Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm2
of David.]]3
The heavens
declare
the glory
of God;
and the firmament
sheweth his
handywork.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De hemelenH8064 vertellenH5608 GodsH410 eerH3519, en het uitspanselH7549 verkondigtH5046 Zijner handenH3027 werkH4639.
De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
KJV
Day
unto day
uttereth
speech,
and night
unto night
sheweth
knowledge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De dag aan den dag stort overvloediglijk spraakH562 uit, en de nacht aan den nacht toontH2331 wetenschapH1847.
De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Ook in dit vers
dagH3117
dagH3117
nachtH3915
nachtH3915
stortH5042
KJV
There is no speech4
nor language,
where their voice
is not heard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Geen spraakH562, en geen woordenH1697 zijn er, waar hun stemH6963 niet wordt gehoordH8085.
Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
KJV
Their line
is gone out
through all the earth,
and their words
to the end
of the world.
In them hath he set
a tabernacle
for the sun,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Hun richtsnoerH6957 gaat uit over de ganseH3605 aardeH776, en hun redenenH4405 aan het eindeH7097 der wereld; Hij heeft in dezelve een tentH168 gesteldH7760 voor de zonH8121.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
Ook in dit vers
wereldH8398
uitgaandeH3318
KJV
Which is as a bridegroom
coming out3
of his chamber,
and rejoiceth
as a strong man
to run
a race.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En die is als een bruidegomH2860, uitgaandeH3318 uit zijn slaapkamerH2646; zij is vrolijkH7797 als een heldH1368, om het padH734 te lopenH7323.
En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
KJV
His going forth
is from the end
of the heaven,
and his circuit
unto the ends
of it: and there is nothing hid
from the heat
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Haar uitgangH4161 is van het einde des hemelsH8064, en haar omloopH8622 tot aanH5921 de einden deszelven; en nietsH369 is verborgenH5641 voor haar hitteH2535.
Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
Ook in dit vers
eindeH7097
eindenH7098
KJV
The law
of the LORD
is perfect,
converting
the soul:
the testimony
of the LORD
is sure,
making wise
the simple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De wetH8451 des HEERENH3068 is volmaaktH8549, bekerende de zielH5315; de getuigenisH5715 des HEERENH3068 is gewisH539, den slechtenH6612 wijsheid gevende.
De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
Ook in dit vers
wijsheid gevendeH2449
bekerendeH7725
KJV
The statutes
of the LORD2
are right,
rejoicing
the heart:
the commandment
of the LORD7
is pure,
enlightening
the eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De bevelenH6490 des HEERENH3068 zijn rechtH3477, verblijdendeH8055 het hartH3820; het gebodH4687 des HEERENH3068 is zuiverH1249, verlichtendeH215 de ogenH5869.
De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
KJV
The fear
of the LORD2
is clean,
enduring
for ever:
the judgments
of the LORD7
are true
and righteous
altogether.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De vrezeH3374 des HEERENH3068 is reinH2889, bestaande tot in eeuwigheidH5703, de rechten des HEERENH3068 zijn waarheidH571, samen zijn zij rechtvaardigH6663.
De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
Ook in dit vers
samenH3162
rechtenH4941
bestaandeH5975
KJV
More to be desired
are they than gold,
yea, than much
fine gold:
sweeter
also than honey
and the honeycomb.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zij zijn begeerlijkerH2530 dan goud, ja, dan veelH7227 fijn goud; en zoeterH4966 dan honigH1706 en honigzeemH5317.
Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Ook in dit vers
goudH2091
goudH6337
KJV
Moreover by them is thy servant
warned:
and in keeping
of them there is great4
reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
OokH1571 wordt Uw knechtH5650 door dezelve klaarlijk vermaandH2094; in het houdenH8104 van die is groteH7227 loonH6118.
Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
KJV
Who can understand
his errors?
cleanse
thou me from secret
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WieH4310 zou de afdwalingen verstaanH995? ReinigH5352 mij van de verborgeneH5641 afdwalingen.
Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
Ook in dit vers
afdwalingenH7691
KJV
Keep back
thy servant
also from presumptuous
sins; let them not have dominion
over me: then shall I be upright,
and I shall be innocent5
from the great
transgression.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Houd Uw knechtH5650 ookH1571 terugH2820 van trotshedenH2086; laat ze nietH408 over mij heersenH4910; dan zal ik oprechtH8552 zijn en reinH5352 van groteH7227 overtredingH6588.
Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
KJV
Let the words
of my mouth,
and the meditation
of my heart,
be acceptable
in thy sight,
O LORD,
my strength,
and my redeemer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Laat de redenenH561 mijns mondsH6310, en de overdenkingH1902 mijns hartenH3820 welbehagelijkH7522 zijnH1961 voor Uw aangezichtH6440, o HEERE, mijn RotssteenH6697 en mijn VerlosserH1350!
Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
vertellen
Dat is, geven ons stof om Gods almacht, wijsheid en goedheid te vertellen.
Hertaald:
vertellen
Dat is: geven ons stof om Gods almacht, wijsheid en goedheid te vertellen.
uitspansel
Zie Gen. 1:6 .
Hertaald:
uitspansel
Zie Gen. 1:6.
De dag
Dat is, elke dag, en nacht, steeds op elkander volgende, de een aan den ander.
Hertaald:
De dag
Dat is: elke dag, en nacht, steeds op elkaar volgend, de een aan de ander.
stort
Dat is, het is of zij ons steeds toespraken en leerden, gelijk de fonteinen of springaders steeds overvloediglijk water uitgeven of uitborrelen, waarvan het Hebr. woord eigenlijk verstaan wordt; zie Spr. 18:4 ; Pred. 12:6 ; Jes. 49:10 .
Hertaald:
stort
Dat is: het is alsof zij ons voortdurend toespreken en onderwijzen, zoals de bronnen of springaders voortdurend overvloedig water afgeven of opborrelen, wat de eigenlijke betekenis is van het Hebreeuwse woord; zie Spr. 18:4; Pred. 12:6; Jes. 49:10.
Geen
Dat is, hoezeer verscheidenen de talen en woorden der mensen ook mogen zijn, zulks dat de een den ander niet kan verstaan, zo is nochtans [om zo te spreken] de taal dezer schepselen en werken van Gods hand bij allen verstaanbaar, dat men kan weten wat zij ons willen zeggen. Anders [zij hebben] gene spraak en gene woorden, [nochtans] wordt hunne stem gehoord; dat is, verstaan. Zie Gen. 11:7 .
Hertaald:
Geen
Dat is: hoe verschillend de talen en woorden van de mensen ook mogen zijn, zodat de een de ander niet kan verstaan, toch is [om zo te zeggen] de taal van deze schepselen en werken van Gods hand voor allen verstaanbaar, zodat men kan weten wat zij ons willen zeggen. Anders: [zij hebben] geen spraak en geen woorden, [toch] wordt hun stem gehoord; dat is: verstaan. Zie Gen. 11:7.
hun
Te weten, der hemelen, uit vs.2.
Hertaald:
hun
Namelijk: van de hemelen, uit vers 2.
richtsnoer
Dat is, hun uitermate schoon gebouw, alsof het met een richtsnoer afgemeten en daarnaar gemaakt ware; zie Zach. 1:16 , en Job 38:5 ; of, linie, regel, voorschrift, schrift; dat is, het is of zij ons met grove lijnen en letteren schreven en leerden van hunnen Schepper. Verg. Jes. 28:10 ; waarop de apostel dit toegepast heeft; zie Rom. 10:8 .
Hertaald:
richtsnoer
Dat is: hun uitermate mooie bouwwerk, alsof het met een richtsnoer afgemeten en daarnaar gemaakt was; zie Zach. 1:16, en Job 38:5; of: lijn, regel, voorschrift, schrift; dat is: het is alsof zij ons met grove lijnen en letters schreven en over hun Schepper onderwezen. Vergelijk Jes. 28:10; waarop de apostel dit toegepast heeft; zie Rom. 10:8.
tent
Dit wordt in het volgende vs.6 verklaard.
Hertaald:
tent
Dit wordt in het vervolg, vers 6, uitgelegd.
die is
Te weten, de zon, zeer schoon en sierlijk hervoorbrekende en oprijzende, gelijk de bruidegom met sierlijke klederen voor den dag pleegt te komen; zie Jes. 61:10 .
Hertaald:
die is
Namelijk: de zon, die zeer mooi en sierlijk tevoorschijn komt en opstijgt, zoals de bruidegom pleegt te komen met sierlijke kleren; zie Jes. 61:10.
held,
Snel en sterklopende van den opgang tot den ondergang. Verg. Pred. 1:5 .
Hertaald:
held,
Snel en krachtig lopend van opgang tot ondergang. Vergelijk Pred. 1:5.
niets
Of, niemand. Versta, waar de zon schijnt.
Hertaald:
niets
Of: niemand. Versta: waar de zon schijnt.
wet
Of, leer; dat is, Gods heilig Woord. Zie Ps. 1:2 .
Hertaald:
wet
Of: onderwijzing; dat is: Gods heilig Woord. Zie Ps. 1:2.
bekerende
Of, wederbrengende, wederoprichtende, dat is, verkwikkende, troostende, gelijk Ps. 23:3 . Zie ook Ruth 4:15 . Dit is de vrucht van de leer des Evangelies.
Hertaald:
bekerende
Of: terugbrengende, herstellende, dat is: verkwikkende, troostende, zoals Ps. 23:3. Zie ook Ruth 4:15. Dit is de vrucht van de leer van het Evangelie.
getuigenis
Zijn woord, getuigende van zijn wezen, wil en werken.
Hertaald:
getuigenis
Zijn woord, dat getuigt van Zijn wezen, wil en werken.
gewis,
Dat is, waarachtig, zeker, vast, bestendig, verg. Ps. 93:5 , en Ps. 111:7 .
Hertaald:
gewis,
Dat is: waarachtig, zeker, vast, bestendig, vergelijk Ps. 93:5, en Ps. 111:7.
recht,
Of, richtig, dat is, in alles gelijkvormig, met zichzelven overeenstemmende, en den enigen rechten weg der zaligheid recht wijzende. Van het Hebr. woord zie boven Ps. 7:11 .
Hertaald:
recht,
Of: recht, dat is: in alles gelijkvormig, met zichzelf overeenstemmend, en de enige juiste weg van de zaligheid recht wijzend. Over het Hebreeuwse woord zie hierboven Ps. 7:11.
ogen
Des verstands. Zie Ps. 13:4 .
Hertaald:
ogen
Van het verstand. Zie Ps. 13:4.
vreze
God vrezen en eren, idem in zijne wegen wandelen, worden met elkander verwisseld, Jes. 29:13 ; verg. met Matt. 15:9 , en 2 Kron. 6:31 , met 1 Kon. 8:40 , en Ps. 128:1 . Zodat men hier door kinderlijke vreze, waarmede de kinderen Gods uit het geloof Hem eren, bekwamelijk kan verstaan de leer van de ware religie en godsdienst, zijnde rein van alle vuiligheid der menselijke verdichtselen en medebrengende reinheid der harten en handen, Ps. 24:4 .
Hertaald:
vreze
God vrezen en eren, en ook in Zijn wegen wandelen, worden onderling verwisseld, Jes. 29:13; vergelijk met Matth. 15:9, en 2 Kron. 6:31, met 1 Kon. 8:40, en Ps. 128:1. Zodat men hier met kinderlijke vreze, waarmee de kinderen van God Hem uit het geloof eren, goed de leer van de ware religie en godsdienst kan verstaan, vrij van alle vuiligheid van menselijke verzinsels en met zich meebrengend reinheid van hart en handen, Ps. 24:4.
waarheid,
Dat is, zeer of in alle manieren waarachtig, niet dan enkele waarheid.
Hertaald:
waarheid,
Dat is: door en door, of in alle opzichten, waarachtig, niets dan pure waarheid.
honigzeem
Hebr. het vloeiende der honingraten; dat is, dat uit de honingraten vanzelf zonder persen vloeit, ongepijnden honing.
Hertaald:
honigzeem
Hebreeuws: het vloeiende van de honingraten; dat is: wat vanzelf, zonder persen, uit de honingraten vloeit, ongeperste honing.
klaarlijk
Het Hebr. woord betekent blinken, klaar schijnen; en voorts vermamanen, waarschuwen; waardoor de mens een licht en klaarheid bekomt voor zijn ziel, mitsgaders nuttigheid, profijt en voordeel. Verg. Ezech. 3:18-21 .
Hertaald:
klaarlijk
Het Hebreeuwse woord betekent blinken, helder schijnen; en verder waarschuwen, vermanen; waardoor de mens een licht en helderheid voor zijn ziel krijgt, en ook nut, profijt en voordeel. Vergelijk Ezech. 3:18-21.
loon
Het Hebr. woord betekent eigenlijk de hiel, de verzenen, [ Gen. 3:15 , en Gen. 25:26 ] , en wordt voorts genomen voor het einde van een ding, [gelijk hoofd voor het begin] en wijders voor uitkomst, geluk, voordeel, beloning; omdat zij in het einde en op het laatst komen; gelijk een ander woord, betekende eigenlijk het achterste, ook alzo gebruikt wordt. Zie Spr. 23:18 . Dat nu God de gehoorzaamheid zijner kinderen, niettegenstaande hunne onvolmaaktheid, met grote beloften vereert, dezelve voor aangenaam houdt en beloont, dat geschiedt niet naar hunne verdiensten, maar uit genade om de verdiensten van Jezus Christus' wil.
Hertaald:
loon
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de hiel, de verzenen, [Gen. 3:15, en Gen. 25:26], en wordt verder gebruikt voor het einde van iets, [zoals hoofd voor het begin] en verder voor uitkomst, geluk, voordeel, beloning; omdat zij aan het einde en op het laatst komen; zoals een ander woord, dat eigenlijk het achterste betekende, ook zo gebruikt wordt. Zie Spr. 23:18. Dat God nu de gehoorzaamheid van Zijn kinderen, ondanks hun onvolmaaktheid, met grote beloften eert, deze aangenaam acht en beloont, gebeurt niet naar hun verdiensten, maar uit genade omwille van de verdiensten van Jezus Christus.
afdwalingen
Dat is, zonden, die men door onwetendheid en onbedachtheid begaat. Zie Lev. 4:2 . Hij wil zeggen: niemand kan ze verstaan; [zo menigerlei, veel ja ontallijk zijn zij]. Verg. 1 Kon. 3:9 met 2 Kron. 1:10 .
Hertaald:
afdwalingen
Dat is: zonden, die men door onwetendheid en onbedachtzaamheid begaat. Zie Lev. 4:2. Hij wil zeggen: niemand kan ze bevatten; [zo talrijk, veel, ja ontelbaar zijn zij]. Vergelijk 1 Kon. 3:9 met 2 Kron. 1:10.
verborgene
Die ik niet zie of merk.
Hertaald:
verborgene
Die ik niet zie of merk.
trotsheden
Of. moedwilligheden; dat is, moedwillige zonden, die willens en wetens, en met opzet, hoogmoed en verachting Gods geschieden.
Hertaald:
trotsheden
Of: moedwilligheden; dat is: moedwillige zonden, die willens en wetens, en met opzet, hoogmoed en minachting voor God gebeuren.
heersen;
Verg. Rom. 6:12 .
Hertaald:
heersen;
Vergelijk Rom. 6:12.
oprecht
Zie Gen. 6:9 .
Hertaald:
oprecht
Zie Gen. 6:9.
grote
Of, vele, vermenigvuldigde.
Hertaald:
grote
Of: vele, veelvuldige.
welbehagelijk
Hebr. tot, of naar welbehagen of aangenaamheid zijn. Verg. Jes. 56:7 ; Jer. 6:20 .
Hertaald:
welbehagelijk
Hebreeuws: tot, of naar welbehagen of aangenaamheid zijn. Vergelijk Jes. 56:7; Jer. 6:20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk" (Ps. 19:2). Het vertellen gaat dag en nacht door: "De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap" (Ps. 19:3). Dan volgt een zin die op twee manieren gelezen kan worden, en die de Statenvertaling zo weergeeft: "Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord" (Ps. 19:4). Er is dus geen taal waarin deze prediking niet doorkomt. Haar bereik is de hele aarde (Ps. 19:5). En de zon krijgt twee beelden mee: een bruidegom die uit zijn slaapkamer komt en een held die vrolijk zijn baan loopt (Ps. 19:6). Bijbelse betekenis: De schepping predikt, maar zij predikt niet alles. Zij vertelt Gods eer en Zijn handenwerk; over vergeving van zonden zwijgt zij. Juist daarom gaat de psalm in het tweede deel over op de wet. Merk op dat deze prediking geen woorden nodig heeft en toch iedereen bereikt; zij is niet afhankelijk van vertaling of van onderwijs. Dat is de grond waarop niemand zich verontschuldigen kan. Let ten slotte op de beelden bij de zon. Zij zijn vrolijk gekozen: een bruidegom en een hardloper. De schepping wordt hier niet somber bekeken maar met vreugde, en dat mag een lezer overnemen. Typologie: Paulus haalt Ps. 19:5 aan om te zeggen dat het geluid van de prediking is uitgegaan over de gehele aarde (Rom. 10:18). En hij zegt wat deze getuigenis bewerkt: Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen verstaan, "opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn" (Rom. 1:20). Ps. 19:2-7; Rom. 10:18; Rom. 1:20 "De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende" (Ps. 19:8). Zo gaat het door, telkens met een naam, een eigenschap en een uitwerking: "De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen" (Ps. 19:9). En dan: "De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid" (Ps. 19:10). Daarna volgt de waardebepaling: begeerlijker dan veel fijn goud en zoeter dan honig en honigzeem (Ps. 19:11). Het gedeelte sluit met de uitwerking op de dichter zelf: ook wordt Uw knecht daardoor klaarlijk vermaand (Ps. 19:12). Bijbelse betekenis: Wat opvalt is dat bij elke naam een werking staat. Het woord wordt hier niet geprezen om wat het is maar om wat het doet: het bekeert de ziel, geeft wijsheid aan de eenvoudige, verblijdt het hart en verlicht de ogen. Merk op dat er twee maatstaven gebruikt worden om de waarde uit te drukken. Goud is de kostbaarste bezitting en honing het aangenaamste voedsel; het woord gaat beide te boven. Dat is een hoge uitspraak van iemand die als koning het goud werkelijk kende. Let ten slotte op de plaats van dit gedeelte. Het volgt op de hemelen die Gods eer vertellen, en het zegt wat de sterren niet konden zeggen. Typologie: Paulus schrijft hetzelfde over de nuttigheid van de Schrift: zij is van God ingegeven en nuttig tot lering, wederlegging, verbetering en onderwijzing in de rechtvaardigheid (2 Tim. 3:16). Ps. 19:8-12; 2 Tim. 3:16 "Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen" (Ps. 19:13). De vraag komt onmiddellijk na de lofzang op de wet, en dat is niet toevallig: wie het woord goed leest, ontdekt meer dan hij wist. De verborgen afdwalingen zijn de zonden die voor de dichter zelf verborgen zijn, en niet die welke hij voor anderen verbergt. Daarna volgt een tweede gebed: "Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen" (Ps. 19:14). En de psalm eindigt bij het gebed dat de woorden van zijn mond en de overdenking van zijn hart welbehaaglijk mogen zijn voor God (Ps. 19:14). Bijbelse betekenis: Twee soorten zonde worden hier onderscheiden, en beide worden bij God gebracht. De eerste ziet de mens zelf niet; daarvoor wordt reiniging gevraagd. De tweede kent hij maar al te goed; daarvoor wordt bewaring gevraagd, en er staat bij waar het gevaar zit: dat zij over hem gaan heersen. Merk op dat de psalm niet eindigt bij het gedrag maar bij het spreken en het overdenken. Dat is het diepste punt, en het is tegelijk het punt waar de wet het scherpst snijdt. Let ten slotte op de volgorde in deze psalm. Eerst de hemelen, dan de wet, en pas daarna de bidder die zichzelf leert kennen; hoe helderder het licht, hoe meer er te zien valt. Typologie: David bidt hetzelfde gebed elders uitvoeriger: "Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart" (Ps. 139:23). Ps. 19:13-14; Ps. 139:23 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking David kijkt omhoog en luistert. De psalm valt in twee helften uiteen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben: eerst de hemel, dan de wet. Maar het is één psalm, en het verbindende woord is spreken. De hemelen spreken zonder woorden en worden overal verstaan; en Paulus gebruikt juist die regel om over de prediking van het Evangelie te schrijven. Bedenk bij het lezen dat het opschrift in de Statenvertaling als vers 1 meetelt, zodat de bekende regel over de hemelen vers 2 is. Het begint met een boodschap die dag en nacht doorgaat: de hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. De kanttekening houdt dat vertellen levend: het is alsof zij ons voortdurend toespreken en onderwijzen, zoals bronnen onophoudelijk water opgeven. En dan komt de regel die het raadsel stelt: “Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.” De kanttekening geeft er twee lezingen bij, en beide zijn de moeite waard. De ene: hoe verschillend de talen van de mensen ook zijn, deze taal is voor allen verstaanbaar. De andere: zij hébben geen spraak en geen woorden, en toch wordt hun stem gehoord. Er wordt niets gezegd, en iedereen verstaat het. Wat er dan van die stem gezegd wordt, is het scharnier van de psalm: “Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld.” De kanttekening leest dat richtsnoer als de meetlijn van een bouwwerk — het is alsof de hemelen ons met grove lijnen en letters schrijven en over hun Schepper onderwijzen. En juist die regel neemt Paulus over. Hij schrijft dat het geloof uit het gehoor is en het gehoor door het Woord Gods. Dan stelt hij de vraag of Israël het dan niet gehoord heeft, en hij antwoordt met de woorden van dit vers: hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld. Wat David van de sterren zei, zegt Paulus van de prediking. De boodschap die geen mens kon tegenhouden omdat zij aan geen taal gebonden was, heeft in het Evangelie haar tegenhanger gekregen: een boodschap die overal komt en in alle talen wordt verstaan. Daarna keert de psalm zich naar binnen, en dat is geen ander onderwerp maar hetzelfde. De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel. De kanttekening zegt er iets bij dat men niet zou verwachten in een aantekening over de wet: die bekering, dat verkwikken en vertroosten, is de vrucht van de leer van het Evangelie. De hemel maakt bekend dát God er is; het Woord maakt bekend wie Hij is en wat Hij wil. En dan blijkt waar het bij David op uitloopt. Hoe verder hij in de wet leest, hoe minder hij zichzelf durft te vertrouwen: wie zou de afdwalingen verstaan? Hij vraagt om reiniging van wat hij zelf niet ziet, en om bewaring voor wat hij wel ziet. De psalm die begon bij de sterren eindigt bij een gebed, en dat gebed eindigt bij een Naam: “o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser.” Twee getuigen hebben gesproken, de hemel en het Woord, en de man die geluisterd heeft vraagt om een Losser. In het Nieuwe Testament: Romeinen 10:17-18; Romeinen 1:19-20; Jakobus 1:23-25; Galaten 3:24
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas In uitgestrektheid, in verhevenheid, in helderheid en in heerlijkheid zijn de Schriften te vergelijken met de hemelen, die Gods eer vertellen, en met het uitspansel, dat Zijner handen werk verkondigt. Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, HEERE, mijn rots en mijn Verlosser! Psalm 19:15 Wist je dat… De wet van de Heere is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van de Heere is gewis, de slechte wijsheid gevende. Ps. 19:8 Bomen worden gekend aan hun… Een preek uitgesproken op zondagmorgen 12 februari 1860 door C.H. Spurgeon in Exeter Hall, Strand. Wie zou de afdwalingen verstaan? Psalm 19:13 Dat wat wij weten, is maar heel… Een preek uitgesproken op zondagmorgen 7 juni 1857, door C.H. Spurgeon, in de Music Hall, Royal Surrey Gardens Reinigt U mij van de verborgen afdwalingen. Psalm 19:13 Eigengerechtigheid… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Houd Uw knecht ook terug van trotsheden. Psalm 19:14 Aldus was het gebed van de man naar Gods hart. Had de… 8 De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende. 9 De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. 3 De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 19
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Geen spraak, en toch gehoord — 19:2-8, 15
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Overdenkingen
Ps. 19:8 - Openbaring en bekering
Onmetelijke schuld
Verborgen zonden
Houd Uw knecht ook terug van trotsheden
Psalm 19:8-15
Psalm 19:1-7


Psalmen 19
Deze psalm leert ons de uitnemendheid van de twee openbaringen die God aan de mens gegeven heeft. De eerste is de openbaring die Hij in de natuur gegeven heeft, de tweede die welke Hij in Zijn geïnspireerd Woord gegeven heeft. De psalmist bezingt eerst God zoals Hij Zich in de werken der schepping vertoont.
Psalmen 19:2.KruisverwijzingenPsalmen 74:16→Genesis 8:22→Psalmen 136:8→Genesis 1:17→Psalmen 24:7→Exodus 15:20→Psalmen 78:3→Psalmen 134:1→
— De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
Dit is in zo’n mate het geval, dat men terecht gezegd heeft: een ongodsdienstig sterrenkundige is krankzinnig. Er zijn zulke sporen van den Oneindige en den Almachtige in de sterren — en te meer naarmate zij grondiger onderzocht worden en de wiskunde erop wordt toegepast om enigermate de onberekenbare afstanden en de geweldige gewichten der hemellichamen te schatten — dat een mens er de sporen van het goddelijke handwerk in móét bespeuren, als hij het slechts wil. “De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
Psalmen 19:3.KruisverwijzingenDeuteronomium 4:19→
— De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Elke dag spreekt tot de volgende, zoals de dag die eraan voorafging tot hém gesproken heeft, en elke dag heeft zijn eigen boodschap. Zijn geschiedenis is een echo van de stem van God, en had de mens maar oren om te horen, dan zou hij bemerken dat de dingen die van dag tot dag geschieden de tegenwoordigheid en de macht van God verkondigen. En zelfs de nacht, met haar indrukwekkende zwijgen, openbaart den Allerhoogste in de plechtige stilte. In de grote oerwouden schijnen de winden met liederen zonder woorden de tegenwoordigheid des Allerhoogsten te verkondigen. Er is daar, in de stilte van de nacht, iets zo geheimzinnigs en zo plechtigs, dat het het ongeloof heeft doen terugdeinzen en het geloof zijn oog heeft doen opheffen, om des nachts meer in de hemelen te zien dan het overdag gezien had: “de nacht aan den nacht toont wetenschap.”
Psalmen 19:4-5.KruisverwijzingenRomeinen 10:18→Psalmen 104:2→Genesis 1:14→Maleachi 4:2→Psalmen 98:3→Filippenzen 3:13→Jesaja 62:5→Hebreeën 12:1→
— Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
Al spreekt de natuur niet, toch gaan haar woorden uit tot de einden der aarde; en zwijgend zingen zij Gods lof. Voor de innerlijke oren van een verlicht mens is er een mate van geestelijk onderwijs dat onophoudelijk voortgaat.
Psalmen 19:5-7.KruisverwijzingenPsalmen 111:7→Psalmen 119:130→Psalmen 23:3→Psalmen 119:105→Spreuken 1:4→Psalmen 93:5→2 Timotheüs 3:15→Kolossenzen 3:16→
— Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon. En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen. Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
Dit alles is een zinnebeeld van de uitbreiding van het Evangelie; zo legt Paulus het ons uit in de brief aan de Romeinen, waar hij dit vers aanhaalt en op de prediking toepast. Onze Heere Jezus, opgestaan van de legerstede waarop Hij een tijdlang sliep, heeft Zijn licht gezonden tot aan de einden der aarde. Er zijn nog helderder dagen voor ons in aantocht. De kracht van Christus, terwijl Hij dagelijks de loopbaan van het Evangelie loopt, is niet verminderd; ja, Hij zet haar hoe langer hoe meer uit, en de dag zal komen dat, zoals het volle zonlicht de volmaakte dag maakt, zo de volle openbaring van het Evangelie voor de ogen van alle mensen de hele aarde met de lofzangen Gods vervullen zal.
Psalmen 19:8.KruisverwijzingenPsalmen 12:6→Psalmen 119:128→Psalmen 119:105→Spreuken 6:23→Romeinen 3:20→Romeinen 7:7→Psalmen 119:80→Romeinen 7:22→
— De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
Wij hebben over Zijn werken gelezen; laat ons nu over Zijn woorden lezen. “De wet des HEEREN” — of, zoals men het ook lezen kan, de leer des HEEREN — “is volmaakt”. O, welk een barmhartigheid is dat! Wat zouden onze zielen moeten aanvangen met indienen en maren en mogelijkheden? Maar het onderwijs van Gods Woord is zeker, stellig, onfeilbaar.
“Den slechten wijsheid gevende.” Hoe dwaas, hoe kinderlijk wij ook mogen zijn om mee te beginnen — zolang ons gemoed maar vrij is van sluwheid en arglistigheid, en wij eenvoudig en oprecht zijn, zal dit Boek ons waarlijk wijs maken.
Psalmen 19:9.KruisverwijzingenPsalmen 119:142→1 Samuël 12:24→Psalmen 119:1→Psalmen 34:11→Psalmen 36:1→Deuteronomium 4:8→Psalmen 72:1→Nehemia 5:15→
— De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
U weet dat zij dat doen. Vaak heeft uw hart van vreugde opgesprongen wanneer de bevelen des HEEREN u bekendgemaakt werden.
Psalmen 19:9-12.KruisverwijzingenPsalmen 119:142→Psalmen 119:103→Psalmen 119:127→Psalmen 119:72→Spreuken 29:18→Psalmen 90:8→Psalmen 139:23→1 Samuël 12:24→
— De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
Zoals de hemelen verkondigen ook de Schriften Gods eer, en zoals het uitspansel boven ons tonen zij Zijner handen werk. Maar terwijl het uitspansel Gods handwerk in de schepping toont, toont het Woord Gods datzelfde handwerk in de verlossing — in die nieuwe schepping door Hem Die zegt: “Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.” Wie kan het grote gordijn meten dat God als een tent heeft uitgespannen om in te wonen? Wie kent zijn hoogte of zijn breedte?
En de Schriften zijn even wijd uitgestrekt als de hemelen. Niemand heeft nog ooit de gehele waarheid der goddelijke openbaring omzeild. Wanneer wij opzien naar de grote leerstukken die als hoge bergen boven ons uittorenen, mogen wij wel zeggen: “De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.” De lengte en de breedte en de diepte en de hoogte der Schrift gaan het bevattingsvermogen van stervelingen te boven. En al geloven wij ze oprecht en verheugen wij ons er van harte in, het ligt niet binnen het bereik van onze vermogens ze ten volle te doorgronden.
Sommigen spreken alsof zij de hele kring der goddelijke waarheid kennen. Zij menen dat zij de grote oceaan der openbaring in de kleine maat van hun sterfelijk vermogen hebben overgegoten; maar zo is het niet. Niemand zal ooit in staat zijn de hemelen in zijn hand te houden. En zelfs al ware dat mogelijk, dan is het Woord van God in al zijn wonderbare onmetelijkheid nog te groot om te omvatten. Wij moeten stevig vasthouden wat wij van Gods waarheid geleerd hebben, maar wij moeten altijd bereid zijn meer te leren.
Te zeggen van mijn Bijbel dat ik iedere hoogte bereikt heb die hij openbaart, is even dwaas als te zeggen dat ik de hoogste trap van geestelijk leven bereikt heb die mogelijk is. Paulus zei: “Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.” En wanneer ik mijn uiterste best gedaan heb om het Woord van God te kennen, gevoel ik nog de behoefte te bidden: “Leer mij Uw inzettingen. Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.”
Psalmen 19:12.KruisverwijzingenPsalmen 90:8→Psalmen 139:23→1 Korinthe 4:4→Jeremia 17:9→1 Johannes 1:7→Psalmen 40:12→Psalmen 51:2→Psalmen 139:6→
— Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
Vindt u het niet vaak zó, dat een schriftwoord u juist op het ogenblik te binnen schiet waarop u op het punt stond geestelijk schipbreuk te lijden? Wanneer u iets zou hebben gedaan dat u levenslang verdriet en groot nadeel zou hebben berokkend, is het Woord van God voor u gaan staan met het vlammende noodsein, en bent u nog bijtijds tegengehouden.
Er staat niet: vóór het houden ervan, want het is niet uit schuldigheid; maar: “in het houden van die is grote loon.” Het is altijd het beste te doen wat God u gebiedt. U vergeet nooit een plicht, en u weigert er nooit een te doen, zonder schade te lijden; en iedere misslag die u begaat ten aanzien van de wil van uw Heere is een nadeel voor uzelf. Het houden van Zijn geboden verrijkt de ziel het meest. De winstgevendste zaak die een kind van God drijven kan, is de zaak van de gehoorzaamheid aan de geboden van zijn Heere.
Psalmen 19:13.KruisverwijzingenPsalmen 119:133→Romeinen 6:12→Psalmen 7:10→Handelingen 24:16→Psalmen 84:11→Deuteronomium 17:12→Genesis 20:6→1 Samuël 25:39→
— Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
De mens die zijn hart het grondigst doorzoekt, zal toch nog zonde onontdekt laten; en wie zegt: ik heb geen zonde, ik leef zonder zonde, heeft voorzeker nooit in zijn eigen hart gekeken; hij moet een volslagen vreemdeling zijn van de toestand waarin het verkeert. Laat dit het gebed van ieder onzer zijn: “Reinig mij van de verborgene afdwalingen.”
Psalmen 19:14.KruisverwijzingenPsalmen 104:34→Psalmen 51:15→Psalmen 18:1→Psalmen 66:18→Job 19:25→Psalmen 119:108→Hebreeën 11:4→Titus 2:14→
— Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
“Laat mij nooit durven doen wat ik weet dat verkeerd is. Laat mij niet zeggen: ik zal juist zover gaan en dan ophouden. Laat mij den Heiligen Geest Gods niet verzoeken. O, laat mij nooit den duivel verzoeken om míj te verzoeken, en mijzelf in een gevaarlijke stelling brengen onder de gedachte dat God mij wel bewaren zal indien ik Zijn kind ben: houd Uw knecht ook terug van trotsheden.”
U zult nooit tot afval komen als u waakzaam bent tegen vermetelheid. Die mensen die, gelijk Judas, de grote overtreding begaan en volstrekt omkomen, zijn mensen die niets afwisten van het bewaken van hun eigen hart, maar die vermetel waren, en zondig stoutmoedig en op zichzelf vertrouwend, en die zo tot een kwaad einde kwamen. U weet waar Bunyan Zorgeloos en Vermetel heenzendt; en er zijn er velen zoals zij.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm (Psalm 3: 1), van David, voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1). Heeft de vorige psalm de openbaring Gods in David’s levensgeschiedenis verheerlijkt, deze, die eveneens tot de laatste levensjaren van den zanger behoort, heeft het met de openbaring van God in natuur en wet te doen. Gelijk wij in Psalm 8 een lied van den bejaarden koning hebben, bij nacht gezongen, waarin de scheppingsgeschiedenis tot een gebed wordt, zo hebben wij in onzen Psalm een lied, dat gezongen is bij dag, bij den aanblik des hemels. Het is morgen; de zanger, die zich verheugt in het aanbrekend licht, stelt zich het werk van den begonnen dag in het licht der Goddelijke wet voor; want de hemelen, hoewel zij de ere Gods verkondigen, openbaren toch niet den wil van God, en toch is het David’s hoogste verlangen naar dezen zijn werk te richten en door dezen geheiligd te worden. 2.
I. Vs. 2-7.KruisverwijzingenPsalmen 111:7→Psalmen 119:130→Psalmen 23:3→Psalmen 119:105→Spreuken 1:4→Psalmen 93:5→Romeinen 10:18→2 Timotheüs 3:15→
— De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon. En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen. Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
De zanger begint met de heerlijkheid van God als Schepper te prijzen. In ene stemming, in welke hij van de zegeningen der vroomheid en der Goddelijke wet diep doordrongen is, ziet hij in de natuur naar den hemel en merkt op, welk een schoon verheven getuigenis van God van daar den opmerkzamen beschouwer tegenklinkt; daar wordt een prediking van God gehouden, die nacht noch dag ophoudt, ja, die zo ver gaat als de hemel zelf (vs. 2-5); vooral predikt daar de zon met hare stralen, voor welke niets op aarde verborgen blijft.
De hemelen, de bovenaardse sferen, die zich voor de menselijke beschouwing in het oneindige verliezen, vertellen aan hem, die ze met verhelderde ogen aanziet, Gods eer, welk een machtig en wijs Wezen van oneindige Majesteit Hij zijn moet, die ze gemaakt heeft, en het uitspansel, dat deel van den hemel waaraan als aan een gewelf zon, maan en sterren staan (Genesis 1: 6 vv.), verkondigt Zijner handen werk; daar zij ene daadzakelijke verkondiging is van hetgeen God gemaakt heeft, zegt zij duidelijk, dat er in Gods handen een meesterschap is, waarvoor alles mogelijk is. De Psalmist kon niet naar den hemel opzien zonder uit te roepen: “De hemelen vertellen Gods eer.” Wanneer hij zijne ogen op aarde sloeg, riep zijn vol hart uit: “O, Heere, hoe menigvuldig Zijn Uwe werken! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, de aarde is vol van Uwe goederen.” In zijn oog was alles vervuld met God. Het was God, “die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.” (Psalm 97: 3 en 4): “Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen; Zijne bliksemen verlichten de wereld.” “De stem des Heren is op de wateren.” (Psalm 29: 3). Wanneer hij het geloei hoorde en den rook zag van den vulkaan, zo was het (Psalm 104: 32): “Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij, als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” In ‘t bijzonder is de beschouwing van den hemel in het Oosten geschikt, om ons een diepen indruk te geven van de grootheid des Scheppers. Toen Carsten Niebuhr (gestorven 30 April 1815) vele jaren na zijn terugkeer uit het Oosten in zijne blindheid en uitputting van wege zijnen hogen ouderdom in bed lag, zo stond hem in de uren van stilte de van sterren wemelende nachtelijke hemel van Azië, dien hij zo dikwijls beschouwd had, of zijne hoge welving en het blauw van den dag voor ogen en dit was zijn zoetste genot.
De gewijde dichter heeft het in dezen Psalm over het Boek der natuur en daarna over het Boek der Schriftuur. Want ja, uit het Boek der natuur wordt veel van de heerlijkheid van den Schepper meegedeeld en gekend, maar het Woord maakt ons eerst recht hem bekend en openbaart ons Zijnen wil, de heerlijkheid van Zijn Wezen.
De dag aan den dag stort overvloedig spraak uit; de ene dag zegt het aan den anderen, wat hij de hemelen heeft horen verkondigen, en wat de aarde vertelden, opdat zijn opvolger het weer aan de zijnen mededeelt, en de nacht aan den nacht toont wetenschap; de ene nacht openbaart de schatten van wetenschap aan den anderen, zodat dagen en nachten schakels zijn in een keten van overlevering, door welke de prediking van lof en dank voortgaat. Waar de hemel bij helderen avond zich over ons welft, wordt dat azuren muziekblad met die vurige noten, ons een zangstuk op de wetenschap Gods. (L. DE GEER).
Gene spraak, en gene woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord 1). Er is geen volk, wat taal het ook spreke, of die taal der hemelen wordt er verstaan.
Ieder mens kan de stem der sterren horen. Vele zijn de talen der stervelingen, er is maar ene hemelse, en deze ene kan verstaan worden door elk gemoed, dat wil. De minste heidenen zijn zonder verontschuldiging, indien zij de onzienlijke dingen Gods niet ontdekken in de werken, die Hij gemaakt heeft. Zon, maan en sterren zijn Gods reizende predikers; zij zijn Apostelen, die op hun reis degenen, die den Heere zien, versterken, en rechters die bij hun rondgaan veroordelen degenen, die aanbidden.
Men kan ook vertalen: Het is geen spraak en het zijn geen woorden, waarin de stemmen onverstaanbaar zijn. Ook aan de blinde Heidenen prediken de hemellichten een God, die ze allen geschapen heeft, zodat zij niet te verontschuldigen zijn, indien zij niet letten op de stem, die van deze uitgaat.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde; de woorden, die de hemelen spreken, om den mensen tot een richtsnoer te zijn, over de gehele aarde 1), en hun redenen, hun uitspraken komen tot aan het einde der wereld 2), daar zij alles met hun getuigenis van Gods macht en heerlijkheid vervullen. Hij, de Heere heeft in deze, in de hemelen ene tent gesteld voor de zon; in de onmetelijke ruimte van den groten heraut Zijns roems heeft Hij aan de zon ene plaats aangewezen (Genesis 1: 14 vv.).
Anders: hun gebouw is uitermate schoon alsof ‘t met een richtsnoer afgemeten en daarnaar gemaakt ware (zie Zach. 1: 16. Job 38: 5) of linie, regel, voorschrift, d.i. ‘t is of ze ons met grove linies en letteren schreven en leerden van hunnen Schepper (Jes. 28: 10. Rom. 10: 18).
In Rom. 10: 18 bedient zich Paulus van deze beide eerste delen van het vers om met die woorden het uitgaan van de Apostolische prediking over de gehele aarde aan te wijzen; de ouden meenden daarom, dat zij de eerste helft van den Psalm als ene allegorische profetie, den hemel als een beeld van de kerk en de zon als een beeld van het Evangelie moesten opvatten. De Apostel citeert daar echter niet naar de letter; hij geeft aan Oud-Testamentische woorden slechts ene Nieuw-Testamentische wending, daar hij de alles doordringende prediking der hemelen als beeld van de alles doordringende prediking van het Evangelie neemt, waartoe hij gerechtigd was door de paralellen, in welke de Psalmist zelf natuur en schriftelijke openbaring (vs. 8. vv.) stelt.
De aanhaling van deze plaats door den Apostel heeft een diepen grond. De algemeenheid van Gods openbaring in de natuur is ene profetie van de algemeenheid van de verkondiging van het Evangelie; is de eerste niet toevallig, heeft zij haren grond in het goddelijk Wezen, zo moet uit hetzelfde goddelijk Wezen ook deze voortvloeien. De openbaring Gods in de natuur is voor al Zijne schepselen, aan welke zij als zodanig ten deel wordt, een onderpand, dat zij ook eens de hogere en heerlijke openbaring moeten deelachtig zijn, zij was voor de heidenen een onderpand dat de tijdelijke beperking des heils niet was, om de ontvouwing daarvan tegen te houden, maar juist een middel om die teweeg te brengen.
In haar opgang gelijkt zij op een bruidegom, in haar voortgaan als een held, die volbrengt wat hem bevolen is en alle zwarigheden overwint. Geen dampen of nevels kunnen haar ten leste weerhouden, om te verschijnen.
En die zon, nu zelf tot een heraut wordende, elke morgen als zij in ‘t Oosten opgaat, is als een bruidegom 1), uitgaande uit zijne slaapkamer, in welke hij zich den vorigen avond vermoeid neerlegde, maar wiens aangezicht nu straalt van liefelijk licht, als hij iemand, die zijne dierbaarste wensen bereikt en in volle frisheid der jeugd prijkt (Jes. 61: 10); zij, de zon
is vrolijk als een held, die zich bewust is van zijne kracht en snelheid (Psalm 18: 33 vv.),om het pad te lopen, dat dien dag moet worden afgelegd.
Prediker 1: 5.
In ‘t Hebreeuws en Aramees is het woord “de zon” van het mannelijk geslacht; de vergelijking in vs. 6 en 7 verliest in onze taal daardoor, dat het bij ons van het vrouwelijk geslacht is.
Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden van dezen; “van ‘s hemels einden gaat zij uit en loopt tot ‘s hemels einden om; ” zij doorloopt het ganse hemelrond, en niets is verborgen voor, niets kan zich onttrekken aan hare hitte, haar gloed dringt overal door, zodat zij als het oog van den alwetenden God, als een afbeeldsel van Zijne alles besturende macht verschijnt. Ziet daar, hare pracht, hare rusteloosheid en hare macht, in welke zij tot een prediker voor de mensheid gesteld is! Waren wij niet bovenmate stompzinnig en hard van harte, zou nu ons hart niet eens van vreugde tintelen, dan weer van diepen eerbied beven, zo dikwijls wij onzen blik op de zon en op den hemel vestigen, daar die zo kwistig uitgestrooide heerlijkheid der zichtbare schepping de heerlijkheid van Gods onzichtbaar Wezen predikt? Maar hoe ontelbaar velen worden niet moede de schoonheid der schepping te prijzen en uit te roepen, dat zij zon waardig is de liefde en de belangstelling van den mens, en die er toch in de verte zelfs niet aan denken, dat Hij, van wie dit alles uitgegaan is, nog veel schoner moet en nog veel meer de overgave van den mens moet waardig zijn. Ja, die zich zelfs schamen zouden met evenveel warmte van de liefde tot God te spreken! Anderen, die met geestdrift van de openbaringen Gods in het rijk der natuur spreken, kunnen diezelfden God in de openbaringen der heilige Schrift niet weder vinden. En toch prediken ook hemel en aarde van Gods almacht, wijsheid, liefde en majesteit-van Zijne heiligheid predikt slechts de Bijbel en het geweten. Zal nu de mens door de almacht, wijsheid, liefde en majesteit der wetten dezer zedelijke wereldorde niet minder aangegrepen worden dan door de natuur; zullen de grote zedelijke feiten, welke de Bijbel verkondigt, hem niet minder wegslepen, dan de verschijningen aan den hemel en op aarde, zo veronderstelt dit een gemoed, waarin de zin voor het heilige niet minder krachtig en levendig is dan voor het schone en verhevene. Hoewel het heilige ook het schone mag genoemd worden, daar het toch in niets anders bestaat, dan in de harmonie der ziel in zich en met God, en ene heilige ziel dus ene “schone” ziel is, zo blijft toch bij velen, die door de schoonheid der natuur in geestdrift worden gebracht, of zelfs voor een kunstwerk van mensenhand in verrukking verloren blijven staan, het hart geheel gesloten voor het kunstwerk van ene met zich zelf en God harmonische ziel, dat zich in stilte inwendige beelden vormt. De Psalmist nu is zulk een, die door de zedelijke schoonheid der Goddelijke wet en der ziel, die zich Hem overgeeft, niet minder geroerd wordt, dan door de grootheid en schoonheid der natuur, en die daarom ook in de spraak van hemel en van aarde dezelfde Gods stem erkent, die in de wet spreekt. (vgl. het volgende gedeelte).
Wij zien, hoe verschillend de werking dier zon is; zij maakt de klei hard; zij doet de was smelten; zij koestert het een, zij verzengt het andere-en dat wel geenszins door wijziging van haar invloed, maar alleen door de verschillende geaardheid der voorwerpen, die aan hare hitte zijn blootgesteld. Merken wij nu op, hoe die zon ons in dezen het beeld van Gods alomtegenwoordigheid vertoont en van Zijne heiligheid tevens, die ons verheft of verplettert, naarmate wij haar delen of tegen haar over staan. (L. DE GEER). 8.
II. Vs. 8-11.KruisverwijzingenPsalmen 12:6→Psalmen 119:128→Psalmen 119:142→Psalmen 119:103→Psalmen 119:127→Psalmen 119:72→Spreuken 29:18→Psalmen 119:105→
— De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende. De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Zonder enige uitwendige aanleiding gaat de dichter tot het tweede deel, den lof der genade Gods als wetgever over; maar hij gevoelde zich te voren door de pracht der schepping zo medegesleept, omdat de heerlijkheid der wet hem in het hart lag, en hij heeft daarom slechts van dezen als de voornaamste getuige van Gods majesteit aan den hemel gesproken, om des te sterker de geestelijke zon te doen uitkomen, die het licht voor den inwendigen mens is. Terwijl hij nu God niet meer als (gelijk in vs. 2 en 5) God, den Sterke, maar den Heere, den Verbondsgod Zijner gemeente (Genesis 6: 3 ) noemt, laat hij twaalf lofspraken over de wet of in uitgebreideren zin over het Woord Gods volgen, welke in zes paren zich verdelen, zó, dat telkens de tweede spreuk tot de eerste staat als gevolg tot oorzaak; ten slotte (vs. 11) trekt hij dan het besluit dezer lofspraken, en prijst nog in het algemeen de heerlijkheid en lieflijkheid dezer wet.
a) De wet des HEREN 1), zowel van priesterlijk en profetisch als van koninklijk karakter, zowel vol van beloften als van eisen en bedreigingen, is volmaakt 2), is ene volkomen uitdrukking van Gods wil, is gelijk Paulus (Rom. 8: 12,14) zegt, heilig en geestelijk, rechtvaardig en goed, bekerende de ziel 3), haar verkwikkende, daar zij de kwellende onzekerheid omtrent Zijnen wil wegneemt; de getuigenis des HEREN 4), deze wet, gelijk zij in de twee tafelen der getuigenis (Exodus 31: 18) is uitgedrukt, is gewis, is ontwijfelbaar in tegenoverstelling van de onzekere en wankelende uitspraken des verstands, den slechten, den eenvoudige en onervarenen, die zich van hun geestelijke armoede bewust was, en daarom aan goddelijke onderwijzing behoefte hebben, wijsheid gevende.
2 Samuel 22: 31. Psalm 18: 31.
In den grondtekst verandert van hieraf de rythmus; “men gevoelt het, hoe het hart van den dichter van dubbele vreugde begint te kloppen, nu hij begint te spreken van de openbaring der genade, van welke de naam “Jehova” het kenteken is.”.
Als volmaakt gaat de wet op in de liefde, en is liefde haar einde en hare vervulling. Als volmaakt komt zij neer op dat woord van Jehova: “Zijt heilig, want Ik ben heilig.” Als volmaakt vordert zij niets minder van den mens dan volmaaktheid. Zij grijpt tot in de diepste bewegingen, tot in de geheimste roerselen van uw hart, en hoe meer gij daarin wroet, hoe dieper gij bij haar licht daarin delft, te meer ontdekt gij het verschil van uwe beginselen en bestaan met wat die behoorden te wezen. Een onbereikbaar ideaal rijst er op voor uwen geest, waarbij een mens wanhopig zou worden en bij zijn pogen altijd zou geworden zijn, ware het niet, dat er nu een Volmaakte gekomen en er te voren van Zijne komst al voorspeld ware. In dien Volmaakte is alleen ons heil en onze redding. Hij, die haar hield, vertoont ons de volmaaktheid der wet in de heiligheid van Zijn persoon. Hij volbracht haar als onze plaatsbekleder en ons Hoofd. Zo werd de mens in Hem voor God weer hersteld in heerlijkheid en eer. Dit vers en de twee naast volgende, welke over Gods wet handelen, zijn in ‘t Hebreeuws geschreven, elk met tien woorden, overeenkomende met het getal van de tien geboden, die (Exodus 34: 28) de tien woorden genoemd worden. De verkwikkingen zijn de vrucht van het “voor-Evangelie,” of de beloften Gods in de wet. De profeet stelt zich diegenen voor, die door het woord des geloofs den Geest ontvangen hebben en daarover vrolijk geworden zijnde en ene liefde verkregen hebben, om datgene te doen wat der wet is. Daarop leert hij nu, hoe heilig, hoe rechtvaardig en hoe goed de wet is, welke aan hen, die den Geest niet hebben, bitter, onrechtvaardig en hard schijnt te zijn, daar toch de schuld niet aan de wet, maar aan de neiging ligt.
Liever: “verkwikkende de ziel,” zo verklaren het ook de Staten-Overzetters in de kanttekening: In Psalm 23: 3 en Spreuken 25: 18 wordt dit zelfde woord in den grondtekst gebruikt en betekent ook daar van een droeven in een blijden toestand brengen, iemand verkwikken en vertroosten. Dit zelfde wordt ook hier van de Wet gezegd, van de wille Gods. Bekeren in den gewonen zin van het woord, doet de Wet niet, bekeren, in waarheid tot God brengen, kan zij alleen in verband met het Evangelie, door de machtige werking des Geestes. Wie echter in waarheid gehoorzaam is aan den wil van God, wie recht ter harte neemt, wat God verordineerd heeft, diens ziele wordt verkwikt, met nieuw leven bezield, die ervaart het, dat de godzaligheid tot alle dingen nut is, hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens. In vs. 9 wordt er dan ook van gezegd, dat de bevelen des Heren het hart verblijden.
Ook de twee tafelen der Wet worden aldus genoemd, dewijl niet alleen alles door de Wet, de Wet Gods, bevestigd wordt, maar ook omdat in die Wet een getuigende kracht ligt opgesloten, en het is daarom, dat zij den onkundige, den in eigen ogen waren eenvoudige, wijsheid geeft. Niet den waanwijze, den wijze in eigen ogen, maar degene, die het erkent en erkennen moet bij zich zelven, dat hij niets weet.
De bevelen des HEREN, die ons zeggen, wat wij doen en wat wij laten moeten, zijn recht, zijn billijk, verblijdende het hart, want, zo wij ons aan deze overgeven, wekken zij het zalig bewustzijn, dat wij ons op den waren weg bevinden. Het gebod des HEREN is zuiver, het draagt de reine natuur van het licht in zich (Spreuken 6: 23),verlichtende de ogen 1) van hem, die het in zijn hart opneemt, en het maakt hem gezond en vrolijk.
Het gebod is een lamp en de wet is een licht. De Wet, de openbaring Gods is te midden van de duisternis van onkunde, dwaling en zonde het enig ware licht van kennis, waarheid, gerechtigheid en blijdschap.
De vreze des HEREN 1), de in Zijne wet geopenbaarde wijze, hoe men Hem vrezen moet (Psalm 34: 12. (Spreuken 15: 33. Deuteronomium 17: 19), is rein, als gelouterd goud even als Zijn woord (Psalm 12: 7), waardoor zij geleerd wordt, bestaande tot in eeuwigheid (MATTHEUS. 5: 17 vv.), in tegenstelling van den valsen dienst der afgoden, die bestemd is om te vergaan; de rechten des HEREN, Zijne geboden, waarbij Hij bepaald heeft, wat recht is, zijn waarheid zijn waarlijk rechten en geboden van God, zamen zijn zij rechtvaardig, zonder enige uitzondering zijn ze recht en zal hun recht gehandhaafd worden, omdat van den rechtvaardigen God slechts het recht kan uitgaan.
Hier moet onder vreze des Heren verstaan worden de wijze van Hem te dienen en alzo actief genomen worden voor de wijze, welke Hij ons voorschrijft, hoe men God behoort te vrezen. Want zo vrezen meestal de mensen God, dat zij door een valsen en bedorven dienst uit te denken meer Zijn toorn over zich inroepen.
a) Zij zijn, om nu de slotsom te trekken van alles, wat tot hiertoe van de rechten des Heren gezegd is, begeerlijker voor hem, die er de waarde van heeft leren kennen, dan goud, ja dan veel fijn, met bijzondere zorgvuldigheid gereinigd (Exodus 25: 11 ) goud; en niet alleen zijn zij naar het uitwendige schoon, maar heerlijk tevens voor hem, die ze in zich opneemt; zij zijn
Zoeter dan honing, en dan de zoetste soort van honing, die van zelf uit de cellen der bijen uitvloeit namelijk honingzeem (1 Samuel 14: 27 ).
(Psalm 119: 72,127. Spreuken 8: 11. b) Psalm 119: 103. Oude volken zijn allen voor voordeel, de jongere voor genot; hier is goud voor den een ja, het fijnste goud in groten overvloed; hier is honing voor den ander, ja honing druppende van den honiggraat. Bemin het geschreven Woord (Psalm 119: 97). “Hoe lief heb ik Uwe wet, Heere!” zei Augustinus: “laat de Heilige Schrift mijn zoet vermaak zijn.” Chrysostomus vergelijkt de Schrift bij een tuin, elke waarheid is ene geurige bloem, die wij moeten dragen niet op onzen boezem, maar in ons hart. Er is in de Schrift vreugde. Zij wijst ons den weg tot rijkdommen (Deuteronomium 28: 5. Spreuken 3: 10), tot een lang leven, (Psalm 34: 12) tot een koninkrijk, (Hebr. 12: 28). Dan mogen wij ook die uren voor de aangenaamste houden die doorgebracht worden met het lezen der Heilige schriften, en wel mogen wij met den Profeet (Jer. 15: 16) zeggen: “Als Uwe woorden gevonden zijn, heb ik ze opgegeten en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten. Hoe verkeerd is het van sommigen, die de Heilige Schriften verwaarlozen. Hoe menig kostbaar uur wordt doorgebracht niet alleen op werk-, maar ook op rustdagen in dwaze romans, fabelachtige geschiedenissen en wulpse liederen. Helaas! dat gij in die hoeken uw genot vindt, is verderfelijk…Er zijn er, die meer bij de moraal van Plutarchus, de brieven van Seneca en dergelijke boeken zitten dan bij de Heilige Schriften. Het is waar, er zijn uitnemende waarheden in die geschriften der heidenen, maar zij zijn verre verwijderd van die geheiligde Boeken. Maar waarlijk, zo God u een geestelijk oor gegeven heeft om de zaken recht te beoordelen, dan zult gij erkennen, er zijn gene schellen, Als die van Aäron, gene harpen Als die van David, gene trompetten Als die van Jesaja, gene fluiten Als die der Apostelen, en Gij zult bekennen met Petrus Damianus, dat die geschriften van heidense redenaars, wijsgeren, dichters, die voorheen zo aangenaam waren, nu onaangenaam en vervelend zijn in vergelijking van den troost der Schriften. Het is een groot wonder van den Heiligen Geest en van Gods rechterhand, die alles verandert, dat datgene, wat ons vroeger het meest mishaagde, nu boven alles dierbaar geworden is. Wat toch zoeken de mensen met meer ijver, dan rijkdom en wellustigheden? En toch heeft de Geest in de wet des Heren veel groter behagen, dan de begeerte des vlezes naar rijkdommen en zingenot wezen kan.
12.
III. Vs. 12-15.KruisverwijzingenPsalmen 104:34→Psalmen 119:133→Psalmen 90:8→Psalmen 139:23→Romeinen 6:12→Psalmen 7:10→Psalmen 51:15→1 Korinthe 4:4→
— Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon. Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen. Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!
De zanger stelt hierop zich zelven in het licht der Wet; wat hij zo even van hare heerlijkheid gezegd heeft, heeft hij uit eigene ervaring gesproken, want hij laat zich door Gods onderwijzing leren en leiden, en is in het genot van het loon, dat den getrouwen beschouwers der Goddelijke voorschriften beloofd is. Maar, Als had hij daarmee te veel gezegd, bidt hij aanstonds om vergeving der vele, daarenboven meest onbekende zonden van zwakheid, waaraan ook een begenadigde schuldig is, en daar hij zich in zich zelven niet veilig weet voor zware en moedwillige zonden, die zijnen staat Als knecht Gods zouden te niet doen, bidt bij om bewaring daarvan en sluit, daar bij zich bewust is, dat God zijn Bewaarder en Verlosser is, zijn lied met de vaste verwachting, dat het door den Heere met welgevallen zal aangenomen worden.
Ook wordt Uw knecht (vgl. Psalm 18: 1 ), door deze klaarlijk vermaand duidelijk geleerd, hoe hij zijn leven moet inrichten, zodat het hem nooit aan het licht der ware kennis ontbreekt; in het houden van die is grote loon (Psalm 106: 3), wie leeft overeenkomstig die geboden, zich met ernst er op toelegt (Psalm 18: 21 vv.), zal een rijken zegen genieten. Worden wij verwaardigd om werktuigen te wezen, waarin zich God openbaart, wanneer onze zelfzuchtige eigen wil gebogen en gebroken is, en Gods wil de plaats van dien heeft ingenomen, wordt het leven in God Als van zelf een meegenieten Zijns eeuwigen zaligen levens, voorzeker wij mogen dan wel van een groot loon der godzaligheid spreken. (L. DE GEER). Dat God de goede werken beloont, is zeker en dat wij de beloning in het oog moeten hebben en mede daardoor moeten bewogen worden tot het doen van goede werken, blijkt niet alleen uit alle plaatsen, in welke God de beloften van beloning doet, maar ook uit het exempel van Christus (Hebr. 12: 2) en van Mozes (Hebr. 11: 26). Maar dat wij door de goede werken loon verdienen, dat ontkennen wij. Het woord loon geeft gene verdiensten te kennen, want er is niet alleen loon naar verdiensten en schuld, maar er is ook een loon, dat uit genade en goedgunstigheid gegeven wordt. Ziet Rom. 4: 4: “degene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.” Zo is er dan een loon naar genade. Ziet ook MATTHEUS. 20: 8. Geeft hun het loon, beginnende van den laatste tot den eerste. Die maar één uur gearbeid hadden, ontvingen het loon zowel Als die den gehelen dag gearbeid hadden. Dat loon nu werd hun niet gegeven naar verdiensten.
Maar hoe bezwaarlijk is het voor een zwak zondig mensenkind, om Uwe rechten te onderhouden, daar de zonde zich bemantelt en onder schonen schijn zich voordoet. Wie zou de afdwalingen verstaan? Wie zou zo nauwkeurig kunnen waken, en zo juist en snel kunnen doorzien al wat zich tegen Uwen Geest aankant? reinig mij van de verborgene afdwalingen; vergeef mij mijne zonden, ook die ik zelf niet opmerkte. David wil hier eenvoudig mee zeggen, dat wij zo door de bedriegerijen van Satan zijn vervoerd, dat men het honderdste gedeelte van zijne zonde niet gevoelt. Want ja, de heiligen zondigen wel door dwaling en onbedachtzaamheid, maar het gebeurt ook, dat zij in de strikken van Satan verward, niet hun grove zonden zien.
Onmogelijk is het ook voor de allerheiligsten de Wet volkomen te houden. Slechts een klein beginsel der gehoorzaamheid hebben zij, maar toch is het de lust en de keuze van hun hart om naar alle de geboden Gods te leven. En uit die innige begeerte vloeit deze bede van David voort.
Houd Uwen knecht, die niet alleen vergevende maar ook bewarende genade nodig heeft, ook terug van trotsheden, laat ze niet over mij heersen 1), want wanneer men eens den hoogmoed toegeeft, wordt hij een tiran, die den mens geheel en al tot een slaaf maakt; bewaar Gij mij van de hovaardij, die Adam deed vallen, die Kaïn tot een broedermoordenaar maakte, die de oorzaak is van alle ongeloof en alle zonde, dan zal ik oprecht zijn (Genesis 6: 9. Job 1: 1,8. 1 Thessalonicenzen. 2: 10 rein van grote overtreding, waardoor ik zou ophouden mij Als Uw knecht te openbaren.
De kerkelijke geloofs- en zedenleer onderscheidt, ten opzichte van de schuld, de zonden in peccata involuntaria, welke niet met opzet en overleg gepleegd zijn en a) of pecc. ignorantiae (zonden der onwetendheid) b) of pecc. praecipitantiae (zonden van overijling) c) of pecc. infirmitatis (zonden van zwakheid en van karakter) zijn; 2) peccata voluntaria of proacretica, welke moedwillig en met overleg begaan worden en tot een peccatum regnans (heersende zonde) aangroeit. Bedwing en weerhoud mijne natuurlijke begeerlijkheden naar zonden met kennis en met overleg gedaan! Elke openbaring der zonde door de wet moet ons naar den troon der genade drijven, om daar te bidden gelijk David hier doet, om oprecht en onschuldig bewaard te worden voor de grote zonde van afgoderij of afval, en dat de woorden van zijnen mond en de overdenking van zijn hart door Gods genade aangenaam mogen zijn in het oog van Hem, die zijn sterkte en zijn Verlosser is. Deze afhankelijkheid is dezelfde, die ieder Christen gevoelt, welke zegt: “Zeker in den Heere Jezus heb ik rechtvaardigheid en kracht.” Geen gebed kan voor God aangenaam zijn, dat niet gebeden wordt in de kracht van onzen Verlosser, in den naam van Hem, die onze natuur heeft aangenomen, opdat Hij ons zou verzoenen met God en de lang verlorene erfenis zou wedergeven.
Laat de redenen mijns monds, waarmee ik U prijs, en de overdenking mijns harten, waarmee ik Uwe vergevende en bewarende genade afbid, welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, en verhoor Gij ze, O HEERE, mijn Rotssteen, op wiens trouw ik mij verlaat, en mijn Verlosser, die mij vergeving toegezegd hebt en mijne bewaring in Uwe macht hebt. David kon het niet verdragen, dat een woord of ene gedachte Gode onaangenaam zou zijn. Het was hem niet genoeg, dat zijne daden wel goedgekeurd werden onder mensen op aarde, indien niet zijne gedachten aan den Heere in den hemel welbehaaglijk waren. Wanneer gij bidt, spreekt gij met God, wanneer gij de Schrift leest, spreekt God met u. Het derde gedeelte van onzen Psalm geeft in nuce (in een kort uittreksel) ene scherp afgetekende soteriologie (leer der verlossing); neemt men hierbij Psalm 32, zo heeft men het geheel van den weg der zaligheid, om zo te zeggen in Paulinische duidelijkheid en bepaaldheid. Paulus citeert ook beide Psalmen; zij waren zeker zijne lievelingen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel