Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329, opH5921 AijelethH365 hasschacharH7837.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.
KJV
[[To the chief Musician1
upon Aijeleth3
Shahar,4
A Psalm5
of David.]]6
My God,
my God,
why hast thou forsaken
me? why art thou so far
from helping
me, and from the words
of my roaring?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Mijn GodH430, mijn God! waaromH4100 hebt Gij mij verlatenH5800, verreH7350 zijnde van mijn verlossingH3444, van de woordenH1697 mijns brullensH7581?
Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Ook in dit vers
GodH410
GodH410
KJV
O my God,
I cry
in the daytime,
but thou hearest
not; and in the night season,
and am not silent.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Mijn GodH430! Ik roepH7121 des daagsH3119, maar Gij antwoordtH6030 niet; en des nachtsH3915, en ik heb geen stilteH1747.
Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
KJV
But thou art holy,
O thou that inhabitest
the praises
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Doch GijH859 zijt heiligH6918, wonendeH3427 onder de lofzangenH8416 IsraelsH3478.
Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.
KJV
Our fathers
trusted
in thee: they trusted,
and thou didst deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Op U hebben onze vadersH1 vertrouwdH982; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpenH6403.
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Ook in dit vers
vertrouwdH982
KJV
They cried
unto thee, and were delivered:
they trusted2
in thee, and were not confounded.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
TotH413 U hebben zij geroepenH2199, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwdH982, en zijn nietH3808 beschaamdH954 geworden.
Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Ook in dit vers
uitgeredH4422
KJV
But I am a worm,
and no man;
a reproach
of men,
and despised
of the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Maar ikH595 ben een wormH8438 en geenH3808 man, een smaadH2781 van mensen, en verachtH959 van het volkH5971.
Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Ook in dit vers
mensenH120
manH376
KJV
All they that see
me laugh me to scorn:
they shoot out
the lip,
they shake
the head,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
AllenH3605, die mij zienH7200, bespottenH3932 mij; zij steken de lipH8193 uit, zij schuddenH5128 het hoofdH7218, zeggende:
Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
KJV
He trusted
on the LORD
that he would deliver
him: let him deliver
him, seeing he delighted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Hij heeft het op den HEEREH3068 gewenteldH1556, dat Hij hem nu uithelpeH6403, dat Hij hem reddeH5337, dewijl Hij lustH2654 aanH413 hem heeft!
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
KJV
But thou art he that took
me out of the womb:
thou didst make me hope
when I was upon my mother's
breasts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
GijH859 zijt het immers, Die mij uit den buikH990 hebt uitgetogenH1518; Die mij hebt doen vertrouwenH982, zijnde aanH5921 mijner moedersH517 borstenH7699.
Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
KJV
I was cast
upon thee from the womb:
thou art my God
from my mother's8
belly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Op U ben ik geworpenH7993 van de baarmoederH7358 af; van den buikH990 mijner moederH517 aan zijt Gij mijn GodH410.
Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
KJV
Be not far
from me; for trouble
is near;
for there is none to help.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo wees niet verreH7368 vanH4480 mij, want benauwdheidH6869 is nabijH7138; want er is geen helperH5826.
Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
KJV
Many
bulls
have compassed
me: strong
bulls of Bashan
have beset me round.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
VeleH7227 varrenH6499 hebben mij omsingeldH5437, sterke stieren van BasanH1316 hebben mij omringd.
Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
Ook in dit vers
sterkeH47
omringdH3803
KJV
They gaped
upon me with their mouths,
as a ravening
and a roaring
lion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Zij hebben hun mondH6310 tegenH5921 mij opgesperdH6475, als een verscheurendeH2963 en brullendeH7580 leeuwH738.
Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
KJV
I am poured out
like water,
and all my bones
are out of joint:
my heart
is like wax;
it is melted
in the midst
of my bowels.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik ben uitgestortH8210 als waterH4325, en alH3605 mijn beenderenH6106 hebben zich vaneen gescheiden; mijn hartH3820 is als was, het is gesmoltenH4549 in het midden mijns ingewandsH4578.
Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
Ook in dit vers
vaneen gescheidenH6504
middenH8432
KJV
My strength
is dried up
like a potsherd;
and my tongue
cleaveth
to my jaws;
and thou hast brought
me into the dust
of death.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Mijn krachtH3581 is verdroogdH3001 als een potscherfH2789, en mijn tongH3956 kleeftH1692 aan mijn gehemelteH4455; en Gij legtH8239 mij in het stofH6083 des doodsH4194.
Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
KJV
For dogs
have compassed
me: the assembly
of the wicked
have inclosed
me: they pierced
my hands
and my feet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantH3588 hondenH3611 hebben mij omsingeld; een vergaderingH5712 van boosdoenersH7489 heeft mij omgevenH5362; zij hebben mijn handenH3027 en mijn voetenH7272 doorgravenH3738.
Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
Ook in dit vers
omsingeldH5437
KJV
I may tell
all my bones:
they look
and stare
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
AlH3605 mijn beenderenH6106 zou ik kunnen tellenH5608; zij schouwenH5027 het aan, zij zien op mij.
Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
Ook in dit vers
zienH7200
KJV
They part
my garments
among them, and cast
lots
upon my vesture.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zij delenH2505 mijn klederen onder zich, en werpenH5307 het lotH1486 overH5921 mijn gewaadH3830.
Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Ook in dit vers
klederenH899
KJV
But be not thou far
from me, O LORD:
O my strength,
haste
thee to help
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar GijH859, HEEREH3068! wees nietH408 verreH7368; mijn SterkteH360! haastH2363 U tot mijn hulpH5833.
Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
KJV
Deliver
my soul
from the sword;
my darling
from the power
of the dog.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
RedH5337 mijn zielH5315 van het zwaardH2719, mijn eenzameH3173 van het geweldH3027 des hondsH3611.
Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
KJV
Save
me from the lion's
mouth:
for thou hast heard
me from the horns
of the unicorns.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
VerlosH3467 mij uit des leeuwenH738 muilH6310; en verhoorH6030 mij van de hoornenH7161 der eenhoornenH7214.
Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
KJV
I will declare
thy name
unto my brethren:
in the midst
of the congregation
will I praise
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zo zal ik Uw NaamH8034 mijn broederenH251 vertellenH5608; in het middenH8432 der gemeenteH6951 zal ik U prijzenH1984.
Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
KJV
Ye that fear
the LORD,
praise6
him; all ye the seed
of Jacob,
glorify
him; and fear
him, all ye the seed
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Gij, die den HEEREH3068 vreestH3373! prijstH1984 Hem; alH3605 gij zaad van JakobH3290! vereert Hem; en ontzietH1481 u voor Hem, alH3605 gij zaad van IsraelH3478!
Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!
Ook in dit vers
zaadH2233
zaadH2233
vereertH3513
KJV
For he hath not despised
nor abhorred
the affliction
of the afflicted;
neither hath he hid
his face
from him; but when he cried
unto him, he heard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Want Hij heeft niet verachtH959, noch verfoeidH8262 de verdrukkingH6039 des verdruktenH6041, noch Zijn aangezicht voor hem verborgenH5641; maar Hij heeft gehoordH8085, als die totH413 Hem riepH7768.
Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
Ook in dit vers
aangezichtH6440
KJV
My praise
shall be of thee in the great
congregation:
I will pay
my vows
before them that fear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
VanH854 U zal mijn lofH8416 zijn in een groteH7227 gemeenteH6951; ik zal mijn geloftenH5088 betalenH7999 in tegenwoordigheidH5048 dergenen, die Hem vrezenH3373.
Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
KJV
The meek
shall eat
and be satisfied:
they shall praise
the LORD
that seek
him: your heart
shall live
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
De zachtmoedigenH6035 zullen etenH398 en verzadigdH7646 worden; zij zullen den HEEREH3068 prijzenH1984, die Hem zoekenH1875; ulieder hartH3824 zal in eeuwigheidH5703 levenH2421.
De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
KJV
All the ends
of the world
shall remember
and turn
unto the LORD:5
and all the kindreds
of the nations
shall worship
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
AlleH3605 eindenH657 der aardeH776 zullen het gedenkenH2142, en zich totH413 den HEEREH3068 bekerenH7725; en alleH3605 geslachtenH4940 der heidenenH1471 zullen voor Uw aangezicht aanbiddenH7812.
Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
Ook in dit vers
aangezichtH6440
KJV
For the kingdom
is the LORD'S:4
and he is the governor
among the nations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WantH3588 het koninkrijkH4410 is des HEERENH3068, en Hij heerstH4910 onder de heidenenH1471.
Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
KJV
All they that be fat
upon earth
shall eat
and worship:
all they that go down
to the dust
shall bow
before
him: and none can keep alive
his own soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Alle vettenH1879 op aarde zullen etenH398, en aanbiddenH7812; allen, die in het stofH6083 nederdalenH3381, zullen voor Zijn aangezicht nederbukkenH3766; en die zijn zielH5315 bij het leven nietH3808 kan houden.
Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
Ook in dit vers
aardeH776
levenH2421
aangezichtH6440
KJV
A seed
shall serve
him; it shall be accounted
to the Lord
for a generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Het zaadH2233 zal Hem dienenH5647; het zal den HEERE aangeschrevenH5608 worden tot in geslachtenH1755.
Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.
Ook in dit vers
HEEREH136
KJV
They shall come,
and shall declare
his righteousness
unto a people
that shall be born,
that he hath done
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Zij zullen aankomenH935, en Zijn gerechtigheidH6666 verkondigenH5046 den volkeH5971, dat geborenH3205 wordt, omdat Hij het gedaanH6213 heeft.
Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
op Aijeleth hasscháchar
Of, naar, van, de hinde des dageraads. Sommigen houden het voor een muzikaal instrument, waarop men dezen psalm moest spelen; anderen voor de eerste woorden van een zeker lied, onder de Joden te dien tijde bekend, waarnaar deze psalm gezongen is. Daar zijn er ook, die het aldus uitleggen: in, of tegen de kracht des dageraads; menende dat deze heerlijke profetie van Christus' lijden, dood, opstanding, enz. den priesters en Levieten gegeven is om allen morgen met het aanbreken des dageraads in Gods huis gezongen te worden. Anderen duiden het op Christus, die bij een hert vergeleken wordt, Hoogl. 2:9 , Hoogl. 2:17 ; Hoogl. 8:14 , en des morgens zeer vroeg uit het graf is opgestaan; gelijk de opstanding de morgenstond genoemd wordt, Ps. 49:15 . waarvan de verstandige lezer zal mogen oordelen.
Hertaald:
op Aijeleth hasscháchar
Of: naar, van, de hinde van de dageraad. Sommigen houden het voor een muziekinstrument waarop men dit psalm moest spelen; anderen voor de eerste woorden van een bepaald lied dat in die tijd onder de Joden bekend was, waarop deze psalm gezongen werd. Er zijn er ook die het zo uitleggen: in, of tegen de kracht van de dageraad; menend dat deze heerlijke profetie van Christus' lijden, dood, opstanding, enzovoort, aan de priesters en Levieten gegeven is om elke morgen bij het aanbreken van de dageraad in Gods huis gezongen te worden. Anderen betrekken het op Christus, die vergeleken wordt met een hert, Hoogl. 2:9, Hoogl. 2:17; Hoogl. 8:14, en die zeer vroeg in de morgen uit het graf is opgestaan; zoals de opstanding de morgenstond genoemd wordt, Ps. 49:15. Waarover de verstandige lezer zelf zal kunnen oordelen.
Mijn God,
Hoewel enige dingen in dezen psalm mede op David, als Christus' voorbeeld, bekwamelijk kunnen gepast worden, zo blijkt nochtans klaarlijk uit de vier Evangelisten, dat zij meest allen voornamelijk en eigenlijk in den persoon des Heeren Christus, onzen enigen Messias, zijn vervuld, en dat dienvolgens David door den profetischen geest onzen Heere Christus, als hier zelf tot zijnen Vader sprekende, heeft ingevoerd.
Hertaald:
Mijn God,
Hoewel enkele dingen in dit psalm ook goed op David, als Christus' voorbeeld, toegepast kunnen worden, blijkt toch duidelijk uit de vier Evangelisten dat zij bijna allemaal vooral en eigenlijk in de persoon van de Heere Christus, onze enige Messias, vervuld zijn, en dat David bijgevolg door de profetische geest onze Heere Christus heeft laten spreken, hier alsof Hij Zelf tot Zijn Vader sprak.
brullens?
Dit geeft te kennen een schrikkelijke beroerte des harten, voortbrengende een sterk geroep. Verg. Job 3:24 . Ps. 32:3 ; Ps. 38:9 . en zie Matt. 27:46 . Hebr. 5:7 . Dit alles heeft de Heere Christus geleden als onze borg, dragende den toorn Gods vanwege onze zonden en voor dezelve volkomenlijk betalende.
Hertaald:
brullens?
Dit duidt op een verschrikkelijke beroering van het hart, die een sterk geroep voortbrengt. Vergelijk Job 3:24. Ps. 32:3; Ps. 38:9. en zie Matth. 27:46. Hebr. 5:7. Dit alles heeft de Heere Christus geleden als onze Borg, terwijl Hij de toorn van God vanwege onze zonden droeg en daarvoor volledig betaalde.
ik heb
Of, voor mij is gene stilte; dat is, ik houd niet op, rust niet te klagen; of, doch ik bekom gene stilte, dat is rust, ofschoon ik roep, mijn lijden houdt niet op.
Hertaald:
ik heb
Of: voor mij is geen stilte; dat is: ik houd niet op, rust niet met klagen; of: maar ik krijg geen stilte, dat is rust, hoewel ik roep, mijn lijden houdt niet op.
lofzangen
Dat is, in uw huis, hetwelk de plaats is, waar uw volk uwen naam prijst vanwege de genadige hulp en verlossing, die Gij aan hen pleegt te bewijzen. Anders, nochtans zijt Gij heilig, zittende; [dat is, altijd blijvende] o gij lofzangen [de menigerlei of volkomen lof] Israëls. Verg. Deut. 10:21 . Jer. 17:14 .
Hertaald:
lofzangen
Dat is: in Uw huis, dat de plaats is waar Uw volk Uw naam prijst vanwege de genadige hulp en verlossing die U hun pleegt te bewijzen. Anders: toch bent U heilig, zittend; [dat is: altijd blijvend] o U, lofzangen [de veelvoudige of volkomen lof] van Israël. Vergelijk Deut. 10:21. Jer. 17:14.
worm
Dat is, gelijk een worm; dat is zeer zwak en krachteloos, gans niet geacht, en als onder voeten getreden, gelijk volgt. Verg. Job 25:6 . Jes. 41:14 .
Hertaald:
worm
Dat is: zoals een worm; dat is: zeer zwak en krachteloos, helemaal niet geacht, en als onder de voeten getreden, zoals volgt. Vergelijk Job 25:6. Jes. 41:14.
van het
Hebr. ene verachting des volks.
Hertaald:
van het
Hebreeuws: een verachting van het volk.
steken
Anders, zij trekken de lip; Hebr. eigenlijk, zij openen met de lip.
Hertaald:
steken
Anders: zij trekken de lip; Hebreeuws letterlijk: zij openen met de lip.
schudden
Zie 2 Kon. 19:21 .
Hertaald:
schudden
Zie 2 Kon. 19:21.
gewenteld,
Hebr. wentelen, of rollen op den HEERE; dat is, hij heeft zichzelven, of zijn weg [gelijk Ps. 37:5 ] of zijne zaak, de uitkomst zijns lijden, den Heere bevolen, opgedragen, opgegeven, [gelijk wij ook gewoon zijn te spreken] vastelijk betrouwende op hem, als wanneer men ergens iets heenrolt, waar het bewaard zal blijven liggen, of iets op iemand schuift, die het wel machtig is op zich te nemen, en te dragen, of te redden. Verg. Ps. 55:23 . Spr. 16:3 . 1 Petr. 5:7 . alwaar dergelijke lieflijke manieren van spreken gevonden worden.
Hertaald:
gewenteld,
Hebreeuws: wentelen, of rollen op de HEERE; dat is: hij heeft zichzelf, of zijn weg [zoals Ps. 37:5] of zijn zaak, de uitkomst van zijn lijden, aan de HEERE bevolen, opgedragen, overgegeven, [zoals wij ook gewoon zijn te zeggen] vast op Hem vertrouwend, zoals wanneer men iets ergens heen rolt, waar het bewaard zal blijven liggen, of iets op iemand schuift die het wel machtig is op zich te nemen, te dragen, of te redden. Vergelijk Ps. 55:23. Spr. 16:3. 1 Petr. 5:7. waar soortgelijke lieflijke manieren van spreken te vinden zijn.
dewijl
Waarop Hij zich beroemt; alzo spreken zij spottenderwijze.
Hertaald:
dewijl
Waarop Hij zich beroemt; zo spreken zij spottend.
Gij zijt
Dit is een antwoord op de voorgaande spotternij der goddelozen, vol zijnde van vertrouwen.
Hertaald:
Gij zijt
Dit is een antwoord op de voorgaande spot van de goddelozen, vol vertrouwen.
doen vertrouwen
Anders, in zekerheid, of behoudenis gesteld.
Hertaald:
doen vertrouwen
Anders: in zekerheid, of behoud gesteld.
geworpen
Dat is, uwe zorg en bewaring aanbevolen; ene gelijkenis, genomen van een voedvrouw of voedster, die het nieuwgeboren kind op de knieën of in haar schoot ontvangt en koestert.
Hertaald:
geworpen
Dat is: Uw zorg en bewaring toevertrouwd; een vergelijking, ontleend aan een voedster of min, die het pasgeboren kind op de knieën of in haar schoot ontvangt en koestert.
Vele
Of, grote, machtige varren. Versta de oversten van het Joodse volk, zijnde als sterke, lijvige, vette ossen en wrede, stotende stieren.
Hertaald:
Vele
Of: grote, machtige stieren. Versta hieronder: de leiders van het Joodse volk, die als sterke, gezette, vette ossen en wrede, stotende stieren zijn.
stieren
Het Hebr. woord betekent eigenlijk sterken, machtigen, maar wordt ook genomen voor stieren, ossen of bullen, gelijk afgenomen wordt uit Jes. 34:7 . Zie ook Ps. 50:13 ; Ps. 68:31 . Jer. 47:3 . [waar het voor sterke guilen genomen wordt] en Jer. 50:11 .
Hertaald:
stieren
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk sterken, machtigen, maar wordt ook gebruikt voor stieren, ossen of bullen, zoals af te leiden is uit Jes. 34:7. Zie ook Ps. 50:13; Ps. 68:31. Jer. 47:3. [waar het voor sterke helden gebruikt wordt] en Jer. 50:11.
Basan
Zie Deut. 32:14 . Ezech. 39:18 . Hos. 4:16 . Am. 4:1 .
Hertaald:
Basan
Zie Deut. 32:14. Ezech. 39:18. Hos. 4:16. Amos 4:1.
omringd
Hebr. alsof men zeide: kroonswijze omgeven, of bezet.
Hertaald:
omringd
Hebreeuws: alsof men zei: kroonvormig omringd, of bezet.
opgesperd
Verg. Job 16:10 . Klaagl. 2:16 ; Klaagl. 3:46 .
Hertaald:
opgesperd
Vergelijk Job 16:10. Klaagl. 2:16; Klaagl. 3:46.
uitgestort
Dat is, mijne krachten vloeien weg als water, dat men uitstort.
Hertaald:
uitgestort
Dat is: mijn krachten vloeien weg als water, dat men uitstort.
gesmolten
Zie Deut. 1:28 ; Deut. 20:8 . Joz. 7:5 ; Joz. 14:8 . Ps. 68:3 . enz.
Hertaald:
gesmolten
Zie Deut. 1:28; Deut. 20:8. Joz. 7:5; Joz. 14:8. Ps. 68:3. enzovoort.
kleeft
Zodat ik kommerlijk spreek. Zie Job 29:10 . Ps. 137:6 . Ezech. 3:26 . of vanwege droogte en groten dorst. Zie Joh. 19:28 .
Hertaald:
kleeft
Zodat ik moeizaam spreek. Zie Job 29:10. Ps. 137:6. Ezech. 3:26. of vanwege droogte en grote dorst. Zie Joh. 19:28.
des doods
Dat is, in zulken staat, dat ik ben als een dode, dien men zal mogen begraven. Sommigen houden het voor ene gelijkenis, genomen van kampioenen, die uitgeworsteld hebbende en gans krachteloos geworden zijnde, in het stof, als doden, daarheen vallen.
Hertaald:
des doods
Dat is: in zo'n toestand dat ik ben als een dode, die men zal begraven. Sommigen houden het voor een vergelijking, ontleend aan worstelaars, die na te hebben geworsteld en helemaal krachteloos geworden, in het stof neervallen, als doden.
honden
Versta, de hogepriesters en schriftgeleerden, mitsgaders het snode gespuis der Jode en soldaten, die de Heere Christus bij honden vergelijkt, vermits hunne snoodheid, onreinheid en dolle razernij tegen hem. Verg. Job 30:1 . Ps. 59:7 , Ps. 59:15 . Spr. 26:11 . Matt. 7:6 . Fil. 3:2 . Openb. 22:15 . Zie ook 2 Sam. 3:8 .
Hertaald:
honden
Versta hieronder: de hogepriesters en schriftgeleerden, en ook het gemene gespuis van de Joden en soldaten, die de Heere Christus vergelijkt met honden, vanwege hun gemeenheid, onreinheid en dolle razernij tegen Hem. Vergelijk Job 30:1. Ps. 59:7, Ps. 59:15. Spr. 26:11. Matth. 7:6. Fil. 3:2. Openb. 22:15. Zie ook 2 Sam. 3:8.
doorgraven
Dat is, zij hebben mijne handen en voeten doornageld.
Hertaald:
doorgraven
Dat is: zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
tellen;
Doordien zij aan het kruis zo zijn uitgerekt, dat zij [als uitstekende] zouden geteld kunnen worden.
Hertaald:
tellen;
Doordat zij aan het kruis zo uitgerekt zijn, dat men hun beenderen, [omdat ze uitsteken] zou kunnen tellen.
op mij
Of, aan mij, te weten hun wens, dat is, zij nemen hun lust en vermaak daarin, dat zij mijn lijden met hunne ogen mogen aanschouwen. Verg. Ps. 35:21 ; Ps. 37:34 ; Ps. 54:9 ; Ps. 59:11 ; Ps. 92:12 ; Ps. 118:7 .
Hertaald:
op mij
Of: aan mij, namelijk hun wens, dat is: zij scheppen behagen en genoegen erin dat zij mijn lijden met hun ogen mogen aanschouwen. Vergelijk Ps. 35:21; Ps. 37:34; Ps. 54:9; Ps. 59:11; Ps. 92:12; Ps. 118:7.
ziel
Dat is, mijn persoon, of leven, en zo in het volgende. Zie Gen. 12:5 ; 19:17.
Hertaald:
ziel
Dat is: mijn persoon, of leven, en zo ook in het vervolg. Zie Gen. 12:5; 19:17.
zwaard,
Dat is, van dezen scherpen en bitteren strijd, dit vijandiglijk en dodelijk geweld, deze wrede vervolging en verwonding, ja den dood zelf; gelijk het woord zwaard somtijds genomen wordt voor al zulke gevolgen van zwaard en oorlog. Zie Jer. 25:16 , Jer. 25:27 , Jer. 25:29 . Ezech. 38:21 , enz.
Hertaald:
zwaard,
Dat is: van deze scherpe en bittere strijd, dit vijandige en dodelijke geweld, deze wrede vervolging en verwonding, ja de dood zelf; zoals het woord zwaard soms gebruikt wordt voor al zulke gevolgen van zwaard en oorlog. Zie Jer. 25:16, Jer. 25:27, Jer. 25:29. Ezech. 38:21, enzovoort.
eenzame
Of, enige, eenlijke; dat is, mijne ziel, die, als een enig kind, [wwarvan dit woord ook elders gebruikt wordt, gelijk Gen. 22:2 . Richt. 11:34 . enz.] alleen en van alle hulp ontbloot is. Alzo wordt het Hebr. woord ook gebruikt Ps. 35:17 . Verg. Ps. 25:16 ; Ps. 68:7 .
Hertaald:
eenzame
Of: enige, eenzame; dat is: mijn ziel, die, als een enig kind, [waarvoor dit woord ook elders gebruikt wordt, zoals Gen. 22:2. Richt. 11:34. enzovoort] alleen en van alle hulp verstoken is. Zo wordt het Hebreeuwse woord ook gebruikt Ps. 35:17. Vergelijk Ps. 25:16; Ps. 68:7.
geweld
Hebr. van de hand. Zie Job 5:20 . honds; dat is, der honden, zie vs.17. Men kan hier en in het volgende vers. ook verstaan den duivel, die een vorst dezer wereld genoemd en bij een briesende leeuw vergeleken wordt, Joh. 14:30 . Ef. 6:12 . 1 Petr. 5:8 . Zie het volgende vs.22.
Hertaald:
geweld
Hebreeuws: van de hand. Zie Job 5:20. van de hond; dat is: van de honden, zie vers 17. Men kan hier en in het volgende vers ook de duivel bedoelen, die een vorst van deze wereld genoemd wordt en vergeleken wordt met een brullende leeuw, Joh. 14:30. Ef. 6:12. 1 Petr. 5:8. Zie het volgende vers 22.
verhoor
Dat is, verhoor en verlos mij van de hoornen, enz. Alzo worden dikwijls bij de Hebreën twee woorden onder een verstaan. Verg. Gen. 12:15 . Num. 17:5 . Anders, want Gij hebt mij verhoord, enz.; of, ja Gij hebt mij verhoord.
Hertaald:
verhoor
Dat is: verhoor en verlos mij van de horens, enzovoort. Zo worden bij de Hebreeën vaak twee woorden als één begrepen. Vergelijk Gen. 12:15. Num. 17:5. Anders: want U hebt mij verhoord, enzovoort; of: ja, U hebt mij verhoord.
eenhoornen
Die zeer sterk wild, wreed en ontembaar zijn; Num. 23:22 . Job 39:12 . enz.
Hertaald:
eenhoornen
Die zeer sterk, wild, wreed en ontembaar zijn; Num. 23:22. Job 39:12. enzovoort.
naam
Uwe trouw, waarheid en goedheid roemen bij mijne discipelen, en die door hun woord in mij geloven zullen. Zie Hebr. 2:10-12 . en verg. Joh. 20:19 , Joh. 20:26 . Hand. 1:4 , Hand. 1:6 . 1 Kor. 15:6 .
Hertaald:
naam
Uw trouw, waarheid en goedheid roemen bij mijn discipelen, en bij hen die door hun woord in mij zullen geloven. Zie Hebr. 2:10-12. en vergelijk Joh. 20:19, Joh. 20:26. Hand. 1:4, Hand. 1:6. 1 Kor. 15:6.
niet
Alhoewel mijne bedruktheid of ellende zodanig was, dat de mensen mij daarom verachtten en een afkeer van mij hadden, zo heeft God nochtans mij niet verworpen of verfoeid.
Hertaald:
niet
Hoewel mijn droefheid of ellende zo groot was dat de mensen mij daarom verachtten en een afkeer van mij hadden, heeft God mij toch niet verworpen of veracht.
Van
Hebr. it U; dat is, Gij zult de stof mijns lof zijn
Hertaald:
Van
Hebreeuws: bij U; dat is: U zult de stof van mijn lof zijn.
geloften
Van dankbaarheid jegens God.
Hertaald:
geloften
Van dankbaarheid tegenover God.
in tegenwoordigheid
Hebr. tegenover degenen, die Hem vrezen.
Hertaald:
in tegenwoordigheid
Hebreeuws: tegenover degenen die Hem vrezen.
zachtmoedigen
Zie Ps. 10:17 .
Hertaald:
zachtmoedigen
Zie Ps. 10:17.
eten
Met den Heere Christus en zijne verdiensten door geloof gemeenschap hebben. Verg. Ps. 132:15 . Hoogl. 5:1 . Luc. 1:53 . Joh. 6:54 . enz.
Hertaald:
eten
Met de Heere Christus en Zijn verdiensten door het geloof gemeenschap hebben. Vergelijk Ps. 132:15. Hoogl. 5:1. Luk. 1:53. Joh. 6:54. enzovoort.
ulieder
O gij zachtmoedigen, gij die den Heere zoekt.
Hertaald:
ulieder
O u zachtmoedigen, u die de HEERE zoekt.
leven
Met geestelijke blijdschap vervuld zijnde. Zie Ps. 69:33 . Joh. 6:54 . enz.
Hertaald:
leven
Vervuld met geestelijke blijdschap. Zie Ps. 69:33. Joh. 6:54. enzovoort.
Alle
Profetie van de bekering der heidenen, waarin het woord alle niet moet verstaan worden van alle inwoners der aarde, rijken en armen, hoofd door hoofd, maar van de uitbreiding der gemeente en menigte van Gods volk onder het Nieuwe Testament, uit allerlei natiën, zonder onderscheid, gelijk de zaak zelve uitwijst. Verg. Joh. 10:16 ; Joh. 11:52 . Hand. 2:39 . enz.
Hertaald:
Alle
Profetie van de bekering van de heidenen, waarin het woord alle niet begrepen moet worden als alle bewoners van de aarde, rijken en armen, hoofd voor hoofd, maar als de uitbreiding van de gemeente en de menigte van Gods volk onder het Nieuwe Testament, uit allerlei naties, zonder onderscheid, zoals de zaak zelf laat zien. Vergelijk Joh. 10:16; Joh. 11:52. Hand. 2:39. enzovoort.
is des
Of, komt den Heere toe.
Hertaald:
is des
Of: komt de HEERE toe.
vetten
Dat is, rijken, machtigen, gelijk Ps. 78:31 . Jes. 10:16 . Ezech. 34:20 . De zin is dat er van beiden, rijken en vermogenden, [gelijk Ps. 45:13 ; Ps. 72:10 . Jes. 49:23 . enz.] ook armen en ellendigen onder de heidenen zullen zijn, die zich tot Christus zullen bekeren. Zie 1 Kor. 1:26 . enz.
Hertaald:
vetten
Dat is: rijken, machtigen, zoals Ps. 78:31. Jes. 10:16. Ezech. 34:20. De betekenis is dat er van beiden, rijken en vermogenden, [zoals Ps. 45:13; Ps. 72:10. Jes. 49:23. enzovoort] ook armen en ellendigen onder de heidenen zullen zijn, die zich tot Christus zullen bekeren. Zie 1 Kor. 1:26. enzovoort.
in het
Dat is, die slecht van conditie, òf in de uiterste vernederdheid, òf in nood zijn. Verg. Job.30:19. Ps. 44:26 ; Ps. 113:7 . Jes. 29:4 ; Jes. 47:1 . Klaagl. 3:29 .
Hertaald:
in het
Dat is: die in slechte omstandigheden verkeren, hetzij in de uiterste vernedering, hetzij in nood. Vergelijk Job 30:19. Ps. 44:26; Ps. 113:7. Jes. 29:4; Jes. 47:1. Klaagl. 3:29.
ziel
Die in doodsgevaar is, hetzij door hongersnood, krankte, vervolging, of anderzins, idem in zichzelven, vermits zijn zondigen staat, niet dan de dood verdiend heeft, en geen middel of macht heeft om zijne ziel te behouden, zal in deemoedigheid door geloof zijn troost in Christus zoeken en Hem aanhangen, als zijnde de enige toevlucht in alle lichamelijke en geestelijke noden.
Hertaald:
ziel
Die in doodsgevaar verkeert, hetzij door hongersnood, ziekte, vervolging, of anders, en ook in zichzelf, omdat hij, vanwege zijn zondige staat, niets dan de dood verdiend heeft en geen middel of macht heeft om zijn ziel te behouden, zal in ootmoed door het geloof zijn troost in Christus zoeken en Hem aanhangen, als de enige toevlucht in alle lichamelijke en geestelijke noden.
zaad
Dat is, de kinderen en nakomelingen der gelovigen, of een zaad, Christus' zaad; zulks dat er altijd zijn zullen, die den Heere Christus zullen aannemen en dienen, die ook kinderen genoemd worden, die God aan Christus geeft, Hebr. 2:13 , uit Jes. 8:18 . en zijn zaad, Jes. 53:10 .
Hertaald:
zaad
Dat is: de kinderen en nakomelingen van de gelovigen, of een zaad, Christus' zaad; zodat er altijd mensen zullen zijn die de Heere Christus zullen aannemen en dienen, die ook kinderen genoemd worden, die God aan Christus geeft, Hebr. 2:13, uit Jes. 8:18. en Zijn zaad, Jes. 53:10.
aangeschreven
Of toegerekend worden; dat is, opgeschreven en gerekend onder Christus' volk en kerk. Verg. Ps. 87:4-6 .
Hertaald:
aangeschreven
Of toegerekend worden; dat is: opgeschreven en gerekend onder Christus' volk en kerk. Vergelijk Ps. 87:4-6.
tot in
Anders, tot een geslacht; dat is, tot, of voor een volk des Heeren. Verg. Ps. 14:5 . God is bij het geslacht der rechtvaardigen, of het rechtvaardig geslacht; dat is, volk. Zie ook onder Ps. 24:6 ; Ps. 73:15 . Verg. Matt. 12:39 . Hand. 2:40 .
Hertaald:
tot in
Anders: tot een geslacht; dat is: tot, of voor, een volk van de HEERE. Vergelijk Ps. 14:5. God is bij het geslacht van de rechtvaardigen, of het rechtvaardige geslacht; dat is: volk. Zie ook hieronder Ps. 24:6; Ps. 73:15. Vergelijk Matth. 12:39. Hand. 2:40.
zijn
Door het Evangelie geopenbaard. Zie Rom. 3:21-22 . enz; Fil. 3:9 . Of, zijne gerechtigheid; dat is, zijne trouw en waarheid in het houden zijner beloften van de beroeping der heidenen.
Hertaald:
zijn
Door het Evangelie geopenbaard. Zie Rom. 3:21-22, enzovoort; Fil. 3:9. Of: Zijn gerechtigheid; dat is: Zijn trouw en waarheid in het houden van Zijn beloften over de roeping van de heidenen.
geboren
Of geboren zal worden; dat is, hunne kinderen en nakomelingen, die na hun dood een volk Gods zullen uitmaken en door Gods Geest wedergeboren worden.
Hertaald:
geboren
Of geboren zal worden; dat is: hun kinderen en nakomelingen, die na hun dood een volk van God zullen vormen en door Gods Geest wedergeboren worden.
het gedaan
Dit wonderwerk der genade, deze gerechtigheid en zaligheid alleen bereid, gewrocht en uitgevoerd. Anders, omdat Hij [het (te weten) volk] gemaakt heeft; gelijk Ps. 100:3 . Hij heeft ons gemaakt [ en niet wij ] zijn volk, en schapen zijner weide.
Hertaald:
het gedaan
Dit wonderwerk van genade, deze gerechtigheid en zaligheid, alleen bereid, bewerkt en uitgevoerd. Anders: omdat Hij [het (namelijk) volk] gemaakt heeft; zoals Ps. 100:3. Hij heeft ons, [en niet wijzelf,] tot Zijn volk gemaakt, en tot schapen van Zijn weide. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?" (Ps. 22:2). Twee dingen staan in die ene regel bij elkaar. Er is een uiterste verlatenheid, en er is een aanspraak: mijn God, en dat tweemaal. Het volgende vers zegt hoe lang het duurt: hij roept overdag en krijgt geen antwoord, en 's nachts heeft hij geen stilte (Ps. 22:3). Toch komt er geen aanklacht tegen God: "Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels" (Ps. 22:4). Hij herinnert zich wat de vaderen ondervonden: zij vertrouwden en werden uitgeholpen (Ps. 22:5-6). Dat maakt zijn eigen geval juist zwaarder, want bij hem gebeurt het niet. Bijbelse betekenis: Deze psalm is eerst het lied van David in een nood die de Schrift niet nader aanwijst. Maar de Heere Jezus heeft deze woorden aan het kruis uitgesproken, en daarmee is de psalm op een manier vervuld die David zelf niet kon overzien. Merk op wat er in Ps. 22:2 blijft staan. De verlating is echt, en het geloof houdt niettemin vast: mijn God. Dat is de nauwe weg die deze psalm gaat. Let ook op Ps. 22:4. Midden in het gemis wordt Gods heiligheid beleden; er wordt niet gezegd dat God ongelijk heeft. Wie deze psalm in zijn eigen duisternis leest, mag weten dat de zwaarste vorm ervan door Christus gedragen is, en dat de verlating die Hij droeg de zijne niet meer hoeft te zijn. Typologie: De Heere Jezus riep aan het kruis de eerste regel van deze psalm: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!" (Matt. 27:46). Ps. 22:2-6; Matt. 27:46 "Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk" (Ps. 22:7). Wat de omstanders doen, staat er zonder omhaal: zij bespotten hem, steken de lip uit en schudden het hoofd (Ps. 22:8). Hun spot wordt woordelijk aangehaald: "Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!" (Ps. 22:9). Dan volgt de beschrijving van zijn toestand: uitgestort als water, de beenderen vaneen gescheiden, het hart als was (Ps. 22:15). Zijn kracht is verdroogd als een potscherf en zijn tong kleeft aan zijn gehemelte (Ps. 22:16). En dan de twee verzen die het meest bekend zijn: "zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven" (Ps. 22:17), en: "Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad" (Ps. 22:19). Bijbelse betekenis: Dit gedeelte is opmerkelijk omdat het een dood beschrijft die in Israël niet bestond. Steniging was de doodstraf van de wet; van doorgraven handen en voeten was geen sprake, en toch staat het hier eeuwen vóór het kruis. Merk op dat de evangelisten juist deze verzen aanwijzen. Het hoofdschudden, de spot over het vertrouwen op God en het loten om de klederen keren alle drie terug in het lijdensverhaal. Let ten slotte op de plaats van de spot in Ps. 22:9. De omstanders drijven niet met zijn lijden de spot maar met zijn geloof, en dat is het bitterste van het gedeelte. Typologie: Bij het kruis schudden de voorbijgangers hun hoofden (Matt. 27:39) en spotten de oversten met bijna de woorden van Ps. 22:9: "Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse" (Matt. 27:43). Johannes wijst het loten om de klederen uitdrukkelijk als vervulling aan (Joh. 19:24). Ps. 22:7-19; Matt. 27:39; Matt. 27:43; Joh. 19:24 Na de roep om verlossing (Ps. 22:20-22) verandert de toon zonder overgang: "Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen" (Ps. 22:23). De reden staat er even later bij: "Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep" (Ps. 22:25). Dan wordt de kring steeds wijder. Eerst de zachtmoedigen, die eten en verzadigd worden (Ps. 22:27). Dan alle einden van de aarde, die zich tot de HEERE bekeren (Ps. 22:28), en het koninkrijk dat van de HEERE is (Ps. 22:29). En ten slotte een geslacht dat nog geboren moet worden (Ps. 22:31). Het laatste woord van de psalm luidt dat zij Zijn gerechtigheid zullen verkondigen, "omdat Hij het gedaan heeft" (Ps. 22:31). Bijbelse betekenis: De psalm eindigt niet waar hij begon. Van de diepste verlatenheid loopt hij uit op een wereldwijde lofzang, en tussen die twee staat geen verklaring maar één zin: Hij heeft gehoord. Merk op wie er in Ps. 22:23 aangesproken worden. Hij noemt hen mijn broederen, en juist dat woord neemt de Hebreeënbrief over om te zeggen dat Christus Zich niet schaamt hen zo te noemen. Let ten slotte op het slot van de psalm. In het Hebreeuws is dat één werkwoordsvorm die zegt dat het werk gedaan is; de kerk heeft daarin altijd het "Het is volbracht" van het kruis horen meeklinken (Joh. 19:30). Typologie: De Hebreeënbrief legt Ps. 22:23 in de mond van Christus: "Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen" (Hebr. 2:12). Ps. 22:20-31; Hebr. 2:12; Joh. 19:30 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een psalm van David, gezongen eeuwen vóór het kruis, en toch vol met dingen die aan een kruis gebeuren. David heeft veel geleden, maar wat hier beschreven wordt is hem nooit overkomen. De psalm beschrijft een lijden dat de dichter zelf niet doorstaan heeft, tot in bijzonderheden die pas op Golgotha zichtbaar werden. De eerste woorden zijn de woorden die Christus aan het kruis uitroept. Hij haalt de psalm niet aan als een gepaste tekst; Hij bidt hem, in Zijn diepste ogenblik. En dan volgt een reeks bijzonderheden die opvalt bij wie de evangeliën kent. De omstanders schudden het hoofd en spotten dat hij op de HEERE gewenteld heeft, laat Die hem verlossen — bij Mattheüs zeggen de overpriesters het bijna woordelijk. Zijn kracht is verdroogd en zijn tong kleeft aan het gehemelte; aan het kruis klinkt: Mij dorst. Zij hebben zijn handen en voeten doorgraven. En zij delen zijn klederen onder zich en werpen het lot over zijn gewaad — Johannes vertelt dat de soldaten precies dat deden, en zegt erbij dat het geschiedde opdat de Schrift vervuld zou worden. De kanttekening houdt bij vers 18 — al mijn beenderen zou ik kunnen tellen — stil bij dat tellen, en verklaart het zo: doordat zij aan het kruis zo uitgerekt zijn, dat men hun beenderen — omdat ze uitsteken — zou kunnen tellen. Halverwege keert de psalm. Vanaf het punt waarop God verhoort, gaat het niet meer over lijden maar over een lofzang onder de broederen, over alle einden der aarde die zich zullen bekeren, en over een volk dat geboren zal worden. Het slot luidt: dat Hij het gedaan heeft. De Hebreeënbrief legt Christus juist de woorden uit deze psalm in de mond wanneer Hij Zijn broederen de Naam van de Vader verkondigt. Zo staat er tussen de eerste en de laatste regel het hele Evangelie: van de Godverlatenheid tot een schare uit alle einden der aarde. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 27:35, 39-43, 46; Johannes 19:24, 28; Hebreeën 2:12
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek, gehouden op zondagmorgen 8 maart 1868, door C. H. Spurgeon in het Metropolitan Tabernacle te Newington. Ik zal Uw Naam mijn broeders bekendmaken. In het midden… Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Psalm 22:1 Geen mens kan de volle betekenis van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Mijn God, Mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Psalm 22:2 Hier zien we de Verlosser op het hoogtepunt van Zijn… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Allen die mij zien, bespotten mij. Zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd. Psalm 22:8 Het ondergaan van spot… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Mijn hart is als was, het is gesmolten diep in mijn binnenste. Psalm 22 vers 15 Onze gezegende Heere ervaarde een… Een preek, gepubliceerd op donderdag 6 maart 1913, gehouden door C. H. Spurgeon in het Metropolitan Tabernacle te Newington op donderdagavond 20 september 1866. Mijn God, Mijn God,… 23 Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen. 24 Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad… 12 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper. 13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. 14… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. 2 Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 22
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten — 22:2-32
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Jezus, het voorbeeld van heilige lofprijzing
Waarom hebt Gij mij verlaten?
Waarom hebt U Mij verlaten?
Allen die mij zien bespotten mij
Mijn hart is als was
Uitroepen vanaf het kruis
Psalm 22:23-32
Psalm 22:12-22
Psalm 22:1-11


Psalmen 22
Psalmen 22:2.KruisverwijzingenLukas 18:7→Psalmen 88:1→Psalmen 42:3→Psalmen 55:16→Klaagliederen 3:44→1 Thessalonicenzen 3:10→2 Timotheüs 1:3→Lukas 6:12→
— Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Welk een smartelijk geroep! Hoe verschrikkelijk moet het geweest zijn dat geroep te hóren, maar hoeveel verschrikkelijker het te úiten! Dat de dierbare Zone Gods, de Welbeminde, in Wie de Vader altijd een welbehagen heeft, van Zijn God verlaten werd, was inderdaad een onpeilbaar wee.
Hier aanschouwen wij den Zaligmaker in de diepte van Zijn angsten en smarten. Geen plaats toont de droefheid van Christus zo goed als Golgotha, en geen ogenblik op Golgotha is zo vol van zielsangst als dat waarin dit geroep de lucht doorklieft. Op dit ogenblik was de lichamelijke zwakheid die door vasten en geseling over Hem gekomen was, verenigd met de scherpe zielenmarteling die Hij verduurde vanwege de smaad waardoor Hij heen moest gaan. En als de bekroning van Zijn droefheid leed Hij een geestelijke zielsangst die alle uitdrukking te boven gaat, vanwege het heengaan van Zijn Vader van Hem. Dit was de zwartheid en de duisternis van Zijn verschrikking. Toen drong Hij door tot in de diepten van de spelonken des lijdens.
In deze woorden van onze Zaligmaker ligt iets dat ons tot nut kan strekken. Wanneer wij menselijk lijden aanschouwen, bedroeft en ontstelt het ons; maar het lijden van onzen Zaligmaker heeft, terwijl het ons tot droefheid beweegt, iets zoets en vol vertroosting in zich. Zelfs hier, in deze zwarte plek van droefheid, vinden wij onze hemel terwijl wij op het kruis staren. Hoe schrikwekkend het gezicht ook is, het maakt de christen blij en verheugd. Wij bewenen wel de oorzaak, maar wij verblijden ons in de gevolgen.
Met misdaad verbinden wij altijd toorn; zodat, toen Christus stierf en onze Plaatsvervanger werd, Hij voor een tijd het voorwerp werd van de rechtvaardige toorn Zijns Vaders, want onze zonden waren Hem toegerekend opdat Zijn gerechtigheid ons zou worden toegerekend. Het was nodig dat Hij het gemis van Zijns Vaders glimlach zou gevoelen — want de verdoemden in de hel moeten van die bitterheid gesmaakt hebben — en daarom sloot de Vader de ogen Zijner liefde, hield de hand der gerechtigheid voor de glimlach van Zijn aangezicht, en liet Zijn Zoon deze bittere woorden uitroepen.
Het schijnt alsof de stem, ja bijna het verstand van den Zaligmaker Hem begaf, want Hij noemt Zijn gebed een “brullen”, en vergelijkt Zichzelf daarmee bij een gewond dier. Wanneer iemand van u niet bidden kan, of meent dat hij het niet kan, herinner u dan deze woorden van uw Heere. Als Híj, de eeuwig gezegende Zone Gods, van Zijn eigen gebed spreekt als van een brullen, wat moet het onze dan zijn! U weet dat Jesaja van zijn eigen gebed sprak als van het piepen van een kraan of een zwaluw, of het kirren van een duif, alsof er geen verstaanbare uitspraak in was; maar voor het oor en het oog van God is er muziek in een zucht en schoonheid in een traan. Nu onze Heere zó heeft moeten bidden, verwonder u dan niet als wij soms gevoelen dat God ons verlaten heeft. Waren er zulke donkere wolken voor Christus, dan mogen er ook wel enige voor ons zijn.
Sta stil en zie op naar Christus aan het kruis, en beschouw deze woorden als de Zijne. Hijzelf is de beste uitlegging van deze wonderbare psalm.
Psalmen 22:3.KruisverwijzingenDeuteronomium 10:21→Jesaja 6:3→Openbaring 4:8→Psalmen 99:9→Psalmen 50:23→Psalmen 65:1→Psalmen 145:17→
— Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
Gedenken wij Gethsemane, en bedenken wij hoe Jezus daar bad, tot een zielestrijd en een bloedig zweet toe, zullen wij ons dan verwonderen wanneer onze gebeden soms terzijde geschoven schijnen te worden en wij er niet meteen antwoorden van vrede op ontvangen? En toch, ziet u, bleef onze Heere dag en nacht tot God roepen. Gethsemane — dáár is de sleutel: een gebed dat toen onverhoord bleef: “Indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan.” Het wás niet mogelijk. Hij moest hem drinken. “En des nachts, en ik heb geen stilte.”
Psalmen 22:4.KruisverwijzingenExodus 14:13→Genesis 15:6→Psalmen 44:1→1 Samuël 7:9→Genesis 32:9→Hebreeën 11:8→Exodus 14:31→Romeinen 4:18→
— Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.
Stelt het in uw hart vast dat God heilig is, wat Hij ook doet. Koester nooit een gedachte tegen Hem; verbeeld u nooit dat Hij hard is, of onrechtvaardig, of ontrouw. Dat kan niet zijn; laat daarom uw geloof, al komt het ergste, op dit punt nooit enige vraag hebben. Geen harde gedachten van God, zelfs niet toen Hij verlaten was. Een verlaten Christus klemt Zich nog aan den Vader vast, en schrijft Hem volmaakte heiligheid toe.
Psalmen 22:5-6.KruisverwijzingenJob 25:6→Jesaja 49:23→Jesaja 53:3→Jesaja 41:14→Jesaja 49:7→Romeinen 9:33→Psalmen 31:1→Psalmen 71:1→
— Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen. Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Zie terug en let erop hoe God onze vaderen geholpen heeft. Bedenk hoe de HEERE in de voorbije eeuwen altijd de Verlosser was van allen die op Hem vertrouwden. Is een rechtvaardig man ooit voorgoed van God verlaten? Is de HEERE, sinds de wereld begon, niet vroeg of laat verschenen om Zijn kinderen te verlossen? Het is wonderlijk onzen goddelijken Meester zo te horen pleiten; maar het wonderlijkste van alles is het volgende vers.
Psalmen 22:7.KruisverwijzingenMarkus 15:29→Psalmen 109:25→Mattheüs 27:39→Psalmen 44:14→Job 16:10→Jesaja 57:4→Mattheüs 27:29→Psalmen 31:18→
— Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Er is een klein rood wormpje dat niets dan bloed schijnt te zijn wanneer het verpletterd wordt; het lijkt geheel verdwenen op een bloedvlek na. En de Zaligmaker vergelijkt Zichzelf, in de diepe vernedering van Zijn geest, bij dat kleine rode wormpje. Hoe waar is het dat Hij om onzentwil “Zichzelven vernietigd” heeft! Hij ontledigde Zich van al Zijn heerlijkheid; en was er enige heerlijkheid die het mensdom van nature toekomt, dan ontledigde Hij Zich ook daarvan. Niet alleen de heerlijkheden van Zijn Godheid, maar ook de eer van Zijn mensheid legde Hij af, opdat het gezien zou worden dat Hij “om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was”.
Hoe diep is Christus om onzentwil neergedaald — niet slechts zo laag als een mens, maar nog lager! Nooit werd een godvruchtig man van God verlaten, en toch werd Jezus het; zo is Hij lager dan wij, terwijl Hij aan het hout hangt als “een smaad van mensen, en veracht van het volk”.
Psalmen 22:8-9.KruisverwijzingenMattheüs 27:42→Psalmen 91:14→Psalmen 71:6→Markus 15:30→Psalmen 18:19→Spreuken 16:3→Mattheüs 17:5→Psalmen 37:5→
— Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
Of, zoals de plaats in Matthéüs aangehaald wordt: “Dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil.” Was dit niet juist wat zij bij het kruis zeiden? Ach, weinig wisten zij dat Hij anderen verlost had, en Zichzelven niet verlossen kón, omdat een weergaloze liefde Zijn handen daar vasthield als met diamanten klinknagels.
Psalmen 22:10-11.KruisverwijzingenJesaja 49:1→Galaten 1:15→Psalmen 72:12→Psalmen 71:12→Psalmen 10:1→Jesaja 46:3→Lukas 2:40→Lukas 2:52→
— Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
Dit is een heel wonderlijke zaak. Ik denk dat wij er niet aan gedenken zoals wij behoorden, dat wij nog jaren na onze geboorte niets konden doen om onszelf te helpen, en dat toch zelfs toen voor ons gezorgd werd. Wie zijn kindsheid veilig is doorgekomen, behoeft niet te vrezen dat God hem niet door de rest van zijn leven helpen zal; en zouden wij zo lang leven dat wij tot een tweede kindsheid komen, dan zal de God Die ons door de eerste gedragen heeft, ons ook door de tweede dragen. Hij heeft reeds zoveel voor ons gedaan, dat wij verplicht zijn Hem voor de gehele toekomst te vertrouwen. Hij gedenkt Zijn wonderbare geboorte. Hij was inderdaad Gods van het allereerste begin af.
Psalmen 22:12.KruisverwijzingenPsalmen 68:30→Amos 4:1→Jeremia 50:11→Ezechiël 39:18→Deuteronomium 32:14→Jesaja 34:7→Handelingen 4:27→Mattheüs 27:1→
— Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
En daar staan de Schriftgeleerden en de Farizeën, en de groten van het volk.
Psalmen 22:13-15.KruisverwijzingenDaniël 5:6→Psalmen 35:21→Jozua 7:5→Job 23:16→Johannes 19:28→Job 16:10→Klaagliederen 3:46→Klaagliederen 2:16→
— Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
Alles opgelost — niets kon nog samenhouden — volkomen uitgeput en heengegaan. Hij gevoelde de inwendige zinkende koorts die de wonden aan het kruis Hem gebracht hadden. “Mijn hart is als was.”
Psalmen 22:15-17.KruisverwijzingenZacharia 12:10→Mattheüs 27:35→Johannes 19:23→Johannes 19:37→Lukas 23:33→Lukas 23:35→Johannes 19:28→Markus 15:24→
— Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods. Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
Daar zijn zij — de wrede menigte — die de tong uitsteken en Hem uitjouwen. De hinde des dageraads is nu door de honden omringd. Zij kan niet ontkomen. “Want honden hebben mij omsingeld.”
Psalmen 22:17-18.KruisverwijzingenLukas 23:34→Lukas 23:35→Mattheüs 27:35→Lukas 23:27→Mattheüs 27:39→Johannes 19:23→Markus 15:24→Jesaja 52:14→
— Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
Verschrikkelijk waren voor de tedere, ingetogen ziel van Jezus die schaamteloze blikken van de spottende menigte, terwijl zij Hem aanstaarden.
Psalmen 22:19-23.KruisverwijzingenPsalmen 135:19→Psalmen 35:17→2 Timotheüs 4:17→Psalmen 22:11→Zacharia 13:7→Numeri 23:22→Psalmen 40:9→Mattheüs 28:10→
— Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp. Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds. Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen. Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
De zon die verduisterd was, schijnt nu weer. De smarten van den Zaligmaker zijn voorbij. Een kalmte breidt zich over Zijn gemoed uit. Hij staat op het punt te zeggen: “Het is volbracht!” en Zijn hart is vertroost.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David voor den opperzangmeester (Psalm 3: 1; 4: 1), op Aijéeleth hasschachar 1).
Luther vertaalt om den tekst van de Septuaginta uper thv antilhqewv thv ewyinhv en der Vulgata (pro suscepttione matutina) te verbeteren, van de hinde, die vroeg gejaagd wordt. Door velen worden deze woorden opgevat als ene zinnebeeldige voorstelling van den inhoud; de hinde als symbool van de tot den dood vervolgde onschuld, of nader van den lijdenden Christus, terwijl het morgenrood daarop wijst, dat Jezus in den nacht gevangen en des morgens naar den Romeinsen landvoogd gevoerd is, dus vroeg gejaagd werd. Hengstenberg daarentegen, die “de hinde” eveneens verklaart van den lijdenden en vervolgden Rechtvaardige, laat “de dageraad” slaan op het geluk, dat op den lijdensnacht volgt (Jes. 58:
, daar Christus’ opstanding juist ten tijde van den dageraad plaats had, en alzo de vervolgde Rechtvaardige vroeg verheerlijkt werd. Andere uitleggers denken ook hier, even als bij andere dergelijke uitdrukkingen in de opschriften boven de Psalmen (1 Kronieken 25: 31), aan de melodie of zangwijze, waarop de Psalm moest gezongen worden, zodat men zou moeten vertalen: op de wijs van het lied de hinde des dageraads, van het lied, dat onder dien naam bekend is. Daarbij is het zeer wel mogelijk, dat de keuze van de zo even genoemde zangwijze moet wijzen op de heerlijkheid, die in den lijdensnacht zich begon te openbaren, terwijl in het lied zelf: “de hinde van den dageraad” niets anders betekende, dan de lichtglans, die den dageraad voorafgaat, welks eerste stralen gewoonlijk met de hoornen ener hinde vergeleken werden, gelijk ook in den Talmud de uitdrukking gevonden wordt.
In het sterkste contrast tegen de vrolijke stemming in den vorigen Psalm, staan de diepe klachten in dezen. Toen Dr. Luther dezen Psalm wilde verklaren, nam hij zout en brood, sloot zich drie gehele dagen in zijne studeerkamer op, en gaf geen antwoord, toen de zijnen hem zochten, ondanks al hun kloppen en roepen. Toen men door den slotenmaker de deur liet openbreken, was hij in hoge mate ontevreden, dat men hem gestoord had, en zei hij: “Denkt gij dan, dat het iets gerings is, dat ik te doen heb?” Niet alleen het lijden van Jezus Christus, den gekruisigde, maar ook het heil, dat voor de wereld uit Zijne opstanding voortkomt, en de toe-eigening daarvan in het sacrament, stelt ons de Psalm zo duidelijk voor ogen, dat, gelijk reeds bij 2 Samuel 17: 26 opgemerkt is, het bijna ophoudt profetie te zijn, en geschiedenis van het tegenwoordige schijnt te wezen, dat het lied als een programma of overzicht in grondtrekken van het lijden van onzen Heere en Heiland wordt. Duidelijk spreekt hier Christus door David, doch niet gelijk de ouden zich voorstellen, geheel afziende van David en diens toestanden (Dan. 1: 21 ), maar Hij maakt den toestand, waarin deze, Zijn voorvader en voorbeeld, des avonds vóór den slag in het bos van Efraïm zich bevond, tot een middel om de geschiedenis van Zijn eigen lijden en van Zijne eigene heerlijkheid voor te stellen, Hij moet dan natuurlijk David in den Geest meer laten zeggen, dan deze in betrekking tot zich zelven zeggen kon. De Psalm is diensvolgens, een typisch profetische, typisch in zoverre, als een toestand in het leven van David daaraan als voorbeeld ten grondslag ligt en als het spiegelbeeld vormt, waarin zich het toekomstig lijden van Christus afschaduwt; profetisch in zoverre David’s woorden zich verre verheffen boven zijne werkelijke persoonlijke levens-ervaring, en dan eerst recht en eigenlijk kunnen verstaan worden, wanneer wij niet meer David horen spreken, maar Christus, wiens Geest David boven zich zelven verheven heeft, en hem de woorden in den mond gelegd heeft, om hem in den tegenwoordigen tijd de toekomst te laten bevatten. 2.
I. Vs. 2-22.KruisverwijzingenJob 25:6→Markus 15:29→Deuteronomium 10:21→Lukas 18:7→Jesaja 6:3→Jesaja 49:23→Jesaja 53:3→Jesaja 41:14→
— Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte. Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels. Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen. Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft! Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
Onder het beven van den diepsten angst in de dagen van de vervolging door Saul, schildert David eerst zijn ellende, waarin hij is neergezonken, als in een onvermijdelijk verderf, zodat het met hem bijna gedaan is, en zijn toestand een geheel wanhopige is, welke luide schijnt te roepen, dat zijn God hem verlaten heeft, (vs. 2-11). Terwijl nu door dezen nood, der ten toppunt gestegen verzoeking, de bede om hulp wil doordringen (vs. 12), verliet zij zich toch spoedig op nieuw in hartroerende weeklachten over den ontzettenden toestand (vs. 13-19) totdat zij eindelijk des te sterker doorbreekt. (vs. 20-22). Aanstonds wordt in dit eerste gedeelte van den Psalm het typische element zo geheel door het profetische verslonden, dat de woorden nog nauwelijks ene verklaring van David als voorbeeld toelaten, maar eerst begrepen kunnen worden, zo zij opgevat worden als gesproken van den gekruisigden Christus.
Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten 1)? (Hebr. Eli, Eli, asabthani (MATTHEUS. 27: 46. (Mark. 15: 34) verre zijnde van Mijne verlossing, van de woorden Mijns brullens 1), hoe luide Ik roep en hoe ontzettend de smart is, Gij hoort niet, Ik ben van U verlaten; ‘t blijft in mijne ziel even duister,
De klagende vraag, waarom hebt Gij mij verlaten? is ook elders in de Psalmen niet zonder voorbeeld (88: 15. vgl. Jes. 49: 14). Het verlaten zijn door God van den gekruisigde is enig, en mag niet naar den maatstaf van David en van anderen in den toestand van aanvechting van nog zo klagende lijders afgemeten worden. Wat zij met elkaar gemeen hebben, is dat achter den toorn, die ondervonden wordt, de liefde Gods zich verschuilt, aan welke het geloof zich vastklemt, en dat hij, die zo klaagt, reeds daarom, op zich zelven beschouwd, geen voorwerp van den toorn is, omdat hij midden in het gevoel van den toorn zijne gemeenschap met God behoudt. De Gekruisigde is tot den laatsten ademtocht de Heilige Gods, en de verzoening, die Hij op zich genomen heeft, om die te bewerken, is Gods eigen, eeuwig welbehagen, dat nu in de volheid der tijden tot werkelijkheid wordt. Maar terwijl Hij Zich met de zonde van zijn volk onder Gods gericht buigt, kan het Hem niet bespaard worden, dat Hij als een die zelf schuldig is, Gods toorn over de zondige mensheid ondervindt. En uit de diepte van Zijn hart gebogen onder het gewicht van Gods toorn, welt de klacht op, die te midden van dezen lijdensweg tot Gods liefde smeekt. Hij zegt niet asabtani, maar sebaktani, hetwelk het woord van den Targum (Aramese overzetting) voor het eerste is. De Heere zegt het in ‘t Aramees, niet om door allen verstaan te worden, want zulk ene reflectie was Hem daar vreemd, maar omdat het Aramees Zijne moedertaal was, in welke Hij biddende God Abba noemde.
Door het op het kruis te herhalen, zei Jezus: “Dat is Mijn Psalm.” De gelovigen hebben ook soms een gevoel, alsof, zij nimmer iets van God genoten hadden en van Hem verlaten zijn. Ja alle heiligen ondervonden iets van zodanige verlating. Abraham werd verschrikt; Job was op de grens der wanhoop; David was meermalen zo diep in de diepte, dat alle Gods baren en golven over hem heengingen; en wie uwer, die gelooft, weet niet ook, wat het is in zielsbenauwdheid te zijn, zodat het in ons is, als was het niet waar, dat God met ons is, om ons zalig te maken, maar tegen ons, om ons te verderven van wege onze zonden? Trouwens alles wat in Christus verzoenend was, dat is in den gelovige bevindelijk, of ene ondervinding; want het is betamelijk, dat wij iets gevoelen van hetgeen Christus ten volle heeft doorgestaan. Doch het is ook niet meer dan een gevoel; want daar Christus werkelijk verlaten was, zo kunnen de gelovigen onmogelijk verlaten worden. De Vader beschouwt ons in Christus als Zijne kinderen, die hij wel hard kastijdt, maar niet ter dood overgeeft; wie door het verbond met Hem verbonden zijn, die laat God nooit weer los; want Zijne verkiezing is van eeuwigheid en Zijne roeping onberouwelijk.
Deze woorden bevatten ene schijnbare tegenstrijdigheid, naardien men tot dien God gaat, van wie men meent verlaten te zijn. Dit is de worsteling tussen geloof en gevoel, het geloof houdt staande: mijn God, terwijl het overstelpte gevoel vermeent van dien God te zijn verlaten. Christus aan het kruis was verlaten van Zijn volk, verlaten van een groot deel Zijner discipelen, verlaten inderdaad van allen, in zoverre geen hunner Hem helpen kon, ja verlaten van Zijnen God. Hij is verlaten, omdat wij een God hebben verlaten, en terwijl Adam, van God niet verlaten, God verlaten heeft, heeft Jezus, ofschoon van God zich verlaten gevoelende, van Zijnen God niet afgelaten. Christus is verlaten, opdat wij niet in het lijden, in de ure des doods, in de eeuwigheid verlaten mochten zijn. Niemand was ooit verlaten als Christus, omdat niemand gelijk Hij met God was verenigd. Niemand kan van God verlaten zijn zonder zonde, want deze is het, die scheiding maakt tussen den mens en God. Indien nu Christus, de Rechtvaardige, van God verlaten is, dan kan dit niet om Zijnent, maar moet het om onzentwil geschied zijn. Dit vers behelst twee denkbeelden, die, hoe zij ook elkaar schijnen te weerspreken, zich toch dagelijks gelijktijdig in het gemoed der gelovigen zoeken in te dringen. Dat hij zich van God verworpen en verlaten noemt, schijnt de klacht te zijn van een, die wanhoopt, want waar is nog een vonkje van geloof overgebleven, waar men van de zijde Gods gene hulp meer ontwaart? En toch, dat hij God tot tweemalen zijnen God noemt en dat hij zijne klachten in den schoot Gods uitstort, dat is ene duidelijke belijdenis van geloof. In dezen inwendigen strijd des gemoeds moeten de gelovigen worden geoefend, zo dikwijls God hun de tekenen Zijner genade onttrekt, zodat zij, waarheen zij het oog richten, niets dan nachtelijke duisternis ontwaren. Den gelovigen, zeg ik, wedervaart dit, opdat zij bij zich zelven even zozeer de zwakheid huns vlezes leren kennen, als zij getuigenis van hun geloof leren afleggen. De goddelozen daarentegen, dewijl zij zich overgeven aan hun ongeloof, overweldigt de angst, dat zij het door het geloot niet tot de genade Gods zullen brengen. Terwijl daarom de hevigheid der smart en de zwakheid des vlezes den gelovige den kreet wil afpersen: “waarom hebt Gij mij verlaten?” voegt het geloof er als ter verbetering de aanroeping Gods, van dien God, die hem zou hebben verlaten, als van zijnen God bij, ja, het geloof streeft zelfs vooruit, zodat het reeds, voordat het zich veroorlooft zijne klacht uit te storten, zijne toevlucht neemt tot zijnen God.
Hier is een troost voor verlaten zielen. Christus zelf was verlaten, daarom, indien gij verlaten zijt, zo deelt God u niet anders toe, dan Hij Christus deed. Gij kunt bij God bemind zijn en het niet gevoelen. Christus was bemind bij den Vader, en toch gevoelde Hij nu Zijne nabijheid niet. Dit zij een troost voor gelovige zielen bij het gemis van deze vertroostingen en de openbaringen, die zij soms gevoeld hebben. Christus had zulk een twijfel, daarom kan zulk een twijfel bestaan bij Gods liefde. Gij zult misschien menen: “Ik ben een huichelaar, daarom heeft God mij verlaten.” Dat is soms de klacht van twijfelende Christenen, maar gij hebt gene reden tot dat besluit; er was in Christus’ gehoorzaamheid gene vlek, en toch was Christus verlaten op het punt van vertroosting. Daarom verlatenheid, wat vertroosting betreft, kan bestaan bij werkelijke genade, ja bij den hoogsten trap van genade; zo was het bij onzen Verlosser.
Het brullen is het roepen van den leeuw. Het is hier gebezigd, om de alles te boven gaande smarten van den lijdenden Christus uit te drukken. Men zegt wel eens van een vreselijk gekwetste: “hij brult van pijn.” En het is gene overdrevene uitdrukking. Wie ooit het geluid van zulk een lijder gehoord heeft, zal geen juister naam daarvoor kunnen vinden. Het was bij den Heere aan het kruis natuurlijk geen uitwendig, maar een inwendig uitschreeuwen Zijner smart. Opmerkelijk is het echter, dat Christus aan het kruis de klacht Zijner verlating en Zijne verdere woorden uitriep met ene grote stem (MATTHEUS. 27: 46,50. Luk. 23: 46).
Mijn God 1)! ik roep des daags 2), maar Gij antwoordt niet 3), en des nachts, en ik heb gene stilte 4), maar moet voortgaan met roepen, daar ik gene hulp noch rust vind.
Staat er vs. 2 in den grondtekst Eli, hier Elohi. Het verschil is, dat onder El te voortaan is de Almachtige God, en onder Eloah, de God, die te vrezen is. Hoewel David in de diepste ellende verkeerde, toch kon Satan het niet gedaan krijgen, dat dit mijn op zijn lippen bestierf, dat het vertrouwen, dat uit dit mijn zich uitsprak, geheel werd vernietigd. Toch nog mijn God, hoewel alles donker voor hem was, en het licht der hope schier geheel was weggescholen achter de wolken van diepe aanvechtingen en bange verlating.
Hoe licht vragen wij: Wat deed Christus in de ogenblikken toen geen mens meer sprak, toen alles stil word, toen ieder zweeg, toen Hij zelf ook zweeg, drie uren lang? Wat ging er toch tussen God en Zijne ziel om? Toen riep hij tot God, toen bad Hij, en nu horen wij uit den Psalm wat Hij bad.
Welk een troost voor kinderen Gods, wanneer zij bidden en niet ontvangen. Dan worden de zwakken twijfelmoedig, doch zij moeten sterk worden en zich oprichten in den Heere die, alles en ook dit ondervonden heeft; doch Hij bleef in de verborgene verbondsbetrekking, en zij moesten er ook in blijven door Hem. Christus heeft echter ook dien afmattenden en uitputtenden toestand van gene rust te hebben ondervonden. Hij leed dien gehelen nacht en dag zonder ophouden en zonder tussenpoos. De stilte, de kalmte, de rust, die Hem zo eigen waren, ontweken reeds in Gethsémané tot zo ver, dat Hij tot Simon zei: “Kunt gij niet een uur met Mij waken!” Er is een lijden zonder angst der ziel, maar Christus leed met groten zielsangst. “Hij was verbaasd en zeer beangst, en Zijne ziele geheel bedroefd tot den dood toe.” Bij ons komt dit voort uit de gedachten aan onze zonden. Maar van waar ontstond dit alles bij Jezus? Door Zich in de plaats te stellen voor ons, door overneming van onze schuld. Alleen op deze wijze kan er onrust zijn in ene heilige ziel. Zij kan niet lijden voor haar zelf; zo zij lijdt, lijdt zij noodzakelijk voor anderen.
Misschien zou iemand denken, dat het ene grote dwaasheid is, wanneer iemand schreeuwt en roept tot Hem, die Zijne oren stopt en niet schijnt te horen. Geenszins, deze dwaasheid der gelovigen is wijzer dan al de wijsheid van de wereld. Want wij weten wel genoeg, dat, hoewel God in ‘t eerst niet schijnt te horen, toch de Heere ene toevlucht is in tijden van benauwdheid (Psalm 9: 10).
Doch Gij zijt heilig 1), volmaakt rein, ook in het opleggen van dit lijden, wonende onder tronende boven de lofzangen Israël’s 2); Uw volk heft in Uw huis lofliederen ter Uwer ere aan? en zij komen U toe.
Als wij lijden, moeten wij zeggen: “God is heilig!” omdat wij de straf door onze zonden verdiend hebben. Doch hoe kan de heilige Christus dit zeggen, indien Hij het niet zei als Borg der zondaren, als drager der zonden, zonder zelf gezondigd te hebben? Waarlijk! zonder de plaatsbekleding aan te nemen, is alles ene vertoning van genade, maar met haar is het lijden van Christus ene betoning van Gods genade in den weg van Gods heiligheid en recht.
Het schijnt vreemd, dat het hart bij duisternis en zorgen, in deze eigenschap Gods troost zou kunnen vinden. Doch Gods heiligheid is slechts ene andere openbaring van Zijne getrouwheid en genade. In dien opmerkelijken Naam “de Heilige Israël’s” worden wij onderwezen, dat Hij, die de heilige God is, ook die God is, die een verbond gemaakt heeft met Zijne uitverkorenen. Het zou voor een Israëliet onmogelijk zijn zich Gods heiligheid te denken zonder aan die Verbonds betrekking te denken. “Zijt heilig, want Ik ben heilig, waren de woorden waarmee Israël herinnerd werd aan zijne betrekking op God (Leviticus 19: 1). Wij zien iets van dit gevoel in woorden als Psalm 89: 16-19; 99: 5-9. Hos. 8: 9. Jes. 41: 14; 47: 4. Al zijn de beproevingen ook nog zo zwaar, het geloof zal niet luisteren naar enig woord, tegen God gesproken, maar zal altijd God rechtvaardigen.
Hoe treffend, onder de zielsbenauwdheden van het vreselijk lijden, het denkbeeld van lofzangen aan te treffen! Doch de lofzangen Israëls zijn onderscheiden van de lofzangen der volken. Zij luiden: : Ik dank u, o God! dat Gij toornig op mij geweest zijt.” Ja, God woont onder de lofzangen der verlosten onder de lofzangen, die uitvloeien uit het lijden en sterven van Hem, den Zone Gods. God is in het midden dier juichende schare. Ook de Heere aan het kruis woonde lijdend en stervend onder de lofzangen Israël’s zijne laatste kruis woorden waren Psalmwoorden.
De lofzangen waren gedicht, inzonderheid ten behoeve van het heiligdom. Daar woonde en troonde Jehova, en daar werden gezien de vleugelen van de Cherubs, waarboven de Heere in het heiligdom zweefde. Die lofzangen vermelden de grote daden Gods, Zijne heerlijke verlossingen en daar hij wil de grote Lijder nu ook zijn God en Vader bepalen.
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Tot U hebben zij geroepen en zijn uitgered; a) op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden, gelijk de gehele geschiedenis van hun redding uit Egypte, van hun inleiding in Kanaän bewijst.
Psalm 25: 3; 81: 2. Jes. 49: 23. Rom. 9: 33. Gelijk in vers 2 en 3 tot driemaal toe mijn God, wordt in vs. 3 en 6 driemaal het woordje vertrouwd herhaald, en naast het vertrouwen wordt de hulpe geplaatst, daar een iegelijk, die den Heere verbeidt, door Hem nooit zal beschaamd gemaakt worden (Psalm 44: 2. Jes. 63: 7,15-17).
Maar ik, in tegenstelling tot de hulp, die zij op hun beden verkregen, ben in mijnen tegenwoordigen toestand, ondanks al mijn smeken, een worm, geheel weerloos aan het smadelijkste lijden overgegeven, als een worm, dien men met voeten treedt (Jes. 41: 14), en geen man 1), zo misvormd van het lijden, dat ik bijna aan geen mens meer gelijk (Jes. 52: 14; 53: 2 vv.),een smaad van mensen en veracht van het volk, een voorwerp van spot bij enkelen, en van verachting van de zijde van ‘t algemeen (Jes. 49: 7; 50: 6), bij Israël en bij de Heidenen beide.
Zo zien wij Hem in Gethsémané. Eerst biddende, staande, en als met het oog op de heerlijkheid, die Hij zou ingaan, en vroeger in groter heerlijkheid dan die van Mozes, brood uitdelende, kranken genezende, doden opwekkende, en daarna in de grootste zielsontsteltenis op den grond liggende, met het aangezicht ter aarde-neen, in zulk enen toestand troffen wij Christus nog niet aan; zoiets was nog nooit gebeurd.
Allen, die Mij zien, a) bespotten Mij; zij steken de lip uit 1); Zij schudden het hoofd, 2) om hun smaad door honende woorden en door verachtelijke gebaren (2 (Koningen 19: 21) uit te drukken, zeggende:
MATTHEUS. 27: 39.
Letterlijk: zij maken een spleet met den mond, als teken der ergste bespotting. Want de lippen openen is om de tong te kunnen uitsteken, om den lijder de diepste verachting te doen gevoelen. Daarop volgt, schudden met het hoofd, om daarmee hun bevreemding en ontzetting te kennen geven, dat hij in zulk een diepte van lijden door God is gebracht.
Er zijn personen in onze eigene dagen geweest, wier misdaden zulk ene verontwaardiging hebben opgewekt, dat het volk hen waarschijnlijk in stukken zou gescheurd hebben vóór en zelfs na hun verhoor, indien het hen in de macht hadden kunnen krijgen. Wanneer die schadelijke personen volgens hun vonnis werden gestraft, was er misschien niet één toeschouwer, die ze wenste te verlossen; maar nooit is er één gevonden, voor wie men zo alle gevoel verloren had, dat men hem in het ogenblik van sterven bespotte. Maar toen Jezus leed, bespotte men Hem, zij staken de lip uit; zij schudden het hoofd.
a) Hij heeft het op den HEERE gewenteld gelijk Hij zo dikwijls geroemd heeft Zijn zoon te zijn, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft, gelijk Hij altijd zich inbeeldde (Psalm 18: 20).
MATTHEUS. 27: 43. Zonder het te willen, geven de spotters hier aan den Rechtvaardige getuigenis, en wel onder alle getuigenissen de schoonste, dat Hij zich met de genade van God getroost, zich met Zijn gehele “zijn” op God gewenteld heeft. Juist daarom is het spottende: “Hij helpe uit, Hij redde,” hoewel dit naar den toestand der zaak geheel onmogelijk schijnt, onbewust ene voorzegging. God leide het alzo, dat de spotters bij het kruis van Christus (MATTHEUS. 27:
door ene onbewuste herinnering, juist deze woorden gebruikten en alzo openbaarden, dat zij de goddelozen tegenover den Rechtvaardige waren.
Ook het woord “bespotten,” “beschimpen,” in vs. 8 gebruikt Luk. 23: 35 in de lijdensgeschiedenis. Vervulling en profetie slaan op elkaar zo volkomen en juist, dat de Evangelische geschiedschrijver gene juistere uitdrukkingen kan vinden, dan die de profetie gebezigd heeft.
Er zijn geen dodelijker schichten, die Satan op onze zielen kan richten, dan wanneer hij ons onze hoop daarmee ontrooft, dat hij met Gods beloften den spot drijft. Niet alleen verklaren zij hier zijne gebeden voor vruchteloos, maar schilderen hem hier ook als een huichelaar, die zich in geveinsdheid op God beroept, van wie hij vreemd is. Doch dat is het geneesmiddel tegen deze hem geslagene wonde, dat hij het toch waagt zijne klacht aan God voor te dragen en zijne gerechtigheid met der daad te betuigen.
Zo spreekt Satan door zijne dienaren tot den Lijder. Satan wil hem doen twijfelen aan het welbehagen Gods in hem. Den troost van zijn kindschap zoekt hij hem te ontroven, en tracht hem schipbreuk te doen lijden op de zandbank van twijfel en ongeloof. Maar ziet, in den diepsten grond der zaak heeft het geen vat op hem. Want met die helse wartaal gaat hij tot zijn Heere en zijn God en toont daarin, dat het geloof hem nooit heeft verlaten, dat de wortel in hem was, en dat zijn geloof niet een zelf gegeven, maar een waarlijk ingeplant geloof was. Ook hierin is David type van den Christus Gods, die in dit bange Eloi, Eloi het heeft uitgesproken, dat zijn geloof in zijn God hem niet verliet, ook al voelde hij al den last van Gods toorn tegen de zonde. De tweede Adam, de Middelaar bezwijkt niet onder des vijands geweldenarij.
Doch hoe zij ook spotten, het is toch zo, dat Gij lust in mij hebt, en zeker zult Gij mij uitkomst geven. Gij zijt het immers, die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Was Hij een van die jonge kinderen en zuigelingen, uit wier monden Hij zich sterkte gegrondvest heeft? Zo schijnt het, en indien het zo is, welk een grond voor hulp! Vroege godsvrucht schenkt een bijzonderen troost in onze latere droefenissen, want zeker, Hij, die ons beminde, toen wij kinderen waren, is te getrouw, om ons in rijper jaren te verwerpen. Sommigen verklaren den tekst in den zin van: “Geef Mij reden om te vertrouwen door Mij te bewaren,” en zeker, er was ene bijzondere Voorzienigheid, die onzen Heere in Zijne kindse dagen bewaarde voor de woede van Herodes, de gevaren der reis en de ellende der armoede.
Op U, als in Uwen vaderschoot, die gereed was tot mijne opname, ben ik geworpen van de baarmoeder af (Ruth 4: 16); van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God. Dit wonder wordt door het gedurig wederkeren iets gewoons; maar wanneer niet de ondankbaarheid onze ogen met blindheid sloeg, zo zou elke geboorte ons met bewondering vervullen en evenzo de onderhouding van elk kind in zijne tedere jeugd, dat aanstonds bij zijn eerste intreden in de wereld op duizenderlei wijzen met den dood bedreigd wordt.
Dat een pasgeboren, nog zuigend kind op God vertrouwt, schijnt ene hyperbool (ene voorstelling met zeer sterke kleuren); de H. Schrift gaat overal daarvan uit, dat er in het pasgeboren, ja zelfs in het nog ongeboren, het zich nog in het moederlijk lichaam bevindend kind, een uit de eerste diepten van den onbewusten toestand ontwakend bewustzijn is. Overigens is opmerkelijk, dat de lijder twee malen zijne moeder noemt, waarbij men zich herinnere, dat in het O. Testament nooit van enen menselijken vader van den Messias, maar altijd van Zijne moeder sprake is” (zelfs wordt in dit vers: “op U ben ik geworpen” de Heere bepaald als de Vader voorgesteld). “Ook zeggen de woorden onmiskenbaar, dat het levensbegin, op de uitwendige omstandigheden gezien, armoedig was.
Zo wees dan, om den wille mijner gemeenschap met U, niet verre van mij, want benauwdheid is nabij, de nood dringt tot spoedige hulp,want er is bij dezen ontzettenden nood geen helper. 1)
Om nog een andere reden roept hij hier het mededogen Gods in, wat in zijne hoogste noden geëist werd. Het is nu voor mij niet twijfelachtig, of hij heeft zich voor ogen gesteld, wat overal de Schrift als een ambt aan God toeschrijft, om de ellendigen tegemoet te komen, en dat Hij te meer bereid is, om te helpen, hoe moeilijker onze zaken zijn. Derhalve was de wanhopige toestand als een ladder, welke zijn hart optrok, om het gebed uit te storten. Zo moet nu het gevoel van onze rampen ons onder Gods vleugelen leiden, opdat Hij door de openbaring van Zijne hulp tone, dat Hij over ons heil bezorgd is.
Hij moest de pers alleen treden. Ook de Vader had hem verlaten. Hij moest het werk alleen doen, en hoe zou Hij het alleen kunnen doen, indien Hij niet de Godmens ware geweest. Ook het borgtochtelijke is hier wederom duidelijk. Hij is zonder hulp geweest, opdat degenen, die zonder hulp zijn, bij Hem hulp zouden vinden.
Ook dit is een vooruit doorleven van den Christus, van wat Hij eenmaal zo schrikkelijk bang zou lijden in Gethsémané, op Gabbatha en Golgotha. David is hier het instrument, waardoor Hij zelf onder het Oude Verbond van Zijn diepgaand lijden, om der zonden wil, spreekt, ja het als het ware doorleeft. David draagt hier dan ook als vooruit de littekens van het lijden des Heren.
Vele varren, stieren, die nog in al de kracht der jeugd zijn (Leviticus 4: 3) hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan, welgevoede en bandeloze stieren, gelijk ze in Basan, aan gene zijde van den. Jordaan, op bergen en in bossen, in de wildernis rondzworven (Numeri 21: 30 ), hebben mij omringd. Het is alsof Hij zich zelven hier voorstelt als het Lam, rondom hetwelk het gedierte des velds en het gedierte des wouds, ja der straat en der stad (de honden vs. 17) zich verenigen, om het te vertrappen, te verscheuren, te verslinden. De varren en stieren van Basan, beroemd wegens hun vetheid en sterkte, zijn een gevoeglijk beeld van de Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën, die ongetwijfeld welgevoede lieden waren, zoals zulk soort van mensen gewoonlijk zijn. Door Christus woorden en werken ontstoken, verzamelden zij zich in massa, en gedroegen zij zich jegens Hem als wilde dieren.
Zij hebben hunnen mond tegen mij opgesperd, om mij te verslinden, als een verscheurende en brullende leeuw 1), als een leeuw, die wanneer hij zijnen buit ziet en op dien vallen wil, luide brult (Psalm 104: 21. (Amos 3: 4).
De vijanden, die zich om Hem samenrotten, zijn gelijk een hoop varren, sterke en woeste stieren van Basan. Als een verscheurende en brullende leeuw sperren zij hun mond tegen Hem op. Het is Satan en zijne trawanten, die op Golgotha rondgaat, om den Heiland te verslinden.
Ik ben inwendig als het ware opgelost, ik ben uitgestort als water, hoewel nog niet gestorven, toch reeds zo goed als dood (2 Samuel 14: 14), en al mijne beenderen hebben zich, geheel machteloos en uitgeput, vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is, ten gevolge van mijnen angst, gesmolten in het midden mijns ingewands. Het gedurig wegvloeien van Zijn bloed uit Zijne wonden, aan handen en voeten, deed Hem zich altijd zwakker en matter gevoelen; door de zwaarte van het lichaam, waarvan de handen en voeten alleen aan het hout geklonken waren, rekten de leden elkaar uit; door de brandende hitte van buiten, en de niet minder brandende hitte in het bloed zelf, smolt Zijn hart, Zijn leven weg, gelijk voor de hitte des vuurs.
Mijne kracht is verdroogd als een potscherf, uit welke de lucht, aan welke men dien heeft blootgesteld, alle vochtigheid uitgezogen heeft, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte, zodat ik nauwelijks een woord kan spreken (Job 29: 10); en Gij legt, om in weinige woorden te zeggen, hoever het met mij gekomen is, mij in het stof des doods, zodat de dood, dien ik nu voor ogen zie, wanneer hij komt, weinig meer te doen hoeft-ik ben reeds meer dood dan levend. Vraagt gij, waar is de Nieuw-Testamentische tekst van dit Oud-Testamentische woord? Het is des Heren uitroep op het kruis: Mij dorst! Het laatste, dat Christus noemt, is die brandende dorst, waarvan wij Westerlingen ons geen denkbeeld kunnen maken, maar die alleen te kennen is in het Oosten, in de onmetelijke zandwoestijnen. De Heere ondervond dien dorst aan het kruis, onder ene brandende zon, bij aanhoudend bloedverlies uit een doorwond, maar overigens gezond lichaam. Voorts moeten wij hier, gelijk overal, op het borgtochtelijke van ‘s Heren lijden zien, want dat is de enige sleutel van al Zijn lijden en van geheel Zijn lijden. Hij moest dorsten, opdat wij den eeuwigen dorst der hel niet zouden lijden, maar integendeel zouden dorsten naar God, gelijk het hert schreeuwt naar de waterstromen. De dorst en de dood volgen ook in het Evangelie onmiddellijk op elkaar.
Want honden, vijanden, die in onbeschaamdheid en vervolgingswoede aan honden gelijken (Luk. 16: 21 ), hebben mij omsingeld, ene vergadering der boosdoeners heeft mij omgeven; a) zij hebben mijne handen en mijne voeten doorgraven 1).
MATTHEUS. 27: 35. Mark. 15: 24. Luk. 23: 33. Joh. 19: 23,37; 20: 25.
Dit wijst duidelijk op het nagelen aan het kruis, en de vervulling in Christus is des te verrassender, omdat steniging de straf was, door Mozes’ wet tegen godslastering vastgesteld.
Het doorgraven is geheel iets anders dan het doorsteken; het is het doorwroeten tussen de beenderen en het vlees zonder de beenderen te breken. De enige dood, waarbij het doorboren der handen en voeten plaats had, was de kruisiging, waarmee het lichaam aan het kruis werd gehecht, door middel van spijkers of nagels, die door het vlees der handen en voeten werden gedreven. En dit werd gezegd duizend jaren vóór de vervulling, toen deze straf nog geheel onbekend was, toen de Romeinen, door welk wreed volk deze wrede straf voor de slaven het eerst is uitgevonden, nog niet als volk bestonden.
Houd op, mijn lezer! en zie de wonden van uw Redder!. Hiermede is door den Geest der Profetie duidelijk het kruislijden van Emmanuel voorspeld. En ook hier komt het zo duidelijk uit, dat David instrument is, waardoor de Christus zelf onder den Ouden dag spreekt. Want kruisigen was bij de Joden onbekend en is later als straf ingevoerd. Want wij weten het wel, dat men ook vertalen kan, als een leeuw, wat grammatisch er op door kan. maar wij houden ons aan de vertaling van, doorboren, die evenzeer met alle recht te verdedigen is.
Al mijne beenderen zou ik kunnen tellen aan het naakte, met geweld uitgerekte lichaam; zij schouwen het aan, terwijl het zo uitgerekte en misvormde gebeente ieders opmerkzaamheid trekt; zij zien op mij, in plaats dat het menselijk gevoel hen dwingt den blik van dit schouwspel af te wenden. Waar is ene straf, waarbij ene uitrekking des lichaams voorkomt, waar hij het vlees zich terugtrekt en de beenderen naar buiten uitsteken? Op het kruis werd de lijder tot een schouwspel gemaakt. Dit was ene grote vermeerdering van het lijden, want niemand, ook de ruwste mens, wil tot een schouwspel zijn van ene menigte volks, dat hem aangaapt of aangrijnst. Christus werd op het kruis tegelijk aangestaard door aanbiddende engelen en godlasterende mensen. O hoe verschillend is dit zien van dat, hetwelk den ontwaakten zondaar naar Calvarie richt, wanneer hij het oog opent voor Hem, die streed en bloedde en stierf voor de schuld; en welk ene dankbaarheid moet de ziele gevoelen dergenen, die zich verloren gevoelen, wanneer zij van het vloekhout horen: “Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.”
a) Zij delen mijne klederen onder zich, ten teken dat het met mij gedaan is, en werpen het lot over mijn gewaad, het hoofdkledingstuk, den rok.
MATTHEUS. 27: 35. Luk. 23: 34. Joh. 19: 24. Bij gene andere straf dan die der kruisiging werd de lijder geheel ontkleed. De klederverdeling onderstelt insgelijks een geheel anderen toestand van zaken, dan waarin David leefde; want de wet bestaat nog en is van veel lateren tijd, waarbij de krijgsknechten gerechtigd werden tot de erfenis van de klederen der kruiselingen; want de Romeinen hadden geen beul of scherprechter, maar de krijgsknechten voerden het vonnis uit, en ontvingen daarvoor de klederen der kruiselingen tot beloning. -Het werpen van het lot over het gewaad was ene toevallige bijzonderheid, die nooit of hoogst zeldzaam kon voorkomen, maar die bij de verdeling van ‘s Heren klederen plaats had. Het onderste kledingstuk (de tunica, de lijfrok, het hemd bij ons) was uit een stuk geweven. Door het in stukken te scheuren, zou niemand er iets aan gehad hebben. De soldaten, die gewoonlijk veel van dobbelen houden, en, zo als blijkt, de dobbelstenen in den zak, of althans dicht bij de hand hadden, werpen over dat kledingstuk het lot, om te beslissen wie het hebben zou. Wie zou zo vele eeuwen te voren gezegd hebben, dat de vervulling van zodanig ene profetie mogelijk was? En toch is zij vervuld. En hoe? Door een wonder? Neen! op de allernatuurlijkste wijze. En gaat het ons niet dikwijls evenzo? Dikwijls denken wij: hoe zal dit en hoe zal dat terecht komen, of hoe zullen wij daar door komen? en ziet, God effent voor ons den weg op ene onmerkbare wijze. De bergen vallen in en worden tot dalen, zodra wij er voor komen, doch ook eerder niet.
Ik houd het daarvoor, dat de krijgsknechten niet uit win- of hebzucht de klederen onder elkaar hebben gedeeld, maar dat zij daarmee hebben willen schertsen, spotten en een drinkgelag aanrichten, ten bewijze, dat het met dezen Christus nu geheel uit was, als met enen, die nu verslagen, verloren en verdelgd, en voor eeuwig vergeten was. Opdat wij des te zekerder zouden zijn, dat in dezen Psalm Christus ons door den Geest der profetie geschilderd wordt, wilde de Hemelse Vader een zichtbaar teken aan Zijnen Zoon laten geschieden. Zo ook wanneer Mattheus verhaalt van de kreupelen, lammen en blinden, die door Christus werden genezen, en daarin ziet ene vervulling der profetie van Jesaja, dat Hij onze krankheden heeft genezen (Jes. 53: 4. MATTHEUS. 8: 17), terwijl toch de profeet daar Christus. als den geneesmeester onzer ziele voorstelt. Maar dewijl wij traag en moeilijker tot het geloof te brengen zijn, zo is het geen wonder, dat ons, om onzer stompheid wil, ere handtastelijke vervulling gegeven is, sterk genoeg, om ons uit onzen slaap op te wekken.
Reeds eeuwen lang, eer het er aan toekwam, heeft Jezus den smaad in al zijn bitterheid vooruit geproefd, die met het afnemen van de klederen van zijn lichaam Hem, den Heere der heerlijkheid, overkomen zou. Zijne klederen zich met geweld door anderen te zien uittrekken, de klederen publiek op straat te worden uitgetrokken; niet alleen uw bovenkleed, maar al uwe klederen, tot eindelijk het naakte lijf te voorschijn komt en ieder woest oog zich aan het verborgenste van uw teder leven vergapen kan, o, het is in alle eeuwen de smaad van vervloekte misdadigers geweest, maar nooit een boosdoener heeft zo ontzettend als de heilige Jezus onder dien smaad van het naakt tentoongesteld worden, geleden. Dat klagen: Zij delen mijne klederen, was reeds in den Psalm de bitterste angstkreet van het hart, als smeekte de Emmanuel, dat het toch tot dit uiterste niet mocht komen.
Maar Gij HEERE! wees niet verre; mijne Sterkte, mijn God, die, gelijk Uw naam reeds zegt, de Sterke, de Almachtige zijt! haast U tot mijne hulp (Psalm 38: 23; 40: 14). Christus was niet lijdelijk in Zijn lijden. Hij bad met sterke roeping en tranen tot Hem, die Hem uit den dood kon verlossen, en werd verhoord uit de vreze.
Red mijne ziel van het zwaard, dat over mij opgeheven is (2 Samuel 12: 10. Job 19: 29. Zach. 13: 7. Mark. 14: 27), mijne eenzame, verlatene ziel van het geweld des honds, van de boosaardige mensen (vs. 17). Hij wil zeggen, dat zijne ziel alleen is en van ieder verlaten, dat er niemand is, die hem zoekt of hem troost (vgl. 142: 5). Anderen vertalen: mijne enige, en verstaan daaronder de ene ziel, buiten welke de mens gene tweede heeft, het ene leven, buiten hetwelk de mens geen tweede te verliezen heeft.
Onder mijne eenzame hebben wij de ziele des Middelaars te verstaan. Zijn ziele is de gans verlatene van binnen. Dit wil nog meer zeggen, dan dat Hij de eenzame was. In die bange worsteling, om het heil van Zijne kinderen, is Hij van Zijn God verlaten en weet Zijne ziele het, dat zij eenzaam, zonder ergens een woord van medelijden, van deelneming te horen, besprongen door de helse machten, lijden moet. Al de diepte van het lijden spreekt zich hier dan ook uit. Hier wordt het enigszins gevoeld, wat het betekent voor Hem, de pers alleen te moeten treden. Het Evangelie der verzoening verkondigt het ons, dat hij gered is. Calvijn tekent dan ook zo schoon aan: “Hij is op heerlijker wijze gered, dan wanneer Hij uit het gevaar was bevrijd, zo veel groter namelijk als het is van den dood weer op te staan, als van een ziekte genezen te worden.”
Verlos mij uit des leeuwen muil (vs. 4); en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen (vgl. Deuteronomium 33: 17. Job 39: 9 ). Wanneer iemand vraagt, hoe dit op Christus past, dien toch de Vader niet van den dood redde, zo antwoord ik: Hij is op heerlijker wijze gered, dan wanneer Hij uit het gevaar ware bevrijd, zoveel groter namelijk als het is van den dood weer op te staan, dan van ene ziekte genezen te worden. Daarom verhinderde de dood niet, dat de opstanding betuigde, dat Christus gered geworden is.
Dit schijnt te doelen op den satan, dien ouden vijand, die de verzenen van het zaad der vrouw vermorzelde, op den vorst van deze wereld. (Joh. 14: 30).
De bede om verlossing, die wij hier hebben, kan in den mond van den Messias gene andere betekenis hebben dan: red Mij door een spoedigen dood uit dit angstig en smadelijk lijden.
23.
II. Vs. 22-32.KruisverwijzingenPsalmen 135:19→Hebreeën 5:7→Psalmen 69:32→Psalmen 2:8→Psalmen 35:18→Psalmen 86:9→Psalmen 45:12→Psalmen 78:6→
— Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen. Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen. Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel! Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep. Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen. Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.
Op eens verheft zich het lied uit de ontzaglijke diepte, waaruit het geroep om hulp geklonken heeft, tot ene wonderbare hoogte. De Lijder, bewust van de grote betekenis van zijn lijden voor het rijk der genade, wil het daarin Hem wedervaren heil, door het woord der verkondiging, tot aan algemeen goed voor alle mensen in de gehele wereld maken. Vooreerst zijn het die, welke Hij Zijne broeders noemt, die van het volk Israëls, aan welke Hij zijne boodschap van heil en de deelneming aan Zijn offermaal toegedacht heeft (vs. 23-27); maar de boodschap moet ook tot alle volken der aarde, tot de heidenen, die van God niets weten, doordringen; rijken en armen, gelukkigen en ellendigen moeten gelijkelijk aan den maaltijd verzadigd worden; het Godsrijk moet de gehele wereld omvatten, en zelfs het laatste nageslacht moet de tijding ontvangen, dat Hij het gedaan heeft, dat de Heere Zijn raadsbesluit ter redding heeft volvoerd; het moet in dat geloof zalig worden. In dit tweede gedeelte verliest de Psalm ten laatste geheel en al zijn typisch karakter, en wordt van het eerste tot het laatste woord een profetie.
Wanneer Gij, o Heere, mijn God mij gered hebt, zo a) zal ik Uwen naam mijnen broederen, mijnen volksgenoten, die aan mij verbonden zijn door banden van natuur en geest, vertellen; in het midden der gemeentevan Israël (Leviticus 16: 17. (Deuteronomium 31: 30)zal ik U prijzen.
Hebr. 2: 12. David vermeldende, dat wanneer hij bevrijd zou zijn, hij niet ondankbaar zou wezen, bevestigt, wat ik vroeger heb gezegd, dat hij nooit door enige beproeving zo terneer geworpen is geweest, of hij vatte weer moed, dat hij nog eens zou opstaan. Want hoe zou hij zich tot het brengen van offeranden verbinden, indien het niet was vanwege het vertrouwen, dat hij koesterde. Want om zo te zeggen deze Psalm is wel gedicht, nadat David reeds door de daad had verricht, wat hij wenste, maar niet te twijfelen is er aan, of de overdenkingen, die hij in dien tijd heeft gehad, heeft hij naderhand in het gedicht weergegeven.
De Naam Gods is de samenvatting van Zijne Volmaaktheden. En de Gemeente zijn de gelovigen, zowel uit Israël als uit de heidenwereld. Eigenaardig, dat de Heere Zijne discipelen, na Zijne opstanding, Zijne broeders noemt. Tot hen komt door dezen Psalm ene opwekking, om des Heeren naam te loven en te verheerlijken.
En wel zal dit de verkondiging zijn die ik aan hen doe: Gij, die den HEERE vreest, prijst Hem; al gij zaad van Jakob, vereert Hem, van wege de nu gegevene, nieuwe en veel heerlijker openbaring, en ontziet u voor Hem, eerbiedigt Hem, die nu in de hoogste mate Zijne genade en waarheid heeft bekend gemaakt, al gij zaad van Israël. Dat niet een iegelijk, die naar den vlese uit Israël is, daarom een Israëliet is in waarheid, blijkt uit de verklaring: “Gij die den Heere vreest!” Het is alsof alle werkers der ongerechtigheid hier in gene aanmerking kwamen, en de gemeente van Israël beschouwd werd als slechts bestaande uit godvrezenden, die opgewekt worden den Heere te prijzen, en Hem van wege Zijne heilige Majesteit te vereren en te ontzien.
Alle onze lof moet zich bepalen in het werk der verlossing. Want wij hebben grote reden om God te danken, dat God Zijn Zoon in de zwaarwichtige ordinering gesterkt heeft, hoewel Jezus zelf somwijlen vreesde van Hem verlaten te zijn. Want Hij heeft het lijden des Verlossers genadiglijk aangenomen, als een volkomene voldoening voor de zonden, en als een waardeerbare grond, om er de belofte van het eeuwige leven van alle de gelovigen op vast te zetten. Schoon dit voor ons, arme zondaars, alleen werd aangeboden, verachtte noch versmaadde Hij die aanbieding niet, naardien Zijn Zoon Hem alles waard was en is. Dit is en blijft dan voor ons ene stoffe, zowel van dankzegging als van blijdschap.
Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, van hem die in vs. 2-22 uit het diepste lijden klaagden en tot Hem riep, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen, dat Hij hem zou hebben willen doen blijven in zijne verlatenheid (vs. 2), maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep, zodat Hij hem, die te voren de meest verachte was (vs.7), daarna des te vriendelijker heeft aangezien, en aan hem gedaan heeft naar zijne bede (vs. 21 en 22). Wat verachtelijk en verfoeielijk was bij de mensen, en ook werkelijk door hen veracht en verfoeid werd, het kruislijden van Christus-werd door God als de hoogste gehoorzaamheid aangenomen en met de uitnemendste gebedsverhoring bekroond, met de opstanding uit de doden. Welk ene tegenstelling! Eerst verhoorde God niet; nu heeft Hij verhoord. Zo is het ook bij ons. Er zijn ogenblikken, dat men niet verhoord wordt, en naderhand blijkt, dat men verhoord is. Doch merkt op: de Verlosser is zelf een verloste. Hij is een Verlosser geworden, niet in zijn alvermogen, maar in Zijne zwakheid en onmacht. Hij hief niet met ene almachtige hand de zondaren op uit de diepte, maar Hij daalde tot hen af, en plaatste zich naast hen, in hunnen toestand, waaruit Hij zelf eerst verlost moest worden, eer Hij anderen verlossen kon.
In dit vers wordt de grond der lofverheffing aangegeven. Want Hij is een geredde, die door God is aangenomen. Ja, hoewel Hij geslagen, veracht en geplaagd is geweest, toch heeft God hem ten derden dage weer opgewekt, en daarmee verklaard, dat Hij waarlijk Zijn Zoon was, in Wien Hij Zijn welbehagen had. Dit is de verborgenheid der Godzaligheid, dit is het geheim van Gods eeuwig en vrije Welbehagen.
Van U, o Heere! zal mijn lof zijn in ene grote gemeente, “de gemeente der gelovigen, die groter wordt met elken dag; ” ik zal mijne geloften betalen, die ik in den doodsnood U heb toegezegd (Leviticus 3: 2 ), in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen (vs. 24).
De zachtmoedigen (liever: “de armen) zullentot dezen offermaaltijd (Exodus 29: 14. Leviticus 3: 17 ) genodigd worden, en eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, allen, die Hem zoeken, omdat zij nu gevonden hebben dien zij zochten, en ik, die hun den maaltijd bereid heb, zal in des Heeren naam hen zegenend toeroepen: ulieder hart zal in eeuwigheid leven, deze maaltijd schenke u ene eeuwigdurende verkwikking (Openb. 19: 9).
a) Alle einden der aarde, alle volken in de gehele wereld buiten Israël, zullen bij deze verkondiging van mijn heil en bij deze uitnodiging tot mijn offermaal het gedenken, wat zij vergeten hadden (Psalm 9: 18. (Hand. 7: 22 vv. Rom. 1: 19 vv.), en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der Heidenen zullen voor Uw aangezicht, o Vader! aanbidden.
Psalm 2: 8; 72: 11; 86: 9.
Want het koninkrijk, dat zich niet slechts over Israël, het te voren uitverkoren volk, maar over de gehele wereld uitstrekt (Psalm 96: 10; 97: 1), is des HEEREN, en Hij heerst onder de Heidenen 1), daarom moeten ook deze Hem als hunnen enigen rechtmatigen Koning leren kennen en belijden.
Ofschoon dus de Voorzienigheid Gods zo wonderschoon over den gehelen aardbodem openbaar wordt, zo moeten we toch weten, dat zij daar in waarheid heerst, waar, na de duisternis verdreven te hebben en het licht van Zijn woord te hebben ontstoken, Hij zichtbaar zich openbaart. Zodanig is toch de beschrijving van Zijn rijk bij Jesaja: Hij zal rechten onder de heidenen en vele volken bestraffen (Jes. 2: 4). Verder, wanneer God den aardbodem niet voor Zich onderwerpt, dan doordat, door de prediking des Evangeliums, zich ook vrijwillig aan Hem onderwerpen, die vroeger ontembaar waren, kunnen wij daaruit opmaken, dat deze verandering niet tot stand komt, dan op bevel en onder besturing van Christus. Indien men in het midden werpt, dat nooit de gehele aarde wordt bekeerd, dan is de oplossing gemakkelijk, dat de tijd, waarin God door het Evangelie Zich eerstdaags wijd en zijn bekend zou maken, vergeleken wordt met den ouden toestand toen Zijne kennis nog besloten was binnen de grenzen van Judéa. Wij weten nu, dat als het weerlicht Christus is binnengedrongen van het Oosten tot het Westen, zodat Hij van alle kanten de volken tot de Kerk heeft toegevoegd.
Even als het onderscheid tussen Joden en Heidenen door het heil van Hem, die hier spreekt, wordt opgeheven, zo ook dat tussen rijken en armen, hogen en geringen (Rom. 10:
(1 (Kor. 12: 13. Gal. 3: 28). Alle vetten op aarde 1), de rijken, die in overvloed kunnen leven, zullen eten van het maal, dat bereid is (vs. 27. Jes. 25: 6. MATTHEUS. 22: 1 vv.), en in dankbare erkenning van de genade en heerlijkheid, welke deze maaltijd geeft, aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, die door kommer en ellende neergebogen zijn, zullen voor Zijn aangezicht neder bukken, voor Hem buigen, voor den groten Gastheer, wiens heil zij deelachtig geworden zijn; en die zijne ziel bij het leven niet kan houden, die van gebrek en ontbering zijn leven nauwelijks behouden kan.
Men kan ook de uitdrukkingen in dit vers in geestelijken zin verklaren: de vetten op aarde, door degenen, die reeds gevoed zijn van de geestelijke spijze, maar dagelijks vernieuwing behoeven; de nederdalenden in ‘t stof voor de gebrokenen van hart en verslagenen van geest, terwijl de Costa van het laatste aantekent: “Dat zijn dezulken, die geen raad meer met zich zelven weten, de wanhopigen. Voor dezulken, die zich zelven niet meer kunnen behouden, is Christus gestorven. Hoe verblijdend voor arme zondaren! Doch er zijn zo velen, die zich zelven menen te kunnen behouden, of die verwachten, dat zij van zelf, zonder naar Jezus vragen, behouden worden-die mogen uit dezen Psalm leren, dat zij niet behouden worden.
Eveneens wordt opgeheven het onderscheid van tijden en geslachten. Het zaad, het geslacht der bekeerden, zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten, het zal onder het volk en de kerk van Christus gerekend worden (of: “het zal van den Heere den volgenden geslachten vermelden). God wil ook bij menigten, bij stammen, bij families behouden. De Schrift erkent al de betrekkingen des menselijken levens, de enkele personen, de huisgezinnen, de volken. Ieder heeft ook ene afzonderlijke rekening bij God als persoon, als hoofd of lid des huisgezins, als burger. Ook de volken staan als zodanig in afzonderlijke rekening met God.
Zij, de kindskinderen, tot welke de boodschap der vorige geslachten gekomen is (vs. 31), zullen aankomen op hunnen tijd tot het wereldtoneel (Psalm 71: 18),en Zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt 1) (Psalm 102: 19); zij zullen prediken, opdat ook de nageslachten het weten en weer verbreiden, omdat Hij het gedaan heeft2), dat Hij Zijn werk volbracht heeft.
Welk een toekomst schouwt hier de Messias! Zijn Rijk is niet van deze wereld en toch heerst Hij over al de werelddelen, alle plaatsen, tijden en geslachten in Zijn verworven heil.
Op dit: “Hij heeft het gedaan” heeft het laatste woord van des Heren kruis: “het is volbracht,” betrekking, gelijk het eerste woord aan het kruis uit het begin van den Psalm genomen werd, onder alle bewijzen voor de verhevene betekenis van het alzo omsloten geheel de zekerste, en tevens ene vingerwijzing voor de verklaring van het veelal verkeerd verklaarde woord van Christus. Het werk van God is met betrekking tot dit woord als het volbrachte te denken; het laatste moment van het lijden is tevens het eerste des heils, en dat dit nu gekomen is, dat nu werkelijk het antwoord op het: “Waarom hebt Gij Mij verlaten?” gegeven wordt, nu ook op dien duisteren nacht het morgenrood volgt, verklaart hier de stervende Heiland.
Alles, zowel in de herschepping als in de schepping, eindigt in het woord van Gods Zoon: “Het is volbracht!” Ja, omdat Hij dit alles gedaan en geleden heeft, worden wij gezaligd.
Israël en de heidenen, de rijken en de armen, zij worden tot Zijnen maaltijd genodigd. Niemand is zo rijk, dat bij Zijne gaven zou kunnen ontberen of kopen; niemand is zo arm, zo gering of zo diep gezonken, dat hij de rijke zegeningen, door Hem aangeboden, zou moeten derven. Het ene geslacht verkondigt het aan het andere, het ene volk vermeldt Zijne gerechtigheid aan een volk, dat nog geboren moes worden-en wat verkondigen zij? Dat Hij volbracht heeft. Dat Hij gedaan heeft het werk des Vaders, dat Hij volbracht heeft het werk der verlossing. Hij heeft volbracht. Ziedaar den inhoud van alle Christelijke prediking. Hij heeft in Zijn lijden den Vader verheerlijkt, en in het geloof door den Heiligen Geest, in de Zijnen gewrocht, worden èn Vader èn Zoon beide verheerlijkt.
Aan het slot van dezen Psalm ontvangt de Heere alleen de eer van Zijn werk. Alle heil en zaligheid wordt aan Hem toegeschreven en aan Hem, van Wie de zaligen zingen: Het Lam is waardig te ontvangen de eer en de heerlijkheid, maar aan Wie dan ook alle gelovigen hier op aarde, nevens den Vader en den H. Geest, toebrengen de lof en ere van hun verlossing en zaligheid.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel