gekomen. En daarom, waar hij niets ijselijker kent, dan dat God met Zijne genadegaven zich terugtrekt, daar roept hij het uit en zijn ganse ziel lost er zich in op: “Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij.”
Geef mij weer de vreugde Uws heils, door mij weer in dien vorigen staat der genade te plaatsen, en de vrijmoedige geest, die zich van Uwe gunst bewust is, en U alzo verblijd mag naderen, ondersteune mij. Geef mij de vreugde te ondervinden, dat ik weer bij U ben, Uwen weg bewandele en daarin volhard.
Zo zal ik -en dit zal mijn dank zijn voor de afgebedene weldaad- den overtreders Uwe wegen leren, door getuigenis af te leggen van dien weg der genade uit eigen ervaring, en de zondaars, door mijn voorbeeld opgewekt en door mijn woord gedrongen, zullen zich tot U bekeren. De 32ste Psalm is ene werkelijke vervulling van deze toezegging van David, en dan ook met het opschrift: “ene onderwijzing van David,” voorzien. Overigens is de hier uitgesprokene zin reeds op zich zelf een bewijs, dat de bede, door David uitgesproken, reeds begon vervuld te worden; want de wens, om anderen tot het heil Gods te leiden en daardoor Gods eer te bevorderen, kan in geen hart opkomen, dat zelf nog ver is van de ervaring der genade.
Het is een goed teken, als iemand, tot zonde vervallen, gevoelig aangedaan is over zijn toestand. Van dezulken, schoon hun zonde groot zij, is goede hoop, daar integendeel het geval dergenen wanhopig is, die gerust durven zondigen en voor een bewijs van hun geloof houden, dat zij daarover niet ongerust zijn. Maar hier ontstaat ene vraag, door sommigen uitvoerig behandeld. Reeds was Nathan bij David geweest, en had hem van Godswege verklaard, dat God zijne zonden had weggenomen (2 Samuel 12: 13). Waarom dan, zegt men, vraagt David dit wederom. Zulke uitdrukkingen van diepe aandoening en verbrijzeling voegen enen zondaar zowel na als voor de verzoening met God; het is overeenkomstig de natuur des geloofs. Een berouwvol kind heeft niet genoeg aan de boodschap, dat de vader vergeven heeft, het heeft behoefte aan des vaders eigene verzekering en aan nieuwe gemeenschap met hem. 16.
III. Vs. 16-19.KruisverwijzingenPsalmen 34:18→Psalmen 40:6→Jesaja 66:2→Lukas 18:11→Lukas 15:10→Psalmen 4:5→Psalmen 147:3→Jesaja 57:15→
— Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.
De belofte van geestelijke offeranden. Heeft David reeds aan het slot der vorige afdeling zich aangeboden om een prediker der gerechtigheid te zijn, en voor anderen een leidsman; tot de zaligheid te worden, thans wordt dit besluit des harten uitgewerkt, en wil hij mond en lippen in den dienst van de ere Gods stellen, en zich zelven den Heere tot een levend offer overgeven; deze is de ware, Gode welgevallige godsdienst. Daar hij echter weet, dat God niet door onreine lippen wil geprezen zijn, en op zijne ziel thans nog bloedschuld drukt, zo laat hij aan zijne belofte ene sterk dringende bede om redding van deze schuld voorafgaan.
Verlos mij van bloedschulden 1), die ik door Uria’s moord op mij geladen heb, dat zij niet verder om wraak roepen (2 (Samuel 12: 9. Genesis 4: 10; 9: 5 vv.) o God, Gij God mijns heils! die het in mij aangevangen werk der genade (2 Samuel 12: 13) niet onvoltooid kunt laten; zo zal mijne tong, als mijn hart vrij geworden is van de beschuldigende gedachten,Uwe gerechtigheid vrolijk roemen, als die vergeving der zonden schenkt aan hen, die berouwvol tot U wederkeren (1 Joh. 1: 9).
Hier zien wij, hoe David zich niet vleide en hoe hevig zijn strijd was met de verschrikkingen des doods, waar hij zo dikwijls terugkomt op het verkrijgen van vergiffenis. Want dat sommige bloedschulden nemen voor den onrechtvaardigen moord op Uria en het verlies van het leger, waarvan David mede bewust was, komt mij niet waarschijnlijk voor. Want dewijl de Hebreeën onder bloedschuld de een of andere halsmisdaad verstaan, schijnt het eerder, dat hij zich aan de doodstraf schuldig weet, opdat hij tone, dat bij hem enig en alleen de hope overblijft op het medelijden Gods. De gerechtigheid Gods, waarvan hij zegt, dat hij ze vrolijk zal roemen, wordt hier genomen voor Zijne goedheid. Want de vermelding van Zijne gerechtigheid wordt niet, zoals men in het algemeen gelooft, aan God gegeven, omdat Hij onverzettelijk is, om de straf uit te voeren, maar eerder, omdat Hij getrouw is, in het houden der belofte en het waarnemen van het heil der Zijnen en niet teleurstelt de ellendigen, die Zijn hulp hebben ingeroepen. Overigens waar hij zegt, o God, God mijns heils, daar is in de herhaling versterking of toeneming van aandoening, waaruit wij dan ook kunnen opmaken, dat hij bevende en met angst zulks bij zichzelven overweegt, wat hij verdiend zou hebben.
HEERE, open mijne lippen 1), waarop nu nog een ban ligt, die hen sluit, daar het geweten getuigt, dat zij onreine lippen zijn (Jes. 6: 5), zo zal mijn mond Uwen lof verkondigen2), en getuigen, hoe wonderbaar Gij U aan grote zondaars tot hun zaligmaking verheerlijken kunt.
Hoe, door hem het bewustzijn, de verzekering te geven van de vergeving der zonden en door hem de genade te schenken, dit openlijk uit te spreken voor gans zijn volk. Zolang David nog van die vergeving niet verzekerd was, waren zijne lippen gesloten, maar als de vrijmachtige Geest Gods hem toepast niet alleen, wat God hem schenken wilde, maar ook tot zijne ziele weer zei, dat God zijn heil was, dan moest hij ook allen mededelen met welk een goedertieren en genadig God hij te doen had, die de zonde geenszins gedenkt.
Daarom, wanneer wij de gerechtigheid en genade Gods door het geloof in Christus ontvangen hebben, kunnen wij geen groter werk doen, dan dat wij de waarheid van Christus Jezus spreken en prediken; want wat uitwendige werken aangaat, dat kennen niet alleen andere gewone mensen, maar ook onverstandige dieren doen, als: vasten, werken, waken. Men zegt ook dat Turken aan de ene zijde een zeer moeilijk en streng leven leiden. Wanneer echter iemand Christus en Zijn woord belijden zal, daartoe behoort de vrijmoedige, de vrolijke geest, waarvan David hierboven (vs. 4) gesproken heelt.
Zulk een dank van den door vreugde bewogen mond uit de volheid van een begenadigd hart zal dan het offer zijn, dat ik U voor Uwe redding breng, en ik weet, dat het U het liefste is, dat ik brengen kan; want Gij hebt geen lust tot uitwendige offerande, die in ‘t brengen van var of ram bestaat; anders, wanneer Gij ze wildet, zou ik ze U gevenin rijken overvloed; ‘t is gene gierigheid, die mij deze beschouwing ingeeft, maar ik weet het: in brandofferen hebt Gij geen behagen.
De offeranden Gods, de offers, die Gode behagen, en waarop het in de wet geboden uitwendig offer eigenlijk ziet, zijn een gebroken, een schuld gevoelende en naar genade dorstende geest; een gebroken en verslagen hart, dat bedroefd over zijne zonde zichzelven veroordeelt en zich U geheel overgeeft, zult Gij, o God! niet verachten, maar integendeel tot Uw heiligdom verkiezen, om daarin te wonen (Jes. 57: 15. Psalm 34: 19). Het zou op den eersten blik verwonderlijk voorkomen, dat de zanger zulk een hart het Gode welgevallige offer noemt, het zou toch volgens vs. 10 en 14 kunnen schijnen, dat de droefheid met het verkrijgen van de vergeving der zonde haar einde bereikt. Maar de vreugde over de genade, van welke op die plaats sprake is, sluit de smart over de zonde niet uit; deze moet toch na zulk een diepen val bestendig voortduren (Genesis 50: 21 ), de maat daarvan is liever de maat der dankbaarheid voor de vergeving der zonde, van den lof der Goddelijke genade en gerechtigheid, tot welke zich de zanger in vs. 15 vv. verbond, zodat hij zakelijk hier hetzelfde belooft als daar. Wien veel vergeven is, die heeft veel lief (Luk. 7: 47), en het bewustzijn, dat hem veel vergeven is, kan slechts diengene bewaren, die steeds leed gevoelt over zijne zonde.
Er is hier volgens den zamenhang geen sprake van zondoffers, die de vergeving nog eerst moeten doen verwerven, maar van dankoffers, die de ontvangene genade moeten erkennen. Deze betekenis ligt hier in het woord “offeranden”. Maar in hoeverre kan nu een gebroken en verslagen, d.i. een diep bedroefd hart een dankoffer zijn? Juist hierin blijkt het, met welk een diepte van gevoel David boete doet en genade ontvangt. Ene zo diepe kennis van zonde als deze is gene voorbijgaande gewaarwording des harten, maar een toestand, die van zijn ontstaan af door het ganse leven blijft voortduren. Met haar vangt dat tijdperk aan, waarin de mens verbrijzeld en toch genezen, vol smart en toch getroost is. Gelijk de zonde deze wonden aan het hart heeft toegebracht, ja door de gewoonte tot ene macht daarin geworden is, zo kan ook door de vergiffenis den zondaar wel de zekerheid der eens te wachten, der bereids aangevangen genezing, maar niet de genezing zelf reeds worden verleend. De steeds voortgaande heiliging blijft een steeds voortdurende strijd, ene gedurige herhaling van haar begin. Maar juist daarom is ook aan God geen offer meer welgevallig, dan wanneer de begenadigde Hem ten dank een boetvaardig, om Zijns zelfs wil treurig hart aanbiedt, opdat daarin alle troost, alle vreugde, alle kracht gedurig alleen van God uitga.
David spreekt niet van een gewond, maar van een verbroken hart. Wonden kan de Wet, maar in waarheid verbreken doet alleen de Genade, dit werkt de H. Geest, die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. 20.
IV. Vs. 20
— Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
en 21. De voorbede voor geheel Jeruzalem- Daar David gewoon is, zich als een lid aan het lichaam van Israël te beschouwen, weet hij wel, welk ene ergernis hij door zijne zonde aan zijn volk gegeven heeft, en in welk gevaar hij het gebracht heeft. Het woord, dat tot hem gesproken was (2 Samuel 12: 10): “het zwaard zal van uw huis niet wijken,” kon zich wel zover uitstrekken, dat Israëls volksbestaan voor altijd vernietigd werd. Daarom heeft hij er niet genoeg aan dat hij voor zichzelven restitutio in integrum (herstelling in den vorigen staat der genade) afgebeden heeft, hij moet diezelfde weldaad ook voor de gehele gemeente afsmeken; hij moet, gelijk hij voor zichzelven geestelijke offeranden ten dank voor Gods genade beloofd heeft, ook voor Jeruzalem een geheel nieuwen tijd in het oog vatten, wanneer men de uitwendige offeranden in de ware gezindheid brengen zal.
Doe wel bij Zion, aan Uwe Verbondsgemeente, waarvan Zion godsdienstig en staatkundig het middelpunt is, naar Uw welbehagen, naar Uwe genade, bouw de muren van Jeruzalem op, opdat het begonnen werk, tot inrichting der stad als residentie van Israël’s koningen en tot plaats der aanbidding voor het gehele volk (2 Samuel 5: 9 vv.; 6: 1 vv.), gelukkig voortga (1 Koningen 3: 1; 6: 1 vv.).
Dan, als Gij deze mijne bede verhorende, met den uitwendigen bouw der stad ook tevens de inwendige opbouwing Uwer gemeente meer en meer tot haar doel en tot volkomenheid leidt, dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan de offeranden, die door uitwendige gesteldheid en door de inwendige gezindheid van den offeraar met Uwen heiligen wil overeenkomen (Deuteronomium 33: 19. Psalm 4: 6); Gij zult een welbehagen hebben aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt, en waarbij Uw volk zich zelven geheel aan U overgeeft (1 Samuel 7: 9), dan zullen zij varren offeren op Uw altaar, wier ten hemel stijgende reuk U waarlijk lief en zoet is (Numeri 15: 3. Efeziers 5: 2. 2 Kor. 2: 15). Vele uitleggers houden de beide laatste verzen voor ene bijvoeging uit den tijd der Babylonische ballingschap (vgl. Psalm 14: 7; 25: 22.); wij delen die mening niet, daar de uitdrukking: “bouw de muren van Jeruzalem” geenszins alleen een weer opbouwen van het verwoeste betekent, maar ook zeer goed kan gebezigd worden van een voortbouwen naar een genomen plan. David wil hier van zijn huis en van zijn volk afwenden, dat God de in 2 Samuel 7 hem gegevene belofte niet om zijner zonde wil terugtrekken hij denkt dus in deze aan den Messiaansen tijd, en het is dienvolgens ene wonderbaar genadige verhoring van deze bede, dat juist uit den echt van David met Bathseba diegene (2 Samuel 12: 24 vv.) voortkomt, die na hem op den troon zit, en die onder de voorvaders des Heren Jezus genoemd wordt (1 Koningen 1: 29 vv. MATTHEUS. 1: 6). Overigens is merkwaardig, dat de gehele Psalm veel overeenkomst heeft met het tweede deel van het boek van Jesaja (vgl. vs. 3 met Jes. 43: 25; 44: 22; 63: 7; vs. 5 met Jes. 59: 12; vs. 6 met Jes. 42: 24; 65: 12; 66: 4; vs. 12 met Jes. 63: 11; vs. 17 met Jes 42: 12; Vs. 19 met Jes. 57: 15; vs. 20 met Jes. 60: 10; vs. 21 met Jes. 60: 7). David’s boete is ook werkelijk een voorbeeld van Israël’s boete in de ballingschap en David’s herstelling een voorbeeld van die van het gehele volk. Onze Psalm is wellicht een lievelingspsalm van den Profeet geweest door welken hij op gelijke wijze tot een troostprofeet voor het gevangene Juda geworden is, als Luther tot kerkhervormer door Paulus brief aan de Romeinen.
Dit is letterlijk vervuld, toen Jeruzalem voltooid was, toen de tempel op den berg Zion was opgericht en toen de Heere Zich genadig verwaardigde de offeranden, welke op die altaren geofferd werden, aan te nemen. Het is in geestelijken zin waar in de Christelijke Kerk, waar het wezen van alle typen en schaduwen is geofferd en den Vader voorgesteld door den Vredevorst, aan het hoofd van het Israël Gods. En het zal eeuwig bewaarheid worden in het koninkrijk der hemelen, waar de offeranden van gerechtigheid en liefde, van lof en dank, nooit zullen ophouden geofferd te worden aan Hem, die op den troon zit, door de triomferende kerk.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel