Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een onderwijzingH4905, een liedH7892 der liefdeH3039, voor den opperzangmeesterH5329, onder de kinderenH1121 van KorachH7141, opH5921 SchoschannimH7799.
Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
KJV
[[To the chief Musician1
upon Shoshannim,3
for the sons4
of Korah,5
Maschil,6
A Song7
of loves.]]8
My heart
is inditing
a good
matter:
I speak
of the things which I have made
touching the king:
my tongue
is the pen
of a ready
writer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Mijn hartH3820 geeftH7370 een goedeH2896 rede op; ikH589 zeggeH559 mijn gedichtenH4639 uit van een KoningH4428; mijn tongH3956 is een penH5842 eens vaardigenH4106 schrijversH5608.
Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
Ook in dit vers
redeH1697
KJV
Thou art fairer
than the children
of men:
grace
is poured
into thy lips:
therefore God
hath blessed
thee for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij zijt veel schonerH3302 dan de mensenkinderenH1121; genadeH2580 is uitgestortH3332 in Uw lippenH8193; daaromH3651 heeft U GodH430 gezegendH1288 in eeuwigheidH5769.
Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
KJV
Gird
thy sword
upon thy thigh,
O most mighty,
with thy glory
and thy majesty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
GordH2296 Uw zwaardH2719 aanH5921 de heupH3409, o HeldH1368! Uw MajesteitH1935 en Uw heerlijkheidH1926.
Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.
KJV
And in thy majesty7
ride
prosperously
because
of truth
and meekness
and righteousness;
and thy right hand
shall teach
thee terrible things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En rijdH7392 voorspoediglijkH6743 in Uw heerlijkheidH1926, opH5921 het woordH1697 der waarheidH571 en rechtvaardigeH6664 zachtmoedigheidH6037; en Uw rechterhandH3225 zal U vreselijkeH3372 dingen lerenH3384.
En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
KJV
Thine arrows
are sharp
in the heart
of the king's
enemies;
whereby the people
fall
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Uw pijlenH2671 zijn scherpH8150; volkenH5971 zullen onderH8478 U vallenH5307; zij treffen in het hartH3820 van des KoningsH4428 vijandenH341.
Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.
KJV
Thy throne,
O God,
is for ever
and ever:
the sceptre
of thy kingdom
is a right
sceptre.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Uw troonH3678, o GodH430! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws KoninkrijksH4438 is een scepter der rechtmatigheidH4334.
Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
Ook in dit vers
altoosH5703
eeuwiglijkH5769
scepterH7626
scepterH7626
KJV
Thou lovest
righteousness,
and hatest
wickedness:
therefore God,2
thy God,
hath anointed
thee with the oil
of gladness
above thy fellows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Gij hebt gerechtigheidH6664 liefH157, en haatH8130 goddeloosheidH7562; daaromH3651 heeft U, o God! Uw God gezalfdH4886 met vreugdeolieH8081, bovenH5921 Uw medegenotenH2270.
Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
Ook in dit vers
GodH430
GodH430
KJV
All thy garments
smell of myrrh,
and aloes,
and cassia,
out of the ivory
palaces,
whereby
they have made thee glad.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
AlH3605 Uw klederenH899 zijn mirreH4753, en aloeH174, en kassieH7102; uit de elpenbenenH8127 paleizenH1964, van waar zij U verblijdenH8055.
Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
KJV
Kings'
daughters
were among thy honourable women:
upon thy right hand
did stand
the queen
in gold
of Ophir.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DochtersH1323 van koningenH4428 zijn onder Uw kostelijkeH3368 staatsdochteren; de KoninginH7694 staatH5324 aan Uw rechterhandH3225, in het fijnste goud van OfirH211.
Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
Ook in dit vers
fijnste goudH3800
KJV
Hearken,
O daughter,1
and consider,
and incline
thine ear;
forget
also thine own people,
and thy father's
house;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HoorH8085, o DochterH1323! en zieH7200, en neigH5186 uw oorH241; en vergeetH7911 uw volkH5971 en uws vadersH1 huisH1004.
Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
KJV
So shall the king
greatly desire
thy beauty:
for he is thy Lord;
and worship
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo zal de KoningH4428 lustH183 hebben aan uw schoonheidH3308; dewijlH3588 Hij uw HeereH113 is, zo buig u voor Hem neder.
Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.
Ook in dit vers
buigH7812
KJV
And the daughter
of Tyre
shall be there with a gift;
even the rich
among the people
shall intreat
thy favour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En de dochterH1323 van TyrusH6865, de rijkenH6223 onder het volkH5971, zullen uw aangezichtH6440 met geschenkH4503 smekenH2470.
En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
KJV
The king's
daughter1
is all glorious
within:
her clothing
is of wrought
gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Des KoningsH4428 DochterH1323 is geheel verheerlijktH3520 inwendigH6441; haar kledingH3830 is van goudenH2091 borduurselH4865.
Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
KJV
She shall be brought
unto the king4
in raiment of needlework:
the virgins
her companions
that follow
her shall be brought
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
In gestikte klederen zal zij tot den KoningH4428 geleidH2986 worden; de jonge dochterenH1330, die achterH310 haar zijn, haar medegezellinnenH7464, zullen tot u gebrachtH935 worden.
In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
Ook in dit vers
gestikte klederenH7553
KJV
With gladness
and rejoicing
shall they be brought:2
they shall enter7
into the king's3
palace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zij zullen geleidH2986 worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaanH935 in des KoningsH4428 paleisH1964.
Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.
Ook in dit vers
verheugingH1524
blijdschapH8057
KJV
Instead of thy fathers
shall be thy children,
whom thou mayest make
princes
in all the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
In plaatsH8478 van Uw vaderenH1 zullen Uw zonenH1121 zijnH1961; Gij zult hen tot vorstenH8269 zettenH7896 over de ganse aardeH776.
In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
KJV
I will make thy name
to be remembered
in all
generations:
therefore shall the people
praise
thee for ever
and ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ik zal Uws NaamsH8034 doen gedenkenH2142 van elkH3605 geslachtH1755 tot geslachtH1755; daaromH3651 zullen U de volkenH5971 lovenH3034 eeuwiglijkH5769 en altoosH5703.
Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.
onderwijzing
Zie Ps. 32:1 .
Hertaald:
onderwijzing
Zie Ps. 32:1.
lied
Of, een gezang der beminde. Te weten, jonge dochters, of vriedinnen, dat is, een bruiloftslied, bij de gelegenheid, naar veler mening, van het huwelijk van Salomo [die een voorbeeld van Christus was] met de dochter van den koning van Egypte gemaakt, doch eigenlijk ziende op het huwelijk [ Ef. 5:25 , Ef. 5:32 ] van den Bruidegom Christus met zijne kerk uit de Joden en heidenen, blijkende Hebr. 1:8-9 ; zijnde alzo deze psalm het Hooglied van Salomo zeer gelijk. Zie aldaar Son 3 en Son 8 .
Hertaald:
lied
Of: een gezang van de beminden. Namelijk: van jonge dochters of vriendinnen, dat is: een bruiloftslied, naar de mening van velen gemaakt bij gelegenheid van het huwelijk van Salomo [die een voorafbeelding van Christus was] met de dochter van de koning van Egypte, maar eigenlijk ziend op het huwelijk [Ef. 5:25, Ef. 5:32] van de Bruidegom Christus met Zijn kerk uit Joden en heidenen, zoals blijkt uit Hebr. 1:8-9. Zo lijkt deze psalm sterk op het Hooglied van Salomo. Zie daar Hoogl. 3 en Hoogl. 8.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
schòschannim
Dit Hebr. woord wordt ook gebruikt in den titel van den negen en zestigste en tachtigste psalm, en een dergelijk in den titel van den zestigsten, betekenende leliën; alzo genoemd [naar het gevoelen van sommigen] omdat zij zes bladeren hebben. Doch wat daar mede gemeend is, is onzeker. Eenigen houden het voor een zeker muzikaal instrument van zes snaren, waarop deze psalm moest gespeeld worden; anderen voor een lied, te dien tijde bekend, beginnende met dit woord, naar welks aijze men dezen psalm spelen en zingen zou.
Hertaald:
schòschannim
Dit Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt in de titel van de negenenzestigste en de tachtigste psalm, en een soortgelijk woord in de titel van de zestigste; het betekent leliën, zo genoemd [naar de mening van sommigen] omdat zij zes bladeren hebben. Maar wat ermee bedoeld wordt, is onzeker. Sommigen houden het voor een bepaald muziekinstrument met zes snaren, waarop deze psalm gespeeld moest worden; anderen voor een destijds bekend lied dat met dit woord begon, op de wijze waarvan men deze psalm zou spelen en zingen.
onderwijzing
Zie Ps. 32:1 .
Hertaald:
onderwijzing
Zie Ps. 32:1.
lied
Of, een gezang der beminde. Te weten, jonge dochters, of vriedinnen, dat is, een bruiloftslied, bij de gelegenheid, naar veler mening, van het huwelijk van Salomo [die een voorbeeld van Christus was] met de dochter van den koning van Egypte gemaakt, doch eigenlijk ziende op het huwelijk [ Ef. 5:25 , Ef. 5:32 ] van den Bruidegom Christus met zijne kerk uit de Joden en heidenen, blijkende Hebr. 1:8-9 ; zijnde alzo deze psalm het Hooglied van Salomo zeer gelijk. Zie aldaar Son 3 en Son 8 .
Hertaald:
lied
Of: een gezang van de beminden. Namelijk: van jonge dochters of vriendinnen, dat is: een bruiloftslied, naar de mening van velen gemaakt bij gelegenheid van het huwelijk van Salomo [die een voorafbeelding van Christus was] met de dochter van de koning van Egypte, maar eigenlijk ziend op het huwelijk [Ef. 5:25, Ef. 5:32] van de Bruidegom Christus met Zijn kerk uit Joden en heidenen, zoals blijkt uit Hebr. 1:8-9. Zo lijkt deze psalm sterk op het Hooglied van Salomo. Zie daar Hoogl. 3 en Hoogl. 8.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
schòschannim
Dit Hebr. woord wordt ook gebruikt in den titel van den negen en zestigste en tachtigste psalm, en een dergelijk in den titel van den zestigsten, betekenende leliën; alzo genoemd [naar het gevoelen van sommigen] omdat zij zes bladeren hebben. Doch wat daar mede gemeend is, is onzeker. Eenigen houden het voor een zeker muzikaal instrument van zes snaren, waarop deze psalm moest gespeeld worden; anderen voor een lied, te dien tijde bekend, beginnende met dit woord, naar welks aijze men dezen psalm spelen en zingen zou.
Hertaald:
schòschannim
Dit Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt in de titel van de negenenzestigste en de tachtigste psalm, en een soortgelijk woord in de titel van de zestigste; het betekent leliën, zo genoemd [naar de mening van sommigen] omdat zij zes bladeren hebben. Maar wat ermee bedoeld wordt, is onzeker. Sommigen houden het voor een bepaald muziekinstrument met zes snaren, waarop deze psalm gespeeld moest worden; anderen voor een destijds bekend lied dat met dit woord begon, op de wijze waarvan men deze psalm zou spelen en zingen.
mensenkinderen
Te weten, andere mensen.
Hertaald:
mensenkinderen
Namelijk: andere mensen.
genade
Of, uwe lippen zijn met genade overgoten, zodat uwe woorden genadelij, gunstrijk zijn. Verg. Luc. 4:22 .
Hertaald:
genade
Of: uw lippen zijn met genade overgoten, zodat uw woorden genadig en gunstrijk zijn. Vergelijk Luk. 4:22.
daarom
Dat is, tot zulks, tot zulke einde, of, omdat U God, enz. gelijk het woord al chen genomen wordt. Zie Jer. 48:36 .
Hertaald:
daarom
Dat is: daartoe, met dat doel; of: omdat U God, enzovoort, zoals het woord al chen opgevat wordt. Zie Jer. 48:36.
uw majesteit
Dit voegen enigen bij het woord zwaard, alsof de profeet zeide: Welk zwaard [te weten het woord der waarheid, waarvan in het volgende] uwe majesteit en heerlijkheid is. Anders, [in] of, [met] uwe majesteit, enz.
Hertaald:
uw majesteit
Sommigen voegen dit bij het woord zwaard, alsof de profeet zei: welk zwaard [namelijk het woord van de waarheid, waarover het in het vervolg gaat] uw majesteit en heerlijkheid is. Anders: [in] of [met] uw majesteit, enzovoort.
rijd
Hebr. wees voorspoedig, rijd. Verg. de manier dezer samenvoeging van twee woorden, met 1 Sam. 2:3 ; Ps. 51:4 , en Ps. 55:8 , en Ps. 106:13 ; Hos. 6:3 , enz.
Hertaald:
rijd
Hebreeuws: wees voorspoedig, rijd. Vergelijk deze manier van twee woorden samen te voegen met 1 Sam. 2:3; Ps. 51:4, en Ps. 55:8, en Ps. 106:13; Hos. 6:3, enzovoort.
op het
Anders, ter oorzaak van de waarheid, om de zaak der waarheid.
Hertaald:
op het
Anders: ter wille van de waarheid, om de zaak van de waarheid.
woord
Alzo wordt de leer des Evangelies genoemd; 2 Kor. 6:7 ; 2 Tim. 2:15 ; Jak. 1:18 .
Hertaald:
woord
Zo wordt de leer van het Evangelie genoemd; 2 Kor. 6:7; 2 Tim. 2:15; Jak. 1:18.
rechtvaardige
Hebr. zachtmoedigheid, gerechtigheid, dat is, zachtmoedigheid der gerechtigheid, of rechtvaardige zachtmoedigheid, dat is zachtmoedigheid die met gerechtigheid vergezelschapt is, of [met] zachtmoedigheid en gerechtigheid.
Hertaald:
rechtvaardige
Hebreeuws: zachtmoedigheid, gerechtigheid, dat is: zachtmoedigheid van de gerechtigheid, of rechtvaardige zachtmoedigheid, dat is: zachtmoedigheid die met gerechtigheid gepaard gaat; of: [met] zachtmoedigheid en gerechtigheid.
vreselijke
Dat is, gij zult door uwe macht vreeslijke dingen doen; Gij zult ze tonen en bewijzen voor geheel de wereld en vreeslijke oordelen tegen de vijanden der waarheid uitvoeren. Verg. het volgende vs.6, en Ps. 2:9 , en Ps. 110:5-6 ; of lere u vreeslijke dingen.
Hertaald:
vreselijke
Dat is: u zult door uw macht ontzagwekkende dingen doen; u zult ze tonen en bewijzen voor de hele wereld en vreselijke oordelen uitvoeren tegen de vijanden van de waarheid. Vergelijk het volgende vers 6, en Ps. 2:9, en Ps. 110:5-6; of: zij lere u vreselijke dingen.
pijlen
Zie Deut. 32:23 , en Job 6:4 . Sommigen verstaan het niet alleen van de oordelen, maar ook van de woorden des Heeren Christus. Verg. 2 Kor. 10:4-5 ; Hebr. 4:12 .
Hertaald:
pijlen
Zie Deut. 32:23, en Job 6:4. Sommigen verstaan het niet alleen van de oordelen, maar ook van de woorden van de Heere Christus. Vergelijk 2 Kor. 10:4-5; Hebr. 4:12.
treffen
Te weten, de pijlen dezes konings. Anders, volken zullen onder u vallen, die in het hart vijanden des konings zijn; of, in het hart; dat is in het midden van des konings vijanden.
Hertaald:
treffen
Namelijk: de pijlen van deze koning. Anders: volken zullen onder u vallen, die in hun hart vijanden van de koning zijn; of: in het hart, dat is: midden onder de vijanden van de koning.
God
Dat is van den Heere Jezus Christus te verstaan is, betuigt de Heilige Geest klaarlijk, Hebr. 1:8-9 .
Hertaald:
God
Dat dit van de Heere Jezus Christus verstaan moet worden, betuigt de Heilige Geest duidelijk, Hebr. 1:8-9.
rechtmatigheid
Of, billijkheid.
Hertaald:
rechtmatigheid
Of: billijkheid.
daarom
Of, omdat u, enz. gelijk boven vs.3.
Hertaald:
daarom
Of: omdat u, enzovoort, zoals hierboven vers 3.
uw God
Te weten, de Vader. Verg. Ps. 22:2 ; Joh. 20:17 .
Hertaald:
uw God
Namelijk: de Vader. Vergelijk Ps. 22:2; Joh. 20:17.
vreugdeolie
Versta, de zalving des Heiligen Geestes, die een oorsprong en werker is aller geestelijke vreugde, enz. Zie Hand. 10:38 .
Hertaald:
vreugdeolie
Versta: de zalving van de Heilige Geest, Die de oorsprong en de werker is van alle geestelijke vreugde, enzovoort. Zie Hand. 10:38.
medegenoten
Dat is, alle gelovigen, die des Heeren Christus' ledematen en ui genade door Hem tot priesters en koningen gemaakt zijn; 1 Petr. 2:9 ; Openb. 1:6 . Zie ook Joh. 3:34 .
Hertaald:
medegenoten
Dat is: alle gelovigen, die leden van de Heere Christus zijn en uit genade door Hem tot priesters en koningen gemaakt zijn; 1 Petr. 2:9; Openb. 1:6. Zie ook Joh. 3:34.
zijn mirre
Dat is, rieken zozeer van deze specerijen, alsof zij enkel mirrhe enz. waren. Verg. Spr. 7:17 .
Hertaald:
zijn mirre
Dat is: zij ruiken zo sterk naar deze specerijen, alsof zij enkel mirre, enzovoort, waren. Vergelijk Spr. 7:17.
elpenbenen
Zie 1 Kon. 10:18 .
Hertaald:
elpenbenen
Zie 1 Kon. 10:18.
paleizen
Of, tempelen. Versta hierop: wanneer gij daaruit tevoorschijn komt als een bruidegom, of uwe klederen, en de specerijen, die uit elpenbenen paleizen genomen zijn, en waarmede zij u verheugd hebben, dat is, eer aangedaan. Salomo's koninklijke heerlijkheid en woningen worden in de Schriftuur vermeld; den Heere Christus aangaande, die in het hemelse paleis gekomen in het vlees, en heeft vandaar gebracht zijne leer, en vandaar ontvangen zijne zalving. Zie Matt. 3:16 ; Joh. 3:13 , Joh. 3:31 .
Hertaald:
paleizen
Of: tempels. Versta het zo: wanneer u daaruit tevoorschijn komt als een bruidegom; of: uw kleren en de specerijen die uit ivoren paleizen gehaald zijn en waarmee zij u verblijd, dat is: geëerd hebben. Salomo's koninklijke heerlijkheid en woningen worden in de Schrift vermeld; en wat de Heere Christus betreft: Hij is uit het hemelse paleis in het vlees gekomen, en heeft vandaar Zijn leer meegebracht en daar Zijn zalving ontvangen. Zie Matth. 3:16; Joh. 3:13, Joh. 3:31.
vanwaar
Of, boven degenen die u verblijden; te weten, uwe medegenoten, [gelijk boven] genaamd kinderen der bruiloft en des bruidegoms vrienden; Matt. 9:15 ; Joh. 3:29 .
Hertaald:
vanwaar
Of: boven hen die u verblijden, namelijk uw metgezellen, hierboven genoemd de kinderen van de bruiloft en de vrienden van de bruidegom; Matth. 9:15; Joh. 3:29.
kostelijke
Hebr. kostelijke, doch in het vrouwelijke geslacht, zulks dat het van vrouwen moet worden verstaan. Verg. vs.15. Anders, in uwe kostelijkheden.
Hertaald:
kostelijke
Hebreeuws: kostelijke, maar in het vrouwelijk geslacht, zodat het van vrouwen verstaan moet worden. Vergelijk vers 15. Anders: in uw kostbaarheden.
koningin
Of, bedgenoot; dat is hier de bruid.
Hertaald:
koningin
Of: bedgenote; dat is hier: de bruid.
Ofir
Zie 1 Kon. 9:28 .
Hertaald:
Ofir
Zie 1 Kon. 9:28.
o dochter
Dit is ene aanspraak aan de bruid.
Hertaald:
o dochter
Dit is een aanspraak tot de bruid.
vergeet
Verlaat de afgodische religie, die onder uw volk en in uws vaders huis in zwang gaat. Verg. wijders Matt. 10:37 ; Luc. 14:26 .
Hertaald:
vergeet
Verlaat de afgodische godsdienst die onder uw volk en in het huis van uw vader gangbaar is. Vergelijk verder Matth. 10:37; Luk. 14:26.
schoonheid
Wijdlopig beschreven in het Hooglied van Salomo.
Hertaald:
schoonheid
Uitvoerig beschreven in het Hooglied van Salomo.
buig
Of, aanbid hem als de Zoon Gods.
Hertaald:
buig
Of: aanbid Hem als de Zoon van God.
dochter
Dat is, de inwoners van Tyrus, de stad Tyrus. Zie van de deze stad Joz. 19:29 , en 1 Kon. 5:1 , en verg. Ps. 72:10-11 ; Jes. 49:23 .
Hertaald:
dochter
Dat is: de inwoners van Tyrus, de stad Tyrus. Zie over deze stad Joz. 19:29, en 1 Kon. 5:1, en vergelijk Ps. 72:10-11; Jes. 49:23.
Tyrus
Anders, belangende de dochter van Tyrus, de rijke, enz.
Hertaald:
Tyrus
Anders: wat de dochter van Tyrus betreft, de rijke, enzovoort.
smeken
Zie Job 11:19 .
Hertaald:
smeken
Zie Job 11:19.
inwendig
Of, van binnen; Salomo's bruid in hare vertrekzalen, maar Christus' bruid draagt haar geestelijk sieraad van binnen in den inwendigen mens [ Ef. 3:16 ] , bestaande in geestelijke gaven. Verg. Openb. 19:8 .
Hertaald:
inwendig
Of: van binnen. De bruid van Salomo is heerlijk in haar vertrekken, maar de bruid van Christus draagt haar geestelijke sieraad van binnen, in de inwendige mens [Ef. 3:16], en dat bestaat in geestelijke gaven. Vergelijk Openb. 19:8.
borduursel
Of, kastjes; dat is, vol van kastjes of schilden, waarin kostelijke stenen gevat of gezet worden, gelijk dit woord genomen is, Ex. 28:11 , Ex. 28:13-14 , Ex. 28:25 , Ex. 39:6 , Ex. 39:13 , Ex. 39:16 . Het Hebr. woord wordt ook genomen voor geoogd of borduurwerk, borduursel; waardoor men de verscheidenheid der geestelijke gaven kan verstaan. Verg. Ezech. 16:13 .
Hertaald:
borduursel
Of: kastjes; dat is: vol kastjes of zettingen waarin kostbare stenen gevat of gezet worden, zoals dit woord opgevat is in Ex. 28:11, Ex. 28:13-14, Ex. 28:25; Ex. 39:6, Ex. 39:13, Ex. 39:16. Het Hebreeuwse woord wordt ook opgevat als geoogd werk of borduurwerk, borduursel; daaronder kan men de verscheidenheid van de geestelijke gaven verstaan. Vergelijk Ezech. 16:13.
alle
Hebr. blijdschappen.
Hertaald:
alle
Hebreeuws: blijdschappen.
uw vaderen
Dit wordt tot den koning [ Christus met zijne Bruid] gesproken, van welken geprofeteerd wordt dat het hem [niet minder dan zijne voorvaders naar het vlees] aan geestelijke zonen niet zal ontbreken, die door de ganse wereld het Evangelie zullen prediken, zijne kerk met Gods Woord weiden en regeren, en hiernamaals op hunne tronen zitten en met Christus in ere heersen. Zie Matt. 19:28 , en Matt. 24:47 , en Matt. 28:19 ; Openb. 5:10 . Of, men kan verstaan door de vaderen de gelovigen des Oude Testaments en door de zonen al de gelovigen des Nieuwe Testaments, die Christus tot koningen en priesters gemaakt heeft; Openb. 1:6 , enz.
Hertaald:
uw vaderen
Dit wordt gezegd tot de koning [Christus met Zijn bruid], van wie geprofeteerd wordt dat het Hem [niet minder dan Zijn voorvaders naar het vlees] niet aan geestelijke zonen zal ontbreken. Zij zullen door de hele wereld het Evangelie prediken, Zijn kerk met Gods Woord weiden en regeren, en hierna op hun tronen zitten en met Christus in ere heersen. Zie Matth. 19:28, en Matth. 24:47, en Matth. 28:19; Openb. 5:10. Of men kan onder de vaderen de gelovigen van het Oude Testament verstaan en onder de zonen alle gelovigen van het Nieuwe Testament, die Christus tot koningen en priesters gemaakt heeft; Openb. 1:6, enzovoort.
vorsten
Van Salomo kan dit niet worden verstaan, omdat onder zijn zoon Rehabeam, en voorts, het rijk verdeeld is en de tien stammen van Juda afgescheurd zijn. Zie 1 Kon. 12:16-17 , 1 Kon. 12:24 .
Hertaald:
vorsten
Van Salomo kan dit niet verstaan worden, omdat onder zijn zoon Rehabeam en daarna het rijk verdeeld is en de tien stammen zich van Juda afgescheurd hebben. Zie 1 Kon. 12:16-17, 1 Kon. 12:24.
van elk
Hebr. in alle geslacht en geslacht.
Hertaald:
van elk
Hebreeuws: in alle geslacht en geslacht. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning" (Ps. 45:2). Het opschrift noemt het "een lied der liefde" (Ps. 45:1). De koning wordt eerst geprezen om zijn verschijning en zijn woord: "Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen" (Ps. 45:3). Dan komt de krijgsman in beeld: gord uw zwaard aan de heup, o Held (Ps. 45:4), en rijd voorspoedig "op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid" (Ps. 45:5). En dan volgt de aanspraak die deze psalm zo bijzonder maakt: "Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid" (Ps. 45:7). Het volgende vers gaat verder: "Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten" (Ps. 45:8). Bijbelse betekenis: In Ps. 45:7 wordt de koning aangesproken met de naam God, en in Ps. 45:8 wordt gezegd dat zijn God hem gezalfd heeft. Beide staan er, en zij zijn niet met elkaar in strijd wanneer men leest wie de Hebreeënbrief hier hoort spreken. Zoals bij Ps. 2 en Ps. 16 geldt ook hier: de psalm is eerst een lied bij een koninklijke bruiloft in Israël, en het Nieuwe Testament wijst aan hoe ver deze woorden reiken. Merk op waarmee de koning geprezen wordt. Niet met zijn afkomst of zijn leger, maar met zijn woord, zijn gerechtigheid en zijn zachtmoedigheid. Let ten slotte op de volgorde van Ps. 45:8. De zalving met vreugdeolie volgt op het liefhebben van de gerechtigheid; de verhoging komt na de gehoorzaamheid. Typologie: De Hebreeënbrief legt deze twee verzen uitdrukkelijk in de mond van de Vader tot de Zoon: "Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid" (Hebr. 1:8), en: "Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat" (Hebr. 1:9). Ps. 45:1-10; Hebr. 1:8; Hebr. 1:9 "Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis" (Ps. 45:11). Van de bruid wordt dus gevraagd dat zij zich losmaakt van wat achter haar ligt. Wat daarop volgt is een belofte: "Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder" (Ps. 45:12). Zij wordt beschreven in koninklijke kleding, met goud van Ofir (Ps. 45:10), en van haar staat er: "Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel" (Ps. 45:14). Zo wordt zij tot de Koning geleid, met blijdschap en verheuging (Ps. 45:15-16). Bijbelse betekenis: Het eerste dat van de bruid gevraagd wordt, is horen. Pas daarna komt het zien, en daarna het loslaten van het vaderhuis; de volgorde is die van het geloof. Merk op wat er in Ps. 45:14 gezegd wordt. Haar heerlijkheid heet inwendig, en pas daarna wordt haar kleding genoemd; het uiterlijke volgt op wat van binnen is. Wie deze psalm leest met Hooglied en met Ef. 5 in gedachten, herkent hier de gemeente die aan haar Koning verbonden wordt. Het register gaat daarin niet verder dan de Schrift zelf: de psalm is een bruiloftslied, en het Nieuwe Testament past juist het eerste deel ervan op Christus toe. Typologie: Paulus beschrijft de gemeente die Christus Zichzelf voorstelt met dezelfde nadruk op wat innerlijk is: "een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft" (Ef. 5:27). Ps. 45:11-17; Ef. 5:27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een bruiloftslied voor een koning: er is een bruidegom, een bruid, geuren, ivoren paleizen en een stoet. Het opschrift noemt het een lied der liefde. En dan wordt de koning aangesproken op een manier die geen koning past. Midden in een bruiloftslied wordt de bruidegom God genoemd — en de Hebreeënbrief past dat vers rechtstreeks op de Zoon toe. Het begint als hofpoëzie: mijn hart geeft een goede rede op; ik zeg mijn gedichten uit van een Koning. De dichter prijst de bruidegom om zijn schoonheid en zijn woorden — genade is uitgestort in Uw lippen. Maar in vers 7 wordt de aanspraak ineens onmogelijk voor een mens: Uw troon, o God, is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid. En het volgende vers maakt het nog verwonderlijker, want daar staan er als het ware twee: Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie. De aangesprokene heet God, en Hij heeft een God. De kanttekening wijst aan wie dat is — de Vader — en verwijst naar het woord van de opgestane Christus: Ik vaar op tot Mijn God en uw God. Bij de vreugdeolie tekent zij aan: versta de zalving van de Heilige Geest, met verwijzing naar de prediking van Petrus in Handelingen 10. De Hebreeënbrief citeert beide verzen woordelijk in zijn eerste hoofdstuk, om aan te tonen dat de Zoon uitnemender is dan de engelen: tot den Zoon zegt Hij, Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid. Het tweede deel van de psalm gaat over de bruid: hoor, o dochter, en vergeet uw volk en uws vaders huis; zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid. Zij wordt in geborduurde klederen tot de Koning geleid. Paulus schrijft dat Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, niet hebbende vlek of rimpel. Wat hier bezongen wordt, blijkt aan het slot van de Schrift de bruiloft des Lams. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 1:8-9; Efeze 5:25-27; Openbaring 19:7-9; Handelingen 10:38
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Hoe langer wij naar Christus kijken, des te meer er te zien valt. U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen. Psalm 45:8 Je kunt niet bevatten hoe verheugd… Deze preek is gepubliceerd op donderdag 7 maart 1912. Uitgesproken op zondagavond 18 februari 1866, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Gord Uw zwaard aan… Een preek uitgesproken door C.H. Spurgeon, op donderdag 27 februari 1908, In de New Park Street Chapel, Southwark Genade is op Uw lippen uitgestort Psalm 45:3 Wat een onuitputtelijk… Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden. Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U bent veel mooier dan de andere mensenkinderen. Psalm 45:3 De Persoon van de Heere Jezus is als een edelsteen. Hij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U haat goddeloosheid. Psalm 45:8 Word boos, maar zondig niet.’ Er kan bijna niets goeds in iemand zijn, die de zonde… 11 Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. 12 Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl… 1 Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim. 2 Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Van waar zij U verblijden. Psalm 45:8 En wie zijn het die zo bevoorrecht zijn dat ze de Heiland mogen verblijden?… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 45
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uw troon, o God, is eeuwiglijk — 45:2-18
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Vreugdeolie
De almachtige Strijder
De genade die op de lippen van Jezus is uitgestort
God verheugd zich in ons
U bent veel mooier dan de andere mensenkinderen
U haat goddeloosheid
Psalm 45:11-18
Psalm 45:1-10
Maak de Heere blij


Psalmen 45
Wij mogen de vijfenveertigste psalm beschouwen als een soort samenvatting van het Hooglied. Hij is over hetzelfde onderwerp geschreven, en dat is niet het huwelijk van Salomo met de dochter van Farao — alleen de wonderlijkste en meest grillige inval zou de dochter van Farao ooit in deze psalm of in het Hooglied gevonden kunnen hebben. Het is een beschrijving van Christus en Zijn gemeente: een lied der liefde tussen dat paar dat voor eeuwig verloofd is en spoedig samen zal aanzitten aan het bruiloftsmaal in de heerlijkheid.
Het is een onderwijzing, en toch een lied der liefde; want de wetenschap van de liefde tot Christus is de uitnemendste van alle wetenschappen. Christus kennen is Hem liefhebben, en wij zijn het best onderwezen die Hem het meest liefhebben.
Psalmen 45:2.KruisverwijzingenLukas 4:22→Psalmen 21:6→Jesaja 50:4→Hebreeën 1:3→Zacharia 9:17→Hebreeën 7:26→Johannes 1:14→Openbaring 1:13→
— Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
Soms zou het hart kunnen spreken als het de tong maar in beweging kon brengen. Maar het is een gezegend uur voor ons wanneer eerst het hart geheel verwarmd wordt met liefde, en dan het vuur daarbinnen de banden verbrandt die de tong binden, zodat de tong recht blijmoedig begint te bewegen om de liefde van het hart uit te drukken.
De grondtekst heeft hier: mijn hart kookt over van een goede zaak — het borrelt op. Alsof elk vers van deze psalm, om zo te zeggen, het opborrelen was van een kokend hart dat verhit is door de liefde van Christus. Van Origenes wordt gezegd dat hij altijd met grote ernst en gloed predikte, maar dat hij, wanneer hij over Christus sprak, geheel in vuur leek te staan. Zo behoren ook onze zielen in vuur te staan wanneer ons hart spreekt van de goede zaak die Christus aangaat.
“Ik zegge mijn gedichten uit van een Koning.” Dat is een getrouw onderwerp, want het betreft Koning Jezus. En let op: een mens kan nooit zo goed spreken over de dingen die hij geleerd of gehoord heeft als over de dingen die hij zelf gemaakt heeft, dat wil zeggen: die hij ondervonden heeft. Theoretische godgeleerdheid is van weinig waarde. Wij moeten haar in het hart hebben, en haar als eigen bezit hebben. Dit is uw levenstaak en de mijne, geliefden: aan anderen te vertellen wat wij aangaande den Koning ons eigen gemaakt hebben.
“Mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.” Een vaardig schrijver schrijft wat hij tevoren bedacht heeft, wat hij goed overwogen en verwerkt heeft. Zo verklaart de psalmist dat dit verrukte lied even zeker waar is als het geschreven woord van een doordachte, ervaren pen. En toch is het alsof zijn tong door een andere hand bewogen wordt, zoals een pen bewogen wordt: hij staat op het punt dingen uit te spreken die de zijne zijn en toch niet de zijne — dingen die hij gemaakt heeft, maar die de Geest ingeeft.
Psalmen 45:3.KruisverwijzingenHebreeën 4:12→Openbaring 1:16→Jesaja 49:2→Psalmen 21:5→Psalmen 96:6→Openbaring 19:15→Jesaja 63:1→Psalmen 145:12→
— Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
Nauwelijks begint hij over Christus te schrijven, of hij ziét Hem. Een warm hart ontsteekt spoedig de verbeelding. Het oog des geloofs gaat spoedig open zodra het hart recht is. Wij gevoelen de tegenwoordigheid van Christus. Wij beginnen over Hem en tót Hem te spreken. Het is zoet over Christus te overdenken wanneer Christus Zelf tegenwoordig is; het is gezegend werk over Christus te spreken wanneer u tegelijk tót Christus spreken kunt.
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.” Het Hebreeuwse woord staat hier verdubbeld, als wilde het zeggen: “Gij zijt dubbel schoon; Gij zijt schoon, schoon, tweemaal schoner dan de mensenkinderen.” Zowel in uiterlijke gestalte — al was Zijn gedaante hier zo bitter geschonden — als in persoonlijk karakter is onze Heere Jezus Christus schoner dan de mensenkinderen. O, of Christus vanavond slechts een hoek van Zijn sluier oplichtte en u maar één van Zijn ogen liet zien! Uw hart zou verrukt worden door Zijn oneindige schoonheid.
“Genade is uitgestort in Uw lippen.” De genade is op de allerovervloedigste wijze op Christus uitgegoten, en nu stroomt er van Zijn lippen een ware waterval van genade: vloeden van liefde en tederheid en heilige welsprekendheid stromen van Zijn lippen. Sprak Hij maar een half woord in ons vermoeide oor, dan zouden wij zeggen: genade is uitgestort in Uw lippen. O, om enig besef en gezicht van Hem! Hongert ons hart daar vanavond niet naar?
“Daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.” De Middelaar, de God-mens Christus Jezus, is van God gezegend. De zegen des Allerhoogsten rust op Hem, omdat Hij zo oneindig liefelijk is. Zijn woorden zijn onuitsprekelijk genaderijk; en als God Hém zegent, zullen wij Hem dan niet zegenen? Als God Zelf Hem prijst, zullen wij Hem dan niet prijzen? Laten wij niet zwijgen, maar waar God voorgaat, laten wij Hem blijmoedig volgen.
Psalmen 45:4-5.KruisverwijzingenPsalmen 65:5→Psalmen 110:2→Openbaring 6:2→Psalmen 21:12→Psalmen 22:27→Numeri 24:8→Psalmen 38:2→Psalmen 2:9→
— Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
Het hart gloeit nooit van liefde tot Christus zonder dat er als gevolg daarvan een verlangen is dat Zijn koninkrijk uitgebreid wordt. Het is een instinct van een liefhebbend hart dat het de eer begeert van hem dien het liefheeft. Wij verlangen ernaar dat Christus heerst en regeert, enkel omdat wij Hem liefhebben.
De psalmist heeft den strijdenden Christus lief — Christus met het zwaard aan de heup. Het is zoet den Vredevorst te zien en te weten dat Hij tot ons hart komt met onuitsprekelijk dierbare zegeningen; maar toch is ook de schrikwekkende zijde van Christus Zijn heiligen dierbaar. Zij vragen Hem Zijn zwaard aan de heup te gorden. Een gewapende Christus kan alleen gewapend zijn tot verdediging van Zijn volk en tot hun verlossing uit de gevangenschap. Wees daarom, o Liefelijkste der liefelijken, ook de Machtigste der machtigen. Want dit is een van de namen van Christus: “Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.”
Er zijn drie dingen die het in deze wereld zwaar te verduren hebben. Het eerste is de waarheid, die door de dwaling omsingeld wordt als een opgejaagde hinde door honden. O God, verdedig Uw waarheid! Het tweede is de zachtmoedigheid. Een zachtmoedige geest heeft het zwaar onder de hardvochtige mensenkinderen. Zij begrijpen zachtmoedigheid niet; zij noemen de zachtmoedige een slappeling en maken vermaak uit zijn vriendelijkheid. En het derde is de gerechtigheid, te midden van een goddeloos geslacht dat het bittere zoet noemt en het zoete bitter, duisternis licht en licht duisternis.
Maar o U, Die de waarheid en de zachtmoedigheid en de gerechtigheid in eigen persoon bent, kom uit met Uw scherpe zwaard en strijd voor deze dingen! Wij vragen den HEERE niet in de wereld te komen ter wille van pracht en hoogmoed en macht. Wij begeren alleen dat Zijn veldslagen veldslagen der liefde zullen zijn; wij vragen Hem alleen het koninkrijk der waarheid, der zachtmoedigheid en der gerechtigheid uit te breiden.
Psalmen 45:6.KruisverwijzingenPsalmen 93:2→Daniël 2:44→Hebreeën 1:8→Jesaja 9:6→Openbaring 19:11→Psalmen 145:13→Lukas 1:32→Jeremia 23:5→
— Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.
Christus heeft niet alleen macht nabij, met Zijn rechterhand, maar ook van verre schiet Hij de pijlen van Zijn boog, en heidenen worden gemaakt te gevoelen dat het Evangelie machtig is. Op sommige oude reliëfs ziet men oosterse vorsten in hun wagens rijden, misschien op de jacht of hun vijanden achtervolgend, met boog en pijl in de hand en het zwaard op de heup. Zo wordt ook onze Zaligmaker hier levendig getekend. Zijn Woord is Zijn zwaard, en het getuigenis van Zijn dienaren maakt Hij tot scherpe pijlen die in de harten van Zijn vijanden blijven steken.
O, of Hij het nu deed, zodat zij die mijlenver van Hem af zijn tot hun eigen verrassing een schicht recht in hun hart voelden komen, en onder de macht van Christus vielen en tot Hem riepen om te komen en de wonde te genezen die Zijn eigen pijl gemaakt heeft! Hij zal het doen, want er staat geschreven: “Ik versla en Ik heel”; en waar Christus in barmhartigheid wondt, daar heelt Hij ook in barmhartigheid.
Psalmen 45:7.KruisverwijzingenPsalmen 33:5→Hebreeën 1:9→Psalmen 21:6→Kolossenzen 1:18→Efeze 1:3→Johannes 3:34→Jesaja 61:1→Romeinen 8:29→
— Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
Let erop dat er hoe langer u naar Christus kijkt, des te meer te zien valt. Eerst zei de zanger: “Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen”; en nu roept hij: “Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos.” Die mens heeft niet veel van Christus gezien die Hem niet als God heeft leren kennen — God op de troon, God op een eeuwige troon.
Heeft iemand van u nog niet in Christus als God geloofd, dan bid ik dat u het doen mag; want dan kent u den Christus der Schriften in het geheel niet, hoe hoog u Zijn zedelijk karakter als opperste in wijsheid ook aanslaat — tenzij u zeggen kunt: “Mijn Heere en mijn God!”, gelijk Thomas deed toen hij de wonden des Heeren zag.
Dit had van Salomo niet gezegd kunnen worden, want hij is nooit God genoemd; het ziet op niemand anders dan op Christus den Koning, Wiens troon eeuwiglijk en altoos is. Laten zij die dat willen Zijn Godheid ontkennen; het zal de vreugde van ons hart zijn Hem te aanbidden en Hem, Die onze Broeder is, met ronde woorden aan te spreken als waarachtig God uit waarachtig God.
“De scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.” Daar ligt de blijdschap ervan! Christus heeft een volstrekte souvereiniteit, maar die volstrekte souvereiniteit gaat nooit buiten het gebied van het recht.
Psalmen 45:8.KruisverwijzingenHooglied 1:3→2 Korinthe 2:14→Johannes 19:39→Hooglied 4:6→Mattheüs 2:11→Hooglied 4:13→Johannes 14:2→Amos 3:15→
— Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
Christus is niet onzijdig. Hij heeft de gerechtigheid lief en Hij haat de goddeloosheid. Hij is in alles wat Hij doet als vuur. Er is bij Hem een zekere sterkte van hart, zowel om lief te hebben als om te haten; en juist daarom heeft God Hem lief, want God haat de lauwheid. “Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen”, zegt Hij.
En wilt u de vreugdeolie hebben, geliefde vrienden, dan moet u niet onzijdig zijn. U die tussen beide in leeft — die niet erg goed en niet erg slecht bent, geen besliste wereldling en ook geen beslist christen — u hebt nooit enige blijdschap. U gaat immers niet genoeg de wereld in om haar vreugde te krijgen, hoe slecht en laag die ook is; en u gaat niet genoeg het koninkrijk van Christus binnen om díe vreugde te krijgen. Zo krijgt u van geen van beide zijden troost. O, om geheel in het koninkrijk geworpen te worden, als een mens in de diepe zee, en er geheel in verzwolgen te zijn! In zijn diepste diepten zijn de zoetste wateren.
Hij is de Metgezel ván ons en toch gelijk aán God: de gezalfde Mens, de Christus, en toch de regerende God. Ere zij Zijn Naam!
Psalmen 45:9.Kruisverwijzingen1 Koningen 2:19→Openbaring 21:9→Hooglied 6:8→Jesaja 60:10→Hooglied 4:8→Efeze 5:26→Openbaring 21:2→Openbaring 19:7→
— Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
Niet alleen Christus is dierbaar, maar alles wat Hem aanraakt. Er hangt geen kleed aan Zijn schouder dat niet zoet wordt door de aanraking met Hem. “Al Uw klederen zijn mirre.” Er is mirre aan het priesterlijk gewaad dat tot Zijn voeten neerhangt, en aan de gouden gordel Zijner getrouwheid die om Zijn lendenen gegord is. Er is mirre en aloë en kassie aan Zijn kroon, al is die van doornen.
“U dan, die gelooft, is Hij dierbaar” — maar zelfs Zijn klederen zijn ermee doortrokken, of Hij nu Zijn priesterlijke gewaden aandoet, of Zijn koninklijke opschik, of Zijn profetische mantel. Bittere zoetheden alle. O, in Christus is een wonderbare bittere zoetheid: de weedom des doods die ons leven voortbrengt, de weedom der smart die ons blijdschap brengt, Zijn vernedering tot onze verhoging.
Psalmen 45:10.KruisverwijzingenHooglied 2:10→Deuteronomium 21:13→2 Korinthe 5:16→2 Korinthe 6:17→Jesaja 55:1→Genesis 12:1→Lukas 14:26→Genesis 2:24→
— Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
Niemand wordt zo geëerd als wie den Zaligmaker dient. Het zijn eerbare vrouwen die Hem van hun goederen dienen en die vaak in Zijn tempel gevonden worden, gelijk Anna vanouds. Dat zijn koningsdochters, ieder van hen. En wat Zijn gemeente als geheel betreft: zij is een koningin.
Gezegende koningin van Christus, Zijn gemeente! Laten wij nooit klein van haar denken. Er zijn er die altijd roepen: de kerk, de kerk, de kerk; maar dat is niet de ware gemeente die de plaats van Christus tracht in te nemen — dat is de antichrist. De ware gemeente heeft haar plaats, en die is aan de rechterhand van haar eigen Bruidegom, waar zij zit in het beste van het beste: in goud, en dat het goud van Ofir, want Hij spaart niets voor haar schoonheid en haar heerlijkheid.
Psalmen 45:11-12.KruisverwijzingenJesaja 54:5→Psalmen 22:29→Psalmen 95:6→Jesaja 49:23→Psalmen 72:10→Johannes 20:28→Hooglied 1:12→Efeze 5:26→
— Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.
Wij kunnen Christus niet grondig kennen tenzij wij ophouden de wereld te kennen. Er moet een vergeten zijn zo goed als een gedenken. Wij moeten het huis van onze vader vergeten en er geheel uit weggaan. Zal Christus Zijn gemeente liefhebben, dan moet zij in de diepste zin van het woord niet gelijkvormig zijn: “wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds”. Wij moeten de wereld niet alleen niet liefhebben, wij moeten er ook niet aan denken.
Al is de gemeente in de wereld opgevoed, zij moet ervan gescheiden zijn. Hoe meer onderscheid er tussen christenen en wereldlingen kan zijn, des te beter zal het voor beide zijn. Christus bewondert de schoonheid van Zijn gemeente zeer wanneer zij van de wereld gescheiden is. Kan een kerk niet staan zonder de steun van de burgerlijke macht, laat haar dan vallen; maar gelukkig is die gemeente die alleen op den Koning Zelf leunt en tevreden is met de bruidsgave die Híj haar geeft.
Wij dachten aan Zijn schoonheid. Maar zie: zodra wij de schoonheid van Christus zien, legt Christus een schoonheid op óns; en wanneer wij de schoonheden van Christus leren kennen, zien wij spoedig schoonheden in Zijn gemeente. Ik heb bemerkt dat zij die geen hoge achting voor de gemeente Gods hebben, ook geen hoge achting hebben voor het Hoofd der gemeente; maar wordt Hij liefgehad, dan wordt Zijn volk om Zijnentwil liefgehad. Er is een oud spreekwoord dat zegt: heb mij lief, heb mijn hond lief. Veel meer mogen wij zeggen: heb Christus lief, heb Zijn gemeente lief.
“Zo buig u voor Hem neder.” Dit is de grote taak van de gemeente: de eredienst van haar Heere voort te zetten. En ik geloof dat wij, zoals wij hier vanavond samen zijn, voor het edelste doel onder den hemel samen zijn. Wanneer het volk van God samenkomt om te aanbidden, doen zij wat de engelen voor den troon doen — een bezigheid waarvan die dag noch nacht ophouden.
Psalmen 45:13.KruisverwijzingenJesaja 61:10→Openbaring 19:7→Lukas 11:40→2 Korinthe 5:17→Romeinen 3:22→Psalmen 45:9→Romeinen 13:14→Hooglied 7:1→
— En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
Maar zij is een heidin, zij is een koopvrouw. Wat weet zij van den Koning Israëls? Ach, maar wanneer Israël zijn Koning erkent — wanneer de gemeente van Christus zich in Christus verlustigt en op Hem verzot is — dan zal zij bekeerlingen in overvloed hebben, uit de minst waarschijnlijke plaatsen.
De dag komt dat de gemeente van Christus door alle mensen geëerd zal worden. De koopvorsten, die haar nu voor niets achten, zullen met hun geschenk tot haar komen, en zij die haar eens veracht hebben zullen haar aangezicht smeken.
Psalmen 45:14-15.KruisverwijzingenRichteren 5:30→Openbaring 14:1→Hooglied 6:8→2 Korinthe 11:2→Hooglied 6:13→Exodus 28:39→Hooglied 8:13→Hooglied 1:3→
— Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
Wie heeft dat gewrocht dan haar Koning, Wiens eigen rechterhand het kostelijke weefsel heeft uitgehamerd en daarna elke gouden draad heeft genomen en met Zijn eigen bloedende hand tot een heilig gewaad heeft geweven dat de sterren overleven zal? “Haar kleding is van gouden borduursel.”
Gelukkig was Johannes de Doper, dat hij de vriend des Bruidegoms mocht zijn; en gelukkig zijn de harten van hen die de bruidsmeisjes zijn van Zijn gemeente: de jonge dochters, haar medegezellinnen, die haar volgen. Gelukkig zijn die zuivere, jonkvrouwelijke geesten die zich nauwelijks durven inbeelden dat zij een deel van de bruid mogen heten, maar die haar toch volgen en dicht bij haar blijven. Zij zijn werkelijk een deel van haar, en zij “zullen tot U gebracht worden”.
Psalmen 45:16-17.KruisverwijzingenOpenbaring 5:10→Openbaring 1:6→1 Petrus 2:9→Maleachi 1:11→Openbaring 20:6→Filippenzen 3:7→Jesaja 62:3→Psalmen 72:17→
— Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis. In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
Er is wel zoiets als een apostolische opvolging, al is het niet het verzinsel dat gewoonlijk zo genoemd wordt. De HEERE verwekt bestendig nieuwe discipelen, nieuwe predikers en nieuwe leraars, die Hij tot vorsten maakt in Zijn hoven op aarde en die vorsten zullen zijn in Zijn hemelse hoven tot in alle eeuwigheid.
Psalmen 45:17.KruisverwijzingenMaleachi 1:11→Jesaja 62:3→Psalmen 72:17→Jesaja 61:9→1 Korinthe 11:26→Jesaja 59:21→Psalmen 22:30→Hooglied 6:9→
— In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
Zo zal Jezus heersen waar de zon ook haar opeenvolgende loopbanen aflegt; Zijn koninkrijk zal zich uitbreiden van kust tot kust, totdat de maan niet meer zal wassen en afnemen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ene onderwijzing (Psalm 32: 1; 42: 1; 44: 1), een lied der liefde, een leerdicht over edele, heilige liefde, over de geestelijke bruidsbetrekking, voor den opperzangmeester, om voor te zingen en dus voor godsdienstig, gebruik bestemd, onder de kinderen van Korach (1 Kronieken 25: 31 ), op Schóschannim, op de wijs van het lied: de lelies (Psalm 69: 1). In dezelfde betrekking, waarin Psalm 42 en 43 tot Psalm 63 en Psalm 44 tot Psalm 60 staan, staat onze Psalm tot Psalm 72, die door Salomo vervaardigd is. Uit den tijd van dezen koning is dan ook het voor ons liggende lied afkomstig, het neemt, voor zover het een typisch karakter heeft, Salomo tot voorbeeld van Hem over wie het in profetischen geest spreken wil. Deze is geen ander, dan de toekomstige Koning der gemeente, de beloofde Messias en wel in ‘t bijzonder, gelijk Hij in betrekking staat tot de gemeente, die zijne bruid is (Openbaring 21: 2, 9; 22: 17). Is het lied, gelijk wij bij 1 Koningen 9: 25 dit vermoeden hebben uitgesproken, de omwerking van een bruidslied tot een geestelijk, zo is te begrijpen, waarom zo menige uitdrukking hier gevonden wordt, die op het gebied van het zinnelijke te huis behoort en op geestelijk gebied allegorisch moet verstaan worden. Veel uitleggers stellen de zaak zo voor, alsof het oorspronkelijke bruiloftslied, nadat de daarin uitgesprokene wensen en gedachten, ten oprichte van den eigenlijk bedoelden koning, te boog en overdreven waren, ene geestelijke metamorfose, door middel van allegorie ondergaan heeft, en alzo voor het godsdienstig gebruik bestemd en in den Kanon opgenomen is. Dat wij integendeel ene werkelijke omwerking van het oorspronkelijke lied voor ons hebben, blijkt uit het gehele karakter van den Psalm, die ter nauwernood nog een typisch-profetische integendeel veel meer een profetisch-Messiaanse is. 2.
I. Vs. 2-7.KruisverwijzingenPsalmen 33:5→Hebreeën 1:9→Lukas 4:22→Hebreeën 4:12→Openbaring 1:16→Psalmen 93:2→Psalmen 21:6→Kolossenzen 1:18→
— Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers. Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden. Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
Nadat de zanger vooreerst de stemming gekenschetst heeft, die zijn hart vervult, namelijk vurige liefde den Koning, wiens lof hij wil bezingen, karakteriseert hij dezen vervolgens als den schoonsten onder de kinderen der mensen, over wiens gehele bestaan liefelijkheid en bevalligheid uitgestort is, en die reeds in deze uitwendige gedaante het pand en zegel van enen buitengewonen en eeuwigdurenden goddelijken zegen in zich draagt (vs. 2 en 3). Vervolgens verkondigt hij Zijne eer als van enen held vol majesteit en Goddelijke macht, die in den strijd voor waarheid en recht grote daden zal volbrengen, en Zijne vijanden zal vernietigen (vs. 4-6) maar ook Zijne eer als van enen, dien hij niet schroomt met den naam aan God aan te spreken, Wiens heerschappij ook zonder einde is en de rechtvaardigste en meest vreugdevolle tevens (vs. 7 en 8). Vervolgens terwijl hij Hem als bruidegom schildert op den dag Zijner bruiloft, (vs. 9 en 10) bereikt het lied, dat volgens het opschrift een bruidslied en ene onderwijzing moet zijn, de hoogte, waarnaar het van den beginne af gestreefd heeft. Zo zeker het vaststaat, dat deze Psalm voor Salomo is gedicht, zo onzeker is het wie zijn bewerker is. Hij wordt genoemd een lied der liefde, niet dewijl het de vaderlijke liefde Gods in de weldaden, waarmee Hij Salomo heeft versierd, zoals sommigen willen, verheft, maar dewijl hij bevat een gelukwensing, omtrent een vreugdevol en gelukkig huwelijk. Onder de figuur van Salomo wordt het heilig en goddelijk huwelijk van Christus met de Kerk voorgesteld.
Mijn hart geeft ene goede rede op, een lied van hoog verheven inhoud, waarvan het te vol is, dan dat het zou kunnen achterblijven 1) (Luk. 6: 45); ik zegge mijne gedichten uit van enen Koning 2), wiens heerschappij al mijn denken en verlangen inneemt; mijne tong, die zo snel in woorden uitspreekt wat het hart haar vóórzegt, is ene pen eens vaardigen schrijvers 3).
Leert hier het nieuwe hart der gelovigen kennen, waarin Christus woont door het geloof, dat van den Heere Christus zo vol is, dat het overloopt gelijk ene bron; het kan niet zwijgen, het moet zich openbaren.
Voorwerp van zoveel lof, het behoeft nauwelijks aanwijzing, kan slechts een Israëlitisch koning geweest zijn. Het gevoelen van enkele uitleggers, dat hier een Perzisch vorst wordt gehuldigd, moge ene schijnbare aanbeveling vinden in de vermelding ener menigte provincies (vs. 17), het lijdt schipbreuk voor de eenvoudige opmerking, dat geen Israëlitisch zanger een heidens vorst zou verheerlijkt hebben met zulke namen en titels. -Nog eens, wie is deze koning? Men heeft in naam der wetenschap de dwaze stelling verdedigd, dat hier aan het huwelijksfeest van Achab en Jesabel, de Sidonische prinses, zou te denken zijn. Maar de verlegenheid moet wel hoog geklommen zijn, wanneer men niet dadelijk inziet, dat geheel de beschrijving slechts van enen koning kan gelden, wiens luister die van andere vorsten te boven streeft en een tijdperk van bloei veronderstelt, zo als Israël slechts uiterst zelden beleefde. Wij durven het vrijmoedig beweren: is hier werkelijk een Israëlietisch koning bezongen, die koning kan slechts de geheel enige Salomo zijn. Werkelijk hebben dan ook velen aan hem bij voorkeur gedacht, en in zijn huwelijk met ene Egyptische prinses (1 Koningen : 3: 1) de waarschijnlijke aanleiding tot dit lofdicht gevonden. Wij zullen hiertegen niet inbrengen, dat de hier voorkomende beschrijving van moed en triomf niet op Salomo, den vredevorst, past. Men zou kunnen antwoorden, dat de zanger zijnen hoofdpersoon idealiseert, en dat alzo niet alle trekken der schets uit het leven behoeven genomen te zijn. Maar en zijn andere, zo wij menen, onoverkomelijke zwarigheden tegen de mening, dat hier Salomo bezongen zou worden. Zou men in den tempel, aan den enen Waarachtige toegewijd, aan Salomo de godslasterlijke hulde hebben toegebracht, dat hij veel schoner was dan alle mensenkinderen; dat hij een God was, wiens troon in eeuwigheid stond, dat hij, als God door God was gezalfd? Wanneer heeft ooit Salomo een huwelijk niet slechts met ééne uitheemse vorstin, maar met onderscheidene vrouwen gelijktijdig gesloten, gelijk het hier toch onduidelijk voorgesteld wordt? Wordt het hem niet juist tot oneer gerekend (1 Koningen 11:
, dat hij zich met vreemde vrouwen in zo groten getale omstuwde? En kan het van hem zonder onzinnige overdrijving gezegd worden, dat hij zijne zonen tot vorsten over heel de aarde zou zetten, en dat de volken hem eeuwig en altoos zouden loven? Inderdaad, men gevoelt zich na de herhaalde overweging van ene en andere vraag schier onwederstaanbaar gedrongen, om zich aan de zijde dier uitleggers te scharen, die hier een profetisch lofgedicht vinden ter ere, niet van enig ander Israëlietisch koning, maar van den Messias zelven vervaardigd. Zo dacht ook de schrijver van den brief aan de Hebreeën (Hoofdstuk 1: 8, 9). En dat hij alzo terecht heeft geoordeeld, wordt, naar wij menen, door ene onpartijdige beschouwing van inhoud, toon en strekking des lieds boven alle bedenking verheven. De inhoud toch is de lof van een koning, in wien eigenschappen verenigd worden aangetroffen, zo als geen monarch in enig tijdstip van Israëls geschiedenis ooit gelijktijdig bezeten heeft. De toon is niet slechts van nationale of vorstenlievende, maar van Godgewijde verrukking, die Jehova verheerlijken wil juist door lof van Zijnen gunstgenoot. En de strekking is zo kennelijk, om den bezongen vorst voor te stellen als een bovenmenselijk wezen, dat Salomo, zo hij zich werkelijk deze hulde liet aanleunen, nog zwaarder gezondigd heeft, dan toen hij de knie voor het verfoeisel der Ammonieten en den God der Zidoniërs boog. -Slechts in een viertal Psalmen kon Theodorus Mopsuestenus het beeld van den Messias ontdekken, maar toch naast den 2den, 8sten en 10den hield bij ook den 45sten vast.
Achten wij ons zelven om onze armoede en zwakheid naar den inwendigen mens niet te gering, dat niet ook onze gesprekken en gebeden, getuigenissen en belijdenissen goede liederen van onzen koning, en onze tong de pen van enen goeden schrijver zou kunnen zijn; alleen de mate van den H. Geest is daarbij verschillend, maar niet het wezen.
Gij, o Koning, dien ik wil bezingen, Zijt veel schoner 1) dan de mensenkinderen, een ideaal voor menselijke schoonheid, dat door niemand wordt bereikt; genade is uitgestort in uwe lippen 2), ene onbegrijpelijke bekoorlijkheid is daarover als van boven uitgegoten, zodat zij schoon zijn, en reeds voordat zij zich openen het hart wonderbaar aangrijpen en een voorgevoel geven van de liefelijke woorden, die daarachter verborgen liggen (Luk. 4: 22. 4.22 (Joh. 7: 46); daarom, omdat zulk ene schoonheid ene meer dan aardse is, en niet als die, welke blijkt een bedrieglijk beeld te zijn (Spreuken 31: 30), maar integendeel de uitdrukking van een U inwonend hemels wezen (Joh. 1: 14); daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid; uit haar zien wij den onbegrensden en onvergankelijken zegen, dien God u geschonken heeft.
De schoonheid is volgens Bijbelse begrippen ene gave Gods, en geeft dikwijls te kennen, dat God ene bijzondere bedoeling met den mens heeft. Men denke aan de schoonheid van Jozef (Genesis 39: 6), van het kindeke Mozes, welke den ouders als teken van zijne hoge bestemming voorkomt (Exodus 2: 2; vergelijk ook 1 Samuel 9: 2; 15: 12), de schoonheid der dochters van Job, die hem na zijne herstelling geboren werden (Job 42: 15). Die van den Koning Messias is echter boven alle menselijke schoonheid verheven, waarbij men zich zeker de Messiaans klinkende plaats Jes. 33: 17 herinnert: “Uwe ogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheid.”. In den zondelozen toestand moet de schoonheid des geestes zich ook volkomen in de lichamelijke openbaren. Zo moet het ook bij Christus geweest zijn; de mening die omtrent Christus een tijdlang in de oude Kerk heerste, alsof aan Hem gene schoonheid zou geweest zijn (volgens Jes. 53: 2) werd spoedig door de Christelijke kunst overwonnen. In het aangezicht van Christus moet de hemelse ziel zich afgemaald hebben, en als de kinderen den Heere met vrolijk vertrouwen naderden en Hem Hosanna toeriepen (Matth. 21: 15), zo geeft ons dit een bewijs van den onmiddellijken indruk, dien Hij maakte: kinderen hebben veel gevoel voor de uitdrukking der gelaatstrekken.
De Heere Jezus was ongetwijfeld de schoonste van de kinderen der mensen, ofschoon Hij als een man van smarte doorgaans hogen ernst, ook in Zijn gelaat ten toon spreidde: daarom was zijne schoonheid gene zinnelijke, zoals vleselijke mensen zich haar voorstellen, ene schoonheid, welke enkel in sierlijke evenredigheid van vormen bestaat; neen, maar zij was ene geestelijke schoonheid, welke zich ook lichamelijk in gestalte en gelaatstrekken openbaart. Alleen de geestelijk ziende mensen konden de schoonheid des Heeren onderscheiden en onderscheidden haar.
O schone zon, en schone maan, en schone sterren, en schone bloemen, schone rozen lelies, maar o tienduizend maal duizend schonere Heere Jezus. Helaas! ik doe Hem onrecht door deze vergelijkingen te maken. Zwarte zon en maan, maar o schone Heere Jezus. O zwarte bloemen en zwarte lelies en rozen! Maar o schone, schone, eeuwig schone Heere Jezus. O zwarte hemel! maar o schone Christus! O zwarte engelen, maar o oneindig schone Heere Jezus. In Christus kunnen wij zien en moeten wij erkennen al de schoonheid en beminnelijkheid beide van hemel en aarde. De schoonheid des hemels is God, de schoonheid der aarde is de mens. De schoonheid van hemel en aarde te zamen is deze Godmens.
De Heere Jezus had in alles ene goddelijke gratie van toon. Al wat Hij zei was goddelijk schoon, en goddelijk schoon was de wijze, waarop Hij het zei. Zie het te Nazareth. Allen, die Hem hoorden, verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijnen mond kwamen. Doch de bewondering maakte terstond plaats voor verbittering en haat, toen Jezus hun de waarheid zei en hun conscientiën doorstak Waren toen Zijne woorden minder schoon? Neen, maar de opgewekte hartstocht hoorde ze niet meer.
Gord Uw zwaard aan de heup, O Held! want al zijt Gij in een opzicht Koning des vredes, zo wachten u aan de andere zijde zware strijden, die Gij te voeren hebt, omgordt U met Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid. Christus ware niet de eeuwig Gezegende, in wien alle geslachten der aarde zouden gezegend worden, zo Hij niet bekleed ware met het sieraad van overwinnende majesteit en heldenkracht. Gelijk daarom in Jes. 9: 6 op den naam “Raad” de naam “sterke God” volgt, zo ook hier op den lof Zijner vriendelijke lippen, die van Zijne heldenkracht. Het is toch hier om niets minder te doen dan om in de wereld van zondaren den vergeten en verlaten God weer op den troon en tot de regering te brengen, den satan te binden en te overwinnen in dengenen, die in zijne boeien gekluisterd liggen, de gehele menigte van leugen, vleselijke begeerlijkheid en ongerechtigheid te verwoesten, en zijn lief Zion op die puinhopen te bouwen: want de belofte is, dat Hij het deel aan velen zal geven en de machtigen als een roof zal delen (Jes. 53: 12 53.12).
Christus is de held bij uitnemendheid, die niet aan de spits van een leger tegen mensen, maar die alleen tegen al de machten der duisternis, tegen satan en zijne engelen den strijd opnam en ze allen volkomen en voor eeuwig overwon, en daarom allen, die in Hem geloven, de macht geeft op slangen en schorpioenen te treden en over alle kracht des vijands de Held dus, die de Zijnen tot helden maakt.
En rijd voorspoediglijk in Uwe heerlijkheid 1), op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid 2), als op enen strijdwagen (1 (Koningen 22: 30 vv.), opdat die waarheid de heerschappij op aarde verkrijge (Jes. 42: 3), en Uwe rechterhand zal U vreselijke dingen leren, doen verrichten; Gij zult zien met hoeveel macht Gij Uwe vijanden weet te vellen (Jes. 11: 4).
De duivel legt er zich met alle macht op toe om de leugen te verheffen, maar de waarheid te verkrachten en te onderdrukken, welke waarheid het geloof is, dat de ware godsdienst regelt en bevestigt. Daarom kan satan deze waarheid niet dulden, maar verwekt hij daarentegen velerlei en ontelbaar veel bijgeloof en huichelarij, zodat wij allen zouden moeten omkomen, zo ons Christus niet bidstond: om Zijn rijk met macht te bevestigen en de waarheid te verdedigen.
In het Hebr. bkr xlu Krdhw (Wahadareka tselach rekab). Of: Met uwe majesteit dring door en rijd. Er is hier een opwekking en aansporing, om de vijanden geheel te overwinnen, gelijk we dit ook in Psalm 2 aantreffen.
In het Hebr. qdu-hwnew tma-rbd-le (Al debarèmeth weanwah tsèdek). Of, om der waarheid wil en de zachtmoedige gerechtigheid. Dit is dan om de waarheid te handhaven en te doen zegevieren en om de zachtmoedige gerechtigen te hulp te komen. Want toch zachtmoedige gerechtigheid staat hier dichterlijk voor hen, die dit in beoefening hebben. En nu weten we, dat zachtmoedigen dikwijls voorkomt in den zin van, behoeftigen, ellendigen, die te lijden hebben van tijdelijke en geestelijke vijanden. In dezen zin hebben wij het ook hier te verstaan. Daarom wordt hier in dezen Psalm hetzelfde gezegd, wat ook in Psalm 72 voorkomt, n.l. dat de Messias, dat Immanuël het behoeftig volk in hun nood en ellende tot een Redder zal zijn. De doorgaande leer der H. Schrift is, dat het doel is van ‘s Heeren komst, de waarheid te doen zegevieren en de nooddruftigen redden.
Uwe pijlen zijn scherp, en dodelijk voor hem dien zij treffen, volken zullen onder u vallen, en zich overwonnen moeten verklaren; zij treffen in het hart van des Konings vijanden, zij richten door Uwe hand afgeschoten een ontzettende nederlaag aan. De pijlen zijn de woorden Gods, de woorden van Christus. Als deze de conscientiën raken dan zijn wij de overwonnenen en gevangenen des Heeren, en daarmee zijne welbeminde onderdanen in eeuwigheid. De oude mens moet dodelijk gewond worden, andere wonden helpen niet.
Uw troon, o God! zo spreek ik U zonder bedenking aan, omdat Gij niet alleen Davids zoon, maar ook Gods Zoon zijt (Matth. 22: 41 vv.), is eeuwiglijk en altoos (2 Samuel 7: 13, 16. Psalm 89: 5 en 37 vv.); de scepter Uws Koninkrijks, dien Gij in Uw koninkrijk voort, is een scepter der rechtmatigheid, helpende naar de ééne, straffende naar de andere zijde (Psalm 67:
(Jes. 9: 7; 11: 4). Uit den strijd met Zijne vijanden gaat deze Koning, hoe verbitterd zij ook zijn, als volkomen overwinnaar, en door elken nieuwen strijd wordt Zijn troon bevestigd als onwankelbaar vast, terwijl bij andere grote koningen, als zelfs David, ook soms gevaar dreigde en de troon wankelend werd.
Hoe langer de verrukte zanger dien Koning in Zijne wonderbare schoonheid, macht en majesteit aanschouwt, zoveel te hoger klimt zijn lof en aanbidding, die in vs. 7 en 8 de hoogste hoogte bereikt. Hoger toch kan het niet, dan dat hij zijn Koning tot twee malen toe aanspreekt met het: “o God!” Hij huldigt zijn Koning als waarachtig God, Wiens heerschappij een eeuwige onvergankelijke is, Hij is voor hem de Koning der koningen.
Het woord Elohim is de eerste naam, bij welken de hoge God Zichzelven aan de kinderen der mensen bekend maakte (Genesis 1: 1), en dit vers heeft de Apostel (Hebr. 1: 8) toegepast op den Heere Jezus Christus. Indien de Apostel niet beloofde, dat Jezus Christus de waarachtige en eeuwige God was, zo zou hij dit woord geheel verkeerd hebben aangehaald.
Gij hebt, ten opzichte dergenen, die zich U onderwerpen,gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid 1), zodat Gij die bij Uwe onderdanen niet duldt; daarom heeft U, o God! Uw God, die U ten Koning heeft gesteld, gezalfd met vreugdeolie (Jes. 61: 3),boven Uwe medegenoten 2), boven allen, die den naam van koningen dragen, zodat Gij hen in geluk en heil verre overtreft (1 (Koningen 3: 13. (2 Kronieken 1: 12).
Volgens sommigen zal het woord Elohiem, vs. 7, als een tweede naamval op deze wijze moeten overgezet worden: “Uw troon is Gods (troon); ” anderen maken den Godsnaam tot onderwerp en vertolken: “God is uw troon.” Maar de eerstgenoemden zijn nog altijd in gebreke gebleven ons een tweede voorbeeld van zulk ene naamloos harde uitlating (ellipse) te geven, als zij gedwongen zijn hier aan te nemen. De anderen hebben nog nimmer aangewezen, dat hun vertaling, die nauwelijks een gezonden zin oplevert, taalkundig verdedigbaar is. Beider voorslag doet zich te wisser voor als ene uitvlucht, wanneer wij bedenken, dat gene der oudste Griekse overzettingen van het Oude Testament (LXX, Aquila, Symmachus, Theodotion) geaarzeld heeft in de woorden: “O God” ene rechtstreekse toespraak tot den bezongen koning zelven te zien. En is deze onze verklaring van vs. 7 de juiste, dan moge men in het afgetrokkene toestemmen, dat vs. 8 ook zou kunnen worden overgebracht; “daarom heeft God, Uw God U gezalfd,” men zal tegelijk moeten toegeven, dat het veel natuurlijker is, de toespraak tot den bezongen koning ook hier te doen doorlopen en derhalve te lezen: “daarom heeft, o God, Uw God U gezalfd.” Maar nu noeme men ons één enkel voorbeeld, dat één bepaald persoon, behalve de aanstaande Messias, toegesproken wordt als Elohiem, terwijl Hem tegelijk dezelfde eeuwigheid van regering wordt toegekend, die elders aan Jehova zelven wordt toegeschreven. Het is zo, ook rechters worden elders (Psalm 82: 6) goden genoemd, terwijl de Heere reeds vroeger aan Mozes verklaarde, dat Hij hem “tot een God” over Farao had gesteld (Exodus 7: 1). Daarom heette ook bij de Israëlieten het gaan tot de rechters, die in Jehova’s naam recht spraken, een gaan tot de Elohiem (Deuteronomium 19: 17. Exodus 21: 6; 22: 7, 8). Geen wonder, zij waren de zichtbare vertegenwoordigers van den hoogsten Rechter, van wiens uitspraak geen beroep op ene hogere vierschaar geschiedde. Maar men gevoelt het, er is een hemelsbreed onderscheid tussen snik ene eervolle vermelding van mensen, en de rechtstreekse taal tot den koning, die in dezen Psalm wordt gehoord. Het zou godslasterlijk zijn aan een mens, dien men in een eigenlijken zin God noemde, een troon in alle eeuwigheid toe te kennen, en alzo alle wezenlijk onderscheid tussen hem en den Koning der koningen als met ene pennenstreek uit te wissen. Wat hier gezegd is, is alleen van toepassing op den Christus Gods, op Vorst Messias. Hij is het, die gesproken heeft: De Wet is in het binnenste van mijn ingewand. Hij is het, die in de hoogste volkomenheid gerechtigheid liefheeft en de goddeloosheid haat. De medegenoten zijn niet in de eerste, wel in de tweede plaats de gelovigen. In de eerste plaats zijn het de aardse koningen, maar dan ook degenen, die één zelfde zalving deelachtig zijn geworden, de zalving des H. Geestes. Van Hem geldt het echter, dat Hij met den H. Geest is gezalfd en dat niet met mate.
De gave des H. Geestes, welke Hij door Zijne zalving bezit, heeft Hij niet voor zich alleen ontvangen, maar ook daarboven voor de Zijnen, opdat Hij met deze alle dingen vervullen zou. Hierom staat er, o God, uw God heeft U gezalfd met vreugdeolie, d.i. zoals Illyricus aanmerkt, niet alleen boven uwe medegenoten, maar ook voor uwe medegenoten. Hetwelk ook voorgebeeld is geweest in Aäron (Psalm 133: 2), wanneer zijne zalfolie nederdaalde van zijn hoofd, in den baard en de klederen, tot op de uiterste zomen van dezelve. Hier van daan en naar dezen naam worden diegenen, die dezen Gezalfde volgen, doorgaans niet alleen zijne discipelen genoemd, maar ook zijne medegenoten, vanwege het medegenootschap der zalving.
Al Uwe klederen zijn op dezen dag Uwer bruiloft, voor welken ik Uw lof bezing (vs. 1), mirre, en aloë, en kassie 1), van de kostelijkste aromata doortrokken (zie (Exodus 30: 24 (Numeri 24: 6), zodat zij als daaruit geweven schijnen; uit de elpenbenen paleizen (1 Koningen 10: 18 ), van waar zij u verblijden 2).
De dichter wil hiermede aangeven, dat al wat aan dien koninklijken Bruidegom is, koninklijk is en begeerlijk. Zijne klederen zijn zo doortrokken van de welriekende specerijen, dat de geur er van zich verre verspreidt. Wij hebben hier hetzelfde in anderen woorden, wat de Bruid in het Hooglied uitroept: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.
Uit de elpenbenen paleizen, in welke de verheerlijkte koning intreedt, klinkt Hem feestelijke muziek tegemoet, die zich beijvert Zijne goedkeuring te verwerven; want het is de dag zijner verloving. Die paleizen zijn echter niet die, uit welke Hij als uit het huis des vaders de bruid afhaalt, maar Zijne eigene, welke den Davidisch-Salomonischen koningsburg ver in pracht en heerlijkheid overtreft, en in welken Hij de bruid inleidt. In geestelijken zin kan men hierbij denken aan de lofzangen der hemelse legerscharen, onder welke Christus met Zijne verlosten en uitverkorenen in de hemelse bruiloftzaal eenmaal intrekt.
Dochters van koningen 1) zijn onder uwe kostelijke staatsdochteren (of: gaan in Uwen tooi); de koningin 2) staat aan Uwe rechterhand, in het fijnste goud van Ofir, prijkende in sieraden van Ofirgoud (1 (Koningen 9: 26 vv.).
Deze koningsdochters zijn de volken der verschillende koninkrijken, welke Christus zich voor Zijn rijk verworven heeft, en die Hij nu in Zijne bruiloftszaal mede invoert. Zij gaan in ‘s Heren tooisel, want Hij is het, die hen gewassen heeft van de zonden met Zijn bloed, en Hij heeft hen tot koningen en priesters gemaakt voor God en Zijnen Vader (Openbaring 1: 5 v. 1.5). Naar andere verklaring behoren zij tot Zijne kostbaarheden, of tot Zijne dierbaren en geliefden, met welke Hij zich eveneens door de bruiloft verbindt, als met de ene, van welke in de andere helft van het vers sprake is.
Wie zijn die dochters van koningen, en wie is deze koningin, die den Koning het naast is? Zij zijn de tot Christus bekeerde heidense volken, en deze is het Israël, dat, nadat de volheid der heidenen is ingegaan (Rom. 11: 25) weer met God in Christus verenigd is. Eerst wanneer Israël voor Hem gewonnen is, nadat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan breekt de morgen van den groten dag aan, waarop deze Psalm het lied der gemeente is.
Wij verenigen ons wel met de gevoelens, dat hier onder “de dochters van koningen” verstaan moeten worden, de Heidenen, die in waarheid onderdanen van dien groten Koning zullen worden, mits men ze niet van elkaar afscheidt. Wel onderscheidt, maar niet afscheidt. Want toch in Christus Jezus is er geen verschil tussen Joden en Heidenen, tussen besnijdenis en voorhuid. Allen, die zalig worden, zowel Joden als Heidenen, Heidenen als Joden zijn één in Christus en behoren tot de ene Heilige, Algemene Christelijke Kerk, die zalig wordt. 11.
II. Vs. 11-17.KruisverwijzingenJesaja 54:5→Psalmen 22:29→Openbaring 5:10→Psalmen 95:6→Jesaja 49:23→Psalmen 72:10→Openbaring 1:6→1 Petrus 2:9→
— Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder. En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden. Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis. In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
De zanger wendt zich eerst tot haar, die aan de rechterhand des konings staat, bestemd tot de echtgenoot van den eersten rang, en houdt tot haar ene vermaningsrede. Hij roept haar toe haar volk en haar huis te vergeten, en door onvoorwaardelijke overgave aan haren echtvriend, die toch tevens haar Heere is, in den meest verheven zin des woords, zich Zijner liefde waardig te maken; als loon daarvoor belooft Hij haar de hulde van de rijkste en bloeiendse volken (vs. 11-13). Hierop opent zich voor het oog zijns geestes de kamer, waarin de bruid tot ene versierde bruid wordt voorbereid voor haren man; hij ziet haar in hare gehele heerlijkheid, zich haar, gelijk zij met de jonkvrouwen van haar gevolg tot den koning geleid wordt, want ook deze moeten Zijn eigendom zijn (vs. 14-16). Met vreugde en gejuich beweegt zich de optocht, het is de eredag van de ene uitverkorene en de vele mede verkorenen. Aan ene schitterende nakomelingschap zal het deze verbintenis niet ontbreken, zij is echter van geestelijken aard, geluk de verbintenis zelf ene geestelijke is. (vs. 17).
Hoor, o dochter! (de zanger stelt zich de bruid (vs. 10) voor als ene dochter van hem, den geestelijken Vader, als ene discipelin van hen, de leraars, tot welke hij de trouwrede houdt, Psalm 34: 12. Spreuken 1: 8; 10: 15), en zie, en neig uw oor tot hetgeen ik u wil tonen en zeggen; en vergeet, opdat gij uit uwe natuurlijke verhoudingen, zowel uitwendig als inwendig, afgezonderd wordt, Uw volk en uws vaders huis. De opeengestapelde eisen tot opmerkzaamheid wijzen daarop, dat de zanger iets gewichtigs en moeilijks van de koningin te verlangen heeft. Salomo’s vrouwen, indien die eis om volk en huis te vergeten tot haar ware gericht, hadden dien slecht vervuld (1 Koningen 11: 4).
Welke harde woorden! O, die Schrift! zij heeft woorden, scherp als tweesnijdende zwaarden, men kan er met de vingers niet aanraken of zij bloeden. Ja, er moet in het hart der bruid ene afsnijding zijn van het ouderlijke huis, anders is het niet in orde. Christus zegt: “Wie niet haat zijn vader of zijne moeder, die is mijns niet waardig.”.
Zo zal, wanneer gij u geheel en gewillig aan Hem overgeeft, de Koning lust hebben aan uwe schoonheid, gelijk Hij van verlangen brandt, zich ook geheel aan u te geven. Ter vervulling van den aan u gestelden eis zijt gij verplicht heiligmaking na te jagen; dewijl Hij, niet in den zin van een aardsen echtgenoot (1 Petrus 3: 6), maar als God, (vs. 7 en 8. 2 Samuel 7: 19) uw HEERE (Joh. 20: 28) is, zo buig u voor Hem neer in de diepste overgave. God is niet zulk een wreed Heer en Meester, om van ons te eisen, dat wij onze betrekking van deze dingen, die de natuur ons dierbaar heeft gemaakt, zouden aftrekken, zonder dat Hij in de plaats stelt, wat onvergelijkelijk meer waard is om er zich bij te bepalen. De liefde van den groten Koning is ene overvloedige vergoeding voor het scheiden van alles in deze wereld. Maar zonder aanhoudend peinzen over hemelse dingen, als die beter en edeler en meer gepast zijn om ons hart op te zetten, kunnen wij nooit recht bevrijd worden van ongepaste liefde voor aardse zaken.
Houdt gij Hem, uwen hemelsen Koning in zulk ene ere, als Hem toekomt, zo zult ook gij voor de gehele wereld geëerd worden, als Zijne uitverkorene koningin (vs. 10). En de dochter, de menigte van inwoners van de rijke handelsstad Tyrus (Psalm 72: 10. Jes. 23: 17 v.), de rijken onder het volk, de rijken uit elk ander volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken, dat gij hun deel geeft aan uw gelukkig lot. Ene Joodse verklaring omschrijft terecht de woorden: “vergeet uw volk enz.” alzo: “vergeet de boze daden der goddelozen van uw volk en het huis der afgoden, die gij gediend hebt in het huis van uwen vader.” Het is toch niet de verstokte massa van Israël, welke tot God en zijnen Christus in zulk ene betrekking der liefde treedt, maar, gelijk de profetie van Deuteronomium 32 af verkondigt, een overblijfsel, dat door Gods verdelgende en zuiverende gerichten gelouterd en gered is. Om geheel aan Christus toe te behoren en het heilig zaad ener betere toekomst te worden (Jes. 6: 13). moeten alle banden van samenhang met het hardnekkige, ongelovige volk en vaderhuis doorgesneden worden en het op gelijke wijze als Abraham (Genesis 12: 1 vv.) worden afgezonderd. Deze gemeente der toekomst is schoon, want zij is verzoend (Deuteronomium 32: 42), gewassen (Jes. 4: 4) en versierd (Jes 61: 3) door haren God. Erkent zij Hem zonder om te zien, zo blijft niet alleen Hij de hare, maar in Hem wordt ook al het heerlijke der wereld het hare. Hooggeëerd door den Koning der koningen is zij de koningin onder de koningsdochters, terwijl Tyrus en de rijkste onder allerlei volken haar liefderijke, vrolijke erkentelijkheid als om strijd aanbieden.
De Kerk is schoon door de inwonende gaven des Geestes. In den ouden mens is niets heerlijks, maar in den nieuwen mens of het werk der genade in de ziel is alles schoon, en het zal uitlopen op eeuwige eer en eeuwig geluk.
De vermelding der dochter van Tyrus heeft naar onze schatting geen ander doel, dan om in een aanschouwelijk beeld de onderwerping ook van het hoogste en machtigste voor te stellen. Het rijk en prachtig Tyrus, de bondgenoot van Salomo’s keuze, wordt afgetekend als onvoorwaardelijk ondergeschikt aan zijn geheel enigen opvolger der vertegenwoordigers der heidenwereld, die den Messias hare schatting nu betaalt.
Des Konings dochter, die haar volk en haars vaders huis werkelijk vergeet, daar zij nu, bij ‘t begin der bruiloft, hare kamer verlaat, waarin zij is toebereid (Esther 2: 3 vv. (Openbaring 21: 2), is geheel verheerlijkt inwendig 1); hare kleding is van gouden borduursel (liever: inwendig nog heerlijker dan het gouden borduursel haars gewaads).
‘s Konings dochter in hare onvergelijkelijke schoonheid, pracht en heerlijkheid brengt den zanger in heilige verrukking. Zij is geheel verheerlijkt, enkel heerlijkheid, en dit innerlijk en uiterlijk. Naar haar gemoedsbestaan brandt zij van heilige liefde en overgave voor haar bruidegom, ter wille van wie zij alles, haar volk en haar vaderhuis heeft verlaten, terwijl hare met goud doorweven en rijke gestikte kleding in pracht en glorie alles overtreft. Ook de jonge dochters, hare medegezelinnen, zijn voor haar bruidegom, en met grote blijdschap en verheuging gaat de bruid en haar maagdenstoet in ‘s Konings paleis. Van zulk een pracht en staatsie ener koninklijke bruiloft in het Oosten kunnen wij, nuchter westerlingen, ons nauwelijks een denkbeeld maken, en toch heeft het den Heiligen Geest behaagd, door en in die plechtigheid de wel heerlijke huwelijksvereniging van Christus met Zijn Kerk af te beelden en af te schaduwen.
Is het hart voor den Heere Jezus Christus, is dat door Zijnen Geest wedergeboren en herschapen, dan zal die verborgen mens des harten ook sierlijk zijn voor God in en door Christus, dewijl de Vader daarin het beeld van Zijnen Zoon herkent, in wie al Zijn welbehagen is.
In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden, dat die met haar huwe voor de eeuwigheid; de jonge dochters, de haar geleidende vriendinnen, die achter haar zijn, hare medegezellinnen, hoewel in stand haar gelijk, maar haar toch gaarne den voorrang gevende, zullen tot u gebracht worden, dat zij te gelijk met u de bezitting van uwen koninklijken echtvriend worden. Ware deze Psalm geen Messias-lied, zo ware de trek onverklaarbaar, ja aanstotelijk; het gelijktijdig opvoeren van onderscheidene vrouwen tot de huwelijkssponde des konings. Nu wordt het ene schoonheid te meer. Kennelijk is het den dichter te doen, om den held van zijn lied voor te stellen als zo spoedig mogelijk met een talrijk nakroost gezegend; hoe kan hij het kieser en beter, dan door Hem, als Salomo wederom, met meer dan ene gemalin te verbinden? Wat in de werkelijkheid wel nimmer geschiedde-het gelijktijdig huwen van meerdere echtgenoten-kon in de zuiver ideale voorstelling plaats grijpen; men weet bovendien hoe de Ziener der toekomst gewoonlijk gelijksoortige gebeurtenissen uit verschillende tijden in ene voorstelling samenvat. Genoeg, de Messias staat hier voor ons, als een andere Salomo op den dag Zijner bruiloft, den dag der vreugde Zijns harten (Hooglied 3: 3). Nu bevreemdt het ons ook geen ogenblik meer, dit lied als een leerdicht in een bundel gewijde liederen aan te treffen; het had Hem tot onderwerp, die de hoop van voorgeslacht en nakomelingschap was, en stelt ons aanschouwelijk voor, in wat vorm een vroom Israëliet de verwezenlijking der beloften, aan David’s stamhuis gedaan, in latere dagen verwacht heeft. Hij denkt zich een vredevorst als Salomo, maar waar het nodig mocht zijn, tegelijk een anderen David in dapperheid, en maalt Hem af, zo als Hij ten toppunt van luister gestegen en met een talrijk kroost omgeven, zijne zonen aanstelt als regenten over Heidense volken en met en door hen geheel het aardrijk regeert.
Deze toebrenging van de Kerk tot Christus zal zijn, wanneer zij als ene bruid versierd en toegerust, voor haren man zal gebracht worden als een heerlijke Kerk, zonder vlek of rimpel. Dezulken, die Christus aanhangen, Hem beminnen in eenvoudigheid des harten, in oprecht geloof en in eerbied, deze zijn de gezellinnen der bruid, die deelgenoten worden van dezelfde genade, zich verheugen in dezelfde voorrechten en delen in ene algemene redding. Deze volgen de voetstappen van de kudde (Hoogl. 1: 8), wandelen de Kerk na op de paden van waarheid en godzaligheid; zij volgen haar, gelijk zij den Heere, in woord en bevelen en in de beoefening van geloof en lijdzaamheid. Deze allen, zonder onderscheid zullen tot den Koning gebracht worden; niet één zal verloren gaan of achtergelaten worden.
Zij, de koningin met hare jonkvrouwen, zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis, in het elpenbenen paleis (vs. 9), waar ook de Vader troont, die Zijnen Zoon de bruiloft bereidt (MATTHEUS. 22: 1 vv.).
In plaats van uwe vaderen, de heerlijke voorvaderen, van welke Gij, o Koning-Messias! naar hot vlees afstamt (Rom. 9: 5), zullen uwe zonen zijn, uwe geestelijke zonen; gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde 1), gelijk aardse koningen, dat men hun zonen in den beperkten omvang van hun geheel plegen te doen (2 Samuel 8: 1 8. (2 Kronieken 11: 23 2 vgl. Psalm 110: 3. Openbaring 5: 10).
Dit wordt tot zien Koning (Christus en Zijn bruid) gesproken, van welke geprofeteerd wordt, dat het Hem, niet minder dan Zijne voorvaderen naar het vlees, als geestelijke zonen ontbreken zal, die door de ganse wereld het Evangelie zullen prediken, Zijne Kerk met Gods Woord weiden en regeren, en namaals op hun tronen zitten en met Christus in glorie heersen. De bruid des Lams, welke de Ziener (Openbaring 19: 7 vv.) in glinsterend witten Bijssus gekleed ziet, welke hare gerechtigheid betekent, gelijk hier de bonte gouden klederen hare heerlijkheid, is niet ene gemeente, maar de gemeente van Israël met de gemeente uit de heidenen, die door geloof aan haar verbonden zijn, te zamen.
De talrijke, machtige nakomelingschap, die hier den Koning wordt voorspeld, de zonen, die met de roemruchtigste voorvaderen gelijk staan, en hun vorstendommen bezitten over de gehele aarde, zijn uitstekende mannen in het rijk Gods door alle tijden heen en in alle gewesten, waar hun invloed des te groter is, naarmate het Oude Verbond beneden het nieuwe staat.
18.
III. Vs. 18.
— Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.
De zanger besluit met de belofte, dien heerlijke Koning altijd te zullen loven; hij spreekt daarin de hoge roeping van zijn volk Israël uit; hij weet dat deze roeping haar gevolg zal hebben, en op den door hem uitgesproken lof een heerlijk antwoord van lof uit den mond der volken volgen zal.
Ik, de zanger, een lid van het volk, dat geroepen is Uwe bruid te zijn, zal Uws naams, beminnenswaardig, heldhaftig, goddelijk Koning! doen gedenken van elk geslacht tot geslacht: daarom, omdat op die wijze Uw lof ook zal doordringen tot andere volken, die nu nog in duisternis en nacht zijn, en zij opgewekt zullen worden hetzelfde te doen, zijn wij er zeker van, daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos1).
Den Koning in Zijne schoonheid te zien is de wens en begeerte van alle Gods kinderen, en wanneer dit aan deze zijde des grafs werkelijk mag gebeuren, dan is het de oprechte begeerte, om den naam van dien Koning en Heere groot te maken. Wie iets van de heerlijkheid van dien Koning kent en ervaart aan zijn hart, zal van Hem niet kunnen zwijgen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel