Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329, op de NechilothH5155.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
KJV
[[To the chief Musician1
upon Nehiloth,3
A Psalm4
of David.]]5
Give ear
to my words,
O LORD,
consider
my meditation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
O HEEREH3068, neemH238 mijn redenenH561 ter ore; verstaH995 mijn overdenkingH1901.
O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
KJV
Hearken
unto the voice
of my cry,
my King,
and my God:
for unto thee will I pray.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MerkH7181 op de stemH6963 mijns geroepsH7773, o mijn KoningH4428 en mijn GodH430! WantH3588 totH413 U zal ik biddenH6419.
Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
KJV
My voice2
shalt thou hear
in the morning,
O LORD;
in the morning
will I direct
my prayer unto thee, and will look up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Des morgensH1242, HEEREH3068, zult Gij mijn stemH6963 horenH8085; des morgensH1242 zal ik mij tot U schikkenH6186, en wacht houden.
Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
Ook in dit vers
wacht houdenH6822
KJV
For thou art not a God
that hath pleasure
in wickedness:
neither shall evil
dwell
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 Gij zijt geen GodH410, Die lustH2655 heeft aan goddeloosheidH7562; de bozeH7451 zal bij U niet verkerenH1481.
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
Ook in dit vers
nietH3808
KJV
The foolish
shall not stand
in thy sight:
thou hatest
all workers
of iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De onzinnigenH1984 zullen voor Uw ogen nietH3808 bestaanH3320; Gij haatH8130 alleH3605 werkersH6466 der ongerechtigheidH205.
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Ook in dit vers
ogenH5869
KJV
Thou shalt destroy
them that speak
leasing:
the LORD
will abhor
the bloody
and deceitful
man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gij zult de leugensprekersH1696 verdoenH6; van den manH376 des bloedsH1818 en des bedrogsH4820 heeft de HEEREH3068 een gruwelH8581.
Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
KJV
But as for me, I will come
into thy house
in the multitude
of thy mercy:
and in thy fear
will I worship
toward thy holy
temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Maar ik zal door de grootheidH7230 Uwer goedertierenheidH2617 in Uw huisH1004 ingaanH935; ik zal mij buigenH7812 naarH413 het paleisH1964 Uwer heiligheidH6944, in Uw vrezeH3374.
Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
KJV
Lead
me, O LORD,
in thy righteousness
because of mine enemies;
make thy way
straight
before my face.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
HEEREH3068! LeidH5148 mij in Uw gerechtigheidH6666, omH4616 mijner verspiedersH8324 wil; richtH3474 Uw wegH1870 voor mijn aangezicht.
HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Ook in dit vers
aangezichtH6440
KJV
For there is no faithfulness
in their mouth;
their inward
part is very wickedness;
their throat
is an open
sepulchre;
they flatter
with their tongue.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantH3588 in hun mondH6310 is nietsH369 rechts, hun binnensteH7130 is enkel verdervingH1942, hun keelH1627 is een openH6605 grafH6913, met hun tongH3956 vleienH2505 zij.
Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
Ook in dit vers
rechtsH3559
KJV
Destroy
thou them, O God;
let them fall
by their own counsels;
cast them out
in the multitude
of their transgressions;
for they have rebelled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Verklaar hen schuldigH816, o GodH430; laat hen vervallenH5307 van hun raadslagenH4156; drijfH5080 hen henen om de veelheidH7230 hunner overtredingenH6588, wantH3588 zij zijn wederspannigH4784 tegen U.
Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
KJV
But let all those that put their trust
in thee rejoice:
let them ever
shout for joy,
because thou defendest
them: let them also that love
thy name
be joyful
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Maar laat verblijdH8055 zijn allenH3605, die opH5921 U betrouwenH2620, tot in eeuwigheidH5769; laat hen juichenH7442, omdat Gij hen overdektH5526; en laat in U van vreugde opspringenH5970, die Uw NaamH8034 liefhebbenH157.
Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
KJV
For thou, LORD,
wilt bless
the righteous;
with favour
wilt thou compass
him as with a shield.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardigeH6662 zegenenH1288; GijH859 zult hem met goedgunstigheidH7522 kronenH5849, als met een rondasH6793.
Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
nechilòth
Hierdoor verstaan sommigen zulke instrumenten van muziek, die door den wind of het geblaas geluid gaven, als fluiten, bazuinen, trompetten, en ook klein orgelwerk en orgel, enz. Anderen houden het voor zekeren toon der muziek.
Hertaald:
nechilòth
Hieronder verstaan sommigen zulke muziekinstrumenten die door de wind of het blazen geluid gaven, zoals fluiten, bazuinen, trompetten, en ook klein orgelwerk en orgel, enzovoort. Anderen houden het voor een bepaalde toonsoort van de muziek.
Des morgens,
Verg. Ps. 88:14 , en Ps. 92:3 ; alzo wordt ook God gezegd des morgens [dat is, vroeg, intijds] zijne genade te bewijzen, Ps. 90:14 , en Ps. 143:8 ; Klaagl. 3:23 .
Hertaald:
Des morgens,
Vergelijk Ps. 88:14, en Ps. 92:3; zo wordt ook van God gezegd dat Hij 's morgens [dat is: vroeg, op tijd] Zijn genade bewijst, Ps. 90:14, en Ps. 143:8; Klaagl. 3:23.
mij
Of, [mijne woorden, mijn gebed] voor U in orde stellen; zie Job 32:14 , en Job 33:5 .
Hertaald:
mij
Of: [mijn woorden, mijn gebed] voor U op orde stellen; zie Job 32:14, en Job 33:5.
wacht houden
Als een wachter uitzien, of omzien, of uwe hulp niet komt; of wachten wat Gij zult antwoorden. Verg. Ps. 130:6 ; Mi. 7:7 ; Hab. 2:1 .
Hertaald:
wacht houden
Als een wachter uitkijken, of omzien of Uw hulp niet komt; of wachten wat U zult antwoorden. Vergelijk Ps. 130:6; Micha 7:7; Hab. 2:1.
de boze
Of, het boze.
Hertaald:
de boze
Of: het boze.
verkeren
Gene gemeenschap met U hebben, voor U niet duren, blijven, noch bestaan. Verg. Ps. 34:17 , en Ps. 94:20 .
Hertaald:
verkeren
Geen gemeenschap met U hebben, voor U niet duren, blijven, noch bestaan. Vergelijk Ps. 34:17, en Ps. 94:20.
onzinnigen
Of, verwaanden, pochachtigen, roemredigen, waarop het Hebr. woord eigenlijk schijnt te slaan, doch wordt voorts in het algemeen genomen voor dwazen, onzinnigen, razenden, die de ware wijsheid niet hebben, maar als razende en zinneloze mensen, in alle ijdelheid en zonden zich wentelen, roemen en verlustigen. Zie Ps. 73:3 , en Ps. 75:5 , en Ps. 102:9 ; Pred. 2:2 , Pred. 2:12 , en Pred. 7:9 , en Pred. 10:13 ; Jes. 44:25 ; Jer. 50:38 , enz.
Hertaald:
onzinnigen
Of: verwaanden, pochers, opscheppers, waarop het Hebreeuwse woord eigenlijk lijkt te slaan, maar het wordt verder in het algemeen gebruikt voor dwazen, onzinnigen, razenden, die de ware wijsheid niet hebben, maar zich als razende en zinneloze mensen in alle ijdelheid en zonde wentelen, roemen en verlustigen. Zie Ps. 73:3, en Ps. 75:5, en Ps. 102:9; Pred. 2:2, Pred. 2:12, en Pred. 7:9, en Pred. 10:13; Jes. 44:25; Jer. 50:38, enzovoort.
leugensprekers
Verg. Ps. 4:3 .
Hertaald:
leugensprekers
Vergelijk Ps. 4:3.
bloeds
Hebr. der bloeden. Zie Gen. 4:10 ; dat is, de bloeddortigen, moorddadigen en bedriegelijken. Verg. 2 Sam. 16:7 , en 2 Sam. 22:49 ; Ps. 18:49 , en Ps. 26:9 , en Ps. 43:1 , en Ps. 55:24 , en Ps. 59:3 , en Ps. 140:2 , Ps. 140:5 ; Spr. 3:31 .
Hertaald:
bloeds
Hebreeuws: van de bloeden. Zie Gen. 4:10; dat is: de bloeddorstigen, moordenaars en bedriegers. Vergelijk 2 Sam. 16:7, en 2 Sam. 22:49; Ps. 18:49, en Ps. 26:9, en Ps. 43:1, en Ps. 55:24, en Ps. 59:3, en Ps. 140:2, Ps. 140:5; Spr. 3:31.
huis ingaan;
Versta, den tabernakel, want de tempel is bij Davids leven niet gebouwd.
Hertaald:
huis ingaan;
Versta hieronder: de tabernakel, want de tempel is bij Davids leven niet gebouwd.
buigen
In den voorhof, aan den ingang des tabernakels, richtende mijn aangezicht naar het allerheiligste, waar de ark des verbonds is. Zie Lev. 1:3 ; Ps. 116:19 . In het heilige gingen de priesters, in het allerheiligste alleen de hogepriesters; Hebr. 9:6-7 .
Hertaald:
buigen
In de voorhof, bij de ingang van de tabernakel, mijn gezicht richtend naar het allerheiligste, waar de ark van het verbond is. Zie Lev. 1:3; Ps. 116:19. In het heilige gingen de priesters, in het allerheiligste alleen de hogepriesters; Hebr. 9:6-7.
paleis
Het Hebr. woord is een naam van koninklijke hoven, Ps. 45:9 , Ps. 45:16 ; Spr. 30:28 , en wordt ook gebruikt van de plaats, waar God gezegd wordt te wonen, als van den tabernakel: 1 Sam. 1:9 , en 1 Sam. 3:3 , en hier. Van den tempel, 1 Kon. 6:17 , enz., zelfs van den hemel, Ps. 11:4 ; Mi. 1:2 .
Hertaald:
paleis
Het Hebreeuwse woord is een naam voor koninklijke hoven, Ps. 45:9, Ps. 45:16; Spr. 30:28, en wordt ook gebruikt voor de plaats waar God gezegd wordt te wonen, zoals van de tabernakel: 1 Sam. 1:9, en 1 Sam. 3:3, en hier. Van de tempel, 1 Kon. 6:17, enzovoort, zelfs van de hemel, Ps. 11:4; Micha 1:2.
vreze
Met behoorlijke eerbiedigheid en ontzag voor uwe majesteit en onbegrijpelijke genade.
Hertaald:
vreze
Met behoorlijke eerbied en ontzag voor Uw majesteit en onbegrijpelijke genade.
gerechtigheid,
Dat is, gehoorzaamheid uwer geboden, die terstond ook door het woord weg gemeend wordt. Anders, door uwe gerechtigheid, naar welke Gij den onschuldige voorstaat.
Hertaald:
gerechtigheid,
Dat is: gehoorzaamheid aan Uw geboden, wat meteen ook door het woord weg bedoeld wordt. Anders: door Uw gerechtigheid, volgens welke U de onschuldige voorstaat.
verspieders
Die op mij loeren, het oog op mij hebben om mij te betrappen, of te doen vallen; alzo Ps. 27:11 .
Hertaald:
verspieders
Die op mij loeren, het oog op mij hebben om mij te betrappen, of te laten vallen; zo ook Ps. 27:11.
weg voor
Zie Gen. 18:19 . De zin is: Wijs en effen mij door uwen Geest, als mijn leidsman, de baan, die Gij wilt dat ik ingaan zal.
Hertaald:
weg voor
Zie Gen. 18:19. De betekenis is: wijs en effen mij, door Uw Geest als mijn leidsman, de weg die U wilt dat ik inga.
mond
Zij spreken niet dan valsheid en bedrog. [ Hebr. in zijn mond: Dat is, in den mond van een ieder van hen] zie Job 15:5 .
Hertaald:
mond
Zij spreken niets dan valsheid en bedrog. [Hebreeuws: in zijn mond: dat is: in de mond van elk van hen] zie Job 15:5.
binnenste
Zij dragen in het hart niets dan een bitter voornemen om den vromen verdriet, schade en ellende aan te doen.
Hertaald:
binnenste
Zij dragen in het hart niets dan een bitter voornemen om de vrome verdriet, schade en ellende aan te doen.
enkel
Hebr. in het getal van velen, verdervingen, schenderijen, ergheden, verkeerdheden, strekkende tot des naasten verdriet, schande en verderf.
Hertaald:
enkel
Hebreeuws: in het meervoud, verdervingen, schenderijen, boosheden, verkeerdheden, die tot verdriet, schande en verderf van de naaste strekken.
keel is
Zij haken en janken naar der vromen verderf en ondergang. Dit past de apostel [ Rom. 3:13 ] op alle mensen, aangezien in hun natuurlijke verdorvenheid en boosheid. Verg. onder, Ps. 14:2 , enz.
Hertaald:
keel is
Zij hunkeren en janken naar het verderf en de ondergang van de vromen. Dit past de apostel [Rom. 3:13] toe op alle mensen, gezien hun natuurlijke verdorvenheid en boosheid. Vergelijk hieronder Ps. 14:2, enzovoort.
Verklaar
Dat is, veroordeeld en bestraf hen, als die het verdiend hebben. Anders, verwoest hen; omdat het Hebr. woord beide betekent.
Hertaald:
Verklaar
Dat is: veroordeel en bestraf hen, als degenen die het verdiend hebben. Anders: verwoest hen; omdat het Hebreeuwse woord beide betekent.
van hun
Zodat zij alle mislukken. Anderen: laat vallen vanwege hunne raadslagen.
Hertaald:
van hun
Zodat zij allemaal mislukken. Anderen: laat vallen vanwege hun plannen.
drijf hen
Als kaf, Ps. 1:4 , of verdrijf hen, verstoot hen.
Hertaald:
drijf hen
Als kaf, Ps. 1:4, of verdrijf hen, verstoot hen.
overtredingen,
Of, afwijkingen, trouweloze handelingen.
Hertaald:
overtredingen,
Of: afwijkingen, trouweloze handelingen.
laat verblijd
Anders, zo zullen verblijd zijn, en zo in het volgende.
Hertaald:
laat verblijd
Anders: zo zullen verblijd zijn, en zo ook in het vervolg.
overdekt;
Dat is, beschut en bewaart, als wanneer iemand onder dak vrij is van hitte, koude en onweder; of door een schild van de pijlen der vijanden.
Hertaald:
overdekt;
Dat is: beschut en beschermt, zoals wanneer iemand onder dak vrij is van hitte, kou en onweer; of door een schild tegen de pijlen van de vijanden.
goedgunstigheid
Of, met [uw] welbehaGen. Verg. Ps. 30:6 .
Hertaald:
goedgunstigheid
Of: met [Uw] welbehagen. Vergelijk Ps. 30:6.
kronen
Of, omringen, omsingelen.
Hertaald:
kronen
Of: omringen, omsingelen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking" (Ps. 5:2). Hij vraagt niet alleen dat God zijn woorden hoort maar ook wat er onder ligt. Dan volgt het vers dat deze psalm zijn plaats gaf in het morgengebed van de kerk: "Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden" (Ps. 5:4). Het werkwoord schikken werd gebruikt voor het klaarleggen van het offer op het altaar; hij legt zijn gebed zo neer en blijft er dan bij staan wachten. Daarna zegt hij wie God is (Ps. 5:5-7) en waarom hij toch binnen mag komen: "door de grootheid Uwer goedertierenheid" (Ps. 5:8). Van zijn tegenstanders staat er dat hun keel een open graf is (Ps. 5:10). En de psalm eindigt bij de vreugde van allen die op God vertrouwen (Ps. 5:12). Bijbelse betekenis: Twee dingen vallen op in Ps. 5:4. Het eerste is de tijd, want "des morgens" staat er tweemaal. Het gebed komt vóór de dag en niet erna. Het tweede is het wachten. Hij legt zijn gebed neer en gaat niet weg, zoals men bij een offer bleef staan; bidden is in deze psalm dus geen afhandeling maar een verwachten. Merk daarnaast op waarop hij zijn toegang gronden durft (Ps. 5:8). Niet op zijn gerechtigheid, want vlak daarvoor is gezegd dat God geen lust heeft aan goddeloosheid; wel op de grootheid van Gods goedertierenheid. Dat onderscheid draagt de hele psalm. Typologie: De Heere Jezus deed wat deze psalm beschrijft: "des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar" (Mark. 1:35). Paulus haalt Ps. 5:10 aan in zijn aanklacht tegen alle mensen: "Hun keel is een geopend graf" (Rom. 3:13). Ps. 5:2-12; Mark. 1:35; Rom. 3:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Leef waakzaam voor God, want de wereld bekritiseert christenen streng en verdraait zelfs hun beste bedoelingen. Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Leidt mij, Heere! in Uw gerechtigheid om mijn verspieders wil. Psalm 5:9 Zeer sterk is de vijandschap van de wereld tegen het… 9 HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht. 10 Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth. 2 O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. 3 Merk op de stem mijns geroeps, o… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Wees goede vertegenwoordigers van Christus
Leidt mij, Heere! in Uw gerechtigheid om mijn verspieders wil
Psalm 5:9-13
Psalm 5:1-8


Psalmen 5
Psalmen 5:2.KruisverwijzingenPsalmen 84:3→Psalmen 3:4→Psalmen 65:2→Psalmen 47:6→Psalmen 99:1→Jesaja 33:22→Psalmen 145:1→Psalmen 74:12→
— O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
Soms bidden wij er meteen op los, zoals David deed toen hij tot de Heere riep: “Verhoor mij als ik roep.” Andere keren gaan wij zitten om te overdenken en bedenken wij wat wij de Heere in het gebed zeggen willen, zoals David deed toen hij zei: O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. Wat ik overdacht heb, overdenk U ook. Een welbedacht gebed zal waarschijnlijk bij God slagen.
Psalmen 5:3.KruisverwijzingenPsalmen 88:13→Psalmen 130:6→Psalmen 119:147→Psalmen 55:17→Markus 1:35→Psalmen 69:16→Psalmen 22:2→Jesaja 26:9→
— Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
“Wanneer ik niet genoeg vertrouwen of vertroosting heb om U een welgeordend gebed voor te dragen, maar als een kind in pijn tot U roep.” Wat! Zal een koning naar een geroep horen? Mensen bereiden doorgaans uitgewerkte smeekschriften wanneer zij voor het aangezicht van een vorst komen; maar hoewel de Heere veel groter is dan alle aardse vorsten, is Hij ook veel neerbuigender dan zij. Ik vertrouw dat wij allen bidden; ik weet zeker dat alle gelovigen het doen. Maar laten wij meer bidden, laten wij veel meer bidden dan wij gedaan hebben. Hij is een Koning, dien Hem dus met uw gebeden. Hij is God, aanbid Hem dus met uw gebeden. En kunt u beide handen op Hem leggen en zeggen, zoals David deed: mijn Koning en mijn God — wat een overvloedige beweegredenen hebt u dan om overvloedig te zijn in het gebed tot Hem.
Psalmen 5:4.KruisverwijzingenOpenbaring 21:27→Hebreeën 12:14→Maleachi 2:17→Psalmen 50:21→Psalmen 94:20→Openbaring 21:23→Johannes 14:23→Psalmen 140:13→
— Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
“Wanneer de dauw op heel de natuur ligt, en op mijn geest ook, dan zult Gij mijn stem horen in het gebed. Voordat ik de wereld inga, zullen mijn eerste gedachten bij U zijn.” Zie nooit het aangezicht van een mens, geliefden, voordat u het aangezicht van God gezien hebt.
Richt uw gebed zoals de boogschutter zijn pijl op de boog legt, zie omhoog terwijl u hem afschiet, en blijf omhoogzien en uitzien naar een antwoord op uw smeking. U kunt niet verwachten dat God de vensters des hemels opent om u een zegen uit te storten, als u de vensters van uw verwachting niet opent om ernaar uit te zien. Ziet u omhoog in het vragen, dan zal God neerzien in het antwoorden. Het is goed altijd goed te mikken in het gebed; sommige gebeden zijn als schoten in het wilde, waarvan men niet verwachten kan dat zij het doel treffen. Maar het gebed van David was goed gemikt, en hij verwachtte dat het bij God kracht zou hebben.
Psalmen 5:5-7.KruisverwijzingenPsalmen 1:5→Psalmen 55:23→Psalmen 138:2→Psalmen 11:5→Openbaring 21:8→Psalmen 132:7→Spreuken 6:16→Hosea 9:15→
— Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
In deze psalm wordt een duidelijke scheidslijn getrokken tussen de rechtvaardige en de goddeloze; dat is een lijn die nog altijd zeer helder gehouden moet worden, en wij moeten allen zoeken te weten aan welke zijde van die lijn wij staan. Dit zijn sterke woorden, maar niet te sterk. God duldt het kwade niet, en wie Hem in andere opzichten het meest gelijk zijn, zullen Hem ook in deze zaak gelijk zijn.
Psalmen 5:8.KruisverwijzingenPsalmen 27:11→Psalmen 25:4→Spreuken 3:5→Psalmen 143:8→Psalmen 119:64→Hebreeën 12:13→Psalmen 54:5→Psalmen 86:11→
— Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
“Ik zal zijn als een kind dat in en uit de deur van zijn vader gaat zo dikwijls als het wil, omdat het thuis is. Ik zal daar niet gaan op mijn eigen verdiensten, maar in de veelheid Uwer goedertierenheid.” Er was geen tempel op aarde toen David deze psalm schreef, maar God was zijn tempel; en zo opende de vrome Jood zijn venster en zag hij naar Jeruzalem. Zo zien wij op naar God op de troon der genade in de hemel, en zoeken wij Hem te aanbidden in de heerlijkheid der heiligheid.
Psalmen 5:9.KruisverwijzingenRomeinen 3:13→Psalmen 62:4→Psalmen 51:6→Lukas 11:44→Psalmen 52:2→Micha 6:12→Psalmen 36:1→Psalmen 111:1→
— HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
David zegt niet: “Maak mijn weg recht.” Hij begeert niet zijn eigen weg te hebben, maar hij wil wandelen in Gods weg. Zo vermengt zich een zoete onderwerping met een begeerte naar volkomen gehoorzaamheid: richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Psalmen 5:10.Kruisverwijzingen2 Samuël 17:14→2 Samuël 15:31→2 Samuël 17:23→Klaagliederen 1:5→1 Samuël 25:29→Psalmen 140:9→Psalmen 69:22→Psalmen 9:15→
— Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
U kunt van ongodvruchtige mensen niet verwachten dat zij spreken wat recht is: in hun mond is niets rechts. Zij gieten een vuile, verrotte damp uit. Zij kunnen niet spreken zonder vuile of godslasterlijke uitdrukkingen te gebruiken; en doen zij dat wel, dan schuilt er toch valsheid achter hun woorden, want bedrog en kwaad van allerlei soort is in hun hart. Wees altijd op uw hoede voor mensen die u vleien, en in het bijzonder wanneer zij u vertellen dat zij u niet vleien en dat zij weten dat u vleierij niet verdragen kunt; want dan wordt u juist het walgelijkst gevleid.
Psalmen 5:11.KruisverwijzingenPsalmen 2:12→Jesaja 65:13→Richteren 5:31→Psalmen 65:13→Openbaring 19:1→1 Korinthe 2:9→Openbaring 18:20→Romeinen 8:28→
— Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
“Het doet er niet toe wat zij tegen mij doen; maar, o Heere, zij zijn tegen U wederspannig geweest.” David spreekt hier als een rechter die vonnis velt over de schuldigen — niet uit boosaardigheid, maar uit trouw en toewijding aan God.
Psalmen 5:12.KruisverwijzingenPsalmen 32:10→Psalmen 84:11→Psalmen 29:11→Psalmen 115:13→Psalmen 32:7→Psalmen 1:1→Psalmen 3:3→Psalmen 112:1→
— Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
Christenen behoren er zorg voor te dragen dat wij zowel heiligheid van karakter als blijmoedigheid van geest vertonen; want waar deze twee dingen in ons zijn en overvloedig zijn, bewijzen zij dat wij niet ledig of onvruchtbaar zijn. Onze vreugde behoorde treffend af te steken tegen de onrust van de ongelovige.
Merk in de eerste plaats op dat deze vreugde algemeen is, voor allen die vertrouwen: laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen. Zij is niet alleen voor de gezonden maar ook voor de zieken; niet alleen voor hen die slagen maar ook voor de teleurgestelden. Zij is niet alleen voor wie de vogel in de hand hebben, maar ook voor wie hem alleen in de struik zien.
In de tweede plaats moet deze vreugde even bestendig zijn als zij algemeen is. De gelovige heeft blijvende bewijsgronden voor een blijvende vertroosting. Vervolgens moet onze vreugde zich openbaren: laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt. Sommige christenen zijn goede mensen genoeg; zij zijn als waskaarsen, maar zij zijn niet aangestoken. O, om een aanraking van de vlam!
Ten slotte is deze vreugde redelijk. Zij ontstaat omdat wij toevlucht en beschutting vinden in de Heere. Aandoeningen worden niet door redenering ontstoken, en toch leveren redenen brandstof voor de vlam. Iemand kan droevig zijn zonder zijn droefheid te kunnen verklaren, of hij kan zeer verblijd zijn zonder de redenen van zijn vreugde te kunnen uiteenzetten. Maar de vreugde van een gelovige in God heeft een vaste grondslag; zij is niet het grondeloze weefsel van een droombeeld. De vreugde van het geloof brandt als kolen, en toch kan zij bedaard verklaard en gerechtvaardigd worden. De blijmoedige gelovige is geen zinneloze die door een waan meegevoerd wordt; hij heeft een “omdat” waarmee hij al zijn vreugde verantwoorden kan.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een psalm (Psalm 3: 1) van David voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1), naar den inhoud een gebed, op de Nechiloth (waarschijnlijk: “blaas instrumenten). Op de avondbede (Psalm 4) komt hier een tweede morgenlied gelijk het schijnt uit dien tijd van David’s leven toen hij zich nog aan Sauls hof bevond en daar door ene georganiseerde partij van zelfzuchtige, belasterende en bloedgierige vijanden omringd was die den argwanenden koning voortdurend tegen hem ophitsten en het op zijnen ondergang toelegden (1 Samuel 19: 7 ). Wat hij nu In zulk een toestand voor zich zelven smeekt, dat smeekt hij tevens voor het gehele geslacht van vromen en rechtvaardigen, dat in hem zijnen plaatsbekleder had, en dat van zijne regering, wanneer de tijd daartoe gekomen was ene betere toekomst voor den bloei der Kerk verwachtte.
I. Vs. 2-8.KruisverwijzingenPsalmen 88:13→Psalmen 27:11→Psalmen 1:5→Psalmen 130:6→Psalmen 119:147→Psalmen 55:23→Psalmen 138:2→Psalmen 25:4→
— O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden. Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel. Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
Nadat de zanger eerst voor zijn gemoed de ware stemming van een biddende gezocht heeft (vs. 2 en 8), verheft bij zijne ziel door de gedachte, dat hij tot God bidt, die In een oprecht en waar hart een welbehagen, maar van de goddelozen een af keer heeft. (vs. 4-8).
O HEERE! neem mijne redenen ter ore, versta, merk op mijne overdenking 1).
Onder overdenking hebben wij hier te verstaan, het innig gebed, het gebed, waarin men gans en al weggezonken ligt voor zijn God. De eerste betekenis is peinzend spreken, en daarom, op het gebed overgebracht, zich geheel alleen met zijn God gevoelen.
Merk op de stem mijns geroeps 1), o mijn Koning en mijn God 2)! want tot U zal ik bidden
.
De heilige dichter klimt hier trapsgewijze op, eerst in de beschrijving van zijn gebed, dat hij hier 1e. in ‘t algemeen: redenen, 2e. overdenking en 3e. een geroep noemt; vervolgens ook bij de gewenste verhoring, daar hij 1e. een ter ore nemen, 2e. een verstaan en 3e. een nauwkeurig opmerken van zijn gebed begeert.
Als Israël’s Koning kan God niet toegeven, dat in Zijn rijk de boosheid triomfeert, en als degene, dien de rechtvaardige zijnen Koning noemen kan, moet Hij hem beschermen. Deze aanspraken bevatten alzo ene uit het geloof voortkomende, vrijmoedige herinnering Gods aan Zijne verplichting om te helpen, die tevens ene vermaning voor den zanger zelven is, om op Zijne hulp te vertrouwen.
David gaat van de algemene grondstelling uit, dat zij, die God in hunnen nood aanroepen, nooit door Hem worden teruggestoten. Hij stelt zich tegenover de ongelovigen, die in het ongeluk God ter zijde stellen en of hun smart opeten, of zich bij mensen beklagen, en daardoor onwaardig zijn, dat God op hen zie.
Des morgens 1), HEREN zult Gij mijne stem horen, Gij zult niet uitstellen mij te horen, zo min als ik talmen wil, om aanstonds met het begin van den dag mijn gebed voor U te brengen; des morgens zal ik mij tot U schikken 1), mijn hart tot U wenden, en wacht houden a), uitzien, vertrouwende, dat Gij ter hulpe zult komen.
De morgen is de geschiktste tijd om met God te spreken. Een uur in den morgen is zoveel als twee in den avond. Terwijl de dauw op het gras is, moge de genade op de ziel druppelen. Laat ons aan God geven de morgens van onze dagen en den morgen van ons leven. Gebed moet de sleutel van den dag zijn en de bengel van den nacht. Godsdienstoefening moet beide de morgenster en de avondster zijn.
Men kan den morgen niet beter doorbrengen dan met gebed en godsdienst, den dag niet beter heiligen dan door wandelen op den weg der gerechtigheid, den avond niet kostelijker genieten, dan door den naam Gods te prijzen en door vernieuwde dankbare overgave aan Zijne bescherming.
Wanneer kinderen der wereld in nood en ellende zijn, zo lopen zij rond, zoeken hier en daar middelen en laten God in den hemel. Daarentegen laat een waar kind van God al het andere varen en het gaat in zijnen nood tot zijnen Vader. In den morgen zal ik U alles voorleggen; ik zal mijn lot voor U neerleggen, ik wil de verborgenste gevoelens van mijn hart voor U uitspreken, ik wil al mijne vrees en al mijn leed, mijne behoeften, maar ook al mijne berouwvolle belijdenissen voor den Heere uitspreiden.
In het Hebr. E’ërok-lak, of, zal ik mijne gebeden U voorleggen. Het werkwoord wordt gebruikt van het schikken van het offerhout en van de offers zelven (Leviticus 1: 7,8) en wordt hier nu door den dichter gebruikt, om daarmee aan te duiden, dat hij des morgens zijne offeranden der gebeden zal neerleggen voor Gods aangezicht.
Wacht houden, in den zin van, uitzien; uitzien naar verhoring, naar genadige aanneming van de offeranden der gebeden. Calvijn tekent bij deze plaats aan: “Het woord (in den grondtekst) geeft zowel aan, hoop en geduld. als bekommernis. Ik twijfel niet, of David heeft willen zeggen, dat, nadat hij zijne zorgen aan Gods hart had neergelegd, hij nog wachtte en nog in het onzekere verkeerde totdat God hem duidelijk had geopenbaard, dat zijn gebed was verhoord. Ofschoon dus altijd het verlangen nog met enige onrust vermengd is, wacht echter hij, die uitziet naar de genade Gods, geduldig op dezelve. Deze plaats leert ons, dat die gebeden ijdel zijn, die niet met hope gepaard gaan, welke de gemoederen zet als in een wachttoren.” Uit het volgende vers blijkt duidelijk, dat David de verhoring van zijn gebed grondt op de heiligheid Gods.
Van die verhoring en van mijne redding ben ik reeds vooraf zeker, noch vóórdat ik die zie; want 1) Gij zijt geen God die lust heeft aan goddeloosheid, en deze treedt toch zo duidelijk bij mijne tegenpartijders aan het licht, de boze zal bij U niet verkeren; Gij verbant hem uit Uw heilig land.
Hij redeneert hier uit de natuur van God zelven, want waar het Hem behaagt recht en gerechtigheid te doen, daaruit leidt hij af, dat Hij omtrent de goddelozen en alle bozen straf zal uitoefenen. Hoe toch is het mogelijk, dat zij ongestraft Zijne hand ontvlieden, wanneer Hij rechter der wereld is? Een plaats wel der opmerking waardig. Wij weten toch, hoe de teugelloze overmoed der goddelozen ons vrees aanjaagt, want dewijl God haar niet terstond bedwingt, zijn we er of door geschokt en beangst, of geven we ons, tengevolge er van, aan wanhoop over. Maar David put er hier liever stof uit voor zijn geloofsvertrouwen. Want hoe groter vrijheid aan de vijanden wordt gegeven om te woeden, hoe vuriger hij God als rechter inroept, Wiens ambt het is, alle goddelozen te verdoen, dewijl Hij alle ongerechtigheid haat. Laten de harten der vromen, zo dikwijls zij te strijden hebben met geweld, bedrog en onrechtvaardigheid, tot God de toevlucht nemen, opdat zij met een zekere hoop op bevrijding zich bemoedigen.
De onzinnigen, de trotsen, die zich misdadig zoeken te verheffen, zullen voor uwe ogen niet bestaan 1); zij kunnen geen stand houden, wanneer zij voor u openbaar worden; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Juist dewijl David de verhoring van zijn gebed grondt op de heiligheid Gods, zegt hij hier, wie die bozen zijn. Het zijn de onzinnigen, de dolzinnige snoevers, die, als God, de Heere, Zijn heiligheid laat schitteren, voor Hem geen stand zullen houden. Zijn liefde is een heilige liefde, die zich niet verenigen laat met de zonde en de ongerechtigheid. Hij is voor de goddelozen een verterend vuur, hetwelk niet kan verdragen worden door hem, die een werktuig der ongerechtigheid mag worden genoemd.
Gij zult de leugensprekers verdoen, ombrengen; van den man des bloeds en bedrogs heeft de HEERE, overeenkomstig Zijne heiligheid, enen gruwel; dat zal Hij ook tonen. Laat ons hier de grote betekenis van waarheid en oprechtheid leren in elke omstandigheid des levens; zo velen zijn er, die willen omgaan als vrienden en de rechterhand der broederschap willen geven, terwijl zij u in de donkerheid doorsteken en het een en ander in de oren van hun vrienden fluisteren, om uwe achting bij iedereen te verkleinen.
Maar ik zal, terwijl die vijanden reeds aan den rand van den afgrond des verderfs staan, zodra ik gereed ben, door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis te Nob (1 Samuel 21: 1) ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid; ik zal neerknielen, met mijn aangezicht naar het Allerheilige, Uwe woonplaats gekeerd, in Uwe vreze, in een eerbied, door de betoningen Uwer liefde te groter geworden (Genesis 28: 17). In plaats van door de stoutheid der goddelozen zich te laten verschrikken, bidt David met des te meer vertrouwen tot God, want hem is het zeker, dat hoe driester en vermeteler de goddelozen het maken, Hij, die naar Zijn Wezen alle goddeloze wezens haten moet, ook binnen korter of langer tijd moet openbaren, wat Hij in Zijn woord beloofd heeft.
Wel duurde het hierna nog 10 jaren, vóórdat David de vervulling van zijne hoop zag (1 Samuel 18: 30 ); maar even als voor den Heere duizend jaren zijn als één dag (2 Petrus 3: 8 3.8), zo verdwijnt ook op het standpunt des geloofs, wanneer zich dit op het heerlijke einde van Gods wegen verplaatst, het lijden van jaren in ene handbreedte tijds (2 Kor. 4: 18 vv.).
Zie hier het goed gebruik, dat David van de boosheid van zijne vijanden maakt; hij was te waakzamer om zonden en allen schijn van zonde te vermijden, en te meer biddende (vs. 9 5.8), om altijd in den goeden weg Gods gevonden te worden. Door wijsheid en genade wordt zo het goede uit het kwade geboren.
9.
II. Vs. 9-13.KruisverwijzingenRomeinen 3:13→Psalmen 32:10→Psalmen 62:4→2 Samuël 17:14→Psalmen 84:11→Psalmen 51:6→Lukas 11:44→Psalmen 52:2→
— HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht. Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U. Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.
Op hetgeen de dichter aan Gods heiligheid gezegd heeft, bouwt hij nu de bede, dat deze God Zijnen afkeer aan de ongerechtigheid met der daad moge bewijzen (vs. 9-11 5.8-10), opdat in eeuwigheid Zijn lof van de lippen van al Zijne knechten klinke (vs. 12 en
.
HEERE! leid mij in Uwe gerechtigheid 1); leid mijne schreden door het leven overeenkomstig Uwen wil; maak mij standvastig in het houden van Uwe geboden, om mijner verspieders wil; want deze loeren op mij, of zij enige zonde in mij zouden kunnen vinden, die ze zo gaarne zouden verbreiden; richt Uwen weg voor mijn aangezicht 2), maak dien open, dat ik dien duidelijk zie, maak dien effen, dat niets mij verhindere dien te bewandelen!
Sommigen leggen wel uit op deze manier: Toon mij, wat recht is en maak dat ik geheel en al ben overgegeven aan Uwe gerechtigheid, en dit om mijne tegenstanders, dewijl er gevaar is, dat de heiligen door de boze en bedrieglijke kunsten der goddelozen verleid, van den rechten weg afdwalen. Wel een vrome en nuttige verklaring. Maar de andere uitlegging is geschikter, dat God zijn knecht midden door de lagen der vijanden behouden leiden moge en waar hij ziet, dat hij van alle kanten wordt belegerd en omzet, een uitweg openbare. De gerechtigheid Gods wordt op deze plaats, zoals op de meeste genomen, voor Zijne trouw en goedertierenheid, welke Hij in het beschermen van zijne gelovige openbaart. Het voorzetsel in heeft daarom hier dezelfde kracht als vanwege, of volgens. David toch wensende, dat God hem tot een leidsman op den weg mocht wezen, wekt uit Zijne rechtvaardigheid bij zich de hoop op, om staande te blijven, alsof hij wil zeggen: o Heere, dewijl Gij rechtvaardig zijt, bescherm mij met Uwe hulp, opdat ik ontkome aan de boze listen mijner vijanden.
“Leid mij, o Heere!” als een klein kind geleid wordt door zijn vader, als een blinde wordt geleid door zijn vriend. Het is veilig en verblijdend wandelen, wanneer God ons leidt. “In uwe gerechtigheid,” niet in mijne gerechtigheid, want die is onvolkomen, maar in de Uwe, want Gij zijt de gerechtigheid zelf. “Richt Uwen weg,” niet mijnen weg “voor mijn aangezicht.” Broeders, wanneer wij geleerd hebben onzen eigenen weg op te geven en te wandelen in Gods weg, is het een gelukkig teken van genade, en het is gene kleine genade den weg Gods helder voor ons oog recht gemaakt te zien. Dwalingen omtrent den plicht leiden ons in ene zee van zonden, vóórdat wij weten waar wij zijn.
Hier vraagt David, dat de Heere Zijn weg voor hem effen make. Zijn weg is de weg, dien David moet gaan, naar Gods bestel. Van dien weg vraagt hij, dat hij zou worden gericht, opdat hij voor dwalen en afdwalen werd behoed. David vraagt dit, op grond van God gerechtigheid. Want die gerechtigheid wordt openbaar, zowel in het beschermen der zijnen in den weg der vergevende genade, als in het straffen der goddelozen. Dat zijne tegenstanders goddelozen zijn, zegt de dichter in het volgende vers.
Uwe eer staat inderdaad in mij op het spel; want in hunnen mond is niets rechts, niets dan bedrog en leugen; hun binnenste is enkel verderving; zij peinzen op niets, dan om mij leed aan te doen a); hun keel is een open graf, want hun redenen bereiden den dood. Zij zijn te gevaarlijker, omdat zij geveinsden zijn; want met hun tong vleien zij1); op de lippen hebben zij liefde voor God en mensen, en trekken alzo onvoorzichtigen in ‘t verderf.
Psalm 34: 17; 94: 20. Rom. 3: 13.
Letterlijk: Hun tongen maken zij glad, en van daar de betekenis van, vleien. De keel is hier het werktuig van de spraak. De dichter wil zeggen, dat zijne vijanden geheel anders zijn, dan zij zich voordoen, dat in hun binnenste, in hun hart niets anders schuilt, dan onrecht en verderving. Het zijn de mannen van bedrog, tegen wie hij zo dikwijls in zijn leven heeft te kampen.
Verklaar hen schuldig, o God 1), volvoer Uwe gerichten aan hen, opdat blijke wie zij zijn! laat hen vervallen van hun raadslagen, treed tussenbeide, dat zij die niet volbrengen! drijf hen henen 2), stoot hen uit voor Uw aangezicht in het verderf, om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn weerspannig tegen U, zij zijn in een satanischen opstand tegen Uwen heiligen raad en wil.
De dichter roept hier den Heere aan met den naam van God, dewijl hij Hem als rechter oproept, om Zijne vijanden schuldig te verklaren. Want toch, hun zonde is niet een zonde tegen den mens, maar een zonde tegen God. Zij zijn weerspannig tegen U, zegt David. Hun zonde is als het ware een duivelse, en daarom een onvergeeflijke zonde. David’s vijanden zijn de vijanden der verdrukte Kerk.
De profeet spreekt als een wens uit, waarvan hij zeker is, dat het geschieden zal, niets anders, gelijk het mij toeschijnt, aantonende, dan: ons mag het besluit Gods niet mishagen, dat Hij vast en onveranderlijk gesteld heeft.
Maar laat, terwijl Gij zo de verdrukte Kerk van hare verdrukkers vrij maakt, verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen over het heil, dat zij in Uwe gemeenschap genieten, omdat Gij hen overdekt 1), hen beschermt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uwen naam liefhebben 2).
Beter: En overdekt ze, opdat in U van vreugde opspringen, die Uwen Naam liefhebben.
Aan dezen Naam waren de liefelijkste herinneringen verbonden. Door Zijn Naam had David’s God Zich geopenbaard als de Verlosser en Redder. als een Onderhouder van Zijn volk. Die Naam is HEERE, de Getrouwe, die van geen wankelen of bezwijken weet. En waar nu die Heere Zich als op nieuw aan Zijn verdrukt volk zou openbaren, daar zouden de liefhebbers van Zijn Naam weer vernieuwde reden hebben om zich in Hem te verheugen.
Want Gij, HEERE! zult den rechtvaardige 1), die op U vertrouwt en Uwen naam liefheeft, zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, omringen als met ene rondas, een schild van de grootste soort, zodat geen aanval van den vijand te machtig, geen gevaar te groot is, waartegen hij niet veilig zou zijn.
De naam van rechtvaardige wordt hier niet tot een mens beperkt, maar onbepaald worden alle dienaren Gods er mede bedoeld. Overigens noemt de Schrift rechtvaardigen, niet wie zulks menen te zijn vanwege hun verdiensten, maar die naar de rechtvaardigheid staan. Dewijl, nadat de Heere hen met Zijne gunst heeft omstraald, door hen de zonde niet toe te rekenen, Hij hen een juisten ijver heeft gegeven, om te staan naar de volmaakte rechtvaardigheid. Hetzelfde geldt ook van hetgeen volgt: Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een schild. Want Hij zegt daarmee, dat de gelovigen van alle kanten wel beschermd zijn, dewijl op generlei wijze het aan genade ontbreekt, die en een onverwinbare beschutting en een zekere redding met zich meebrengt. Doch, of schoon het woord kronen, hetwelk hier wordt gebruikt, dikwijls bij de Hebreeërs voor sieraad gebruikt wordt, dewijl het hier echter gevoegd wordt bij schild, twijfel ik niet, of het wordt hier voor beschermen of omringen genomen. De zin is dan deze, dat, ofschoon de rechtvaardigen aan grote en verschillende gevaren zijn blootgesteld, zij veilig zijn, dewijl God hun genegen is.
De Wurtembergse staatsman Joh. Jak. Moser, die door zijnen vorst vijf jaren lang te Hohentwiel onrechtvaardig en onschuldig in de gevangenis gehouden werd, in welke hem behalve Bijbel en gezangboek alle overige geschriften, zelfs schrijfmaterialen onthouden waren, zegt in zijn boek “Doctor Leidemit”: Wie nooit in groten en aanhoudenden lichaamsen zielennood geweest is, die verstaat de Psalmen niet, en weet niet, wat hij eigenlijk daarmee moet doen; zo was het mij vele jaren lang. Ik meende wel de woorden te verstaan; maar zij bleven mij toch een gesloten boek. Ik wilde ze zelfs een langen tijd in het geheel niet meer lezen. Het schreien uit de diepte, de hemelhoge klachten hield ik niet slechts voor enkel poëzie, maar voor overspannen, hypochondrische gevoelens, en het roepen om wraak over de vijanden hinderde mij geweldig. Welk een schat van ervaringen, welk ene verhevene wijsheid, welk ene diepe, innige, uitgebreide kennis van ‘t menselijk hart daarin ligt, dit heb ik eerst ondervonden, en God voor de Psalmen leren danken, toen ik zelf in zwaren in- en uitwendigen nood, lijden en aanvechtingen kwam. O hoe kostbaar, hoe dierbaar werden mij de Psalmen! Welk een troost, licht en lafenis deelden zij mij mede! De weg was niet alleen dikwijls voor mij verdwenen, maar zelfs de sporen van den weg; ik zat als vast gemuurd, als versteend; een woord uit dit gezangboek was mij als een zonnestraal; ik plaatste mij als een leeuwerik op de vleugels van dezen adelaar, en vloog, door dien gedragen op den Rotssteen, en zag van daar de wereld met al haren en mijnen nood beneden mij; ik leerde in David’s geest denken, besluiten, treuren, wachten, hopen. De Psalmen zijn mij nu, na de Schriften des N.Testaments, mijn liefste, gewichtigste Boek, mijn gouden spiegel en de encyclopedie van de zaligste, vruchtbaarste kennis en ervaring van mijn leven; ze volkomen te verstaan is een werk der eeuwigheid, en ons tweede leven zal dan de commentaar daarop zijn.”.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel