Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalm van DavidH1732. De HEEREH3068 is mijn LichtH216 en mijn HeilH3468, voor wienH4310 zou ik vrezenH3372? De HEEREH3068 is mijns levensH2416 krachtH4581, voor wienH4310 zou ik vervaardH6342 zijn?
Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?
KJV
[[A Psalm of David.]]1
The LORD2
is my light3
and my salvation;4
whom shall I fear?6
the LORD7
is the strength8
of my life;9
of whom shall I be afraid?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Als de bozenH7489, mijn tegenpartijenH6862, en mijn vijandenH341 tegenH5921 mij, tot mij naderdenH7126, om mijn vleesH1320 te etenH398, stietenH3782 zijH1992 zelven aan, en vielenH5307.
Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
KJV
When the wicked,3
even mine enemies7
and my foes,8
came1
upon me to eat up4
my flesh,6
they stumbled11
and fell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ofschoon mij een legerH4264 belegerdeH2583, mijn hartH3820 zou nietH3808 vrezenH3372; ofschoon een oorlogH4421 tegenH5921 mij opstondH6965, zoH518 vertrouwH982 ik hierop.
Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.
KJV
Though an host4
should encamp2
against me, my heart7
shall not fear:6
though war11
should rise9
against me, in this will I be confident.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EenH259 ding heb ik vanH854 den HEEREH3068 begeerdH7592, dat zal ik zoekenH1245: dat ik alH3605 de dagenH3117 mijns levensH2416 mocht wonenH3427 in het huisH1004 des HEERENH3068, om de liefelijkheidH5278 des HEERENH3068 te aanschouwenH2372, en te onderzoekenH1239 in Zijn tempelH1964.
Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.
KJV
One1
thing have I desired2
of the LORD,4
that will I seek6
after; that I may dwell7
in the house8
of the LORD9
all the days11
of my life,12
to behold13
the beauty14
of the LORD,15
and to enquire16
in his temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 Hij versteektH6845 mij in Zijn hutH5520, ten dageH3117 des kwaadsH7451; Hij verbergtH5641 mij in het verborgeneH5643 Zijner tentH168; Hij verhoogtH7311 mij op een rotssteenH6697.
Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.
KJV
For in the time4
of trouble5
he shall hide2
me in his pavilion:3
in the secret7
of his tabernacle8
shall he hide6
me; he shall set me up10
upon a rock.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Ook nuH6258 zal mijn hoofdH7218 verhoogdH7311 worden bovenH5921 mijn vijandenH341, die rondomH5439 mij zijn, en ik zal in Zijn tentH168 offerandenH2077 des geklanksH8643 offerenH2076; ik zal zingenH7891, ja, psalmzingenH2167 den HEEREH3068.
Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
KJV
And now shall mine head3
be lifted up2
above mine enemies5
round about6
me: therefore will I offer7
in his tabernacle8
sacrifices9
of joy;10
I will sing,11
yea, I will sing praises12
unto the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
HoorH8085, HEEREH3068! mijn stemH6963, als ik roepH7121; en wees mij genadigH2603, en antwoordH6030 mij.
Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
KJV
Hear,1
O LORD,2
when I cry4
with my voice:3
have mercy5
also upon me, and answer
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Mijn hartH3820 zegtH559 tot U: Gij zegt: ZoekH1245 Mijn aangezichtH6440; ik zoekH1245 Uw aangezichtH6440, o HEEREH3068!
Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
KJV
When thou saidst, Seek4
ye my face;5
my heart3
said2
unto thee, Thy face,7
LORD,8
will I seek.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerbergH5641 Uw aangezichtH6440 niet voor mij, keer Uw knechtH5650 niet afH4480 in toornH639; Gij zijt mijn HulpH5833 geweestH1961, begeefH5203 mij nietH408, en verlaatH5800 mij niet, o GodH430 mijns heilsH3468!
Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!
KJV
Hide2
not thy face3
far from me; put6
not thy servant8
away
in anger:7
thou hast been my help;9
leave12
me not, neither forsake14
me, O God15
of my salvation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantH3588 mijn vaderH1 en mijn moederH517 hebben mij verlatenH5800, maar de HEEREH3068 zal mij aannemenH622.
Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.
KJV
When my father2
and my mother3
forsake4
me, then the LORD5
will take me up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HEEREH3068! leerH3384 mij Uw wegH1870, en leidH5148 mij in het rechteH4334 padH734, omH4616 mijner verspiedersH8324 wil.
HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.
KJV
Teach1
me thy way,3
O LORD,2
and lead4
me in a plain6
path,5
because of mine enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
GeefH5414 mij nietH408 over in de begeerteH5315 mijner tegenpartijdersH6862; wantH3588 valseH8267 getuigenH5707 zijn tegen mij opgestaanH6965, mitsgaders die wrevelH2555 uitblaastH3307.
Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
KJV
Deliver2
me not over unto the will3
of mine enemies:4
for false9
witnesses8
are risen up6
against me, and such as breathe out10
cruelty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zo ik niet had geloofdH539, dat ik het goedeH2898 des HEERENH3068 zou zienH7200 in het landH776 der levendenH2416, ik wareH3884 vergaan.
Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.
KJV
I had fainted, unless1
I had believed2
to see3
the goodness4
of the LORD5
in the land6
of the living.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WachtH6960 op den HEEREH3068, zijt sterkH2388, en Hij zal uw hartH3820 versterkenH553, ja, wachtH6960 op den HEEREH3068.
Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.
KJV
Wait1
on the LORD:3
be of good courage,4
and he shall strengthen5
thine heart:6
wait,7
I say, on the LORD.
licht
Dat is, de auteur van mijn voorspoed, van mijn troost, van mijne vreugde en van mijne behoudenis. Zie van zulke betekenis van het woord licht, Job 18:5-6 , gelijk integendeel allerlei tegenspoed door duisternis wordt betekend. Zie Gen. 15:12 .
Hertaald:
licht
Dat is: de bron van mijn voorspoed, van mijn troost, van mijn vreugde en van mijn behoud. Zie over zo'n betekenis van het woord licht, Job 18:5-6, zoals daarentegen allerlei tegenspoed door duisternis wordt aangeduid. Zie Gen. 15:12.
levens
Die mij door zijn goddelijke kracht of sterkte in het leven houdt en bewaart. Verg. boven, Ps. 21:5 , en Deut. 30:20 .
Hertaald:
levens
Die mij door Zijn goddelijke kracht of sterkte in het leven houdt en bewaart. Vergelijk hierboven Ps. 21:5, en Deut. 30:20.
tegen mij,
Dit bijvoegsel: tegen mij, dient om de uiterste vijandelijkheid zijner vijanden uit te drukken; gelijk het daarentegen een anderen nadruk heeft, waar David zegt, 2 Sam. 22:2 , God is mij, of voor mij, mijn bevrijder.
Hertaald:
tegen mij,
Deze toevoeging: tegen mij, dient om de uiterste vijandigheid van zijn vijanden uit te drukken; zoals het daarentegen een andere nadruk heeft waar David zegt, 2 Sam. 22:2, God is mij, of voor mij, mijn bevrijder.
naderden
Om mij te bestrijden.
Hertaald:
naderden
Om mij aan te vallen.
vlees
Als wrede wilde beesten mij te verscheuren en verslinden. Verg. Deut. 31:17 .
Hertaald:
vlees
Als wrede wilde dieren om mij te verscheuren en verslinden. Vergelijk Deut. 31:17.
hierop
Op hetgeen hij vs.1 gezegd heeft.
Hertaald:
hierop
Op wat hij in vers 1 gezegd heeft.
ding
Of, ene [ begeerte ] heb ik begeerd. Verg. Richt. 8:24 ; 1 Sam. 2:20 , inzonderheid 1 Kon. 2:20 . David schijnt dit gedicht te hebben in zijne ballingschap, wanneer hij wel in vele zwarigheden stak, maar van gene zo verdrukt en gekweld werd dan dat hij den reinen godsdienst en goddelijk waartekenen der zaligmakende genade met Gods volk niet mocht gebruiken; waarom hij ook dit voornamelijk en gestadiglijk in zijne gebeden te dien tijde God heeft voorgehouden.
Hertaald:
ding
Of: één [begeerte] heb ik begeerd. Vergelijk Richt. 8:24; 1 Sam. 2:20, met name 1 Kon. 2:20. David lijkt dit gedicht gemaakt te hebben tijdens zijn ballingschap, toen hij wel in veel moeilijkheden zat, maar door geen daarvan zo onderdrukt en gekweld werd, dan dat hij de zuivere godsdienst en de goddelijke tekenen van de zaligmakende genade bij Gods volk niet mocht gebruiken; daarom heeft hij dit vooral en voortdurend in zijn gebeden in die tijd aan God voorgehouden.
zoeken
Dat is, zonder ophouden daarom bidden en daarnaar trachten.
Hertaald:
zoeken
Dat is: zonder ophouden daarom bidden en ernaar streven.
lieflijkheid
De lieflijke godsdienst, waardoor de Messias met al zijne weldaden wordt afgebeeld en dagelijks geloofd en geprezen.
Hertaald:
lieflijkheid
De liefelijke godsdienst, waardoor de Messias met al Zijn weldaden wordt afgebeeld en dagelijks geloofd en geprezen.
onderzoeken
Des Heeren heilige genadewerken en wil uit zijn Woord. Verg. 1 Petr. 1:10-12 .
Hertaald:
onderzoeken
De heilige genadewerken en wil van de HEERE uit Zijn Woord. Vergelijk 1 Petr. 1:10-12.
tempel
Of, paleis; versta den tabernakel of tent der samenkomst. De tempel eigenlijk alzo genoemd, is eerst naderhand van Salomo gebouwd, hoewel David voorhad dien te bouwen, eer Gods wil door Nathan verstond.
Hertaald:
tempel
Of: paleis; versta hieronder de tabernakel of tent van de samenkomst. De tempel, eigenlijk zo genoemd, is pas later door Salomo gebouwd, hoewel David voornam die te bouwen, voordat hij Gods wil door Nathan begreep.
hut
Als een herder zijn schaap, zo pleegt de Heere mij te bergen.
Hertaald:
hut
Zoals een herder zijn schaap, zo pleegt de HEERE mij te bergen.
kwaads;
Dat is, in tijd van ongeval en beroerte.
Hertaald:
kwaads;
Dat is: in tijd van tegenslag en onrust.
tent;
Gelijk men ten tijde van nood iemand bergt in verborgen plaatsen der tent; verg. Ps. 31:21 .
Hertaald:
tent;
Zoals men in tijd van nood iemand bergt in verborgen plaatsen van de tent; vergelijk Ps. 31:21.
rotssteen
Waar ik veilig en bewaard ben. Zie 2 Sam. 22:3 .
Hertaald:
rotssteen
Waar ik veilig en beschermd ben. Zie 2 Sam. 22:3.
geklanks
Te weten, die brandoffers en dankoffers, bij welke met de twee zzilveren trompetten geblazen werd, naar de wet; Num. 10:10 .
Hertaald:
geklanks
Namelijk: de brandoffers en dankoffers, waarbij volgens de wet met de twee zilveren trompetten geblazen werd; Num. 10:10.
stem
Anders, [als] ik roep met mijne stem, enz.
Hertaald:
stem
Anders: [als] ik roep met mijn stem, enzovoort.
antwoord
Dat is, bewijs de verhoring met dadelijke hulp.
Hertaald:
antwoord
Dat is: bewijs de verhoring met daadwerkelijke hulp.
tot U
Of, van U, uwenthalve, U aangaande, zegt mijn hart, enz. Alsof hij zeide: Ik hoor U in mijn hart tot mij spreken, of, mijn hart houdt mij voor deze uwe woorden: Zoek mijn aangezicht. Zie nu, Heere, ik zoek het, doende wat Gij ons gebiedt, zo verberg dan uw aangezicht toch niet, enz., gelijk volgt.
Hertaald:
tot U
Of: van U, om U, U betreffend, zegt mijn hart, enzovoort. Alsof hij zei: ik hoor U in mijn hart tot mij spreken, of: mijn hart houdt mij deze woorden van U voor: zoek Mijn aangezicht. Zie nu, HEERE, ik zoek het, doend wat U ons gebiedt, verberg dan toch Uw aangezicht niet, enzovoort, zoals volgt.
Zoek
Zie Ps. 24:6 , en de aantekening.
Hertaald:
Zoek
Zie Ps. 24:6, en de aantekening.
geweest
Te weten, altoos, tevoren. Verg. boven, Ps. 10:14 .
Hertaald:
geweest
Namelijk: altijd, eerder. Vergelijk hierboven Ps. 10:14.
vader
Hij wil zeggen dat hij eenzaam en als weeskind [gelijk hij elders dikwijls spreekt] ontbloot is van de hulp dergenen, die het naaste en wel meest daartoe verplicht waren, maar hem niet konden, wilden of durfden helpen. Verg. Ps. 69:9 . Anders, ofschoon mijn vader en mijne moeder mij verlieten, zo zal toch, enz.; van zijne ouders en broeders leest men wel 1 Sam. 22:1 , 1 Sam. 22:3 , dat zij tot hem zijn gekomen in de spelonk Adullam, maar dat zij hem zouden hebben verlaten, wordt nergens in de Schrift vermeld; tenwaren men het alzo verstond, dat zij hem geen hulp hadden konden doen, maar hij veel meer voor hen moest zorgen, dat zij in een verzekerde plaats mochten gebracht worden, gelijk 1Sa 22 verhaald wordt; of dat zij te dezen tijde mochten gestorven zijn.
Hertaald:
vader
Hij wil zeggen dat hij eenzaam en als een weeskind [zoals hij elders vaak spreekt] verstoken is van de hulp van hen die hem het naast en het meest daartoe verplicht waren, maar hem niet konden, wilden of durfden helpen. Vergelijk Ps. 69:9. Anders: hoewel mijn vader en mijn moeder mij verlieten, zo zal toch, enzovoort; over zijn ouders en broers leest men wel in 1 Sam. 22:1, 1 Sam. 22:3 dat zij tot hem gekomen zijn in de grot Adullam, maar dat zij hem verlaten zouden hebben, wordt nergens in de Schrift vermeld; tenzij men het zo opvat dat zij hem geen hulp hadden kunnen bieden, maar hij juist voor hen moest zorgen, zodat zij naar een veilige plaats gebracht konden worden, zoals in 1 Sam. 22 verteld wordt; of dat zij in deze tijd gestorven zouden zijn.
aannemen
Hebr. verzamelen. Zie boven, Ps. 26:9 .
Hertaald:
aannemen
Hebreeuws: verzamelen. Zie hierboven Ps. 26:9.
in het
Hebr. in het pad der richtigheid, of effenheid. Verg. Ps. 26:12 , opdat zij mij niet betrappen, die op mij loeren om in mijn wandel iets te vinden, waarom zij mij zouden mogen lasteren, of ook mij ergens bloot te vinden en met behendigheid te achterhalen en te overvallen.
Hertaald:
in het
Hebreeuws: op het pad van de rechtheid, of effenheid. Vergelijk Ps. 26:12, opdat zij mij niet betrappen, die op mij loeren om iets in mijn wandel te vinden waarom zij mij zouden kunnen lasteren, of ook mij ergens weerloos te vinden en met behendigheid te achterhalen en te overvallen.
begeerte
Hebr. ziel; welk woord somtijds genomen wordt voor willen, begeerten, lust, voornemen. Zie Gen. 23:8 ; idem Ps. 41:3 , en Ps. 78:18 ; Pred. 6:7 , Pred. 6:9 ; Jer. 15:1 ; Ezech. 16:27 .
Hertaald:
begeerte
Hebreeuws: ziel; welk woord soms gebruikt wordt voor willen, begeerten, lust, voornemen. Zie Gen. 23:8; eveneens Ps. 41:3, en Ps. 78:18; Pred. 6:7, Pred. 6:9; Jer. 15:1; Ezech. 16:27.
zijn
Waarvan Doëg een was; 1 Sam. 22:9-10 . Zie ook Ps. 35:11 .
Hertaald:
zijn
Waarvan Doëg er een was; 1 Sam. 22:9-10. Zie ook Ps. 35:11.
uitblaast
Versta, een ieder van hen, of een die de voornaamste is. Uitblaast; dat is, die niet snorkt dan van enkel geweld. Verg. deze manier van spreken met Hand. 9:1 , en Ps. 10:5 .
Hertaald:
uitblaast
Versta hieronder: elk van hen, of een die de voornaamste is. Uitblaast; dat is: die niet anders snuift dan van enkel geweld. Vergelijk deze manier van spreken met Hand. 9:1, en Ps. 10:5.
Zo
Dat is, een onvolmaakte en afgebroken rede van den profeet, voortkomende uit overdenking van al de schrikkelijke gevaren en zwarigheden, die hem waren overkomen, zijnde zodanig dat hij menigmaal had moeten bezwijken, indien hem zijn geloof op Gods belofte niet had ondersteund, ja zo gesterkt dat hij nog anderen kon leren de goede uitkomst met onverdrietelijk geduld en vertrouwen te verwachten, gelijk hij in het volgende, hier en Ps. 31:24 doet.
Hertaald:
Zo
Dat is: een onvolmaakte en afgebroken uitspraak van de profeet, voortkomend uit overdenking van al de verschrikkelijke gevaren en moeilijkheden die hem overkomen waren, zodanig dat hij vaak had moeten bezwijken als zijn geloof in Gods belofte hem niet had ondersteund, ja zo versterkt dat hij zelfs anderen kon leren de goede afloop met onverdroten geduld en vertrouwen te verwachten, zoals hij in het vervolg, hier en Ps. 31:24, doet.
goede
Dat is, verlossing, mitsgaders het beloofde koninkrijk, met Gods zegen.
Hertaald:
goede
Dat is: verlossing, en ook het beloofde koninkrijk, met Gods zegen.
zien
Dat is, met vreugde genieten; gelijk boven Ps. 4:7 .
Hertaald:
zien
Dat is: met vreugde genieten; zoals hierboven Ps. 4:7.
land
Dat is, hier op aarde dat nog beleven en genieten. Alzo wordt door het land der levenden elders ook verstaan dit tegenwoordig wezen en leven op aarde. Zie Job 28:13 ; Ps. 52:7 , en Ps. 116:9 ; Jer. 11:19 .
Hertaald:
land
Dat is: hier op aarde nog beleven en genieten. Zo wordt onder het land van de levenden elders ook dit huidige bestaan en leven op aarde verstaan. Zie Job 28:13; Ps. 52:7, en Ps. 116:9; Jer. 11:19.
Hij zal
Omdat gij hiertoe veel te zwak zijt en zulks bij uzelven dikwijls gevoelt, zo hebt goeden moed, de Heere zal u met krachten voorzien, dat gij hem met geduld en bestendigheid zult verwachten. Anders, uw hart vesterke zich.
Hertaald:
Hij zal
Omdat u hiertoe veel te zwak bent en dat vaak bij uzelf voelt, houd goede moed, de HEERE zal u van kracht voorzien, zodat u Hem met geduld en standvastigheid zult verwachten. Anders: uw hart versterke zich. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?" (Ps. 27:1). De twee vragen zijn geen retoriek; zij komen van iemand die werkelijk reden had om bang te zijn. Al belegerde een leger hem, zijn hart zou niet vrezen (Ps. 27:3). En dan volgt de wens die de psalm zijn naam gaf: "Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel" (Ps. 27:4). Daarop volgt wat God in het huis doet: Hij verbergt hem in Zijn hut "ten dage des kwaads" en verhoogt hem op een rotssteen (Ps. 27:5). Bijbelse betekenis: Dit is een van de weinige plaatsen in de Schrift waar iemand zijn verlangens tot één terugbrengt. Merk op wat hij niet vraagt terwijl er een leger voor de stad ligt: geen overwinning, geen veiligheid, geen herstel van zijn eer. Hij vraagt om te wonen waar God is. Let ook op wat dat wonen inhoudt volgens hetzelfde vers: aanschouwen en onderzoeken. Het gaat om zien en om leren, en die twee horen bij elkaar. Let ten slotte op de volgorde. Eerst de belijdenis dat de HEERE zijn licht is, dan de nuchtere erkenning van het gevaar, en dan pas de wens; het vertrouwen komt niet voort uit de omstandigheden maar gaat eraan vooraf. Typologie: De Heere Jezus zegt van Zichzelf wat deze psalm van God zegt: "Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen" (Joh. 8:12). Ps. 27:1-6; Joh. 8:12 "Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij" (Ps. 27:7). Dan volgt een vers waarin God en de bidder elkaar antwoorden: "Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!" (Ps. 27:8). Het zoeken begint dus bij Gods eigen uitnodiging. Daarna komt de vrees waar het hem om gaat: "Verberg Uw aangezicht niet voor mij" (Ps. 27:9). En dan het vers dat velen bij name kennen: "Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen" (Ps. 27:10). De psalm eindigt met twee verzen die elkaar dragen: zonder het geloof "dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden", ware hij vergaan (Ps. 27:13), en: "Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE" (Ps. 27:14). Bijbelse betekenis: Ps. 27:10 spreekt de zwaarste vorm van eenzaamheid uit die een mens kent, en het zet er niet iets kleiners tegenover maar iets groters: de HEERE zal aannemen. Wie dit vers nodig heeft, mag het lezen zoals het er staat; het ontkent het gemis niet en het vult het ook niet op met woorden. Merk daarnaast op wat Ps. 27:13 doet. Hij zegt niet dat hij het goede al gezien heeft maar dat hij zonder dat geloof vergaan zou zijn. Dat is eerlijk over hoe dicht hij bij de bodem geweest is. Let ten slotte op het slotvers. Het wachten wordt tweemaal geboden, en er staat een belofte tussen: Hij zal uw hart versterken. Het wachten put dus niet uit maar wordt zelf gedragen. Typologie: De Heere Jezus belooft Zijn discipelen hetzelfde aannemen: "Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u" (Joh. 14:18). Ps. 27:7-14; Joh. 14:18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking David is omringd door vijanden — er is sprake van een leger dat zich tegen hem legert — en hij zegt wat hij van God zou willen vragen. Wie de eerste verzen leest, verwacht dat hij om redding vraagt. Dat vraagt hij niet. Te midden van oorlog vraagt David om maar één ding, en dat is niet veiligheid maar nabijheid. De psalm begint met twee vragen die hun eigen antwoord in zich dragen: “De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen?” En dan wordt de dreiging genoemd: een leger, een oorlog die tegen hem opstaat. Midden in die omstandigheden staat het vers waar deze psalm om bekend is, en het is een van de merkwaardigste verzoeken van heel het Oude Testament. “Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.” Een koning in oorlogstijd vraagt niet om overwinning, niet om vrede, niet om een lang leven. Hij vraagt om te mogen wonen waar God woont, en om te kijken. Daar staat David niet alleen in. Mozes had, na jaren woestijn en na alle wonderen die hij gezien had, nog altijd maar één vraag over: toon mij nu Uw heerlijkheid. En van Jozua wordt in datzelfde hoofdstuk verteld dat hij niet uit de tent week. Drie mannen, drie levens vol werk en strijd, en drie keer hetzelfde verlangen: bij God zijn en Hem zien. Verderop in de psalm wordt dat verlangen nog persoonlijker, en dan gaat het niet meer over een gebouw maar over een gezicht: “Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!” Er wordt hier iets teruggegeven. God heeft het eerst gezegd, en de bidder herhaalt het. En meteen daarna komt de angst die er kennelijk bij hoort: verberg Uw aangezicht niet voor mij. En dan staat er een zin die nergens anders zo staat: “Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.” Het uiterste dat een mens kan verliezen, wordt genoemd, en er wordt iets naast gezet dat groter is. Hier ligt de lijn naar het Evangelie, en zij loopt langs een gebed van Christus Zelf. In de nacht voor Zijn lijden bidt Hij niet om veiligheid voor de Zijnen maar om nabijheid: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen.” Daar staat wat David vroeg: wonen waar Hij is, en aanschouwen. Maar het is nu geen verzoek van een mens aan God; het is de wil van de Zoon bij de Vader. En een paar hoofdstukken eerder had Hij het al toegezegd in gewone taal: in het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; Ik ga heen om u plaats te bereiden, en Ik zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben. Het is dus niet de inrichting van de kamers die telt maar de laatste vier woorden. Wat David één ding noemde, is precies wat beloofd wordt. De psalm eindigt niet met vervulling maar met wachten, en dat is eerlijk: “Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.” Tussen de begeerte en het aanschouwen ligt een tijd, en die tijd moet uitgehouden worden. In het Nieuwe Testament: Johannes 17:24; Johannes 14:2-3; Exodus 33:11, 18; Openbaring 21:3-4; 1 Johannes 3:2 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Psalm 27 niet aan. Wat hier gelegd wordt is de overeenkomst van het verlangen: David vraagt om te wonen waar God woont en Hem te aanschouwen, en Christus bidt in Johannes 17 dat de Zijnen zullen zijn waar Hij is en Zijn heerlijkheid zullen aanschouwen. Dat het tweede het antwoord op het eerste is, is een gevolgtrekking; de Schrift legt dat verband niet met zoveel woorden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Hoor, HEERE, mijn stem als ik roep; wees mij genadig en antwoord mij. Psalm 27:7 Als je wel eens naar de kerk gaat, weet je dat mensen tijdens… Ja, wacht op de HEERE. Psalm 27:1 Er zijn momenten waarop zelfs de trouwste ziel, die zo verlangt de Heere te dienen, niet weet welke kant hij op… Een preek uitgesproken in 1867, door C.H. Spurgeon, in The Metropolitan Tabernacle, Newington. Als ik toch niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE zou zien… Een preek uitgesproken in het jaar 1867, door C.H. Spurgeon in de Surray Chapel, Blackfriar's Road Mijn hart zegt tegen U wat U Zelf zegt: Zoek Mijn aangezicht.… De HEERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik angst hebben? Psalm 27:1 Bij de… De HEERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik angst hebben? Psalm 27:1 In Menton… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wacht op de HEERE. Psalm 27 vers 14 Wachten lijkt misschien makkelijk, maar het is een van de lessen die een… Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Psalm 27:5 Uitgelezen… De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijns levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn? Psalm 27:1 De Heere is… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? de Heere is mijn levenskracht, voor wie zou ik… 7 Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw… 1 Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik… Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere. Psalmen 27:14 Wacht! Wacht! Blijf op de HEERE wachten! Hij is het waard om op te wachten. Hij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 27
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Eén ding heb ik van den HEERE begeerd — 27:1, 4, 8-10, 13-14
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Geluiden in de kerk
Wacht geduldig
Geloven om te zien
De Echo
Je angsten overwinnen
Een waanzinnige man
Wacht op de HEERE
Uitgelezen ontdekkingen
Goddelijk licht
De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?
Psalm 27:7-14
Psalm 27:1-6
Een sterk hart


Psalmen 27
Zeer veel van de taal die David hier gebruikt kunnen wij, naar ik vertrouw, tot de onze maken. Moge de Geest Gods ons doen verstaan, door ondervinding, wat hij geschreven heeft.
Psalmen 27:1.KruisverwijzingenPsalmen 118:6→Hebreeën 13:6→Exodus 15:2→2 Korinthe 12:9→Jesaja 60:19→Micha 7:7→Psalmen 84:11→Jesaja 61:10→
— Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?
Ik vind nergens anders vertroosting dan in Hem, en ik verwacht van niemand anders zaligheid dan van Hemzelf. “De HEERE is mijn Licht en mijn Heil.” Wie kan tegen Hem bestaan? Welke kracht kan Zijn kracht weerstaan? Welke duisternis kan Zijn licht verijdelen? Welke vijanden kunnen Zijn heil verhinderen?
Psalmen 27:2.KruisverwijzingenPsalmen 14:4→Job 19:22→Johannes 18:3→Psalmen 18:38→Psalmen 53:4→Psalmen 118:12→Job 31:31→Psalmen 9:3→
— Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
“Zij wilden mij geheel vernietigen — mij regelrecht opeten.” Vernietigden zij mij niet, dan was dat niet uit gebrek aan lust om het te doen, en zelfs niet uit gebrek aan macht, want zij waren met velen. Maar ik behoefde niet te strijden, want zij vielen voordat zij mij bereikten.
Psalmen 27:3.KruisverwijzingenPsalmen 3:6→Filippenzen 1:28→1 Samuël 28:15→Jesaja 41:11→Romeinen 8:35→1 Petrus 3:14→2 Korinthe 5:6→Openbaring 2:10→
— Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.
Laat hen maar aankomen. Zij vielen tevoren; zij zullen weer vallen. God was sterk genoeg om hen eenmaal te weerstaan en neer te werpen. Hij zal het opnieuw doen. Waarom zouden wij dan vrezen? Ach, lieve broeders, wie de meeste ondervinding hebben van de goddelijke volheid, zullen het gerustst zijn dat niets hun schaden kan.
Psalmen 27:4.KruisverwijzingenPsalmen 26:8→Psalmen 23:6→Psalmen 65:4→Psalmen 84:10→Psalmen 63:2→Psalmen 84:4→Psalmen 27:8→Mattheüs 6:33→
— Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.
Hij wenste slechts altijd als een kind thuis te zijn — in Gods huis te wonen. Geen tijdelijk gebouw; maar waar hij ook was, hij wenste te gevoelen dat hij nabij God was, dat alle plaatsen de woningen van den groten Vader waren, zodat hij zijn oog altijd op de liefelijkheid des HEEREN gevestigd mocht houden, en zijn oor altijd open om naar de stem des HEEREN te luisteren. Ach, konden wij ons eenmaal geheel aan God overgeven, dan zou dat onze gedachten aftrekken van de velerlei tegenstand dien wij ontmoeten kunnen, en wij zouden niet meer bevreesd zijn.
Psalmen 27:5-6.KruisverwijzingenPsalmen 3:3→Psalmen 31:20→Psalmen 91:1→Psalmen 40:2→Psalmen 138:7→Psalmen 107:22→Psalmen 17:8→Psalmen 50:15→
— Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
Het is een gezegend besluit, niet altijd gemakkelijk uit te voeren, maar het behoort er toch te zijn. Ons leven behoort een zingen te zijn. Het was eens een zondigen; het behoort nu een zingen te zijn, nu de zonde is weggedaan. O, gelukkig zijn de mensen die hun God kennen! Al lag de gehele wereld vol stormen, toch mogen zij in vrede rusten. Kom nabij God, maak u met Hem gemeenzaam, en heb vrede. Het geneesmiddel voor alle moeite is nabij God te wonen.
Psalmen 27:7-8.KruisverwijzingenPsalmen 105:4→Jeremia 29:12→Psalmen 119:58→Jesaja 55:6→Psalmen 63:1→Psalmen 24:6→Psalmen 5:2→Psalmen 130:2→
— Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij. Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
Zijn wij altijd indachtig aan de goddelijke waarschuwingen? Wanneer de zachte stille stem in het hart zegt: “Zoek Mijn aangezicht”, broeders en zusters, antwoorden wij dan altijd meteen: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE”? Ik vrees dat wij vaak zijn als het paard en de muilezel, die geen verstand hebben en het gebit, de toom en de roede nodig hebben. Maar gelukkig zijn zij die een gevoelige natuur hebben, en de bewegingen van den Geest Gods snel gewaarworden.
Psalmen 27:9-10.KruisverwijzingenJesaja 49:15→Psalmen 69:17→Jesaja 40:11→Psalmen 102:2→Psalmen 143:7→Psalmen 24:5→2 Timotheüs 4:16→Johannes 16:32→
— Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils! Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.
Hij bad, ziet u, en het scheen een weinig ongelovig toen hij zei: “begeef mij niet, en verlaat mij niet.” Maar zo was het niet, want meteen beleed hij dat hij niet meende dat God hem verlaten zou, zelfs niet wanneer onze vader en moeder, die ons het laatst verlaten, dat zouden doen: “maar de HEERE zal mij aannemen.”
Psalmen 27:11-14.KruisverwijzingenPsalmen 31:24→Psalmen 37:34→Jesaja 40:31→Jesaja 30:18→Habakuk 2:3→Psalmen 130:5→2 Timotheüs 4:5→Kolossenzen 1:11→
— HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil. Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast. Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan. Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.
Wij weten allen dat deze wereld een weinig belovend veld is voor het geloof. Naar onze onderscheiden ervaringen moeten wij allen de verklaring onderschrijven dat deze aarde meer of minder een dal van tranen is; dat zij onze rust niet is, omdat zij verontreinigd is. Er zijn te veel doornen in dit nest dan dat wij er behaaglijk in zouden kunnen blijven. Deze wereld ligt onder de vloek, en daarom brengt zij nog altijd doornen en distelen voort, en in het zweet onzes aanschijns eten wij ons brood totdat wij wederkeren tot de aarde waaruit de mens eerst genomen is.
Ware deze wereld werkelijk ons tehuis, het zou een verschrikkelijk lot voor ons zijn. Het zou inderdaad droevig voor ons zijn te weten dat wij bestendig moesten wonen waar de schaduw van de vloek altijd blijft hangen, en waar wij slechts de schaduw van het kruis hebben om ons eronder staande te houden. Maar het geloof komt op dit weinig belovende veld en gelooft dat het het goede des HEEREN zelfs híer zien zal.
Het snelt in het hevigste gevecht dat ooit gewoed heeft, ten volle gelovende dat het de banier van ‘s HEEREN goedertierenheid en waarheid ook dáár zal zien wapperen. Het draagt de last en de hitte van de aardse arbeid, en verwacht ‘s HEEREN getrouwe liefde daaronder te ondervinden. Het weet dat het meer van zijn God zien zal in het land aan gene zijde van de stroom, maar toch verwacht het het goede des HEEREN te zien, zelfs in dit land der levenden dat zo verstoord en verontrust is door droefheden en zorgen, beproevingen en verdrukkingen.
“Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.” Ik vermoed dat hij die laatste zin bedoelde als zijn eigen persoonlijke aanbeveling, ontleend aan zijn eigen ondervinding. Hij had het beproefd, en de wonderbare kracht ervan ondervonden als het herstel van zijn hart; en daarom zegt hij: ja, wacht op den HEERE.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David, uit dezelfden tijd als de beide vorige (2. Sam. 16: 23 ). Hetzelfde verlangen naar het heiligdom des Heren, dat in Psalm 26 werd uitgesproken, vernemen wij ook hier uit des dichters mond. Hij is rondom door vijanden omgeven, die zijn verderf bedoelen, van alle menselijke hulp verlaten, en door enen oorlog bedreigd, gevaarlijk gelijk er nog geen voor hem geweest is. Toch is hij vrolijk en bemoedigd in den Heere, zijnen God, nu reeds aanvankelijke hulp is opgedaagd, en, gelijk zijne bede was levenslang in des Heren huis te mogen blijven, zo is zijn vertrouwen, dat hij nog, gered van zijne vijanden, den Heere daar offeranden van lof zal mogen brengen.
I. Vs. 1-6.KruisverwijzingenPsalmen 118:6→Hebreeën 13:6→Psalmen 26:8→Exodus 15:2→2 Korinthe 12:9→Jesaja 60:19→Psalmen 23:6→Psalmen 65:4→
— Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen. Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop. Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
Op de vleugelen van het geloof verheft zich David boven allen nood en het gevaar, dat hem omringt. Hij ziet, geborgen aan Gods hart, de aarde met haar lijden en strijden verre beneden zich en kan met alles, wat hem met dood en verderf bedreigt, spotten, in het vast vertrouwen, dat hij over al zijne vijanden zal triomferen door ‘s Heren kracht, en nog liederen, rijk in lof, in ‘s Heren huis zingen zal. Dit vast vertrouwen is bij hem opgewekt door reeds ondervonden zegen.
De HEERE is in deze duisternis mijn Licht en in dezen nood mijn Heil b); voor wie zou ik vrezen? De HEERE is in dezen hoogst gevaarvollen toestand mijns levens kracht, mijn burg (Psalm 31: 3); voor wie zou ik vervaard zijn?
Jes. 10: 17; 60: 19,20. Micha 7: 8. (Luk. 1: 79. Joh. 1: 4; 8: 12. Openbaring 21: 23. b) Psalm 118: 6. Het licht maakt alle dingen zichtbaar, het was het eerst van alle zichtbare dingen gemaakt, en of God dit voor ons ten voorbeeld deed of niet, weet ik niet, maar dit is zeker, dat wij deze handelwijze Gods moeten navolgen en bij alles wat wij begeren het eerst moeten zoeken naar licht. (R. BAKER). Men kan alles verliezen en is toch niet verloren, zo men God slechts behoudt.
David legt hier op de weegschaal al de macht, die wereld en hel zou kunnen bezitten, en houdt dit alles voor lichter dan ene veer, omdat God alleen oneindig meer gewicht in de schaal legt.
Hoger kan het niet David is op de vleugelen des geloofs, de zon in het aangezicht, opgestegen, maar zonder gevaar, dat de gloed en de warmte van die zon zijne vleugelen zal doen smelten, want de Heere is zijn licht. Het licht, de aanvang van alles, ook in de aardse Schepping, is de bron en het beeld van leven en blijdschap, machtig, om alle duisternis van gevaar en droefenis te verdrijven. Daarom verklaart hij het door de bijvoeging: mijn heil, mijne hulpe en redding.
Neen, sterker uitdrukking van geloofskracht en geloofskennis is er niet. Hij zegt hier toch niet minder, dan dat de Heere, de Verbonds-God, in al Zijne volmaaktheid, zijn licht en zijn heil is, Die al de donkerheden en duisternissen verdrijft, zijne voet zet op een effen pad, maar hem ook boven alle gevaren verheft, zodat ook de sterkste vijand ten slotte niets tegen hem vermag. Redding, zaligheid, alles bezit hij in Hem, die de Heere is. Het gevolg is dan ook, dat zijne tegenstanders zelf vallen (vs. 2).
Alzo is de Heere voor mijn leven, wat de muren van een burg zijn voor degenen, die daarachter geborgen zijn. Als de bozen, mijne tegenpartijen, en mijne vijanden tegen mij, tot mij naderden als verscheurende dieren, om mijn vlees te eten, gelijk ik mij nu in een toestand bevind, dat men het op mijn volkomen verderf toegelegd heeft (2 Samuel 17: 7-14 17.7-14), stieten zij zelf aan, struikelden zij, en vielen. De goddeloze haat den godzalige; er is vijandschap tussen het zaad der vrouw en der slang. (Genesis 3: 15). Gelijk er van nature ene antipathie bestaat tussen den wijnstok en den laurierboom, den olifant en den draak. Gieren hebben antipathie tegen zoete geuren; alzo is er in den goddeloze ene antipathie tegen Gods volk; zij haten de zoete geuren van hun genade. Het is waar de vromen hebben hun zwakheden, maar de goddelozen haten hen niet om deze, maar om hun leven met God, en van dezen haat komt openbare benadeling voort; de dief haat het licht, daarom zou hij het willen uitblazen. Er was ene grote wijsheid in het gebed van J. Wesley: “Heere, indien ik strijden moet, laat het niet zijn met Uw volk.” Wanneer wij tot onze vijanden hebben die de gelovigen haten, blijft ons de troost, dat God aan hun zijde niet is, en het is daarom wezenlijk licht.
Ofschoon mij een leger belegerde, en dit geschiedt thans werkelijk (2 Samuel 17: 24-26), mijn hart zou niet vrezen (Psalm 3: 7); ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zich tegen mij verhief en ik zal zeker spoedig enen beslissenden strijd te strijden hebben (2 Samuel 18: 1 vv.), zo vertrouw ik hierop, zo ben ik vol vertrouwen.
Eén ding heb ik van den HEERE begeerd, dat is het doel mijner wensen, terwijl ik voor al het andere, dat mocht komen, mij niet bezorgd maak, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEREN, in een innig verkeer met dien God, die in de heilige tent op Zion Zijne woning heeft, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en te onderzoeken 1) in Zijnen tempel.
De ware Israëlieten, ook van David’s tijd vooral, die in de profeten-scholen verkeerd hadden, wisten, dat de plechtigheden van den Mozaïschen eredienst ook hare verborgene beduidenis hadden.
Wij moeten de vergaderingen der heiligen niet ingaan met het doel om te zien en gezien te worden, of alleen om den dienaar des Woords te horen, wij moeten in de verenigingen der rechtvaardigen zijn om meer te leren kennen van den geliefden Vader, van den verheerlijkten Zoon, van de verborgene werkingen des Heiligen Geestes, opdat wij Hem met meer liefde bewonderen en onzen groten God met dieperen eerbied verheerlijken.
Wat David hier uitspreekt is de wens, de bede van zijn hart, dat hij levenslang een gemeenzaam, innig verkeer met dien God mocht hebben, die in Zion’s tent woont. Waarom? Opdat hij zich zijn leven lang mocht verlustigen in de genadige openbaring van zijn Verbonds-God, die daar bovenal met geestesogen bij Geesteslicht wordt aanschouwd.
Want Hij versteekt, verbergt mij in Zijne hut als in een veilig toevluchtsoord, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent, waar geen vijand of vervolger mij kan vinden; Hij verhoogt mij op enen rotssteen, plaatst mij daar, waar ik alle gevaren ver beneden mij heb. De gunsteling van den vorst wordt groot door vele gunsten, giften, juwelen, posten, die deze hem geeft. De Christen wordt rijk in ervaringen, die hij als armbanden draagt en voor zijne rijkste juwelen houdt. Hij noemt de ene Eben Haëzer! -tot hiertoe heeft God mij geholpen,” een ander “Naphtali” -ik heb geworsteld met God en overmocht; een ander “Gersom” -ik was een vreemdeling; een ander “Jozef” God zal er nog meer aan toevoegen; en een ander “Pniël” ik heb Gods aangezicht gezien. (1 Samuel 7: 12. Genesis 30: 8. Exodus 2: 22. Genesis 30: 24 en 32: 30). Ik ben bevrijd van den leeuw, daarom zal ik ook vrij zijn van den beer; van leeuw en beer, daarom ook van den Filistijn; van den Filistijn daarom ook van Saul; van Saul daarom God zal mij behoeden van elk kwaad en mij bewaren voor Zijn hemels koninkrijk.
In het tegenwoordig gevaar vertrouw ik naar Gods woord, naar de ervaring der vaderen en naar mijne eigene, dat ik gered zal worden. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijne vijanden, die rondom mij zijn, zodat de overwinning voor mij zeker is (Psalm 18: 48 18.47), en ik zal, wanneer geschied zal zijn wat ik verwacht, in Zijne tent offeranden des geklanks 1) offeren, offeranden, begeleid door gejubel over de verkregene hulp (Numeri 10:
; ik zaldankliederen zingen, ja psalmzingen den HEERE.
Onder offeranden des geklank hebben wij geen offers te verstaan, bij welke de priesters op de trompet blazen, want dit geschiedde niet bij offers van een enkel persoon, maar bij offers, die de gehele vergadering brachten. Maar het zijn offers van jubelende dankbaarheid. Offers wil hij brengen, waarin zijn dankbaarheid zich openbaart, en voor zijn Redder, die zich zo heerlijk te aanschouwen gaf, wil hij dankliederen zingen met begeleiding van snarenspel.
David voorspelt hier, door het geloof alleen, dat hij straks de lieflijkheden van het huis des Heren zal aanschouwen, dat hij uit alle zwarigheden gered, den Heere de ere van Zijn naam in Zijne tent geven en brengen zal. 7.
II. Vs. 7-12.KruisverwijzingenJesaja 49:15→Psalmen 5:8→Psalmen 105:4→Psalmen 86:11→Jeremia 29:12→Psalmen 69:17→Jesaja 40:11→Psalmen 119:58→
— Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij. Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE! Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils! Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen. HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil. Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
David gevoelt het wel bij deze vlucht, die zijn geloof neemt, en hij heeft het ook aan het slot van het vorig gedeelte zich wel uitdrukkelijk voor den geest gesteld, dat hij naar het lichaam nog op aarde is, en daar te midden van grote noden en zwaren druk. De geest in hem is gewillig, zich van alle angsten en zorgen te ontslaan, maar het vlees is zwak en de gevaren, door welke hij bedreigd is, moeten hem ter harte gaan, anders ware zijn geloof vermetelheid. “Wij zouden ons in hem niet kunnen vinden, zo hij in dezelfden triomferenden toon, in welken hij begonnen was, ware voortgegaan tot het einde.” Daarom volgt nu een tweede gedeelte, waarin de zanger wel hartelijk en vertrouwend, maar toch weemoedig en met klachten God bidt, dat hij Zich Zijner ontferme en hem uit de handen rukke dergenen die met list en geweld zijn verderf zoeken.
Hoor, HEERE! mijne stem, als ik roep, nu de werkelijkheid, die ik in het geloof voorbijzag, met alle gevaren en verschrikkingen weer voor mijnen geest treedt, en wees mij genadig, en antwoord mij.
Mijn hart zegt tot U: Gij zegt tot Uwe gelovigen door den gehelen geest en inhoud Uwer Goddelijke openbaring (Deuteronomium 4: 29): “Zoek Mijn aangezicht 1); ” Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE! gehoorzamende aan Uw bevel en vertrouwende op de daarin gegevene belofte (Psalm 24: 6. (Jes. 45: 19).
Wij zien hier dus dat God met ons moet beginnen vóórdat wij Hem kunnen aannemen. God moet Ons zoeken, vóórdat wij Hem kunnen zoeken. God moet eerst begeren, dat wij tot Hem zullen gaan, vóórdat wij voor ons in ‘t bijzonder onzen God kunnen nader komen. Gij zei: “Zoek Mij,” en toen en niet vóór dien tijd zei mijn hart: “Ik zoek Uw aangezicht.”. De getrouwe kan niet spreken “Zoek Mij” en dan den biddenden teleurstellen. (Jes. 45: 19). Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik ben de Heere, die gerechtigheid spreekt; die rechtmatige dingen verkondigt. Indien Ahasveros zijne vrouw verzocht om te begeren, zou hij zeker niet nalaten haren wens te volbrengen. (Esther 7: 2); zo ook hier. Wanneer Christus den blinde roept om tot Hem te komen, Hem zijn leed te verhalen dan kan er met waarheid tot hem gezegd worden: “Heb goeden moed, sta op, Hij roept u.” (Mark. 10: 49).
Verberg Uw aangezicht niet voor mij, want Gij wilt het tonen aan degenen, die het zoeken; keer Uwen knecht niet af, stoot hem niet af in toorn, gelijk Gij doet met degenen, die tegen U opstaan; Gij zijt mijne hulp van ouds af geweest, begeef mij dan ook thans niet, en verlaat mij niets o God mijns heils! Het is een gezegende zaak Gods ware knechten te zijn. Bedenk wat de koningin van Scheba zei van Salomo’s dienaars (1 Koningen 10: 8).”Gezegend zijn deze uwe knechten.” Welnu Christus Jezus is groter dan Salomo (MATTHEUS. 12: 42), en dus een zoveel beter meester. Goede aardse meesters zullen goede knechten eren gelijk geschreven staat Spreuken 27: 18: “die zijnen heer waarneemt zal geëerd worden,” en Spreuken 17: 2: “een verstandig knecht zal in het midden der broederen erfenis delen.” Maar al zijn sommige meesters Labans en Nabal’s God zal zo niet zijn; Joh. 12: 26: “Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.” “Indien iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.” (zie Luk. 12: 31). De waakzame dienstknechten zijn gezegend; hun Meester zal hen doen zitten aan den maaltijd en zal komen en hen dienen (MATTHEUS. 25: 21, 23): “Wel gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in de vreugde uws Heren.”
Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen, Hij zal den ronddwalenden in bescherming nemen (Jozua 20: 4. Richteren 19: 15 vv.). Hiermede moet dezelfde gedachte, die wij in Jes. 63: 16 ontmoeten, op individualiserende wijze worden uitgedrukt. Als David naar hulp uitziet, is hem zijn God de eerste en de laatste, en staat hij aldus tegenover de ongelovige wereld, voor welke God, wanneer zij aan Hem denkt, slechts een aanvulsel tot alle andere helpers is.
In iedere zware beproeving ondervindt de lijder het wel in meerdere of mindere mate, dat hij van mensen verlaten wordt, dat zij hem “slechte vertroosters” zijn; en is zulks in waarheid het geval niet, dan schijnt het hem toch zo voor zijn gevoel, en juist dit verhoogt zijnen kommer. (Job. 19: 13-19).
Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen, Hij zal den ronddwalenden in bescherming nemen (Jozua 20: 4. Richteren 19: 15 vv.). Hiermede moet dezelfde gedachte, die wij in Jes. 63: 16 ontmoeten, op individualiserende wijze worden uitgedrukt. Als David naar hulp uitziet, is hem zijn God de eerste en de laatste, en staat hij aldus tegenover de ongelovige wereld, voor welke God, wanneer zij aan Hem denkt, slechts een aanvulsel tot alle andere helpers is.
In iedere zware beproeving ondervindt de lijder het wel in meerdere of mindere mate, dat hij van mensen verlaten wordt, dat zij hem “slechte vertroosters” zijn; en is zulks in waarheid het geval niet, dan schijnt het hem toch zo voor zijn gevoel, en juist dit verhoogt zijnen kommer. (Job. 19: 13-19).
Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen, Hij zal den ronddwalenden in bescherming nemen (Jozua 20: 4. Richteren 19: 15 vv.). Hiermede moet dezelfde gedachte, die wij in Jes. 63: 16 ontmoeten, op individualiserende wijze worden uitgedrukt. Als David naar hulp uitziet, is hem zijn God de eerste en de laatste, en staat hij aldus tegenover de ongelovige wereld, voor welke God, wanneer zij aan Hem denkt, slechts een aanvulsel tot alle andere helpers is.
In iedere zware beproeving ondervindt de lijder het wel in meerdere of mindere mate, dat hij van mensen verlaten wordt, dat zij hem “slechte vertroosters” zijn; en is zulks in waarheid het geval niet, dan schijnt het hem toch zo voor zijn gevoel, en juist dit verhoogt zijnen kommer. (Job. 19: 13-19).
Boven alles bid ik U: HEERE! a) leer mij Uwen weg, en leid mij in het rechte pad, en doe dit in ‘t bijzonder om mijner verspieders wil, die opmerkzaam al mijne schreden vervolgen en zo gaarne verwerkelijkt zagen, wat zij mij toelichten en toewensen.
Psalm 25: 4; 81: 11; 119: 33, enz.
Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijen, die het op mijnen ondergang toeleggen; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan (2 Samuel 15: 3 v.; 16: 8), mitsgaders die wrevel uitblaast, die met de kunsten van bedrog en leugen ook openlijk geweld verbindt. David mocht aan zijne vele vijanden, die al zijne schreden met opmerkzaamheid beloerden, gene aanleiding geven, dat zij hem zagen struikelen en vallen, daar zij anders uit het gevolg zouden besluiten, dat hij schuldigen van God verlaten was.
13.
III. Vs. 13 KruisverwijzingenPsalmen 142:5→2 Korinthe 4:16→2 Korinthe 4:8→Psalmen 56:13→Ezechiël 26:20→Psalmen 56:3→Psalmen 31:19→Jeremia 11:19→
— Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.
en 14. O, hoe ongelukkig en verloren-zo gevoelt David nog ten laatste op het levendigst-ware hij in zijnen hoogst gevaarlijken toestand, wanneer hij niet in het geloof stond! Maar hij heeft het geloof, dat alles nog gelukkig zal en wekt zich zelven op, ook onder moeilijke omstandigheden geduldig te wachten en op ‘s Heren hulp te hopen.
Naar den mens beschouwd is mijn toestand wanhopig. Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede, de zegeningen en weldaden (volgens ene andere verklaring: “de goedertierenheid) des HEREN zou zien in het land der levenden 1), ik ware vergaan 2).
Helaas! welk een land van levenden is dit, waarin meer doden dan levenden zijn, meer onder den grond dan daarboven, waar de aarde voller is van graven dan van huizen; waar het leven bevende ligt onder de hand des doods, en waar de dood macht heeft om over het leven te heersen! Neen, mijne ziel! daar alleen is het land der levenden, waar gene andere dan levenden zijn, waar gene Kerk is die strijdt, maar ene die triomfeert; inderdaad ene Kerk, maar geen kerkhof, omdat er geen dood is, noch iemand, die zou kunnen sterven; waar het leven niet passief is, noch de dood actief; waar het leven gekroond is en waar de dood is verslonden tot overwinning. (R. BAKER).
Het bijvoegende in onze vertaling: “ik ware vergaan” staat niet in den grondtekst; “dit fatale woord kwam over des zangers lippen niet: voordat hij het uitgesproken heeft, verheft zich de stem in zijn binnenste, die hem vermaant in het vertrouwen op den Heere dien hij als den enigen grond zijner hoop genoemd heeft, steeds vaster te worden.” Ene gelijke aposiopesis (verzwijging van den nazin) vindt men Genesis 50: 15. De Masorethen (Joodse tekstverklaarders) hebben zich in deze aposiopese niet kunnen vinden, en boven het eerste woord van dit vers de zogenaamde puncta extraordinaria geplaatst, ten teken, dat zij niet verstonden, wat het woord moest betekenen.
a) Wacht dan, o mijne ziel! 1) op den HEERE: zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, Ja wacht op den HEERE; Hij zal het niet tot het uiterste laten komen.
Jes. 25: 9; 33: 2. Habakuk. 2: 3.
De dichter spreekt zich zelven aan, alsof het gelovige deel der ziel het vreesachtige en zwakkere opwekt.
Er kan aan getwijfeld worden, of David de rede van zich zelven overbrengt op anderen en door zijn voorbeeld hen opwekt tot sterkte en tot standvastig geduld, zoals op het einde van Psalm 31: 19, nadat hij over zich in het bijzonder heeft gesproken, het overbrengt op alle vromen. Maar dewijl hier in het enkelvoud wordt gesproken, geeft hij geen enkel bewijs aan, waarom het geoorloofd is, de rede op anderen over te brengen en komt het mij waarschijnlijk voor, dat hij zich zelven prikkelt tot geloofsvertrouwen, opdat hij nooit in zijn gemoed zou wankelen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel