Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329. HEEREH3068! Gij doorgrondtH2713 en kentH3045 mij.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm3
of David.]]2
O LORD,4
thou hast searched5
me, and known
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gij weetH3045 mijn zittenH3427 en mijn opstaanH6965; Gij verstaatH995 van verreH7350 mijn gedachtenH7454.
Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
KJV
Thou knowest2
my downsitting3
and mine uprising,4
thou understandest5
my thought6
afar off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij omringtH2219 mijn gaan en mijn liggenH7252; en Gij zijt alH3605 mijn wegenH1870 gewendH5532.
Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
KJV
Thou compassest3
my path1
and my lying down,2
and art acquainted6
with all my ways.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
AlsH3588 er nog geenH369 woordH4405 op mijn tongH3956 is, zieH2005, HEEREH3068! Gij weetH3045 het allesH3605.
Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
KJV
For there is not a word3
in my tongue,4
but, lo, O LORD,6
thou knowest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Gij bezetH6696 mij van achterenH268 en van vorenH6924, en Gij zetH7896 Uw handH3709 opH5921 mij.
Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
KJV
Thou hast beset3
me behind1
and before,2
and laid4
thine hand
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De kennisH1847 is mij te wonderbaarH6383, zij is hoogH7682, ik kanH3201 er nietH3808 bij.
De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
KJV
Such knowledge2
is too wonderful1
for me; it is high,4
I cannot
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Waar zou ik heengaanH3212 voor Uw GeestH7307 en waar zou ik heenvliedenH1272 voor Uw aangezichtH6440?
Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
KJV
Whither shall I go2
from thy spirit?3
or whither shall I flee6
from thy presence?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
ZoH518 ik opvoerH5266 ten hemelH8064, GijH859 zijt daarH8033; of beddeH3331 ik mij in de helH7585, zieH2005, Gij zijt daar.
Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
KJV
If I ascend up2
into heaven,3
thou art there: if I make my bed6
in hell,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
NamH5375 ik vleugelenH3671 des dageraadsH7837, woondeH7931 ik aan het uitersteH319 der zeeH3220;
Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
KJV
If I take1
the wings2
of the morning,3
and dwell4
in the uttermost parts5
of the sea;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
OokH1571 daarH8033 zou Uw handH3027 mij geleidenH5148, en Uw rechterhandH3225 zou mij houdenH270.
Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
KJV
Even there shall thy hand3
lead4
me, and thy right hand6
shall hold
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Indien ik zeideH559: De duisternisH2822 zal mij immers bedekkenH7779; dan is de nachtH3915 een lichtH216 om mij.
Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
KJV
If I say,1
Surely the darkness3
shall cover4
me; even the night5
shall be light6
about me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
OokH1571 verduistertH2821 de duisternis voor U nietH3808; maar de nachtH3915 licht als de dagH3117; de duisternis is als het licht.
Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
Ook in dit vers
lichtH215
lichtH219
duisternisH2822
duisternisH2825
KJV
Yea, the darkness2
hideth4
not from thee; but the night6
shineth8
as the day:7
the darkness9
and the light
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantH3588 GijH859 bezitH7069 mijn nierenH3629; Gij hebt mij in mijner moedersH517 buikH990 bedektH5526.
Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
KJV
For thou hast possessed3
my reins:4
thou hast covered5
me in my mother's7
womb.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik loofH3034 U, omdatH3588 ik opH5921 een heel vreselijke wijzeH3372 wonderbaarlijkH6395 gemaakt ben; wonderlijkH6381 zijn Uw werkenH4639! ook weetH3045 het mijn zielH5315 zeerH3966 wel.
Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
KJV
I will praise1
thee; for I am fearfully4
and wonderfully made:5
marvellous6
are thy works;7
and that my soul8
knoweth9
right well.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Mijn gebeenteH6108 was voor U nietH3808 verholenH3582, als ik in het verborgeneH5643 gemaaktH6213 ben, en als een borduurselH7551 gewrocht ben, in de nederste delenH8482 der aardeH776.
Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
KJV
My substance3
was not hid2
from thee, when I was made6
in secret,7
and curiously wrought8
in the lowest parts9
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Uw ogenH5869 hebben mijn ongevormden klompH1564 gezienH7200; en alH3605 deze dingen waren in Uw boekH5612 geschrevenH3789, de dagenH3117 als zij geformeerdH3335 zouden worden, toen nog geen van die was.
Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
KJV
Thine eyes3
did see2
my substance, yet being unperfect;1
and in thy book5
all my members were written,7
which in continuance8
were fashioned,9
when as yet there was none
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Daarom, hoeH4100 kostelijkH3365 zijn mij, o GodH410, Uw gedachtenH7454! hoeH4100 machtig veelH6105 zijn haar sommenH7218!
Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
KJV
How precious3
also are thy thoughts4
unto me, O God!5
how great7
is the sum
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Zoude ik ze tellenH5608? Harer is meer, dan des zandsH2344; word ik wakkerH6974, zo ben ik nog bijH5973 U.
Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
KJV
If I should count1
them, they are more in number3
than the sand:2
when I awake,4
I am still
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
O GodH433! dat Gij den goddelozeH7563 ombrachtH6991! en gij, mannenH582 des bloedsH1818, wijktH5493 vanH4480 mij!
O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
KJV
Surely thou wilt slay2
the wicked,4
O God:3
depart7
from me therefore, ye bloody6
men.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DieH834 van U schandelijkH4209 sprekenH559, en Uw vijandenH6145 ijdellijkH7723 verheffenH5375.
Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
KJV
For they speak2
against thee wickedly,3
and thine enemies6
take4
thy name in vain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Zou ik nietH3808 hatenH8130 HEEREH3068! die U hatenH8130? en verdrietH6962 hebben in degenen, die tegen U opstaan?
Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
Ook in dit vers
tegen opstaanH8618
KJV
Do not I hate2
them, O LORD,3
that hate4
thee? and am not I grieved6
with those that rise up
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Ik haat hen met volkomenH8503 haat, tot vijandenH341 zijn zij mij.
Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
Ook in dit vers
haatH8130
haatH8135
KJV
I hate3
them with perfect1
hatred:2
I count them mine enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DoorgrondH2713 mij, o GodH410! en kenH3045 mijn hartH3824; beproefH974 mij, en kenH3045 mijn gedachtenH8312.
Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
KJV
Search1
me, O God,2
and know3
my heart:4
try5
me, and know6
my thoughts:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En zieH7200, ofH518 bij mij een schadelijkeH6090 wegH1870 zij; en leidH5148 mij op den eeuwigenH5769 wegH1870.
En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
KJV
And see1
if there be any wicked4
way3
in me, and lead6
me in the way7
everlasting.
voor den opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
voor den opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
Gij weet mijn zitten
De zin is: Al wat ik doe, hetzij ik stilzit, òf opsta, òf ga, Gij weet en ziet het al.
Hertaald:
Gij weet mijn zitten
De betekenis is: alles wat ik doe — of ik nu stilzit, opsta of ga — U weet en ziet het.
Gij verstaat van
Alsof hij zeide: Als de gedachten nog verre van mij zijn, eer ik ze zelf bedenk, zo weet Gij ze.
Hertaald:
Gij verstaat van
Alsof hij zei: terwijl de gedachten nog ver van mij zijn en voordat ik ze zelf bedenk, kent U ze al.
omringt mijn gaan
Anders: Gij want, dat is, Gij beproeft en onderzoekt het op het nauwst, gelijk Job 31:4 .
Hertaald:
omringt mijn gaan
Anders: U want, dat is: U beproeft en onderzoekt het op het nauwkeurigst, zoals Job 31:4.
Gij zijt al mijn
Dat is, Gij hebt kennis van al mijn doen en laten; Gij hebt het door gewoonte bevonden. Het is ene gelijkenis, genomen van de mensen, die door de ervarenheid en gewoonte kennis van een ding krijgen.
Hertaald:
Gij zijt al mijn
Dat is: U hebt kennis van al mijn doen en laten; U bent er door en door mee vertrouwd. Het is een vergelijking, ontleend aan mensen die door ervaring en gewoonte kennis van iets krijgen.
Als er nog
Dat is, eer ik spreek, zo weet Gij al wat ik zal zeggen, want Gij zijt een kenner des harten.
Hertaald:
Als er nog
Dat is: voordat ik spreek, weet U al wat ik zal zeggen, want U bent een Kenner van het hart.
Gij zet Uw hand
Dat is, Gij houdt uwe hand op mij, dat ik U niet ontlope; of opdat ik versta dat ik geheel aan uwe voorzienigheid hang.
Hertaald:
Gij zet Uw hand
Dat is: U houdt Uw hand op mij, zodat ik U niet kan ontlopen; of opdat ik zou begrijpen dat ik geheel van Uw voorzienigheid afhang.
De kennis is mij
Te weten, die kennis, met welke Gij alles weet.
Hertaald:
De kennis is mij
Namelijk: de kennis waarmee U alles weet.
ik kan er niet
Te weten, om die te bereiken of te begrijpen.
Hertaald:
ik kan er niet
Namelijk: om die te bereiken of te bevatten.
Waar zou ik heengaan
Dewijl God overal is, zo kan men Hem niet ontvluchten, of ontvlieden.
Hertaald:
Waar zou ik heengaan
Omdat God overal is, kan men Hem niet ontvluchten of ontkomen.
in de hel,
Zie de aantekening bij Job 26:6 .
Hertaald:
in de hel,
Zie de aantekening bij Job 26:6.
vleugelen
Aldus worden de stralen der opgaande zon genaamd, omdat zij snellijk de gehele lucht als doorvliegen. De profeet wil zeggen: Indien ik in een ogenblik vloog tot de allerverst gelegen plaatsen, gelijk de opgaande zon doet.
Hertaald:
vleugelen
Zo worden de stralen van de opgaande zon genoemd, omdat zij als het ware snel door de hele lucht heen vliegen. De profeet wil zeggen: als ik in een ogenblik naar de allerverste plaatsen vloog, zoals de opgaande zon doet.
aan het uiterste
Dat is, aan het uiterste einde der wereld; gelijk Ps. 65:6 , en Ps. 72:8 ; Jes. 24:14 .
Hertaald:
aan het uiterste
Dat is: aan het uiterste einde van de wereld, zoals Ps. 65:6, en Ps. 72:8; Jes. 24:14.
Ook daar zou Uw
Daar zou ik ook aan uwe goddelijke bestiering en regering onderwerpen zijn.
Hertaald:
Ook daar zou Uw
Ook daar zou ik aan Uw goddelijke besturing en regering onderworpen zijn.
houden
Of, grijpen.
Hertaald:
houden
Of: grijpen.
bedekken; dan
Te weten, alzo dat God mij niet vinden zou. Hebr. eigenlijk, vertreden.
Hertaald:
bedekken; dan
Namelijk zó, dat God mij niet zou vinden. Hebreeuws letterlijk: vertreden.
is de nacht een
Dat is, ik zal voor uwe ogen zo weinig verborgen zijn, alsof het klaar dag ware. Verg. Job 26:6 , en Hebr. 4:13 .
Hertaald:
is de nacht een
Dat is: ik zal voor Uw ogen even weinig verborgen zijn als wanneer het klaarlichte dag was. Vergelijk Job 26:6, en Hebr. 4:13.
verduistert
Dat is, verbergt en bedekt. Verg. Job 34:22 ; Jer. 23:24 .
Hertaald:
verduistert
Dat is: verbergt en bedekt. Vergelijk Job 34:22; Jer. 23:24.
de duisternis is als
Hebr. gelijk de duisternis, gelijk het licht.
Hertaald:
de duisternis is als
Hebreeuws: gelijk de duisternis, gelijk het licht.
Gij bezit mijn
Dat is, Gij hebt mijne nieren in uwe macht, Gij regeert ze.
Hertaald:
Gij bezit mijn
Dat is: U hebt mijn nieren in Uw macht, U regeert ze.
nieren; Gij
Dat is, genegenheden, gunsten. Zie de aantekening bij Job 19:27 .
Hertaald:
nieren; Gij
Dat is: genegenheden, neigingen. Zie de aantekening bij Job 19:27.
bedekt
Te weten, met vel, of blaas, waar de kinderen in bewonden liggen in hunner moeder lichaam, dat is, van dien tijd af dat ik in mijner moeder lichaam ontvangen ben.
Hertaald:
bedekt
Namelijk: met het vlies of de vruchtzak waarin de kinderen in het lichaam van hun moeder gewikkeld liggen; dat is: vanaf het moment dat ik in mijn moeders lichaam ontvangen ben.
wonderlijk zijn
Anders:[ door ] uw wonderlijke werken.
Hertaald:
wonderlijk zijn
Anders: door Uw wonderlijke werken.
als een borduursel
Dat is, zeer kunstiglijk; namelijk met zenuwen, aderen, pezen en andere gedeelten des lichaams, gelijk een borduurwerker veel stukjes en draadjes van verscheidene verven kunstig en aardig aan elkander voegt, alzo dat er een schoon beeld of ander fraai werk van komt.
Hertaald:
als een borduursel
Dat is: zeer kunstig, namelijk met zenuwen, aderen, pezen en andere lichaamsdelen; zoals een borduurwerker veel stukjes en draadjes van verschillende kleuren kunstig en fraai aan elkaar voegt, zodat er een mooi beeld of ander sierlijk werk uit ontstaat.
nederste delen
Alzo noemt hij de barmoeder, waar de vrucht in geformeerd wordt, of den eersten oorsprong der mensen, Gen. 2:7 . Of hij vergelijkt de baarmoeder bij een graf, waarin de mens vóór de geboorte gelijk begraven ligt. Of men kan verstaan door de nederste delen der aarde, dat hij op de aarde geformeerd is, welke het benedenste deel van de wereld is. Verg. Ef. 4:9 .
Hertaald:
nederste delen
Zo noemt hij de baarmoeder, waarin de vrucht gevormd wordt, of de eerste oorsprong van de mensen, Gen. 2:7. Of hij vergelijkt de baarmoeder met een graf, waarin de mens vóór zijn geboorte als begraven ligt. Of men kan onder de onderste delen van de aarde verstaan dat hij op de aarde gevormd is, die het onderste deel van de wereld is. Vergelijk Ef. 4:9.
mijn ongevormden klomp
Dat is, wanneer ik allereerst in mijner moeder lijf ben opgezet geworden, en toen het zaad, waaruit ik voortgekomen ben, een kluwen garen gelijk was, ineengewonden of gewikkeld. Anders, mijn ongevormde substantie, klonter, of embryo. Zie Job 10:10 .
Hertaald:
mijn ongevormden klomp
Dat is: toen ik pas in mijn moeders lichaam ontstaan was, en toen het zaad waaruit ik voortgekomen ben nog leek op een kluwen garen, ineengewonden of gewikkeld. Anders: mijn ongevormde substantie, klont of embryo. Zie Job 10:10.
al deze dingen
Te weten, al mijne leden in dat kluwen en embryo begrepen.
Hertaald:
al deze dingen
Namelijk: al mijn ledematen, die in dat kluwen en embryo besloten lagen.
waren in Uw boek
Dat is, Gij gaaft goede achting op alles wat tot mijne schepping diende; of Gij hebt zowel geweten wat mij wedervaren zou, alsof het voor uwe ogen in een boek geschreven stond; te weten, in het boek van de gedachtenissen uwer voorzienige regering.
Hertaald:
waren in Uw boek
Dat is: U lette nauwkeurig op alles wat tot mijn schepping diende; of: U hebt even goed geweten wat mij zou overkomen alsof het voor Uw ogen in een boek geschreven stond, namelijk in het boek van de gedachtenis van Uw voorzienige regering.
toen nog geen van
De psalmist wil zeggen dat God al de delen van zijn lichaam geweten heeft, niet alleen toen zij zijn geformeerd geworden, maar van eeuwigheid. Hij roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, zegt de apostel, Rom. 4:17 .
Hertaald:
toen nog geen van
De psalmdichter wil zeggen dat God alle delen van zijn lichaam gekend heeft, niet alleen toen zij gevormd werden, maar van eeuwigheid af. Hij roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, zegt de apostel, Rom. 4:17.
hoe kostelijk
Dat is, hoe onbegrijpelijk is mij uw voorzienige zorg en regering, waardoor Gij alle dingen in uw eeuwigen raad verordineerd en besloten hebt hoe zij geschieden zullen; Ps. 40:6 ; Job 26:14 .
Hertaald:
hoe kostelijk
Dat is: hoe onbegrijpelijk zijn voor mij Uw voorzienige zorg en regering, waardoor U in Uw eeuwige raad alle dingen verordend en besloten hebt zoals zij gebeuren zullen; Ps. 40:6; Job 26:14.
haar sommen
Hebr. hare hoofden. Zie de aantekening bij Num. 1:2
Hertaald:
haar sommen
Hebreeuws: hun hoofden. Zie de aantekening bij Num. 1:2.
word ik wakker,
Dat is, wanneer ik des morgens ontwaak en uwe werken doorgaans betracht, zo kom ik evenwel niet ten einde, maar blijf altijd bezig met de overlegging derzelfve. Ik ben en blijf met mijne gedachten steeds bij U.
Hertaald:
word ik wakker,
Dat is: wanneer ik 's morgens ontwaak en Uw werken doorlopend overdenk, kom ik er toch niet mee aan het einde, maar blijf ik er altijd mee bezig. Ik ben en blijf met mijn gedachten steeds bij U.
gij, mannen des
Heb [ mannen der bloeden ]; dat is, die het bloed der onschuldigen zeer wredelijk vergieten. Zie Ps. 5:7 .
Hertaald:
gij, mannen des
Hebreeuws: mannen van de bloeden; dat is: die het bloed van de onschuldigen zeer wreed vergieten. Zie Ps. 5:7.
van U
Anders, tegen U, te weten: O God, en van of tegen allen, die U beminnen.
Hertaald:
van U
Anders: tegen U, namelijk o God, en van of tegen allen die U liefhebben.
schandelijk
Of, lasterlijk, arglistiglijk.
Hertaald:
schandelijk
Of: lasterlijk, arglistig.
Uw vijanden
De zin is: Zij doen niet alleen zelf kwaad, maar zij verheffen en brengen ook tot staat andere booswichten.
Hertaald:
Uw vijanden
De betekenis is: zij doen niet alleen zelf kwaad, maar zij verheffen ook andere booswichten en brengen hen tot aanzien.
verdriet hebben
Of, walg hebben, of een afkeer hebben, of gruwelen.
Hertaald:
verdriet hebben
Of: walgen, of een afkeer hebben, of gruwen.
met volkomen haat,
Hebr. met volmaaktheid des haats.
Hertaald:
met volkomen haat,
Hebreeuws: met volmaaktheid van haat.
tot vijanden
Dat is, ik houd hen voor mijne vijanden.
Hertaald:
tot vijanden
Dat is: ik houd hen voor mijn vijanden.
een schadelijke
Of, een smartelijke, of overlastige weg; dat is, of ik den loop mijns levens zet om anderen schade en overlast te doen. Anderen verstaan hier door den schadelijke weg den weg of genegenheid tot afgoderij, omdat het woord afgoden zijn oorsprong heeft van het woord, dat hier gebruikt wordt. Ps. 16:4 .
Hertaald:
een schadelijke
Of: een smartelijke of overlastige weg; dat is: of ik de loop van mijn leven inricht om anderen schade en overlast te doen. Anderen verstaan hier onder de schadelijke weg de weg of neiging tot afgoderij, omdat het woord afgoden afgeleid is van het woord dat hier gebruikt wordt. Ps. 16:4.
op den eeuwigen weg
Hebr. op den weg der eeuwigheid; dat is, die in eeuwigheid bestaan kan, of op den weg, die mij leidt in het eeuwige leven. Of, op den ouden weg. Verg. Jer. 6:16 , en Jer. 18:15 .
Hertaald:
op den eeuwigen weg
Hebreeuws: op de weg van de eeuwigheid; dat is: die in eeuwigheid kan bestaan, of: op de weg die mij naar het eeuwige leven leidt. Of: op de oude weg. Vergelijk Jer. 6:16, en Jer. 18:15. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "HEERE! Gij doorgrondt en kent mij" (Ps. 139:1). Wat daarop volgt is een opsomming van het gewoonste: "Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten" (Ps. 139:2). Ook het gaan en het liggen worden genoemd (Ps. 139:3). En dan gaat het verder dan wat een mens al gedaan heeft: "Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles" (Ps. 139:4). Het beeld van Ps. 139:5 is dat van iemand die ingesloten wordt: "Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij". De dichter kan er niet bij: "De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij" (Ps. 139:6). Bijbelse betekenis: Het opvallende is waarmee de opsomming begint: zitten en opstaan, gaan en liggen. Niet de grote daden maar de gewoonste bewegingen van een dag zijn bij God bekend. Merk op wat er in Ps. 139:4 staat. Het woord is nog niet gesproken en God kent het al; dat gaat verder dan alwetendheid over feiten en raakt aan wat in een mens leeft. Let ten slotte op de reactie in Ps. 139:6. Er staat geen schrik maar verwondering; deze kennis wordt hier niet als bedreiging ervaren maar als iets wat te hoog is om te bevatten. Typologie: De Hebreeënbrief zegt hetzelfde over het Woord Gods en over Hem met Wie wij te doen hebben (reeds behandeld bij Hebr. 4:13). Ps. 139:1-6; Hebr. 4:13 "Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?" (Ps. 139:7). De dichter noemt vervolgens de uitersten die hij bedenken kan. De hoogte en de diepte: "Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar" (Ps. 139:8). De verste afstand: "Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee" (Ps. 139:9). En het antwoord blijft hetzelfde: "Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden" (Ps. 139:10). Dan de duisternis: "Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij" (Ps. 139:11), want "de duisternis is als het licht" (Ps. 139:12). Bijbelse betekenis: De vraag wordt gesteld als van iemand die zou willen vluchten, en juist daarom is het antwoord zo troostrijk. Overal waar hij komt, is God er niet alleen aanwezig maar handelend: Zijn hand leidt en Zijn rechterhand houdt vast (Ps. 139:10). Merk op dat de duisternis apart genoemd wordt. Wie zich verbergen wil, zoekt het donker, en juist daar houdt het onderscheid op. Voor de een is dat een ontdekking, voor de ander een troost. Let ten slotte op de plaats van dit gedeelte tussen de andere twee. Het staat tussen Gods kennen en Gods maken in; wie zo gekend en gemaakt is, kan nergens buiten Hem terechtkomen. Typologie: Paulus zegt in Athene dat God niet ver is van een ieder van ons (Hand. 17:27). Ps. 139:7-12; Hand. 17:27 "Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt" (Ps. 139:13). Dan volgt de lofzegging: "Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken!" (Ps. 139:14). Het woord vreselijk betekent hier ontzagwekkend. Het maken gebeurde in het verborgen: "Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben" (Ps. 139:15). En dan het vers dat het verst gaat: "Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was" (Ps. 139:16). Het gedeelte eindigt in verwondering over Gods gedachten, die talrijker zijn dan het zand (Ps. 139:17-18). Bijbelse betekenis: De psalm spreekt over het begin van een leven als over een werk van God zelf, en zij doet dat in de eerste persoon: ik ben gemaakt. Merk op het beeld van het borduursel (Ps. 139:15). Een borduurwerk wordt van de achterkant gemaakt, waar het er warrig uitziet, en pas aan de voorkant blijkt het patroon. Zo werd de mens in het verborgene gemaakt. Let ook op Ps. 139:16. Niet alleen het lichaam maar ook de dagen waren geschreven voordat er één van bestond. Dat is een van de sterkste woorden van de Schrift over Gods voorzienigheid met een mensenleven. En let op de toon van het geheel. Er wordt niet uitgelegd hoe het werkt; er wordt geloofd en geloofd wordt er gedankt. Typologie: God zei tot Jeremia: "Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend" (Jer. 1:5). En Paulus noemt de gemeente Gods maaksel (reeds behandeld bij Ef. 2:10). Ps. 139:13-18; Jer. 1:5; Ef. 2:10 Onverwacht slaat de toon om: "O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!" (Ps. 139:19). Er staat bij om wie het gaat: zij die schandelijk van God spreken (Ps. 139:20). En dan de vragen: "Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat" (Ps. 139:21-22). Maar de psalm eindigt niet daar. Het laatste woord is een gebed over hemzelf: "Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg" (Ps. 139:23-24). Bijbelse betekenis: Deze verzen horen bij dezelfde soort als de andere beden om oordeel, en het register leest ze zo (reeds behandeld bij Ps. 69:23). Er wordt niets in eigen hand genomen; de zaak wordt aan God voorgelegd. Merk op wie er gehaat worden: niet wie de dichter kwaad deden, maar wie God zelf haten (Ps. 139:21). Toch is juist het slot beslissend voor het gebruik van dit gedeelte. Wie zojuist over anderen sprak, vraagt nu of God hém wil doorgronden; hetzelfde werkwoord waarmee de psalm begon, keert hier terug als bede. Daarmee wordt het oordeel dat over anderen werd uitgesproken op de bidder zelf gericht. Let ten slotte op de laatste vraag: leid mij op de eeuwige weg. Zo eindigt de psalm niet bij de vijanden maar bij zijn eigen hart. Typologie: Paulus laat het oordeel over zichzelf aan de Heere over: "Die mij oordeelt, is de Heere" (1 Kor. 4:4). Ps. 139:19-24; Ps. 139:1; Ps. 69:23; 1 Kor. 4:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking David begint niet met wat hij van God weet maar met wat God van hem weet: HEERE, Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachte. Er is geen plaats waar een mens buiten Gods bereik komt — en David eindigt met de vraag of God hem alsjeblieft wil doorgronden. Het eerste deel gaat over kennen. Er is geen woord op mijn tong of, zie, HEERE, Gij weet het alles. Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij. De reactie is eerlijk: de kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. Het tweede deel gaat over ontkomen, en David probeert alle richtingen. Omhoog: voer ik op ten hemel, Gij zijt daar. Omlaag: bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Naar het uiterste westen: nam ik vleugelen des dageraads, en woonde aan het uiterste der zee — ook daar zou Uw hand mij geleiden. En dan het donker: zeide ik, de duisternis zal mij immers bedekken — maar de duisternis maakt bij U niet duister, de nacht licht als de dag. Vier uitwegen, en geen ervan werkt. En let op de toon: het is geen dreigement maar troost. Uw rechterhand zou mij houden. Het derde deel gaat over de tijd vóór hij bestond. Gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt. Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien. De kanttekening legt dat uit als het begin van het leven in de moederschoot, en zij zegt bij het boek dat genoemd wordt: U lette nauwkeurig op alles wat tot mijn schepping diende, alsof het voor Uw ogen in een boek geschreven stond. De psalm had kunnen eindigen met verwondering. In plaats daarvan eindigt hij met een verzoek dat na alles wat eraan voorafging bijna moedig is: doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg. Hij vraagt dus om precies dat onderzoek waarvan hij zojuist heeft vastgesteld dat er niets aan ontkomt. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 4:12-13; Johannes 2:24-25; Openbaring 2:23; Handelingen 17:27-28 Hoever dit reikt: Niveau 3. De psalm spreekt over God en noemt Christus niet; het Nieuwe Testament haalt haar niet aan. De lijn loopt over de zaak: de doorgronding waar niemand aan ontkomt, en die in de evangeliën van Christus zelf gezegd wordt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas HEERE, U doorgrondt en kent mij. Psalm 139:1 God heeft één dag in de week speciaal gemaakt om anders te zijn dan de andere dagen. Op deze dag… Hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten. Psalm 139:17 God denkt altijd aan jou. Hij keert Zijn gedachten nooit van je af, maar houdt je altijd voor ogen. En… En ook uwe haren des hoofds zijn allen geteld. Matt. 10:30 Met wat voor liefdevolle zorg denkt de Here Jezus aan onze vrees! Hij wist, dat zijn volk… Maar als Hij tegen iemand is, wie zal Hem er dan van afbrengen? Wat Zijn ziel verlangt, dat zal Hij doen. (Job 23:13) Lees verder Handelingen 4:23—31. Het is… Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Psalm 139:8 Het belangrijkste deel van het leven van… 19 O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij! 20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen. 21 Zou ik… 13 Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. 14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk… 7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? 8 Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij. 2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten. 3 Gij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten. Psalm 139:17 Gods alwetendheid biedt geen troost aan de goddeloze, maar voor Gods… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 139
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Waar zou ik heengaan voor Uw Geest? — 139:1-24
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
God kent je
Kostbare gedachten
Matt. 10:30 - De getelde haren
Wie zal Hem er van afbrengen?
Gij zijt daar
Psalm 139:19-24
Psalm 139:13-18
Psalm 139:7-12
Psalm 139:1-6
Hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten


Psalmen 139
Dit is een psalm die wij nooit te vaak kunnen lezen. Hij zal ons een van de grootste waarborgen tegen de zonde zijn, als wij zijn onderwijs bestendig voor ogen houden. En het onderwijs van deze psalm is eenvoudig dit: U, God, ziet mij.
Meer dan een psalm óver de alwetendheid maakt David er een persoonlijke toepassing van de algemene waarheid. Hij spreekt niet over Gods kennis van andere mensen, maar hij spreekt tot God over zichzelf.
Psalmen 139:1.KruisverwijzingenJeremia 12:3→Psalmen 17:3→Psalmen 44:21→Hebreeën 4:13→1 Koningen 8:39→Psalmen 139:23→Jeremia 17:9→1 Kronieken 28:9→
— Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
“U hebt mij doorzocht zoals mensen in mijnen graven en ondergrondse uitgravingen maken. U hebt in mijn verborgen delen gezocht en mij gekend.” U hebt niet gezocht en het geheim van mijn natuur toch niet kunnen ontdekken, maar U hebt mij doorgrond en gekend.
Psalmen 139:2.KruisverwijzingenMattheüs 9:4→2 Koningen 19:27→Psalmen 94:11→Spreuken 15:3→Johannes 2:24→Ezechiël 38:10→Psalmen 56:8→2 Koningen 6:12→
— Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Mijn eenvoudigste daden, die ik nauwelijks tevoren bedacht. Het is gewoon genoeg om te gaan zitten en op te staan, en ik weet zelf vaak nauwelijks waarom ik het een of het ander doe; maar U weet en verstaat het alles.
“Voordat ik het denk, terwijl ik het denk, en wanneer ik het vergeet, verstaat U elke gedachte van mij.” Mijn hart vormt een gedachte die nooit tot een woord of een daad komt, en toch bemerkt U haar niet alleen maar verstaat U haar.
Psalmen 139:3.KruisverwijzingenJob 31:4→Jeremia 23:24→Spreuken 5:20→Prediker 12:14→Jesaja 29:15→Handelingen 5:3→2 Samuël 12:9→Job 14:16→
— Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
U omringt mij, zodat ik geheel onder Uw waarneming ben. Mijn zwerven en mijn rusten zijn U beide bekend; mijn gewoonten en de uitzonderingen op mijn gewoonten zijn U alle bekend. Ik ben door U omringd als door een ring van waarnemers.
Psalmen 139:4.KruisverwijzingenJob 8:2→Psalmen 50:19→Jakobus 1:26→Job 42:3→Hebreeën 4:12→Sefanja 1:12→Mattheüs 12:35→Job 42:6→
— Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
Wanneer het nog op mijn tong ligt en niet uitgesproken is, als een zaad dat gezaaid en verborgen is en nog niet ontsproten — dan weet U het, o Jehova, alles. Niet alleen de woorden óp mijn tong, maar die in mijn tong sluimeren, de onuitgesproken woorden: U kent ze volkomen.
Psalmen 139:5.KruisverwijzingenDeuteronomium 33:27→Job 9:33→Job 23:8→Exodus 24:11→Openbaring 1:17→Psalmen 34:7→
— Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
“Ik ben als een gevangene, met wachters voor mij en achter mij, en de hand van de gerechtsdienaar al die tijd op mijn schouder. U hebt mij gearresteerd, o HEERE; ik kan nooit van U wegkomen.”
Uw tegenwoordigheid komt neer op werkelijke aanraking. U ziet niet alleen, maar U raakt aan, zoals de geneesheer die niet enkel naar de wond kijkt maar haar te zijner tijd komt onderzoeken. Zo onderzoekt U mijn wonden en ziet U de diepten van mijn zonden.
Psalmen 139:6-7.KruisverwijzingenRomeinen 11:33→Job 42:3→Jona 1:3→Psalmen 40:5→Job 26:14→Spreuken 30:2→Job 11:7→Jeremia 23:23→
— De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
“Ik geloof het, maar ik kan het niet verstaan; zelfs mijn verbeelding kan het mij niet voorstellen.” Het lijkt alsof de eerste ingeving was weg te vluchten van een God wiens eigenschappen zo verheven waren. Het was maar een vluchtige indruk, en toch verwoordt David hem zo.
Psalmen 139:8.KruisverwijzingenJob 26:6→Spreuken 15:11→Amos 9:2→Jona 2:2→Obadja 1:4→Ezechiël 28:12→Job 34:21→
— Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
“De verschrikking van die plaats van weedom, in het land van de schaduw des doods en de duisternis — U leeft, terwijl al het andere dood is. Maakte ik mijn verblijf in het graf, U bent daar.”
Psalmen 139:9-10.KruisverwijzingenPsalmen 23:3→Psalmen 63:8→Maleachi 4:2→Psalmen 143:9→Psalmen 73:23→Jesaja 41:13→Psalmen 19:6→Psalmen 18:10→
— Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee; Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
“Zou de adem van de morgenbries mij ver wegvoeren over de wegloze zee, dan bent U daar voor mij; reisde ik op een straal van licht, dan bent U sneller dan de zonnestraal: ook daar zou Uw hand mij leiden.” De eenzame zendeling in de verste delen van de aarde wordt door God geleid.
Hoe snel hij zijn vlucht ook onderstelt, zo snel als het licht, want hij leent de vleugels van de morgenstond — en toch bestuurde de hand van God zijn lot zelfs toen.
Psalmen 139:11-12.KruisverwijzingenJob 34:22→Daniël 2:22→Job 12:22→Jeremia 23:24→Psalmen 94:7→Job 22:12→Jesaja 29:15→Psalmen 10:11→
— Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
Het is niet te bedenken dat God het licht nodig zou hebben om te zien. Hij kan even goed zien in de schaduwen van de middernacht als in de gloed van de middag. Laat niemand menen dat hij in het verborgen zondigen mag omdat hij door geen mensenoog gezien wordt: Gods oog is in het duister even goed op hem als in het licht.
Psalmen 139:13-16.KruisverwijzingenGenesis 1:26→Jeremia 1:5→Psalmen 104:24→Psalmen 40:5→Psalmen 119:73→Job 5:9→Psalmen 92:4→Psalmen 111:2→
— Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Hij was geen agnost; hij heeft er nooit van gedroomd een weet-niets te zijn. En het is een verborgenheid boven alle verborgenheden, en nog wonderlijker: U hebt niet alleen gadegeslagen, maar U hebt altijd gadegeslagen; en U hebt niet alleen mijn welgevormde wezen en mijn zichtbare leven gadegeslagen, maar voordat ik een wezen had zag U wat ik zou zijn.
Zo levendig bezingt onze heilige dichter de alwetendheid van God ten aanzien van onze schepping. Voordat wij adem hadden, vormde en maakte Hij ons.
Psalmen 139:17.KruisverwijzingenPsalmen 40:5→Jesaja 55:8→Jeremia 29:11→Psalmen 31:19→Efeze 3:9→Psalmen 92:5→Spreuken 8:31→Psalmen 36:7→
— Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
Hoe zoet is het door God gedacht te worden! Hoe verrukkelijk en hoe bemoedigend het blijvende voorwerp van de gedachten van de HEERE te zijn! De psalmist zegt ons niet hoe kostelijk Gods gedachten zijn, maar hij zet er een uitroepteken bij. Hoeveel gedachten heeft God jegens ons! Wij kunnen ze niet tellen; en hoe vriendelijk zijn die gedachten — wij kunnen ze niet schatten.
Psalmen 139:18.KruisverwijzingenPsalmen 3:5→Psalmen 139:3→Psalmen 40:12→Psalmen 63:6→Jesaja 26:19→Psalmen 16:8→Psalmen 40:5→1 Thessalonicenzen 5:10→
— Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
“U hebt aan mij gedacht toen ik sliep, en wanneer ik ontwaak, denk ik aan U.” Gelukkig leven, gelukkig sterven, om te gevoelen dat wij, als wij op aarde nooit meer ontwaken, met Gód ontwaken zullen!
Ik veronderstel dat ik het verhaal voltooid had en al Uw gedachten aan mij geteld had, en toen in slaap viel. Dan zou ik weer bij het begin moeten beginnen te tellen, want U blijft barmhartigheden uit Uw hand uitstoten. Mijn God, mijn tellen zal U nooit inhalen, en mijn dankbaarheid nog veel minder.
Psalmen 139:19.KruisverwijzingenJesaja 11:4→Psalmen 5:6→Psalmen 119:115→Psalmen 6:8→Psalmen 9:17→Psalmen 94:23→Psalmen 55:23→Mattheüs 25:41→
— O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
“Zeker” — hier is een ernstige gevolgtrekking uit de alwetendheid van God. U hebt hun goddeloosheid gezien; zij hebben hun goddeloosheid in Uw tegenwoordigheid bedreven. U zult geen getuigen nodig hebben en geen jury; U bent alles in één. Bent U niet de Rechter van heel de aarde?
Psalmen 139:20-22.KruisverwijzingenJudas 1:15→Psalmen 119:158→Exodus 20:7→2 Kronieken 19:2→Psalmen 31:6→Psalmen 73:8→Psalmen 2:1→Psalmen 74:18→
— Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen. Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
Wij zijn gehouden onze éigen vijanden lief te hebben, maar niet Gods vijanden; want zij zijn haters van al wat goed is en al wat waar is, en van de wezenlijk Goede zelf. Wij hebben hen lief als onze medemensen, maar wij haten hen als haters van God.
Psalmen 139:23-24.KruisverwijzingenPsalmen 26:2→Job 31:6→Spreuken 17:3→1 Petrus 1:7→Zacharia 13:9→Deuteronomium 8:2→Psalmen 143:10→Psalmen 5:8→
— Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
Zo eindigt de psalm waar hij begon, maar nu als bede: doorgrond mij, o God, en ken mijn hart. Wie weet dat God hem ziet, vraagt Hem ten laatste zelf om dat doorzien — en om geleid te worden op de eeuwige weg.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David, voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1. 2 Samuel 23: 7 ). Dat de Psalm niet bij toeval naast den vorigen zijne plaats heeft verkregen, dat hij integendeel ook wat den inhoud betreft, bij dien behoort, blijkt (afgezien van het “van verre” in vs 2 vgl. Ps 138: 6) het best uit de overeenkomst aan het “leid mij op den eeuwigen weg” aan het slot van dezen Psalm, met het: “Uwe goedertierenheid Heere! is in eeuwigheid” aan het slot aan Psalm 138. De vorige Psalm prijst den Heere wegens de belofte van eeuwigen zegen, dien Hij David schenkt; hier treedt David, die zich overal diep doordrongen betoont door de erkentenis, dat slechts de gerechtige het heil kan deelachtig worden, voor den Heere, en betuigt voor Hem, den Hartekenner, dat hij niet door eigene schuld de belofte krachteloos heeft gemaakt. Daarmee wil hij ene indirecte vermaning richten tot zijne opvolgers op den troon en tevens aan het volk, welks heersende geest door deze wordt vertegenwoordigd, namelijk de volgende: des Heeren goedertierenheid duurt eeuwig, maar wacht u dat gij gene zonde inwilligt, noch tegen Gods gebod handelt; want slechts dan, wanneer gij u getroost aan de beproeving des Alwetenden kunt onderwerpen, moogt gij hopen deel te hebben aan Zijn heil; wanneer gij daarentegen boos zijt, zult gij de straffende hand des Alomtegenwoordigen niet ontvlieden.
De Psalm is wat de theologie betreft, een van den rijksten inhoud, wat inhoud en dichterlijke waarde aangaat David volkomen waardig.
I. Vs. 1-6.KruisverwijzingenJeremia 12:3→Psalmen 17:3→Psalmen 44:21→Romeinen 11:33→Hebreeën 4:13→1 Koningen 8:39→Psalmen 139:23→Jeremia 17:9→
— Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten. Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend. Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles. Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij. De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
De heilige zanger weet, dat hij door God, den Alwetende, tot in zijn binnenste wordt doorzien, door Hem wordt gekend in al Zijne toestanden, in alle ontberingen van zijn geestelijk zieleleven, door Hem omgeven en beperkt in al zijn doen en voornemen. God is niet alleen een toeschouwer en bestendig getuige van zijn leven -neen, bij Gods alziend oog behoort ook een albesturende hand, aan welke zich een mens nooit kan onttrekken. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij (Psalm 7: 10). David zegt niet: “Gij doorgrondt alle mensen,” maar “Gij doorgrondt mij,” en dat is de zaak, waarop alles aankomt, waarvan alle zekerheid uitgaat. Want hoe waar dat ook op zichzelven is, en hoe na het schijnt te liggen voor persoonlijke toepassing, zo toont toch de ervaring het tegendeel aan; men denkt aan allen, maar niet aan zichzelven, men weet de waarheid, maar men bedenkt ze niet. Eerst wanneer het persoonlijke leven, het eigen hart onder het brandpunt van den straal der Goddelijke waarheid is gekomen en weet door het licht Gods gevonden te zijn, ontwikkelt de waarheid hare merg en been doordringende kracht, wordt de kennis van God tot waarachtige zelfkennis.
Wat voor den mens als zodanig ene oorzaak is van verschrikking; de alomtegenwoordigheid van een heilig God, dat is door de genade van Christus ene uitnemende oorzaak van troost voor den Christen. David beroept zich op Gods alwetendheid. Hij schroomt de proef niet, want hij weet, dat God gene heiligheid maar oprechtheid in den begenadigden zondaar zoekt. Ook wij moeten ons voor God stellen met al onze ellende. Wij moeten niet alleen in enkele bewoordingen Hem onzen toestand bekend maken, maar Hem in eens ons gehele hart openen, opdat Hij als het ware zie al wat er in ons hart is.
Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijne gedachten, reeds lang voordat zij in mij opkomen (Jer. 17: 10).
Gij omringt 1) mijn gaan en mijn liggen, Gij omringt mij met Uwe alwetendheid, zodat ik mij aan Uwe ogen niet kan onttrekken, en Gij zijt al mijne wegen gewend, Gij kent ze zo volkomen, dat Gij er geheel gemeenzaam mede zijt.
Het woord in den grondtekst betekent in de eerste plaats wannen. En nu is wannen niet anders dan al wat gedorst is, aan den wind blootstellen, om te onderzoeken wat kaf is en wat koren. En van daar heeft het de betekenis van onderzoeken, zo onderzoeken, dat men iets tot op den diepsten bodem leert kennen. In dien zin spreekt de dichter hier ook van God. God omringt hem, God kent zijn liggen en zijn opstaan. Met Zijn alwetenden, onderzoekenden blik onderscheidt Hij, wat kaf en wat koren is, onderzoekt Hij hem tot op den boden zijner ziele.
Als er nog geen woord op mijne tong is, zie HEERE! Gij weet het alles.
Gij bezet mij van achteren en van voren, aan alle zijden zijt Gij tegenwoordig, zodat niets Uw oog ontgaat, maar Gij alles ter harte neemt, en Gij zet Uwe hand op mij 1), zodat ik mij niet kan roeren of bewegen, tenzij Gij het mij toelaat (Hand. 17: 28).
God weet alles van den mens, want Hij houdt hem van alle kanten ingesloten, en de mens vermag niets, wanneer God, Wiens beperkende hand hij op zich heeft liggen, hem niet de vrijheid geeft, die hij nodig heeft, om zich te bewegen.
De kennis van zulk enen God, die alwetend is, die alles doorgrond en bevat, is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij1), kan haar niet begrijpen, maar sta in aanbiddende bewondering er bij (Rom. 11: 33).
David nu willende vervolgen, wat hij tot hiertoe heeft gezegd, roept uit, dat zij verkeerd en dwaas doen, die de kennis Gods naar hun maatstaf willen meten, wanneer deze zo verwonderlijk boven ons begrip uitblinkt. David bekent, dat de kennis Gods voor hem niet te vatten is, alsof hij zei, dat hij door geen woorden kon uitdrukken, wat hij over Hem heeft gezegd, dat voor God als het ware niets verborgen is, dat er van deze kennis geen maat is en er gene grenzen aan zijn. Er bleef dan voor hem niets over, dan, zijne zwakheid bewust, die zo grote hoogte eerbiediglijk te erkennen.
Wat in de uren der rust en der werkzaamheid in den mens omgaat, de gedachte, vóórdat zij nog ontwikkeld is, het woord, wanneer het zich nauwelijks op den tong gevormd heeft, is Gode bekend. Ja, Hij is een Wezen, dat al Zijne schepselen omvat. Zo min een mens onder het deksel des hemels kan weglopen, zodat dit niet meer over hem ware, zo min kan hij zich aan zijnen God onttrekken, en met deze gedachte staat de zanger reeds bij de alomtegenwoordigheid. Maar wie kan dien Geest omvatten en begrijpen, door welken hij zelf omringd en omgeven wordt?. Begrijpen kunnen wij God niet, alles is wonder en geheim; maar aangrijpen kunnen wij, wat Hij tot ons heil heeft doen worden, en wat Hij ons bekend maakt en mededeelt.
Hoe meer de Geest Gods in den mens Gods diepten onderzoekt, des te meer belijdt de mens de oneindige grootheid Gods als boven ons begrip verheven. Het kennen Gods is het erkennen van Hem als Jehova, den alleen Zijnde, die niet te noemen is. Aardse zaken verdeelt men om elk der bestanddelen in ‘t bijzonder te beschouwen. Gaat Gods heerlijkheden, Zijne deugden, Zijne axiomata, gelijk de Schrift ze noemt, na, dat waardoor God alleen God is, en zonder hetwelk Hij het niet zijn zou, en elke is wederom onbegrijpelijk. Zo gij meendet ene van die te kunnen begrijpen, hetzij Zijne wetenschap, of macht, of eenheid, gij hadt slechts dat axioma verlaagd, vermenselijkt, u een Gode onwaardig begrip daarvan gemaakt. Het eerste kenmerk van ene ware gedachte Gods is het verheven, bovenmenselijk begrip, daarom omdat alles in God oneindig is en wij kleinen van verstand ons niets kunnen voorstellen dan met de grenzen van ruimte en tijd. God is groot en wij begrijpen Hem niet.
7.
II. Vs. 7-12.KruisverwijzingenJob 34:22→Daniël 2:22→Jona 1:3→Job 26:6→Spreuken 15:11→Psalmen 23:3→Psalmen 63:8→Job 12:22→
— Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee; Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
David weet, dat hij door God als den Alomtegenwoordige overal omringd is. Hij doorloopt alle verhoudingen van ruimte naar hoogte en diepte, naar lengte en breedte, naar het licht van den dag en van den nacht. Hij denkt aan de stoutste middelen, waarvan hij zich zou kunnen bedienen, om zich voor God te verbergen, wanneer hij daartoe reden mocht hebben, en aan de meest gewaagde woorden, die tot zulk een doel schijnen te kunnen leiden, maar hij weet geen waar en geen hoe te ontdekken-hij gevoelt zich van het ene einde der wereld tot het andere, in de diepste duisternis zowel als op den helderen dag, in de macht van den alomtegenwoordigen God.
Waar zou ik, zo ik reden had, om voor het alziend oog des Rechters en voor de hand van den Wreker mij te verbergen (Gen 3: 8. (Jon. 1: 3. Psalm 32: 3),heengaan voor Uwen Geest? en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?1)
Alzo gaat hij voort, om het te vertellen, dat er nergens een plaats is, waar hij het alziend oog van een Alwetend God zou kunnen ontvluchten. Dat Hij is aan alle plaatsen en den mens weer weet te vinden, indien deze voor Hem zou willen vluchten.
a) Zo ik opvoer ten hemel, het hoogste denkbare punt, Gij zijt daar; of bedde ik mij, spreidde ik mijn bed, mijne legerstede, om mij daarop neer te laten, in de hel, het diepste punt naar beneden (Job 7: 9; 11: 8. (Amos 9: 2 vv.), zie, Gij zijt daar.
Job 26: 6. Hebr. 4: 13. De Psalmist zegt hiermede op schone wijze, dat wij nergens kunnen zijn, waar God niet is. Mochten wij dan altijd Zijne tegenwoordigheid indachtig blijven en wandelen voor Zijn aangezicht! Doch deze zaak heeft ook ene andere geestelijke zijde. Met onze lichamen kunnen wij wel niet ten hemel opvaren, maar toch het onze hoge gedachten. Hoe velen streven met hun gedachten en begeerten altijd hoger, zodat zij schijnen hun zetel tussen de sterren te willen plaatsen. Men mag wel hoger gezind zijn, maar alleen in Christus. Wij moeten niet alles willen hebben, maar alleen Christus en in Hem alles. Wij moeten ons van inbeeldingen en zinsbegoochelingen vrijmaken en bedenken, dat wij, als wij ons ten hemel willen verheffen, God aldaar ontmoeten en dat voor God alles moet wegvallen, ook de ons zo gewone verbeelding, dat wij meer zijn, dan wij werkelijk zijn. Christus was naar den geest nedergedaald ter helle, toen Hij aan het kruis hing; doch ook daar zei Hij: “Mijn God.” Op dat “Mijn God” komt het aan, en dan moeten ook wij, wanneer wij in den geest in zware aanvechtingen, in de helle zijn, kunnen zeggen; want wie het zeggen kan, die heeft God en zal gered worden.
Nam ik vleugelen des dageraads in het Oosten, en bewoog ik mij met de grootste snelheid langs het hemelgewelf; woonde ik aan het uiterste der zee, in het Westen aan het einde van den onmeetbaren Oceaan, waar de zon schijnt onder te gaan;
Ook daar zou Uwe hand mij geleiden, en Uwe rechterhand zou mij houden; Uwe Voorzienigheid zou ook daar mij omringen. Wij hebben hier de beschrijving van den levenden God, die omgaat met mensen als een mens, en toch in de oneindigheid Zijner goddelijke natuur blijft. Of die oude Psalmisten ook den Heere kenden; Zij kenden hem van aangezicht tot aangezicht door hun gedurigen verborgen omgang met Hem.
Indien ik zei: De duisternis 1) zal mij immers bedekken, dan is voor U, voor wien ik mij dacht te verbergen, de nacht een licht om mij (Job 34: 21 vv. (Jer. 23: 28 vv.).
Ook verduistert de duisternis voor U niet, die het licht zelf zijt (Psalm 104: 2); maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht (Jak. 1: 9). Willen wij de duisternis tot misdaad zoeken, zij bedekt voor ‘t alziend oog des Rechters niet, het is voor Hem als bij klaren dag; en hoe akelig de donkerheid zij, Gods gunstgenoot behoeft niet te vrezen, want de Heere is met hem. Ook de spraak, in waardige harmonie met den geest van den Psalm, kleedt zich in het gewaad van den dageraad en schittert in onbeschrijfelijke pracht. In plaats van te zeggen: “snelde ik op het spoedigst van het uiterste Oosten tot het meest verwijderde Westen,” bedient de dichter zich van het schoonste beeld, dat wel ooit de fantasie tot uitdrukking van die gedachte gevonden heeft; want waar zouden lieflijker en tevens sneller wendingen te zien zijn, dan des morgens, aan den hemel vóór het opgaan der zon, als van daar een roodachtig schijnsel gelijk een bliksem tot aan de einden der aarde doordringt, die door de golven der zee worden begrensd? en waar heeft nog de poëzie ene stoutere vlucht genomen dan hier, waar zij zich op zulke vleugelen beweegt?. De nacht, de duisternis bedekt voor God niets, dewijl Hij de hoogverhevene is boven de natuur en Hij zelf het licht, in Wien geen duisternis is. Bedekt de duisternis veel met haar sluier, zodat geen mensenkind het ziet, en bemerkt: God, de Heere, ziet alles, hoort alles, bemerkt alles. 13.
III. Vs. 13-18.KruisverwijzingenGenesis 1:26→Jeremia 1:5→Psalmen 104:24→Psalmen 40:5→Psalmen 119:73→Job 5:9→Psalmen 92:4→Psalmen 111:2→
— Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen! Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
De heilige zanger is zich bewijst aanstonds van zijn eerste begin door God als den Alomtegenwoordige en Eeuwige geleid en gedragen te zijn. Terwijl hij tot die eerste beginselen van zijn bestaan teruggaat, daalt hij in de geheimvolle diepten van die werkplaats van Gods scheppende werkzaamheid af, in welke ook hij is gevormd, in den moederschoot. Daar ontwikkelt zich niet alleen onder de ogen Gods een menselijk leven, het wordt ook gevormd overeenkomstig het raadsbesluit van God. Het bepeinzen van Gods gedachten, die daar reeds begonnen zich uit werken, is ene bezigheid, waarmee men kan voortgaan tot in den slaap, en als men tot zichzelven komt, is men nog niet uitgedacht.
Het kan ook niet anders zijn dan ik te voren zei, U kan mijn handelen en bestaan niet verborgen zijn, en ik kan nergens Uwe macht ontvlieden; want Gij bezit mijne nieren, dien zetel mijner verborgenste gevoelens en gewaarwordingen; Gij bezit ze en kunt ze naar alle zijden heen doorzoeken en beproeven (Psalm 7: 10); Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt, mij daar zaamgevlochten. Wanneer ik in de ingewanden mijner moeder ontvangen was, hebt Gij het teder beginsel van mijn kunstig gevormd lichaam, een meesterstuk, U, den almachtigen Maker aller dingen, alleszins waardig, op ene onnaspeurlijke wijze uitgerold en al de ontelbare deeltjes, welke er tot mijn lichaam nodig waren, met ene wonderbare wijsheid zodanig zaamgeweven, dat het eindelijk op den bepaalden tijd mijner geboorte een volledig mens uitmaakte.
God is het begin van alles wat goed is. Dat is zó waar, dat wanneer een pas geboren kind kon bidden, het reeds ene dankstof zou hebben van negen maanden, om er mede tot God te naderen.
Ik loof U, wanneer ik over mijn eerste begin nadenk, omdat ik op ene heel vreeslijke wijze, onder ontzetting barende omstandigheden, wonderbaarlijk gemaakt ben (Job 10: 8 vv.), wonderlijk zijn Uwe werken! ook weet het mijne ziel zeer wel (Prediker 11: 5. Psalm 119:
.
Mijn gebeente, het beenderenstel met hetgeen daarbij behoort, was voor U niet verholen
, als ik in het verborgene, in de ingewanden mijner moeder gemaakt ben 1), en als een borduursel 2), aller kunstigst zaamgeweven, gewrocht ben in de nederste delen der aarde 3), den donkeren moederschoot.
Prediker 11: 5.
Kimchi: “geperst als ene kaas.” (vgl.Job 10: 10).
Het woord is hier juist gebezigd van de formering en zamenvlechting des kinds in de baarmoeder. Daarin worden het vlees en de huid, en aderen, de slagaderen en de zenuwen zo kunstig te zamen geweven, dat geen borduursel of tapijtwerk in de wereld daarbij kan vergeleken worden. En dat hier gezegd wordt, dat dit borduren geschied is in ‘t verborgen, schijnt te staan tegenover het maken van tapijtwerk, waartoe een helder licht nodig is, zowel om het patroon te zien als hetgeen men werkt.
Vreemd klinkt voor ons de uitdrukking: “in de nederste delen der aarde; ” deze uitdrukking is vergelijkenderwijze. Daar toch in den moederschoot de embryo sluimert, even als de ontslapenen in het graf, en op het licht van deze wereld wacht, zo als zij op het licht ener toekomstige, zo kan ook de moederschoot met het dodenrijk, de scheool (Job 7: 9; 10: 22 7.9 10.22) en omgekeerd (Job 1: 21) worden vergeleken, ene vergelijking, die tevens op het dodenrijk als op de geboorteplaats van een nieuw leven wijst.. (vgl. Matth. 27: 53 ). In het ontstaan van ieder mens herhaalt zich, naar de beschouwing der Schrift, de schepping van Adam (Job 33: 6). De aarde was de moederschoot van Adam, en de moederschoot, waaruit het Adamskind te voorschijn komt, is de aarde, uit welke hij genomen is.
Dit “benedenste delen der aarde” gebruikt de dichter als terugslag op de schepping van den mens, op zijn ontstaan, wat zijn lichaam betreft, uit het stof der aarde.
Uwe ogen hebben mijnen ongevormden klomp gezien, mij gadegeslagen toen ik nog in embryonischen toestand was, toen de vrucht nog in de eerste vorming was, en al deze dingen
, wat geschieden zou, waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd, bepaald zouden worden, toen nog geen van die was.
Alles is ontwikkeling van Gods raad, vóórdat iets voor zichzelven of op zichzelven bestond, bestond reeds alles voor God, voor wien alle dingen eeuwig tegenwoordig zijn.
Letterlijk, al die, nl. al de dagen, waarvan hij zegt, dat zij geformeerd waren, ook toen er nog geen van die was. Hiermede spreekt de dichter het uit, dat vóór zijn geboorte alles bepaald was, dat zijne gehele levensgeschiedenis reeds vóór zijne geboorte, klaar en duidelijk voor Gods ogen stond.
Daarom hoe kostelijk zijn mij, o God Uwe gedachten! 1) waar ik over U denk, wat ik niet nalaten kan, waar ik U met mijne ogen niet zien en met mijn verstand niet begrijpen kan; hoe machtig vele zijn hare sommen, ontelbaar vele zijn ze, wanneer ik aan Uwe deugden en daden denk (Psalm 40: 6).
Uwe gedachten zijn hier alles, wat de Heere in Zijn boek geschreven, alles wat Hij naar Zijne alwetendheid, overal tegenwoordigheid, almacht en genade voor David was, en is, en zijn zal; begin, voortgang en voleindiging. In die alles omvattende, oneindige gedachten Gods verliest hij zich zalig; kostelijk, dierbaar begeerlijk zijn ze hem. Zij vervullen hem geheel, bij dagen en bij nachten; hij slaapt er mede in, gelijk Jeremia; en de slaap is hem zoet, en wordt hij wakker, ontwaakt hij, zo is hij nog bij den Heere.
Zou ik ze tellen? harer is meer dan des zands; word ik wakker, nadat ik in de gedachten daarover ben ingeslapen, zo ben ik nog bij U, zo ben ik nog altijd in de beschouwing daarvan als verzonken (Psalm 63: 7). Hij komt niet aan het einde, wakende en dromende en ontwakende, is hij ingenomen door die eindeloze en toch ook eindeloos aantrekkende bezigheid, de waardigste van den wakende en de zoetste (Jer. 31: 26) van den slapende en dromende.
Niets is lieflijker dan Gods gedachten en werken na te gaan. Wij denken er veel te weinig aan; ook onze kinderen moesten wij er meer in onderwijzen. Doch de oneindigheid van dit gebied overstelpt ons gewoonlijk. Aan Gods heerlijkheid en macht is geen einde. Doch zou dit terughouden, om er zoveel van te aanschouwen of te leren kennen als wij maar immer kunnen?. 19.
IV. Vs. 19-24.KruisverwijzingenPsalmen 26:2→Job 31:6→Spreuken 17:3→1 Petrus 1:7→Zacharia 13:9→Deuteronomium 8:2→Psalmen 143:10→Jesaja 11:4→
— O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij! Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen. Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij. Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
Zalig verdiept in het ondoorgrondelijk geheim der Goddelijke gedachten, voor welker onberekenbare som hij in ootmoed nederzinkt, gevoelt David zich des te onaangenamer aangedaan door het wezen der wereld, die in misdadige werken der duisternis het rijk des lichts tegenwerkt. Hij roept daarom God als den Heilige en Rechtvaardige op ten gerichte over de goddelozen, die hij in het diepst zijner ziel haat. Hij wendt zich vervolgens voor zijn eigen persoon tot God, om zich door Hem te laten beproeven en doorvorsen, opdat gene onbewuste onreinheid in zijn hart achterblijve, maar hij geheel en volkomen op den weg van zaligheid en eeuwig leven gebracht worde.
O God! dat Gij den goddeloze ombracht 1), en gij mannen des bloeds (Psalm 5: 7; 26: 9; 55: 24), wijkt van mij, zodat ik niet meer zie, door wie de Heere niet geloofd noch geliefd wordt.
Onder goddelozen hebben we aan verstokte booswichten te denken, en onder de mannen des bloeds degenen, die in wélbewusten haat woeden tegen Gods kinderen uit vijandschap tegen God. Het is geen persoonlijke haat, die David aldus doet spreken, maar liefde voor des Heeren Naam en voor Zijne eer. De vijanden Gods zijn ook zijne vijanden.
Dat zij van mij wijken, die van U schandelijk spreken, die Uwen naam misbruiken tot schandelijke doeleinden, en Uwe vijanden ijdelijk verheffen 1), metgezellen zijn van Uwe haters en hun gezindheid en daden prijzen.
In het Hebr. Kyre awvl awvn (Naschoe laschaw arèka). Beter: U belijden tot leugen, uwe vijanden. In het 3de gebod wordt ook gesproken van den Naam des Heeren tot leugen of tot het ijdele gebruiken, wat de Heere verbiedt en Hij niet onschuldig zal houden. Welnu de dichter heeft een afkeer van hen, die zijn God belijden tot leugen, d.i. die God van Zijn troon wensen te rukken, alsof hij geen God ware, niet de ware, de levende God. Van hen scheidt de dichter zich niet uit ijdele zelfverheffing, maar uit liefde tot zijn God en Zijne heilige wet.
Zou ik niet met alle recht en op goede gronden haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
Ik haat hen met volkomenen, met den sterksten haat, tot vijanden zijn zij mij, Uwe vijanden zie ik voor mijne eigene aan. Hij haatte Gods vijanden niet met het oog op hun personen, maar op hun zonden, waardoor zij vijanden waren van God, en deze haat is prijzenswaardig. Wanneer hij hier ter plaatse zegt: “ik haat de vijanden Gods,” zo wil hij daarmee zijne gehechtheid aan God uitdrukken, niet als ware hij vrij van feilen, maar omdat hij, naar ware heiligheid strevende, elke goddeloosheid van harte verafschuwt. Nooit toch zal de zucht naar heiligmaking levendig genoeg zijn in onze harten, wanneer niet zulk een haat tegen de zonde in ons binnenste spreekt, als David hier belijdt. Brandt in ons die ijver voor Gods huis, gelijk David in Psalm 69: 10 te kennen geeft, zo zal ook de koude in ons geen veld winnen, waarin wij rustig toezien, wanneer Zijne gerechtigheid geschonden, ja Zijn heilige naam door de goddelozen met voeten getreden wordt.
De proef van liefde is haat. God zegt niet: “Jakob heb Ik liefgehad,” of Hij voegt er bij: “en Ezau heb Ik gehaat” (Mal. 1: 2,3). Evenzo is de proef van vrede, oorlog. Men kan geen vrede met God hebben, zonder in oorlog te zijn met de wereld, met de zonde, met de vijanden van Gods wetten en waarheden. Ook daartoe moet het dus bij ons komen, zo wij niet zullen behoren tot de onverschilligen, de lauwen, die bij den Heere boven alle anderen verwerpelijk zijn. Maar toonde David zich dan niet met deze woorden als een haatdragend mens, en als het kind van een geheel anderen geest dan die des Heeren? Neen, gewoonlijk zijn de zachtmoedigste mensen, eenmaal in haat tegen de zonde ontstoken, hare krachtigste tegenstanders. Trouwens de onverschilligen staan tegenwoordig nog in een geheim bondgenootschap met het kwade, zij hebben nog deel in het komplot en zijn nog in den opstand betrokken, zodat zij stilzwijgende tot zichzelven zeggen: “hen veroordelende, veroordeel ik mij zelven.” Voorts hebben de heilige mannen Gods als zodanig geen vleselijken, natuurlijken haat tegen de goddelozen, om hen te vuur en te zwaard te verdelgen, zij hebben een volkomen, dat is een volmaakten, heiligen haat tegen een, die het boze met welbehagen doet. Zij haten beide, gelijk God ze haat, en zonder op te houden voor hun natuurgenoten te bidden en hun alle liefde te bewijzen, daar, waar zij niet als vijanden Gods optreden. David bidt hier niet, dat hij, maar dat God alle goddelozen mocht ombrengen. En hiermede vraagde hij wat eenmaal aan het einde der dagen werkelijk geschieden zal volgens de verzekering des Heeren zelven.
Opdat ik nu echter bij deze mijne liefde tot U en bij mijnen haat tegen de bozen geen gevaar loop mij in enig opzicht te bedriegen en zelf in zonde te wandelen, terwijl ik de bozen van mij wens, Zo bid ik U a): Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijne gedachten 1), want ik stel mij uitdrukkelijk in het licht van Uw goddelijk beproeven, waardoor Gij mij beter kent, dan ik mijzelven kan kennen (vs. 1).
Job 31: 6. Psalm 26: 2. Hij bevestigt, dat hij om geen andere oorzaak een vijand is van de verachters Gods, dan omdat hij zelf God zuiver wenst te dienen, en wenst, dat Hij door anderen met een zelfden zin worde gediend. Hij moet wel met een zeldzaam vertrouwen begaafd zijn, die zich zo onbevreesd voor Gods rechtbank stelt, om onderzocht te worden. Maar, dewijl hij zich zijnen zuiveren godsdienst bewust was, stelt hij zich niet blindelings, maar ten volle gerust voor Gods vierschaar. Niet dat hij zich vrij van alle zonde wil belijden, daar hij zucht onder de last van zijne zonde. Maar zeker is het, dat de heiligen zo dikwijls zij van hun heiligheid spreken, zij altijd steunen op de genadige schuldvergeving. Overigens, dewijl zij overtuigd zijn, dat hoe zij ook met zwakheden behebt zijn, hun godsvrucht door God wordt erkend, is het niet te verwonderen, indien zij zich vrijwillig van de goddelozen afscheiden.
En zie, of bij mij, in enig opzicht een schadelijke weg zij, die tot de eeuwige smart voert, en leid mij op den eeuwigen weg, op Uwen weg (Psalm 25: 4 vv.; 27: 11), die tot het eeuwige leven gaat (Psalm 1: 6). Wanneer zal het zover komen, dat wij niet alleen de uitwendige gemeenschap met de bozen opheffen, maar ook geen inwendigen en verborgen zamenhang meer met hen hebben?. Toenemend wantrouwen omtrent ons zelven, altijd grotere bevreesdheid voor ongekende diepten van zonden zijn een zeker bewijs van vermeerderende zelfkennis.
David vraagt hier, dat de Heere hem leiden moge tot den einde toe, dat Hij zijn gids en leidsman moge zijn. Het is de verzekering van een Asaf tot een bede ingericht, dat God hem leiden moge naar Zijn Raad en hem daarna opnemen in heerlijkheid. Het is hier een zich overgeven aan de leiding van dien God, die hem reeds kende, vóór zijn geboorte, die hem tot hiertoe geleid heeft en van Wien hij nu hoopvol vertrouwde dat Hij hem verder leiden zal. De eeuwige weg is dan ook de weg Gods, de weg der rechtvaardigen, die eeuwig zal bestaan en niet vergaan. De goddelozen zullen verdwijnen, maar wie door God op dien eeuwigen weg wordt geleid, zal blijven tot in eeuwigheid.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel